<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                                                                                                     Parkstraat 83 Den Haag
                                                                                                     Correspondentie:
                                                                                                     Postbus 30137
                                                                                                     2500 GC Den Haag
                                                                                                     Telefoon (070) 361 93 00
                                                                                                     Fax algemeen (070) 361 93 10
                                                                                                     Fax rechtspraak (070) 361 93 15
                  Aan de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
                  De heer mr. F. Teeven
                  Postbus 20301
                  2500 EH Den Haag
         Betreft: aanbieding advies
 Contactpersoon:  drs. M. Kruissink, mr. M.A.C. Herweijer
Doorkiesnummer: 070-3619322
          E-mail: m.kruissink@minvenj.nl
         Datum: 2 mei 2013
   Ons kenmerk: RSJ/101/1546/2013/MK/TvV
     Onderwerp: Advies over het “conceptwetsvoorstel tot wijziging van de Penitentiaire beginselenwet en het
                  Wetboek van Strafrecht in verband met de herijking van de wijze van tenuitvoerlegging van vrij-
                  heidsbenemende sancties en de invoering van elektronische detentie”
                  Geachte heer Teeven,
                  Op 25 maart 2013 heeft de Raad uw verzoek ontvangen om advies uit te brengen over het
                  “conceptwetsvoorstel tot wijziging van de Penitentiaire beginselenwet en het Wetboek van
                  Strafrecht in verband met de herijking van de wijze van tenuitvoerlegging van vrijheidsbene-
                  mende sancties en de invoering van elektronische detentie” (hierna: het wetsvoorstel elektronische
                  detentie). Daarbij vermeldt u de reactie van de Raad uiterlijk op 3 mei 2013 te willen ontvangen.
                  Dat betekent een termijn van slechts zes weken; dat is korter dan gebruikelijk. Hierbij ontvangt u
                  het advies van de Raad.
                  In deze brief treft u eerst de belangrijkste conclusies ten aanzien van het wetsvoorstel elektronische
                  detentie. Vervolgens gaat de Raad inhoudelijk op het wetsvoorstel in en onderbouwt de conclusies.
                  Conclusies
                  •   De Raad is een voorstander van elektronische detentie mits deze niet ‘kaal’, dat wil zeggen
                      zonder begeleiding (bijvoorbeeld op het terrein van scholing of verslavingszorg), wordt
                      toegepast.
                  •   Elektronische detentie in plaats van de korte vrijheidsstraf zou adequaat moeten worden
                      geregeld door deze bijvoorbeeld als zelfstandige hoofdstraf op te nemen in het Wetboek van
                      Strafrecht.
                  •   Tevens is de Raad er voor om elektronische detentie in te zetten in de plaats van feitelijke vrij-
                      heidsbeneming op grond van een bevel tot voorlopige hechtenis, bijvoorbeeld in het kader van
                      de schorsing daarvan.
                  •   De Raad is eveneens voorstander van elektronische detentie voorafgaand aan de
                      voorwaardelijke invrijheidsstelling (v.i.) maar plaatst wel een kanttekening bij de voorwaarden
                      en criteria voor deelname.
                  •   Sinds de Beginselenwet gevangeniswezen van 1953 kent ons land een beproefd systeem
                      van detentiefasering. Er zijn goede argumenten nodig om dit systeem af te schaffen. Het
                      onderhavige conceptwetsvoorstel bevat dergelijke argumenten niet.
                  •   Het invoeren van elektronische detentie als executiemodaliteit voorafgaand aan de v.i. hoeft
                      niet noodzakelijkerwijs te leiden tot de afschaffing van de detentiefasering, zoals in de plannen
                      van de wetgever wordt voorgesteld.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>•    Door kwetsbare groepen van elektronische detentie uit te sluiten en detentiefasering af te
     schaffen, komen de desbetreffende gedetineerden vrij, zonder enige vorm van voorbereiding op
     hun terugkeer in de maatschappij. Om dit te voorkomen pleit de Raad ervoor detentiefasering
     en resocialisatie te laten voortbestaan náást elektronische detentie.
•    Arbeid draagt bij aan een zinvolle dagbesteding tijdens detentie en vergroot de kans op een
     succesvolle terugkeer in de maatschappij na detentie. Om die reden acht de Raad het vervangen
     van het recht op arbeid door een voorrecht onwenselijk.
Het advies is opgebouwd uit de volgende paragrafen.
1.   Inleiding
2.   Elektronische detentie
     a. Voorstander van elektronische detentie, mits niet ‘kaal’ toegepast
     b. Elektronische detentie in plaats van de korte vrijheidsstraf
     c. Elektronische detentie voorafgaand aan de voorwaardelijke invrijheidsstelling (v.i.)
     d. Elektronische detentie tijdens de voorlopige hechtenis
     e. Criteria voor deelname aan elektronische detentie
     f. Enige aspecten van de tenuitvoerlegging van elektronische detentie
     g. Het ontbreken van overgangsrecht
3.   Afschaffing detentiefasering
4.   Goed gedrag in plaats van regime bepalend voor detentieverloop
5.   Arbeid
1. Inleiding
Dezer dagen spelen verschillende met elkaar samenhangende ontwikkelingen op het terrein van de
tenuitvoerlegging van sancties. Naast het conceptwetsvoorstel elektronische detentie betreft dit het
conceptwetsvoorstel tot herziening van de beginselenwetten, een voorstel inzake nieuwe huisregels
voor de penitentiaire inrichtingen, en het ‘Masterplan DJI’1 dat eind maart aan de Tweede Kamer is
aangeboden.2 Het Masterplan geeft invulling aan een omvangrijke bezuiniging op het departement
van Veiligheid en Justitie. Voor een belangrijk deel wordt die bezuiniging gezocht in de sluiting van
tientallen inrichtingen, de toepassing van elektronische detentie en de afschaffing van de deten-
tiefasering3. De twee laatstgenoemde onderwerpen vormen de kern van het conceptwetsvoorstel
waartoe de Raad zich in het voorliggende advies beperkt. Over de andere onderwerpen brengt de
Raad separaat advies uit.
Voordat de Raad ingaat op de voorgestelde wijziging, merkt de Raad op dat wetsvoorstellen
doorgaans getoetst worden aan de internationale normen die daarop van toepassing zijn. De Raad
mist die toetsing bij dit wetsvoorstel en beveelt aan de memorie van toelichting op dat punt aan te
vullen.
