<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                                                                                   Parkstraat 83 Den Haag
                                                                                   Correspondentie:
                                                                                   Postbus 30137
                                                                                   2500 GC Den Haag
                                                                                   Telefoon (070) 361 93 00
                                                                                   www.rsj.nl
                                                                                   info@rsj.nl
                 Aan de minister van Veiligheid en Justitie
                 Postbus 20301
                 2500 EH Den Haag
Betreft        : aanbieding advies
Contactpersoon : drs. M. Kruissink/mr. M.I. Jansen
Doorkiesnummer : 06-52872158/06-55432357
E-mail         : m.kruissink@minvenj.nl
Datum          : 1 december 2015
Ons kenmerk    : RSJ/101/2638/2015/MK/TvV
Onderwerp      : conceptwetsvoorstel wijziging Wetboek van Strafvordering i.v.m. enige
                 wijzigingen van de regeling van voorlopige hechtenis
                 Geachte heer Van der Steur,
                 Op 8 oktober jongstleden ontvingen wij ter advisering het conceptwetsvoorstel
                 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met enige
                 wijzigingen van de regeling van voorlopige hechtenis. De Raad voor
                 Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (verder RSJ) biedt u hierbij zijn
                 advies aan.
                 Hieronder treft u eerst een samenvatting van de belangrijkste bevindingen en
                 conclusies van de RSJ aan. Vervolgens wordt het conceptwetsvoorstel nader
                 besproken en geeft de RSJ zijn visie en commentaar daarop.
                 Samenvatting
                 De voorgestelde wetswijziging maakt het ten eerste mogelijk een onvoorwaar-
                 delijke vrijheidsbenemende sanctie direct ten uitvoer te leggen, binnen de ka-
                 ders van de regeling van de voorlopige hechtenis. Daartoe wordt voorgesteld
                 een extra grond te creëren voor de toepassing van de voorlopige hechtenis. Het
                 voorstel past in het kabinetsbeleid om een correcte en tijdige afhandeling van
                 strafzaken na te streven en het aantal niet-geëxecuteerde vrijheidsstraffen te-
                 rug te dringen.
                 -- De RSJ kan de doelen van dit kabinetsbeleid op zich onderschrijven, maar in
                     de toelichting bij het conceptwetsvoorstel mist de RSJ een heldere analyse
                     van het probleem dat de wetgever tracht op te lossen. Zonder heldere
                     analyse van het (beoogde) effect van de voorgestelde wijzigingen -mede
                     in relatie tot de verwachte effecten van andere activiteiten om het aantal
                     niet-geëxecuteerde vrijheidsstraffen terug te dringen en de reeds bestaande
                     mogelijkheden voor gevangenneming na de rechterlijke uitspraak- valt
                     niet goed te beoordelen of de voorgestelde wetswijziging een effectieve
                     oplossing biedt en toegevoegde waarde heeft.
                 -- De RSJ constateert dat de voorgestelde wijziging op een relatief klein
                     percentage van het aantal veroordeelden ziet.
                 -- De voorgestelde wijzigingen zien ook op jeugdigen. De RSJ constateert
                     dat het toepassingsbereik van de voorgestelde wetswijziging voor het
                     jeugdstrafrecht van minimale toegevoegde waarde is.
                 -- Het uitgangspunt dat een straf pas ten uitvoer kan worden gelegd nadat
                     deze onherroepelijk is geworden (onschuldpresumptie), dreigt met de
                     voorgestelde wetswijziging te zeer te worden uitgehold.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>-- De RSJ stelt voorts vast dat de mogelijkheid reeds bestaat om een veroordeelde
    die ten tijde van de uitspraak op vrije voeten is, direct daarna gevangen te nemen.
    De RSJ vraagt zich af in hoeverre deze wetswijziging noodzakelijk is om het
    aantal niet-geëxecuteerde vrijheidsstraffen terug te dringen. Daarbij dringt zich
    de vraag op of het middel van een wetswijziging proportioneel is en of dit doel
    niet op een andere, minder ingrijpende, wijze kan worden bereikt, bijvoorbeeld
    door het executiebeleid aan te scherpen en/of vaker de gevangenneming van de
    veroordeelde op de reeds bestaande gronden te vorderen.
-- Volgens het voorstel is de rechter gehouden in zijn einduitspraak de beslissing
    omtrent de gevangenneming te motiveren, zowel wanneer de gevangenneming
    wordt bevolen als wanneer dit níet het geval is. Dit laatste is naar het oordeel
    van de RSJ niet aangewezen, omdat niet helder is waarom een dergelijke dubbele
    motiveringsplicht juist en uitsluitend voor deze grond moet gelden.
Ten tweede worden in het conceptwetsvoorstel de beroepsmogelijkheden tegen
beslissingen omtrent de voorlopige hechtenis verruimd, voor zowel de verdachte als de
officier van justitie.
