<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Tweede Kamer der Staten-Generaal
                                                                                           2
Vergaderjaar 2013–2014
33 844                 Wijziging van de Penitentiaire beginselenwet, de
                       Beginselenwet verpleging ter beschikking
                       gestelden en de Beginselenwet justitiële
                       jeugdinrichtingen en enkele andere wetten in
                       verband met het vervoer, het medisch
                       klachtrecht en enkele andere onderwerpen
Nr. 3                  MEMORIE VAN TOELICHTING
                       Inhoudsopgave
                       I.   ALGEMEEN                                                             1
                            1.        Inleiding                                                  1
                            2.        Vervoer                                                    2
                            2.1       Vervoer door de inrichting                                 2
                            2.2       Vervoer door DV&O                                          2
                            2.2.1     Bevoegdheden                                               4
                            2.2.2     Commissie van toezicht voor het vervoer, beklag en
                                      beroep                                                     5
                            2.3       Regeling vervoer justitiabelen                             6
                            3.        Medisch klachtrecht                                        6
                            4.        Enige andere onderwerpen betreffende de
                                      Penitentiaire beginselenwet                                9
                            4.1       Aanwijzen plaatsvervangend-directeur                       9
                            4.2       Penitentiaire inrichting                                  10
                            4.3       Experimenteerbepaling                                     11
                            5.        Adviezen                                                  12
                       II.  ARTIKELSGEWIJS                                                      20
                       I. ALGEMEEN
                       1. Inleiding
                       Dit wetsvoorstel voorziet in een aantal wijzigingen in de Penitentiaire
                       beginselenwet (verder: Pbw), de Beginselenwet verpleging ter beschikking
                       gestelden (verder: Bvt) en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen
                       (verder: Bjj) in verband met de aanpassing van de regeling van het
                       vervoer, het overhevelen van het medisch klachtrecht uit de algemene
                       maatregelen van bestuur naar het niveau van de wet in formele zin en
                       enige andere onderwerpen. Hieronder in deze memorie van toelichting zal
                       ieder van de bovenstaande onderwerpen afzonderlijk worden besproken.
kst-33844-3
ISSN 0921 - 7371
’s-Gravenhage 2014     Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 844, nr. 3                       1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>de artikelsgewijze toelichting.
2. Vervoer
Gedetineerden, ter beschikking gestelden en anderszins verpleegden
(verder: verpleegden) en jeugdigen kunnen worden vervoerd, bijvoor-
beeld in verband met een (over)plaatsing, het bijwonen van een gerechte-
lijke procedure, medische verzorging in een ziekenhuis of in verband met
sociale verzorging en hulpverlening. Het vervoer kan worden geïnitieerd
door de Minister van Veiligheid en Justitie (namens deze de selectiefuncti-
onaris) in geval van (over)plaatsing of door de directeur van de inrichting
in andere gevallen. Het vervoer kan, ongeacht wie het geïnitieerd heeft,
worden uitgevoerd door de inrichting of door de vervoersdienst (thans: de
Dienst Vervoer en Ondersteuning; verder DV&O) van de Dienst Justitiële
Inrichtingen (DJI).
In de praktijk is gebleken dat er onduidelijkheden bestaan over de
bevoegdheden en beklag- en beroepsmogelijkheden aangaande beslis-
singen en incidenten tijdens het vervoer. Deze onduidelijkheden bestaan
met name bij het vervoer dat niet door de inrichting zelf wordt uitgevoerd,
maar door DV&O. In die gevallen speelt de vraag in hoeverre de
medewerkers van DV&O handelen onder verantwoordelijkheid van de
directeur van de inrichting. Naar aanleiding hiervan worden in dit
wetsvoorstel de bevoegdheden ten aanzien van het vervoer herover-
wogen en meer expliciet in de beginselenwetten opgenomen. Daarbij is
een onderscheid gemaakt tussen het vervoer dat door de inrichting en het
vervoer dat door DV&O wordt uitgevoerd. Voor het vervoer dat door de
inrichting wordt uitgevoerd geldt dat geen wijzigingen zullen worden
aangebracht ten opzichte van de huidige situatie (zie paragraaf 2.1); ten
aanzien van het vervoer dat wordt uitgevoerd door DV&O, zullen
wijzigingen in de verdeling van de verantwoordelijkheden en bevoegd-
heden tussen de directeur van de inrichting en de Minister van Veiligheid
en Justitie worden aangebracht (zie paragraaf 2.2).
2.1 Vervoer door de inrichting
Vervoer van een gedetineerde, verpleegde of jeugdige kan worden
uitgevoerd door de inrichting. In dat geval bestaan er weinig onduidelijk-
heden over de bevoegdheden en de beklag- en beroepsmogelijkheden.
Hierin zullen dan ook geen wijzigingen worden aangebracht. De ambte-
naren of medewerkers van de inrichting kunnen wanneer het vervoer
wordt uitgevoerd door de inrichting door de directeur gemachtigd worden
ten behoeve van dat vervoer bevoegdheden namens hem uit te oefenen
(zie de artikelen 5 Pbw, 7 Bvt en 4 Bjj). Omdat beslissingen van
medewerkers gelden als beslissingen van de directeur, staat daartegen
beklag open bij de beklagcommissie van commissie van toezicht van de
inrichting op grond van de artikelen 60 e.v. Pbw, 56 e.v. Bvt en 65 e.v. Bjj.
Het toezicht op het vervoer dat wordt uitgevoerd door de inrichting wordt
uitgeoefend door de commissie van toezicht van de inrichting. Dit laatste
zal worden verhelderd in de artikelen 7 Pbw, 10 Bvt, en 7 Bjj.
2.2 Vervoer door DV&O
De beginselenwetten maken het reeds mogelijk dat het vervoer wordt
uitgevoerd door DV&O. De directeur van de inrichting is bevoegd DV&O
daartoe te machtigen. Dit volgt uit de artikelen 5 Pbw, 7 Bvt en 4 Bjj waar
is geregeld dat de directeur respectievelijk het hoofd van de inrichting
ambtenaren of medewerkers kan machtigen de hem gegeven bevoegd-
heden uit te oefenen. De kring van ambtenaren en medewerkers die
Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 844, nr. 3                           2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>medewerkers die zijn verbonden aan de inrichting1. Bevoegdheden
hebben de medewerkers die niet aan de inrichting zijn verbonden op
grond van de zogenaamde «lange arm-constructie». Dit houdt in dat de
medewerkers van DV&O de bevoegdheid om op te treden ontlenen aan
de directeur van de inrichting die hen de opdracht tot vervoer heeft
gegeven2. De medewerkers van DV&O worden, met andere woorden,
doordat de directeur hen de opdracht geeft tot vervoer, door hem
gemachtigd om namens hem bevoegdheden aan te wenden, zoals de
toepassing van geweldsmiddelen. De beslissingen van de medewerkers
gelden, omdat zij daartoe gemachtigd zijn door de directeur, als beslis-
singen van de directeur, waardoor daartegen beklag openstaat bij de
beklagcommissie van de commissie van toezicht van de inrichting op
grond van de artikelen 60 e.v. Pbw, 56 e.v. Bvt en 65 e.v. Bjj.
Ook de Minister van Veiligheid en Justitie (namens deze de selectiefuncti-
onaris) kan – ten behoeve van de (over)plaatsing – het vervoer van
gedetineerden, verpleegden en jeugdigen doen geschieden door daartoe
aangewezen ambtenaren of medewerkers. Voor de machtiging van
ambtenaren of medewerkers tot het uitvoeren van het vervoer namens de
Minister is geen wettelijke basis in de beginselenwetten nodig; de
Minister van Veiligheid en Justitie kan zijn bevoegdheden op basis van
een algemene mandaatregeling aan hen mandateren.
In de praktijk is gebleken dat er onduidelijkheden bestaan over de
bevoegdheden en beklagmogelijkheden aangaande beslissingen en
incidenten tijdens het vervoer door DV&O. In verschillende uitspraken
heeft de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming (verder:
RSJ) aangegeven dat beslissingen genomen door medewerkers van
DV&O niet gelden als door of namens de directeur van de inrichting
genomen beslissingen. Dit heeft tot gevolg gehad dat betrokkenen tegen
deze beslissingen geen beklag of beroep konden instellen. Zie bijvoor-
beeld de uitspraak van de RSJ van 22 mei 2006, zaaknr. 06/371/GA.
Inmiddels heeft de RSJ zijn jurisprudentie op dit punt enigszins aange-
scherpt en geoordeeld dat het handelen van een medewerker van DV&O
«onder omstandigheden» kan worden aangemerkt als een door of
namens de directeur genomen beslissing. Een van de relevante omstan-
digheden lijkt te zijn dat ook de directeur van de inrichting in verzuim is
geweest; zie de uitspraak van de RSJ van 4 mei 2012, zaaknr. 11/4345/GA.
Daarmee zijn er nog steeds situaties waarin de betrokkene niet kan
opkomen tegen jegens hem aangewende bevoegdheden tijdens het
vervoer, namelijk in die situaties waarin de directeur van de inrichting niet
(ook) in verzuim is geweest. Dit voorstel beoogt deze lacune in de
rechtsbescherming van gedetineerden, verpleegden en jeugdigen te
herstellen. Daartoe worden, mede naar aanleiding van de adviezen van de
toenmalige Inspectie voor de Sanctietoepassing (thans: de Inspectie
Veiligheid en Justitie) en de RSJ3, de bevoegdheden en verantwoordelijk-
heden ten aanzien van het vervoer door DV&O overgeheveld van de
directeur van de inrichting naar de Minister van Veiligheid en Justitie. De
directeur en medewerkers van DV&O zullen deze bevoegdheden via
(onder)mandaat uitoefenen en er zal beklag openstaan bij de beklagcom-
missie van de commissie van toezicht bij DV&O.
1
  Vgl. Kamerstukken II 1994/95, 24 263, nr. 3, p. 22–23; Kamerstukken II 1993/94, 23 445, nr. 3, p.
  24; Kamerstukken II 1997/98, 26 016, nr. 3, p. 26.
2
  Zie Kamerstukken II 1994/95, 24 263, nr. 3, p. 22–23.
3
  Inspectie voor de Sanctie toepassing, Gedetineerdenvervoer, onderzoek van juni 2010; Raad
  voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, Het vervoer van ingeslotenen en hun
  goederen, advies van 25 juni 2012.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 844, nr. 3                                                 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Onderzoek aan lichaam en kleding en geweld
Voorgesteld wordt om de Minister van Veiligheid en Justitie enkele
bevoegdheden te geven ten aanzien van het vervoer. In de praktijk zullen
deze bevoegdheden namens hem worden uitgeoefend door de directeur
en (in ondermandaat) de medewerkers van DV&O. Het betreft de
bevoegdheid de betrokkene te (laten) onderzoeken aan zijn lichaam en
kleding (artikelen 29 Pbw, 23 Bvt en 34 Bjj) en de bevoegdheid geweld toe
te passen en vrijheidsbeperkende middelen aan te wenden (artikelen 35
Pbw, 30 Bvt en 40 Bjj). Op dit moment oefenen de medewerkers van
DV&O deze bevoegdheden reeds uit, al dan niet onder verantwoorde-
lijkheid van de directeur van de inrichting. Er is dus slechts sprake van een
verschuiving van de verantwoordelijkheid voor de bevoegdheden; er
worden geen nieuwe of meer uitgeoefend. Als gevolg van deze wijziging
zullen derhalve geen extra beperkingen op de grondrechten van de
betrokkene worden gemaakt.
De RSJ heeft in het eerdergenoemde advies over het vervoer van
ingeslotenen en hun goederen geadviseerd om zowel de directeur van de
inrichting als (de directeur van) DV&O bevoegdheden ten aanzien van het
vervoer te geven. De directeur van de inrichting is dan verantwoordelijk
voor de toepassing van de soort beveiligingsmaatregelen, ook als deze
ten uitvoer worden gelegd door medewerkers van DV&O, terwijl (de
directeur van) DV&O verantwoordelijk is voor de wijze waarop de
beveiligingsmaatregelen worden toegepast. In plaats van deze bevoegd-
heidsverdeling kies ik ervoor om de verantwoordelijkheden en bevoegd-
heden ten aanzien van het vervoer in het geheel via de Minister van
Veiligheid en Justitie bij DV&O te beleggen. De reden voor deze keuze is
dat ik hecht aan een eenduidig systeem, waarbij de bevoegdheden op één
plaats zijn belegd, zodat het voor alle betrokkenen steeds helder is wie er
verantwoordelijk is voor de aanwending daarvan. Ik acht dit ook in het
bijzonder van belang voor de rechtsbescherming van gedetineerden,
verpleegden en jeugdigen, voor wie het bij deze bevoegdheidsverdeling
helder is dat zij zich met alle grieven en klachten aangaande de
aanwending van bevoegdheden door medewerkers van DV&O tot (de
beklagcommissie voor het vervoer bij) DV&O kunnen wenden.