Het kader voor dit advies over elektronische detentie wordt gevormd door enige kernwaarden uit
de bestaande, geldende, regelgeving. Dit betreft: resocialisatie (inclusief detentiefasering), recht op
arbeid, recht op behandeling en zorg, individualiteit en rechtszekerheid. Deze bestaande, wettelijke
uitgangspunten bepalen in hoge mate de kwaliteit van de detentie. In het conceptwetsvoorstel komt
een aantal van deze waarden ernstig onder druk te staan. Tegelijkertijd fungeren de ‘Beginselen van
goede bejegening’ voor de Raad als referentiekader bij de advisering over het conceptwetsvoorstel.4
2. Elektronische detentie
a. Voorstander van elektronische detentie, mits niet ‘kaal’ toegepast
De Raad is een voorstander van alternatieven voor vrijheidsontneming. Elektronische detentie
heeft ten opzichte van een vrijheidsontneming als voordeel dat detentieschade – door bijvoorbeeld
het verloren gaan van banden met sociale omgeving of werk – beperkt blijft. De Raad vindt echter
wel dat elektronische detentie moet worden toegepast in combinatie met resocialisatie-acti-
1     Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI).
2     Het gaat om: (1) Conceptwetsvoorstel Wijziging van de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden en
      de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen in verband met het vervoer, het medisch klachtrecht en enkele andere onderwerpen; op 15 april
      j.l. heeft de Raad hierover een (gevraagd) advies uitgebracht; (2) Conceptwijziging van de Regeling model huisregels penitentiaire inrichtingen;
      de Raad brengt hierover op 15 mei een (gevraagd) advies uit; (3) het Masterplan DJI; de Raad brengt hierover begin mei een (ongevraagd)
      advies uit; en (4) het voorliggende advies: Conceptwetsvoorstel tot wijziging van de Penitentiaire beginselenwet en het Wetboek van Strafrecht
      in verband met de herijking van de wijze van tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende sancties en de invoering van elektronische detentie.
3     Detentiefasering houdt in dat een gedetineerde geleidelijk steeds meer vrijheden krijgt; doorgaans betekent dit dat een gedetineerde
      doorstroomt vanuit een gesloten inrichting naar een beperkt beveiligde inrichting (halfopen inrichting) en van daaruit naar een zeer beperkt
      beveiligde inrichting (open inrichting) en tot slot via een penitentiair programma kan uitstromen; zie o.a. Muller en Vegter (Red.), Gevangen in
      Nederland. Alphen a/d Rijn: Kluwer, 2009 (p. 178).
4     Zie: Goed bejegenen. Beginselen voor het overheidsoptreden tegenover mensen die een justitiële straf of maatregel ondergaan; Verkorte uit-
      gave; tweede uitgave. Den Haag: RSJ, 2012.
                                                                                                                                                       2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>viteiten. Daarmee wordt gedoeld op activiteiten die zijn gericht op: arbeid, arbeidstoeleiding,
scholing, huisvesting, het herstellen van familiebanden en sociale contacten. Ook wordt gedoeld
op (psycho-medische) behandeling en verslavingszorg. Pas dan wordt het voor de gedetineerde
gemakkelijker om te re-integreren en is de kans op recidive kleiner. De Raad is geen voorstander
van zogenoemde ‘kale’ elektronische detentie, dat wil zeggen elektronische detentie zonder enige
vorm van begeleiding in de vorm van resocialisatie-activiteiten. Uit diverse onderzoeken blijkt dat
interventies die zijn gestoeld op het principe van ‘resocialisatie’ in de loop der jaren tot gunstigere
(recidive)resultaten leiden dan interventies die zijn gericht op ‘afschrikking’.5 In dit verband wijst de
Raad eveneens op artikel 57 van de Recommendation CM/Rec (2010)1: “When electronic monitoring
is used as part of probation supervision, it shall be combined with interventions designed to bring
about rehabilitation and to support desistance.” Hieruit blijkt dat van een ‘kale’ elektronische
detentie geen sprake kan zijn.
In dit kader adviseert de Raad tevens te komen tot een model van tenuitvoerlegging van
elektronische detentie waarin de elektronische controle gedurende de looptijd gradueel afneemt.
b. Elektronische detentie in plaats van de korte vrijheidsstraf
Elektronische detentie wordt in het conceptwetsvoorstel onder andere geregeld als een vorm van
tenuitvoerlegging van een korte vrijheidsstraf van maximaal zes maanden (executiemodaliteit). De
justitiabele wordt verboden een bepaalde plaats, doorgaans de woning of plaats van tewerkstelling,
gedurende vastgestelde tijden te verlaten. De aanwezigheid van de betrokkene op deze plaats wordt
door middel van elektronische hulpmiddelen gecontroleerd. Als de betrokkene zich niet houdt aan
gestelde voorwaarden wordt hij (terug)geplaatst in een penitentiaire inrichting. De Raad plaatst de
volgende kanttekeningen bij deze modaliteit.
De Raad vindt het principieel onjuist dat een door de rechter opgelegde kortdurende vrijheidsontne-
ming door de ‘administratie’ kan worden omgezet in een vrijheidsbeperking, zoals een elektronische
detentie.6 Een korte vrijheidsstraf en elektronische detentie verschillen zo sterk van aard dat de
vrijheidsstraf niet zomaar door een ander dan de rechter kan worden omgezet in elektronische
detentie. Het behoort tot het wezen van het rechterlijk oordeel om de verbinding te leggen tussen
de ernst van het delict en de op te leggen straf, de omstandigheden waaronder het delict is begaan
en de persoon en persoonlijke omstandigheden van de dader. Daarbij moet worden bedacht dat
de rechter bij de straftoemeting naast een korte vrijheidsstraf ook kan kiezen voor de taakstraf of
de geldboete. Als de rechter desondanks kiest voor de vrijheidsstraf, is dat een bewust gemaakte
en gemotiveerde keuze (artikel 359, lid 6, Sv) die naar het oordeel van de Raad moet worden
gerespecteerd.
