<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                                                                                                    Parkstraat 83 Den Haag
                                                                                                    Correspondentie:
                                                                                                    Postbus 30137
                                                                                                    2500 GC Den Haag
                                                                                                    Telefoon (070) 361 93 00
                                                                                                    Fax algemeen (070) 361 93 10
                                                                                                    Fax rechtspraak (070) 361 93 15
                  Aan de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
                  De heer mr. F. Teeven
                  Postbus 20301
                  2500 EH Den Haag
         Betreft: aanbieding advies
 Contactpersoon:  drs. M. Kruissink/drs. D. Kempers
Doorkiesnummer: 070-3619322
          E-mail: m.kruissink@minvenj.nl
         Datum: 8 februari 2013
    Uw kenmerk: 5738951/12/DJI
   Ons kenmerk: RSJ/101/1377/2013/MKr/TvV
     Onderwerp: Wijziging Regeling Selectie Plaatsing en Overplaatsing van Gedetineerden (RSPOG) i.v.m. de
                  regionale plaatsing van arrestanten
                  Geachte heer Teeven,
                  Op 27 november 2012 heeft de RSJ uw brief ontvangen met het verzoek te adviseren over
                  een conceptwijziging van de “Regeling Selectie Paatsing en Overplaatsing van Gedetineerden,
                  in verband met het samen plaatsen van arrestanten” (uw kenmerk: 5738951/12/DJI, d.d. 20
                  november 2012).
                  Voorgestelde wijziging
                  De voorgestelde wijziging betreft arrestanten met een strafrestant van maximaal acht weken
                  en grijpt in op twee elementen: 1) regionale plaatsing en 2) het regime waaronder bedoelde
                  arrestanten verblijven. Beide worden hieronder toegelicht.
                  Ten aanzien van regionale plaatsing: volgens het regionaliseringsbeginsel, één van de
                  uitgangspunten van het programma Modernisering Gevangeniswezen (MGW), worden
                  gedetineerden gedurende de laatste vier maanden van hun detentie geplaatst in een penitentiaire
                  inrichting (PI) in het arrondissement waar zij zich na detentie zullen vestigen. Het doel hiervan
                  is een betere aansluiting tot stand te brengen tussen de gedetineerde en de ketenpartners die
                  betrokken zijn bij diens re-integratie en nazorg. Daarmee wordt beoogd een goede overgang naar
                  de vrije samenleving te realiseren en recidive terug te dringen.
                  Volgens de toelichting bij de concept-regeling is het aanbod van arrestanten in de Randstad zodanig
                  omvangrijk dat in de randstedelijke inrichtingen onvoldoende capaciteit beschikbaar is om alle
                  langverblijvende gedetineerden gedurende de laatste vier maanden van hun detentie regionaal te
                  plaatsen. Daardoor komen de nazorg en de resocialisatie voor deze groep gedetineerden in het
                  gedrang, aldus de toelichting.
                  Om deze situatie te veranderen wordt voorgesteld een deel van de gedetineerdenpopulatie, te
                  weten arrestanten met een strafrestant van maximaal acht weken, uit te sluiten van regionale
                  plaatsing. Op die manier vermindert de druk op de randstedelijke inrichtingen waardoor er ruimte
                  komt voor de regionale plaatsing van langverblijvende gedetineerden tijdens de laatste vier
                  maanden van hun detentie, aldus de toelichting.
                  Ten aanzien van het regime: de bedoelde arrestanten worden onder de voorgestelde regeling
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>geplaatst in een ‘regime van beperkte gemeenschap’, in tegenstelling tot het ‘regime van algehele
gemeenschap’ dat tot op heden van toepassing is. Voor de betrokkenen zou deze wijziging
betekenen dat zij een beperkt activiteitenprogramma, geen gelegenheid tot arbeid en “beperktere”
re-integratieactiviteiten aangeboden krijgen.
Advies
Advisering in context
De Raad neemt bij dit advies een zekere reserve in acht. De voorgelegde wijziging is - hoe
belangrijk ook voor de betrokken arrestanten - op zichzelf relatief beperkt. Het voorstel vindt
echter plaats in de context van een heel palet aan substantiële wijzigingen in beleid en regelgeving.
Het betreft onder meer de herziening van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) in verband met
het programma Modernisering Gevangeniswezen (MGW), de invoering van het Dagprogramma
Beveiliging en Toezicht op maat (DBT) en de daaraan verbonden wijziging van de Regeling SPOG
en de Regeling Tijdelijk Verlaten van de Inrichting (RTVVI). Ook is kennelijk, blijkens de toelichting
bij het voorstel, een wijziging van het differentiatiestelsel in voorbereiding. In het voorstel wordt
gesproken van een differentiatiestelsel dat zes doelgroepen omvat. De Raad heeft al eerder
geconstateerd dat een dergelijke indeling in het programma MGW wordt gehanteerd maar wijst er
op dat deze indeling geen formele status heeft zolang in de Penitentiaire beginselenwet nog enkele
tientallen differentiaties worden onderscheiden.