De keuze om de bevoegdheden ten aanzien van het vervoer in de praktijk
bij DV&O (en niet bij de directeur van de inrichting) te beleggen wordt
ingegeven door het feit dat beslissingen omtrent de toepassing daarvan
veelal in een concrete situatie tijdens het vervoer door medewerkers van
DV&O moeten worden genomen. Hoewel vooraf (op grond van
voorkennis over de betrokkene) bijvoorbeeld wel een aantal beveiligings-
maatregelen kunnen worden voorzien, vinden eventuele incidenten toch
vooral tijdens het vervoer plaats. De medewerkers van DV&O zullen op
dat moment moeten beslissen en handelen. Omdat de medewerkers van
DV&O niet in een hiërarchische gezagsverhouding staan ten opzichte van
de directeur van de inrichting is het voor deze laatste bovendien niet altijd
eenvoudig deze medewerkers aan te sturen of maatregelen te nemen
wanneer hij meent dat bevoegdheden incidenteel of structureel niet juist
worden uitgeoefend. Hij moet daarvoor in contact treden met de directeur
van DV&O. Eenvoudiger is het daarom om de bevoegdheden – via de
Minister van Veiligheid en Justitie – bij DV&O zelf te beleggen. De
gemaakte keuze voor het beleggen van de bevoegdheden bij DV&O vindt
steun in het veld.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 844, nr. 3                         4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>De bevoegdheid tot het opleggen van disciplinaire straffen in verband met
incidenten tijdens het vervoer zal blijven berusten bij de directeur
respectievelijk het hoofd van de inrichting (verder: de directeur). Op grond
van de artikelen 50 Pbw, 48 Bvt en 54 Bjj kan de directeur een disciplinaire
straf opleggen wanneer de gedetineerde, verpleegde of jeugdige is
betrokken bij feiten die onverenigbaar zijn met de orde of de veiligheid in
de inrichting dan wel met de ongestoorde tenuitvoerlegging van de
vrijheidsbeneming. Incidenten tijdens het vervoer vallen binnen deze
laatste categorie, zo heeft ook de beroepscommissie van de RSJ meerdere
malen overwogen. Het ligt voor de hand de strafbevoegdheid bij de
directeur of het hoofd van de inrichting te laten berusten, ook wanneer het
vervoer door DV&O wordt uitgevoerd. In de praktijk zal dit betekenen dat
de medewerker(s) van DV&O bij een incident schriftelijk verslag daarover
doen aan de directeur van de inrichting (zie artikel 50 Pbw, 48 Bvt of 54
Bjj). De directeur beslist op basis van dit verslag over een disciplinaire
straf. De belangrijkste reden om de strafbevoegdheid bij de directeur van
de inrichting te laten, is dat de straffen – ook wanneer deze worden
opgelegd naar aanleiding van een incident tijdens het vervoer – veelal
enkel in de inrichting, onder verantwoordelijkheid van de directeur, ten
uitvoer kunnen worden gelegd.
2.2.2 Commissie van toezicht voor het vervoer, beklag en beroep
Voor een goede rechtsbescherming van de gedetineerde, verpleegde en
jeugdige is het van belang dat er toezicht wordt gehouden op het vervoer
dat wordt uitgevoerd door DV&O en dat de betrokkene beklag en beroep
kan instellen tegen de bevoegdheden die jegens hem worden uitgeoefend
ten behoeve van het vervoer. Bij DV&O is reeds een commissie van
toezicht voor het vervoer ingesteld. Deze commissie van toezicht heeft
echter maar een beperkt aantal bevoegdheden. De commissie van toezicht
voert in de huidige situatie nog enkel de functies toezicht en advies uit. De
commissie van toezicht voor het vervoer kent op dit moment nog geen
beklagcommissie.
In dit wetsvoorstel krijgt de commissie van toezicht voor het vervoer
uitdrukkelijk een wettelijke grondslag. De commissie van toezicht voor het
vervoer krijgt een viertal taken, te weten toezicht houden op de uitvoering
van het vervoer door DV&O; kennisnemen van door de gedetineerde naar
voren gebrachte grieven dienaangaande; zorg dragen voor de behan-
deling van klaagschriften betreffende de aanwending van de bevoegdheid
tot onderzoek aan het lichaam en de toepassing van geweld en vrijheids-
beperkende middelen; en aan Onze Minister en de RSJ advies en
inlichtingen geven. Voor de behandeling van klaagschriften stelt de
commissie van toezicht voor het vervoer uit haar midden een beklagcom-
missie voor het vervoer in, waar geklaagd kan worden over de toepassing
van de bevoegdheid tot onderzoek aan het lichaam en de toepassing van
geweld en vrijheidsbeperkende middelen door medewerkers van DV&O.
Dat daarover bij DV&O geklaagd kan worden en niet langer bij de
inrichting, vloeit voort uit het feit dat deze bevoegdheden tijdens het
vervoer – namens de Minister van Veiligheid en Justitie – door de
directeur en medewerkers van DV&O worden uitgeoefend (zie paragraaf
2.2.1). Tegen de beslissing van de beklagcommissie voor het vervoer kan
beroep worden ingesteld bij de beroepscommissie van de RSJ conform
de in te voegen artikelen 71a Pbw, 68a Bvt en 76a Bjj. Disciplinaire straffen
worden opgelegd door de directeur van de inrichting (zie paragraaf 2.2.1),
waardoor daartegen beklag moeten worden ingesteld bij de commissie
van toezicht van de inrichting op grond van de artikelen 60 e.v. Pbw, 65
e.v. Bvt en 65 e.v. Bjj.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 844, nr. 3                         5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>De RSJ merkte in het eerdergenoemde advies betreffende het vervoer van
ingeslotenen op dat er ten aanzien van de uitvoering van het vervoer nog
een aantal knelpunten bestaat. Een belangrijk aandachtspunt is dat de
gedetineerde tijdens het vervoer niet altijd beschikt over voldoende eten
en drinken. Deze onderwerpen – die met name zien op de uitvoering van
het vervoer – worden nader uitgewerkt in de thans in voorbereiding zijnde
Regeling vervoer van justitiabelen. Deze regeling is van toepassing op
zowel het vervoer door DV&O als het vervoer door de inrichting. Hiermee
wordt tegemoetgekomen aan de aanbeveling van de RSJ om nadere
regels voor de uitvoering van het vervoer op te nemen in een ministeriële
regeling.
3. Medisch klachtrecht
Het medisch klachtrecht is thans opgenomen in hoofdstuk 7 (artikelen 28
tot en met 34) van de Penitentiaire maatregel (verder: Pm) respectievelijk
in hoofdstuk 10 (artikelen 55 tot en met 61) van het Reglement justitiële
jeugdinrichtingen (verder: Rjj). Naar hedendaagse opvatting dient het
beroepsrecht – en dus ook het beroep tegen medisch handelen – te
worden geregeld op het niveau van de wet in formele zin. Dit biedt niet
alleen een betere rechtsbescherming, omdat er een zwaardere procedure
voor wijziging van de klachtregeling geldt, maar bovendien wordt de
kenbaarheid van het medisch klachtrecht vergroot wanneer deze bij de
andere beklag- en beroepsregelingen in de Pbw en de Bjj wordt geplaatst.
Voorgesteld wordt de regeling zoals die thans is opgenomen in de Pm en
de Rjj over te hevelen naar de Pbw respectievelijk de Bjj. Daarbij worden
enkele wijzigingen aangebracht ten opzichte van de huidige regeling. De
belangrijkste wijziging betreft de codificatie van de reeds bestaande
praktijk van «voorbemiddeling» op inrichtingsniveau, die hieronder
besproken zal worden. Zie voor de overige wijzigingen (van onderge-
schikte en veelal redactionele aard) de artikelsgewijze toelichting op de
voorgestelde artikelen 71b tot en met 71f Pbw (artikel I, onder R).
Het medisch klachtrecht in de Pbw vormt, evenals voorheen, een lex
specialis ten opzichte van het klachtrecht in de reguliere zorgwetgeving. In
de Wet klachtrecht cliënten zorgsector is de plicht opgenomen voor de
zorgaanbieder om een klachtregeling op te stellen die aan bepaalde eisen
voldoet. In de Pbw is er echter reeds in het verleden voor gekozen de
klachtprocedure in een algemene regeling vast te leggen, aanvankelijk in
een algemene maatregel van bestuur en thans in een wet in formele zin,
opdat binnen het gehele gevangeniswezen dezelfde klachtprocedure
geldt. Dit houdt verband met de bijzondere positie van gedetineerden, die
in belangrijke mate afhankelijk zijn van de door of namens de penitentiaire
inrichting aangeboden zorg en met het feit dat de Minister van Veiligheid
en Justitie, die het opperbeheer heeft over de penitentiaire inrichtingen,
eindverantwoordelijkheid draagt voor de gang van zaken in de peniten-
tiaire inrichtingen en dus ook voor de aldaar verleende zorg. In het thans
bij de Eerste Kamer aanhangige wetsvoorstel houdende regels ter
bevordering van de kwaliteit van zorg en de behandeling van klachten en
geschillen in de zorg (Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg) (Kamer-
stukken I 2012/13, 32 402, E) – die de Wet klachtrecht cliënten zorgsector
zal ontvangen – zal tot uitdrukking worden gebracht dat de klachtregeling
in die wet niet van toepassing is in penitentiaire inrichtingen. Zie daarvoor
de artikelsgewijze toelichting bij artikel IV.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 844, nr. 3                         6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>In de Pm en de Rjj is thans voorzien in een centrale bemiddelingspro-
cedure bij de Medisch Adviseur bij het Ministerie van Veiligheid en
Justitie. De achterliggende gedachte was via een laagdrempelige
procedure de klachten van gedetineerden en jeugdigen op snelle en
informele wijze door bemiddeling tot een oplossing te brengen. De
bemiddelingsprocedure voldoet al enige jaren niet meer aan dit doel, zo
concludeerden de Medisch Adviseur en de RSJ in hun adviezen over het
medisch klachtrecht4. De oorzaak was onder andere de sterke groei van
het aantal medische klachten. Hierdoor werd de afhandeling van de
klachten zodanig vertraagd dat geen sprake meer was van een efficiënte
bemiddeling. Door het aanzienlijke tijdsbeslag van de procedure kwam
het met enige regelmaat voor dat het probleem waarover geklaagd werd
niet meer speelde of dat de klager zich niet meer in detentie bevond of
was overgeplaatst. Dit vormde aanleiding voor de RSJ om aan te bevelen
de bemiddeling op inrichtingsniveau te doen plaatsvinden. Per 1 mei 2011
is gestart met een nieuwe werkwijze inzake bemiddeling, die met dit
wetsvoorstel zal worden gecodificeerd. De nieuwe werkwijze valt uiteen in
drie fases die hieronder kort uiteen worden gezet.
Fase 1: voorbemiddeling
De klacht van de gedetineerde of jeugdige komt binnen bij een door de
directeur aangewezen ambtenaar of medewerker. Dit zal in beginsel
degene zijn die in de praktijk de leiding heeft over de medische dienst
(verder: het hoofd zorg; zie ook de artikelsgewijze toelichting op het
voorgestelde artikel 71c Pbw). Het hoofd zorg spreekt met de klager en
brengt zo nodig de klager en beklaagde met elkaar in contact. Het
resultaat hiervan kan zijn dat het probleem wordt opgelost en dat de
betrokkene de klacht intrekt. Dit zal voornamelijk voorkomen bij het niet
onaanzienlijke deel van de klachten die samenhangen met misverstanden
in de communicatie tussen inrichtingsarts en gedetineerde of jeugdige.
Het hoofd zorg maakt een verslag op van het gesprek dat hij met de klager
heeft gevoerd.
Wanneer het probleem – naar het oordeel van de gedetineerde of
jeugdige – niet naar tevredenheid is opgelost, kan hij zijn klacht voort-
zetten. In dit geval zendt het hoofd zorg de klacht en het verslag van het
gesprek door naar de Medisch Adviseur. Het kan ook zo zijn dat de
gedetineerde of jeugdige geen gebruik wil maken van de voorbemid-
deling. In dat geval wordt de klacht (direct) doorgezonden naar de
Medisch Adviseur. Indien dit wenselijk is, kan de klager in de gelegenheid
worden gesteld een toelichting te geven op het besluit om de klacht niet
in te trekken respectievelijk het besluit om geen gebruik te maken van de
voorbemiddeling. De betrokkene is niet verplicht deze toelichting te geven
en de beslissing tot voortzetting van de klacht respectievelijk de beslissing
tot het afzien van voorbemiddeling is en blijft aan de gedetineerde of
jeugdige.
Door de voorbemiddeling wordt tegemoetgekomen aan de wens om een
efficiënte procedure waarbij een snelle reactie op een klacht van een
gedetineerde of jeugdige kan worden gegeven. De voorbemiddeling
draagt zo bij aan een betere rechtsbescherming voor de betrokkene.
