<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                                                                                                   Parkstraat 83 Den Haag
                                                                                                   Correspondentie:
                                                                                                   Postbus 30137
                                                                                                   2500 GC Den Haag
                                                                                                   Telefoon (070) 361 93 00
                                                                                                   Fax algemeen (070) 361 93 10
                                                                                                   Fax rechtspraak (070) 361 93 15
                  Aan de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
                  De heer mr. F. Teeven
                  Postbus 20301
                  2500 EH Den Haag
         Betreft: aanbieding advies
 Contactpersoon:  drs. M. Kruissink/mr. K.H. Hinders
Doorkiesnummer: 070-3619322
          E-mail: m.kruissink@minvenj.nl
         Datum: 15 april 2013
    Uw kenmerk: 352789
   Ons kenmerk: RSJ/101/1521/2013/MKr/TvV
     Onderwerp: conceptwetsvoorstel wijziging van de beginselenwetten in verband met het vervoer, het medisch
                  klachtrecht en enkele andere onderwerpen
                  Geachte heer Teeven,
                  Op 21 februari 2013 ontving de Raad uw verzoek om te adviseren over het “conceptwetsvoorstel
                  wijziging van de beginselenwetten in verband met het vervoer, het medisch klachtrecht en enkele
                  andere onderwerpen” met de daarbij behorende toelichting. De Raad geeft hierbij gaarne zijn
                  reactie.
                  Uw voorstel strekt tot wijziging van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw), de Beginselenwet
                  verpleging terbeschikkinggestelden (Bvt) en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (Bjj). De
                  voorgestelde wijzigingen zijn zowel materieel als formeel van aard.
                  In dit advies gaat de Raad in op de volgende onderwerpen:
                  -- de regeling van het vervoer van gedetineerden, terbeschikkinggestelden en jeugdigen;
                  -- het in wetgeving vastleggen van het medisch klachtrecht, alsmede de codificatie van de reeds
                       bestaande praktijk van ‘voorbemiddeling’;
                  -- het opnemen in de Pbw van bemiddeling voorafgaand aan de beklagprocedure;
                  -- het aanwijzen van andere functionarissen uit het managementteam van PI’s als plaatsvervan-
                       gend directeur;
                  -- de bevoegdheid ten aanzien van beslissingen inzake (over)plaatsing;
                  -- de experimenteerbepaling in de Pbw.
                  De Raad zal in zijn advies zoveel mogelijk de volgorde aanhouden van de Memorie van Toelichting
                  (MvT). Een uitzondering wordt gemaakt voor de zogenoemde experimenteerbepaling in het
                  conceptwetsvoorstel. De Raad vindt dit voorstel zo ingrijpend dat het als eerste aan de orde komt.
                  Experimenteerbepaling
                  In het wetsvoorstel wordt voorgesteld een zogenaamde experimenteerbepaling op te nemen in
                  de Pbw. Dit betreft een nieuw hoofdstuk XVIA, artikel 77a en artikel 77b. Volgens de MvT beoogt
                  de wetgever daarmee te kunnen inspelen op nieuwe ontwikkelingen in het veld zonder dat dit
                  onmiddellijk tot een wetswijziging hoeft te leiden. Het kan alleen gaan om afwijking van de in
                  artikel 77b genoemde bepalingen voor de aldaar genoemde doelen. Dit betreft:
                  a. het afwijken van de door Onze Minister bepaalde bestemming van een inrichting of afdeling
                       (artikel 8, 9 en 10 Pbw);
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>b.   de mate van beveiliging van inrichtingen of afdelingen (artikel 13 Pbw);
c.   het recht van de gedetineerde op het dragen van eigen kleding en schoeisel (artikel 44, lid 2
     Pbw);
d.   het recht op deelname aan arbeid (artikel 47 Pbw);
e.   uitzondering op de regeling van de bemiddelingsprocedure (artikel 71c Pbw en artikel 59a Pbw;
     de conceptwetstekst vermeldt hier ten onrechte artikel 49a Pbw).
De Raad is sterk gekant tegen deze experimenteerbepalingen, en wel om twee onderling
samenhangende redenen.
