<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Conceptwetsvoorstel terugkeer en vreemdelingenbewaring
Advies d.d. 20 februari 2014
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Conceptwetsvoorstel terugkeer en vreemdelingenbewaring
                                                      2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Inhoud
Samenvatting.................................................................................................... 5
Adviesvraag...................................................................................................... 7
Inleiding........................................................................................................... 9
Alternatieven voor vreemdelingenbewaring.................................................... 11
    Bewaring: ‘nee, tenzij’ – of is het ‘ja, tenzij”?................................................... 11
    Subsidiariteitsbeginsel................................................................................... 11
    Ambtshalve onderzoek naar alternatieven........................................................ 12
    Criteria voor inbewaringstelling; toepassing bij kwetsbare personen..................... 12
    Concrete alternatieven................................................................................... 13
    Doelstelling tenuitvoerlegging identiek aan die van oplegging bewaring?............... 13
Methoden in bewaring om effectieve terugkeer te realiseren.......................... 15
    Doelstelling en zin van terugkeeractiviteiten..................................................... 15
    Algemene voorwaarden voor succes van terugkeeractiviteiten............................. 15
    Verplichte deelname aan terugkeeractiviteiten.................................................. 16
    Activiteiten in het kader van dagbesteding........................................................ 17
Balans tussen een humaan regime versus veiligheid en beheersbaarheid....... 19
    Het karakter van een niet-penitentiair regime................................................... 19
    Het beginsel van minimale beperkingen........................................................... 20
    Structurele vormen van vrijheidsbeperking....................................................... 20
    Incidentele / persoonsgerichte vrijheidsbeperking............................................. 21
De rechtsbescherming in vreemdelingenbewaring.......................................... 23
De aandacht voor de bijzondere noden van bijzondere groepen...................... 25
De onderbrenging van alleenstaande niet begeleide minderjarigen................ 27
Overige en artikelsgewijze opmerkingen......................................................... 29
   Vreemdelingenbewaring op andere plaatsen...................................................... 29
   Medische zorg............................................................................................... 29
   Toezicht........................................................................................................ 29
   Insluiting gedurende de dag............................................................................ 29
   Relatie tussen vreemdelingenbewaring en strafbaar feit...................................... 30
   Geprivilegieerde contacten.............................................................................. 30
   Onderzoek aan kleding / aan het lichaam.......................................................... 30
   Kosten voor onderzoek verboden voorwerpen.................................................... 30
   Informatieverwerking..................................................................................... 30
   Beklaggronden.............................................................................................. 31
   Terminologie................................................................................................. 31
    Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Conceptwetsvoorstel terugkeer en vreemdelingenbewaring
                                                            3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Conceptwetsvoorstel terugkeer en vreemdelingenbewaring
                                                      4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Samenvatting
Met het afzonderlijk wettelijk regelen van vreemdelingenbewaring, waarbij deze buiten de
werkingssfeer van de penitentiaire wetgeving wordt gebracht, wordt tegemoetgekomen
aan het karakter van vreemdelingenbewaring als bestuursrechtelijke maatregel. Het van
toepassing verklaren van Europese regelgeving en aanbevelingen, waaronder de Europese
Terugkeerrichtlijn, onderstreept het ultimum-remediumkarakter van vreemdelingenbewaring
en biedt mogelijkheden voor een meer humane tenuitvoerlegging.
Het loslaten van het openbare-ordecriterium voor het opleggen van vreemdelingenbewaring
resulteert in een helderder grond voor de toepassing van de maatregel.
Op deze drie belangrijke onderdelen komt het wetsvoorstel tegemoet aan aanbevelingen
van de Raad uit 2008 en van tal van andere adviesorganen en organisaties. De Raad heeft
hier waardering voor en steunt het streven naar een humane tenuitvoerlegging van de
vreemdelingenbewaring.
Het wetsvoorstel verdient echter op essentiële onderdelen heroverweging of aanpassing.
Het doel van de bewaring en van de tenuitvoerlegging ervan is beperkt tot het beschikbaar
houden van de ingeslotene voor procedures krachtens de Vreemdelingenwet. De directeur
van de inrichting voor vreemdelingenbewaring speelt geen rol in deze procedures. Daarom
komen hem geen bevoegdheden toe die zijn gericht op het gedwongen vertrek als zodanig.
Een neutrale houding hiertegenover biedt het personeel ruimte voor het opbouwen van een
vertrouwensband met de vreemdelingen, die waardevol is in het kader van een humane
bejegening.
Door het opbouwen van het wetsvoorstel op de grondslag en volgens het stramien
van de Penitentiaire beginselenwet behouden de inrichting en het regime van
vreemdelingenbewaring sterker een penitentiair karakter dan strookt met de
bestuursrechtelijke aard en de doelstelling van de maatregel.
Teneinde recht te doen aan het beginsel van minimale beperkingen zou het regime in
de tenuitvoerlegging beter kunnen worden opgebouwd vanaf de andere kant van het
spectrum: geen beperkingen, tenzij deze nodig zijn om ontsnapping tegen te gaan, dan wel
ingeslotenen en medewerkers te beschermen tegen agressie of overlast. Tegenover een
adequate buitenbeveiliging kan een maximale interne vrijheid staan. De optelsom van het
ruime scala aan beheersmaatregelen en –bevoegdheden waarover de directeur beschikt plus
het inrichten van een beheersregime is buitenproportioneel zwaar gelet op de kenmerken
van de populatie. Het beheersregime wordt gekenmerkt door straffende elementen die in
vreemdelingenbewaring niet thuishoren. De Raad acht het invoeren van een beheersregime
onnodig, kwetsend en daarom ongewenst.
Bij het aanbieden van activiteiten waarmee wordt beoogd belemmeringen voor terugkeer
weg te nemen kan het beste (uitsluitend) worden aangesloten bij de individuele behoeften
van vreemdelingen, met name zoals die aan het licht komen in de begeleiding door niet-
gouvernementele organisaties als de Internationale Organisatie voor Migratie. Daarnaast is
een ruim aanbod van activerende dagbesteding passend om vanuit humaniserend oogpunt
    Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Conceptwetsvoorstel terugkeer en vreemdelingenbewaring
                                                          5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>de sfeer van lethargie en verveling, die het verblijf in bewaring kenmerkt, tegen te gaan.
Het op straffe van een disciplinaire sanctie verplichten tot deelname aan activiteiten wordt
afgewezen als niet passend binnen de doelstelling van vreemdelingenbewaring.
    Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Conceptwetsvoorstel terugkeer en vreemdelingenbewaring
                                                          6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Adviesvraag
In de adviesaanvraag is de Raad gevraagd met name in te gaan op vijf specifieke punten.
Deze luiden:
1. De in het voorstel getroffen balans tussen een humaan regime met oog voor de
    menselijke maat enerzijds en de noodzaak de veiligheid en beheersbaarheid te kunnen
    handhaven anderzijds;
2. De rechtsbescherming in vreemdelingenbewaring;
3. De aandacht voor de bijzondere noden van bijzondere groepen;
4. De onderbrenging van alleenstaande niet begeleide minderjarigen;
5. Minder dwingende alternatieven voor vreemdelingenbewaring (a) en methoden in
    bewaring om effectieve terugkeer te realiseren (b).
De Raad besteedt aan deze vragen aandacht, naast onderwerpen van meer algemene
strekking. Hierbij is vraag 5 gesplitst in twee deelvragen. De eerste hiervan (a) wordt als
startpunt van het advies genomen aangezien de benadering van vreemdelingenbewaring
in het wetsvoorstel ervan uitgaat dat bewaring als laatste middel slechts wordt toegepast
waar andere (toezicht)maatregelen niet afdoende zijn. Vervolgens gaat de Raad in op het
doel van vreemdelingenbewaring en de implicaties voor de inrichting ervan, en worden de
andere specifieke vragen behandeld. Ten slotte worden kanttekeningen geplaatst bij enkele
afzonderlijke artikelen.
Dit advies is een vervolg op het RSJ-advies Vreemdelingenbewaring van 16 juni 2008.
Daarnaast sluit het advies aan op de in 2013 uitgebrachte adviezen Vreemdelingenbewaring
of een lichter middel? van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (verder: ACVZ) en
Van bejegening tot vertrek van het WODC.
Voor de totstandkoming van dit advies heeft de Raad gesprekken gevoerd met een aantal
betrokken functionarissen1 en is onderzoeksmateriaal en andere literatuur geraadpleegd.
   1   Directie en medewerkers van detentiecentra Schiphol en Zeist; COA, IOM, Stichting LOS, Directie Migratiebeleid van het ministerie
       van V&J, Dienst Terugkeer en Vertrek en de Directie Bijzondere voorzieningen van de DJI, december 2013 en januari 2014.
     Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Conceptwetsvoorstel terugkeer en vreemdelingenbewaring
                                                                   7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Conceptwetsvoorstel terugkeer en vreemdelingenbewaring
                                                      8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Inleiding
Het wetsvoorstel beoogt het afzonderlijk wettelijk regelen van vreemdelingenbewaring,
waarbij deze buiten de werkingssfeer van de penitentiaire wetgeving wordt gebracht.
Hiermee wordt recht gedaan aan het karakter van vreemdelingenbewaring als
bestuursrechtelijke maatregel.
Het van toepassing verklaren van Europese regelgeving en aanbevelingen, waaronder
de Europese Terugkeerrichtlijn, onderstreept het ultimum-remediumkarakter van
vreemdelingenbewaring en biedt mogelijkheden voor een meer humane tenuitvoerlegging.
Op basis van de Terugkeerrichtlijn worden de grond en de voorwaarden voor toepassing van
vreemdelingenbewaring opnieuw geformuleerd. Hierbij wordt het nu geldende openbare-
ordecriterium losgelaten. Dit resulteert in een helderder grond voor de toepassing van de
maatregel.
Op deze drie belangrijke onderdelen komt het wetsvoorstel tegemoet aan aanbevelingen
van de Raad uit 2008 en van tal van andere adviesorganen en organisaties. De Raad heeft
hier waardering voor en steunt het streven naar een humane tenuitvoerlegging van de
vreemdelingenbewaring.
    Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Conceptwetsvoorstel terugkeer en vreemdelingenbewaring
                                                          9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Conceptwetsvoorstel terugkeer en vreemdelingenbewaring
                                                      10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>Alternatieven voor vreemdelingenbewaring
Bewaring: ‘nee, tenzij’ – of is het ‘ja, tenzij”?
In de Memorie van Toelichting (MvT) wordt uiteengezet over welke bestuursrechtelijke
dwangmiddelen de overheid beschikt teneinde gedwongen vertrek te realiseren van
vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland verblijven en niet zelfstandig vertrekken.
Vreemdelingenbewaring is het zwaarste van deze middelen en wordt aangemerkt als
“ultimum remedium dat alleen wordt ingezet als minder ingrijpende maatregelen ten
behoeve van terugkeer niet kunnen worden toegepast”. Dit uitgangspunt wordt verwoord
in het voorgestelde artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (verder: Vw), waarin artikel 15 van
de Terugkeerrichtlijn als toetsingskader voor vreemdelingenbewaring is overgenomen.
Bewaring is toegestaan “tenzij in een bepaald geval andere afdoende maar minder
dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast...”. In de MvT wordt dit
aangeduid als het ‘nee, tenzij’-criterium.2
Vervolgens worden twee voorwaarden gesteld voor toepassing van bewaring: er is een risico
op onttrekking en de vreemdeling ontwijkt of belemmert de voorbereiding van de terugkeer
of de verwijderingsprocedure.
Het ‘nee, tenzij’-criterium en beide voorwaarden tezamen komen de Raad voor als
voldoende basis voor een praktijk waarin bewaring het laatste middel is. In de nog te
concipiëren algemene maatregel van bestuur dient te worden ingegaan op de onderlinge
verhouding tussen de drie elementen en de betekenis van beide voorwaarden.
Subsidiariteitsbeginsel
Het ‘nee, tenzij-criterium’ geeft uitdrukking aan het subsidiariteitsbeginsel. Dit houdt
in dat een lichter middel overwogen / beproefd moet zijn voordat toepassing van een
zwaarder middel aan de orde kan komen. De Raad interpreteert dit criterium zodanig dat
alternatieven daadwerkelijk zijn beproefd en in het betreffend geval niet effectief toepasbaar
zijn gebleken, voordat tot bewaring kan worden overgegaan. Procedures dienen zodanig te
worden vormgegeven dat de bestuursrechter dit ook kan toetsen. In de MvT op onderdeel
J staat hierover dat alternatieven overwogen dienen te worden en op de in bewaring
stellende autoriteit een onderzoeksplicht rust. Hij “zal uitdrukkelijk dienen te informeren of
opvangmogelijkheden voor de vreemdeling voorhanden zijn”. In de MvT wordt op dit punt
meer ingevuld dan in het voorgestelde artikel 59 Vw wordt bepaald. Het verdient daarom
aanbeveling dit artikel op dit onderdeel te preciseren dan wel in het Vreemdelingenbesluit
(verder: Vb) hierop nader in te gaan. De Raad is van oordeel dat het informeren naar (en
vervolgens niet vinden van) een opvangmogelijkheid op zichzelf niet altijd een voldoende
legitimatie vormt voor het toepassen van bewaring.
De Raad meent dat het recht doen aan het subsidiariteitsbeginsel erom vraagt dat de
bestuursrechter niet alleen kort na aanvang van de bewaring (stel na 10 dagen) maar
ook daarna periodiek (stel maandelijks) de noodzaak van oplegging, respectievelijk
voortzetting toetst. De Raad acht dit temeer aangewezen nu in Nederland niet de rechter
maar de overheid de bewaring gelast, wat voor de toepassing van een vrijheidsbenemende
   2   De Raad merkt op dat dit criterium echter is geformuleerd als ‘ja, tenzij’. Om de kwalificatie ‘nee, tenzij’ te verdienen zou het dienen
       te luiden dat bewaring niet is toegestaan in geval er een alternatief kan worden toegepast.
     Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Conceptwetsvoorstel terugkeer en vreemdelingenbewaring
                                                                     11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>maatregel uitzonderlijk is. In dit licht kan erop worden gewezen dat in het WODC-onderzoek
Van bejegening tot vertrek een (licht) positief verband is gevonden tussen de door de
vreemdeling ervaren ‘uitkomstrechtvaardigheid’ van bewaring en diens vertrekbereidheid.
Het is dus ook om deze reden van enige betekenis dat de vreemdeling zich kan verenigen
met het feit dat hij niet in Nederland kan blijven en met de bewaring als zodanig. Een
regelmatige rechterlijke toets kan hieraan bijdragen.
Ambtshalve onderzoek naar alternatieven
De bewaring wordt onmiddellijk beëindigd als de gronden voor oplegging niet langer
aanwezig zijn.3 Ook wordt in de MvT duidelijk gemaakt dat gedurende de bewaring alsnog
toepassing van een alternatief mogelijk kan worden.4 Hierbij wordt aangetekend dat de
aanleiding daartoe “uit het dossier kan blijken” of dat de vreemdeling of zijn gemachtigde
op een alternatief kan wijzen. Het komt de Raad passend voor dat de overheid - i.c. de
Dienst Terugkeer en Vertrek – ambtshalve actief nagaat of er een alternatief kan worden
toegepast en dat het refereren aan “het dossier” daarop wijst. De bepaling en de toelichting
zouden op dit punt helderder zijn als het ambtshalve onderzoek naar de mogelijkheid van
een alternatief met zoveel woorden in de wet wordt opgenomen. Ook de ACVZ heeft hiertoe
een aanbeveling gedaan.5
Criteria voor inbewaringstelling; toepassing bij kwetsbare personen
Vanuit het beginsel van legitieme tenuitvoerlegging6 acht de Raad het een goede zaak dat de
aard van beperkende maatregelen alsmede toepassingscriteria bij wet worden vastgelegd.
Uit oogpunt van eenheid en consistentie van regelgeving verdient het de voorkeur om
criteria voor de toepassing van bewaring op één plaats, en wel in artikel 59 Vw, neer te
leggen. Lagere regelgeving zou dus slechts aanvullende bepalingen en nadere invulling van
de criteria moeten inhouden en geen geheel nieuwe criteria moeten kunnen toevoegen. Bij
algemene maatregel van bestuur zullen nadere regels worden gesteld over de criteria voor
inbewaringstelling en de toepassing bij kwetsbare personen (artikel 59 lid 5 Vw). De Raad
meent uit de formulering “over de criteria” op te kunnen maken dat dit ook de bedoeling is.
In MvT wordt in dit verband gesproken over indicaties en contra-indicaties voor bewaring.7
De Raad is van oordeel dat op dit punt niet alleen nadere regelgeving maar ook praktische
instructies dringend gewenst zijn.8 Op het begrip kwetsbare personen en de zorg voor hen
wordt later in dit advies teruggekomen.
In artikel 59 lid 1 Vw wordt gesproken over “andere ... maatregelen” zonder te refereren
aan de in de voorafgaande artikelen genoemde maatregelen (meldplicht en borgsom).
De Raad maakt hieruit op dat hier in algemene zin gedoeld wordt op (minder dwingende)
   3   Zie het voorgestelde artikel 59 lid 2 Vw.
   4   MvT, onderdeel J
   5   ACVZ, Vreemdelingenbewaring of een lichter middel? blz. 10.
   6   ‘Een adequate wettelijke regeling vormt de grondslag voor het inrichtingen en tenuitvoerleggen van sancties’. RSJ, Beginselen van
       goede bejegening 2012.
