<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                                                                                    Parkstraat 83 Den Haag
                                                                                    Correspondentie:
                                                                                    Postbus 30137
                                                                                    2500 GC Den Haag
                                                                                    Telefoon (070) 361 93 00
                                                                                    Fax algemeen (070) 361 93 10
                                                                                    Fax rechtspraak (070) 361 93 15
                 Aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid,
                 Welzijn en Sport
                 Postbus 20350
                 2500 EJ Den Haag
Betreft        : aanbieding advies
Contactpersoon : mr. K.H. Hinders/mr. M.A.C. Herweijer
Doorkiesnummer:  070-3619353
E-mail         : t.hinders@minvenj.nl
Datum          : 4 februari 2014
Ons kenmerk    : RSJ/2020/2014/KHH/CK
Onderwerp      : ontwerp Invoeringswet Jeugdwet
                 Geachte heer van Rijn,
                 Hierbij reageert de Raad op uw verzoek om advies over het ontwerp van de
                 Invoeringswet Jeugdwet met memorie van toelichting. De Raad heeft eerder
                 geadviseerd over de concept Jeugdwet en het concept Uitvoeringsbesluit,
                 op 25 oktober 2012 respectievelijk 20 december 2013. De onderhavige
                 Invoeringswet is het laatste gedeelte van deze wetgeving. Hiermee wordt een
                 aantal noodzakelijke wijzigingen in andere wetten aangebracht in verband
                 met de inwerkingtreding van de Jeugdwet per 1 januari 2015. De Raad zal
                 niet ingaan op de meeste wijzigingsvoorstellen in de Invoeringswet, omdat
                 deze voornamelijk technisch van aard zijn. Een aantal bepalingen is echter
                 inhoudelijk van karakter of heeft inhoudelijke implicaties voor de uitvoering.
                 Dit betreft vooral wijzigingen in de regeling in het Burgerlijk Wetboek (hierna:
                 Bw) van de kinderbeschermingsmaatregelen, met name de (spoed)machtiging
                 tot uithuisplaatsing. De Raad richt zich in dit advies op deze inhoudelijke
                 bepalingen en zal deze artikelsgewijs bespreken. Een aantal opmerkingen van
                 tekstuele aard volgt in de bijlage bij dit advies.
                 Opmerkingen over Hoofdstuk 1. Wijziging van wetten
                 Artikel 1.8, wijziging van het Bw
                 Artikel 1.8 onder E
                 Dit artikel voorziet onder E in een aanpassing van artikel 1: 254 lid 5 Bw. In
                 vergelijking met het huidige lid 5 is de zinsnede ‘op verzoek van de met het
                 gezag belaste ouder’ vervangen door ‘op verzoek van een ouder’. De MvT geeft
                 aan dat het hier gaat om technische wijzigingen. Het gaat hier echter om méér
                 dan een technische wijziging. De kring van degenen die een verzoek kunnen
                 doen ter vervanging van de gecertificeerde instelling (hierna: g.i.) wordt
                 immers verbreed. De Raad vraagt zich af of aan deze wijziging een bewuste
                 keuze ten grondslag ligt en hij beveelt aan dit nader in de MvT toe te lichten.
                 Artikel 1.8 onder F
                 De Raad heeft een aantal verschillende opmerkingen over dit onderdeel, die
                 hierna volgen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>De relatie tussen de g.i. en het besluit van de gemeente
Voorgesteld wordt het huidige artikel 1:261 Bw integraal te wijzigen in de onder F
opgenomen tekst. Evenals in het huidige artikel 1:261 lid 1 kan de kinderrechter de
g.i. (thans Bureau Jeugdzorg) en de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK)
en het Openbaar Minister (hierna: OM) machtigen de minderjarige uit huis te plaatsen.
Het valt de Raad op dat hierbij volgens artikel 1:261 lid 2 Bw (nieuw) de g.i. geen
besluit van het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) hoeft te
overleggen, maar het OM en de RvdK wel.
In artikel 3.5, lid 1 van de Jeugdwet is hierover geregeld dat de g.i. bepaalt of
en zo ja, welke jeugdhulp is aangewezen in het kader van de uitvoering van de
kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Zij overlegt hiertoe met het college
van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft. In de nadere MvT op de
Jeugdwet1 is hierover het volgende opgenomen: “Als de gezinsvoogd van mening is dat
een jongere uit huis geplaatst moet worden, kan de gecertificeerde instelling zich direct
tot de kinderrechter wenden en een machtiging verzoeken. De gecertificeerde instelling
hoeft hiervoor geen “verleningsbesluit” van de gemeente af te wachten, omdat de
gecertificeerde instelling zelf de “verleningsbeslissing” neemt.
De Raad staat niet achter het voorstel dat de g.i. geen besluit van de gemeente
hoeft over te leggen omdat dit naar het oordeel van de Raad indruist tegen het
uitgangspunt van het nieuwe jeugdstelsel dat de gemeente de regiefunctie heeft en
eindverantwoordelijk is voor de gehele jeugdzorg.