Ten eerste meent de Raad dat het principieel onjuist is om in de wet zelf te regelen dat bij algemene
maatregel van bestuur (AMVB) voor een aantal gevallen besloten kan worden de wet opzij te zetten.
In een rechtsstaat geldt immers voor iedereen dezelfde wet, die langs democratische weg tot stand
is gekomen. Als de wetgever hier van af wenst te wijken, zal een nieuwe regeling volgens dezelfde
democratische weg tot stand moeten komen. Voor alle helderheid: de Raad ziet wel het belang van
experimenten of pilots, maar de Raad is er op tegen dat algemene rechten die zijn geregeld bij wet
in formele zin, via een AMVB buiten werking worden gesteld.
De tweede reden waarom de Raad tegen de voorgestelde experimenteerbepaling is, is dat deze
een grote mate van rechtsonzekerheid en willekeur voor de gedetineerde met zich brengt, terwijl
degenen die van hun vrijheid zijn beroofd juist tegen willekeur dienen te worden beschermd,
conform beginselen uit het EVRM en de Pbw. Juist om die reden dienen algemene regels als zodanig
te gelden.
De Raad adviseert om deze bepaling niet in de wet op te nemen.
Aanpassingen inzake het vervoer
In de praktijk bestaat er onduidelijkheid over de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van
degenen die bij het vervoer van gedetineerden, tbs-gestelden en jeugdigen zijn betrokken. Ook
ontbreekt het soms aan de mogelijkheid voor de te vervoeren gedetineerde, tbs-gestelde of
jeugdige om beklag in te stellen tegen de wijze waarop het vervoer plaatsvindt. Tenslotte is het
toezicht op het vervoer momenteel niet afdoende geregeld.
De Raad constateerde in zijn advies van 25 juni 2012 over het vervoer van ingeslotenen en hun
goederen1 dat de onduidelijkheid mede wordt veroorzaakt doordat bevoegdheden en verantwoorde-
lijkheden voor het vervoer onvoldoende zijn vastgelegd in wet- en regelgeving.
In het voorliggende conceptwetsvoorstel wordt dit voor een groot gedeelte geregeld. De
belangrijkste aanpassingen betreffen de verantwoordelijkheidsverdeling tijdens het vervoer door
DV&O. Voor het vervoer door de inrichting zelf zijn geen wijzigingen aangebracht. Wel wordt de
toezichthoudende taak van de commissies van toezicht bij de inrichtingen uitgebreid met het
toezicht op het vervoer door de inrichting. Ten aanzien van het vervoer dat plaatsvindt door DV&O
krijgt de Commissie van Toezicht bij DV&O een wettelijke grondslag en vier taken, waaronder het
beslissen op beklag en het houden van toezicht op het vervoer uitgevoerd door DV&O.
De Raad stemt in met het regelen van deze bevoegdheden en verantwoordelijkheden. De Raad
vindt het echter wél een gemiste kans dat nu nog niet alle vervoer is geregeld in één wetgevings-
traject; te denken valt aan vervoer in opdracht van organisatie-onderdelen die wat dit betreft
vallen onder de minister van Veiligheid en Justitie, zoals de (parket)politie en het OM, waarbij het
vervoer plaatsvindt door DV&O.2 Overigens vraagt de Raad zich af of wel goed is gekeken naar de
consequenties van de aanpassingen voor de praktijk; hierbij valt te denken aan de toename van het
aantal klachten en het binnen een redelijke termijn kunnen behandelen daarvan, de werkbelasting
voor zowel de Commissies van Toezicht bij de inrichtingen als voor de Commissie van Toezicht bij de
DV&O.
De bevoegdheidsverdeling t.a.v. de toepassing van vrijheidsbeperkende middelen tijdens
het vervoer
In het wetsvoorstel worden aan de Minister van Veiligheid en Justitie, en in de praktijk de directeur
van DV&O, enkele bevoegdheden toegekend ten aanzien van het vervoer. Dit betreft de bevoegdheid
de betrokkene te (laten) onderzoeken aan zijn lichaam en kleding (artikel 29 Pbw, 23, Bvt en 34
Bjj), geweld toe te passen en vrijheidsbeperkende middelen aan te wenden (artikelen 35 Pbw,
1    RSJ-advies d.d. 25 juni 2012 ‘Het vervoer van ingeslotenen en hun goederen’.
2    De Raad verwijst hierbij naar zijn advies over het vervoer en bijlage II daarvan: schematisch overzicht verantwoordelijkheid, klachtmogelijkheid
     en toezicht.