Daarnaast wordt door het hoofd zorg bij het klachtproces te betrekken
bereikt dat deze daardoor een beter beeld krijgt van de kwaliteit van de
zorgverlening in de inrichting. Ook heeft deze werkwijze als voordeel dat
4
  Zie het rapport «Uitvoeringsadvies klachtenbemiddeling» van de Medisch Adviseur van
  9 maart 2009 en het briefadvies van de RSJ «Bemiddeling inzake medische klachten» van
  15 september 2009.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 844, nr. 3                                     7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>worden gesteld om een oplossing voor de klacht te vinden. Het lokale
management krijgt een beter inzicht in de klachten en kan naar aanleiding
daarvan verbeteringen doorvoeren.
Fase 2: bemiddeling
Het hoofd zorg zal de klacht van de gedetineerde of jeugdige met het
verslag van het gesprek naar de Medisch Adviseur bij het Ministerie van
Veiligheid en Justitie zenden. Deze zal vervolgens bemiddelen op de
gebruikelijke wijze (zie de huidige artikelen 29 Pm en 56 Rjj en de daarmee
inhoudelijk overeenkomende voorgestelde artikelen 71c Pbw en 76c Bjj).
De bemiddeling ten aanzien van de klacht speelt zich af tussen de klager,
de arts en de Medisch Adviseur.
In de praktijk is gebleken dat bemiddeling door de Medisch Adviseur ook
na de voorbemiddeling op inrichtingsniveau nog steeds een meerwaarde
heeft. In de eerste plaats is de Medisch Adviseur niet verbonden aan de
inrichting, waardoor hij met meer afstand naar de klacht kan kijken. Bij
hoogoplopende conflicten, maar ook bij minder ernstige klachten, is
gebleken dat het voor een oplossing van de klacht van belang kan zijn dat
een onafhankelijke partij naar de klacht kijkt en tracht partijen nader tot
elkaar te brengen. Bovendien heeft de Medisch Adviseur ervaring met
bemiddeling bij verschillende soorten klachten en heeft hij meer zicht op
de medische verzorging in verschillende inrichtingen. Daarnaast is in de
praktijk gebleken dat nog steeds een niet onaanzienlijk deel van de
klachten door bemiddeling door de Medisch Adviseur wordt opgelost.
Sinds is gestart met de voorbemiddeling per 1 mei 2011 komen minder
klachten bij de Medisch Adviseur. Met name de klachten die verband
houden met communicatieve misverstanden kunnen veelal reeds bij de
voorbemiddeling worden opgelost. Van de klachten die nog wel
doorstromen naar de Medisch Adviseur wordt in een aanzienlijk deel
succesvol bemiddeld.
Beklagcommissie bij de commissie van toezicht
Als het hoofd zorg of de Medisch Adviseur meent dat de klacht geen
medisch handelen betreft, kan hij de klacht doorsturen naar de beklag-
commissie, zodat de klacht volgens de «reguliere» klachtprocedure van
artikel 60 e.v. Pbw respectievelijk 65 e.v. Bjj kan worden behandeld. Een
voorbeeld zijn klachten over de organisatie van de medische zorg. De
directeur van de inrichting is daarvoor verantwoordelijk, waardoor via de
klachtregeling van artikel 60 e.v. Pbw onderscheidenlijk 65 e.v. Bjj dient te
worden geklaagd en niet via de bemiddelingsprocedure bij de Medisch
Adviseur. Ook over beslissingen van de directeur om door de inrich-
tingsarts onderzoek in het lichaam van een gedetineerde of jeugdige te
laten verrichten of om bepaalde geneeskundige handelingen onder
dwang te laten toepassen kan niet via het medisch klachtrecht worden
geklaagd, maar alleen via de reguliere klachtprocedure. Een gedetineerde
of jeugdige kan wel via de medische klachtprocedure klagen over de
indicatiestelling van de arts dat een geneeskundige handeling onder
dwang noodzakelijk is of de manier waarop de inrichtingsarts de door de
directeur bevolen medische handeling (waaronder het onderzoek in het
lichaam) uitvoert.
Fase 3: beroep
Na de bemiddeling door de Medisch Adviseur is beroep bij een speciale
beroepscommissie van de RSJ mogelijk. De procedure komt in grote
lijnen overeen met de beroepsprocedure in hoofdstuk XII van de Pbw
Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 844, nr. 3                          8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>de klachten is voor de beroepscommissie een vaste samenstelling
verplicht. Deze dient te bestaan uit één jurist en twee artsen (bij klachten
over de tandarts ligt het voor de hand dat in ieder geval één van deze
artsen wordt vervangen door een tandarts; bij klachten over de psychiater
zal in ieder geval één van de artsen in de beroepscommissie tevens
psychiater zijn). De beroepscommissie toetst achteraf of de gedraging van
de arts juist is geweest. De klacht zal worden getoetst aan de gezond-
heidsregelgeving in combinatie met de penitentiaire wet- en regelgeving.
De beroepscommissie kan de arts geen opdracht geven een bepaalde
behandeling aan de gedetineerde of jeugdige te bieden. Wanneer er
immers een opdracht tot het geven van een bepaalde behandeling zou
worden gegeven, zou de medische verantwoordelijkheid voor de
behandeling van de betrokken gedetineerde overgaan op de beroepscom-
missie. Ik acht dat onwenselijk. De verantwoordelijkheid voor de medische
behandeling van een gedetineerde blijft bij de inrichtingsarts. Indien de
beroepscommissie tot het oordeel komt dat de klacht geheel of gedeel-
telijk gegrond is, kan de beroepscommissie een geldelijke tegemoet-
koming bepalen.
4. Enige andere onderwerpen betreffende de Penitentiaire
beginselenwet
4.1 Aanwijzen plaatsvervangend-directeur
Een penitentiaire inrichting staat onder leiding van een vestigings-
directeur. Naast de vestigingsdirecteur, die de leiding heeft over de
verschillende locaties waaruit een penitentiaire inrichting bestaat, worden
vaak enkele plaatsvervangers aangewezen die de opdracht hebben leiding
te geven aan een van de locaties (verder: de locatie-plaatsvervangers).
Een plaatsvervangend directeur heeft dezelfde bevoegdheden als de
vestigingsdirecteur. Daarnaast kan het in de praktijk wenselijk zijn
bepaalde personen uit het managementteam van de vestiging, zoals een
hoofd veiligheid, als plaatsvervangend-directeur aan te wijzen, zodat deze,
bij afwezigheid van de directeur of diens plaatsvervanger, de bevoegdheid
tot het opleggen van ordemaatregelen en disciplinaire straffen kan
uitoefenen. Dit is nodig om het vierentwintiguurskarakter van de
penitentiaire inrichting te kunnen waarborgen. Voorkomen moet worden
dat er hiaten ontstaan in de mogelijkheid ordemaatregelen en disciplinaire
straffen op te leggen, doordat de vestigingsdirecteur en diens locatie-
plaatsvervanger nu eenmaal niet vierentwintig uur per dag, zeven dagen
per week, driehonderdvijfenzestig dagen per jaar aanwezig kunnen zijn.
Het op ieder moment kunnen uitoefenen van de bevoegdheden is immers
van groot belang voor de handhaving van de orde en veiligheid op de
verschillende locaties waaruit een vestiging bestaat. Er bestaat daarom in
de praktijk behoefte aan de mogelijkheid een plaatsvervanger aan te
wijzen die slechts bevoegd is bij afwezigheid van de directeur en diens
locatie-plaatsvervanger disciplinaire straffen en ordemaatregelen op te
leggen. Omdat er in de praktijk onduidelijkheden zijn ontstaan over in
hoeverre de Pbw daartoe ruimte biedt, wordt voorgesteld in artikel 3,
vierde lid, van de Pbw te verduidelijken dat een functionaris ook kan
worden aangewezen als plaatsvervangend directeur in verband met de
uitoefening van bepaalde, eventueel in het aanwijzingsbesluit nader in te
kaderen, bevoegdheden bij afwezigheid van de (plaatsvervangend)
directeur. Functionarissen die een dergelijke aanwijzing als plaatsver-
vanger krijgen, zullen in beginsel personen zijn die behoren tot het
managementteam van de inrichting. Het zal – binnen de huidige organisa-
tiestructuur – veelal gaan om een hoofd veiligheid of een afdelingshoofd.
Beide functionarissen hebben een aansturende functie binnen de
inrichting en zijn rechtstreeks ondergeschikt aan de directeur; er zitten
Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 844, nr. 3                          9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>en de directeur. Zowel het hoofd veiligheid als het afdelingshoofd hebben
een aansturende functie richting ander personeel en zijn verantwoordelijk
voor het klimaat op de leefafdeling(en). De beslissingsbevoegdheid wordt
daarmee ingebed in de bredere verantwoordelijkheid die deze functiona-
rissen dragen voor het functioneren van de afdeling(en). Bovendien staan
zij op voldoende, zakelijke, afstand tot de gedetineerde om de afwegingen
te kunnen maken die de uitoefening van deze bevoegdheden vereist. In
het aanwijzingsbesluit tot plaatsvervanger, dat afkomstig is van de
Minister van Veiligheid en Justitie, wordt vastgelegd dat de plaatsver-
vanger zijn bevoegdheden slechts kan uitoefenen bij afwezigheid van de
directeur en de locatie-plaatsvervanger of indien geen van beide in de
gelegenheid is zelf de taak uit te oefenen. Bij dit laatste kan worden
gedacht aan de afwezigheid van de directeur in verband met een
dienstreis. Ook wordt steeds in het aanwijzingsbesluit vastgelegd dat de
plaatsvervanger een cursus detentierecht moet volgen en dat hij de
opgelegde straffen en maatregelen bespreekt met de directeur. Deze
laatste informatieverplichting moet worden bezien tegen de achtergrond
van de eindverantwoordelijkheid van de directeur voor de uitoefening van
deze bevoegdheden. Gelet op deze eindverantwoordelijkheid kan de
directeur de beslissingen genomen door zijn plaatsvervanger ook
terugdraaien of wijzigen.
4.2 Penitentiaire inrichting
De vraag of sprake is van een penitentiaire inrichting is van belang om te
bepalen wie bevoegd is de beslissing tot overplaatsing te nemen. Voor de
beslissing tot overplaatsing binnen een penitentiaire inrichting (interne
overplaatsing) is de directeur bevoegd. Voor de beslissing tot
overplaatsing van de ene naar de andere penitentiaire inrichting (externe
overplaatsing) is de Minister van Veiligheid en Justitie (namens hem de
selectiefunctionaris) bevoegd.
Uit het huidige artikel 3, eerste lid, juncto artikel 1, eerste lid, onder b, Pbw
volgt dat een penitentiaire inrichting een inrichting is die als zodanig door
de Minister van Veiligheid en Justitie is aangewezen. De RSJ heeft op
basis van de wetsgeschiedenis geoordeeld dat percelen op locaties in
verschillende plaatsen niet kunnen worden aangemerkt als één peniten-
tiaire inrichting, ook niet wanneer zij als zodanig zijn aangewezen door de
Minister van Veiligheid en Justitie. Zie bijvoorbeeld RSJ 24 januari 2006,
05/1915/GA. Deze interpretatie van het begrip penitentiaire inrichting doet
niet langer recht aan de huidige situatie.
Met de invoering van een nieuwe organisatiestructuur in het gevangenis-
wezen per 1 juli 2010 is een aantal managementlagen verdwenen,
waaronder de locatie- en de unitdirecteuren die voorheen de directeursbe-
voegdheden uit de Pbw uitoefenden. De directeursbevoegdheden worden
thans uitgeoefend door de vestigingsdirecteur, die de leiding kan hebben
over meerdere locaties. Anders dan de vroegere locatie- of unitdirecteur,
heeft de vestigingsdirecteur een goed overzicht over de verschillende
locaties die onder zijn vestiging vallen. Dit stelt hem in staat een goede
afweging te maken over de wenselijkheid een gedetineerde intern van de
ene naar de andere locatie over te plaatsen. Bovendien staat de vesti-
gingsdirecteur op een grotere afstand ten opzichte van de inrichting en de
individuele gedetineerde dan de vroegere unit- of locatiedirecteur,
waardoor hij objectief een afweging kan maken. Indien de overplaatsing
betekent dat de gedetineerde wordt overgeplaatst naar een andere
(woon)plaats, dan zal dit steeds onderdeel zijn van de afweging van de
directeur. Als het voornemen bestaat een gedetineerde over te plaatsen
naar een andere locatie binnen de inrichting dan moet de directeur
alvorens de beslissing daartoe te nemen, de gedetineerde horen (zie het
Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 844, nr. 3                             10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>is, kan een gedetineerde ook worden gehoord over een overplaatsing
binnen dezelfde locatie.
