<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                                                                                                                            Parkstraat 83 Den Haag
                                                                                                                            Correspondentie:
                                                                                                                            Postbus 30137
                                                                                                                            2500 GC Den Haag
                                                                                                                            Telefoon (070) 361 93 00
                                                                                                                            www.rsj.nl
                                                                                                                            info@rsj.nl
                 Aan de bewindspersonen van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
                 cc DG Curatieve Zorg
                 Postbus 20350
                 2500 EJ Den Haag
                 Aan de bewindspersonen van Veiligheid en Justitie
                 cc DG Straffen en Beschermen
                 Postbus 20301
                 2500 EH Den Haag
Betreft        : aanbieding advies
Contactpersoon : mw. mr.drs. M.A.T. Kuijs / mw. drs. P.L.M. Steinmann
Doorkiesnummer : 06-52872145 / 06-52872057
E-mail         : m.a.t.kuijs@minvenj.nl / p.steinmann@minvenj.nl
Datum          : 19 november 2015
Uw kenmerk     : 807850-139738-WJZ
Ons kenmerk    : RSJ/101/2616/2015/MK/TvV
Onderwerp      : reactie op adviesaanvraag tweede nota van wijziging bij de Wet verplichte ggz
                 Geachte mevrouw Schippers, geachte heer Van Rijn,
                 geachte heer Van der Steur en geachte heer Dijkhoff,
                 Op 7 september jl. ontving de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
                 (RSJ) ter advisering namens de ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)
                 en Veiligheid en Justitie (VenJ) en de staatssecretaris van VWS de tweede nota van
                 wijziging bij het voorstel voor de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (verder:
                 Wvggz). Helaas was de reactietermijn dermate kort dat de RSJ niet binnen de gevraagde
                 termijn kon adviseren, zoals eerder bericht aan het ministerie van VWS (brief d.d. 22
                 september 2015, kenmerk RSJ/101/2551/2015/MK/TvV). Hierbij ontvangt u het advies
                 van de RSJ. De conclusies vindt U in § 2.6.
                 1.1 Aanleiding en context tweede nota van wijziging Wvggz
                 Uit de toelichting1 bij de tweede nota van wijziging bij de Wvggz (verder aangeduid als
                 nota van wijziging) blijkt dat de voornaamste aanleiding voor deze nota van wijziging
                 de vraag van het veld is geweest om de aansluiting tussen de drie wetsvoorstellen op
                 het gebied van gedwongen zorg (Wvggz, Wfz2 en Wzd3) te verbeteren.4 De wijzigingen
                 die worden voorgesteld, hangen verder samen met de thematische wetsevaluatie
                 gedwongen zorg van ZonMw (september 2014), de hoorzitting in de Tweede Kamer op
                 20 januari 2014 en het rapport van de Commissie Hoekstra n.a.v. de dood van oud-
                 minister Borst.5 In reactie op met name laatstgenoemd rapport zijn enkele onderdelen
                 en uitgangspunten van de Wvggz ingrijpend gewijzigd. De RSJ neemt er kennis van
                 dat in de toelichting bij de nota van wijziging staat: “Op de samenloop van straffen en
                 maatregelen met een zorgmachtiging zullen wij in de kabinetsreactie op het rapport van
                 ZonMw nader ingaan”6. Daarmee is niet duidelijk hoe die samenloop er komt uit te zien.
                 Dat is bij de beoordeling van de onderhavige nota van wijziging zeker van belang. In
                 §2.2 wordt hierop teruggekomen.
                 1    Tweede nota van wijziging Wvggz, p. 53.
                 2    Wet forensische zorg.
                 3    Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten.
                 4    Volgens de toelichting bij de nota van wijziging deelt de Eerste Kamer deze behoefte.
                      De Eerste Kamer heeft in september 2015 opnieuw aangegeven de drie wetsvoorstellen op het gebied van gedwongen zorg
                      (Wfz, Wvggz, Wzd) gezamenlijk te willen behandelen en wacht daarom op de Wvggz, die nog bij de Tweede Kamer in behan-
                      deling is. Zie website Eerste Kamer: https://www.eerstekamer.nl/korteaantekening/20150922_16?dossier=vihejzhxq3z1:
                      Korte aantekeningen vergadering Commissie Veiligheid en Justitie (VenJ) van 22 september 2015. Beslispunten die betrekking
                      hebben op wetsvoorstel Wet forensische zorg (32.398).
                 5    Tweede nota van wijziging Wvggz, p. 53.
                 6    Tweede nota van wijziging Wvggz, p. 101.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>1.2 Hoofdlijnen nota van wijziging
In de eerste alinea van de toelichting bij de nota van wijziging wordt het beoogde uitgangspunt van
zowel de Wvggz als de Wzd, samen de opvolgers van de Bopz, in herinnering geroepen: “In deze
wetsvoorstellen staat de zorg centraal, en niet langer de gedwongen opname. Deze zorg is afgestemd
op de zorgbehoefte van de cliënt en kan worden verleend ongeacht de plaats waar de cliënt zich
bevindt. De wetsvoorstellen zijn daarmee persoonsvolgend en niet langer locatiegebonden. Daarbij
kan alleen dwang worden toegepast indien alle alternatieven voor vrijwillige zorg zijn uitgeput
(ultimum remediumbeginsel).”7
De nota van wijziging beoogt niet alleen de Wvggz te wijzigen, maar brengt – met het oog op een
betere aansluiting tussen de drie wetten – ook substantiële wijzigingen aan in de Wfz en de Wzd.8
Daarnaast worden (met name wetstechnische) wijzigingen aangebracht in onder meer de Jeugdwet,
Penitentiaire beginselenwet (Pbw), Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt), Wetboek
van Strafrecht (WvSr) en Wetboek van Strafvordering (WvSv). Een belangrijke wijziging in de Wvggz,
die rechtstreeks voortvloeit uit de aanbevelingen van de Commissie Hoekstra, is het neerleggen van
de centrale verzoekersrol bij het Openbaar Ministerie (OM)9. In het eerdere voorstel was deze rol aan
de geneesheer-directeur toegedicht. Ook de wijzigingen met betrekking tot de gegevensverstrekking
tussen ketenpartners zijn aangebracht naar aanleiding van het rapport van de Commissie Hoekstra.