                                                                                                                                                     2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>30 Bvt en 40 Bjj). De keuze om deze bevoegdheden in de praktijk bij DV&O te leggen wordt
ingegeven door het feit dat beslissingen over de toepassing daarvan veelal in een concrete
situatie tijdens het vervoer door medewerkers van DV&O moeten worden genomen. Uit praktische
overwegingen is ervoor gekozen deze bevoegdheden bij DV&O te leggen en niet bij de directeur van
de inrichting.
De Raad vindt dit geen gelukkige keuze. De keuze wijkt af van het advies van de Raad over
het vervoer. In dit advies legt de Raad het zwaartepunt voor het toepassen van beperkende
maatregelen tijdens het vervoer bij de directeur. Dit is ook logisch, als men uitgaat van de ‘lange
arm’ constructie.3 De directeur kent de te vervoeren ingeslotene en weet daarom op welke wijze het
vervoer moet plaatsvinden.
De keuze in het wetsvoorstel om de bevoegdheden bij DV&O te leggen kan ook tot vreemde
situaties leiden, bijvoorbeeld in het geval waarin de DV&O beslist dat een ingeslotene met een
broekstok moet worden vervoerd, tegen het advies van de directeur. Wanneer in een dergelijk geval
de desbetreffende ingeslotene tegenstribbelt, DV&O hiervan een rapport opmaakt en dit aan de
directeur overlegt, is de directeur bevoegd een disciplinaire straf op te leggen, terwijl hij het zelf niet
eens was met het gebruik van de broekstok, (MvT p. 4).
Concluderend is de Raad van mening dat het advies van de directeur over de wijze van vervoer
zwaarwegend moet zijn. Indien door DV&O wordt vervoerd op een wijze die afwijkt van het
advies van de directeur, dan dient hiervan een schriftelijk verslag te worden gemaakt. Hierin
dient te worden opgenomen waarom wordt afgeweken van het advies van de directeur. Het
schriftelijke verslag is van belang bij een eventuele toetsing van het handelen van DV&O door de
beklagcommissie. Bij de behandeling van het beklag dient dit verslag in de oordeelsvorming te
worden meegewogen.
Schorsing en bemiddeling tijdens vervoer
Volgens het conceptwetsvoorstel wordt een nieuw hoofdstuk (in de Pbw hoofdstuk XIA) opgenomen
over het beklag inzake vervoer door DV&O. Er kan beklag worden ingesteld bij de beklagcommissie
voor het vervoer tegen het aanwenden van de bevoegdheid tot onderzoek aan het lichaam en de
toepassing van geweld en vrijheidsbenemende middelen tijdens de vervoersbeweging door DV&O.
De beklagprocedure verloopt in beginsel hetzelfde als de procedure bij de beklagcommissie van de
commissie van toezicht van de inrichting. De schorsing en bemiddeling zoals deze in de reguliere
beklagprocedure bestaan, worden echter uitgesloten.
Als reden hiervoor wordt in de MvT (pagina 12) gegeven dat beklag in de praktijk steeds pas zal
worden ingesteld nadat het vervoer heeft plaatsgevonden.
Als reden voor het uitsluiten van bemiddeling wordt in de MvT gegeven dat dit op ernstige
praktische bezwaren stuit, gelet op het feit dat de beklagcommissie voor het vervoer klaagschriften
van alle justitiële inrichtingen moet behandelen.
De Raad heeft bezwaar tegen het principieel uitsluiten van de mogelijkheid om te schorsen en
te bemiddelen in vervoerskwesties. De praktische bezwaren die genoemd worden in de MvT zijn
hiervoor naar de mening van de Raad niet afdoende. In het algemeen zal de wetenschap dat
vervoerd gaat worden op een eerder moment bekend zijn dan het moment van uitvoering. Dat
brengt met zich mee dat er ook voldoende gelegenheid zal zijn om een schorsingsverzoek te
behandelen. Alhoewel de Raad zich realiseert dat het in een aantal situaties praktisch gezien lastig
is om te schorsen of te bemiddelen, acht hij dit in een aantal gevallen heel wel mogelijk en zinvol.