De wetgever heeft zich - blijkens de memorie van toelichting - rekenschap gegeven van dit
probleem en gemeend dit als volgt te kunnen oplossen. De rechter kan volgens het huidige voorstel
bij het opleggen van de vrijheidsstraf expliciet aangeven dat tenuitvoerlegging door middel van
elektronische detentie niet mogelijk is. De rechter kan die beslissing nemen op grond van: de ernst
van het feit, de omstandigheden van het geval, de persoonlijkheid van de dader, de veiligheid van
de samenleving of de belangen van slachtoffers en nabestaanden. Geeft de rechter in het vonnis
aan dat elektronische detentie niet aan de orde is, dan komt de veroordeelde daarvoor niet in
aanmerking.
Naar het oordeel van de Raad is dit echter geen goede oplossing voor het probleem van het
beperken van de beslisruimte van de rechter. Het bepalen van de strafmaat is bij uitstek de taak
van de rechter en het past niet in het systeem van ons strafrecht de rechter te vragen om aan
te geven welke straf hij niet op zijn plaats acht. Dit doet geen recht aan de taak van de rechter.7
Omgekeerd gaat het bestaande systeem ervan uit dat de rechter slechts een adviserende - en geen
beslissende - taak heeft ten aanzien van de wijze van tenuitvoerlegging van de door hem opgelegde
straf.
De Raad is een voorstander van het toepassen van elektronische detentie in de plaats van de korte
vrijheidsstraf maar is wel van mening dat dit dan adequaat moet worden geregeld, bijvoorbeeld
door elektronische detentie als zelfstandige hoofdstraf op te nemen in het wetboek van Strafrecht.
5     Wartna, Alberda en Verweij, Een meta-analyse van Nederlands recidiveonderzoek naar de effecten van strafrechtelijke interventies, Tijdschrift
      voor Criminologie 2013 (55)1, p. 18-19.
6     Zie ook het eerdere RSJ-advies over dit onderwerp: Thuisdetentie in de herhaling, Den Haag: 29 september 2009.
7     De Raad ziet bevestiging voor dit standpunt in principe 24 van de Draft Recommendation on Electronic Monitoring van de Council for Penological
      Cooperation van de Council of Europe. Dit principe luidt: “Electronic monitoring may be used as an alternative execution of a prison sentence in
      which case its duration and modalities shall be defined by the court judgement.”
                                                                                                                                                       3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>c. Elektronische detentie voorafgaand aan de voorwaardelijke invrijheidsstelling (v.i.)
Naast het toepassen van elektronische detentie in plaats van de korte vrijheidsstraf maakt het
voorliggende conceptwetsvoorstel het mogelijk elektronische detentie toe te passen bij vrijheids-
straffen van langer dan zes maanden, in de periode voorafgaand aan de invrijheidsstelling of
voorafgaand aan de v.i.
Zoals vermeld, is de Raad een voorstander van alternatieven voor de vrijheidsstraf. Dit geldt ook
voor elektronische detentie voorafgaand aan de v.i. Anders dan bij de korte vrijheidsstraf heeft de
Raad er in deze fase van de detentie geen moeite mee wanneer elektronische detentie als execu-
tiemodaliteit van vrijheidsstraf wordt toegepast. De betrokkene heeft voorafgaand aan de v.i. al
een groot deel van zijn straf uitgezeten en de administratie is om die reden veel beter dan de
rechter in staat om te beoordelen of de gedetineerde eraan toe is onder elektronische detentie
te worden gesteld. Elektronische detentie wordt in dat geval toegepast als sluitstuk, tijdens het
laatste gedeelte van de straf. De Raad plaatst bij dit gedeelte van het voorstel nog wel de volgende
kanttekeningen.
De deelname aan elektronische detentie duurt in geen geval langer dan achttien maanden, aldus
het conceptwetsvoorstel. De periode van v.i. kan worden gebruikt om activiteiten en interventies
die tijdens detentie of tijdens de elektronische detentie zijn gestart maar nog niet zijn afgerond,
door te laten lopen. Volgens het voorstel zal de DJI hiermee rekening houden bij de advisering
over de invulling van de v.i. Ook is het mogelijk dat elektronisch toezicht tijdens de periode van
voorwaardelijke invrijheidstelling wordt toegepast.
De Raad constateert dat in dit systeem niet duidelijk is op welk moment de elektronische detentie
een aanvang moet nemen. Strikt genomen moet dit plaatsvinden op het moment dat maximaal
achttien maanden vóór aanvang van de v.i. valt. In de praktijk is echter niet altijd duidelijk of er wel
v.i. wordt toegekend, want de betrokkene kan zich bijvoorbeeld hebben misdragen.
Bovendien kan als voorwaarde bij de v.i. gelden dat betrokkene zich tijdens de v.i. onder
elektronisch toezicht stelt. Als dit meetelt bij de maximale periode dat iemand onder elektronische
detentie mag staan, ontstaat er een probleem bij de berekening van de periode van elektronische
detentie voorafgaand aan de v.i. Aangezien pas kort voor de start van de v.i. duidelijk wordt welke
voorwaarden daaraan zijn verbonden, en dus pas op dat moment duidelijk wordt òf en hoe lang
iemand tijdens de v.i. periode onder elektronisch toezicht staat, is eerst dan duidelijk hoeveel tijd er
over is om voorafgaand aan de v.i. onder elektronische detentie te staan. De gelegenheid om nog
elektronische detentie toe te passen voorafgaande aan de v.i. is dan echter al voorbij.
De Raad beveelt aan hier heldere regels voor op te stellen.
d. Elektronische detentie tijdens de voorlopige hechtenis
Volgens het voorgestelde artikel 4, lid 3, van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) kan elektronische
detentie eveneens worden toegepast indien de veroordeling nog niet onherroepelijk is. In artikel
557 van het Wetboek van Strafvordering is bepaald dat een straf pas ten uitvoer kan worden gelegd
nadat deze onherroepelijk is geworden. De detentie van veroordeelden in eerste aanleg is derhalve
niet gebaseerd op de tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde vrijheidsstraf, maar op een bevel
tot voorlopig hechtenis. De toepassing van elektronische detentie op veroordeelden in eerste aanleg
die hoger beroep hebben ingesteld, betreft dus de tenuitvoerlegging van die voorlopige hechtenis.