In de brief van VWS waarmee de nota van wijziging ter advisering is aangeboden, wordt een overzicht
gegeven van de belangrijkste wijzigingen in de Wvggz, in de Wzd en in de afstemming tussen deze
twee wetten. Het meest van belang voor de RSJ zijn de wijzigingen die betrekking hebben op de
afstemming tussen de Wvggz en de Wfz, waarvan VWS ook een overzicht geeft. Dit betreft onder
meer de verduidelijking van de toepassing van schakelbepaling 2.3 Wfz en de rechtspositie van
forensische patiënten in de ggz.10 Verderop wordt ingegaan op de betreffende wijzigingen. Voor wat
betreft de Wvggz zijn naast de hiervoor genoemde verzoekersrol voor de officier van justitie en regels
omtrent gegevensuitwisseling, onder meer de regeling hoger beroep en het neerleggen van een
register bij het OM waarin zorgmachtigingen en (machtigingen tot verlenging van) crisismaatregelen
worden opgenomen, belangrijke wijzigingen. In de Wzd wordt de rol van de zorgverantwoordelijke
verduidelijkt en worden de eisen die aan de zorgverantwoordelijke worden gesteld aangescherpt. De
nota van wijziging tracht een betere afstemming tussen de Wvggz en de Wzd te realiseren door het
(zo veel mogelijk) harmoniseren van een aantal kernbegrippen, zoals het criterium en de term voor
gedwongen zorg (“ernstig nadeel”) en de definities van “zorg”, “verplichte zorg” en “onvrijwillige zorg”.
1.3 Eerdere adviezen RSJ op dit terrein
De RSJ heeft in 2009 geadviseerd over de conceptwetsvoorstellen Wfz en Wvggz gezamenlijk. In dit
advies vroeg de RSJ zich af of de Wfz voor continuïteit van zorg voldoende basis geeft en beval hij
aan de regeling voor plaatsing ex 2.3 Wfz volledig af te stemmen op de procedure van de Wvggz.
De aansluiting bij bestaande wettelijke kaders, structuren, bevoegdheden en verantwoordelijkheden
riep destijds nog veel vragen op. De RSJ beval verder ook aan uniformering van de rechtspositie
tegelijkertijd te regelen en niet eerst alleen de toegang tot en door- en uitstroom uit de forensische
zorg.11 De RSJ heeft in 2012 de (eerste) nota van wijziging bij de Wvggz ontvangen, maar heeft
destijds aangegeven niet inhoudelijk te zullen adviseren aangezien de wijzigingen geen betrekking
hadden op de aandachtsgebieden van de RSJ.12 Er is verwezen naar het advies uit 2009.
In 2012 reageerde de RSJ (ongevraagd) op de nota van wijziging bij de Wfz, waarin werd voorgesteld
artikel 37a WvSr te wijzigen opdat een hulpverlener door de rechter kan worden verplicht zijn
(medisch) beroepsgeheim te doorbreken en gegevens over een verdachte te verstrekken indien
deze weigert aan een pro justitia onderzoek deel te nemen. De RSJ achtte een aantasting van het
beroepsgeheim in deze situatie niet proportioneel en niet doelmatig en waarschuwde in het advies
voor de negatieve gevolgen ervan.13 Dit advies is niet overgenomen; de mogelijkheid het medisch
beroepsgeheim te doorbreken is nog steeds onderdeel van het wetsvoorstel zoals dat nu bij de Eerste
Kamer ligt. Eind 2012 werd de RSJ geconsulteerd over de tweede nota van wijziging bij de Wfz.
Gezien de korte adviestermijn (anderhalve week), was het niet mogelijk zorgvuldig te adviseren. Wel
is nogmaals verwezen naar het hiervoor genoemde advies over ‘weigerende observandi’.14
7    Tweede nota van wijziging Wvggz, p. 53.
8    Tweede nota van wijziging Wvggz, p. 53.
9    De argumenten hiervoor zijn te lezen op p. 57 van de 2e NvW Wvggz.
10   Brief VWS “Consultatie tweede nota van wijziging bij de Wet verplichte ggz” (geen datum), ontvangen 7 september 2015, kenmerk 807850-
     139738-WJZ.
11   Advies “Zorg voor forensische zorg: de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en de Wet forensische zorg”, RSJ, 30 januari 2009.
12   Brief RSJ aan de staatssecretaris van VenJ betreffende de nota van wijziging wetsvoorstel Wvggz, 26 april 2012.
13   Advies “Weigerende verdachten pro justitia onderzoek”, RSJ, 1 februari 2012.
14   Advies Tweede nota van wijziging Wetsvoorstel forensische zorg, RSJ, 29 november 2012.
                                                                   2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>1.4 Afbakening en uitgangspunten
De adviestaak van de RSJ richt zich op de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen. Voor wat
betreft de nota van wijziging betekent dit, dat de RSJ zich richt op de inrichting van forensische zorg
voor justitiabelen en de door- en uitstroom van deze groep naar de reguliere ggz. Dit advies richt zich
daarom op (hoofdlijnen van) de afstemming tussen de Wvggz en de Wfz. De nota van wijziging stelt
in zowel de Wvggz als de Wfz wijzigingen voor die de samenhang tussen deze twee wetsvoorstellen
moeten verbeteren. Een groot deel van de nota van wijziging ziet op de niet-forensische zorg en
daarbinnen op de harmonisatie tussen de Wvggz en de Wzd. Dit valt buiten het (directe) adviesterrein
van de RSJ; in het advies zal hier alleen op worden ingegaan voor zover het ook de forensische zorg
raakt. De RSJ stelt op deze plaats alleen vast dat de wetgever vasthoudt aan twee wetten (de Wzd
en Wvggz), waarbij de aanbeveling in de thematische wetsevaluatie van ZonMw om tot één wettelijk
regime te komen dus niet is overgenomen. Deze keuze van de wetgever maakt het noodzakelijk
om voor forensische justitiabelen zowel de aansluiting met de Wvggz als met de Wzd in het oog te
houden. Doorstroom van de Wfz naar deze twee wetten moet voldoende en zonder hindernissen
kunnen plaatsvinden. De RSJ onderschrijft in dat kader het doel van de nota van wijziging om de
afstemming tussen de drie wetten te vergroten.
Bij de beoordeling van de voorliggende nota van wijzing hanteert de RSJ de volgende uitgangspunten:
-- de algemene randvoorwaarden voor de uitvoering van dit wetsvoorstel zijn vervuld;
-- de zorgcontinuïteit tussen de forensische zorg en de reguliere geestelijke gezondheidszorg wordt
     gewaarborgd / bevorderd;
-- de rechtspositie van forensische patiënten die onder de Wvggz (en Wzd) vallen is goed geregeld;
-- de zorg voor justitiabelen is gelijkwaardig aan de zorg voor personen in de reguliere
     gezondheidszorg (equivalentiebeginsel);
-- de beste zorg is leidend: de inhoudelijke zorgvraag is leidend, met inachtneming van de
     waarborgen voor maatschappelijke veiligheid.
De ministeries van VenJ en VWS geven in hun consultatiebrief aan dat de wijzigingen in verband met
de afstemming met de Wfz betrekking hebben op de volgende onderwerpen:
1. Verduidelijking van de toepassing van artikel 2.3 Wfz in de Wvggz (§ 2.2)
2. Rechtspositie forensische patiënten in de ggz (§ 2.3)
3. Rechtspositie ggz-patiënten in de forensische sector (§ 2.4)
4. Crisisopvang ggz-patiënten in Tbs-instelling (§ 2.4)
5. Toepassing 2.3 Wfz in Wzd en de rol van het CIZ hierbij (§ 2.1)
Dit advies volgt deze indeling. Tussen haakjes wordt aangegeven in welke paragraaf op welk
onderwerp wordt ingegaan. Naast bovengenoemde onderwerpen wordt in dit advies ook ingegaan op
de algemene randvoorwaarden (§ 2.1) en de samenhang tussen de Wvggz en de Jeugdwet (§ 2.5).
