<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                                                                                   Parkstraat 83 Den Haag
                                                                                   Correspondentie:
                                                                                   Postbus 30137
                                                                                   2500 GC Den Haag
                                                                                   Telefoon (070) 361 93 00
                                                                                   Fax algemeen (070) 361 93 10
                                                                                   Fax rechtspraak (070) 361 93 15
                 Aan de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
                 Postbus 20301
                 2500 GC Den Haag
Betreft        : aanbieding advies
Contactpersoon : drs. A.J. van Bommel, drs. M. Kruissink
Doorkiesnummer : 070-3619352
E-mail         : a.j.van.bommel@minvenj.nl
Datum          : 15 januari 2015
Ons kenmerk    : RSJ 101/2365/2015/AvB
Onderwerp      : Reclasseringsstelsel
                 Geachte heer Teeven,
                 Op uw verzoek heeft de Raad zich georiënteerd op de vraag u te adviseren over
                 een eventuele uitbreiding van het bestaande reclasseringsstelsel met andere
                 organisaties. Onder ‘het bestaande stelsel’ verstaan wij hetgeen is vastgelegd
                 in de Reclasseringsregeling 1995 en de wijze waarop het reclasseringswerk
                 op dit moment praktisch is vormgegeven. Teneinde de vraag over eventuele
                 uitbreiding van het bestaande stelsel te kunnen beantwoorden, levert de Raad
                 in dit advies bouwstenen voor een besliskader. De kenmerken en kernwaarden
                 van het huidige reclasseringswerk die in de visie van de Raad essentieel zijn
                 voor de kwaliteit en effectiviteit van het reclasseringswerk vormen de bronnen
                 voor dit besliskader.
                 Bij de totstandkoming van dit advies is de Raad uitgegaan van uw brief d.d.
                 18 november 2014 aan de Tweede Kamer. Daarnaast is onder meer gebruik
                 gemaakt van het in uw opdracht tot stand gebrachte rapport Verkenning
                 stelselvarianten reclassering d.d. 31 juli 2014 van onderzoeksbureau
                 Significant.
                 Kernwaarden
                 Integraal aanbod van activiteiten
                 In artikel 8 van de Reclasseringsregeling 1995 is bepaald dat de drie
                 reclasseringsactiviteiten hulp en steun, voorlichtingsrapportage en de
                 voorbereiding en begeleiding van de taakstraf “zoveel mogelijk in onderlinge
                 samenhang” worden uitgevoerd. Het feit dat de wetgever aan deze onderlinge
                 samenhang grote waarde hecht, wijst erop dat deze als kernwaarde is te
                 beschouwen. De Raad acht het, voor zowel cliënten en opdrachtgevers /
                 afnemers als voor de kwaliteit van het werk van belang, dat deze samenhang
                 behouden blijft. De Raad begrijpt onder een integraal aanbod overigens
                 niet alleen dat organisaties alle genoemde taken vanuit een overkoepelende
                 doelstelling uitvoeren maar ook dat het geheel van reclasseringsactiviteiten
                 in de tijd gezien het gehele verloop van de strafrechtstoepassing bestrijkt. De
                 combinatie van taken maakt het mogelijk dat de reclassering de justitiabele
                 blijft volgen gedurende de gehele periode waarin er een justitiële titel bestaat.
                 Wij komen hieronder op dit punt terug.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Toezicht: controle en begeleiding
Dat samenhang tussen reclasseringsactiviteiten van belang is voor de doeltreffendheid
ervan blijkt in het bijzonder bij het toezicht, dat bestaat uit controle en begeleiding.
Onderzoek heeft bevestigd dat controle alleen effectief is in combinatie met
begeleiding, met een accent op begeleiding. Werkzame elementen van begeleiding
zijn de inhoud daarvan en een goede relatie tussen toezichthouder en onder toezicht
gestelde. Het combineren van twee zo verschillende activiteiten als controle en
begeleiding is een complexe opgave, die hoge eisen stelt aan kennis, vaardigheden
en instrumentarium van en voor de reclasseringswerker. Ook op dit punt komen wij
hieronder nog terug.