   7   MvT, onderdeel J.
   8   ACVZ, Vreemdelingenbewaring of een lichter middel? blz. 9: “In wet- en regelgeving zijn geen gronden omschreven wanneer moet
       worden afgezien van bewaring, of aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of iemand detentieongeschikt is. Naleving van het
       ultimum remedium principe hangt derhalve voor een groot deel af van de vraag hoe de uitvoerders met de in wet- en regelgeving
       neergelegde ruimte omgaan”.
     Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Conceptwetsvoorstel terugkeer en vreemdelingenbewaring
                                                                   12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>maatregelen van welke aard ook, die de overheid in een specifiek geval voldoende zekerheid
verschaffen dat de vreemdeling zich beschikbaar zal houden voor de terugkeerprocedure,
dan wel dat alle denkbare maatregelen zijn te vatten onder een of meer van de onder
artikel 56 lid 1 onder a, b en c genoemde vormen.
Concrete alternatieven
Met minder dwingende alternatieven is en wordt in de vorm van pilots ervaring opgedaan.
De Tweede Kamer is bij brief van 13 september 2013 geïnformeerd over het verloop
van deze pilots tot aan 1 juni 2013.9 De bevindingen lieten weinig conclusies toe over
het mogelijke succes van deze alternatieven. In de brief aan de Tweede Kamer wordt
dit vooral toegeschreven aan het feit dat de meeste vreemdelingen niet voldeden aan
de toelatingseisen. Deze projecten zijn voortgezet en er zullen daarom inmiddels meer
gegevens beschikbaar zijn. De Raad ziet met belangstelling uit naar de uitkomsten nadat de
pilots zullen zijn afgerond. De Raad is het ermee eens dat voortzetting aangewezen is, maar
meent dat dat dit zonder verruiming van toelatingseisen weinig zin zal hebben.10
Doelstelling tenuitvoerlegging identiek aan die van oplegging bewaring?
De Raad meent dat de manier waarop de doelstelling van bewaring in het voorgestelde
artikel 3 lid 2 van de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring (verder Wtv) wordt
geformuleerd en in de MvT wordt toegelicht verschillende interpretaties toelaat.11 Is
het doel van bewaring beperkt tot het beschikbaar houden van de vreemdeling voor
vertrekprocedures, of speelt de bewaring tevens een rol in het bevorderen van terugkeer?
De Raad merkt op dat in dit artikel, anders dan het ermee corresponderende artikel 2 lid 2
van de Pbw, de doelstelling van de tenuitvoerlegging wordt gedefinieerd als samenvallend
met het doel van de (oplegging van de) maatregel als zodanig.12 Het voorgestelde artikel
3 lid 2 luidt namelijk: “de tenuitvoerlegging van de vreemdelingenbewaring is dienstbaar
aan de doelen genoemd in artikel 2”. In artikel 2 wordt dit doel geformuleerd als het
“beschikbaar houden voor uitzetting”. De maatregel en de tenuitvoerlegging ervan hebben
dus niet uitzetting tot doel, zij moeten slechts waarborgen dat deze niet onmogelijk wordt
doordat de vreemdeling zich aan toezicht onttrekt. Echter in de MvT op artikel 3 is te lezen:
“De terugkeer van de vreemdeling naar het land van herkomst of een ander land ... staat
dus in de vreemdelingenbewaring voorop”. Dit lijkt erop te duiden dat ook bevorderen
van terugkeer doel van bewaring zou zijn. Aanvullend hierop zijn aanwijzingen voor deze
lezing te vinden in andere bepalingen, waarin de inrichtingsdirecteur bevoegdheden worden
toegekend die ten dienste staan aan de terugkeer als zodanig,
-- art. 58 lid 1, “De directeur verwerkt in ... het belang van de terugkeer ...
     persoonsgegevens en andere gegevens van de vreemdeling en van andere personen”
-- art 58 lid 3: “De directeur kan ... voor zover dat noodzakelijk is voor het verkrijgen van
     informatie omtrent de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling ... de volgende
     persoonsgegevens verzamelen:
    9   Kamerstukken II 2013-2014 19 637, nr. 1721, bijlage 2.
    10  Zie ook ACVZ, Vreemdelingenbewaring of een lichter middel?, blz. 11.
    11  Tenzij anders aangegeven hebben alle in dit advies aangehaalde wetsartikelen betrekking op de Wtv.
    12  Artikel 2 lid 2 Pbw: Met handhaving van het karakter van de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel wordt de tenuitvoer-
        legging hiervan zoveel mogelijk dienstbaar gemaakt aan de voorbereiding van de terugkeer van de betrokkene in de maatschappij
      Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Conceptwetsvoorstel terugkeer en vreemdelingenbewaring
                                                                    13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>    •   telefoonnummers
    •   naam en nationaliteit van bezoekers
    •   gegevens ontleend aan de door de vreemdeling bij binnenkomst in de inrichting
        meegevoerde en gedurende het verblijf in de inrichting verkregen voorwerpen.
De Raad beveelt aan de suggestie dat de doelstelling van bewaring zich mede uitstrekt tot
het bevorderen van gedwongen terugkeer te vermijden. Als consequentie hiervan dient de
directeur niet over de genoemde bevoegdheden te beschikken. Dit behoeft overigens geen
enkel probleem te zijn nu deze en dergelijke bevoegdheden reeds toekomen aan de DT&V.
Verderop in dit advies wordt in dit verband ingegaan op de (vermeende) bevoegdheid van
de directeur om de vreemdeling medewerking aan bepaalde activiteiten op te dragen en, bij
het niet voldoen aan die verplichting, een disciplinaire maatregel op te leggen.
Een extra argument hiervoor kan worden ontleend aan de conclusies uit het WODC-
onderzoek Van bejegening tot terugkeer. Hierin wordt duidelijk dat vreemdelingen de DT&V
wel maar medewerkers van de detentiecentra niet associëren met gedwongen terugkeer.
Deze ‘neutrale’ positie stelt het personeel in staat tot het opbouwen van een voor een
humane bejegening noodzakelijke vertrouwensband met de vreemdelingen. Vreemdelingen
voelen zich door deze houding gerespecteerd. Juist hierdoor kunnen medewerkers de
vreemdelingen informeren over en waar mogelijk stimuleren tot contact met organisaties als
DT&V en IOM. Uit de bevindingen van dit onderzoek blijkt overigens dat medewerkers op dit
punt verschillend handelen. Een consistent optreden vraagt om een eenduidige doelstelling
van vreemdelingenbewaring en een daaruit voortvloeiende werkinstructie op dit belangrijke
onderdeel
    Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Conceptwetsvoorstel terugkeer en vreemdelingenbewaring
                                                          14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>Methoden in bewaring om effectieve terugkeer te realiseren
Doelstelling en zin van terugkeeractiviteiten
In het WODC-onderzoek Van bejegening tot vertrek13 wordt geconcludeerd dat de
afschrikwekkende werking van bewaring beperkt is en het verblijf en de bejegening
in bewaring (in de huidige vorm) niet rechtstreeks bijdragen aan de ontwikkeling van
terugkeerbereidheid bij vreemdelingen. Waaraan mag worden toegevoegd dat bereidheid tot
terugkeer geen voldoende voorwaarde vormt voor het daadwerkelijk realiseren daarvan.
Gelet op de bevindingen van het WODC is aannemelijk dat het zinvol is in
terugkeeractiviteiten14 te investeren, maar dat het de vraag is welke dat kunnen zijn. Uit
werkbezoeken aan detentiecentra en documentatie van de IOM is het de Raad duidelijk
geworden dat individueel gerichte inspanningen om hinderpalen voor terugkeer weg
te nemen wel tot succes kunnen leiden. De Raad komt op basis van documentatie15 en
gesprekken met betrokkenen tot het voorlopige oordeel dat een ongericht, algemeen
aanbod in dit opzicht daarentegen niet veel kan bijdragen. De Raad refereert hierbij tevens
aan het onderzoek van de UvT (zie noot 9), waarin een analyse wordt gegeven van factoren
die van betekenis zijn voor verbetering van de kwaliteit, de effectiviteit en de humaniteit
van het terugkeerproces:
-- persoonsgeboden factoren;
-- factoren verbonden aan het land van herkomst;
-- factoren gerelateerd aan de bejegening en
-- factoren gerelateerd aan de uitvoering van het uitzettingsproces.