De Raad heeft er in een eerder advies8 over elektronische detentie voor gepleit om elektronische
detentie in te zetten in het kader van (schorsing van) de voorlopige hechtenis. Op zich kan de thans
voorgestelde regeling daarom rekenen op de instemming van de Raad. De Pbw is echter niet de
plaats om dit te regelen. De toepassing van elektronische detentie tijdens de voorlopige hechtenis
dient te worden vastgelegd in de desbetreffende artikelen over de voorlopige hechtenis in het
Wetboek van Strafvordering.
e. Criteria voor deelname aan elektronische detentie
Bepaalde categorieën veroordeelden komen volgens het voorstel niet in aanmerking voor
elektronische detentie. Uit de memorie van toelichting blijkt dat daarbij onder meer wordt
gedacht aan gedetineerden aan wie ook een tbs-maatregel is opgelegd, veroordeelden met een
psychosociale of psychiatrische stoornis, veroordeelden met een ernstige verslaving, veroordeelden
voor een delict dat grote maatschappelijke onrust heeft veroorzaakt en veroordeelden die nog niet
8     Zie: RSJ-advies Thuisdetentie in de herhaling, september 2009.
                                                                                                        4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>hebben voldaan aan het bevel tot afname van DNA-onderzoek.9
De Raad vindt met name het criterium ‘een delict dat grote maatschappelijke onrust heeft
veroorzaakt’ erg ruim. Tevens vreest de Raad dat uiteindelijk de omvang van de bereikte c.q.
te bereiken bezuinigingen zal dicteren in hoeverre de criteria voor deelname aan elektronische
detentie versoepeld dan wel verengd zullen worden.
Verder worden in de memorie van toelichting bepaalde voorwaarden genoemd10 voor deelname aan
elektronische detentie. Dit leidt ertoe dat naast degenen die op grond van hierboven genoemde
criteria worden uitgesloten van deelname, nog eens bepaalde groepen worden uitgesloten. Om
voor elektronische detentie in aanmerking te komen, moet de gedetineerde bijvoorbeeld een
stabiele thuissituatie hebben. Zeker bij langgestraften is de kans groot dat gedurende de detentie
de thuissituatie is afgebrokkeld tot een instabiele situatie. Daarnaast zijn er kwetsbare groepen die
hier worden uitgesloten, bijvoorbeeld personen met een ernstige psychische stoornis of verslaving,
vreemdelingen of dak- en thuislozen die niet kunnen deelnemen vanwege het ontbreken van een
vast thuisadres in Nederland.
De Raad is van oordeel dat het voorgestelde systeem onevenwichtig is en tot rechtsongelijkheid
leidt. De Raad is voorstander van een gedifferentieerd detentiestelsel waarin iedereen de kans heeft
om te resocialiseren. De introductie van een modaliteit die voor veel gedetineerden niet bereikbaar
zal blijken te zijn, terwijl er voor hen weinig of geen resocialisatie-activiteiten meer beschikbaar
zullen zijn, past daarin niet.
De Raad wordt te zijner tijd graag geconsulteerd over de wijziging van de Penitentiaire maatregel,
waarin de nadere regels voor de toepassing van elektronische detentie zijn gesteld (zoals blijkt uit
de toelichting).
f. Enige aspecten van de tenuitvoerlegging van elektronische detentie
De Raad constateert dat een aantal zaken tijdens de tenuitvoerlegging van de elektronische
detentie in het wetsvoorstel niet of niet afdoende is geregeld en/of onvoldoende is doordacht.
Enkele hiervan worden hieronder besproken.
- De duur van de elektronische detentie
De deelname aan elektronische detentie duurt volgens het conceptwetsvoorstel maximaal
achttien maanden. De Raad wijst erop dat in de proef met elektronische detentie die in 2005 is
geëvalueerd,11 de duur van de elektronische detentie op maximaal 120 dagen was gesteld, dat is
krap vier maanden. Door deze modaliteit nu in te voeren met een maximum detentieduur die meer
dan het viervoudige bedraagt van de periode waarmee is proefgedraaid, maakt de wetgever een
sprong in het duister. Met elektronische detentie gedurende zo een lange periode is in ons land geen
ervaring opgedaan. Het is onbekend welke uitwerkingen dit zal hebben op de betrokkene en diens
sociale omgeving.
De Raad vindt dit zorgelijk. De Raad adviseert om de maximumduur van de elektronische detentie
vooralsnog te beperken, bijvoorbeeld tot een half jaar. Eventueel kan in pilots ervaring opgedaan
worden met een langere duur van elektronische detentie.
- Verantwoordelijkheden
Het is in de dagelijkse praktijk onduidelijk wie er verantwoordelijk is voor de onder elektronische
detentie gestelde. Volgens het conceptwetsvoorstel is de Dienst Justitiële Inrichtingen hier verant-
woordelijk. Niet duidelijk is echter bij welk onderdeel c.q. bij welke functionarissen van de DJI dit
wordt neergelegd en of de hiermee belaste functionarissen daar voldoende voor zijn toegerust/
opgeleid. Deze verantwoordelijkheid vraagt technische kennis en vaardigheden alsmede sociale
vaardigheden om te kunnen omgaan met onder elektronische detentie gestelden en de problemen
die zij ervaren. De Raad acht het van belang dat de deskundigheden van reclasseringsmedewerkers,
opgedaan bij de jarenlange uitvoering van elektronisch toezicht op reclassenten, hier op enigerlei
wijze bij benut worden.
- Rechtspositie
Het nieuwe artikel 4, lid 4, in de Pbw biedt de grondslag voor het stellen van nadere regels over de
toepassing van elektronische detentie waaronder regels inzake de rechtspositie van de deelnemer
9     Zie pagina 7 van de memorie van toelichting.
10    Zie pagina 6 en 7 van de memorie van toelichting.
11    Zie: Post e.a., Geboeid door de enkelband. Evaluatie pilot elektronische detentie, Nijmegen 2005.
                                                                                                        5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>aan elektronische detentie. Deze regels zullen in de Penitentiaire maatregel worden opgenomen. De
Raad is bereid mee te denken over deze regels. Tevens is de Raad bereid de beroepstaak die hieruit
voortvloeit, te vervullen.12
- Geneeskundige zorg tijdens elektronische detentie
In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel wordt op p. 8 aangegeven dat een deelnemer
aan elektronische detentie geen gedetineerde is in de zin van de Pbw. Om die reden zou de
minister van Veiligheid en Justitie geen verantwoordelijkheid hebben voor de verstrekking van
geneeskundige zorg aan de betrokkene. De deelname aan elektronische detentie brengt volgens de
memorie van toelichting niet met zich mee dat de rechten en plichten uit de zorgverzekering (van
de betrokkene) worden opgeschort.
