<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                                                                                                               Parkstraat 83 Den Haag
                                                                                                               Correspondentie:
                                                                                                               Postbus 30137
                                                                                                               2500 GC Den Haag
                                                                                                               Telefoon (070) 361 93 00
                                                                                                               Fax algemeen (070) 361 93 10
                                                                                                               Fax rechtspraak (070) 361 93 15
Aan de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
Postbus 20301
2500 EH Den Haag
Afdeling        :  advisering
Betreft         :  aanbieding advies
Contactpersoon  :  mr.drs. M.Kuijs / mr.drs. Y. van der Kruit
Doorkiesnummer  :  06-52872145
E-mail          :  m.a.t.kuijs@minvenj.nl
Datum           :  10 augustus 2016
Ons kenmerk     :  RSJ/101/2784/16/MK/TvV
Uw kenmerk      :  685562
Onderwerp       :  Advies conceptwijziging Beleidskader Langdurige Forensisch
                   Psychiatrische Zorg (LFPZ)
                   Geachte heer Dijkhoff,
                   Hierbij biedt de Afdeling advisering van de Raad voor
                   Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) u het gevraagde
                   advies aan over de conceptwijziging van het Beleidskader Langdurige
                   Forensisch Psychiatrische Zorg (LFPZ).
                   De conceptwijziging van het Beleidskader LFPZ (hierna:
                   conceptbeleidskader) is, zo blijkt uit de inleiding, van toepassing
                   op terbeschikkinggestelden die, wegens hun blijvende
                   delictgevaarlijkheid, geïndiceerd zijn voor langdurige forensisch
                   psychiatrische zorg.1 In het conceptbeleidskader worden de
                   plaatsingscriteria en -procedures, de hertoetsingsprocedure en
                   de rechtspositie van LFPZ-patiënten beschreven. Daarnaast wordt
                   ingegaan op differentiatie in beveiligingsniveaus en kwaliteit van
                   leven en zorg in een LFPZ-voorziening. Het betreft een voorgestelde
                   aanpassing van het huidige Beleidskader Longstay Forensische Zorg
                   uit 2009.
                   Een aantal van de voorgestelde wijzigingen behoeft een wettelijke
                   basis. Hiertoe is een voorstel gedaan voor de wijziging van de
                   Verlofregeling tbs2 evenals voor de wijziging van artikel 509o,
                   vierde lid van het Wetboek van Strafvordering (WvSv).3 De Afdeling
                   advisering van de RSJ (hierna: Afdeling advisering) heeft separaat
                   over de wijziging van de Verlofregeling tbs geadviseerd4 en zal
                   1    Conceptbeleidskader Langdurige Forensisch Psychiatrische Zorg, DJI, april 2016, p. 9.
                   2    Conceptwijziging Verlofregeling tbs, bijlage bij de brief van de Directeur-Generaal Jeugd en Sanctietoepassing
                        aan de RSJ met de adviesaanvraag voor de conceptwijziging Verlofregeling tbs, 15 juni 2016.
                   3    Artikel 509o lid 4 WvSv bepaalt dat na een periode van zes jaar of een veelvoud van zes jaar in het kader van
                        de verlenging van de terbeschikkingstelling een multidisciplinaire rapportage plaatsvindt. De Taskforce behan-
                        delduur tbs heeft aanbevolen elke vier jaar een multidisciplinaire rapportage te laten plaatsvinden. In zijn brief
                        d.d. 12 januari 2015 heeft de staatssecretaris toegezegd de wet op dit punt aan te passen.
                   4    Advies ‘Conceptwijziging Verlofregeling tbs’, RSJ, 10 augustus 2016.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>binnenkort adviseren over enkele onderwerpen uit de verzamelwet5 waarmee onder
andere artikel 509o WvSv wordt gewijzigd.
Hierna volgt eerst een beknopte samenvatting van het advies. Vervolgens wordt
ingegaan op de aanleiding om het huidige beleidskader aan te passen en op de
context waarbinnen de wijzigingen plaatsvinden (§1). In §2 worden de voorgestelde
wijzigingen kort weergegeven. Daarna volgt onze inhoudelijke reactie (§3) en wordt
het advies afgerond met enkele (concluderende) slotopmerkingen in §4.
Samenvatting
Uit het conceptbeleidskader blijkt een toenemende inzet op het bevorderen van de
uitstroom uit de LFPZ, onder meer door het verruimen van de verlofmogelijkheden
voor LFPZ-patiënten en een frequentere periodieke hertoetsing van de LFPZ-status.