Door het besteden van aandacht aan het leven van de vreemdeling na terugkeer draagt
vreemdelingenbewaring bij aan ‘terugkeer in de samenleving’, zij het niet de Nederlandse
samenleving. Verder is het goed om naar analogie met de nazorg na strafrechtelijke
detentie de vijf ‘leefgebieden’ (huisvesting, inkomen, zorg, identiteitspapieren en
dagbesteding) te onderzoeken, die per definitie per persoon verschillen. Het is daarom
essentieel dat per individu wordt bekeken welke combinatie van activiteiten tijdens bewaring
en faciliteiten in het land van bestemming aangewezen zijn, en op welk moment en met
welke intensiteit deze activiteiten worden aangeboden. De studie van de UvT geeft hiervoor
concrete aanbevelingen, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Algemene voorwaarden voor succes van terugkeeractiviteiten
Het is van belang dat landen die principieel geen medewerking verlenen aan gedwongen
terugkeer van onderdanen de terugkeer van degenen die aan terugkeeractiviteiten
deelnemen als vrijwillig kunnen aanmerken. Dit laat zien dat het optreden van organisaties
die zowel in Nederland als landen van herkomst actief zijn, een pre is. Het is daarom
   13 Kamerstukken II 2013 -20114, 19 637, nr. 1739.
   14 Hierbij doelen we op educatieve en anderszins vormende activiteiten die worden aangeboden met als oogmerk belemmeringen
      voor terugkeer weg te nemen door de vreemdeling beter toe te rusten voor het opbouwen van een toekomst in zijn land van be-
      stemming. Het gaat niet om wat in het voorgestelde artikel 22 wordt aangeduid als terugkeeractiviteiten: gesprekken met de DT&V.
      Het lijkt zuiverder deze laatste aan te merken als contacten, behorend tot de uitzettingsprocedure. Op de naar het oordeel van de
      Raad onvoldoende heldere definitie van ‘terugkeeractiviteiten’ wordt elders in dit advies teruggekomen.
   15 M. Kox e.a., Detentiebeleving van strafrechtelijk gedetineerden zonder verblijfsrecht, themanummer Tijdschrift voor Criminologie
      2013; B. van Alphen e.a., Van bejegening tot vertrek, WODC 2013; A.M. van Kalmthout e.a., Terugkeermogelijkheden van vreemdelin-
      gen in de vreemdelingenbewaring, UvT Tilburg 2005.
    Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Conceptwetsvoorstel terugkeer en vreemdelingenbewaring
                                                                    15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>aanbevelenswaardig om deze organisaties optimaal toe te rusten en toegang te verlenen
om in inrichtingen voor bewaring actief te zijn. Uit informatie van de IOM is daarnaast op
te maken dat het toekennen van financiële middelen of steun in natura ten behoeve van
hervestiging een in veel gevallen doorslaggevend instrument vormt. Ook hier past daarom
geen zuinigheid. Het is bekend dat veel vreemdelingen en hun familie zich behoorlijk in
de schulden hebben gestoken om de overtocht naar Nederland te kunnen maken en dat
het bestaan van die schulden een hinderpaal voor terugkeer vormt. De realiteit van dit
gegeven nodigt uit om heen te stappen over eventuele gevoelsmatige weerstand tegen het
toekennen van ‘vertrekpremies’.
Voorts is het verstandig dat de vreemdeling serieus wordt genomen in zijn bezwaren
tegen of angst voor terugkeer. Deze vinden hun grond in uiteenlopende oorzaken maar
zijn doorgaans zo dwingend dat activiteiten als het aanleren van een vaardigheid op
zichzelf geen factor van betekenis kunnen vormen om ze weg te nemen. In de tweede
plaats verschillen persoonlijke behoeften sterk en zijn deze per inrichtingspopulatie door
de tijd heen ook aan verandering onderhevig. Dat maakt het voor inrichtingen niet goed
uitvoerbaar om voor een redelijke doelgroep doorlopende activiteiten met een professioneel
karakter en niveau te organiseren. Het is daarom aanbevelenswaardig vooral of alleen die
activiteiten aan te bieden die vallen binnen het kader van hetgeen op individuele indicatie
door IOM en verwante organisaties als zinvol wordt aangemerkt.
De Raad juicht het toe dat de directeur de vreemdeling kan toestaan de inrichting te
verlaten voor terugkeeractiviteiten (artikel 51). De MvT noemt hierbij het voorbeeld van
bezoek aan een ambassade of het verlenen van zorg. Niet genoemd wordt het deelnemen
aan cursussen en vormende activiteiten in de samenleving. Gezien het noodzakelijkerwijs
beperkte aanbod daarvan in de inrichtingen zou het passend zijn om het op individuele basis
mogelijk te maken dat vreemdelingen – eventueel met een elektronisch controlemiddel –
van algemene voorzieningen gebruik maken.
Verplichte deelname aan terugkeeractiviteiten
De vreemdeling is verplicht mee te werken aan terugkeeractiviteiten (artikel 22). De
Raad acht de omschrijving in de MvT van wat onder terugkeeractiviteiten moet worden
verstaan onvoldoende helder. In de begripsbepalingen (artikel 1 lid 1) wordt wel het
begrip activiteiten maar niet het meer specifieke ‘terugkeeractiviteiten’ gedefinieerd. Het
begrip terugkeeractiviteiten wordt te meer diffuus nu in de MvT, paragraaf 3.4, ook (de?)
dagbesteding wordt aanmerkt als gericht op terugkeer. Zelfs een activiteit als e-learning
wordt hierbij genoemd als voorbeeld van een activiteit waaraan de vreemdeling verplicht
is mee te werken. Zeker gelet op de in artikel 22 neergelegde verplichting is een nadere
definitie onontbeerlijk. Hiermee wil de Raad niet zeggen dat het opleggen van een dergelijke
verplichting gewenst is. Dit houdt immers in dat de vreemdeling die deze verplichting niet
nakomt daarvoor een sanctie kan worden opgelegd. De Raad is er principieel op tegen dat
de vreemdeling langs deze weg wordt gebracht tot het meewerken aan uitzetting. Het op
straffe van een sanctie verplichten tot deelname aan terugkeeractiviteiten verdraagt zich
niet met het doel van de bewaring, waarover hiervoor al meer is gezegd. Het toepassen
    Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Conceptwetsvoorstel terugkeer en vreemdelingenbewaring
                                                          16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>van disciplinaire maatregelen is hiervoor ook niet bedoeld. Een disciplinaire maatregel kan
krachtens artikel 54 worden gegrond op het niet opvolgen van een “bevel als bedoeld in
artikel 5”. Artikel 5 lid 1 brengt de bevoegdheid van de directeur tot het geven van bevelen
enkel in verband met het verzekeren van het verblijf in de inrichting of het handhaven van
de orde en veiligheid. Het doen deelnemen aan activiteiten van welke aard dan ook kan
hieronder niet worden begrepen. Het opleggen van deze verplichting is ten slotte ook af
te raden omdat het de positie van de functionarissen en organisaties die deze activiteiten
uitvoeren niet versterkt. Niet valt in te zien hoe het het gezag van de DT&V ten goede zou
komen als de vreemdeling op straffe van een disciplinaire maatregel tot gesprekken wordt
gedwongen. Gelet op deze overwegingen beveelt de Raad aan de bemoeienissen van de
DT&V niet aan te merken als activiteiten maar als contacten. Het is aan de DT&V zelf en niet
aan de inrichtingsdirecteur om de vreemdeling, desnoods met inschakeling van de ‘sterke
arm’, tot medewerking aan bijvoorbeeld bezoek aan ambassades te brengen.
Activiteiten in het kader van dagbesteding
Een geheel andere zaak is het aanbieden van creatieve en recreatieve activiteiten als
dagbesteding als bedoeld in artikel 23. Activering is een doel dat inherent hoort te zijn
aan het regime in een justitiële inrichting. Hierbij moet worden bedacht dat personen in
vreemdelingenbewaring vaak een lange geschiedenis van internering en hospitalisering
achter de rug hebben. De ACVZ schetst in het rapport Verloren Tijd hiervan een indringend
beeld. Nieuwe bewaring zal deze toestand van lethargie niet verminderen. In het
gevangeniswezen vormt arbeid een belangrijke factor voor bezigheid en structuur. Nu deze
in vreemdelingenbewaring niet wordt geboden, zal vooral uit oogpunt van humaniteit maar
ook vanuit het rationele argument dat ledigheid leidt tot apathie en ongewenst gedrag
gezorgd moeten worden voor ruime mogelijkheden om bezig te zijn. Hierbij hoort een
(bewegings)vrijheid die nodig is om hiervan op elk gewenst moment gebruik te kunnen
maken.