Gedacht kan worden aan het vervoer door DV&O van een ingeslotene met een stok in de broek naar
een ziekenhuis, dan wel het vervoer in verband met bezoek aan een echtgenote die moet bevallen,
of in het geval dat een ingeslotene geen processtukken mee mag nemen in het kader van een zitting
en hij hiertegen bezwaar heeft. In dit soort gevallen moet het mogelijk zijn de beslissing van DV&O
tot een bepaalde wijze van vervoer te schorsen, zodat deze vervolgens kan worden getoetst door
de beklagrechter. Ook bemiddeling kan in vervoerskwesties in een aantal gevallen leiden tot het
voortijdig oplossen van een conflict, zodat beklag overbodig wordt.
Vrijheidsbeperkende maatregelen en geweld tijdens het vervoer
De Raad constateert dat in het voorliggende conceptwetsvoorstel niets is geregeld over de wijze
van toepassing van vrijheidsbeperkende maatregelen en geweld tijdens het vervoer. De toepassing
van vrijheidsbeperkende maatregelen en geweld tijdens het vervoer door personeel van DV&O moet
voldoen aan de bepalingen uit de Geweldsinstructie PI’s. Tegelijkertijd moeten de vervoerders van
3    De ‘lange arm’ constructie betekent dat medewerkers van DV&O de bevoegdheid om op te treden ontlenen aan de directeur van de inrichting
     die hen de opdracht tot vervoer heeft gegeven.
                                                                                                                                             3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>DV&O ook werken volgens de eisen zoals gesteld in de Ambtsinstructie voor de politie en Koninklijke
marechaussee.4 Deze eisen zijn strenger dan die in de Geweldsinstructie. In artikel 22 van de
Ambtsinstructie wordt onder meer geregeld dat ten behoeve van het vervoer handboeien kunnen
worden aangelegd indien de feiten of omstandigheden dit redelijkerwijs vereisen met het oog op
gevaar voor ontvluchting, dan wel met het oog op gevaar voor de veiligheid of het leven van de
ingeslotene, van de ambtenaar of van derden. Voorafgaande feiten mogen blijkens het derde lid
van voornoemd artikel slechts gelegen zijn in de persoon van de ingeslotene of de aard van het
strafbare feit op grond waarvan de vrijheidsbeneming heeft plaatsgevonden. Volgens artikel 23 van
de Ambtsinstructie moet de ambtenaar die gebruik heeft gemaakt van handboeien dit schriftelijk en
onder vermelding van de reden die tot het gebruik heeft geleid, melden aan zijn meerdere (degene
die is belast met of bevel heeft over de taakuitoefening). De Raad beveelt aan deze strengere
eisen uit de Ambtsinstructie nader uit te werken in de (momenteel in ontwikkeling zijnde) Regeling
vervoer van gedetineerden. De Raad verwijst hierbij ook naar het antwoord van de Staatssecre-
taris van Veiligheid en Justitie op een recente vraag in de Tweede Kamer over vrijheidsbeperkende
middelen tijdens het vervoer dat bij de aanwending van vrijheidsbeperkende middelen het noodza-
kelijkheidsvereiste voorop staat.5
In artikel 30 van de Bvt wordt een nieuw lid 3 opgenomen waarin Onze Minister bevoegd is jegens
een verpleegde geweld te gebruiken of vrijheidsbeperkende middelen aan te wenden. Blijkens de
MvT gaat het hier om dwangmiddelen die in verband met het vervoer nodig kunnen zijn, maar dat
staat niet in de wettekst. De Raad beveelt aan de wettekst hierop aan te passen.
Fouilleren van de ingeslotene voor, tijdens en na het vervoer
Volgens de huidige circulaire 5443943/06DJI is de inrichting verantwoordelijk voor het voorbereiden
van de gedetineerde op het vervoer. De Raad gaat er vanuit dat deze circulaire niet meer van
kracht is bij inwerkingtreding van de wet. De inrichting levert de ingeslotene ‘schoon’ over aan
de vervoerder. Het conceptwetsvoorstel maakt het mogelijk dat een ingeslotene twee keer kort
achtereen wordt gefouilleerd: één keer door de inrichting bij het vertrek uit de inrichting en
vervolgens nog een keer door DV&O voordat hij het voertuig instapt (artikel 29 lid 2 nieuw).