De Raad is verbaasd over deze passage. Het wetsvoorstel staat op dit punt haaks op het bepaalde
in het (bij de Eerste Kamer aanhangige) wetsvoorstel Forensische zorg.13 In dat wetsvoorstel
staat namelijk juist dat allerlei vormen van zorg verleend aan een justitiabele onder de noemen
‘forensische zorg’ vallen. Voor zover een persoon die elektronische detentie ondergaat geen
gedetineerde is, is hij in ieder geval wel een justitiabele. Daarmee heeft hij op grond van het
wetsvoorstel Forensische Zorg recht op forensische zorg en niet op zorg uit de zorgverzekering. Op
dit punt is het wetsvoorstel niet in overeenstemming met het bepaalde in de Wet forensische zorg.
Verder zal deze wijziging naar verwachting consequenties hebben voor de continuïteit van zorg. In
dat kader kan bijvoorbeeld worden gewezen op het geval waarin een justitiabele die zich niet aan
de voorwaarden van zijn detentiefasering houdt. Volgens dit wetsvoorstel zou de desbetreffende
persoon tijdens zijn detentie eerst onder forensische zorg vallen, tijdens elektronische detentie
onder de zorgverzekeringswet, na schendig van de voorwaarden en terugplaatsing in detentie weer
onder de forensische zorg en (indien zorg buiten justitieel kader nodig is) opnieuw onder de zorg-
verzekeringswet. Gelet op de verschillen in indicatiestelling en bekostiging van forensische zorg
en de reguliere zorg, leidt dit naar het oordeel van de Raad tot onnodige drempels en ongewenste
belemmeringen in de zorgverlening.14
- Verplichting om toezichthouders toegang tot de woning te verschaffen
Blijkens de memorie van toelichting zal naast de elektronische vorm van controle ook door middel
van huisbezoeken op onverwachte momenten gecontroleerd worden of de veroordeelde zich
houdt aan de regels van de elektronische detentie. Volgens de memorie van toelichting geldt
als voorwaarde voor deelname aan elektronische detentie dat de betrokkene ermee instemt om
toezichthouders tot zijn woning toe te laten. Verschaft de betrokkene desondanks geen toegang tot
de woning, dan wordt de elektronische detentie beëindigd.
De Raad constateert dat in het wetsvoorstel geen bevoegdheid is opgenomen tot het betreden van
de woning van degene die onder elektronische detentie is gesteld zonder de toestemming van een
bewoner. De Raad heeft in een eerder advies15 opgemerkt de ‘toestemming’ van de gedetineerde
voor de bedoelde huisbezoeken een onvoldoende basis te vinden, mede gelet op het bepaalde
in artikel 12 van de Grondwet. Het is overigens de vraag of voor het controleren van betrokkene
behoefte bestaat aan huisbezoeken. Voor die controle is immers de inzet van elektronische contro-
lemiddelen voorhanden. Als die behoefte toch bestaat dan zal, mede gelet op artikel 12 van de
Grondwet en artikel 8 van het EVRM, bij die toestemming sprake moeten zijn van een in voldoende
mate van vrijwilligheid gegeven toestemming. Wanneer de toestemming tot toegang tot de woning
een voorwaarde is voor (voorzetting van) elektronische detentie, dan is van vrijwillige toestemming
naar het oordeel van de Raad geen sprake. Daarbij komt dat als een van de andere bewoners de
toestemming tot het binnentreden van de controlerende ambtenaar weigert, diens weigering moet
prevaleren. Daarmee wordt de voorzetting van de elektronische detentie van betrokkene afhankelijk
van de toestemming van zijn huisgenoot. Dat komt de Raad ongewenst voor.
Als er werkelijk behoefte is aan controle door huisbezoek en in dat kader aan de mogelijkheid
tot het betreden van de woning, dan zal ervan uit moeten worden gegaan dat dit ook zonder
12   Mits de daarvoor benodigde financiële middelen beschikbaar komen.
13   EK, Vergaderjaar 2012–2013 32 398 Vaststelling van een Wet forensische zorg en daarmee verband houdende wijzigingen in diverse andere
     wetten (Wet forensische zorg). In artikel 1, lid 2, wordt forensische zorg gedefinieerd als geestelijke gezondheidszorg of verslavingszorg, die
     wordt verleend aan een justitiabele met een psychiatrische aandoening of beperking, verslaving daaronder begrepen, of een verstandelijke
     handicap, en die al dan niet als een voorwaarde, onderdeel uitmaakt van een straf of een maatregel, of van de tenuitvoerlegging van een straf
     of maatregel, of als voorwaarde onderdeel uitmaakt van een sepot, een schorsing van de voorlopige hechtenis, of een gratieverlening op grond
     van de Gratiewet, dan wel onderdeel uitmaakt van een strafbeschikking waarbij een gedragsmaatregel wordt opgelegd.
14   Zie: Stoornis en delict; Advies van de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg; Den Haag: mei 2012.
15   Zie ook het eerdere RSJ-advies over dit onderwerp: Thuisdetentie in de herhaling, Den Haag: 29 september 2009.
                                                                                                                                                     6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>toestemming van de betrokkene of zijn huisgenoten rechtens mogelijk moet zijn. Dat impliceert dat
in de wet een bevoegdheid tot het betreden van de woning zonder toestemming van de bewoner(s)
zou moeten worden opgenomen, inclusief de regeling van de verdere voorwaarden waaronder die
bevoegdheid bestaat en kan worden uitgeoefend, waarbij de Algemene wet op het binnentreden
(van rechtswege) van toepassing zal zijn.
- Vormen van elektronisch toezicht regelen in een AMvB
Elektronisch toezicht kan op diverse wijzen worden toegepast en deze verschillen aanzienlijk in de
mate waarin zij ingrijpen in het leven van betrokkenen. Bijvoorbeeld GPS16 is ingrijpender omdat
van minuut tot minuut gevolgd/nagegaan kan worden waar iemand zich bevindt. Dit in tegenstelling
tot elektronisch toezicht op een straatverbod, waarbij alleen een signaal afgaat als iemand het
verboden gebied betreedt.