Overigens kan de Raad de in de MvT beschreven redenen voor het niet aanbieden
van arbeid niet volgen. In de eerste plaats wordt betoogd dat het vreemd zou zijn om
vreemdelingen te laten werken die normaal gesproken (in de vrije samenleving) niet
mogen werken. Inderdaad zou het zich hiermee niet verdragen als de vreemdeling tegen
loon productiearbeid zou worden opgedragen. Een aanbod tot het vrijwillig verrichten van
bezigheden vergelijkbaar met wat in de samenleving als dagbesteding aan bijvoorbeeld
mensen met een beperking wordt georganiseerd lijkt echter geenszins uitgesloten en
kan een zinvolle tijdsbesteding vormen. In de tweede plaats zou, zo wordt in de MvT
gesteld, arbeid niet gericht zijn op terugkeer. Dit wekt ten onrechte de suggestie dat in
vreemdelingenbewaring louter activiteiten plaatsvinden die op terugkeer zijn gericht.
    Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Conceptwetsvoorstel terugkeer en vreemdelingenbewaring
                                                          17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Conceptwetsvoorstel terugkeer en vreemdelingenbewaring
                                                      18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>Balans tussen een humaan regime versus veiligheid en
beheersbaarheid
Het karakter van een niet-penitentiair regime
Een kernpunt van het wetsvoorstel is dat vreemdelingenbewaring niet (meer) plaatsvindt
in het gevangeniswezen en het regime niet is gebaseerd op de penitentiaire wetgeving.
Vreemdelingenbewaring is immers een bestuursrechtelijke maatregel en geen straf. De Raad
steunt daarom het in een aparte wet regelen van de Vreemdelingenbewaring. De opzet en
de inhoud van het voorgelegde conceptwetsvoorstel vertonen echter grote gelijkenis met de
Pbw. De benadering van het regime (verboden is wat niet is toegestaan, uren en situaties
waarop men is ingesloten zijn gereguleerd, vrijheden en ‘rechten’ zijn uitgedrukt in uren
en minima, ‘bevelen’ van de directeur moeten worden opgevolgd) en het stramien van de
wet volgen sterk het voorbeeld van de penitentiaire pendant. Voor deze vreemdelingen,
die niet op een straftitel worden ingesloten, is die penitentiaire inslag onnodig kwetsend.
Verschillen met de penitentiaire regelgeving zijn vooral ingegeven door het overnemen van
de Terugkeerrichtlijn.
Gelet op het in paragraaf 2 van de MvT zo sterk benadrukte niet-penitentiaire karakter
van de bewaring mist de Raad een uiteenzetting waarom bij het inrichting hiervan niet
ook is gekeken naar voorbeelden uit geheel andere sectoren.16 Het hanteren van de Pbw
als uitgangspunt is kennelijk als zo vanzelfsprekend aangenomen dat in de MvT niet wordt
beargumenteerd waarom dit is gebeurd. Naar de Raad meent, had het voor de hand
gelegen te bezien of het regime in de vreemdelingenbewaring niet (sterker) het karakter
had kunnen krijgen van het verblijf op vrijheidsbeperkende locaties van het COA. Ook daar
verblijven immers onder meer vreemdelingen die geen rechtmatig verblijf in Nederland
hebben en in afwachting zijn van uitzetting. De Raad beveelt aan de mogelijkheden van
een dergelijke benadering alsnog te verkennen. Subsidiair is te overwegen of het regime
van het nu vervallende grenslogies niet als standaard zou kunnen gelden. In de MvT dient
te worden ingegaan op de achtergrond van de gemaakte keuzes, waarbij zowel aandacht
wordt besteed aan het principiële karakter hiervan als aan argumenten van doelmatigheid,
zoals het feit dat het kabinet voorshands niet beschikt over andere mogelijkheden
dan vreemdelingenbewaring uit te doen voeren door de DJI en wel in de bestaande
detentiecentra en met het bestaande personeel. Voor argumenten van deze aard kan begrip
worden opgebracht (en dan mogen ze wel worden genoemd) maar een principiële keuze
voor niet-penitentiaire bewaring zou op termijn horen te leiden tot een regime dat daarmee
meer in overeenstemming is. In de MvT wordt de kritiek aangehaald die van vele zijden is
geleverd op het penitentiaire karakter van de bewaring en de Raad verwacht niet dat dit
wetsvoorstel op zichzelf deze kritiek wegneemt. Hierbij moet met name worden gewezen
op het meermalen door het CPT uitgedragen standpunt dat vreemdelingenbewaring behoort
plaats te vinden in speciaal voor dat doel ingerichte accommodaties.17 Het standpunt van het
CPT stemt overeen met het bepaalde in artikel 16 lid 1 van de Terugkeerrichtlijn. Uiteraard
   16 Voorbeeld is de Wet op de jeugdzorg die het mogelijk maakt dat minderjarigen civiel gesloten worden geplaatst. Daar geldt- an-
      ders dan in de Bjj - het principe: geen beperkingen, tenzij… specifiek opgenomen in een persoonlijk behandelplan.
   17 Laatstelijk in het CPT-rapport aan de Nederlandse regering d.d. 9 augustus 2012: “It has always been the CPT’s view that, in those
      cases where it is deemed necessary to deprive persons of their liberty for an extended period under aliens’ detention, they should
      be accommodated in centers specifically designed for that purpose...”.
    Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Conceptwetsvoorstel terugkeer en vreemdelingenbewaring
                                                                  19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>zal veel afhangen van de wijze waarop in de praktijk inhoud wordt gegeven aan het regime,
maar op dit ogenblik kan slechts een oordeel worden gegeven over het wetsvoorstel als
zodanig. Uit werkbezoeken aan detentiecentra heeft de Raad de stellige indruk gekregen
dat directies en medewerkers van deze inrichtingen de voorgestelde verruimingen in
bewegingsvrijheid, dagindeling, communicatie en activiteitenpakket toejuichen en op
onderdelen nog wel verder zouden willen gaan dan deze. Dit zal per inrichting verschillen
aangezien de accommodaties uiteenlopende mogelijkheden bieden. De Raad beveelt aan de
directies alle regimesverruimingen toe te staan die hen verantwoord voorkomen en die zij
kunnen realiseren en dit ook in de MvT te vermelden.
Het beginsel van minimale beperkingen
De Raad benadert de vraag naar het meest passende regime in de eerste plaats vanuit
het beginsel van minimale beperkingen. Terecht is dit beginsel, in een met de Pbw
vergelijkbare tekst, neergelegd in het voorgestelde artikel 3 lid 3. Voor het beoordelen van
het voorgestelde regime kan onderscheid worden gemaakt in structurele en incidentele
beperkingen. Structurele beperkingen zijn die welke in het algemeen voor groepen
of afdelingen gelden, incidentele de op een persoon van toegepaste (verdergaande)
beperkingen in het kader van disciplinaire en ordemaatregelen.
Structurele vormen van vrijheidsbeperking
Wat structurele beperkingen betreft kan voor vreemdelingenbewaring worden gesteld dat,
gegeven de (buiten)beveiliging die onttrekking aan bewaring tegengaat, de vreemdeling
binnen de inrichting in principe aan geen beperkingen onderhevig zou behoeven te zijn.
Dit lijkt een boude bewering maar als dit uitgangspunt wordt gehanteerd, zullen alle
beperkingen die toch worden toegepast, elk voor zich overtuigend beargumenteerd moeten
worden en het redeneren vanuit deze kant van het spectrum komt de Raad voor als passend
bij een niet-penitentiaire vorm van internering. Daaruit spreekt dat de vreemdeling in
de eerste plaats zelf verantwoordelijk is voor het indelen van zijn dag, de plaats waar hij
zich in de inrichting ophoudt, zijn dagbesteding en de contacten die hij in de inrichting en
met de buitenwereld onderhoudt. Vanzelfsprekend stelt het loutere verblijf in de inrichting
hier grenzen aan en ook zal er moeten worden voorzien in maatregelen die het veilig
samenleven in de inrichting garanderen. Niettemin kan de laatste kwestie worden benaderd
vanuit de vraag waar de vreemdeling behoefte aan heeft. Zo kan het, om zich te vrijwaren
van mogelijke overlast van anderen, voor hem voldoende zijn als hij zich kan terugtrekken
in zijn verblijfsruimte, waartoe anderen geen toegang hebben. Dat is een andere benadering
dan dat de inrichting voortdurend zou moeten voorzien in persoonlijk toezicht en deuren
van afdelingen en verblijfsruimten op bepaalde uren gesloten zijn.