Indien ook nog de mogelijkheid tot fouilleren bij binnenkomst in de ontvangende inrichting wordt
meegeteld, kan dit zelfs oplopen tot drie keer achtereen in korte tijd, terwijl de ingeslotene steeds
onder toezicht van justitie is geweest en er in zoverre geen (nieuwe) grond kan zijn dezelfde
bevoegdheid nogmaals – of zelfs driemaal- toe te passen.
Een dergelijk zwaar dwangmiddel mag niet meerdere keren worden toegepast. Dit is volgens
artikel 3 van het EVRM een inbreuk op de lichamelijke integriteit. De Raad concludeert dan ook dat
fouillering beperkt dient te worden tot één keer, voor zover noodzakelijk.6
Toepassen van maatwerk bij vervoer
In zijn advies over het vervoer heeft de Raad sterk de nadruk gelegd op het leveren van ‘maatwerk’.
De Raad mist in het voorliggende conceptwetsvoorstel bepalingen die dit maatwerk regelen. Zo
dienen tijdens het vervoer van jeugdigen andere maatregelen te worden toegepast dan tijdens het
vervoer van tbs-gestelden of gedetineerden en het vervoer van verschillende groepen vraagt andere
vaardigheden van het uitvoerend personeel. Verder dient rekening te worden gehouden met het
gescheiden vervoer van jeugdigen en volwassenen en van mannen en vrouwen. Op deze verschillen
dient tijdens het vervoer te worden ingespeeld, bijvoorbeeld door extra opleidingseisen aan het
personeel te stellen. Rekening dient ook te worden gehouden met individuele omstandigheden,
bijvoorbeeld met lichamelijke beperkingen of klachten van de te vervoeren persoon. Kortom, het
gaat om maatwerk op het niveau van doelgroep en op het niveau van individu. De Raad verwijst
hiervoor verder naar eerder genoemd advies over het vervoer7 en dringt erop aan bepalingen inzake
maatwerk op te nemen in het wetsvoorstel dan wel dit nader te regelen in de op handen zijnde
ministeriële regeling over het vervoer.
In wetgeving vastleggen van het medisch klachtrecht, in Pbw en Bjj
In het conceptwetsvoorstel wordt voorgesteld de regeling zoals die nu is opgenomen in de
Penitentiaire maatregel (verder: Pm) en het Reglement justitiële jeugdinrichtingen (verder: Rjj)
formeel te regelen in de Pbw respectievelijk de Bjj. Het medisch klachtrecht is thans opgenomen in
hoofdstuk 7 (artikelen 28 tot en met 34) van de Pm, respectievelijk in hoofdstuk 10 (artikelen 55
tot en met 61) van de Rjj. Naar hedendaagse opvatting dient het beroepsrecht - en dus ook het
4    Transportbegeleiders van DV&O zijn op grond van het Besluit Buitengewoon Opsporingsambtenaar DV&O veelal buitengewoon opsporingsamb-
     tenaar en daarom moet de toepassing van handboeien e.d. voldoen aan de eisen zoals gesteld in de genoemde Ambtsinstructie.
5    Tweede Kamer, vergaderjaar 2012-2013, antwoord op Kamervraag 1306.
6    Van der Ven/Nederland, EHRC 2003/26 EHRM 04-02-2003, 5090 1/99
7    Zie het reeds genoemde RSJ-advies over het vervoer.
                                                                                                                                          4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>beroep tegen medisch handelen - te worden geregeld op het niveau van de wet in formele zin. Dit
biedt niet alleen een betere rechtsbescherming omdat er een zwaardere procedure voor wijziging
van de klachtregeling geldt, maar bovendien wordt de kenbaarheid van het medisch klachtrecht
vergroot wanneer deze bij de andere beklag- en beroepsregelingen in de Pbw en de Bjj wordt
geplaatst.
Dit voorstel heeft de instemming van de Raad.