-- De RSJ begrijpt de verruiming van de beroepsmogelijkheden vanuit de overweging
    dat beslissingen omtrent de voorlopige hechtenis vergaande consequenties
    kunnen hebben voor de justitiabele en voor het openbaar ministerie (OM)
    als vertegenwoordiger van de maatschappij; tevens wordt het belang van de
    (nabestaanden van) de slachtoffers geraakt. Dit vormt naar het oordeel van
    de RSJ voldoende rechtvaardiging voor de voorgestelde verruiming van de
    beroepsmogelijkheden.
Ten derde wordt met de voorgestelde wetswijziging beoogd de regels inzake de
voorwaardelijke invrijheidstelling van toepassing te maken op de beëindiging van de
voorlopige hechtenis.
-- De wetgever beoogt met deze wijziging een geleidelijke terugkeer in de
    samenleving vanuit de voorlopige hechtenis mogelijk te maken en daar
    tegelijkertijd voorwaarden aan te verbinden. In beginsel heeft de RSJ hier niets op
    tegen. Onduidelijk is echter of de groep die onder het bereik van de voorgestelde
    regeling kan vallen een zodanige omvang heeft dat dit een wetswijziging
    rechtvaardigt. De RSJ adviseert om dit nader te onderzoeken, alvorens een
    wetswijziging voor te stellen.
Tot slot adviseert de RSJ om het voorstel in zijn huidige vorm niet in parlementaire
behandeling te brengen, maar het voorstel wat betreft de extra grond voor voorlopige
hechtenis en de verruimde toepassing van de regels inzake de voorwaardelijke
invrijheidstelling kritisch tegen het licht te houden – met name op zijn te verwachten
effecten en toegevoegde waarde - en te heroverwegen.
Achtergrond en voorgeschiedenis
Het wetsvoorstel vindt zijn oorsprong in het regeerakkoord waarin de afspraak
is opgenomen om te regelen dat in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraffen
direct worden geëffectueerd. In het najaar van 2013 heeft uw ambtsvoorganger
een conceptwetsvoorstel in consultatie gebracht dat voorzag in de dadelijke
tenuitvoerlegging van in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraffen. Dadelijke
tenuitvoerlegging betekent dat een opgelegde straf ten uitvoer kan worden gelegd
ondanks dat het vonnis (door een openstaand of ingesteld rechtsmiddel) nog niet
onherroepelijk is.
Destijds heeft de RSJ - evenals een aantal andere instanties - over dat
conceptwetsvoorstel geadviseerd.1 Hoewel het met dat conceptwetsvoorstel
nagestreefde belang dat een strafrechtelijke beslissing daadwerkelijk en zo snel
mogelijk ten uitvoer wordt gelegd, breed werd onderschreven, waren de adviezen
zeer kritisch en kon de voorgestelde regeling niet op brede steun rekenen. Het
conceptwetsvoorstel is daarop ingetrokken.
1  Advies conceptwetsvoorstel dadelijke tenuitvoerlegging gevangenisstraffen, d.d. 22 november 2013, Den Haag, Raad
   voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ); zie www.rsj.nl.
                                                     2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Voorliggend conceptwetsvoorstel
Vervolgens heeft de wetgever bekeken of er andere mogelijkheden konden worden
gevonden om een in eerste aanleg opgelegde vrijheidsstraf direct te effectueren,
waarbij tegemoet wordt gekomen aan de kritiek in de adviezen. In het nu ter consultatie
voorgelegde conceptwetsvoorstel is voorgesteld de mogelijkheden tot gevangenneming bij
veroordeling tot een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel op een andere wijze
te regelen, te weten door het creëren van een extra grond voor de toepassing van de
voorlopige hechtenis.
In hetzelfde conceptwetsvoorstel worden nog twee andere wijzigingen t.a.v. de voorlopige
hechtenis voorgesteld. Een daarvan is de verruiming van de beroepsmogelijkheden tegen
beslissingen omtrent de voorlopige hechtenis. De andere voorgestelde wijziging betreft de
toepassing van de regels inzake de voorwaardelijke invrijheidstelling bij beëindiging van
de voorlopige hechtenis.
In het navolgende worden de drie voorgestelde wetswijzigingen besproken en van
commentaar voorzien.
1) Verruiming mogelijkheden tot gevangenneming
De voorgestelde wetswijziging behelst de mogelijkheid dat de rechter bij zijn
einduitspraak, ambtshalve of op vordering van de officier van justitie, de gevangenneming
van de verdachte kan bevelen op de grond dat bij die uitspraak een vrijheidsstraf van
tenminste één jaar of een vrijheidsbenemende maatregel onvoorwaardelijk wordt
opgelegd. De rechter is in dit verband gehouden het al dan niet bevelen van de
gevangenneming op die grond te motiveren.