De Afdeling advisering vindt dit een positieve ontwikkeling. Tegelijkertijd wordt in dit
advies een aantal kritische kanttekeningen geplaatst bij de beschreven procedures
en begrippen, de blijvende beperkingen ten aanzien van het begeleid verlof en het
gebrek aan aandacht voor de knelpunten en risico’s in verband met het bestaan
van slechts één kliniek met een LFPZ-voorziening. De Afdeling advisering beveelt de
staatssecretaris aan het LFPZ-beleid op deze punten aan te passen.
1. Aanleiding en context
In het huidige beleidskader Longstay Forensische Zorg uit 2009 is vastgelegd dat het
beleidskader maximaal twee jaar na inwerkingtreding zal worden geëvalueerd. Deze
evaluatie is in 2013 uitgevoerd door onderzoeksbureau Significant in opdracht van het
WODC.6
In het huidige beleidskader zijn, in vergelijking met het beleidskader uit 2005, onder
meer de (driejaarlijkse) onafhankelijke toets door de Landelijke Adviescommissie
Plaatsing Longstay Forensische Zorg (LAP) en de interne differentiatie naar
combinaties van drie beveiligings- en drie zorgniveaus geïntroduceerd. Significant
constateert dat de rechtspositie van LFPZ-patiënten door invoering van de
driejaarlijkse hertoetsing en het formaliseren van de rol van de LAP is verbeterd.
Eén van de belangrijkste knelpunten bij de uitvoering van het huidige beleidskader,
is de differentiatie naar combinaties van zorg- en beveiligingsniveau die tot
spraakverwarring heeft geleid en in de praktijk niet functioneel is gebleken.
Daarnaast concludeert Significant dat de doorlooptijd van de herbeoordelingen
langer is dan beoogd en dat er in de praktijk problemen spelen bij het vinden van
een geschikte uitstroomvoorziening nadat de longstaystatus is beëindigd.7 In reactie
op de bevindingen uit de (proces)evaluatie heeft de (toenmalige) staatssecretaris
van Veiligheid en Justitie geoordeeld dat de schematische beoordeling van tbs-
longstaypatiënten aan de hand van een vastgesteld zorgniveau niet noodzakelijk
is en heeft hij toegezegd het beleidskader op dit punt aan te zullen passen. Verder
heeft hij aangekondigd met het NIFP afspraken te maken over de doorlooptijden
van advisering bij herbeoordeling en dat het Forensisch Plaatsingsloket van
DJI aan de klinieken ondersteuning zal bieden bij het vinden van een geschikte
vervolgvoorziening.8
Aanvankelijk kondigde de (toenmalige) staatssecretaris in bovengenoemde reactie
op de evaluatie aan al begin 2014 met een gewijzigd beleidskader te komen. Daarna
volgde echter een aantal ontwikkelingen elkaar op. Deze ontwikkelingen dienden
ook in het beleidskader verwerkt te worden en daarom werd het wijzigen van het
beleidskader (steeds) uitgesteld. Het gaat – zo blijkt uit het conceptbeleidskader - om
de volgende ontwikkelingen:
-- Naar aanleiding van het Manifest van Lunteren9 en de rapportage van de Taskforce
5   Wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de Penitentiaire beginselenwetten en enkele andere strafrechtelijke wetten met het oog
    op het aanbrengen van enkele hoofdzakelijk procedurele verbeteringen ten behoeve van de rechtspraktijk.
6   Evaluatie beleidskader Longstay. Differentiatie, herbeoordeling en verloftoets, Reitsma, Walberg, Jongebreur en Schrama, onderzoeksbu-
    reau Significant, 21 mei 2013.
7   Evaluatie beleidskader Longstay. Differentiatie, herbeoordeling en verloftoets, Reitsma, Walberg, Jongebreur en Schrama, onderzoeksbu-
    reau Significant, 21 mei 2013, samenvatting.
8   Brief aan de Tweede Kamer ‘Evaluatie beleidskader Longstay Forensische Zorg’ d.d. 2 september 2013 (TK 2012-2013, 33 628, nr.3)
9   Het Manifest van Lunteren is een set van afspraken om knelpunten bij de tenuitvoerlegging van de tbs-maatregel op te lossen en een ge-
    zamenlijk initiatief van directies FPC’s en Directie Forensische Zorg van DJI. De afspraken zijn gemaakt tijdens de werkconferentie Recht
    en tbs op 8 november 2013 te Lunteren.