Om te waarborgen dat een gedetineerde niet kan worden overgeplaatst
naar een andere regio zonder tussenkomst van de Minister van Veiligheid
en Justitie is in het voorstelde artikel 3 Pbw, eerste lid, bepaald dat de
verschillende locaties die een penitentiaire inrichting vormen binnen
hetzelfde arrondissement dienen te liggen. Bij een bovenarrondisse-
mentale overplaatsing kunnen gedetineerden ver buiten hun sociale
omgeving (de regio waarin de betrokkene woonde voordat hij gedetineerd
raakte of de omgeving waarin hij na zijn resocialisatietraject terug zal
keren) worden geplaatst. De overplaatsing van het ene arrondissement
naar het andere kan daarmee voor de gedetineerde bijzonder ingrijpend
zijn, waardoor de tussenkomst van de Minister van Veiligheid en Justitie
aangewezen is.
Tegen de beslissing tot interne overplaatsing staat beklag- en beroep open
op grond van de «reguliere» klachtprocedure van artikel 60 e.v. Pbw,
aangezien het gaat om een beslissing van de directeur. Tegen de
beslissing van de Minister van Veiligheid en Justitie (namens hem de
selectiefunctionaris) tot overplaatsing kan bezwaar worden gemaakt op
grond van artikel 17 Pbw. Daarmee blijft het uitgangspunt gelden dat
gedetineerden kunnen opkomen tegen overplaatsing naar zowel een
bepaalde plaats (beklag; artikel 60 Pbw) als een bepaald arrondissement
(bezwaar; artikel 17 Pbw).
4.3 Experimenteerbepaling
Vormgeving en parlementaire controle
Voorgesteld wordt een experimenteerbepaling op te nemen in de Pbw.
Met een dergelijke bepaling kan worden ingespeeld op nieuwe ontwikke-
lingen in het veld. De uitvoering van pilotprojecten is in veel gevallen
mogelijk binnen bestaande wettelijke kaders. Vanuit een oogpunt van
rechtsbescherming van de gedetineerde verdient het echter de voorkeur
om voor de uitvoering van dergelijke pilotprojecten een expliciete
wettelijke basis te creëren. Dit is in het bijzonder het geval waar de
uitvoering van experimentele projecten mogelijk leidt tot beperkingen van
in de Pbw gegeven rechten. Een dergelijke beperking kan slechts de
resultante te zijn van een zorgvuldige afweging van alle in het geding
zijnde belangen, waaronder in hoeverre de beperking gerechtvaardigd is
in het licht van de relevante grondrechten. Om een dergelijke afweging in
alle gevallen dat een proefproject wordt overwogen te waarborgen, is
gekozen voor een experimenteerbepaling met behoud van parlementaire
controle. Deze krijgt vorm door in het voorgestelde artikel 77a Pbw een
wettelijke basis voor een tijdelijke algemene maatregel van bestuur op te
nemen. Bij of krachtens deze maatregel van bestuur kan tijdelijk van de
bepalingen van de Pbw worden afgeweken. Het kan enkel gaan om
afwijking van de in artikel 77b genoemde bepalingen voor de aldaar
genoemde doelen. Door de voorgestelde voorhangprocedure voor de
algemene maatregel van bestuur waarin het proefproject wordt
opgenomen, wordt parlementaire betrokkenheid gewaarborgd. Bovendien
zendt de Minister van Veiligheid en Justitie ten minste drie maanden voor
het einde van de werkingsduur van de algemene maatregel van bestuur
aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de
effecten van het experiment in de praktijk. Wellicht ten overvloede merk ik
op dat het steeds gaat om een tijdelijke regeling ten behoeve van een
experiment. Indien tijdens of na afloop van de experimenteerfase
Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 844, nr. 3                        11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>dan zal een voorstel tot wetswijziging volgen.
Doelen
Het voorgestelde artikel 77b Pbw maakt in de eerste plaats tijdelijke
afwijking mogelijk van de artikelen 8 tot en met 10 van de Pbw. Hierdoor
wordt het mogelijk gemaakt dat bepaalde doelgroepen gezamenlijk op
een afdeling kunnen verblijven of gezamenlijk aan activiteiten kunnen
deelnemen. In de tweede plaats wordt afwijking mogelijk gemaakt van
artikel 13 Pbw. In dat artikel worden de voorschriften gegeven die de
beveiligingsniveaus van de inrichtingen regelen. Ik acht het denkbaar dat
toekomstige ontwikkelingen het op één afdeling verblijven van verschil-
lende doelgroepen of een verdergaand of ander onderscheid tussen
beveiligingsniveaus wenselijk maken. Daarnaast kan ook gedacht worden
aan een meer persoonsgericht beveiligingsniveau in plaats van een
beveiligingsniveau per inrichting of afdeling. Ik wil het mogelijk maken
tijdelijke proefprojecten op te zetten om de wenselijkheid daarvan nader
te bekijken. Ook kan worden afgeweken van artikel 44, tweede lid, Pbw. In
dat artikel wordt bepaald dat de gedetineerde het recht heeft op het
dragen van zijn eigen kleding en schoeisel. Uitzonderingen hierop worden
slechts mogelijk geacht indien het dragen van eigen schoeisel of kleding
gevaar oplevert voor de orde of veiligheid in de inrichting. Ik acht het
wenselijk op deze uitgangspunten verdere uitzonderingen mogelijk te
kunnen maken indien dit dienstig is aan de voorkoming van ordever-
storend gedrag of aan het structureel bevorderen van de orde of
veiligheid binnen de inrichting. Bij een dergelijke uitzondering kan worden
gedacht aan het dragen van door de inrichting voorgeschreven kleding en
schoeisel. Proefprojecten kunnen nodig zijn om te bezien of de voorge-
nomen maatregelen ook daadwerkelijk aan de eerdergenoemde doelen
bijdragen. Artikel 77b, onder d, maakt het mogelijk ten behoeve van een
proefproject af te wijken van artikel 47 Pbw, welk artikel ziet op de
penitentiaire arbeid. Afwijking wordt mogelijk indien het proefproject de
resocialisatie van de gedetineerde tot doel heeft. Daarbij kan gedacht
worden aan de verdere «normalisatie» van de penitentiaire arbeid. Met dit
laatste wordt bedoeld dat het werken in detentie zo veel mogelijk moet
lijken op het werken op de arbeidsmarkt. Tenslotte bevat het voorgestelde
artikel 77b een verwijzing naar de artikelen 59a en 71c Pbw, waarmee
tijdelijke uitzonderingen mogelijk zijn op de regeling van de bemiddelings-
procedure. Ik wil daarmee proefprojecten die kunnen leiden tot mogelijke
verbetering in de bemiddelingsprocedure – zoals we recent hebben gezien
bij de «voorbemiddeling» in het medisch klachtrecht (zie hoofdstuk 3
hierboven) – stimuleren.
De precieze invulling van een concreet proefproject en de nadere
inkadering van de daarmee beoogde doelen, zullen in de ten behoeve van
dat proefproject opgestelde algemene maatregel van bestuur nader
worden uitgewerkt. Middels een «voorhangprocedure» wordt deze
algemene maatregel van bestuur aan de Tweede en Eerste Kamer
voorgelegd.
5. Adviezen5
Een concept van het wetsvoorstel is voorgelegd aan de Nederlandse
Vereniging voor rechtspraak (NVvR), de Raad voor de rechtspraak (Rvdr),
de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA), het openbaar ministerie
(OM) en de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ).
5
  Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer
Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 844, nr. 3                      12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>gegeven tot opmerkingen.
Op de opmerkingen van de RSJ en de NVvR zal ik hieronder ingaan. Ik zal
beide adviezen afzonderlijk bespreken, waarbij ik zal beginnen met het
advies van de RSJ.
5.1 Advies RSJ
De RSJ heeft bij verschillende onderdelen van het wetsvoorstel opmer-
kingen gemaakt. In mijn reactie zal ik de volgorde uit het advies van de
RSJ aanhouden.
Experimenteerbepaling
De RSJ heeft aangegeven het belang te zien van experimenten of pilots,
maar kan zich niet vinden in de in dit wetsvoorstel voorgestelde experi-
menteerbepaling die zal worden ingevoegd in de Pbw (zie artikel I, onder
T). In reactie daarop wil ik vooropstellen dat de in dit wetsvoorstel
opgenomen experimenteerbepaling in overeenstemming is met de
Aanwijzingen voor de regelgeving (de aanwijzingen 10a en 10b) en dat in
andere wetgeving soortgelijke experimenteerbepalingen zijn opgenomen.
Als voorbeeld noem ik de artikelen 80a en 80b Bjj. In het advies bij het
wetsvoorstel dat in de invoeging van deze experimenteerbepalingen in de
Bjj voorzag, heeft de RSJ aangegeven zich te kunnen vinden in een
dergelijke bepaling, mits de uitzonderingen die kunnen worden gemaakt
op de wettelijke bepalingen zorgvuldig zijn geformuleerd6. Gelet op het
feit dat de in dit wetsvoorstel voorgestelde bepalingen in belangrijke mate
overeen komen met de experimenteerbepalingen in de Bjj, bevreemdt de
huidige kritiek van de RSJ mij dat de Raad de bepaling «principieel
onjuist» acht. Hetzelfde geldt voor de opmerking van de RSJ dat de
voorgestelde experimenteerbepaling tot rechtsonzekerheid en willekeur
zou leiden. Het opnemen van een wettelijke grondslag voor pilots en
experimenten verdient mijns inziens juist vanuit een oogpunt van
rechtsbescherming van de gedetineerde de voorkeur. Dit is in het
bijzonder het geval waar de uitvoering van experimentele projecten
mogelijk leidt tot beperkingen van in de Pbw gegeven rechten. Bovendien
is de regeling tijdelijk en zal – indien na afloop van de experimenteerfase
geoordeeld wordt dat voortzetting van de nieuwe werkwijze wenselijk is –
de wet moeten worden gewijzigd. Tevens is voorzien in parlementaire
controle middels een voorhangprocedure en een plicht om een verslag
over de doeltreffendheid en effecten van het experiment in de praktijk aan
de Staten-Generaal te zenden. Ik benadruk ook dat de bepalingen waarvan
mag worden afgeweken en de doelen waartoe, op het niveau van wet in
formele zin omschreven zijn. Doordat het experiment in een algemene
maatregel van bestuur is opgenomen is voor iedereen kenbaar welke
proefprojecten er zijn en hoe deze ingericht zijn.
Aanpassingen inzake het vervoer
De RSJ stemt in met het regelen van de bevoegdheden en verantwoorde-
lijkheden betreffende het vervoer. De RSJ geeft aan het evenwel een
gemiste kans te vinden dat niet al het vervoer is geregeld in één wetge-
vingstraject. Zij wijzen op het vervoer dat wordt uitgevoerd door DV&O in
opdracht van het openbaar ministerie of de (parket)politie. Ik hoop de RSJ
op dit punt gerust te kunnen stellen. Voor zover vervoer van gedeti-
neerden, verpleegden of jeugdigen wordt uitgevoerd door DV&O ziet de
commissie van toezicht voor het vervoer bij DV&O daarop toe, ongeacht
6
  Zie het advies van de RSJ p. 14; zie de bijlage bij Kamerstukken II 2008/09, 31 915, nr. 3.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 844, nr. 3                                           13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>immers van het vervoer door Onze Minister en niet in opdracht van Onze
Minister.
In reactie op de vraag van de RSJ naar de gevolgen voor de praktijk, merk
ik op dat slechts sprake is van het overhevelen van bevoegdheden van de
directeur van de inrichting naar de Minister van Veiligheid en Justitie. Dit
betekent dat er dus geen nieuwe of extra bevoegdheden zullen worden
ingezet. De verwachting is dan ook dat het aantal beklagzaken als gevolg
van dit voorstel niet zal toenemen, maar enkel door een andere beklag-
commissie, de beklagcommissie bij DV&O zal worden afgehandeld.
De bevoegdheidsverdeling t.a.v. de toepassing van vrijheidsbeperkende
middelen tijdens het vervoer
De RSJ geeft aan het geen gelukkige keuze te vinden dat de bevoegd-
heden tot toepassing van geweldsmiddelen – via de Minister van
Veiligheid en Justitie – bij DV&O worden belegd. In reactie hierop merk ik
op dat de thans voorgestelde regeling is gebaseerd op hetgeen in een
2012 door de RSJ uitgebracht advies over het vervoer van ingeslotenen
wordt opgemerkt: «De directeur moet niet verantwoordelijk worden
gehouden voor de wijze waarop de vervoerders de beveiligingsmaatre-
gelen toepassen. De Raad is van oordeel dat de vervoerders zelf verant-
woordelijk moeten zijn voor het inspelen op de bij de aanvraag door de
inrichtingsdirecteur vermelde bijzonderheden, de wijze van toepassing
van de door de directeur aangewezen beveiligingsmaatregelen en de
beveiligingsmaatregelen die de vervoerder onderweg zelf besluit te
nemen (...)»7. Zie voor een nadere onderbouwing van mijn keuze om de
bevoegdheden aangaande het vervoer bij DV&O te beleggen paragraaf
2.2.1 van deze memorie van toelichting.