-- Probleemanalyse niet helder
    Het kabinetsbeleid op strafrechtelijk terrein is blijkens de Memorie van Toelichting
    (MvT) bij het conceptwetsvoorstel gericht op een correcte en tijdige afhandeling van
    strafzaken alsmede op een snelle daadwerkelijke tenuitvoerlegging van straffen.
    Hiertoe is een pakket aan maatregelen genomen dat is ondergebracht in het
    programma Versterking Prestaties Strafrechtsketen (VPS).2 Een onderdeel hiervan
    betreft het terugdringen van het aantal niet-geëxecuteerde vrijheidsstraffen.3
    De RSJ kan de doelstellingen van dit beleid op zich onderschrijven. In de toelichting bij
    het conceptwetsvoorstel mist de RSJ echter een duidelijke analyse van het probleem
    dat de wetgever tracht op te lossen met behulp van de voorgestelde wetswijziging.
    Niet duidelijk is hoeveel veroordeelden hun straf zouden ontlopen, wat daarvan de
    redenen zijn, om welke categorieën justitiabelen het precies gaat en of op andere
    manieren is geprobeerd tot een snellere ten uitvoerlegging van opgelegde straffen
    te komen. De RSJ mist in de MvT bij het conceptwetsvoorstel een heldere analyse
    van het (beoogde) effect van de voorgestelde wetswijzigingen, mede in relatie tot
    het verwachte effect van andere activiteiten die in gang zijn gezet om het aantal
    niet-geëxecuteerde vrijheidsstraffen terug te dringen. Om die reden valt niet goed
    te beoordelen of de voorgestelde wetswijziging een geschikte oplossing biedt voor de
    problemen die de wetgever beoogt op te lossen en of deze derhalve gerechtvaardigd
    is. De volgende twee kanttekeningen, inzake de doelmatigheid, hangen hier nauw mee
    samen.
-- Doelmatigheid en bereik van de wetswijziging
    De RSJ plaatst vraagtekens bij de doelmatigheid van de voorgestelde verruiming
    van de mogelijkheid tot gevangenneming door een extra grond voor de toepassing
    van de voorlopige hechtenis te creëren. Het merendeel van de veroordeelden die tot
    een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van een jaar of meer zijn veroordeeld, verblijft
    immers reeds in voorlopige hechtenis. Dit wordt bevestigd door het feit dat 82% van
    degenen met een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf tussen één en twee jaar reeds
    voorlopig is gehecht in de periode voorafgaand aan de rechterlijke uitspraak in eerste
    aanleg. Van degenen met een straf van langer dan twee jaar zit 94% in voorlopige
2  Zie Kamerstukken 2014-2015, 29279, nr. 215.
3  De aanpak van openstaande vrijheidsstraffen is een gezamenlijke prioriteit van politie, OM en het Centraal Justitieel Incas-
   sobureau. Er wordt ingezet op actieve opsporing van veroordeelden met openstaande straffen. De staatssecretaris informeert
   de Tweede Kamer jaarlijks over de voortgang.
                                                        3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>    hechtenis (zie de MvT). Van deze groepen zit dus respectievelijk slechts 18% en
    6% níet in voorlopige hechtenis. Aangezien er geen reden is om te veronderstellen
    dat de desbetreffende justitiabelen in groten getale zullen proberen zich aan
    de tenuitvoerlegging van hun vonnis te onttrekken, heeft de voorgestelde
    wetswijziging op slechts een deel van deze 18% of 6% betrekking.
    Een andere indicatie van de omvang van de groep waar het voorstel zich op richt,
    wordt geboden door overzichten van de openstaande vrijheidsstraffen. Blijkens
    informatie uit 20134 betreft 4% van de openstaande vrijheidsstraffen straffen van
    één jaar of meer, de termijn waar dit voorstel zich op richt.
    Hoe dan ook ziet de voorgestelde wijziging dus slechts op een relatief klein
    percentage van de veroordeelden.
-- Doelmatigheid op het jeugdterrein
    Vragen over de doelmatigheid en het bereik van de wetswijziging dienen zich
    eveneens aan bij jeugdige verdachten, waar het conceptwetsvoorstel ook op ziet.
    De voorgestelde uitbreiding van de mogelijkheid tot gevangenneming lijkt de
    RSJ bij jeugdigen vooral een theoretische optie. Wanneer een jongere immers in
    eerste aanleg wordt veroordeeld tot een vrijheidsstraf van een jaar of langer is
    het gepleegde feit van een dusdanige ernst dat de jeugdige verdachte in (vrijwel)
    alle gevallen al direct na de opsporing in voorlopige hechtenis is genomen. De
    situatie dat een jongere van wie de voorlopige hechtenis is geschorst alsnog een
    onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een jaar of meer krijgt opgelegd komt dan
    ook nauwelijks voor.