Zonder de context van de substantiële (voorgenomen) wijzigingen erbij te kunnen betrekken, is het
voor de Raad buitengewoon lastig de voorgelegde wijzigingsvoorstellen af te wegen en op hun juiste
waarde te schatten.
Regionale plaatsing
Het voorstel om de bedoelde arrestanten uit te sluiten van regionale plaatsing wordt
beargumenteerd vanuit een capaciteitstekort. Het aantal arrestanten in de Randstad zou van
zodanige omvang zijn dat in de randstedelijke inrichtingen onvoldoende capaciteit beschikbaar is om
alle langverblijvende gedetineerden gedurende de laatste vier maanden van hun detentie regionaal
te plaatsen. Daardoor zouden de nazorg en de resocialisatie voor deze groep van gedetineerden in
het gedrang komen.
Naar het oordeel van de Raad lijkt dit punt merkwaardig aangezien uit capaciteitsoverzichten van
de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) blijkt dat het gevangeniswezen veel leegstand kent en er
ook capaciteit wordt gesloten. Uit navraag bij de DJI blijkt dat de leegstand grotendeels buiten
de Randstad is te vinden, en voor zover er leegstand in de Randstad is, dit HvB-capaciteit zou
betreffen. Niettemin is de Raad van oordeel dat het belang van de persoonsgerichte aanpak van
gedetineerden dermate groot is dat uiteindelijk een afweging moet plaatsvinden tussen enerzijds
een belangrijk uitgangspunt van die persoonsgerichte aanpak, te weten regionale plaatsing, en
anderzijds de bestemming van beschikbare capaciteit.
De Raad adviseert om het belang van de regionale plaatsing te laten prevaleren en de beschikbare
vrije HvB-capaciteit, na herbestemming, in te zetten voor de onderbrenging van arrestanten in de
regio van vestiging. Regionale plaatsing is immers een uitgangspunt van het programma MGW. Om
een bepaalde groep hiervan categorisch uit te sluiten, zoals voorgesteld in de concept-wijziging,
vindt de Raad principieel onjuist. Juist de groep van arrestanten is gebaat bij re-integratie in de
eigen regio (zie onder “re-integratie”, elders in deze brief).
Nog een argument om regionale plaatsing te handhaven, ook voor de bedoelde groep, vloeit voort
uit de afspraken over nazorg die het ministerie van Justitie heeft gemaakt met de Vereniging
Nederlandse Gemeenten. In het Samenwerkingmodel Nazorg is opgenomen dat gedetineerden
in het arrondissement van vestiging geplaatst worden, en wanneer dat niet mogelijk is in een
belendend arrondissement. Het ministerie (en uiteraard ook de Dienst Justitiële Inrichtingen) is aan
dit convenant gebonden.
Verder constateert de Raad dat het onder de bestaande regelgeving reeds mogelijk is gedetineerden
buiten het arrondissement van vestiging te plaatsen wanneer daar geen plaats is (art. 25, lid
8, RSPOG); deze mogelijkheid wordt in de huidige praktijk ook toegepast. Met de voorgestelde
wijziging wordt deze mogelijkheid voor de beoogde groep arrestanten echter juist ongedaan
gemaakt.
Regime
Onder de voorgestelde regeling worden de bedoelde arrestanten geplaatst in een ‘regime van
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>beperkte gemeenschap’. De Raad vraagt zich af hoe dit zich verhoudt tot het beginsel van minimale
beperkingen en het resocialisatiebeginsel, zoals neergelegd in de Penitentiaire beginselenwet (art. 2,
lid 2 en 4, Pbw).
Arbeid
De in het voorstel beoogde groep gedetineerden, arrestanten met een strafrestant van acht weken
of minder, wordt onder de voorgestelde regeling uitgesloten van arbeid. Dit is strijdig met de wet.
Het recht op arbeid is vastgelegd in de Penitentiaire beginselenwet (art. 47, lid 1, Pbw). Uiteraard
kan dit uitsluitend veranderd worden via een wijziging van de wet (en niet via een wijziging van de
Regeling SPOG).
Tevens acht de RSJ het argument op grond waarvan de bedoelde arrestanten worden uitgesloten
van arbeid onjuist. In de toelichting wordt gesteld dat arbeid in de inrichting aan productienormen
is gebonden; daarvoor zou continuïteit in de arbeidsbezetting een voorwaarde zijn en deze zou niet
bereikt kunnen worden vanwege de hoge doorloopsnelheid van deze arrestanten. Ook in huizen van
bewaring, waar gedetineerden vaak zeer kort verblijven, wordt arbeid verricht. Verder is de arbeid in
het gevangeniswezen van zodanige aard dat gedetineerden zich de benodigde vaardigheden veelal
in korte tijd eigen kunnen maken.