De RSJ meent dat het advies van de directeur van de inrichting over de
toepassing van beveiligingsmaatregelen tijdens het vervoer zwaar moet
wegen. Met de RSJ ben ik van mening dat de directeur van de inrichting
de medewerkers van DV&O van een goed advies kan voorzien over de toe
te passen beveiligingsmaatregelen; de directeur kent de betrokkene en is
op de hoogte van bijzonderheden. Anders dan de RSJ meen ik echter dat
de uiteindelijke beslissingsbevoegdheid, ook in verband met een goede
rechtsbescherming van de gedetineerde, verpleegde en jeugdige, moet
berusten bij één verantwoordelijke, namelijk DV&O. Voor een nadere
toelichting verwijs ik naar paragraaf 2.2.1 hierboven.
Voor zover de RSJ adviseert dat van de toepassing van beveiligingsmaat-
regelen (door DV&O) steeds een schriftelijk verslag moet worden
opgemaakt, verwijs ik naar de artikel 35, derde lid, Pbw, 30, derde lid, Bvt
en 40, derde lid, Bjj, waaruit deze verplichting reeds volgt.
Schorsing en bemiddeling tijdens vervoer
De RSJ geeft aan bezwaar te hebben tegen het uitsluiten van de
mogelijkheid tot schorsing en de mogelijkheid tot bemiddeling bij vervoer,
omdat er gevallen zijn waarin deze mogelijkheden ook bij het vervoer
meerwaarde kunnen hebben. De RSJ gaat in zijn advies echter voorbij aan
het feit dat beklag bij DV&O niet kan worden ingesteld tegen de beslissing
tot vervoer, maar tegen de beslissingen tijdens het vervoer genomen. Dit
betekent dat daartegen per definitie pas achteraf, dat wil zeggen na afloop
van het vervoer, kan worden opgekomen. Daarmee is het praktisch niet
mogelijk een schorsingsverzoek in te dienen om te voorkomen dat een
bepaalde bevoegdheid tijdens het uitvoer wordt uitgeoefend. Ook de
mogelijkheid tot bemiddeling stuit op ernstige praktische bezwaren.
7
  Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, Het vervoer van ingeslotenen en
  hun goederen, advies van 25 juni 2012, p. 54–55.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 844, nr. 3                                       14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>inrichtingen. De beklagcommissie bij DV&O behandelt derhalve ook
klaagschriften vanuit alle justitiële inrichtingen. Het is praktisch niet
uitvoerbaar dat een lid van de commissie van toezicht van DV&O (samen
met de directeur DV&O) steeds afreist naar een inrichting of dat een
gedetineerde, verpleegde of jeugdige steeds naar DV&O wordt vervoerd
ten behoeve van een bemiddelingsprocedure.
Vrijheidsbeperkende maatregelen tijdens het vervoer
De RSJ beveelt aan de eis uit de Ambtsinstructie voor de politie en
koninklijke marechaussee dat de ambtenaar die gebruik heeft gemaakt
van handboeien dit schriftelijk en onder vermelding van de reden die tot
dat gebruik heeft geleid, aan zijn meerdere moet melden, nader uit te
werken in de (momenteel in voorbereiding zijnde) Regeling vervoer van
justitiabelen. In reactie daarop merk ik op dat een dergelijke verplichting
reeds is neergelegd in de artikelen 35, derde lid, Pbw, 30, derde lid, Bvt en
40, derde lid, Bjj.
De RSJ beveelt aan in het voorgestelde artikel 30, derde lid, Bvt (zie artikel
II, onder G) op te nemen dat de Minister slechts bevoegd is jegens een
verpleegde geweld te gebruiken of vrijheidsbeperkende middelen aan te
wenden «ten behoeve van het vervoer».
Het voorgestelde artikel 30, derde lid, Bvt is gelijkluidend aan het huidige
artikel 35, tweede lid, Pbw. Uit het artikel volgt reeds dat de Minister van
Veiligheid en Justitie slechts bevoegd is te beslissen tot de toepassing van
geweld of vrijheidsbeperkende middelen indien dit noodzakelijk is ter
uitvoering van een door hem genomen beslissing of ter voorkoming van
het zich onttrekken van de verpleegde aan het op hem uitgeoefende
toezicht. Gelet op de bevoegdheden en verantwoordelijkheden die de
Minister van Veiligheid en Justitie heeft op grond van de Bvt, zal het in
hoofdzaak gaan om de (over)plaatsing en het vervoer van de verpleegde.
Fouilleren van de ingeslotene voor, tijdens en na het vervoer
De RSJ merkt in zijn advies op dat de ingeslotene op basis van de
voorgestelde wettekst twee keer kort achtereen kan worden gefouilleerd:
één keer door de inrichting en nog een keer door DV&O voordat hij het
voertuig instapt. Bij binnenkomst in de ontvangende inrichting zou de
ingeslotene opnieuw kunnen worden gefouilleerd. Met de RSJ ben ik van
mening dat in beginsel kan worden volstaan met één onderzoek aan
lichaam en kleding voorafgaande aan het vervoer. In de voorgenomen
Regeling vervoer van justitiabelen zal worden bepaald dat de vervoerder
het onderzoek aan lichaam en kleding zal uitvoeren. Overigens kan het in
voorkomende gevallen wel noodzakelijk zijn dat betrokkene meerdere
malen tijdens het vervoer of zowel voorafgaande aan het vervoer als bij
aankomst bij de ontvangende inrichting wordt gefouilleerd, bijvoorbeeld
omdat hij tijdens het vervoer in aanraking is gekomen met anderen.
Toepassen van maatwerk bij vervoer
Overeenkomstig het advies van de RSJ zullen in de in voorbereiding
zijnde Regeling vervoer van justitiabelen bepalingen worden opgenomen
over het vervoeren van jeugdigen en volwassenen en mannen en
vrouwen en bepalingen over de wijze waarop rekening wordt gehouden
met lichamelijke beperkingen of klachten van te vervoeren personen.
Medisch klachtrecht
De RSJ geeft aan in te stemmen met het regelen van het medisch
klachtrecht op het niveau van een wet in formele zin.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 844, nr. 3                         15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>zijn aangedragen om dit niet te doen, om ook voor tbs-gestelden een
medische klachtenregeling op te nemen. In reactie daarop merk ik op dat
ook in het verleden in de Beginselenwet verpleging ter beschikking
gestelden en het Reglement verpleging ter beschikking gestelden niet is
voorzien in een medische klachtprocedure. Hoewel de wetsgeschiedenis
hierop niet ingaat, is de reden daarvoor dat voorkomen moet worden dat
verpleegden steeds tegen medische handelingen van de arts opkomen,
waardoor mogelijk hun behandeling, die gericht is op het vermindering
van de gevaarlijkheid van de verpleegde, doorkruist wordt. De RSJ lijkt dit
risico te onderkennen en stelt voor enkel medische klachten die niet de
tbs-behandeling betreffen beklagwaardig te maken via het medische
klachtrecht. Dit betekent dat er een onderscheid gemaakt zou moeten
worden tussen medische handelingen die betrekking hebben op de
behandeling en medische handelingen die betrekking hebben op de
verpleging. Ik neem dit onderdeel van het advies van de RSJ niet over. De
eerste reden daarvoor is dat veel zaken die de verpleging betreffen zullen
doorwerken in de behandeling en omgekeerd. Een tweede reden is
gelegen in het feit dat de verpleging mede is gericht is op de bescherming
van de maatschappij tegen de gevaarlijkheid van de verpleegde (zie artikel
1, onder u, Bvt). Gelet op het grote belang dat ik dat hecht aan de
beveiliging van de maatschappij, vind ik het eveneens onwenselijk dat de
betrokkene kan opkomen tegen jegens hem verrichte medische hande-
lingen die verband houden met de verpleging.
Overigens kan de ter beschikking gestelden wel opkomen tegen de
beslissing van de directeur om hem bijvoorbeeld zonder zijn instemming
geneeskundig te behandelen. Ook kan de betrokkene een klacht tegen de
arts die een medische handeling heeft verricht indienen bij een van de vijf
Regionale Tuchtcolleges voor de Gezondheidszorg of – in hoger beroep –
bij het Centrale Tuchtcollege. Daarmee is er naar mijn mening voorzien in
een goede rechtsbescherming van ter beschikking gestelden bij medische
klachten, die gelijkwaardig is aan de rechtsbescherming van patiënten die
op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische zieken-
huizen gedwongen zijn opgenomen.
Voorbemiddeling in het medisch klachtrecht
De RSJ constateert in zijn advies met instemming dat elementen uit het
eerdere RSJ-advies over de bemiddelingsprocedure bij de Medisch
Adviseur van het Ministerie van Veiligheid en Justitie zijn overgenomen.
De RSJ beveelt aan de voorbemiddeling in handen te geven van de arts
uit de commissie van toezicht en niet van het hoofd zorg.
In dit wetsvoorstel is aangesloten bij de huidige praktijk, waarin het hoofd
zorg optreedt als bemiddelaar. De keuze voor het hoofd zorg voldoet aan
het criterium, geformuleerd in het RSJ-advies over de bemiddelingspro-
cedure, dat het moet gaan om een persoon op inrichtingsniveau «die
voldoende beschikbaar is, kennis van medische zaken heeft en in staat is
oplossingsgericht te denken en te werken». De keuze voor het hoofd zorg
houdt mede verband met het feit dat deze functionaris, die de leiding
heeft over de medische dienst van de inrichting, daardoor een beter beeld
krijgt van de kwaliteit van de zorgverlening in de inrichting en op die
manier verbeteringen daarin kan aanbrengen. Met voorbemiddeling door
het hoofd zorg zijn goede ervaringen in de praktijk. Bovendien acht ik het
onwenselijk de arts uit de commissie van toezicht te belasten met de
bemiddeling bij medische klachten in verband met het volgende. Het is
niet uitgesloten dat een betrokkene zowel beklag op grond van artikel 60
e.v. Pbw instelt tegen bijvoorbeeld de beslissing van de directeur om een
geneeskundige handeling onder dwang toe te passen als een medische
klacht indient op grond van artikel 71b e.v. Pbw tegen de manier waarop
de inrichtingsarts die medische handeling heeft uitgevoerd. In dit geval
Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 844, nr. 3                       16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>mogelijk in de weg staan aan zijn deelname aan de beklagcommissie,
terwijl zijn expertise daar, gelet de aard van de klacht, wenselijk is.
Samenstelling beroepscommissie medisch klachtrecht
De RSJ beveelt aan in het voorgestelde artikel 71d, eerste lid, Pbw te
verhelderen dat indien er sprake is van een klacht over de tandarts, in
ieder geval één van de twee artsen uit de beroepscommissie wordt
vervangen door een tandarts en bij een klacht over een psychiater door
een psychiater.
Onder arts in de zin van het voorgestelde artikel 71d, eerste lid, Pbw, dat
overeenkomt met het huidige artikel 30 Pm – wordt tevens verstaan de
tandarts en de psychiater. Gelet op de specifieke aard van de klachten ligt
het voor de hand dat, indien er sprake is van een klacht tegen bijvoor-
beeld een psychiater of een tandarts, een arts deel uitmaakt van de
beroepscommissie die expertise heeft op het specifieke gebied waar deze
personen werkzaam zijn. In beginsel zal in dergelijke gevallen dus in ieder
geval één psychiater of één tandarts onderdeel uitmaken van de beroeps-
commissie. Een behoefte om een arts die werkzaam is op een bepaald
terrein als lid van een beroepscommissie aan te wijzen, kan ook in andere
gevallen bestaan. Zo zal het soms wenselijk zijn om specifiek een huisarts
te betrekken. De behoefte aan deze expertise kan echter per geval
verschillen en het is ook niet in alle gevallen nodig dat de arts uit de
beroepscommissie werkzaam is op hetzelfde terrein als de arts over wiens
handelen geklaagd wordt. In de voorgestelde wettekst is derhalve
volstaan met de bepaling dat de beroepscommissie zal bestaan uit twee
artsen en een jurist, waarbij in deze memorie van toelichting is aange-
geven dat betrokkenheid van een tandarts of psychiater voor de hand ligt
wanneer de klacht betrekking heeft op het medisch handelen van een
tandarts respectievelijk een psychiater.
Bemiddeling (algemeen)
Het opnemen van een nieuw hoofdstuk XA in de Pbw over bemiddeling
heeft de instemming van de RSJ.
De RSJ vraagt waarom in het voorgestelde artikel 61, derde lid, Pbw
wordt bepaald dat de gedetineerde, indien hij omtrent de beslissing
waarover hij klaagt geen verzoek tot bemiddeling heeft gedaan, hij in zijn
klaagschrift de redenen daarvoor vermeldt. De RSJ vraagt waarom op dit
punt wordt afgeweken van de Bvt en de Bjj, waar dit niet zou worden
bepaald.
In reactie hierop merk ik op dat artikel 61, derde lid, Pbw zoals in dit
wetsvoorstel opgenomen gelijkluidend is aan artikel 58, derde lid, Bvt.