Weliswaar is in de Jeugdwet zelf in artikel 3.5 opgenomen dat de g.i. hierover overleg
moet voeren met het college, maar dit is een minder stringente eis dan de eis dat
hiervoor een besluit van het college noodzakelijk is. Op het achterwege blijven van
overleg met de gemeente is in de Jeugdwet geen sanctie gesteld en ook in artikel
1:261 Bw nieuw is hier, gelet op de tekst van de Invoeringswet, niets over opgenomen.
Dit impliceert dat de g.i. anders dan de RvdK en het OM zonder (enige) medewerking
van het college geheel autonoom kan besluiten dat aan de rechter verzocht wordt
een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen terwijl de transitie van jeugdzorg naar
de gemeente juist gericht zou moeten zijn op het zo veel mogelijk voorkomen van
gedwongen uithuisplaatsingen door inzet van lokale niet gedwongen jeugdhulp op
maat. Anders dan kennelijk wordt verondersteld is de machtiging tot uithuisplaatsing
niet op één lijn te stellen met vormen van jeugdhulp maar betreft het een - ook
door de ouders en kinderen als zodanig ervaren - diep ingrijpende gedwongen
overheidsinterventie in hun leven, die vraagt om meer (rechts)waarborgen dan vormen
van vrijwillige jeugdhulp. Juist nu thans nog veel ondertoezichtstellingen gepaard gaan
met een machtiging tot uithuisplaatsing zou het beleid van gemeenten mogelijkheden
moeten bieden om die gedwongen overheidsinterventie door de lokale inzet van
vrijwillige passende jeugdhulp zoveel mogelijk te voorkomen. Daarbij past dan niet dat
een besluit van het college niet vereist is bij het verzoek van de g.i. tot het verlenen
van een machtiging tot uithuisplaatsing.
Het begrip ‘verblijfplaats’
Artikel 1:261 lid 1 Bw laatste zin bepaalt dat het verzoek aan de kinderrechter
voor de uithuisplaatsing dient te vermelden voor welke verblijfplaats de
machtiging wordt gevraagd. Ook in lid 3 is dit opgenomen. De Raad vraagt
zich af wat dient te worden verstaan onder “verblijfplaats”: wordt hiermee
gedoeld op het concrete pleeggezin of een bepaalde
jeugdbeschermingsinstelling waarin de jeugdige wordt geplaatst of
dient in het verzoek ‘slechts’ te worden vermeld dat het gaat om een
machtiging voor pleegzorg of verblijf in een jeugdbeschermingsinrichting
(zoals onder het huidige recht). De Raad beveelt aan het begrip ‘verblijfplaats’
in de MvT te verduidelijken.
Een onduidelijkheid in artikel 2.3 lid 1 van de Jeugdwet
Artikel 1:261 lid 2 Bw luidt als volgt: ‘de machtiging [tot uithuisplaatsing] kan
eveneens worden verleend op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of op
verzoek van het OM. De RvdK of het OM overleggen bij het verzoek, bedoeld in het
eerste lid, het besluit van het college van burgemeesters en wethouders, bedoeld in
1    Eerste Kamer 2013/14, 33684, nr. F pagina 4
                                             2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet’. Genoemd artikel uit de Jeugdwet spreekt
echter helemaal niet van een ‘besluit’ maar van het treffen van voorzieningen op het
gebied van jeugdhulp door de gemeente.
Het begrip ‘belang van het kind’
Artikel 1:261 lid 3 Bw bepaalt dat de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing
kan verlenen zonder dat het college een daartoe strekkend besluit heeft genomen,
indien ‘het belang van het kind’ dit vergt. Dit is een erg ruim criterium, dat in de MvT
nader zou moeten worden toegelicht.
Opmerkingen over Hoofdstuk 2. Wijzigingen in de Jeugdwet
Artikel 2.1 onder A
Artikel 2.1 onder A Invoeringswet voorziet in een aanpassing van artikel 1.1 van de
Jeugdwet. Het begrip en de begripsomschrijving van begeleiding komen te vervallen.
In de toelichting is de reden hiervoor niet opgenomen. De Raad beveelt aan in de MvT
op te nemen welke reden hieraan ten grondslag ligt.
Algemene opmerking over de Jeugdwet
Het is de Raad opgevallen dat voor de spoedmachtiging tot een gesloten plaatsing is
voorzien in een expliciete wettelijke basis in artikel 6.1.3 Jeugdwet. Het is inconsistent
dat de spoedmachtiging tot een gesloten plaatsing wel voorzien is van een expliciete
wettelijke basis en de ‘reguliere spoedmachtiging uithuisplaatsing’ niet. De Raad
beveelt daarom aan dat ook voor deze laatste machtiging in een expliciete wettelijke
basis wordt voorzien en wel in Boek 1 BW, bijvoorbeeld in een apart wetsartikel zoals
dat ook het geval is bij de spoed- ondertoezichtstelling [art. 1:255 Bw]). Daarin kan
dan ook worden geregeld of en zo ja binnen welke termijn door de RvdK/OM (en in de
visie van de Raad ook door de g.i.) een besluit van het college bij het verzoek moet
worden overlegd.