Medisch klachtrecht in de Bvt
De Raad beveelt aan om ook de Bvt in de hiervoor besproken aanpassing mee te nemen. Voor
tbs-gestelden bestaat momenteel geen medische klachtenregeling, zoals die voor jeugdigen en
gedetineerden wel bestaat. Tbs-gestelden kunnen uitsluitend terecht bij de medisch adviseur van
DJI voor bemiddeling over een medische klacht. Verder kunnen zij eventueel terecht bij een van
de vijf Regionale Tuchtcolleges voor de Gezondheidszorg of bij het Centrale Tuchtcollege (in hoger
beroep). Tussen bemiddeling en Tuchtcollege bestaat geen enkele andere mogelijkheid.
De Raad constateert dat uit de MvT niet blijkt dat er redenen zijn om het medisch klachtrecht in de
Bvt anders te regelen dan in de Pbw en de Bjj. Hij beveelt derhalve dringend aan om de bedoelde
bepalingen over het medisch klachtrecht evenzeer in de Bvt op te nemen. De Raad doelt hierbij op
medische klachten die niet de tbs-behandeling zelf betreffen.
Een bijkomend voordeel is dat de voor de samenleving nogal kostbare route naar het Tuchtcollege
dan wellicht minder vaak bewandeld hoeft te worden.
Codificatie van ‘voorbemiddeling’ in het medisch klachtrecht
In het medisch klachtrecht worden enkele wijzigingen voorgesteld ten opzichte van de huidige
regeling. De belangrijkste wijziging betreft de codificatie van de reeds bestaande praktijk van
‘voorbemiddeling’ (artikel 71c lid2).
De Pm en de Rjj kennen een centrale bemiddelingsprocedure bij de Medisch Adviseur van het
Ministerie van V en J. De gedachte daarachter is om via een laagdrempelige bemiddelingsprocedure
de klachten van gedetineerden en jeugdigen snel en informeel tot een oplossing te brengen. De
bemiddelingsprocedure voldoet al enkele jaren niet meer aan dit doel, zo concludeerden de Medisch
Adviseur en de RSJ in hun adviezen over het medisch klachtrecht.8 De oorzaak was onder andere
de sterke groei van het aantal medische klachten. Hierdoor werd de afhandeling van de klachten
zodanig vertraagd dat geen sprake meer was van een efficiënte bemiddeling. Door het aanzienlijke
tijdsbeslag van de procedure kwam het met enige regelmaat voor dat het probleem waarover
geklaagd werd niet meer speelde, dan wel dat de klager zich niet meer in detentie bevond of was
overgeplaatst.
Dit vormde aanleiding voor de RSJ om aan te bevelen de bemiddeling op inrichtingsniveau te doen
plaatsvinden. Per 1 mei 2011 is gestart met een nieuwe werkwijze inzake bemiddeling, die de
wetgever met dit wetsvoorstel beoogt te codificeren. De nieuwe werkwijze kent drie fases:
1) voorbemiddeling, 2) bemiddeling, 3) beroep.
De Raad constateert met instemming dat elementen uit het eerdere RSJ-advies over dit onderwerp
in het voorliggende voorstel worden overgenomen. Hierbij heeft de Raad nog wel een opmerking.
Blijkens de MvT wordt de voorbemiddeling grotendeels in handen gegeven van het ‘hoofd zorg’. De
Raad beveelt aan - conform zijn eerdere advies - de voorbemiddeling in handen te leggen van een
onafhankelijke functionaris, te weten de arts uit de CvT.
Duidelijkheid over samenstelling medische beroepscommissie in wettekst
In artikel 71d, lid 1, van de conceptwettekst is vermeld dat een met redenen omkleed beroepschrift
wordt ingediend bij een door de Raad benoemde commissie van drie leden, bestaande uit één jurist
en twee artsen, die wordt bijgestaan door een secretaris.
De Raad beveelt aan deze tekst aan te passen zoals dit is verwoord in de concept-MvT. Hierin
is vermeld dat bij klachten over de tandarts één van die artsen uit de beroepscommissie wordt
vervangen door een tandarts. Het zelfde geldt voor psychiatrische problematiek, waarbij één van
de artsen wordt vervangen door een psychiater. De Raad meent dat het de duidelijkheid ten goede
komt indien deze tekst uit de concept-MvT wordt opgenomen in de wettekst zelf.