Ook voor het door de RSJ genoemde artikel 63, vierde lid, Pbw geldt dat
dit voorgestelde artikellid overeenkomt met de bepalingen uit de Bvt
(artikel 63 Bvt). De Bjj kent een iets andere opzet, waarbij de maandcom-
missaris na indiening van het klaagschrift steeds onderzoekt of ter zake
van het onderwerp van de klacht tussen de jeugdige en de directeur kan
worden bemiddeld (zie artikel 66, vijfde lid, Bjj). In alle drie de regelingen
wordt zo het door de RSJ onderschreven belang dat wordt gehecht aan
toepassing van de bemiddelingsprocedure benadrukt.
Overigens betekenen de bepalingen niet, zoals de RSJ lijkt te menen, dat
er geen beklag kan worden ingesteld zonder dat er eerst een bemidde-
lingsprocedure heeft plaatsgevonden. Het voorgestelde artikel 61, derde
lid, Pbw bepaalt enkel dat de redenen om af te zien van bemiddeling in
het klaagschrift moeten worden opgenomen. Zie voor een voorbeeld van
een zaak op grond van de Bvt waarin de verpleegde afzag van bemid-
deling en direct in beklag en vervolgens in beroep ging RSJ 11 december
2012, zaaknr. 12/2869/TA. Als reden om af te zien van de bemiddeling
Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 844, nr. 3                          17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>Hij wil geen bemiddeling noch dat over de schade wordt onderhandeld.»
De RSJ verklaarde het beroep gegrond en kende de klager een schadever-
goeding toe.
Aanwijzen plaatsvervangend-directeur
De RSJ onderkent dat de huidige regeling van het aanwijzen van
plaatsvervangende directeuren in de praktijk als een probleem wordt
ervaren. De RSJ acht het evenwel onwenselijk om de mogelijkheid tot het
opleggen van disciplinaire straffen neer te leggen bij functionarissen die
op onvoldoende afstand staan van de gedetineerde of de bij het incident
betrokken personeelslid. Ik onderschrijf dit uitgangspunt van de RSJ,
maar anders dan de RSJ ben ik van mening dat het afdelingshoofd en het
hoofd veiligheid op voldoende, zakelijke, afstand staan tot de gedeti-
neerde om de afwegingen te kunnen maken die de uitoefening van deze
bevoegdheden vereist. Ik ben hierop in paragraaf 4.1 reeds ingegaan. Ik
wijs er in dit verband nog op dat ook in justitiële jeugdinrichtingen het
afdelingshoofd bevoegd is om disciplinaire straffen op te leggen (zie
artikel 4, vijfde lid, Bjj). Ik benadruk ook nogmaals dat de benoeming
slechts plaatsvindt bij aanwijzingsbesluit van de Minister van Veiligheid
en Justitie. Er zullen enkel personen worden aangesteld die voldoende
gekwalificeerd zijn en voldoende kennis hebben van het detentierecht om
bepaalde bevoegdheden uit te oefenen. In het aanwijzingsbesluit zal
bovendien, zoals in paragraaf 4.1 reeds aan de orde kwam, worden
bepaald dat de functionaris de opgelegde straffen en maatregelen steeds
bespreekt met de directeur, die op die manier steeds op de hoogte zal zijn
van opgelegde straffen en daarop controle kan uitoefenen. Ik meen dan
ook dat de huidige regeling voldoende waarborgt dat de functionarissen
die disciplinaire straffen mogen opleggen op voldoende afstand tot de
gedetineerde staan en ook overigens daarvoor bijzonder geschikt zijn.
(Over)plaatsing gedetineerden
Naar aanleiding van hun opmerking over de interne overplaatsing van
gedetineerden, dat wil zeggen een overplaatsing binnen een inrichting,
waartoe de directeur van de inrichting bevoegd is, kan ik de RSJ beves-
tigen dat het hier slechts gaat om overplaatsingen binnen hetzelfde
regime. Uit artikel 15, eerste lid, Pbw volgt dat enkel de Minister van
Veiligheid en Justitie (namens hem de selectiefunctionaris) bevoegd is
een gedetineerde over te plaatsen naar een afdeling of inrichting met een
ander regime.
De RSJ meent dat de bevoegdheidsverdeling waarbij de directeur van de
inrichting beslist over overplaatsingen binnen zijn inrichting voor zover
daarbij de arrondissementsgrenzen niet worden overschreden onvol-
doende waarborgen biedt, omdat ook overplaatsing binnen een arrondis-
sement ingrijpend kan zijn. De RSJ adviseert om een geografische afstand
in plaats van de arrondissementsgrenzen als criterium te hanteren.
Bedacht moet worden, zo merk ik op in reactie op dit onderdeel van het
advies van de RSJ, dat elke territoriale afbakening als zodanig tot op
zekere hoogte arbitrair is. Welhaast bij iedere grens zal in de praktijk ook
een situatie gevonden kunnen worden waarin een overplaatsing van een
gedetineerde ingrijpend kan zijn. De keuze voor een geografische afstand
biedt op dit punt niet meer waarborgen dan de thans gemaakte keuze
voor aansluiting bij de arrondissementsgrenzen. De geografische afstand
is ook steeds onderdeel geweest van de afweging bij de vaststelling van
de arrondissementsgrenzen. Overigens betekent het feit dat een peniten-
tiaire inrichting binnen een arrondissement gelegen moet zijn, niet dat alle
locaties in een arrondissement ook steeds één inrichting vormen. Op dit
moment varieert het aantal penitentiaire inrichtingen per arrondissement
Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 844, nr. 3                         18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>binnen zijn eigen inrichting; de Minister van Veiligheid en Justitie
(namens hem de selectiefunctionaris) is bij uitsluiting bevoegd ten
aanzien van de overplaatsing van een gedetineerde naar andere
inrichting, ook als deze inrichting in hetzelfde arrondissement ligt. Tot slot
kan een gedetineerde ook opkomen tegen een interne overplaatsing door
daartegen beklag en beroep in te stellen. Daarmee kan deze overplaatsing
altijd getoetst worden.
5.2 Advies NVvR
De voorgestelde wijzigingen stuiten bij de NVvR over het algemeen niet
op bezwaren. Op een aantal punten doet de NVvR nog enkele aanbeve-
lingen en plaatst zij enige kanttekeningen.
Vervoer
De NVvR gaf aan geen bezwaren te zien in het beleggen van de bevoegd-
heden omtrent het vervoer via de Minister van Veiligheid en Justitie bij de
DV&O. De suggestie van de NVvR om de samenstelling van de commissie
van toezicht voor het vervoer bij DV&O gelijk te laten zijn aan de
commissie van toezicht aan de commissies van toezicht van de peniten-
tiaire inrichtingen, neem ik mee bij het opstellen van een algemene
maatregel van bestuur ter uitvoering van deze wet, waarin de samen-
stelling van die commissie geregeld zal worden.
De NVvR geeft aan dat de bemiddelingsprocedure zoals opgenomen in
het voorgestelde artikel 59a Pbw zal leiden tot een grote werklast voor de
commissie van toezicht. In reactie daarop merk ik op dat het voorgestelde
artikel 59a niet geldt voor het vervoer; zie ook het artikelsgewijs
commentaar op artikel I, onder Q.
Medisch klachtrecht
De NVvR geeft in het advies aan dat zij van mening is dat met de
voorgestelde regeling van het medische klachtrecht de procedure
ingewikkelder wordt ten opzichte van de huidige situatie. In reactie daarop
merk ik op dat met dit wetsvoorstel het medisch klachtrecht slechts wordt
verplaatst van het niveau van een algemene maatregel van bestuur naar
het niveau van de wet in formele zin. Daarbij wordt één wijziging
aangebracht, namelijk dat thans de «voorbemiddeling» door het hoofd
zorg in de wet wordt opgenomen. Dit betreft echter slechts een codificatie
van de sinds 1 mei 2011 reeds bestaande praktijk. Ook de mogelijke
samenloop tussen verschillende procedures, waarop de NVvR wijst,
bestaat reeds. In de voorgestelde regeling is erin voorzien dat indien
betrokkene een klacht over een beslissing van de directeur bij het hoofd
zorg indient, het hoofd zorg het klaagschrift doorstuurt naar de commissie
van toezicht, die bevoegd is om over die klacht te oordelen. Daarmee is
mijns inziens voorzien in een adequate en effectieve regeling om te
voorkomen dat de gedetineerde de «verkeerde» procedure start. Het
aanstellen van een vertrouwenspersoon die de gedetineerde moet
begeleiden bij de keuze voor de te volgen klachtprocedure, zoals de NVvR
voorstelt, acht ik dan ook niet noodzakelijk. Bovendien kan de gedeti-
neerde zich tot de maandcommissaris of de directeur wenden met de
vraag welke procedure hij moet volgen en heeft hij zowel bij de reguliere
beklag- en beroepsprocedure als bij de medische beroepsprocedure recht
op bijstand door een rechtsbijstandverlener of andere vertrouwens-
persoon; zie (het voorgestelde artikel 71e, zevende lid, jo.) artikel 65,
eerste lid, Pbw.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 844, nr. 3                         19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>Het voorgestelde artikel 71e, tweede lid, Pbw is gelijkluidend aan het
huidige artikel 31, tweede lid, Pm. In de bepaling wordt tot uitdrukking
gebracht dat het uitgangspunt bij de behandeling van medische beroeps-
zaken is dat deze niet openbaar behandeld worden. Daarop wordt slechts
een uitzondering gemaakt indien een eenieder verbindende verdragsbe-
paling daartoe verplicht. Gedacht kan worden, zo merk ik op naar
aanleiding van het verzoek van de NVvR om voorbeelden van situaties te
geven waarin een openbare behandeling aan de orde zou kunnen zijn, aan
artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
Indien de beroepscommissie van de RSJ van oordeel is dat de klacht
onder het bereik van dat artikel valt, dan is daarmee in beginsel de
openbaarheid van de behandeling gegeven. Openbare behandeling kan in
dergelijke gevallen evenwel alsnog achterwege blijven in verband met de
in artikel 6 EVRM genoemde gronden waaronder – in het kader van het
medische klachtrecht in het bijzonder van belang – de bescherming van
het privéleven van de betrokkene. Overigens geldt dat indien de zinsnede
«tenzij een eenieder verbindende bepaling anders zou bepalen» in het
voorgestelde artikel 71e Pbw achterwege zou worden gelaten, de klacht
nog steeds openbaar zou moeten worden behandeld indien dit zou
voorvloeien uit bijvoorbeeld artikel 6 EVRM, omdat die verdragsbepaling
in dat geval voorrang heeft boven de nationale wettelijke bepaling (zie
artikel 94 van de Grondwet).
Experimenteerbepaling
Anders dan bij de eerdere advisering door de NVvR bij de recentelijke
wijziging van de Bjj waarbij in die wet een soortgelijke experimenteerbe-
paling is opgenomen8, geeft de NVvR aan enkele (principiële) bezwaren
tegen de in dit wetsvoorstel voorgestelde experimenteerbepaling te
hebben. Voor een reactie op dit onderdeel van het advies van de NVvR
verwijs ik naar mijn reactie op het advies van de RSJ over de experimen-
teerbepaling. Daar gaf ik reeds aan dat de in dit wetsvoorstel opgenomen
experimenteerbepaling in overeenstemming is met de Aanwijzingen voor
de regelgeving (de aanwijzingen 10 en 10a) en dat in andere wetgeving,
waaronder in de artikelen 80a en 80b Bjj, soortgelijke bepalingen zijn
opgenomen.
Overige wijzigingsvoorstellen
De NVvR heeft geen bezwaar tegen de voorgestelde mogelijkheid om
meer plaatsvervangend-directeuren te benoemen. De suggestie van de
NVvR om in de memorie van toelichting aandacht te besteden aan de
vraag of de directeur de beslissing van de plaatsvervangend-directeur kan
terugdraaien is overgenomen; zie daarvoor paragraaf 4.1 hierboven. De
NVvR geeft tot slot aan geen bezwaren te hebben tegen het voorstel om in
artikel 3 Pbw te bepalen dat de verschillende locaties van een penitentiaire
inrichting binnen hetzelfde arrondissement moeten liggen.
II. ARTIKELSGEWIJS
Artikel I, onder A (artikel 1 Pbw)
In artikel 1 Pbw worden enkele redactionele verbeteringen aangebracht.
8
  Zie de bijlage bij Kamerstukken II 2008/09, 31 915, nr. 3.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 844, nr. 3                      20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>Artikel 3, eerste lid, Pbw ziet op de aanwijzing door de Minister van
Veiligheid en Justitie van penitentiaire inrichtingen. Artikel 3, vierde lid,
Pbw ziet op de aanwijzing van plaatsvervangende directeuren. Zie voor
een toelichting op de wijzigingen de paragrafen 4.1 en 4.2 hierboven.