De Raad meent dat in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) zou moeten worden geregeld
welke vormen van elektronisch toezicht in welke situatie mogen worden toegepast. Tevens vraagt
de Raad zich af of de beslissing hieromtrent open staat voor beklag en beroep, en zo ja, bij welke
instantie.
- Praktijk
Een praktisch punt is het volgende. De Raad vraagt zich af of de wetgever zich wel heeft
gerealiseerd in welke aantallen elektronische detentie toegepast zal worden, onder het huidige
voorstel. Om een grove indicatie te geven: ongeveer 80% van de totale gedetineerdenpopu-
latie verblijft een half jaar of korter in een penitentiaire inrichting. Ook dringt de vraag zich op in
hoeverre de kosten van technische investeringen (o.a. enkelbanden, zenders) en toezichthouders
zijn meegewogen in de geplande bezuinigingen. Voor deze vragen verwijst de Raad naar zijn advies
over het Masterplan DJI.
g. Het ontbreken van overgangsrecht
Het conceptwetsvoorstel voorziet niet in overgangsrecht. Dit levert een aantal onduidelijke situaties
op, waarvan de vraag is of die niet strijdig zijn met artikel 7 van het EVRM Onduidelijk is hoe zal
worden omgegaan met gedetineerden die een straf uitzitten die vóór de wetswijziging is opgelegd,
binnen het oude regime. Gaat de nieuwe wetgeving gelden voor alle gevallen, ook wanneer dit
nadelig uitvalt voor de betrokkenen?
3. Afschaffing detentiefasering
De algemeen geldende detentiefasering wordt – aldus de memorie van toelichting – afgeschaft. Het
gevolg hiervan is dat alle externe vrijheden (het penitentiair programma en het aangekondigde kort
re-integratieverlof en programmatisch re-integratieverlof) komen te vervallen. Alleen incidenteel
verlof blijft mogelijk. De elektronische detentie voorafgaande aan de v.i. komt feitelijk in plaats van
de detentiefasering.
- Algemeen geldende detentiefasering niet afschaffen
Sinds de Beginselenwet gevangeniswezen van 1953 kent ons land een - inmiddels beproefd
- systeem van detentiefasering. Het komt de Raad overbodig voor de voordelen ervan hier
(nogmaals) uiteen te zetten. Het voorliggende conceptwetsvoorstel bevat geen argumenten om dit
systeem af te schaffen.
Bepaald van belang is dat detentiefasering naar het oordeel van de Raad niet vervangen kan
worden door elektronische detentie, zoals kennelijk wel de gedachte is achter dit deel van het
wetsvoorstel. De twee modaliteiten zijn niet inwisselbaar. Waar gedetineerden tijdens detentiefa-
sering geleidelijk kunnen wennen aan vrijheden en verantwoordelijkheden, zouden deze vrijheden
en verantwoordelijkheden volgens het conceptwetsvoorstel altijd gepaard gaan met elektronische
controle. Dit doet naar de mening van de Raad ernstig afbreuk aan het wezen en het achterliggende
idee van resocialisatie. Degene die onder elektronische detentie is gesteld wordt immers
voortdurend gecontroleerd en leert daardoor nooit zelf verantwoordelijkheid te dragen en vrijheden
te hanteren.
Om die reden adviseert de Raad een model van tenuitvoerlegging van elektronische detentie te
ontwikkelen waarin de elektronische controle gedurende de looptijd van de elektronische detentie
gradueel afneemt.
Speciale aandacht verdienen in dit verband (opnieuw) de - vermoedelijk omvangrijke - groepen
gedetineerden die niet voor elektronische detentie in aanmerking komen omdat zij niet aan
de criteria en gestelde voorwaarden voldoen. De groepen die door het wetsvoorstel worden
16   GPS is een afkorting voor “global positioning system”. Dit is een wereldwijd plaatsbepalingssysteem dat functioneert met behulp van satellieten.
                                                                                                                                                    7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>uitgesloten, en waar de Raad hier op doelt, zijn personen met een ernstige psychische stoornis
of verslaving, vreemdelingen en dak- en thuislozen die vanwege het ontbreken van een vast
thuisadres in Nederland niet kunnen deelnemen. Deze groepen - in paragraaf 2e kwamen deze al
even aan de orde - komen niet in aanmerking voor elektronische detentie maar krijgen ook geen
detentiefasering. Zij komen vrij zonder enige vorm van voorbereiding. Zij hebben niet kunnen
wennen aan het leven in de vrije maatschappij en andersom heeft hun sociale omgeving, voor zover
daarvan nog sprake is, ook niet aan hun aanwezigheid kunnen wennen.
De Raad bepleit om detentiefasering en resocialisatie te laten bestaan náást elektronische
detentie. De groep gedetineerden die wel in aanmerking komt voor elektronische detentie kan dan
resocialiseren (in de ware zin des woords) en op een veilige manier terugkeren in de samenleving.
De groep gedetineerden die niet voor elektronische detentie in aanmerking komt, kan ook
resocialiseren, of stapsgewijs de voorwaarden creëren die nodig zijn om in aanmerking te komen
voor elektronische detentie.
Ook bij de elektronische detentie in plaats van de korte vrijheidsstraf ziet de wetgever in beginsel
geen noodzaak om inspanningen te ontplooien die zijn gericht op resocialisatie aangezien
detentieschade bij deze modaliteit relatief beperkt blijft.
De Raad vindt daarentegen dat de noodzaak voor resocialisatie-activiteiten ook bij deze groep
gedetineerden onverkort aanwezig is. De Raad is geen voorstander van een zogenoemde ‘kale’
elektronische detentie. Ook tijdens de elektronische detentie moet de betrokkene arbeid kunnen
verrichten (die mogelijkheid sluit het wetsvoorstel overigens niet uit) en moeten kunnen deelnemen
aan interventies die in het teken van resocialisatie staan. Dit verkleint de kans op recidive.