Het advies wordt afgesloten met een conclusie (§ 2.6).
2.1 Algemene opmerkingen
Randvoorwaarden voor bereiken doelstellingen wetten gedwongen zorg
De gepresenteerde wijzigingen in de drie wetsvoorstellen gedwongen zorg (Wvggz, Wfz en Wzd)
leiden voor de betrokken organisaties (OM, zittende magistratuur, GGz Nederland, Nederlands
Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP), Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ)) tot
nieuwe taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Ook veranderen de relaties en samenwerking
tussen deze organisaties. Dit vergt nieuwe afspraken, een zorgvuldige voorbereiding van en voldoende
tijd voor de implementatie. Voor het realiseren van de doelstellingen van de wetsvoorstellen is verder
van groot belang dat bij alle betrokken organisaties voldoende capaciteit beschikbaar is en dat zij
voldoende (inhoudelijk en financieel) toegerust zijn om de nieuwe taken en verantwoordelijkheden
goed te kunnen uitvoeren. Mocht dit voor één of meer organisaties niet het geval zijn, dan heeft dit
immers gevolgen voor de hele keten en zal de beoogde (bevordering van) continuïteit van zorg in
het gedrang komen. Gezien de centrale, regisserende taak die aan het OM is toegewezen, vraagt
de toerusting van deze organisatie in het bijzonder de aandacht. Verder is van belang dat er een
voldoende gedifferentieerd zorgaanbod is en dat de bekostigingssystemen (op tijd) voldoende
op elkaar zijn afgestemd, zoals de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ) eerder onder de
aandacht bracht.15
15   Advies “Stoornis en delict”, Raad voor de Volksgezondheid en Zorg, 31 juli 2012.
                                                                  3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Voor zover dit elders in dit advies niet aan de orde komt, vraagt de RSJ aandacht voor:
-- De rol van het OM in relatie tot de ggz. Onder het wetsvoorstel Wvggz kan het OM doorgaan in de
     procedure die moet leiden tot oplegging van verplichte zorg, ook als de psychiater oordeelt dat er
     geen risico is op ernstig nadeel en geen medische verklaring afgeeft. Dit kan spanning opleveren
     tussen de officier van justitie enerzijds en de geneesheer-directeur en de zorgprofessionals die
     de verplichte zorg zullen moeten gaan leveren anderzijds. Op hoger abstractieniveau gaat het
     om het spanningsveld tussen de opdracht aan de ggz om het aantal bedden terug te brengen
     (ambulantisering), de opnameduur te verkorten en aantoonbaar aan dwangreductie te werken,
     terwijl tegelijkertijd van de ggz een actieve bijdrage wordt verwacht aan de beveiliging van de
     samenleving en de aanpak van verwarde personen. Gelet op het feit dat er geen hiërarchische
     relatie bestaat tussen het OM en de ggz, is het noodzakelijk om de wijze waarop deze twee
     organisaties zich tot elkaar verhouden in concrete samenwerkingsafspraken te (laten) vastleggen.
-- De samenwerking tussen OM en politie. De centrale rol van het OM betreft niet in alle gevallen
     een strafrechtelijke taak. Ook de activiteiten van de politie in het kader van de Wvggz komen
     nogal eens voort uit de hulpverleningstaak en niet uit de strafrechtelijke taak. De (beoogde)
     samenwerking tussen politie en OM moet eveneens op concrete samenwerkingsafspraken kunnen
     steunen aangezien er geen hiërarchische relatie tussen politie en OM bestaat als hun ggz-optreden
     niet strafrechtelijk is.
-- De tijdelijke rol die voor het NIFP is voorzien in het kader van een zorgvuldige toepassing van
     artikel 2.3 Wfz. Het is de bedoeling dat het NIFP de officier van justitie en de rechter zal adviseren
     over het benodigde beveiligingsniveau, tot het moment “dat beveiliging ook in de indicatiestelling
     in de reguliere ggz voldoende is geborgd”.16 Is het NIFP voldoende toegerust voor advisering op
     dit (gedeeltelijk) nieuwe terrein? Op welke termijn wordt verwacht dat de indicatiestellingen in de
     reguliere ggz en de forensische zorg op elkaar zijn afgestemd?
-- De rol van het CIZ bij de afgifte van een rechterlijke machtiging voor de Wzd op grond van
     artikel 2.3 Wfz. De officier van justitie kan geen verzoekschrift bij de rechter indienen voor afgifte
     van een machtiging voor de Wzd zonder advies in te winnen bij het CIZ. Is het CIZ voldoende
     toegerust om deze taak uit te voeren en in staat om tijdig advies te geven?
Gegevensuitwisseling en registratie
De nota van wijziging stelt voor een centraal landelijk register van verleende zorgmachtigingen bij het
OM te beleggen (artikel 5:19). In het kader van de (civiele, niet-strafrechtelijke) regisserende taak die
het OM op basis van de nota van wijziging in de Wvggz gaat vervullen, komt het logisch voor dat het
register bij het OM wordt belegd. Het biedt kansen maar er zijn ook risico’s aan verbonden.
Het beleggen van het register bij het OM biedt kansen met betrekking tot de toepassing van het “ggz-
tenzij” principe door het OM. Indien het OM goed gebruik maakt van de informatie in het register, zal
het OM naar de RSJ hoopt en verwacht, in die gevallen waarin dit passend is, vaker kiezen voor een
ggz-afdoening van (lichte) strafzaken in plaats van een strafvervolging. Overigens hangt het adequaat
benutten van de mogelijkheden die artikel 2.3 Wfz biedt niet alleen samen met het kunnen raadplegen
van het register, maar ook met de manier waarop de samenloop tussen strafrecht en Wvggz-of Wzd-
machtiging zal worden geregeld. Hoe deze samenloop er zal uitzien, is nog onzeker, zoals in § 1.1. van
dit advies al werd opgemerkt.
Het beleggen van het register bij het OM betekent dat volgens het huidige voorstel veel
zorggerelateerde gegevens van ggz-patiënten bij het OM komen te liggen, ook van patiënten die (nog)
niet met het strafrecht in aanraking zijn gekomen. De RSJ dringt er op aan, in lijn met het eerdere
advies17, in dit register alleen datgene op te nemen wat strikt noodzakelijk is bij het uitoefenen van
de taak van het OM in het kader van de Wvggz en beveelt aan artikel 5:19 op dit punt nog eens
kritisch te bezien. Verder moet worden gewaarborgd dat de informatie in het register uitsluitend wordt
gebruikt voor de Wvggz-taak en niet in het kader van andere (strafrechtelijke) taken van het OM.