Doelstelling: resocialisatie en maatschappelijke re-integratie
In de European Probation Rules staat de reclasseringsdoelstelling ‘resocialisatie en
maatschappelijke re-integratie’ centraal. In Basic principle 1 wordt gesproken over
‘social inclusion’ en principle 12 luidt: “Probation agencies shall work in partnership
with other public or private organisations and local communities to promote the social
inclusion of offenders. Co-ordinated and complementary inter-agency and inter-
disciplinary work is necessary to meet the often complex needs of offenders and to
enhance community safety”. Ook de Raad beschouwt het bieden van perspectief, het
streven naar resocialisatie en het organiseren van maatschappelijke re-integratie als
een kernwaarde in de strafrechtstoepassing.
Voorwaarde voor het realiseren van resocialisatie en re-integratie is dat de
reclasseringsorganisatie goed is ingebed in maatschappelijke netwerken. Veel
justitiabelen zijn immers minder goed in staat tot het benutten van maatschappelijke
mogelijkheden en diensten. Zij worden vaak ervaren als ‘lastig’ omdat zij zich niet
voegen in standaardprocedures van maatschappelijke voorzieningen. De reclassering
kan hierbij zowel voor de betreffende diensten als de cliënten een belangrijke
steunende rol vervullen.
De bestaande organisatie
Organisatie
Het huidige bestel kent drie reclasseringsinstellingen: Reclassering Nederland,
de afdeling reclassering van het Leger des Heils en de instellingen voor
verslavingsreclassering, verenigd in de Stichting Verslavingsreclassering GGz. De
verdeling van het reclasseringsbudget over deze drie instellingen ligt al langjarig vast
en is oorspronkelijk gebaseerd op aannames omtrent de omvang van doelgroepen.
Oriëntatie op doelgroepen heeft waarde voor ontwikkeling van kwaliteit en voor het
kunnen bereiken van (potentiële) cliënten. Dit geldt eens temeer waar doelgroepen
(mede) worden gedefinieerd door problematieken die een relatie hebben met
het sociaal functioneren en het komen tot strafbaar gedrag. De Raad acht een
doelgroepbenadering daarom geen verkeerde. De huidige doelgroepen (verslaafden,
dak- en thuislozen en ‘overige cliënten’) zijn echter, gezien in breder perspectief en
in relatie tot problematieken, niet de enig denkbare. In andere sectoren van zorg en
maatschappelijke dienstverlening worden meer en andere doelgroepen onderscheiden.
Verstandelijk beperkte mensen, adolescenten, culturele minderheden en mensen
met een psychische stoornis zijn voorbeelden van groepen c.q. problematiek die op
verschillende terreinen categoraal worden bediend. Een verdere differentiatie kan ook
voor de reclasseringsclientèle van betekenis zijn. Veel programma’s zijn op dit moment
voor een substantieel deel van hen niet geschikt (met name LVB’ers) en justitiabelen
met niet-Nederlandse achtergrond zijn ondervertegenwoordigd. Onderzoek naar de
vraag of verschillende groepen op dit moment optimaal worden bereikt lijkt, mede
in het licht van de bestaande behoefte aan zorg en beveiliging van de samenleving,
daarom niet overbodig. Of dit reden is voor een andere organisatiewijze van de
reclassering is een vraag die de Raad in dit bestek niet kan beantwoorden, maar dat
die organisatie uiteindelijk afgestemd moet zijn op het zo goed mogelijk bereiken en
bedienen van cliënten, respectievelijk opdrachtgevers behoeft geen betoog. Naar het
de Raad voorkomt is dit een zeer belangrijke factor bij het (her)overwegen van het
bestaande, historisch gegroeide bestel van 3RO. Het rapport van Significant laat zien
dat dit bestel zeker niet het enig denkbare is.
                                          2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Samenwerking
De reclasseringsorganisaties functioneren binnen het huidige 3RO-samenwerkingsmodel.
Vanuit de buitenwereld gezien is dit van belang. Samenwerking in ketenverband is sterk in
ontwikkeling, getuige het functioneren van Veiligheidshuizen en de opkomst van ZSM. Het
aantal participanten in deze samenwerkingsverbanden is nog groeiende. Dat biedt extra
kansen maar maakt deze verbanden ook kwetsbaar voor onnodige complicering. Daarom
is het gunstig als de reclasseringsinstellingen waar mogelijk door een gezamenlijke
woordvoerder worden vertegenwoordigd. Buiten de strafrechtsketen is dit trouwens net zo
goed het geval.
Een belangrijk kenmerk van samenwerking is dat organisaties niet met elkaar in een
concurrentiepositie staan. Voor nieuwe aanbieders in het reclasseringsveld zou daarom
moeten gelden dat deze zich in het huidige samenwerkingsmodel voegen en zich dus niet
daarnaast als concurrent opstellen.