Artikel I, onder C (artikel 6 Pbw)
De wijziging van artikel 6 Pbw houdt verband met de nieuw in te voegen
hoofdstukken betreffende beroep inzake vervoer en medisch handelen
(artikel I, onder R).
Artikel I, onder D (artikel 7 Pbw)
In artikel 7 Pbw wordt verduidelijkt dat de commissie van toezicht ook een
toezichthoudende taak heeft ten aanzien van het vervoer dat door de
inrichting wordt uitgevoerd. Zie nader paragraaf 2.1.
Artikel I, onder E en F (artikelen 15, 18d en 18e Pbw)
Het komen te vervallen van de zinsnede in het zesde lid van artikel 15 Pbw
houdt verband met het nieuw in te voegen hoofdstuk IVB over vervoer. In
dat hoofdstuk wordt in artikel 18d Pbw bepaald dat bij ministeriële
regeling nadere regels kunnen worden gesteld over het vervoer. Deze
Regeling vervoer van justitiabelen zal op de datum van inwerkingtreding
van dit wetsvoorstel reeds bestaan op grond van de huidige artikelen 15,
zesde lid en artikel 26, zesde lid, Pbw en zal worden «omgehangen» naar
de nieuwe grondslag in artikel 18d Pbw (zie artikel IV). Door het voorge-
stelde artikel 18d Pbw komt meer algemeen tot uitdrukking dat tijdens
iedere vervoersbeweging dezelfde nadere regels van toepassing zijn. Het
nieuwe artikel 18e Pbw biedt een wettelijke grondslag voor de commissie
van toezicht voor het vervoer bij DV&O. Zie voor een nadere toelichting
hoofdstuk 2 van deze toelichting.
Artikel I, onder G (artikel 29 Pbw)
Artikel 29 Pbw betreft het onderzoek aan lichaam en kleding van de
gedetineerde. Bepaald wordt dat de Minister van Veiligheid en Justitie
deze bevoegdheid kan uitoefenen ten behoeve van de vervoersbeweging.
In de praktijk zal hij deze bevoegdheid mandateren aan de directeur (en
medewerkers) van DV&O. Zie voor een nadere toelichting hoofdstuk 2 van
het algemeen deel van deze toelichting.
Opgemerkt wordt nog dat ook de directeur van de inrichting de gedeti-
neerde kan (doen) onderzoeken aan lichaam en kleding voordat de
gedetineerde vervoerd wordt of bij aankomst in de inrichting. Voor het
beklag geldt dat wanneer de directeur het onderzoek doet uitvoeren,
beklag openstaat bij de beklagcommissie van de inrichting (artikel 60 e.v.
Pbw) en wanneer de Minister van Veiligheid en Justitie het onderzoek
(door DV&O) doet uitvoeren, bij de beklagcommissie voor het vervoer bij
DV&O (artikel 68a e.v. Pbw). In de Regeling vervoer van justitiabelen zal
worden bepaald dat de vervoerder het onderzoek aan lichaam en kleding
zal uitvoeren; zie ook paragraaf 5.1, onder «Fouilleren van de ingeslotene
voor, tijdens en na het vervoer».
Artikel I, onder H (artikel 35 Pbw)
Dit onderdeel betreft een technische wijziging. Artikel 35 Pbw wordt met
de aanvaarding en inwerkingtreding van het wetsvoorstel Wet forensische
zorg (Kamerstukken I 32 398) zodanig gewijzigd dat de Minister van
Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 844, nr. 3                           21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>geweld te gebruiken of vrijheidsbeperkende middelen toe te passen. Deze
bevoegdheid zal hij in de praktijk enkel uitoefenen ten behoeve van het
vervoer. De zinsnede in artikel 35, tweede lid, Pbw waarin bepaald wordt
dat de Minister deze bevoegdheden kan doen uitoefenen door door hem
aangewezen ambtenaren of medewerkers komt te vervallen, omdat de
Minister van Veiligheid en Justitie reeds op basis van een algemene
mandaatregeling bevoegdheden kan mandateren.
Artikel I, onder I en J (artikelen 37 en 38 Pbw)
Uit artikel 37 (jo. de artikelen 36 en 39, vierde lid) Pbw volgt, kort gezegd,
dat communicatie tussen de gedetineerde en bepaalde personen en
instanties vertrouwelijk is. De European Committee for the Prevention of
torture and inhuman or degrading treatment or punishment (CPT) schrijft
in haar rapport van 5 april 2012 (paragraaf 48)9 dat ten aanzien van de CPT
weliswaar geldt dat de communicatie door de inrichting als vertrouwelijk
wordt behandeld, maar dat de CPT niet expliciet in artikel 37 Pbw wordt
genoemd. Het CPT beveelt aan om dit alsnog te doen. In lijn met deze
aanbeveling zal aan de personen en instanties genoemd in artikel 37 – in
een nieuw onderdeel i – worden toegevoegd «organen, of leden daarvan,
die krachtens een wettelijk voorschrift of een in Nederland geldend
verdrag ({) zijn belast met het houden van toezicht op de behandeling van
personen aan wie hun vrijheid is ontnomen». Hieronder valt niet alleen
het CPT, maar bijvoorbeeld ook de Inspectie voor Veiligheid en Justitie.
Het tweede lid zal worden geïntegreerd in dit nieuwe onderdeel i,
waardoor het tweede lid kan komen te vervallen. In het voorgestelde
artikel 37, eerste lid, onder i, Pbw zal nog wel een onderscheid worden
gemaakt tussen de organen die belast zijn met toezicht en de organen die
bevoegd zijn tot kennisneming van klachten. Dit houdt verband met artikel
38, zevende lid, Pbw. In dat artikellid wordt bepaald dat een aantal
instanties te allen tijde toegang heeft tot de gedetineerde, terwijl andere
instanties enkel toegang tot de gedetineerde hebben op in de huisregels
vastgestelde tijden en plaatsen. Anders dan voor andere instanties, geldt
voor toezichthoudende instanties dat zij te allen tijden toegang moeten
hebben tot de gedetineerde; dat is van groot belang voor het uitvoeren
van de toezichthoudende taak. Hoewel deze bevoegdheid veelal ook volgt
uit het verdrag of de wet op basis waarvan de toezichthoudende instantie
haar toezicht uitoefent, wordt deze bevoegdheid daarnaast expliciet
neergelegd in de Pbw.
Artikel I, onder K (artikel 42 Pbw)
Het komen te vervallen van artikel 42, vijfde lid, Pbw houdt verband met
het overhevelen van het medisch klachtrecht van het niveau van een
algemene maatregel van bestuur (Pm) naar het niveau van de wet in
formele zin (Pbw). Zie ook hoofdstuk 3 van het algemeen deel van deze
toelichting.
Artikel I, onder L (Artikel 57 Pbw)
In artikel 57 Pbw wordt vastgelegd dat de directeur de gedetineerde moet
horen alvorens hij kan beslissen tot een overplaatsing naar een andere
locatie. Zie voor een toelichting paragraaf 4.2 hierboven. In gevallen
waarin de vereiste spoed zich daartegen verzet of de gemoedstoestand
van de gedetineerde zich daartegen verzet, kan deze hoorplicht
achterwege blijven (artikel 57, derde lid, Pbw). Bij de beslissing tot
9
  Bijlage bij Kamerstukken II 2011/12, 24 587, nr. 474; ook te raadplegen via www.cpt.coe.int.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 844, nr. 3                                            22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>terstond moet worden overgeplaatst naar een speciale zorgafdeling.
Artikel I, onder M tot en met P (artikelen 59a en 61 tot en met 63 Pbw)
Onder de Bvt en de Bjj bestaat al enige tijd een uitgebreidere regeling
voor de bemiddelingsprocedure dan onder de Pbw. Voorgesteld wordt
ook in de Pbw deze uitgebreidere bemiddelingsprocedure op te nemen.
Een wijziging ten opzichte van de huidige situatie is dat een gedetineerde
niet alleen in verband met een door de directeur genomen beslissing,
maar ook indien de directeur zijn zorgplichten niet nakomt, zich (formeel)
met een verzoek tot bemiddeling tot de commissie van toezicht kan
wenden. Beklag blijft echter enkel mogelijk tegen door de directeur
genomen beslissingen.
Artikel I, onder Q (artikelen 68a en 68b Pbw)
Er wordt voorgesteld een nieuw hoofdstuk XIA in de Pbw in te voegen
betreffende het beklag inzake vervoer uitgevoerd door DV&O. In de wet
wordt steeds gesproken over «Onze Minister». In de praktijk zal de
Minister het vervoer overlaten aan DV&O. Er kan beklag worden ingesteld
bij de beklagcommissie voor het vervoer tegen het aanwenden van de
bevoegdheid tot onderzoek aan het lichaam en de toepassing van geweld
en vrijheidsbenemende middelen tijdens de vervoersbeweging door
DV&O. Zie voor een toelichting hoofdstuk 2. De beklagprocedure zal in
beginsel hetzelfde verlopen als de beklagprocedure bij de beklagcom-
missie van de commissie van toezicht van de inrichting. De bemiddelings-
procedure wordt niet van overeenkomstige toepassing verklaard. Gelet op
het feit dat de beklagcommissie voor het vervoer klaagschriften van alle
justitiële inrichtingen moet behandelen, stuit dit op ernstige praktische
bezwaren. Ook de schorsingsmogelijkheid wordt niet overgenomen,
omdat beklag in de praktijk steeds pas nadat het vervoer al heeft
plaatsgevonden zal worden ingesteld. Dit is ook de reden waarom,
wanneer een beklag (deels) gegrond wordt verklaard, enkel een compen-
satie kan worden toegekend en bijvoorbeeld niet kan worden bepaald dat
de beslissing opnieuw moet worden genomen.
Artikel I, onder R en S (artikelen 71a en 71b tot en met 71f en 75 Pbw)
Het voorgestelde artikel 71a Pbw betreft het beroep inzake vervoer. Zie
voor een toelichting paragraaf 2.2.2 van deze memorie.
In de voorgestelde artikelen 71b tot en met 71f Pbw wordt het medisch
klachtrecht neergelegd. Zie ook hoofdstuk 3 van het algemeen deel van
deze memorie van toelichting.
Artikel 71b Pbw is gelijkluidend aan artikel 28, eerste lid, Pm. Onder arts in
de zin van artikel 71b Pbw dient niet alleen de huisarts, maar ook de aan
de inrichting verbonden tandarts of psychiater te worden verstaan. Onder
«medisch handelen van de arts» worden ook de medisch handelingen van
verpleegkundigen verstaan die zij onder de verantwoordelijkheid van de
inrichtingsarts verrichten. De klachtregeling ziet daarnaast op medisch
handelen van de verpleegkundigen waartoe zij zelfstandig bevoegd zijn
(vgl. artikel 33 van de Wet op de beroepen in de individuele gezond-
heidszorg). Naast tegen medisch handelen van de verpleegkundige, kan
ook tegen medisch handelen van andere hulpverleners, zoals een
fysiotherapeut of een psycholoog worden geklaagd op grond van het
nieuw in te voegen hoofdstuk XIIB. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de
RSJ van 7 juli 2011, zaaknr. 11/1097/GM, r.o. 3 en de uitspraak van de RSJ
van 14 maart 2012, zaaknr. 11/4386/GM.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 844, nr. 3                         23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>beklag open tegen feitelijk gedrag van de arts of de andere in artikel 71b
genoemde personen. Wat onder medisch handelen wordt verstaan kan
onder andere worden afgeleid uit (artikel 1 van) de Wet op de beroepen in
de individuele gezondheidszorg.
Artikel 28, tweede lid, Pm is niet opgenomen in het voorgestelde artikel
71b Pbw, maar in artikel 71f Pbw. Wanneer de inhoud van artikel 28,
tweede lid, Pm in artikel 71b Pbw zou worden opgenomen dan zou dit
betekenen dat een klacht niet-ontvankelijk moet worden verklaard
wanneer er geen sprake is van, kort gezegd, onbehoorlijk medisch
handelen («enig handelen in het kader van of nalaten in strijd met de zorg
die de in artikel 71b bedoelde personen in die hoedanigheid behoren te
betrachten ten opzichte van de gedetineerde, met betrekking tot wiens
gezondheidstoestand zij bijstand verlenen of hun bijstand is ingeroepen of
wanneer er geen sprake is van enig ander handelen of nalaten in die
hoedanigheid in strijd met het belang van een goede uitoefening van de
individuele gezondheidszorg»). Dit is een juridisch minder wenselijke
uitkomst. In plaats daarvan moet de klacht ontvankelijk zijn zodra sprake is
van medisch handelen. Wanneer er geen sprake is van onbehoorlijk
medisch handelen moet de klacht ongegrond worden verklaard.