Zonder op alle onderdelen specifiek in te gaan beveelt de Raad aan om overal waar het
regime beperkingen aanbrengt deze te heroverwegen en deze alleen daar te handhaven
waar ze uit oogpunt van veiligheid en orde strikt noodzakelijk zijn. Als voorbeeld noemen
we hierbij het gebruik van internet. In de COA-gezinslocatie die de Raad bezocht zijn de
vreemdelingen geheel vrij in elk gebruik van digitale media. Het is niet direct in te zien
waarom dit in een inrichting voor vreemdelingenbewaring anders zou moeten zijn. In de
     Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Conceptwetsvoorstel terugkeer en vreemdelingenbewaring
                                                           20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>MvT wordt aangekondigd dat onderzocht zal worden “in hoeverre het gebruik van e-mail,
sociale media en Skype op een verantwoorde manier mogelijk kan worden gemaakt – in
aansluiting op wat in andere sectoren van de DJI wordt ontwikkeld”. Het komt de Raad
voor dat die aansluiting gelet op het karakter van vreemdelingenbewaring juist niet van
toepassing is.
Een specifieke vorm van structurele beperkingen is het meer beperkte regime in de
voorgestelde inkomsten- en beheersafdelingen. Begrijpelijk is dat het gedrag van sommige
personen in een gemeenschap met anderen als bedreigend of overlastgevend ervaren kan
worden. Als dit gedrag een permanent karakter heeft is het goed om deze personen, voor
zo lang als noodzakelijk, buiten de groep te kunnen plaatsen. Dat maakt het des te meer
mogelijk om op reguliere afdelingen beperkingen te minimaliseren. De Raad is er echter
geen voorstander van dat voor personen die slechts in een bepaalde mate gescheiden van
anderen moeten worden ondergebracht, een regime wordt gecreëerd met beperkingen die
naar hun aard bedoeld zijn, of normaal gesproken ervaren zullen worden, als bestraffend.
Een voorbeeld van een dergelijke beperking is het niet mogen gebruiken van een eigen
mobiele telefoon. Ter bevordering van de veiligheid in de inrichting beschikt de directeur
immers over tal van mogelijkheden om op het individu gerichte maatregelen te nemen.
Vanuit het beginsel van individualisering is de Raad van oordeel dat een individugerichte
benadering voorgaat op maatregelen die groepen ingeslotenen treffen.18 Nu veiligheid
voldoende kan worden nagestreefd door het toepassen van individugerichte maatregelen
is het creëren van een beheersregime onnodig. De Raad acht daarnaast het creëren van
een regime met ‘punitieve’ elementen, mede bedoeld als aansporing tot goed gedrag op de
reguliere afdeling, niet passend in een niet-penitentiaire omgeving. Vreemdelingenbewaring
heeft immers, anders dan in andere sectoren van de DJI veelal aan de orde is, niet
bestraffing, maatschappijbeveiliging of gedragsverandering tot doel. Om deze redenen
wordt het inrichten van een beheersregime ontraden.
A fortiori geldt dit voor het plaatsen van nieuw binnenkomende vreemdelingen (en in
het bijzonder asielzoekers in de hun toekomende periode van veertien dagen ‘rust- en
bedenktijd’) in dit beperkte regime. Met het oog op het streven naar medewerking aan
terugkeer – en juist in de beginfase van de bewaring is de kans daarop het grootst – is het
direct in beperking plaatsen van betrokkenen wel de slechtst denkbare start. Juist bij nieuw
binnenkomende personen is het verstandig en passend individugericht te werk te gaan.
Incidentele / persoonsgerichte vrijheidsbeperking
De directeur van de inrichting voor vreemdelingenbewaring zal op basis van het
wetsvoorstel beschikken over alle regimaire mogelijkheden tot inperking van rechten
en vrijheden die ook de Pbw kent, zij het op een enkele plaats onder de voorwaarde dat
toepassing hiervan strikt noodzakelijk is. Het betreft
-- het gebruik van geweld (art. 36), waartoe een ministeriele geweldsinstructie wordt
    opgesteld, afgestemd op vreemdelingenbewaring;
-- toepassen van vrijheidsbeperkende middelen (art. 36);
   18 Beginsel van individualisering: de overheid houdt rekening met de belangen, noden en omstandigheden van elke afzonderlijke
       ingeslotene. RSJ, Beginselen van goede bejegening 2012.
     Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Conceptwetsvoorstel terugkeer en vreemdelingenbewaring
                                                                 21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>-- het verwerken van persoonsgegevens; identiteitscontrole na verlaten inrichting en na
    bezoek (art. 37, geen bevoegdheid maar voorschrift aan de directeur);
-- onderzoek aan kleding en voorwerpen; inbeslagname (art. 38, bevoegdheid);
-- onderzoek aan lichaam: bodyscan tenzij (art 39);
-- verrichtingen in het lichaam, door arts of verpleegkundige (art. 40);
-- uitsluiten van activiteiten, twee weken, telkens te verlengen (art. 41);
-- plaatsen in afzondering voor twee weken, telkens te verlengen (art. 42);
-- camera-observatie tijdens afzondering (art. 43);
-- mechanische middelen tijdens afzondering, 24 uur, telkens te verlengen (art. 44);
-- afzondering in andere inrichting (art. 45).
Dit overzicht is hier met name weergeven om aan te geven dat de overeenkomst met
de Pbw zodanig sterk is dat in feite van een penitentiair klimaat kan worden gesproken.
De Raad is van oordeel dat dit voor vreemdelingenbewaring principieel niet passend
is. Hoewel de behoefte van de inrichtingsdirecteur om als laatste middel over bepaalde
van deze bevoegdheden te beschikken erkend moet worden, is de optelsom hiervan
al te zwaar. Zeker als hierbij wordt bedacht dat de directeur als basis tevens beschikt
over de hierboven beschreven structurele vormen van beperking, ook indien daaruit het
beheersregime wordt geschrapt. Ter vergelijking: de directeur van een gezinslocatie van
het COA, waar zoals gezegd eveneens in stressvolle omstandigheden personen verblijven
die het land moeten verlaten, beschikt over niets van dit alles. Deze directeur is evengoed
verantwoordelijk voor orde en veiligheid in het centrum, maar moet bij ongeregeldheden
net als elke andere burger de assistentie van de plaatselijke politie inroepen. Dit noopt de
medewerkers tot een bejegening waarin probleemoplossing – uitgaande van een sterke
eigen verantwoordelijkheid van de bewoners zelf – centraal staat.
Zoals de Raad het beheersregime met zijn bestraffende elementen ontraadt, meent de Raad
dat ook de disciplinaire maatregel niet in de vreemdelingenbewaring thuishoort. Om een
veilig detentieklimaat te waarborgen kan met de ordemaatregel worden volstaan.
Alles overziend beveelt de Raad aan het geheel aan regimaire mogelijkheden voor
vrijheidsbeperking per onderdeel op absolute noodzaak te heroverwegen.
    Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Conceptwetsvoorstel terugkeer en vreemdelingenbewaring
                                                          22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>De rechtsbescherming in vreemdelingenbewaring
De Raad heeft geen opmerkingen bij de in afdeling 1 van hoofdstuk 8 van het wetsvoorstel
beschreven procedurele rechten. De in afdeling 2 beschreven rechtsmiddelen komen
overeen met de rechtsmiddelen die de Pbw kent. In aanvulling daarop wordt een versterking
ten opzichte daarvan voorgesteld door een uitbreiding van beklaggronden. Artikel 65
geeft de vreemdeling het recht van beklag over de omstandigheden in de bewaring in het
algemeen.
Als reden voor deze uitbreiding wordt in de MvT gesteld dat hiermee de bestuursrechter
kan worden ontlast. Hieruit begrijpt de Raad dat klachten van deze aard nu kennelijk in
de procedure van de bewaring als zodanig worden ingebracht. Hoe vaak dit het geval
is, in hoeverre de bestuursrechter deze behandelt en wat daarvan de consequenties zijn
wordt niet beschreven. Bij gebrek aan gegevens hierover kan niet zonder meer worden
aangenomen dat deze klachtmogelijkheid de rechter ontlast. Voor de bestuursrechter
vormen deze klachten hooguit een bijkomend punt bij de behandeling van de bewaring als
zodanig; de bestuursrechter zal hiervoor geen speciale zitting houden. Voor de beklag- en
beroepsrechter brengt de extra beklaggrond daarentegen wel een extra belasting mee,
waarmee overigens bij de bekostiging van beklagcommissies en de RSJ rekening zal moeten
worden gehouden.
In de MvT worden geen aanwijzingen aangedragen voor de behoefte aan een beklaggrond
over de hele breedte van de tenuitvoerlegging. Denkbaar is dat hieraan een meer specifieke
invulling wordt gegeven, zoals de bejegening, zowel door inrichtingsmedewerkers als
medisch personeel. Maar dit kan zich ook in de loop der tijd uitkristalliseren.