De RSJ beveelt aan om een regeling te treffen waarin wordt vastgelegd voor welke doeleinden het
register mag worden gebruikt, welke informatie hierin wordt opgenomen en welke functionarissen het
register mogen raadplegen. Gezien ook de lange bewaartermijn die geldt (15 jaar, zie artikel 8:27),
adviseert de RSJ daarnaast om de consequenties en de randvoorwaarden voor het gebruik van het
register door het OM tevens te laten toetsen door het KNMG (v.w.b. het beroepsgeheim) en het CBP.
16    Tweede nota van wijziging Wvggz, p. 102.
17    Advies “Weigerende verdachten pro justitia onderzoek”, RSJ, 1 februari 2012.
                                                              4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>2.2 Doorstroom van de Wfz naar de Wvggz en Wzd: het gewijzigde artikel 2.3 Wfz
Een belangrijke doelstelling van de Wfz is om de aansluiting tussen de forensische (justitiële) zorg
(Wfz) en de geestelijke gezondheidszorg (Wvggz en Wzd) te verbeteren. Met artikel 2.3 Wfz18
wordt beoogd de doorstroom naar de ggz te bevorderen. Over dit artikel bestond eerder veel
onduidelijkheid. In zijn advies uit 2009 concludeerde de RSJ dat wat betreft de continuïteit van zorg
met de wetsvoorstellen Wfz en Wvggz nog onvoldoende basis was gelegd voor een soepele overgang
tussen forensische zorg en reguliere ggz, met onder meer de aanbeveling de procedure voor artikel
2.3 Wfz volledig af te stemmen op de Wvggz-procedure.19 De RSJ constateert dat met de wijziging
van artikel 2.3 Wfz de aansluiting tussen de Wfz en de Wvggz en de Wzd op onderdelen is verbeterd,
maar dat niet alle zorgpunten zijn weggenomen. Tevens zijn nieuwe vragen ontstaan.
Het criterium van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde
Een zorgmachtiging kan worden afgegeven in plaats van, naast of in aansluiting op een straf
of (strafrechtelijke) maatregel. In de toelichting bij de nota van wijziging staat dat afgifte van
de zorgmachtiging in het kader van artikel 2.3 Wfz geen strafrechtelijke maatregel is.20 De RSJ
onderschrijft dit uitgangspunt, maar wijst erop dat het afgeven van een zorgmachtiging door de
strafrechter in de praktijk anders kan worden ervaren.
In het gewijzigde artikel 2.3 lid 1 Wfz is opgenomen dat aan de bevoegdheid om een zorgmachtiging
af te geven “in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde bij afzonderlijke
beslissing toepassing [kan] worden gegeven”: 1. bij....”21. Daarna volgen tien (soorten) beslissingen
waarbij toepassing aan de bevoegdheid kan worden gegeven. Het is de RSJ niet duidelijk waarom het
criterium “de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde” in artikel 2.3 lid 1 Wfz is opgenomen
en beveelt aan dit criterium te schrappen aangezien het geen zelfstandige betekenis heeft. Het kan
geen toepassingscriterium of bevoegdheidsbepaling voor de rechter zijn, noch een toetsingsgrond om
het verzoek van de officier van justitie af te wijzen. Bij het afgeven van een (civiele) zorgmachtiging
door een strafrechter zouden uitsluitend de criteria van de Wvggz van toepassing moeten zijn. Het
is opvallend dat in lid 2 van artikel 2.3 Wfz, dat ziet op de afgifte van een rechtelijke machtiging
in het kader van de Wzd, het criterium van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde niet
is opgenomen. Door het schrappen van het criterium uit artikel 2.3 lid 1 Wfz wordt ook de indruk
weggenomen dat de zorgmachtiging een strafrechtelijke maatregel is.
Ook de toelichting verdient aandacht op dit punt. Hierin staat dat de ingang bij de strafrechter
er alleen is indien “de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde” aan de orde is.22 Hoewel in
de toelichting op dit punt wordt gesproken van een ‘link’ met het strafrecht of de veiligheid van
samenleving, kan deze tekst zo worden uitgelegd dat als de rechter de verdachte vrijspreekt, de
strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde niet (langer) aan de orde is en er daarom géén
zorgmachtiging kan worden opgelegd door de strafrechter. Dit is echter op grond van artikel 2.3 lid
1 sub 3 Wfz wél mogelijk. De afgifte van een zorgmachtiging kan uitsluitend aan de criteria van de
Wvggz resp. Wzd worden getoetst en staat daarmee los van de uitkomst van het strafproces. De RSJ
vindt de combinatie vrijspraak en zorgmachtiging ook wenselijk, omdat op deze manier de betrokken
persoon zo snel mogelijk naar de best passende zorg kan worden toegeleid. Om verwarring te
voorkomen, beveelt de RSJ aan om de tekst in de toelichting op dit punt te verhelderen door aan te
geven dat en waarom ook bij vrijspraak een zorgmachtiging kan worden afgegeven.
Beslissingen over voorlopige hechtenis
In artikel 2.3 Wfz worden tien gevallen genoemd waarin de strafrechter toepassing kan geven aan
zijn bevoegdheid een zorgmachtiging op grond van de Wvggz of de Wzd af te geven. Beslissingen
in het kader van de voorlopige hechtenis (zoals het opleggen, verlengen, beëindigen of schorsen
daarvan) worden niet als beslissing genoemd waarbij ook een zorgmachtiging kan worden afgegeven.
In lijn met het uitgangspunt dat de strafrechter in elke fase van de strafzaak een zorgmachtiging kan
afgeven, acht de RSJ het passend dat de strafrechter ook bij deze beslissingen een zorgmachtiging
kan afgeven indien op dat moment blijkt dat verplichte zorg noodzakelijk is en is voldaan aan de
criteria van de Wvggz resp. de Wzd. De RSJ beveelt aan deze gevallen toe te voegen aan artikel 2.3
Wfz, ook omdat anders in deze gevallen het afgeven van een zorgmachtiging afhankelijk is van de
vordering van het OM.
18    Met toepassing van art. 2.3 Wfz kan de strafrechter een zorgmachtiging o.g.v. de Wvggz (of Wzd) afgeven, op vordering van de OvJ dan wel
      ambtshalve. Dit gebeurt bij afzonderlijke beslissing, waarbij de Wvggz conform art. 5:20 Wvggz wordt toegepast. De zorgmachtiging kan alleen
      worden afgegeven als aan de criteria en voorschriften van de Wvggz (respectievelijk de Wzd) is voldaan.
19    Advies “Zorg voor forensische zorg: de wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en de wet. forensische zorg”, RSJ, 30 januari 2009.