                                                                                                                                          2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>    behandelduur tbs10 (hierna: taskforce) hebben de verschillende bij de tbs en
    de LFPZ betrokken organisaties afspraken gemaakt over het stimuleren van de
    uitstroom uit de LFPZ. In het kader van het Manifest van Lunteren is onder meer
    afgesproken dat DJI inzichtelijk maakt welk zorgaanbod ingezet kan worden
    ten behoeve van de doorstroom van LFPZ-patiënten en zijn de fpc’s het gesprek
    gestart met de geestelijke gezondheidszorg (ggz) om draagvlak te creëren voor
    het opnemen van deze doelgroep. Daarnaast is onderzocht of het mogelijk is te
    komen tot harmonisatie van screenings- en verlengingsmomenten voor wat betreft
    terbeschikkinggestelden met een LFPZ-status.11 Deze aandachtspunten zijn in
    samenhang met de aanbevelingen van de taskforce (zie derde gedachtestreepje)
    verwerkt in het conceptbeleidskader.
-- Op 7 juli 2014 heeft de (toenmalig) staatssecretaris besloten dat ongewenst
    verklaarde vreemdelingen met een tbs-maatregel niet meer op een
    longstayafdeling zullen worden geplaatst.
-- Een aantal van de bevindingen en aanbevelingen van de taskforce, die begin
    2015 openbaar werden, betreft het verbeteren van de uitstroom uit de LFPZ. De
    taskforce beval ten eerste aan om plaatsing in de longstay zoveel mogelijk te
    vermijden om zo te voorkomen dat een terbeschikkinggestelde het negatieve label
    van ex-longstaypatiënt krijgt. Ten tweede werd aanbevolen onbegeleid verlof voor
    deze patiënten mogelijk te maken om zo stapsgewijze doorstroom naar de ggz
    gemakkelijker te maken.12 In zijn reactie op het rapport heeft de (toenmalige)
    staatssecretaris toegezegd onbegeleid verlof met het oog op het vergemakkelijken
    van de overgang naar een vervolgvoorziening onder bepaalde voorwaarden toe te
    staan en hiertoe het verlofbeleid aan te passen.13
-- In 2012 is de Verlofregeling tbs gewijzigd, waarmee is geregeld dat uitsluitend
    aan LFPZ-patiënten met een laag individueel beveiligingsniveau begeleid verlof
    kan worden verleend. LFPZ-patiënten met een gemiddeld of hoog individueel
    beveiligingsniveau kunnen als gevolg van deze wijziging niet langer met begeleid
    verlof. Deze wijziging vond al plaats voordat de staatssecretaris reageerde op
    de evaluatie van het beleidskader, maar moet ook nog verwerkt worden in het
    beleidskader.
Hoewel het conceptbeleidskader er geen melding van maakt, is ten slotte relevant
hier het in 2015 door de RSJ uitgebrachte advies ‘Risico’s en knelpunten in de
longstay’ te noemen.14 In paragraaf 3.3. wordt nader ingegaan op dit advies in relatie
tot het conceptbeleidskader.
2. Wijzigingen in het beleidskader LFPZ
De volgende aspecten zijn gewijzigd of nieuw ten opzichte van het huidige
beleidskader:
-- Nieuwe naamgeving: vanaf de inwerkingtreding van het beleidskader zal in plaats
    van de term ‘longstay’ de term ‘langdurige forensisch psychiatrische zorg’ (LFPZ)
    gehanteerd worden.15
-- Verlofmogelijkheden:
    o Onbegeleid verlof wordt op beperkte schaal toegestaan voor LFPZ-patiënten.
    o Een aanscherping van de Verlofregeling tbs uit 2012 ten aanzien van begeleid 		
		 verlof wordt nu ook in het beleidskader vastgelegd.
-- De differentiatie naar combinaties van het zorgniveau en beveiligingsniveau is
    losgelaten.
-- In het beleidskader worden de verschillende vormen van beveiliging met
    betrekking tot het proces rondom LFPZ-plaatsing (algemeen beveiligingsniveau,
    individueel beveiligingsniveau in het kader van risicomanagement en individueel
    beveiligingsniveau bij verlof) toegelicht.