Bovendien acht de Raad het verrichten van arbeid in detentie een belangrijke en waardevolle
bezigheid omdat dit bijdraagt aan het ontwikkelen van een vast dagritme en een zeker gevoel voor
verantwoordelijkheid dat van belang is bij terugkeer in de samenleving.
Re-integratie
De regeling betekent een versobering van het regime voor de beoogde groep. In de toelichting
wordt aangegeven dat bedoelde arrestanten naar het oordeel van de Staatssecretaris baat
hebben bij re-integratie-activiteiten “zij het in beperktere mate”. Zij krijgen onder de voorgestelde
regeling naast bezoek en de wettelijk verplichte activiteiten, onderdelen van het programma MGW
aangeboden. Tevens worden zij in de gelegenheid gesteld “de Reflector” in te vullen (geeft inzicht in
de eigen delictgeschiedenis) en kunnen zij deelnemen aan modules van “Kiezen voor verandering”
(interventies die zijn gericht op bewustwording en gedragsverandering).
De Raad vindt het van groot belang dat ook voor deze groep ruimte is voor re-integratieactivi-
teiten, mede met het oog op het beperken van recidive, en dat deze activiteiten zijn gericht op de
omstandigheden van de arrestanten in kwestie. Een deel van deze groep verkeert aan de ‘zelfkant’
van de maatschappij, denk aan daklozen en verslaafden. Doorlopend hebben enkele honderden
arrestanten te maken met schulden, hebben geen thuis, geen inkomen en geen legitimatiebe-
wijs, zo blijkt uit het WODC-onderzoek ‘Monitor Nazorg’.1 Vooral deze mensen kunnen volgens de
Raad baat hebben bij re-integratie die is gericht op verbetering van deze ‘leefgebieden’. Alhoewel
de Raad betreurt dat de bedoelde groep in het voorstel in “beperktere mate” voor re-integratie in
aanmerking komt, ondersteunt hij dat de nazorgactiviteiten op de vijf ‘leefgebieden’ wel worden
aangeboden. Daarbij tekent de Raad wel aan dat voor deze activiteiten nu juist de verbinding en
contacten met relevante partijen in de regio van vestiging van groot belang zijn.
Verder acht de Raad het van belang dat het “Beginsel van individualisering” in detentie wordt
nageleefd. Het beginsel luidt: “De overheid houdt rekening met de individuele belangen, noden en
omstandigheden van elke afzonderlijke ingeslotene” (zie de nota Goed bejegenen van de RSJ). Dit
sluit aan op een ander uitgangspunt van MGW, te weten de ‘persoonsgerichte aanpak’. Volgens die
aanpak krijgen gedetineerden een op de persoon afgestemd aanbod van gedragsinterventies en een
dagprogramma dat maximaal is ingericht op het bevorderen van een succesvolle terugkeer in de
maatschappij.
Lopende vonnissen
Een punt van meer praktische aard is dat in de conceptwijziging niet is aangegeven op welke manier
rekening wordt gehouden met lopende vonnissen. Soms wordt bij arrestanten pas tegen het einde
van een detentie duidelijk dat er nog lopende (boete)vonnissen zijn. Directe tenuitvoerlegging
hiervan heeft invloed op de termijn van acht weken. Arrestanten zouden hierdoor ten onrechte en/of
te lang in het voorgestelde beperkte regime kunnen verblijven en in een arrondissement dat niet het
arrondissement van vestiging is.
1    Op verzoek van de Raad zijn enkele extra berekeningen gemaakt op basis van gegevens uit de meest recente Monitor Nazorg. Bij aanvang van
     de detentie heeft 74% van de kortgestraften met een strafrestant tot 1 maand te maken met schulden, 31% heeft geen huis¬vesting, 40%
     heeft geen inkomen en 25% beschikt niet over een legitimatie¬bewijs; onder de gedetineerden met een strafrestant van 1 tot 2 maanden heeft
     73% schulden, 30% geen huisvesting, 28% geen inkomen en 15% geen legitimatiebewijs; zie: Derde meting van de monitor nazorg ex-gedeti-
     neerden, door S. Noordhuizen en G. Weijters, WODC-cahier 2012-13.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Conclusie
De Raad is niet overtuigd van de noodzaak van de voorgestelde wijzigingen. Vanwege de in deze
brief toegelichte formele, principiële en praktische redenen adviseert de Raad het voorstel in
heroverweging te nemen.
Hoogachtend,
namens de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming,
mr. L.A.J.M. de Wit, algemeen voorzitter
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>