20    Tweede nota van wijziging Wvggz, p. 62.
21    Artikel 2.3 lid 1 Wfz, Tweede nota van wijziging Wvggz, p. 51.
22    Tweede nota van wijziging Wvggz, p. 75.
                                                                      5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Samenloop van titels
In artikel 8:1 lid 1 Wvggz is vastgelegd dat de officier van justitie onverwijld, maar binnen maximaal
twee weken, overgaat tot de tenuitvoerlegging van de zorgmachtiging. De 14-dagen-regel uit
artikel 8:1 brengt in de praktijk een gescheiden tenuitvoerlegging van de zorgmachtiging en de
strafrechtelijke titel met zich mee. De zorgmachtiging moet binnen 14 dagen ten uitvoer worden
gelegd, terwijl de strafzaak nog onder de rechter is omdat de beroepstermijn nog loopt. Ingeval naast
een zorgmachtiging tevens een strafrechtelijke titel van kracht is, bijvoorbeeld een onvoorwaardelijke
gevangenisstraf, kan dit ook wringen. Voorts kan het gewenst zijn aan een veroordeling tot
voorwaardelijke straf een zorgmachtiging te verbinden voor het geval dat de veroordeelde zich niet
aan bijzondere (zorg)voorwaarden houdt. Uit de toelichting bij de nota van wijziging blijkt dat het
wetsvoorstel uitgaat van voorrang voor de zorgmachtiging: de zorgmachtiging moet ten uitvoer
worden gelegd voorafgaand aan de gevangenisstraf. Tegelijkertijd wordt aangekondigd dat de
ministeries in de kabinetsreactie op het rapport van ZonMw nader zullen ingaan op de samenloop van
een zorgmachtiging met straffen en maatregelen.23 Dit wekt de indruk dat de twee ministeries er nog
niet uit zijn hoe de precieze uitwerking van dit onderdeel eruit moet komen te zien; wellicht zullen
er nog uitzonderingen gemaakt worden op de regel dat de zorgmachtiging binnen twee weken ten
uitvoer moet worden gelegd. Hoe het beste met een samenloop van titels kan worden omgegaan, zal
per justitiabele verschillen en is daarmee maatwerk. De rechter kan alle omstandigheden wegen en
de optimale timing en volgorde van tenuitvoerlegging bepalen (voor zover mogelijk binnen wettelijke
termijnen e.d.). Dit pleit ervoor de rechter de ingangsdatum van de zorgmachtiging te laten bepalen.
Overigens zal naar verwachting de samenloop van titels vooral bij minder ernstige strafbare feiten,
het merendeel van de strafzaken, aan de orde zijn. In het geval van een ernstig strafbaar feit in
combinatie met een psychiatrische stoornis, zal immers de tbs-maatregel kunnen worden opgelegd
waarbij naast beveiliging verplichte behandeling en zorg plaatsvinden.
Welke rechter bevoegd bij verlenging, aanpassing en hoger beroep zorgmachtiging
De rechter kan een zorgmachtiging afgeven voor de duur van maximaal zes maanden (artikel 6:5, sub
a Wvggz). De officier van justitie kan uiterlijk twee weken voor het verstrijken van de geldigheidsduur
een nieuw verzoekschrift voor een zorgmachtiging indienen (artikel 6:6 sub a) en daarmee de
zorgmachtiging met een jaar laten verlengen (artikel 6:5 sub b). Dit zijn dezelfde termijnen als onder
het huidige Bopz-regime, terwijl het bestaande verschil met artikel 37 Sr (dat de termijn van een
jaar kent) verdwijnt. Vanuit het oogpunt van rechtsbescherming is het een goede zaak dat periodiek
en indien nodig tussentijds door een rechter wordt getoetst of er nog steeds aanleiding bestaat om
verplichte zorg op te leggen. De RSJ gaat er hierbij van uit dat een zorgmachtiging die conform artikel
2.3 Wfz is afgegeven door een strafrechter, wordt verlengd of aangepast door de civiele rechter. Dit
blijkt echter niet expliciet uit de toelichting. Verder is het niet helder welke rechter bevoegd is het
beroep tegen de door de strafrechter op grond van 2.3 Wfz afgegeven zorgmachtiging te behandelen.
Om onduidelijkheid te voorkomen, adviseert de RSJ deze punten te verhelderen.
Het maatwerk in de zorgmachtiging door de rechter
Het systeem van de Wvggz, zoals dat al werd voorgesteld vóór de nota van wijziging, legt aan het
verlenen van verplichte zorg in het civielrechtelijk kader, klinisch dan wel ambulant, een rechterlijke
beslissing ten grondslag. De (civiele of straf-) rechter bepaalt in de zorgmachtiging welke verplichte
zorg kan worden opgelegd. Mocht de behandelaar bijvoorbeeld dwangbehandeling geïndiceerd vinden,
maar is deze mogelijkheid niet opgenomen in de zorgmachtiging, dan volgt een gang terug naar de
rechter. De betrokkenheid van de rechter brengt in beginsel een hoog niveau van rechtsbescherming
mee en de RSJ onderschrijft deze systematiek dan ook.
Hoewel het geen nieuw punt is in deze nota van wijziging, brengt de RSJ hierbij onder de aandacht dat
leveren van maatwerk in de zorgmachtiging veel vraagt van de rechter. Voor zowel de civiele rechter
als de strafrechter, maar met name voor deze laatste betreft het een nieuwe werkwijze en taak. De
strafrechter, die bij afzonderlijke beslissing een zorgmachtiging kan opleggen, dient per individu de
interne rechtspositie in de zorgmachtiging vast te leggen. De RSJ vindt dit op zichzelf een goede zaak,
omdat op deze manier de betrokken persoon zo snel mogelijk naar de best passende zorg kan worden
toegeleid. Voor de strafrechter wijkt deze systematiek echter af van het nemen van strafrechtelijke
beslissingen, waarbij de rechter normaliter alleen beslist over de externe rechtspositie maar
vervolgens de betreffende toepasselijke wet in formele zin (bijv. Pbw, Bvt) de interne rechtspositie
bepaalt. Dat moet de rechter nu gaan doen bij het opleggen van de zorgmachtiging.24 Het is moeilijk
in te schatten hoe vaak de strafrechter door de officier van justitie zal worden ingeschakeld of
23   Tweede nota van wijziging Wvggz, p.101.
24   Zie ook prof. mr. P.A.M. Mevis en dr. M.J.F. van der Wolf, “Gedwongen forensische zorg voor volwassenen”, Tijdschrift voor Gezondheidsrecht 2015
     (39) 4, p. 212 e.v.