-- Onschuldpresumptie
    In het conceptwetsvoorstel wordt met de nieuwe grond voor de voorlopige
    hechtenis de mogelijkheid verruimd een voorschot te nemen op de
    tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf, terwijl de veroordeling nog
    niet onherroepelijk is, in verband met lopende beroepen of nog niet verstreken
    beroepstermijnen. Dit is strijdig met het in het Wetboek van Strafvordering (verder
    Sv) neergelegde uitgangspunt dat een straf pas ten uitvoer kan worden gelegd
    nadat zij onherroepelijk is geworden (artikel 557 Sv). Dit uitgangspunt dreigt
    met de voorgestelde wetswijziging naar het oordeel van de RSJ te zeer te worden
    uitgehold. Bovendien rijst hierbij de vraag of met de voorgestelde wijziging wel
    overeenkomstig artikel 6 EVRM wordt gehandeld.
-- Bestaande mogelijkheid
    De RSJ stelt voorts vast dat de mogelijkheid reeds bestaat om een veroordeelde
    die ten tijde van de uitspraak op vrije voeten is, direct daarna gevangen te nemen
    mits minimaal één van de in artikel 67a Sv genoemde gronden van toepassing is.
    De RSJ beseft dat van deze mogelijkheid in de praktijk slechts incidenteel gebruik
    wordt gemaakt. In het algemeen wachten deze veroordeelden immers in vrijheid
    de oproep af om de vrijheidsstraf uit te zitten. In geval van hoger beroep van de
    einduitspraak van de rechtbank geldt voorts dat het OM zelden de gevangenneming
    vordert en dat het Hof de gevangenneming zelden gelast, zodat het hoger beroep
    doorgaans in vrijheid wordt afgewacht.
    Met de wetswijziging beoogt de wetgever – zo maakt de RSJ op uit de MvT – als
    het ware een cultuuromslag binnen de rechterlijke macht teweeg te brengen waarin
    het vanzelfsprekend(er) wordt dat een opgelegde straf direct ten uitvoer wordt
    gelegd. Dit zou uitval in de executieketen moeten tegengaan en tegemoet komen
    aan de belangen van slachtoffers, nabestaanden en de samenleving als geheel.
    Bovendien zou dit een gunstige invloed hebben op de geloofwaardigheid van het
    strafrechtssysteem.
    De RSJ vraagt zich af in hoeverre deze wetswijziging noodzakelijk is om het
    aantal niet-geëxecuteerde vrijheidsstraffen terug te dringen. Daarbij dringt zich
    de vraag op of het middel van een wetswijziging proportioneel is, en of dit doel
    niet op een andere, minder ingrijpende, wijze kan worden bereikt, bijvoorbeeld
    door het executiebeleid aan te scherpen en/of vaker de gevangenneming van de
    veroordeelde op de reeds bestaande gronden te vorderen.
4  Zie Kamerstukken 2012-2013, 33400 VI, nr. 90.
                                                 4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>-- Rechterlijke beslissing
    De RSJ stelt vast dat de voorgestelde wetswijziging een deel van de bezwaren tegen
    het eerdere conceptwetsvoorstel op dit terrein wegneemt, met name doordat de
    beslissing tot gevangenneming bij de rechter wordt neergelegd (artikel 67a, lid 2, sub
    6, Sv), waar het in het eerdere voorstel ging om het van rechtswege tenuitvoerleggen
    van gevangenisstraffen. Dit zorgt ervoor dat – in vergelijking met het eerdere
    wetsvoorstel op dit gebied – het voorstel meer in harmonie is met het EVRM (artikel
    5). Dat beschouwt de RSJ als een positief punt.
-- Motiveringsplicht
    Volgens het conceptwetsvoorstel is de rechter gehouden het al dan niet bevelen van
    de gevangenneming te motiveren. Daartoe wordt voorgesteld artikel 359 Sv zo te
    wijzigen dat in lid 6 het voorschrift wordt opgenomen dat het vonnis vermeldt of de
    opgelegde straf of maatregel aanleiding geeft tot toepassing van artikel 67a, lid 2
    sub 6. Volgens de MvT zou die motiveringsverplichting in de beoogde situatie altijd
    gelden, zowel wanneer de gevangenneming wordt bevolen als wanneer dit níet het
    geval is. Blijkens de MvT is die motiveringsplicht verankerd in artikel 78 Sv. Uit dit
    artikel volgt inderdaad dat in een bevel tot voorlopige hechtenis of tot verlenging van
    de geldigheidsduur daarvan, de feiten of omstandigheden zijn omschreven waaruit
    blijkt dat de in artikel 67a gestelde voorwaarden zijn vervuld. Uit artikel 78 Sv volgt
    echter niet dat deze motiveringsplicht zich tevens uitstrekt tot de beslissing om geen
    toepassing te geven aan een van de in artikel 67a, lid 2 sub 1 tot en met 5 genoemde
    gronden voor voorlopige hechtenis. In de MvT wordt niet onderbouwd waarom alleen
    voor deze grond een dubbele motiveringsplicht nodig is, terwijl dit voor de andere
    gronden niet het geval is.