Bemiddeling (algemeen)
Volgens het conceptwetsvoorstel wordt in de Pbw een nieuw hoofdstuk XA opgenomen waarin
bemiddeling voorafgaand aan de beklagprocedure wordt geregeld. Dit is conform hoofdstuk XII
8    Zie: ‘Uitvoeringsadvies klachtenbemiddeling’ van de Medisch Adviseur van 9 maart 2009 en ‘Briefadvies bemiddeling inzake medische klachten’
     van de RSJ, van 15 september 2009.
                                                                                                                                                 5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>van de Bjj en hoofdstuk XIII van de Bvt waarin bemiddeling al is vastgelegd. Dit voorstel heeft de
instemming van de Raad.
Daarnaast wordt voor gedetineerden een motiveringsplicht opgenomen. In artikel 61, lid 3 staat:
“indien de gedetineerde omtrent de beslissing waarover hij klaagt geen verzoek tot bemiddeling
heeft gedaan, vermeldt hij de redenen hiervoor in het klaagschrift”. Een dergelijke bepaling is niet
opgenomen in de Bjj en Bvt. De vraag is waarom dit onderscheid wordt gemaakt.
De bepaling betekent in de praktijk dat de gedetineerde uit moet leggen waarom hij geen
bemiddeling heeft gewild. Hoewel de Raad een groot voorstander is van de bemiddelingsproce-
dure, vindt hij niet dat bemiddeling zo dwingend moet worden voorgeschreven dat het in feite een
belemmering vormt om in beklag te gaan.
De Raad vraagt zich daarbij af wat een voldoende motivering is en wat voor sanctie er eventueel
staat op het niet willen van bemiddeling. En bovendien, als de gedetineerde dit motiveert, gaat het
een en ander dan een rol spelen in de beklagprocedure, en zo ja, op welke wijze?
De Raad staat niet achter deze motiveringsplicht, omdat de gedetineerde hiermee naar zijn oordeel
te veel wordt afgehouden van zijn recht ex artikel 60 Pbw om beklag in te stellen.
Verder is in het conceptwetsvoorstel opgenomen dat de voorzitter van de beklagcommissie de
behandeling van een beklag voor onbepaalde tijd kan uitstellen indien de klacht zich naar het
oordeel van de voorzitter voor bemiddeling leent (art. 63, lid 4).
De Raad meent echter dat wanneer een gedetineerde geen bemiddeling wil, dit mogelijk moet zijn
zonder dat hij zich hiervoor behoeft te verantwoorden. Hij dient de mogelijkheid te hebben beklag
in te stellen indien hij dit wenst; de klacht dient binnen een redelijke termijn, bijvoorbeeld binnen
vier weken, te worden behandeld. De Raad adviseert derhalve het voorgestelde vierde lid van art.
63 Pbw niet in te voeren.
De Raad onderschrijft overigens, als eerder gesteld, het uitgangspunt om waar mogelijk
bemiddeling toe te passen. Bemiddeling moet er echter niet toe leiden dat gedetineerden er van
worden afgehouden om te klagen. Dan zou de motiveringsplicht zelfs contraproductief kunnen
werken: het uitgangspunt van bemiddeling is immers dat een mogelijk conflict op een voor alle
partijen bevredigende wijze wordt opgelost.
Aanwijzen plaatsvervangend directeur
In de conceptwijziging wordt voorgesteld om in PI’s naast de vestigingsdirecteur en diens
plaatsvervanger(s) ook andere functionarissen uit het managementteam van de vestiging aan
te wijzen als plv. directeur. Gedacht wordt aan een afdelingshoofd of een hoofd Veiligheid. De
reden hiervan is - aldus de MvT - te voorkomen dat er “hiaten ontstaan in de mogelijkheid
ordemaatregelen en disciplinaire straffen op te leggen”. Het op ieder moment van de dag kunnen
uitoefenen van die bevoegdheden zou van groot belang zijn.