                                                                    6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>ambtshalve gebruik zal gaan maken van de bevoegdheid een zorgmachtiging af te geven. Nadere
richtlijnen met betrekking tot de toepassing van artikel 2.3 Wfz zijn noodzakelijk. Het is daarnaast
belangrijk dat de strafrechter (maar ook de huidige Bopz-rechter) voldoende toegerust is, zowel
inhoudelijk (kennis) als wat betreft beschikbare tijd (capaciteit), om een zorgmachtiging die volledig is
toegesneden op de betreffende patiënt op te (kunnen) leggen. Indien niet aan deze randvoorwaarden
wordt voldaan, ontstaat het risico dat de rechter ofwel in de zorgmachtiging zeer weinig opneemt
(hetgeen tot vertraging leidt) dan wel alle mogelijkheden zal opnemen (hetgeen ten koste gaat van de
rechtsbescherming).25
2.3 Rechtspositie forensische patiënten in de ggz
Nieuwe categorieën gronden voor verblijf in de ggz
Op grond van de nota van wijziging lijken personen met een justitiële titel op de vier volgende
gronden in een Wvggz-accommodatie te kunnen verblijven:
Gedwongen zorg
1. Op basis van opname in een Wvggz-accommodatie conform artikel 9:1 lid 1 Wvggz (personen met
     tevens tbs-dwang- of pij-maatregel);
2. Op basis van een zorgmachtiging afgegeven door de strafrechter conform artikel 2.3 Wfz.
Zorg met instemming (vrijwillige plaatsing):
1. Op basis van hun instemming conform artikel 9:1 lid 2 Wvggz (personen met onvoorwaardelijke
     vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel (m.u.v. tbs-dwang- en pij-maatregel). Art. 8:14 en
     artikel 9:9 zijn van toepassing);
2. Op basis van hun instemming (overige titels).
De indeling in verschillende categorieën komt de helderheid / eenduidigheid van de wetgeving en het
voor de praktijk noodzakelijke overzicht van toepasselijke regelgeving niet ten goede.
Het uitgangspunt van de Wvggz is dat verplichte zorg op grond van een door de rechter afgegeven
zorgmachtiging plaatsvindt. Voor een aantal categorieën justitiabelen wordt hierop met de nota van
wijziging een uitzondering gemaakt. Hoofdstuk 9 van de Wvggz bevat “Bijzondere bepalingen ten
aanzien van personen met een justitiële titel”. In artikel 9:1 lid 1 van dit hoofdstuk wordt voor twee
categorieën justitiabelen, namelijk personen met een tbs-dwang- resp. pij-maatregel, de interne
rechtspositie geregeld wanneer zij in een Wvggz-accommodatie worden geplaatst. Zij worden op
grond van 9:1 lid 1 gelijkgesteld aan patiënten die een zorgmachtiging voor verplichte zorg hebben
gekregen, terwijl tegelijkertijd op grond van hoofdstuk 9 bijzondere bepalingen voor hen gelden.
Wat betreft deze categorie (tbs-dwang- en pij-maatregel), is begrijpelijk dat geen zorgmachtiging
afgegeven hoeft te worden omdat de maatregelen als zodanig gedwongen opname en behandeling
impliceren en het opleggen daarvan al met waarborgen (advies gedragsdeskundigen, rechterlijke
toetsing) is omkleed.
Wat betreft het verblijf met instemming, is de rechtspositie niet helder en eenduidig geregeld. De
keuze wordt gemaakt om in het geval van vrijwillige plaatsing voor bepaalde justitiële titels wel
beheersmogelijkheden aan de ggz toe te kennen (9:1 lid 2 jo. 8:14 en 9:9) en voor andere titels
niet. Hoewel het voorstelbaar is dat onderscheid wordt gemaakt naar justitiële titel, ontbreekt nu
een onderbouwing. Een belangrijke vraag is hoe de justitiële titel doorwerkt bij vrijwillige plaatsing.
Welke mate van vrijheidsbeperking is zonder zorgmachtiging toegestaan? Hoe moet bijvoorbeeld
worden omgaan met een forensische patiënt die wegloopt uit een Wvggz-accommodatie? En hoe ziet
ambulante zorg in relatie tot de justitiële titel voor forensische patiënten eruit? Moeten daar geen
extra waarborgen zijn? De RSJ zou op deze punten een nadere toelichting in de nota van wijziging
willen zien.
In dit kader is ook niet helder waarom niet is aangesloten bij de aanbeveling van ZonMw om de
systematiek van 6.7 Wfz te hanteren: opname in de ggz vindt ofwel plaats op basis van instemming
ofwel op basis van een zorgmachtiging. Voor de interne rechtspositie betekent dit dat ofwel de WGBO
ofwel de interne rechtspositie zoals door de rechter opgenomen in de zorgmachtiging leidend is.26
Kortom, met deze nota van wijziging worden eerder geconstateerde onduidelijkheden met betrekking
tot de rechtsposities niet weggnomen en verschillen tussen categorieën justitiabelen niet voldoende
onderbouwd. De RSJ vindt het, met het oog op de hanteerbaarheid voor de uitvoering, noodzakelijk
dat er een compleet overzicht komt waarin is opgenomen wie op welke titel waar kan verblijven en
wat de consequenties zijn voor de toepasselijke regels omtrent de externe en de interne rechtspositie.
25    Zie ook prof. mr. P.A.M. Mevis en dr. M.J.F. van der Wolf, “Gedwongen forensische zorg voor volwassenen”, Tijdschrift voor Gezondheidsrecht 2015
      (39) 4, p. 215.
26    Thematische wetsevaluatie gedwongen zorg, ZonMw, september 2014, aanbeveling 14, p. 349.
                                                                     7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>Toestemming / medeverantwoordelijkheid minister van Veiligheid en Justitie
In de nota van wijziging is vastgelegd dat de geneesheer-directeur, voordat hij de beslissing neemt om
tijdelijke onderbreking van de verplichte zorg (verlof) te verlenen of de verplichte zorg te beëindigen,
in bepaalde gevallen de minister van Veiligheid en Justitie hiervoor om toestemming moet vragen
(artikel 8:17 lid 2 en 8:18 lid 3). Het gaat om personen aan wie met toepassing van artikel 2.3 Wfz
een zorgmachtiging (of (voortzetting) crisismaatregel) is verleend en die zijn opgenomen in een
Wvggz-accommodatie. Er is één uitzondering: de toestemming van de minister is niet vereist wanneer
aan betrokkene met toepassing van artikel 2.3 Wfz een zorgmachtiging is opgelegd in combinatie
met vrijspraak. Indien de zorgmachtiging bijvoorbeeld is opgelegd in combinatie met ontslag van
rechtsvervolging of met toepassing van artikel 9a Sr (artikel 2.3 lid 1 sub 2 en sub 3), dan is de
toestemming van de minister wel vereist. 27 Naar de mening van de RSJ is bemoeienis van de minister
principieel onjuist indien er geen strafrechtelijke titel (meer) is.
In artikel 8:19 wordt geregeld dat degene die een aanvraag tot beëindiging van de verplichte zorg
heeft ingediend28 welke is afgewezen door de geneesheer-directeur, deze aanvraag vervolgens kan
indienen bij de officier van justitie. De officier van justitie is gehouden de aanvraag onverwijld bij
de rechter in te dienen, tenzij er sprake is van een herhaalde aanvraag en er geen nieuwe feiten en
omstandigheden zijn (lid 4). Hij voegt bij het verzoekschrift aan de rechter tevens de beslissing van
de minister (lid 3). Tegen de beslissing van de rechter staat geen hoger beroep open (lid 11). Tegen
afwijzende beslissingen over onderbreking van de verplichte zorg of tegen aan de beslissing tot
beëindiging verbonden voorwaarden kan betrokkene een klacht indienen bij de klachtencommissie
(artikel 10:3). Tegen de uitspraak van de klachtencommissie staat beroep bij de rechter open
(artikel 10:7).