    Verder komt de vraag op of de motivering in de praktijk niet al snel zal verworden tot
    een standaardmotivering, terwijl eigenlijk een duidelijk verwoorde verantwoording van
    de beslissing tot gevangenneming op zijn plaats is, gebaseerd op een analyse van de
    individuele casus.
    Een meer principieel bezwaar tegen de motiveringsplicht is dat de voorgestelde
    regeling geen criterium bevat betreffende ‘het risico van onttrekking aan de executie
    van de vrijheidsstraf’ voor het al dan niet bevelen van de gevangenneming op de
    nieuw toe te voegen grond. Zonder een dergelijk criterium komt het erop neer dat
    van rechters zonder meer verwacht wordt niet-onherroepelijke straffen ten uitvoer te
    leggen en ontbreekt een ijkpunt voor de motivering van het al dan niet bevelen van de
    gevangenneming op deze nieuwe grond.
    Tot slot past hier de constatering dat het ondanks de voorgestelde wetswijziging aan
    de rechter blijft al dan niet te besluiten tot toepassing van de voorlopige hechtenis in
    de door de wetgever beoogde situaties. Ook wanneer gronden daarvoor aanwezig zijn,
    is de rechter immers niet verplicht de voorlopige hechtenis toe te passen.
-- Conclusie t.a.v. de voorgestelde verruiming van mogelijkheden tot gevangenneming
    In het voorstel mist de RSJ een duidelijke analyse van het probleem dat de
    wetgever beoogt op te lossen met de voorgestelde uitbreiding van de gronden voor
    de voorlopige hechtenis. Zonder heldere analyse van het (beoogde) effect van de
    voorgestelde wijzigingen, mede in relatie tot de verwachte effecten van andere
    activiteiten om het aantal niet-geëxecuteerde vrijheidsstraffen terug te dringen,
    alsmede de reeds bestaande mogelijkheden voor gevangenneming na de rechterlijke
    uitspraak, kan niet goed beoordeeld worden of de voorgestelde wetswijziging geschikt
    en noodzakelijk is.
2) Verruiming beroepsmogelijkheden tegen beslissingen voorlopige hechtenis
In het conceptwetsvoorstel worden de beroepsmogelijkheden tegen ter terechtzitting
genomen beslissingen over de voorlopige hechtenis en de schorsing daarvan verruimd,
zowel voor de verdachte als de officier van justitie. Onder de voorgestelde regels
wordt het mogelijk om in een eerder stadium en tegen meer rechterlijke beslissingen
betreffende de voorlopige hechtenis hoger beroep in te stellen.
Concreet gaat het om het volgende. Onder de huidige wetgeving is in beginsel tegen
alle uitspraken die in de loop van het onderzoek op de terechtzitting zijn gegeven - en
die in de zin van artikel 138 Sv niet als einduitspraak worden aangemerkt - uitsluitend
                                             5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>tegelijkertijd met het beroep tegen de einduitspraak beroep mogelijk. Dit geldt voor zowel
de verdachte als voor het OM. De bestaande wetgeving maakt voor de verdachte reeds
een uitzondering (in artikel 406, lid 2, Sv) als het gaat om de volgende beslissingen:
-- het bevel tot gevangenhouding;
-- het bevel tot gevangenneming;
-- de afwijzing van een verzoek tot opheffing van het bevel tot gevangenhouding;
-- de afwijzing van een verzoek tot opheffing van het bevel tot gevangenneming.
Als een van deze beslissingen ter zitting van de rechtbank wordt genomen, hoeft de
verdachte, als hij daartegen hoger beroep wenst in te stellen, niet te wachten op de
einduitspraak.
Blijkens de MvT is er in de praktijk ook aan de kant van het OM behoefte aan een
dergelijke tussentijdse beroepsmogelijkheid (op basis van artikel 406, tweede lid, Sv)
wanneer het gaat om tussentijdse beslissingen tot afwijzing van een vordering tot
gevangenneming, beslissingen tot opheffing en schorsing van de voorlopige hechtenis,
alsmede beslissingen tot wijziging van de schorsingsvoorwaarden. Over de vraag of tegen
deze tussenbeslissingen hoger beroep mogelijk is, is door verschillende gerechtshoven
verschillend geoordeeld. Met het voorstel wordt beoogd aan deze rechterlijke
interpretatieverschillen een einde te maken door dit bij wet te regelen.
Het voorliggende conceptwetsvoorstel voorziet tevens in een uitbreiding van de
tussentijdse beroepsmogelijkheden voor de verdachte. Het gaat om de mogelijkheid hoger
beroep in te stellen tegen de rechterlijke afwijzing van een verzoek tot schorsing van de
voorlopige hechtenis.
De RSJ onderschrijft de voorgestelde wijzigingen in grote lijnen.