De Raad meent overigens dat beklag en beroep niet het eerstaangewezen middel vormen
voor het aan de orde stellen van algemene omstandigheden in de bewaring. Dit vormt
eerder een onderwerp voor overleg tussen de directeur en (een vertegenwoordiging van)
de vreemdelingen en vervolgens voor bemiddeling door de weekcommissaris. In elk geval
zou het streven naar verbetering van algemene omstandigheden niet afhankelijk moeten
zijn van individuele klachtafhandeling. Voorts vormt de extra beklaggrond slechts relatief
een uitbreiding, aangezien de beroepscommissie klachten over algemene zaken zoals het
ontbreken van arbeid of zorg, tekortkomingen verblijfsruimten, luchtplaatsen en -kooien en
dergelijke ook nu al geregeld ontvankelijk verklaart. Hoewel het individuele klachten betreft,
heeft de jurisprudentie in deze zaken veelal een algemene geldigheid.
In het wetsvoorstel wordt een beroepskamer vreemdelingenbewaring bij de RSJ
geïntroduceerd. Ook dit wordt in de MvT aangemerkt als een versterking van de
rechtsmiddelen van de vreemdeling. De Raad ziet de meerwaarde van deze constructie in
dit opzicht niet. Uiteraard zal de Raad moeten bezien hoe hij de beroepsvoorziening voor
de vreemdelingenbewaring gaat inrichten; een wettelijk voorschrift ter zake lijkt de Raad
onnodig. Als bijkomstigheid kan worden aangetekend dat de benaming ‘beroepskamer
vreemdelingenbewaring’ bij vreemdelingen en andere betrokkenen het misverstand kan
oproepen dat het hierbij om beroep tegen de bewaring als zodanig gaat.
Evenals in de samenstelling van de Raad deskundigheid op het gebied van
vreemdelingenbewaring gewaarborgd zal dienen te zijn, is dit het geval voor de
beklagcommissies. Hierin heeft de minister van V&J, die de leden van de commissies van
     Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Conceptwetsvoorstel terugkeer en vreemdelingenbewaring
                                                           23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>toezicht benoemt, een verantwoordelijkheid. Een tweede factor om bij een toename van het
aantal te behandelen zaken rekening mee te houden is dat de beklagcommissies in staat
moeten zijn om tijdig op de klacht te beslissen en dat feitelijk ook doen. Denkbaar is het
toekennen van een tegemoetkoming aan klager bij termijnoverschrijding.
Een factor van algemene strekking ten aanzien van de rechtsbescherming is de kwaliteit van
rechtshulp. Dit geldt zowel voor de oplegging en toetsing van de bewaring als zodanig als
voor geschillen in de tenuitvoerlegging. Aan randvoorwaarden voor deze kwaliteit dient zorg
te worden besteed.
    Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Conceptwetsvoorstel terugkeer en vreemdelingenbewaring
                                                          24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>De aandacht voor de bijzondere noden van bijzondere groepen
In het voorgestelde artikel 80, onderdeel A wordt de definitie van ‘kwetsbare personen’
volgens de Terugkeerrichtlijn van toepassing verklaard. De Raad acht dit een passende
voorziening op dit onderdeel en heeft hier verder geen opmerkingen bij. De inrichting van
‘afdelingen voor bijzondere opvang’ in plaats van de huidige ‘extra zorgafdelingen’ en de in
artikel 33 beschreven zorgplicht van de directeur lijken niet veel verschil te maken met de
situatie in het gevangeniswezen. In het voorgestelde artikel 32 wordt een relatieafdeling
in het leven geroepen. Het is de Raad niet helemaal duidelijk in hoeverre voortaan
weer gezinnen met kinderen in inrichtingen voor vreemdelingenbewaring zullen worden
geplaatst. Nu deze niet langer penitentiaire inrichtingen zijn, zou het bezwaar daartegen
althans formeel wegvallen. Of het ook gewenst zou zijn, is de vraag. Uit informatie tijdens
een bezoek aan een COA-gezinslocatie maakte de Raad op dat zal worden doorgegaan
met het aldaar onderbrengen van gezinnen met kinderen en dat de relatieafdeling in
vreemdelingenbewaring bedoeld is voor personen die in een andere relatie tot elkaar staan
zoals broers en zussen.
De Raad wijst in dit verband op de volgende passage uit de zgn. ‘koepelbrief’ van de
Staatssecretaris van V&J van september 201319: “Het beleid voor gezinnen met minderjarige
kinderen zal ik zo wijzigen dat zij niet in bewaring worden gesteld, tenzij zij zich eerder
aan het toezicht hebben onttrokken. Wanneer het gezin dan alsnog in bewaring wordt
gesteld, dan dient dit individueel gemotiveerd te worden en kan dat voor maximaal twee
weken, waarbij ook overigens aan de eisen voor bewaring voldaan dient te zijn en uit het
dossier een individuele belangenafweging dient te blijken”. Het verdient aanbeveling dit
beleidsvoornemen met zoveel woorden in de MvT op te nemen.
   19 Kamerstukken II, 19637 nr. 1721, Brief van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie d.d. 13 september 2013.
    Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Conceptwetsvoorstel terugkeer en vreemdelingenbewaring
                                                                    25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Conceptwetsvoorstel terugkeer en vreemdelingenbewaring
                                                      26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>De onderbrenging van alleenstaande niet begeleide minderjarigen
Niet begeleide minderjarigen (AMV-ers) worden volgens het voorgestelde artikel 14
geplaatst in een justitiële jeugdinrichting. De Raad acht het ongewenst dat deze kwetsbare
personen verblijven in jeugdinrichtingen met het sterkst penitentiaire karakter dat ons land
kent. Het regime in deze inrichtingen zal niet conform de Wtv kunnen zijn maar wordt door
de Bjj bestreken. Onderbrengen in inrichtingen voor gesloten jeugdzorg zou om deze reden
eerder voor de hand liggen. De Raad acht het in de MvT gegeven argument daartegen
dat de gesloten jeugdzorg op behandeling en terugkeer in samenleving is gericht niet
overtuigend, aangezien voor de justitiële jeugdinrichtingen hetzelfde geldt. Volgens de MvT
worden AMV-ers in de justitiële jeugdinrichting gescheiden gehouden van strafrechtelijk
gedetineerden; in de wetstekst zelf heeft de Raad geen hiertoe strekkend voorschrift
aangetroffen.
In het algemeen overleg met de Tweede Kamer over het vreemdelingenbeleid op
30 januari 2014 naar aanleiding van het rapport van de coalitie ‘Geen kind in de cel’ is
toegezegd om uiterlijk eind mei een brief aan de Tweede Kamer te sturen met daarin
opgenomen mogelijke alternatieven voor vreemdelingendetentie en grensdetentie van
minderjarige kinderen, met daarbij per alternatief uitgewerkt de implicaties en de kosten.
De Raad gaat ervan uit dat deze implicaties in het onderhavige wetsvoorstel zullen worden
verwerkt.
    Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Conceptwetsvoorstel terugkeer en vreemdelingenbewaring
                                                          27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Conceptwetsvoorstel terugkeer en vreemdelingenbewaring
                                                      28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>Overige en artikelsgewijze opmerkingen
Vreemdelingenbewaring op andere plaatsen
Volgens het voorgestelde artikel 3 lid 1 vindt vreemdelingenbewaring plaats in “een
inrichting” ... “voor zover niet bij of krachtens wet anders is bepaald”. Hierop betrekking
hebbende regels zijn neergelegd in artikel 5 lid 4 van het Vreemdelingbesluit 2000. Bij
inwerkingtreding van het nu voorliggende wetsvoorstel zal de term ‘huis van bewaring’ in dit
artikel moeten worden geschrapt. In het wetsvoorstel wordt overigens niets geregeld over
het verblijf op een andere plaats dan in een inrichting voor vreemdelingenbewaring.
Medische zorg
Er zijn geregeld signalen dat – de inspanningen van vele medische zorgverleners niet
te na gesproken – vreemdelingen zich door artsen of verpleegkundigen onvoldoende of
onvoldoende correct behandeld of bejegend voelen. Cultuurverschillen kunnen gemakkelijk
aanleiding vormen tot misverstanden of klachten. Beleving van ziekte en adequate
behandeling kan bij personen uit een niet-westerse etnische achtergrond afwijken van de
Nederlandse. Voldoende aandacht voor interculturalisatie is daarom aangewezen. Dit naast
de zorg voor voldoende en tijdige uitwisseling van medische informatie, die in alle sectoren
van de DJI een aandachtspunt vormt.
Artikel 25 betreft de verantwoordelijkheid van de directeur voor de medische zorg. In artikel
25 lid 3 onder c is sprake van onderzoek naar de geschiktheid voor vreemdelingenbewaring.
De Raad beveelt aan dergelijk onderzoek niet slechts te laten plaatsvinden “op verzoek”
maar als vast onderdeel van de medische intake bij binnenkomst.