Naast toestemming van de minister voor de hiervoor besproken artikel 2.3 Wfz-gevallen, is zijn
toestemming ook vereist voor het verlenen van tijdelijke onderbreking of het beëindigen van de
verplichte zorg voor personen met een tbs- of pij-maatregel die in een Wvggz-accommodatie zijn
opgenomen op grond van 9:1 lid 1 Wvggz (artikel 9:2 lid 1 en 2). Ook voor het overplaatsing van
deze personen dient de geneesheer-directeur eerst toestemming van de minister te krijgen. Als
toestemming uitblijft, kan de ter beschikking gestelde of jongere met een pij-maatregel binnen vier
weken beroep instellen bij de RSJ (9:2 lid 7).
Hoewel zeggenschap van de minister van Veiligheid en Justitie gezien de medeverantwoordelijkheid
voor patiënten met een (zware) justitiële titel begrijpelijk is, vindt de RSJ het ongewenst als dit
ten koste gaat van de meest adequate zorg. Wanneer toestemming van de minister uitblijft (en
betrokkene al dan niet in beklag en beroep gaat), blijft de geneesheer-directeur / de instelling ‘zitten’
met een patiënt die men elders had willen onderbrengen, die men verlof had willen geven of van wie
men de zorg had willen beëindigen. Dit brengt het risico met zich mee van een onwerkbare (behandel)
situatie op de afdeling, omdat de patiënt (naar mening van de zorgprofessional) elders beter op
zijn plek is. De RSJ dringt dan ook aan op terughoudend gebruik van de weigeringsmogelijkheid
door de minister. Mocht de situatie zich toch voordoen dat de minister geen toestemming geeft
voor overplaatsing, verlof of beëindiging van de verplichte zorg dan moet – om een patstelling te
voorkomen – in een (geschillen)procedure tussen de minister en de zorginstelling worden voorzien, die
recht doet aan het principe van de beste zorg, met in achtneming van de maatschappelijke veiligheid.
Daarnaast heeft de RSJ nog de volgende opmerkingen:
-- In artikel 8:17 lid 1 ontbreekt (i.t.t. tot artikel 8:18 lid 1) de zorgverantwoordelijke als aanvrager.
     Is dat zo bedoeld?
-- Artikel 8:18 lid 5 verwijst naar het tweede lid van dit wetsartikel. Hier is waarschijnlijk bedoeld
     naar het derde lid te verwijzen.
-- In artikel 8:20 lid 1, over voorwaarden en beperkingen die kunnen worden verbonden aan
     onderbreking en beëindiging van de verplichte zorg, wordt verwezen naar 8:17 lid 2 en 8:18 lid 2.
     Hier is waarschijnlijk bedoeld te verwijzen naar lid 5 resp. lid 7.
Overbrenging vanuit het gevangeniswezen naar een Wvggz-accommodatie
Met artikel 15:6 onder A van het voorstel van wet Wvggz29 wordt artikel 15 lid 5 van de Pbw
gewijzigd opdat dit laatste artikel aansluit op de (terminologie van de) Wvggz. De rol van de
selectiefunctionaris blijft dezelfde als in het huidige artikel 15 Pbw; hij kan – met inachtneming van
de Wvggz – bepalen dat de gedetineerde in geval van een psychische stoornis of verstandelijke
beperking wordt overgebracht naar een Wvggz-accommodatie om daar zo lang als dit noodzakelijk is
te worden verpleegd of begeleid. Hoewel hier formeel sprake lijkt te zijn van zorg met instemming, is
het opvallend dat de selectiefunctionaris en niet de rechter bepaalt dat betrokkene naar een Wvggz-
27   Zie ook Tweede nota van wijziging Wvggz, p.81 en 82.
28   Volgens artikel 8:18 lid 1 kunnen betrokkene, advocaat, vertegenwoordiger en zorgverantwoordelijke beëindiging van de verplichte zorg aanvragen
     bij de geneesheer-directeur.
29   Geconsolideerde wettekst Wvggz, meegestuurd met de Tweede nota van wijziging Wvggz.
                                                                  8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>accommodatie wordt overgeplaatst. Er wordt onvoldoende beargumenteerd waarom wordt afgeweken
van het algemene principe dat de rechter beslist over de toepassing van de Wvggz.
Overplaatsing van een ter beschikking gestelde naar een Wvggz-accommodatie
Hierover heeft de RSJ, in relatie tot de nieuwe categorieën gronden voor verblijf in de ggz die door
de nota van wijziging worden gecreëerd (zie hiervoor), twee vragen. Met betrekking tot artikel 15:4
onder E30: hoe moet artikel 14 lid 1 Bvt in relatie tot artikel 9:1 lid 1 worden gelezen? En wat is de
strekking van de toevoeging “anderszins verpleegde” in dit artikel?
2.4 Rechtspositie ggz-patiënten in de forensische sector
De rechter kan, indien hij dit noodzakelijk acht vanwege de veiligheid binnen de accommodatie, in
de zorgmachtiging opnemen dat de betreffende ggz-patiënt wordt opgenomen in een fpc of andere
instelling aangewezen voor de verpleging van terbeschikkinggestelden (artikel 6:4 lid 4). Het gaat in
deze gevallen om ggz-patiënten die geen justitiële titel hebben. Ook tijdelijke overplaatsing (max.
8 weken) naar een fpc is mogelijk. Dit kan de rechter opnemen in de zorgmachtiging indien de
geneesheer-directeur dat noodzakelijk acht vanwege de veiligheid binnen de accommodatie (artikel
6:4 lid 3). Uit de artikelsgewijze toelichting blijkt dat het de bedoeling is dat eerst wordt bekeken of
een tijdelijke plaatsing voldoende is om de patiënt te stabiliseren om het gevaar af te wenden. Pas
als dit niet afdoende is, kan een zorgmachtiging op grond van lid 4 worden afgegeven. De RSJ kan
instemmen met deze, in de thematische wetsevaluatie van ZonMw aanbevolen benadering, waarin een
rechter bepaalt dat tenuitvoerlegging in een fpc mogelijk is.
In de forensische instellingen waarnaar kan worden overgeplaatst, geldt in beginsel de Bvt. Ggz-
patiënten zullen worden uitgezonderd van de rechtspositionele bepalingen in de Bvt die betrekking
hebben op hun externe rechtspositie (o.a. verlof, (over-)plaatsing, beëindiging verblijf). De RSJ kan
zich vinden in dit uitgangspunt van ‘één dak, één rechtspositie’, met de kanttekening dat hij graag
te zijner tijd geconsulteerd wordt over de uitzonderingen die in de nog te wijzigen Bvt zullen worden
gemaakt.
2.5 Jeugdigen in de ggz
Met betrekking tot jeugdigen in de ggz heeft de RSJ twee opmerkingen.