-- Transparantie
    Het feit dat interpretatieverschillen over de toepasbaarheid van wetsartikelen worden
    weggenomen, komt naar het oordeel van de RSJ ten goede aan de transparantie en
    ondubbelzinnige toepassing van wet- en regelgeving.
-- Vergaande consequenties
    De RSJ begrijpt de verruiming van de beroepsmogelijkheden vanuit de overweging
    dat het laten voortduren of het opheffen van de voorlopige hechtenis vergaande
    consequenties kan hebben. Dit kan gelden voor de verdachte, maar evenzeer voor
    het OM als vertegenwoordiger van de maatschappij; tevens raakt dit het belang van
    de (nabestaanden van) slachtoffers. Dit vormt naar het oordeel van de RSJ voldoende
    rechtvaardiging om zowel aan de kant van het OM als aan de kant van de verdachte
    de beroepsmogelijkheden te verruimen.
-- Werkbelasting rechterlijke macht
    De RSJ constateert dat in de MvT onvoldoende aandacht is geschonken aan de
    consequenties die de verruiming van de beroepsmogelijkheden heeft voor de werklast
    van de rechterlijke macht.
3) Toepassing van de voorwaardelijke invrijheidstelling bij beëindiging van de
    voorlopige hechtenis
Met het conceptwetsvoorstel wordt beoogd te voorzien in de toepassing van de regeling
van de voorwaardelijke invrijheidstelling (artikel 15 tot en met 15l Sv) bij de beëindiging
van de voorlopige hechtenis. Voorgesteld wordt om daartoe de artikelen 72 en 75 Sv aan
te passen en aan te vullen.
Onder de huidige wetgeving kunnen geen voorwaarden worden verbonden aan de
invrijheidstelling van gedetineerden in voorlopige hechtenis als geen sprake is van
schorsing. Van een begeleide terugkeer naar de maatschappij is dan ook geen sprake.
Met de voorgestelde wetswijziging wordt beoogd aan deze - als onwenselijk beschouwde -
situatie een einde te maken.
De RSJ stelt voorop dat een begeleide terugkeer naar de samenleving na detentie, ook
wanneer de vrijheidsbeneming heeft plaatsgevonden in het kader van de voorlopige
hechtenis, in het belang van de maatschappij en/of de betrokkene zelf kan zijn. De
mogelijkheid om aan die terugkeer voorwaarden te verbinden, afgestemd op de aard van
                                            6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>het delict en de persoon van de justitiabele, kan wenselijk zijn. De RSJ kan zich dan ook
vinden in het doel van het desbetreffende deel van het conceptwetsvoorstel.
De RSJ plaatst echter kritische kanttekeningen bij de wijze waarop dit is uitgewerkt. Hij
is van oordeel dat de regelgeving inzake de voorwaardelijke invrijheidstelling niet van
toepassing kan zijn op de gevallen bedoeld in artikel 72 lid 3 Sv en dat de toepasbaarheid
van deze regelgeving op de gevallen bedoeld in artikel 72 lid 4 Sv zodanig beperkt is, dat
de vraag zich opdringt welk reëel doel met de wijziging van artikel 72 Sv wordt gediend.
Ook voor de toepasbaarheid van genoemde regelgeving op de gevallen bedoeld in
artikel 75 lid 4 en lid 6 Sv geldt dat deze zo beperkt is dat het zeer de vraag is of dit een
wetswijziging rechtvaardigt.
Het bovenstaande wordt hierna artikelsgewijs toegelicht.
De artikelen 72 en 75 Wetboek van Strafvordering
Artikel 72 Sv
In dit artikel wordt de opheffing van de voorlopige hechtenis bij einduitspraak geregeld.
De voorgestelde wetswijziging ziet op de in lid 3 en lid 4 genoemde gevallen waarin de
voorlopige hechtenis wordt opgeheven. Voorgesteld wordt om aan dit artikel een lid toe te
voegen (lid 7), waardoor de regelgeving betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling
toepasbaar wordt op de in die leden genoemde gevallen van opheffing van de voorlopige
hechtenis.
De regels van de voorwaardelijke invrijheidstelling kunnen naar het oordeel van de RSJ
niet van toepassing zijn op de gevallen bedoeld in het derde lid. Dit lid ziet op opheffing
van de voorlopige hechtenis in de situatie dat de opgelegde vrijheidsstraf niet langer
duurt dan de reeds in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, en daarnaast ook geen
vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd. Nog los van het feit dat het bij straffen
lager dan of gelijk aan de voorlopige hechtenis zelden zal gaan om vrijheidsstraffen van
meer dan een jaar (en de regels van de voorwaardelijke invrijheidstelling reeds om die
reden niet van toepassing zijn), is het niet mogelijk om de regeling toe te passen op een
veroordeelde die zijn vrijheidsstraf op het moment van einduitspraak al volledig heeft
uitgezeten.