4. Goed gedrag in plaats van regime bepalend voor detentieverloop
Uit het conceptwetsvoorstel en de toelichting blijkt dat onder de nieuwe wetgeving het gedrag van
de individuele gedetineerde bepalend wordt voor het verloop van zijn detentietraject in plaats van
het regime waarin een gedetineerde is geplaatst. In de memorie van toelichting staat hierover:
“Met de invoering van dit wetsvoorstel verdwijnt de automatische koppeling tussen vrijheden en
het regime waarin de gedetineerde verblijft; de toekenning van vrijheden wordt per individuele
gedetineerde bepaald en is mede afhankelijk van diens gedrag”.17
In de memorie van toelichting wordt dit verder als volgt toegelicht. De eigen verantwoordelijk-
heid van de gedetineerde staat voorop en diens gedrag en motivatie zijn bepalend.18 De Dienst
Justitiële Inrichtingen heeft een systeem van promoveren en degraderen ontwikkeld, waarmee op
een gestandaardiseerde wijze goed gedrag beloond en ‘verkeerd’ gedrag gecorrigeerd kan worden.
Leidend principe hierbij is dat van de gedetineerde eigen inzet wordt verwacht om een succesvolle
terugkeer in de samenleving te bewerkstelligen. Interne vrijheden (meer bewegingsruimte binnen
de muren) moeten in dit systeem verdiend worden. Alleen als de gedetineerde dit met zijn houding
en gedrag heeft verdiend, komt hij in aanmerking voor re-integratieactiviteiten.
De Raad heeft in een eerder advies over detentiefasering19 uiteengezet geen voorstander te zijn
van het systeem van promoveren en degraderen. De Raad staat een benadering voor waarin het
detentieverloop in principe wordt gekenmerkt door het in toenemende mate verlenen van vrijheden,
in beginsel aan alle gedetineerden. Succesvolle resocialisatie is naar het oordeel van de Raad het
meest gediend bij een dergelijk systeem, mits uiteraard de gedetineerde zich houdt aan de hieraan
verbonden afspraken en voorwaarden. Vrijheden kunnen alsnog worden beperkt, als blijkt dat
de gedetineerde deze (nog) niet kan hanteren. Dat is echter een wezenlijk andere grondslag dan
dat de gedetineerde de enkele aanspraak op dergelijke rechten en vrijheden eerst zou moeten
verdienen.
 De Raad heeft de volgende argumenten voor dit standpunt.
- Promoveren-degraderen doet afbreuk aan resocialisatiebeginsel
In de Nederlandse wetgeving is het resocialisatiebeginsel opgenomen als doelstelling van de
tenuitvoerlegging van alle vrijheidsbenemende straffen en maatregelen: deze wordt zo veel
mogelijk dienstbaar gemaakt aan de voorbereiding van de terugkeer van de gedetineerde
in de samenleving.20 Ook wordt uit artikel 10, lid 3, IVBPR wel een rechtstreeks recht op
17   Memorie van toelichting, pagina 13.
18   De memorie van toelichting verwijst in dit verband naar de brief van de staatssecretaris van 8 november 2011 aan de Tweede Kamer over de
     detentiefasering; Kamerstukken II 2011-2012, 29 270, nr. 61.
19   Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, Detentiefasering, Den Haag: 10 februari 2012.
20   M.M. Boone, Vrije wil en verantwoordelijkheid in de strafuitvoering, in: Justitiële verkenningen, jrg. 39, nr. 1, 2013.
                                                                                                                                              8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>resocialisatie afgeleid.21 Gegeven deze uitgangspunten past het niet om gedetineerden het recht
op voorzieningen, die invulling geven aan het beginsel tot resocialisatie, zoals verlof, arbeid,
vervroegde invrijheidstelling of re-integratieprogramma’s te onthouden omdat ze zich onvoldoende
gemotiveerd of onverantwoordelijk zouden tonen.
- Effectiviteit promoveren-degraderen niet onderbouwd en zelfs contraproductief
Het systeem van promoveren-degraderen houdt in dat de gedetineerde alleen voor re-integratieac-
tiviteiten in aanmerking komt, als hij dat met zijn houding en gedrag heeft verdiend. Vertoont de
gedetineerde niet het gewenste ‘goede gedrag’ dan komt hij niet in aanmerking voor bijvoorbeeld
scholing, terugkeeractiviteiten of gedragsinterventies of deze activiteiten worden hem afgenomen.
De Raad constateert dat niet is onderbouwd dat dit systeem bijdraagt aan de vermindering van
recidive of aan resocialisatie. Uit onderzoek blijkt zelfs dat terugval tot op zekere hoogte onderdeel
is van het stoppen met criminaliteit.22 Het is dan ook contraproductief om aan een tijdelijke of
incidentele terugval direct consequenties te verbinden omtrent bijvoorbeeld verlof en v.i. Daarmee
wordt immers een einde gemaakt aan potentieel succesvolle resocialisatietrajecten.23
- Inzet, eigen initiatief en verantwoordelijkheid niet voor alle gedetineerden mogelijk
Veel gedetineerden kampen met een verslaving, psychische stoornis, lichte verstandelijke beperking
of maatschappelijke achterstand. Het is niet realistisch om van deze gedetineerden veel te
verwachten op het gebied van eigen initiatief, inzet en verantwoordelijkheid, zoals het stelsel van
promoveren en degraderen verlangt. Deze gedetineerden zijn meer gebaat bij actieve begeleiding
en een helpende hand. Voor gedetineerden die de Nederlandse of de Engelse taal niet machtig zijn,
geldt dat het lastig zal zijn om aan te geven dat zij initiatief willen tonen en zo ‘goed gedrag’ te
laten zien.
- Detentie nodigt niet uit tot inzet, initiatief en eigen verantwoordelijkheid
Het verblijf in een penitentiaire inrichting nodigt niet uit tot het tonen van initiatief en verantwoor-
delijkheid, maar eerder tot aanpassing, afwachten en vervlakking. Het verblijf in een inrichting biedt
daar bovendien ook weinig gelegenheid toe. De voorstellen versterken die omstandigheid zelfs nog.
Waar aan de ene kant op ‘goed gedrag’ wordt gestuurd - hoe meer goed gedrag hoe meer privileges
- worden aan de andere kant de mogelijkheden om goed gedrag te tonen grotendeels weggenomen
door de voorgenomen versoberingen (beperking van activiteitenprogramma, beperking van de
arbeidsmogelijkheden en afschaffing van avond- en weekendprogramma).