Toezicht
Volgens het voorgestelde artikel 9 houdt de Inspectie voor veiligheid en justitie toezicht
op de tenuitvoerlegging van de vreemdelingenbewaring. In de MvT kan worden
aangegeven dat hiermee niet wordt bedoeld dat uitsluitend deze inspectie dit toezicht
uitoefent. De Raad meent dat in dit artikel in ieder geval ook de bij elke inrichting voor
vreemdelingenbewaring ingestelde commissie van toezicht (artikel 8 van het wetsvoorstel)
dient te worden genoemd. Daarnaast hebben ook andere inspecties, zoals de Inspectie voor
de Gezondheidszorg, een toezichthoudende taak in deze inrichtingen.
Insluiting gedurende de dag
Volgens artikel 21 lid 2 is de vreemdeling ten minste twaalf uur per etmaal niet in zijn
verblijfsruimte ingesloten. In de MvT wordt gesproken over uit oogpunt van bedrijfsvoering
noodzakelijke onderbrekingen van deze periode van tweemaal een uur per dag. Nu hiermee
geen afbreuk wordt gedaan aan de twaalf uren van uitsluiting, lijkt het de Raad ongewenst
om deze uren van insluiting in de MvT voor te schrijven en zeker op de dwingende manier
waarop dit is omschreven. Niet alleen is het zeer de vraag of deze insluiting nodig is, ook
kan het aan de directeur worden gelaten om hiervan bij noodzaak gebruik te maken en dit
eventueel in de huisregels vast te leggen.
     Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Conceptwetsvoorstel terugkeer en vreemdelingenbewaring
                                                           29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>Relatie tussen vreemdelingenbewaring en strafbaar feit
In de MvT (paragraaf 2) wordt uiteengezet dat vreemdelingenbewaring een vorm van
bestuursdwang is en daarmee een herstelmaatregel behelst. In de MvT wordt de toepassing
van bestuursdwang gerelateerd aan een gepleegde overtreding – zij het niet ter bestraffing
maar ter voorkoming van herhaling of het beperken van de gevolgen ervan. In dit verband
rijst de vraag in hoeverre vreemdelingenbewaring geoorloofd is ingeval geen sprake is van
een overtreding, zoals bij vreemdelingen die (nog) legaal verblijf hebben, ten aanzien van
wie er bijvoorbeeld een asielprocedure loopt.
In de MvT op artikel 14 wordt het gepleegd hebben van een misdrijf aangemerkt als een
(voldoende) reden voor inbewaringstelling van een niet begeleide minderjarige. Deze reden
voor bewaring is echter niet te vatten onder de gronden voor bewaring, genoemd in het
voorgestelde artikel 59 lid 1 Vw.
Geprivilegieerde contacten
In de MvT op artikel 29 worden meer personen en instanties aangemerkt als geprivilegieerd
bezoek dan in het betreffende wetsartikel zelf worden genoemd. Artikel 30 noemt ‘nationale
en internationale organisaties...”. In dit artikel noch in artikel 29 worden deze aangemerkt
als geprivilegieerde contacten. Blijkens de MvT op artikel 30 is dit wel de bedoeling. De
Raad beveelt aan de tekst van de voorgestelde artikelen in overeenstemming te brengen
met hetgeen blijkens de MvT is bedoeld en hierbij aansluiting te zoeken met artikel 37 Pbw.
Daarnaast is het in artikel 30 genoemde “periodiek” bezoeken te schrappen of te vervangen
door “te allen tijde”. Het is immers aan deze organisaties zelf om uit te maken wanneer en
hoe vaak zij een inrichting bezoeken. Aan de in de MvT bij artikel 30 genoemde organisaties
is toe te voegen het Nederlandse National Preventive Mechanism, ingesteld bij brief van de
Minister van Veiligheid en Justitie bij brief van 20 december 2011.
Onderzoek aan kleding / aan het lichaam
Artikel 38 heeft betrekking op onderzoek aan de kleding. In het vierde lid is sprake van
onderzoek op holten en openingen van het lichaam. Deze bepaling zou daarom thuishoren
in artikel 39, waarin het onderzoek aan het lichaam wordt geregeld.
Kosten voor onderzoek verboden voorwerpen
In het voorgestelde artikel 47 lid 4 wordt bepaald dat kosten voor onderzoek van
voorwerpen, teneinde te kunnen vaststellen of deze mogen worden ingevoerd, voor
rekening komen van de vreemdeling. Aangezien dergelijk onderzoek plaatsvindt op last van
de directeur, zouden de kosten voor diens rekening dienen te komen. Hetzelfde geldt voor
kosten verbonden aan het gebruik van een tolk en het maken van vertalingen (onder meer
van klaagschriften, zie artikel 66 lid 4).
Informatieverwerking
Volgens het voorgestelde artikel 58 lid 3 onder c kan de directeur naam en nationaliteit
van bezoekers verwerken teneinde informatie te verkrijgen over de nationaliteit van de
bezochte vreemdeling. In artikel 29 lid 3 wordt als grond voor registratie van deze gegevens
     Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Conceptwetsvoorstel terugkeer en vreemdelingenbewaring
                                                           30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>alleen de orde en veiligheid in de inrichting genoemd. De vraag rijst of een verderstrekkend
doel zich verdraagt met de beperkte doelstelling van vreemdelingenbewaring en met
privacywetgeving.
Beklaggronden
In artikel 66 wordt voorgeschreven dat het klaagschrift zo nauwkering mogelijk de
bestreden beslissing vermeldt. Omdat de beklaggronden ruimer zijn dan beslissingen van de
directeur kan een verwijzing daarnaar in dit artikel worden gemist.
Terminologie
Op verschillende plaatsen in het wetsvoorstel en de MvT worden termen gebruikt die zijn
ontleend aan de Pbw, zoals ‘gedetineerde’ en ‘(straf)cel’. Het komt de Raad voor dat deze
aanduidingen niet passend zijn voor inrichtingen voor vreemdelingenbewaring.
    Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Conceptwetsvoorstel terugkeer en vreemdelingenbewaring
                                                          31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>1
> Retouradres Postbus 20301 2500 EH Den Haag
                                                                                                   Directie Wetgeving en
Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                                Juridische Zaken
                                                                                                   Wetgevingskwaliteitsbeleid
Postbus 30137
                                                                                                   Turfmarkt 147
2500 GC Den Haag                                                                                   2511 DP Den Haag
                                                                                                   Postbus 20301
                                                                                                   2500 EH Den Haag
                                                                                                   www.rijksoverheid.nl/venj
                                                                                                   Projectnaam
                                                                                                   Wetsvoorstel terugkeer en
                                                                                                   vreemdelingenbewaring
                                                                                                   Ons kenmerk
                                                                                                   453241
                                                                                                   Bij beantwoording de datum
Datum          20 december 2013                                                                    en ons kenmerk vermelden.
Onderwerp Wetsvoorstel Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring                                      Wilt u slechts één zaak in uw
                                                                                                   brief behandelen.
Hierbij zend ik u ter consultatie het wetsvoorstel Wet terugkeer en
vreemdelingenbewaring. Het voorstel bevat een nieuw bestuursrechtelijk regime
voor vreemdelingenbewaring en een aanpassing van de Vreemdelingenwet 2000.
Er kan op het hele wetsvoorstel worden gereageerd, waarbij enkele specifieke
vragen worden gesteld. De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie is met name
geïnteresseerd in uw mening over:
1) De in het voorstel getroffen balans tussen een humaan regime met oog voor de
   menselijke maat enerzijds en de noodzaak de veiligheid en beheersbaarheid te
   kunnen handhaven anderzijds;
2) De rechtsbescherming in vreemdelingenbewaring;
3) De aandacht voor de bijzondere noden van bijzondere groepen;
4) De onderbrenging van alleenstaande niet begeleide minderjarigen;
5) Minder dwingende alternatieven voor vreemdelingenbewaring en methoden in
   bewaring om effectieve terugkeer te realiseren.
Uw reactie op het voorstel ontvang ik graag uiterlijk vrijdag 21 februari 2014.
Mocht ik binnen deze termijn geen advies van u hebben ontvangen, dan ga ik
ervan uit dat u geen prijs stelt op advisering over het voorstel.
Het voorstel wordt tevens via internetconsultatie aangeboden. De Staatssecretaris
van Veiligheid en Justitie vindt internetconsultatie een nuttig instrument als
aanvulling op de reeds bestaande praktijk in het wetgevingsproces. Het heeft
onze voorkeur dat u uw reactie via de internetconsultatie geeft. U kunt hiervoor
terecht op de website www.internetconsultatie.nl.
Uiteraard blijft het eveneens mogelijk om uw reactie via de reguliere weg aan ons
te doen toekomen.
De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming | Conceptwetsvoorstel terugkeer en vreemdelingenbewaring
                                                      32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>