Overigens ziet lid 3 ook op de opheffing van de voorlopige hechtenis van hen die
worden vrijgesproken, ontslagen van alle rechtsvervolging of schuldig verklaard zonder
oplegging van straf of maatregel. Dat toepassing van de regels van de voorwaardelijke
invrijheidstelling in die gevallen niet aan de orde kan zijn, behoeft geen betoog.
De RSJ oordeelt dat de regels van de voorwaardelijke invrijheidstelling slechts zeer
beperkt toepassing kunnen vinden op de in het vierde lid genoemde gevallen. In dit
lid is bepaald dat in situaties waarin de duur van de bij einduitspraak onvoorwaardelijk
opgelegde vrijheidsstraf de duur van de al ondergane voorlopige hechtenis met minder
dan zestig dagen overtreft en geen onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende maatregel
wordt opgelegd, de voorlopige hechtenis wordt opgeheven met ingang van het tijdstip
waarop de duur van die hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde straf.
Allereerst kunnen de regels van de voorlopige invrijheidstelling enkel van toepassing
zijn als een vrijheidsstraf voor de duur van meer dan een jaar wordt opgelegd. In de
gevallen waarin het voorarrest tien maanden of langer duurt én een veroordeling volgt,
wordt meestal een langdurige vrijheidsstraf opgelegd. In slechts een zeer beperkt aantal
gevallen zal een vrijheidsbenemende straf volgen waarvoor geldt dat – zoals omschreven
in lid 4 – het onvoorwaardelijke deel langer duurt dan een jaar én de reeds uitgezeten
voorlopige hechtenis met minder dan zestig dagen wordt overtroffen. Verder mag
daarnaast geen vrijheidsbenemende maatregel onvoorwaardelijk worden opgelegd.
Voor het naar verwachting zeer beperkte aantal gevallen dat na de wetswijziging op grond
van het vierde lid in aanmerking zou komen voor een voorwaardelijke invrijheidstelling,
geldt bovendien de constatering dat het aantal dagen dat de veroordeelde na de uitspraak
nog vast zit in deze gevallen gering is. Het gaat om een periode van enkele dagen tot
maximaal enkele weken; een erg beperkte en in sommige gevallen onwerkbaar korte
periode om de voorwaardelijke invrijheidstelling voor te bereiden en in te vullen. Ook het
na de voorwaardelijke invrijheidstelling resterende deel van de straf is zo beperkt dat het
de vraag is of dit kan fungeren als voldoende stok achter de deur voor de naleving van de
opgelegde voorwaarden.
                                            7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>De RSJ adviseert om af te zien van de voorgestelde uitbreiding van artikel 72 Sv. Zoals
in het voorgaande uitgelegd, kunnen de regels van de voorwaardelijke invrijheidstelling
niet van toepassing worden verklaard op lid 3 en het aantal gevallen waarin toepassing
op grond van lid 4 kan volgen is naar verwachting zo beperkt, dat de RSJ de voorgestelde
wetswijziging niet opportuun acht.
Artikel 75 Sv
In dit artikel worden de bevelen tot gevangenneming, gevangenhouding dan wel de
verlenging daarvan na aantekening van beroep tegen de einduitspraak geregeld. Deze
bevelen worden gegeven door de rechter in hoogste feitelijke aanleg (het gerechtshof).
De voorgestelde wetswijziging strekt ertoe de regelgeving betreffende de voorwaardelijke
invrijheidstelling toepasbaar te maken op de in lid 4 en lid 6 genoemde gevallen waarin de
voorlopige hechtenis eindigt of wordt opgeheven.
Artikel 75 lid 4 ziet op gevallen waarin hoger beroep is ingesteld na een einduitspraak van
de rechtbank. In afwachting van de behandeling van het hoger beroep in hoogste feitelijke
aanleg (het gerechtshof) kan de voorlopige hechtenis in drie situaties worden verlengd:
-- als in vorige feitelijke aanleg een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is opgelegd waarvan
    de tenuitvoerlegging ten minste even lang duurt als de door de verdachte in voorlopige
    hechtenis doorgebrachte tijd na verlenging, of
-- als een maatregel die vrijheidsbeneming meebrengt of mee kan brengen
    onvoorwaardelijk is opgelegd, of
-- als beroep is ingesteld tegen een einduitspraak houdende onbevoegd verklaring,
    waarbij is bepaald dat het bevel tot voorlopige hechtenis van kracht blijft.
Artikel 75 lid 6 voorziet erin dat (buiten de gevallen voorzien in artikel 72 Sv) de rechter
in hoogste feitelijke aanleg het bevel tot voorlopige hechtenis opheft met ingang van het
tijdstip waarop de duur van de ondergane voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur
van de tenuitvoerlegging van de onvoorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf. Uitzondering
daarop zijn de gevallen waarin een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming
meebrengt of kan meebrengen.
Ten aanzien van lid 4 en lid 6 in onderling verband bezien merkt de RSJ het volgende op.