De Raad is van mening dat de Jeugdwet, het Uitvoeringsbesluit en de Invoeringswet
Jeugdwet momenteel onvoldoende waarborgen bieden om een belangrijk knelpunt dat
ook al in het huidige jeugdzorgstelsel bestaat op te kunnen lossen. Dit heeft te maken
met het begrip woonplaats zoals gehanteerd in de Jeugdwet2 en met de situatie waarin
ouders van een minderjarige in verschillende gemeenten wonen. Een voorbeeld hiervan
is de casus waarin een met het gezag belaste ouder woont in woonplaats A en het kind
woont in woonplaats B bij de niet met het gezag belaste ouder en waarin de noodzaak
van het opleggen van een kinderbeschermingsmaatregel is gebleken. De gemeente
van woonplaats A is verantwoordelijk voor jeugdhulp/jeugdbescherming. Bij de
noodzaak van het opleggen van een kinderbeschermingsmaatregel is het in dit geval
bijvoorbeeld de vraag of de verantwoordelijke gemeente een contract heeft afgesloten
met de g.i. in de regio van verblijf van de jeugdige. Dat zou betekenen dat zo’n 400
gemeenten individueel contracten zouden moeten afsluiten met g.i.’s. De vraag is ook
hoe snel overleg plaats kan vinden tussen de g.i. en de gemeente indien er sprake is
van een grote afstand, kan er dan nog spoedige en snelle hulpverlening plaatsvinden?
In de Jeugdwet is in artikel 3.5 lid 3 opgenomen dat de g.i. en het college de wijze
van overleggen vastleggen in een protocol. Over de inhoud van deze protocollen is
echter nog niets bekend,3 zodat de Raad ook niet kan beoordelen of en op welke wijze
knelpunten ten aanzien van de jeugdzorg bij verschil van woonplaats van ouder(s) en
jeugdige voorkomen of opgelost gaan worden.
Overgangsvoorziening.
De Raad acht het juist dat alsnog overgangsbepalingen, te weten de artikelen 10.10
en 10.11 in de wet zijn opgenomen. De Kinderombudsman heeft in dit verband
2    In de jeugdwet is artikel 1 van 12 Boek 1 van het Bw van toepassing. Dit artikel luidt als volgt: een min-
     derjarige volgt de woonplaats van hem die het gezag over hem uitoefent […..]. Oefenen beide ouders
     tezamen het gezag over hun minderjarige kind uit, doch hebben zij niet dezelfde woonplaats, dan volgt
     het kind de woonplaats van de ouder bij wie het feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven.
     Onder woonplaats wordt dus verstaan de ‘juridische’ woonplaats.
3    Voor een beschrijving van een casus met een aantal knelpunten wordt verwezen naar FJR 2014/4
     Goverts, Kramer en van Wijk:‘ het wetsvoorstel Jeugdwet bekeken aan de hand van een casus jeugdbe-
     scherming’
                                                3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>aangekondigd met een transitieplan te komen en de Raad beveelt aan als dat plan er
ligt mede aan de hand daarvan te toetsen of deze overgangsbepalingen voldoende
waarborg inhouden voor de vereiste continuïteit en kwaliteit van de (gedwongen)
jeugdzorg.
Hoogachtend,
namens de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming,
mr. L.A.J.M. de Wit, algemeen voorzitter
Bijlage
                                      4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Tekstuele opmerkingen.
Zonder volledig te willen zijn, zijn de Raad de volgende redactionele punten opgevallen.
p. 1
In de aanhef van het wetsvoorstel is deze zin opgenomen: “Alzo Wij… , alsmede een
aantal wetten waarin wordt verwezen naar de Wet op de jeugdzorg aan te passen aan de
Binnenvaartwet.” De verwijzing naar de Binnenvaartwet lijkt niet juist.
p. 3
Artikel 1.8 onder A:
Bij artikel 269 wordt niet verwezen naar een lid / onderdeel, terwijl artikel 269 wel
meerdere leden heeft. Het zou artikel 269, eerste lid, onderdeel d moeten zijn.
Artikel 1.8 onder C:
Er wordt een wijziging in artikel 265, tweede lid, aangebracht, terwijl dit artikel op pagina
4 onder G in zijn geheel wordt gewijzigd. De opname van artikel 265, tweede lid, in artikel
1.8 onder C van de Invoeringswet is derhalve overbodig.
p. 7
Artikel 1.32:
Artikel 21, vierde lid, van de Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen bestaat
sinds 1 januari 2014 niet meer. Door een wetswijziging is een groot deel van artikel 21
geschrapt. Artikel 21, vierde lid, van de Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen
hoeft dus niet meer opgenomen te worden in artikel 1.32 van de Invoeringswet.
p. 9
Artikel 1.49:
Artikel 2, negende lid, van de Ziektewet, moet worden gewijzigd in artikel 1, negende lid,
van de Ziektewet.
                                           5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>