Het voorgestelde artikel 71c Pbw ziet op de bemiddelingsprocedure. De
procedure komt overeen met de bemiddelingsprocedure zoals
opgenomen in het huidige artikel 29 Pm, met dien verstande dat de thans
ontstane praktijk waarin eerst wordt «voorbemiddeld» door het hoofd
zorg van de inrichting ook is gecodificeerd. In artikel 71c Pbw wordt
gesproken van «een door de directeur daartoe aangewezen ambtenaar of
medewerker». De gebruikte terminologie vloeit voort uit de systematiek
van de Pbw, waarbij aan de directeur steeds taken en bevoegdheden zijn
opgedragen, terwijl hij de uitvoering respectievelijk uitoefening daarvan
(behoudens de in artikel 5 genoemde uitzonderingen) steeds kan
overlaten respectievelijk mandateren aan ambtenaren of medewerkers. De
op grond van het voorgestelde artikel 71c, tweede lid, Pbw aangewezen
ambtenaar of medewerker zal in beginsel steeds degene zijn die in de
praktijk de leiding heeft over de medische dienst (thans: het hoofd zorg).
Zie voor een nadere toelichting op de (voor)bemiddelingsprocedure
hoofdstuk 3 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.
De voorgestelde artikelen 71d tot en met 71f Pbw zien op de beroepspro-
cedure bij de speciale beroepscommissie voor medische klachten van de
RSJ. De artikelen zijn inhoudelijk gelijk aan de huidige artikelen 30 tot en
met 33 Pm. Artikel 71f, derde lid, Pbw komt overeen met artikel 28, tweede
lid, Pm (zie hierboven). De procedure komt veelal overeen met de
beroepsprocedure in hoofdstuk XII van de Pbw. In de Pm was er naar
aanleiding van het advies van de (toen nog) Centrale Raad voor de
Strafrechtstoepassing voor gekozen de regeling geheel uit te schrijven, in
plaats van te verwijzen naar de dienaangaande bepalingen in de Pbw. Dit
kwam de duidelijkheid en kenbaarheid van de regeling ten goede en
voorkwam dat een gedetineerde twee verschillende regelingen moest
raadplegen. Nu de bepalingen omtrent het medisch beroepsrecht worden
opgenomen in de Pbw kan veelal worden volstaan met het van overeen-
komstige toepassing verklaren van andere bepalingen uit de Pbw.
De inhoud van artikel 34 Pm wordt overgeheveld naar artikel 75 Pbw. Het
gaat om de mogelijkheid dat de aan de gedetineerde toekomende rechten
ten aanzien van het klagen over medisch handelen in voorkomende
gevallen kunnen worden uitgeoefend door de curator, de mentor, en de
ouders of de voogd indien de gedetineerde minderjarig is.
Artikel I, onder T (artikelen 77a en 77b Pbw)
De voorgestelde artikelen 77a en 77b zijn zogenaamde experimenteerbe-
palingen. Zie voor een toelichting paragraaf 4.3.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 844, nr. 3                         24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>De wijziging van artikel 9 Bvt houdt verband met het nieuw in te voegen
hoofdstuk betreffende beroep inzake vervoer (artikel II, onder L).
Artikel II, onder C (artikel 10 Bvt)
In artikel 10 wordt verduidelijkt dat de commissie van toezicht ook een
toezichthoudende taak heeft ten aanzien van het vervoer dat door de
inrichting wordt uitgevoerd. Zie nader paragraaf 2.1.
Artikel II, onder D, E en J (artikelen 11, 15a, 15b en 50 Bvt)
Het komen te vervallen van de genoemde zinsnede in artikel 11 en het
zesde lid van artikel 50 Bvt houdt verband met het nieuw in de Bvt in te
voegen hoofdstuk over vervoer. De betreffende grondslag voor een
ministeriële regeling wordt overgeheveld naar het voorgestelde artikel
15a Bvt. Zie verder hoofdstuk 2 van het algemeen deel van deze memorie
van toelichting en de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onder E.
Artikel II, onder F en G (artikelen 23 en 30 Bvt)
Artikel 23 Bvt ziet op de bevoegdheid tot onderzoek aan het lichaam of
kleding. Artikel 30 Bvt ziet op de bevoegdheid geweld of vrijheidsbeper-
kende middelen aan te wenden. Met de voorgestelde wijziging kan de
Minister van Veiligheid en Justitie deze bevoegdheid uitoefenen met het
oog op het vervoer van de verpleegde. Zie voor een toelichting paragraaf
2.2.1 van deze memorie.
Artikel II, onder H en I (artikelen 36 en 37 Bvt)
Zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onder I en J.
Artikel II, onder K (artikelen 66a en 66b Bvt)
Het nieuw in te voegen hoofdstuk XIVA, bestaande uit de artikelen 66a en
66b Bvt, ziet op het beklag inzake vervoer. Zie voor een nadere toelichting
paragraaf 2.2.2 en de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onder Q.
Artikel II, onder L (artikel 68a Bvt)
Het voorgestelde artikel 68a Bvt betreft het beroep inzake vervoer. Zie
voor een toelichting paragraaf 2.2.2 van deze memorie.
Artikel III, onder A, D, E en J (artikelen 1, 12, 13, tweede lid, 15, eerste lid,
16, achtste lid, 19, eerste lid, 26, tweede en derde lid, 27, eerste en derde
lid, 40, tweede lid, 56, tweede lid en 77, eerste lid Bjj)
De Bvt kent de term selectiefunctionaris (een ambtenaar van het Minis-
terie van Veiligheid en Justitie die is belast met de selectie, plaatsing en
overplaatsing) niet. In plaats daarvan wordt gesproken van «Onze
Minister», waarmee gedoeld wordt op de Minister van Veiligheid en
Justitie. Met de aanvaarding en inwerkingtreding van het wetsvoorstel
forensische zorg (Kamerstukken I 32 398) zal de term «selectiefunctio-
naris» in de Pbw eveneens worden vervangen door «Onze Minister».
Voorgesteld wordt deze wijziging ook door te voeren in de Bjj. Daardoor
wordt tot uitdrukking gebracht dat de Minister van Veiligheid en Justitie
verantwoordelijk is voor de plaatsingsprocedure. De Minister zal de
bevoegdheid in de praktijk steeds mandateren aan de selectiefunctionaris.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 844, nr. 3                             25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>De wijziging van artikel 6 Bjj houdt verband met de nieuw in te voegen
hoofdstukken betreffende beroep inzake vervoer en medisch handelen
(artikel III, onder O).
Artikel III, onder C (artikel 7 Bjj)
In artikel 7 wordt verduidelijkt dat de commissie van toezicht ook een
toezichthoudende taak heeft ten aanzien van het vervoer dat door de
inrichting wordt uitgevoerd. Zie nader paragraaf 2.1.
Artikel III, onder F (artikel 18 Bjj)
Artikel 18 Bjj betreft de bezwaarschriftprocedure bij de selectiefunctio-
naris. Voorgesteld wordt de term «selectiefunctionaris» te vervangen
door: Onze Minister. Zie voor een toelichting de artikelsgewijze toelichting
bij artikel III, onder A, hierboven. Voorts wordt voorgesteld artikel 18,
eerste lid, onder d, te laten vervallen. Het onder verantwoordelijkheid van
de Minister van Veiligheid en Justitie aanwenden van geweld of vrijheids-
beperkende middelen zal enkel plaatsvinden tijdens het door DV&O
uitgevoerde vervoer. Op grond van de nieuw in te voegen beklagregeling
voor het vervoer zal daartegen beklag openstaan bij de beklagcommissie
voor het vervoer. Zie nader paragraaf 2.2.2 van het algemeen deel van
deze memorie van toelichting.
Artikel III, onder G en H (artikelen 19a, 19b, 28 Bjj)
Voorgesteld wordt in de Bjj een nieuw hoofdstuk IVA in te voegen
betreffende het vervoer van jeugdigen. Zie verder hoofdstuk 2 van het
algemeen deel van deze memorie van toelichting en de artikelsgewijze
toelichting bij artikel I, onder F.
Artikel III, onder I (artikel 34 Bjj)
Artikel 34 Bjj betreft het onderzoek aan lichaam en kleding. Met de
voorgestelde wijziging kan de Minister van Veiligheid en Justitie deze
bevoegdheid uitoefenen met het oog op het vervoer van de jeugdige. Zie
voor een toelichting paragraaf 2.2.2.
Artikel III, onder K en L (artikelen 42 en 43 Bjj)
Zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onder I en J.
Artikel III, onder M (artikel 47 Bjj)
Het komen te vervallen van artikel 47, vijfde lid, houdt verband met het
overhevelen van het medisch klachtrecht van het niveau van algemene
maatregel van bestuur (Rjj) naar het niveau van de wet in formele zin (Bjj),
waardoor de grondslag voor een algemene maatregel van bestuur kan
komen te vervallen.
Artikel III, onder N (artikelen 73a en 73b Bjj)
Het nieuw in te voegen hoofdstuk XIIIA, bestaande uit de artikelen 73a en
73b Bjj, ziet op het beklag inzake vervoer. Zie voor een nadere toelichting
paragraaf 2.2.2 en de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onder Q.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 844, nr. 3                        26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>Het voorgestelde artikel 76a Bjj ziet op het beroep inzake vervoer. De
artikelen 76b tot en met 76b betreffen het medisch klachtrecht. Zie voor
een toelichting de hoofdstukken 2 en 3 en de artikelsgewijze toelichting bij
artikel I, onder R.
Artikel III, onder P (artikel 80 Bjj)
De term «selectiefunctionaris» wordt vervangen door: Onze Minister. Zie
ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel III, onder A. Zie voorts de
artikelsgewijze toelichting bij het voorgestelde artikel 75 Pbw in artikel I,
onder S.
Artikel IV
In artikel 1, vierde lid, van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector (Wkcz) is
bepaald dat die wet niet van toepassing is op klachten van onvrijwillig in
een inrichting opgenomen cliënten, voor zover deze overeenkomstig een
bijzondere wettelijke regeling door een klachtencommissie kunnen
worden behandeld. Uit artikel 1, vierde lid, Wkcz volgt dat de in die wet
opgenomen klachtregeling niet van toepassing is op gedetineerden, ter
beschikking gestelden en jeugdigen die in een justitiële jeugdinrichting
verblijven. Zie ook Tekst & Commentaar Gezondheidsrecht I, art. 1 van de
Wkcz, aant. 8, en de uitspraak van het gerechtshof Arnhem van 14 februari
2006, LJN AV1902.
In het thans bij de Eerste Kamer aanhangige wetsvoorstel houdende
regels ter bevordering van de kwaliteit van zorg en de behandeling van
klachten en geschillen in de zorg (Wet kwaliteit, klachten en geschillen
zorg)(Kamerstukken I 2012/13, 32 402, E) (verder: de Wkkgz) – die de Wkcz
zal vervangen – is deze bepaling niet overgenomen.
Hoofdstuk 3 van Wkkgz over klachten- en geschillenbeslechting is evenwel
niet van toepassing in penitentiaire inrichtingen, tbs-instellingen en
justitiële jeugdinrichtingen (verder: justitiële inrichtingen). In dat
hoofdstuk van de Wkkgz is de plicht opgenomen voor de zorgaanbieder
om een klachtregeling op te stellen die aan bepaalde eisen voldoet en de
verplichting om zich aan te sluiten bij een geschilleninstantie. In de
beginselenwetten is er echter reeds in het verleden voor gekozen de
geschillen- en klachtprocedure in een algemene wettelijke regeling vast te
leggen. Dit houdt verband met de bijzondere positie van gedetineerden,
ter beschikking gestelden en jeugdigen, die in belangrijke mate afhankelijk
zijn van de door of namens de justitiële inrichting aangeboden zorg en
met het feit dat de Minister van Veiligheid en Justitie, die het opperbeheer
heeft over de justitiële inrichtingen, eindverantwoordelijkheid draagt voor
de gang van zaken in die inrichtingen en ook voor de aldaar verleende
zorg.
Voor de overige bepalingen uit de Wkkgz geldt dat deze bepalingen in
beginsel van toepassing zijn. Dit sluit aan bij het algemene uitgangspunt
dat de eisen uit de «reguliere» zorgwetgeving van in principe van
toepassing zijn binnen de justitiële setting. Dit is slechts anders wanneer
in de beginselenwetten en daarbij horende regelgeving daarvan wordt
afgeweken of de justitiële setting zich tegen de toepasselijkheid verzet. In
dit laatste geval wordt er, vanuit een uitgangspunt van gelijkwaardigheid
van zorg, wel zo veel mogelijk naar gestreefd overeenkomstig de ratio van
de desbetreffende bepaling te handelen. Dit uitgangspunt, dat de
bepalingen uit de Wkkgz van toepassing zijn, tenzij er een daarvan
afwijkende regeling geldt of de justitiële setting zich daartegen verzet,
wordt in het voorgestelde artikel 1, vijfde lid, Wkkgz geëxpliciteerd.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 844, nr. 3                           27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>Dit artikel bevat een zogenoemde «omhangbepaling». Zie voor een
nadere toelichting de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onder E.
De Minister van Veiligheid en Justitie,
I.W. Opstelten
Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 844, nr. 3                       28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>