- Neem bepaling over promoveren-degraderen op in de wet
In het voorgaande is uiteengezet waarom de Raad geen voorstander is van het systeem van
promoveren en degraderen. Mocht de staatssecretaris desondanks aan dit systeem willen
vasthouden, dan vindt de Raad dat de regels daarover meer expliciet in de wet vastgelegd
moeten worden. In de memorie van toelichting wordt weliswaar uitgebreid ingegaan op het
systeem van promoveren en degraderen, maar in de conceptwettekst zelf is hierover vrijwel niets
terug te vinden. Uitsluitend in de artikelen 20 tot en met 22 van de Pbw (nieuw) is enige tekst
opgenomen over het deelnemen aan activiteiten. De tekst vermeldt dat de directeur bepaalt of
een gedetineerde in staat wordt gesteld aan activiteiten deel te nemen, individueel dan wel met
andere gedetineerden. Hier wordt ook gesteld dat de mate waarin die gelegenheid wordt geboden
afhankelijk is van gebleken goed gedrag. Hoe dit moet worden ingevuld, is niet in de wettekst
vastgelegd. Het systeem van promoveren-degraderen zou naar het oordeel van de Raad een meer
uitdrukkelijke basis in de tekst van de Pbw moeten krijgen, met een nadere uitwerking in lagere
regelgeving.
5. Arbeid
Onder het huidige artikel 47 Pbw is deelname aan de beschikbare arbeid voor alle gedetineerden
een recht en voor afgestraften een plicht. In het conceptwetsvoorstel wordt van het recht op arbeid
voor zowel voorlopig gehechten als afgestraften een “voorrecht” gemaakt en de arbeidsplicht wordt
afgeschaft. In de memorie van toelichting staat daarover het volgende:
“In beginsel zal iedere gedetineerde – behoudens het geval waarin er sterke indicaties zijn die
daartegen pleiten en mits de aard van de detentie zich er niet tegen verzet – bij de binnenkomst in
21   Het Duitse Federale Constitutionele Hof baseerde een dergelijk recht al in 1973 op het grondwettelijk erkende recht van menselijke waardigheid
     en vrijheid van ontplooiing en op de verplichting van de staat om die personen in de samenleving bij te staan die ‘vanwege hun persoonlijke
     zwakheid, schuld, onvermogen of sociale ontwikkeling werden beperkt in hun maatschappelijke ontwikkeling’. Tot die groep rekent het Hof ook
     gedetineerden en ex-gedetineerden.
22   T. Ward & S. Maruna, Rehabilitiation. Beyond the risk paradigm, Londen: 2007.
23   M.M. Boone, Vrije wil en verantwoordelijkheid in de strafuitvoering, in: Justitiële verkenningen, jrg. 39, nr. 1, 2013.
                                                                                                                                                   9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>de penitentiaire inrichting in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan de in de inrichting
beschikbare arbeid (mits er voldoende arbeidsplaatsen aanwezig zijn). Voor de directeur bestaat
een inspanningsverplichting om voor de beschikbaarheid van arbeid(splaatsen) te zorgen. Arbeid
blijft daarmee een belangrijk onderdeel van het dagprogramma van gedetineerden.”
Het wetsvoorstel beoogt net als voor andere activiteiten, ook voor arbeid een systeem van
“promotie en degradatie” in te voeren. Dat wil zeggen dat gedetineerden bij voldoende inzet
kunnen “promoveren” naar (vak)arbeid van een hoger niveau, met een betere (vak)opleiding en/
of een hogere beloning. Bij onvoldoende inzet en prestatie kan iemand ook weer degraderen naar
eenvoudigere arbeid (zonder (vak)opleiding en/of arbeid met een lagere beloning). Gedetineerden
die wel in staat, maar niet bereid zijn om zich in te zetten en een prestatie te leveren, kunnen
bovendien voor kortere of langere tijd worden uitgesloten van de arbeid. Deze uitsluiting is volgens
de memorie van toelichting nodig omdat anders ook aanwijsbaar ongemotiveerde gedetineerden
beloond worden met een arbeidsloon, hetgeen de stimulering van de eigen verantwoordelijkheid
zou doorkruisen. Om te bevorderen dat gedetineerden door arbeid geld verdienen, zal het bedrag
aan eigen geld waarover de gedetineerde in de inrichting kan beschikken en dat niet door middel
van arbeid is verdiend, vergaand worden beperkt.
De Raad wijst deze plannen af. In de visie van de Raad heeft het recht op arbeid in penitentiaire
inrichtingen als belangrijke doelstelling het bewerkstelligen van een zinvolle dagbesteding
voor gedetineerden. In dat kader moet arbeid als uitgangspunt aan alle gedetineerden worden
aangeboden en wel als recht, niet als te verdienen voorrecht. De Raad wijst hierbij op rule 26.2
van de European Prison Rules 2006, waarin staat dat de inrichting zich moet inspannen om
gedetineerden voldoende nuttig werk te verschaffen (Prison authorities shall strive to provide
sufficient work of a useful nature).
Verder dient arbeid in detentie naar het oordeel van de Raad bij voorkeur in samenhang met vakop-
leidingsmogelijkheden te worden aangeboden omdat het de kans op succesvolle terugkeer in de
maatschappij vergroot. In dit verband wijst de Raad op rule 26.5 van de European Prison Rules
(Work that encompasses vocational training shall be provided for prisoners able to benefit from it
and especially for young prisoners).
Daarnaast meent de Raad dat het voorgestelde systeem van promoveren-degraderen ook
ten aanzien van penitentiaire arbeid voor de ‘niet-kunners’ een ongewenste situatie creëert.
Gedetineerden met een licht verstandelijke beperking of psychiatrische stoornis die daardoor
niet aan arbeid kunnen deelnemen, worden als niet-gemotiveerd van arbeid uitgesloten. Naast
de negatieve effecten op de resocialisatie van deze gedetineerden, heeft dit ook financiële
consequenties voor deze groep. Aangezien het eigen geld waarover de gedetineerde, anders dan
door arbeid verkregen, mag beschikken, wordt beperkt komen zij buiten hun schuld in een nadelige
financiële positie terecht.
Tot slot: de Raad is gaarne bereid mee te denken over de nadere vormgeving en (juridische)
randvoorwaarden van elektronische detentie en detentiefasering, binnen de genoemde kernwaarden
van de bestaande wettelijke regeling.
Hoogachtend,
namens de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming,
mr. L.A.J.M. de Wit, algemeen voorzitter
                                                                                                     10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>