De regels betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling kunnen niet van toepassing
zijn op gevallen waarin beroep is ingesteld tegen een einduitspraak houdende onbevoegd
verklaring, waarbij is bepaald dat het bevel tot voorlopige hechtenis van kracht blijft.
Door de rechter is dan immers geen vrijheidsbenemende straf uitgesproken, waardoor
een termijn voor de voorwaardelijke invrijheidstelling niet kan worden bepaald. De enige
situatie waarop de regels van de voorwaardelijke invrijheidstelling van toepassing kunnen
zijn, is die waarin door de rechter in eerste aanleg een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf
is opgelegd, waarvan de tenuitvoerlegging ten minste even lang duurt als de door de
verdachte in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd na verlenging.
Ook hier geldt dat toepassing van de regels betreffende de voorwaardelijke
invrijheidstelling pas aan de orde kan zijn als een vrijheidsbenemende straf van meer
dan een jaar wordt opgelegd. Voorts geldt ook hier dat de kans groot is dat de tijd
om een voorwaardelijke invrijheidstelling voor te bereiden te beperkt is om tot een
reële en werkbare situatie te komen. Tot slot geldt hier dat bij oplegging van een
omvangrijke vrijheidsstraf, in afwachting van hoger beroep niet snel aan de termijn voor
voorwaardelijke invrijheidstelling zal worden toegekomen.
De RSJ concludeert dat er vooralsnog onvoldoende zicht is op de omvang van de groep
personen die binnen het toepassingsbereik van het te wijzigen artikel 75 Sv zou vallen.
Onduidelijk is dan ook of die groep een zodanige omvang heeft dat dit een wetswijziging
rechtvaardigt. De RSJ adviseert om dit nader te onderzoeken, alvorens tot een
wetswijziging te komen.
Slot
De wetgever beoogt met dit conceptwetsvoorstel bij te dragen aan een tijdige
afhandeling van strafzaken en het terugdringen van het aantal niet-geëxecuteerde
vrijheidsstraffen. De RSJ onderschrijft dit streven maar betwijfelt of het wetsvoorstel daar
                                            8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>in de huidige vorm veel aan zal bijdragen. De mogelijkheid om tijdens de strafzitting de
gevangenneming van een justitiabele te bevelen bestaat reeds in de huidige wetgeving
en de nieuwe grond voor de voorlopige hechtenis voegt daarmee weinig nieuws toe.
Bovendien lijkt dit gedeelte van het wetsvoorstel op slechts weinig justitiabelen van
toepassing te zijn. De RSJ mist een duidelijke analyse van het probleem en de verwachte
effecten van de voorgestelde wetswijziging, mede in relatie tot de verwachte effecten van
andere activiteiten op dit gebied. De RSJ adviseert de wetgever om dit gedeelte van het
voorstel nog eens kritisch te analyseren.
Verder wordt voorgesteld de beroepsmogelijkheden tegen beslissingen rondom
de voorlopige hechtenis te verruimen. De RSJ begrijpt de verruiming van de
beroepsmogelijkheden vanuit de overweging dat beslissingen omtrent de voorlopige
hechtenis vergaande consequenties kunnen hebben voor de justitiabele en voor het
OM als vertegenwoordiger van de maatschappij; tevens wordt het belang van de
(nabestaanden van) slachtoffers geraakt. Al met al beschouwt de RSJ dit als voldoende
rechtvaardiging voor de voorgestelde verruiming van de beroepsmogelijkheden.
Tot slot wordt voorgesteld de regels van de voorwaardelijke invrijheidstelling toepasbaar
te maken op degenen die na hun voorlopige hechtenis op vrije voeten gesteld worden,
anders dan door schorsing. De wetgever beoogt hiermee een geleidelijke terugkeer in de
samenleving mogelijk te maken en daar tegelijkertijd voorwaarden aan te verbinden. In
beginsel heeft de RSJ hier niets op tegen, maar de wijze waarop de regeling is uitgewerkt
maakt dat naar verwachting slechts een beperkt aantal justitiabelen onder het bereik
daarvan kan vallen. Nader onderzoek is aangewezen naar de omvang van de groep
waarop dit voorstel ziet, en of deze zodanig is dat dit een wetswijziging rechtvaardigt.
Over het geheel genomen is op het conceptwetsvoorstel in zijn huidige vorm dusdanig
veel af te dingen dat de RSJ adviseert om het voorstel vooralsnog niet in parlementaire
behandeling te brengen maar het voorstel wat betreft de extra grond voor voorlopige
hechtenis en de verruimde toepassing van de regels inzake de voorwaardelijke
invrijheidstelling kritisch tegen het licht te houden – met name op zijn te verwachten
effecten en toegevoegde waarde – en te heroverwegen.
Namens de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming,
mr. L.A.J.M. de Wit, algemeen voorzitter
                                             9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>