De Raad vindt - ten principale - dat de bevoegdheid tot het opleggen van een disciplinaire straf of
maatregel vanwege zijn aard, hoog in de hiërarchie, op het niveau van de directeur, thuishoort.9
Tegelijkertijd constateert de Raad dat de huidige regeling in de praktijk kennelijk als een probleem
wordt ervaren. Soms bestaat in PI’s de behoefte om de bevoegdheid tot disciplinair straffen en
het opleggen van ordemaatregelen ook aan anderen dan de (plv.) directeur toe te kennen. In de
praktijk wordt de bevoegdheid dan neergelegd bij hoofden Veiligheid of afdelingshoofden. Het
voorliggende conceptwetsvoorstel sluit bij deze praktijk aan. De Raad signaleert hierbij echter
een probleem. Het is onwenselijk, in de visie van de Raad, om de bedoelde bevoegdheden neer te
leggen bij functionarissen die op onvoldoende -overdrachtelijke- afstand staan van de gedetineerde
of de bij het incident betrokken personeelslid. Dit onderstreept het standpunt van de Raad om de
bedoelde bevoegdheden op directeursniveau te beleggen.
De Raad beveelt aan in het conceptwetsvoorstel aan te sluiten bij jurisprudentie van de Raad over
dit onderwerp.10 Dat betekent dat uitsluitend functionarissen aangewezen kunnen worden als plv.
directeur die volwaardig als directeur kunnen functioneren en bij wie de bedoelde bevoegdheid
onderdeel is van een breder (directeurs-)takenpakket. Dat impliceert dat het bijvoorbeeld niet kan
gaan om een afdelingshoofd dat enkel met het oog op het disciplinair straffen de functie van plaats-
vervangend directeur krijgt.
9    Zie ook het RSJ-advies ‘Strafbevoegdheid in de penitentiaire inrichtingen’, d.d. 19 juli 2007.
10   Zie bijvoorbeeld zaaknr. 11/1809/GA d.d. 6 maart 2012 van de beroepscommissie.
                                                                                                      6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Bevoegdheid t.a.v. beslissingen inzake (over)plaatsing
Met het oog op beslissingen over de (over)plaatsing van gedetineerden is het van belang om vast
te stellen wie daartoe bevoegd is. Bij een interne overplaatsing, d.w.z. tussen de locaties van een
vestiging, beslist de vestigingsdirecteur, bij een externe overplaatsing doet de selectiefunctionaris
dit, namens de minister van Veiligheid en Justitie.
In het voorgestelde artikel 3 Pbw, eerste lid, is bepaald dat de verschillende locaties van een
vestiging binnen een arrondissement kunnen worden aangemerkt als één penitentiaire inrichting.
Om te waarborgen dat een gedetineerde niet kan worden overgeplaatst naar een andere regio
zonder tussenkomst van de Minister van Veiligheid en Justitie is in het voorstelde artikel 3 Pbw,
eerste lid, bepaald dat de verschillende locaties die een penitentiaire inrichting vormen binnen
hetzelfde arrondissement dienen te liggen. Bij een bovenarrondissementale overplaatsing kunnen
gedetineerden ver buiten hun sociale omgeving (de regio van vestiging) geplaatst worden. Voor een
dergelijke ingrijpende overplaatsing is in het voorstel de tussenkomst van de Minister van Veiligheid
en Justitie aangewezen.
De Raad gaat er vanuit - waar in de MvT niet anders wordt gesteld - dat deze regelgeving de
overplaatsing binnen hetzelfde regime betreft. Verder constateert de Raad dat het voorstel beoogt
gedetineerden te beschermen tegen overplaatsingen naar locaties die ver buiten hun sociale
omgeving liggen. Dit oogmerk kan op de instemming van de Raad rekenen. De wetgever lijkt
hierbij echter onvoldoende rekening houden met de huidige (nieuwe) gerechtelijke indeling. De
teruggang van negentien naar tien (aanzienlijk omvangrijkere) arrondissementen maakt dat
overplaatsing naar een andere locatie binnen hetzelfde arrondissement even ingrijpend kan zijn
als een verplaatsing tussen arrondissementen. Het door de wetgever beoogde doel, te weten het
beschermen van gedetineerden tegen overplaatsing ver buiten hun sociale omgeving, wordt op die
manier niet bereikt. De Raad adviseert om die reden de geografische (kortste) afstand in plaats van
de arrondissementsgrenzen als criterium te hanteren.
Hoogachtend,
namens de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming,
mr. L.A.J.M. de Wit, algemeen voorzitter
                                                                                                      7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>