Integraal, continu aanbod
Dit beknopte advies is niet de plaats voor een uitputtende beschrijving van de
reclasseringsorganisatie en knelpunten daarin. Ten aanzien van de hierboven
genoemde kernwaarden integraliteit en continuïteit mag echter niet onvermeld blijven
dat de bestaande instellingen hier niet volledig aan voldoen. Leger des Heils en
verslavingsreclassering verzorgen geen taakstraffen (meer). Gedurende detentie, waarin
het reclasseringsaanbod van alle drie de organisaties zeer beperkt is, valt er een gat in
het cliëntcontact. Zoals gezegd is een goede relatie met de cliënt van veel betekenis voor
de effectiviteit van het werk.
Kwaliteit
Zoals hiervoor gezegd is een optimale toerusting voor de reclasseringswerker van
groot belang. Dit vraagt om een systeem van kwaliteitsbevordering en –bewaking en
permanente scholing en stelt daarmee cruciale eisen aan elke reclasseringsinstelling. Bij
het overwegen van erkenning voor een aspirant-aanbieder zal daarom moeten worden
meegenomen dat deze hieraan van meet af aan kan voldoen.
Opdrachtgevers, stakeholders
Volgens bestaand beleid (dit is niet in de Reclasseringsregeling 1995 of
anderszins wettelijk vastgelegd) treden drie partijen op als opdrachtgever voor
reclasseringsactiviteiten: het Openbaar Ministerie, de DJI en (in mindere mate) de
zittende magistratuur. De opvattingen van deze opdrachtgevers ten aanzien van het
bestaande stelsel en mogelijke veranderingen daarvan zijn vanzelfsprekend van belang.
Het Openbaar Ministerie wijst in zijn brief van 24 november 2014 op het risico dat een
nieuwe ‘toetreder tot de markt’ afbreuk doet aan de stabiliteit en samenwerking in de
justitiele ketensamenwerking. Van andere stakeholders, zoals gemeenten en andere
maatschappelijke organisaties, is op dit moment niet bekend in hoeverre zij tevreden
zijn met het stelsel. De Raad benadrukt dat bij de vraag over eventuele uitbreiding van
het stelsel de belangen van de (potentiële) reclasseringscliënt echter evenmin buiten
beschouwing mogen blijven: wat heeft uitbreiding met nieuwe instellingen vanuit dit
perspectief aan extra’s te bieden?
Conclusie
Een integraal geheel van activiteiten, waaronder begrepen continuïteit in het contact
met cliënten, en de doelstelling van resocialisatie en maatschappelijke re-integratie zijn
kernwaarden in het reclasseringswerk. Het bestaande bestel wordt gekenmerkt door
samenwerking, in de eerste plaats tussen de (drie) organisaties en daarnaast in en buiten
de strafrechtsketen. Al deze aspecten samen zijn bepalend voor kwaliteit en effectiviteit
van het reclasseringswerk en vormen daarmee een besliskader voor de vraag over het
toevoegen van meer organisaties aan het stelsel.
U kiest er blijkens uw brief d.d. 18 november 2014 aan de Tweede Kamer op korte
termijn niet voor om het stelsel (sterk) te veranderen. De Raad ondersteunt die
keuze. Ontwikkelingen in en buiten de strafrechtsketen, waaronder het verwerken van
bezuinigingen, groeiende samenwerking en decentralisatie, maken deze voor dit moment
de meest verstandige. Het toevoegen van nieuwe organisaties zal het bestaande stelsel
                                            3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>compliceren en zal problemen en tekortkomingen niet oplossen. Tegelijk bestaan er
vragen ten aanzien van verschillende, hierboven aangeduide, aspecten van het aanbod
en de organisatie, die een meer fundamentele heroverweging rechtvaardigen, zo
niet noodzakelijk maken. Daarbij zijn een beschouwing van zowel maatschappelijke
ontwikkelingen op lokaal, nationaal en Europees niveau als de specifieke context van
de sanctietoepassing te betrekken. De Raad komt hierop later, zo mogelijk nog dit jaar
terug in het verband van een bredere verkenning van de sanctietoepassing.
Hoogachtend,
namens de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming,
mr. L.A.J.M. de Wit, algemeen voorzitter
                                       4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>