In nota van wijziging wordt het verkeer tussen de ggz en de gesloten jeugdzorg geregeld. Wat betreft
de overgang van de ggz naar de gesloten jeugdzorg, die wordt geregeld door uitbreiding van artikel
6.1.2 van de Jeugdwet, vraagt de RSJ aandacht voor het risico dat dit artikel op andere gronden wordt
ingezet dan op grond van het criterium dat de beste zorg leidend is. Aanleiding hiervoor zijn de in de
huidige praktijk met enige regelmaat gehoorde signalen over jongeren met psychische stoornissen
én ernstig (ver)storend gedrag die moeilijk te handhaven zijn in de jeugd-ggz, waarover de RSJ
binnenkort adviseert.31 Deze jongeren komen vaak in instellingen voor gesloten jeugdhulp terecht,
maar deze instellingen kunnen niet dezelfde mate/intensiteit van behandeling bieden als de ggz. Als
het gaat om jongeren die in de eerste plaats behandeling nodig hebben, is bij het gebruik van de
voorgestelde wijziging in de praktijk zorgvuldigheid en terughoudendheid geboden. Indien plaatsing
van een jongere met een psychische stoornis in een jeugdzorgplusinstelling op dat moment de beste
optie is, is het van belang dat er adequate en voldoende psychische zorg en begeleiding beschikbaar
is, bijvoorbeeld door de zorg aldaar te laten verrichten door een ggz-instelling.
Ten tweede sluit de RSJ zich aan bij de aanbeveling van ZonMw32 om naar analogie van de artikelen
2.3 Wfz jo. 5:20 Wvggz, de kinderrechter de bevoegdheid te geven om een zorgmachtiging (voor
verplichte jeugd-ggz) af te geven. Net als voor de volwassene in de forensische zorg kan op deze
manier sneller en beter op de zorgbehoefte van de jeugdige worden ingespeeld.
2.6 Conclusie
Er is gekozen voor het handhaven van drie wetten op het gebied van gedwongen zorg. Het is een
goede zaak dat met deze nota van wijziging de Wvggz en de Wzd nader tot elkaar worden gebracht
en dat de afstemming met de Wfz wordt verbeterd, vooral door harmonisatie van begrippen en
regelingen in beide wetsvoorstellen. De doelstelling hiervan, het bevorderen van de doorstroming van
forensische patiënten in de ggz, onderschrijft de RSJ van harte.
Verwijzend naar de in paragraaf 1.4 genoemde uitgangspunten en de constateringen naar aanleiding
daarvan in de paragrafen 2.1 t/m 2.5 concludeert de RSJ het volgende:
-- de zorgcontinuïteit tussen de forensische zorg en de reguliere geestelijke gezondheidszorg wordt
     nog onvoldoende gewaarborgd en bevorderd
     De RSJ constateert dat door de harmonisatieslag en het aanpassen van schakelbepaling 2.3 Wfz
30   Geconsolideerde wettekst Wvggz, meegestuurd met de Tweede nota van wijziging Wvggz.
31   Advies “Zorg in de knel” over ‘lastig plaatsbare jongeren’ in instellingen voor jeugdzorgplus en jeugd-ggz.
32   Thematische wetsevaluatie gedwongen zorg, ZonMw, september 2014, aanbeveling 26.
                                                                     9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>     de zorgcontinuïteit wordt verbeterd. Het feit dat de strafrechter indien nodig een zorgmachtiging
     kan opleggen, komt een snelle(re) plaatsing in de zorg naar verwachting ten goede. Omdat de
     regelgeving naar zijn aard erg complex is, dit veel vraagt in de uitvoeringspraktijk en nog tal van
     onduidelijkheden bevat, acht de RSJ de zorgcontinuïteit nog onvoldoende gewaarborgd.
--   de rechtspositie van forensische patiënten die onder de Wvggz (en Wzd) vallen is nog onvoldoende
     duidelijk geregeld
     De in de nota van wijziging geregelde rechterlijke toetsing komt in het algemeen de
     rechtsbescherming ten goede. Met betrekking tot de interne rechtspositie van forensische
     patiënten in de ggz is door het creëren van nieuwe categorieën nog te veel onduidelijk. Wanneer
     verschillen in rechtspositie niet kunnen worden weggenomen (zoals soms het geval zal zijn), dan
     is met name van belang dat er volstrekte helderheid over bestaat welke interne rechtspositie
     waarom en wanneer voor wie geldt. De RSJ vraagt daarnaast aandacht voor goede regelgeving
     rond de (medische) informatieopslag bij het OM en rond de ontsluiting en uitwisseling van deze
     gegevens.
--   de gelijkwaardigheid van zorg voor justitiabelen en zorg voor personen in de reguliere
     gezondheidszorg (equivalentiebeginsel) is nog niet te beoordelen
     Deze wet regelt alleen mogelijkheden en randvoorwaarden van de verplichte zorg. Het is niet
     mogelijk op basis van deze nota van wijziging vast te stellen of de gemaakte uitzonderingen voor
     personen in het justitieel kader te verantwoorden zijn, omdat nog niet helder is voor welke titels in
     welke situatie welke procedure met welke waarborgen en met welke achtergrond gelden.
--   de inhoudelijke zorgvraag is leidend, met inachtneming van de waarborgen voor maatschappelijke
     veiligheid. Evenwicht justitie / zorg is een aandachtspunt.
     Er komen meer mogelijkheden voor forensische patiënten om in de ggz behandeld te worden en
     het plaatsen van ggz-patiënten in een fpc wordt wettelijk geregeld. Tegelijkertijd roept de rol van
     de minister (het verlenen van toestemming) vragen op wanneer er geen justitiële titel (meer) is.
     Gezien de substantiële rol van de minister (bij ontslag, verlofverlening en overplaatsing) en de
     toegenomen rol van het OM, dient het evenwicht met zorginstanties (o.a. geneesheer-directeur)
     bewaakt te worden via goede samenwerkingsafspraken en geschillenregelingen.
Kortom, de nota van wijziging verheldert en verbetert het wetsvoorstel op punten. Desondanks is
naar de mening van de RSJ nog onvoldoende sprake van goede, samenhangende en inzichtelijke
wetgeving, die in de praktijk eenduidig toepasbaar is. Voor het bereiken van de doelstellingen van
de wetsvoorstellen zijn overigens behalve heldere regelgeving, ook voldoende capaciteit, financiële
middelen en een zorgvuldige implementatie(termijn) van belang.
Hoewel het wetgevingstraject al enige jaren loopt, is het zaak de verplichte zorg écht goed te regelen
en niet door tijdsdruk onduidelijkheid en (onnodige) complexiteit te laten bestaan. De RSJ hecht aan
volstrekte helderheid over wie waarvoor verantwoordelijkheid draagt en benadrukt dat er voldoende
tijd en capaciteit nodig is voor de implementatie van de voorgestelde veranderingen. Haast is hier een
slechte raadgever.
Hoogachtend,
namens de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming,
mr. L.A.J.M. de Wit, algemeen voorzitter
                                                 10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>