-- De frequentie van de periodieke toets door de LAP is verhoogd van elke drie jaar
10   Taskforce Behandelduur tbs, Bevindingen en aanbevelingen, 22 december 2014. De taskforce gaf uitwerking aan de Meerjarenovereen-
     komst Forensische Zorg 2013-2017.
11   Zie Manifest van Lunteren, Agenda op basis van de werkconferentie Recht en tbs, op 8 november 2013 te Lunteren.
12   Taskforce Behandelduur tbs, Bevindingen en aanbevelingen, 22 december 2014.
13   Brief aan de Tweede Kamer d.d. 12 januari 2015 (TK 2014-2015, 29 452, nr. 187).
14   Advies ‘Knelpunten en risico’s in de longstay’, RSJ, 26 november 2015 .
15   Conceptbeleidskader Langdurige Forensisch Psychiatrische Zorg, DJI, april 2016, p.8.
                                                                                                                                   3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>    naar elke twee jaar. Hiermee is de frequentie gelijkgetrokken met de reguliere
    verlenging van de tbs.
-- In het nieuwe beleidskader is - in tegenstelling tot het huidige beleidskader - de
    hertoetsingsprocedure uitgewerkt in processtappen met bijbehorende termijnen.
    De plaatsingsprocedure is op punten aangepast.
-- Het beleidskader introduceert een stappenplan voor doorstroom bij opheffing van
    de LFPZ-status.
-- Vreemdelingen met een tbs-maatregel die ongewenst zijn verklaard, maar
    vooralsnog niet uitzetbaar blijken, zijn uitgezonderd van plaatsing op een
    LFPZ-afdeling. Dit beleid is al van kracht (besluit d.d. 7 juli 2014) en wordt nu
    opgenomen in het beleidskader.
3. Reactie Afdeling advisering van de RSJ
3.1 Algemeen
De gemiddelde capaciteit en bezetting in de LFPZ-voorzieningen is de laatste jaren
afgenomen.16 Deze afname hangt samen met de afname van de gehele tbs-populatie.
Daarnaast is de afname van het aantal LFPZ-patiënten (mede) het gevolg van de in
2009 in het beleidskader geïntroduceerde driejaarlijkse hertoetsingsprocedure bij de
LAP. In 2015 waren er 112 plaatsen. Het ministerie van Veiligheid en Justitie verwacht
dat de dalende trend de komende jaren doorzet.17
De Afdeling advisering is positief over de ontwikkelingen die het veld in het kader van
het Manifest van Lunteren en de taskforce in gang heeft gezet en die erop gericht zijn
de uitstroom uit de LFPZ te bevorderen. Het verheugt de Afdeling advisering dat de
afspraken en aanbevelingen nu ook een plaats in het nieuwe beleidskader krijgen en
in het geval van het vergroten van de mogelijkheden van verlof, een wettelijke basis
in de Verlofregeling tbs. Het uitgangspunt voor de LFPZ is een zo klein mogelijke
populatie, die niet langer dan noodzakelijk met een LFPZ-status in een LFPZ-
voorziening verblijft. Tegelijkertijd benadrukt de Afdeling advisering dat het evenzeer
van belang is om voor de relatief kleine LFPZ-populatie een kwalitatief hoogwaardig
leef- en zorgklimaat te realiseren.
In de afgelopen jaren is het beleid voor LFPZ-patiënten steeds strikter geworden:
vrijheden en verlofmogelijkheden voor LFPZ-patiënten zijn steeds verder ingeperkt.18
De voorgestelde wijzigingen in het conceptbeleidskader zijn een stap in de richting
van een ontwikkeling naar meer perspectief voor LFPZ-patiënten. De Afdeling
advisering waardeert het dat explicieter dan in het huidige kader wordt bepaald dat
resocialisatie tot de mogelijkheden blijft behoren. Er is aandacht voor het bevorderen
van de uitstroom naar de ggz of terugkeer naar een behandelafdeling in een fpc.
Het toestaan van onbegeleid verlof biedt behandelaars meer mogelijkheden om op
het niveau van het individu een inhoudelijke afweging te maken, mede gebaseerd
op risicotaxatie en risicomanagement, met betrekking tot plaatsing, voortzetting
plaatsing, verlof en uitstroom. Het is positief dat de ontwikkeling waarbij in de loop
der jaren steeds meer beperkingen aan de LFPZ-status zijn gekoppeld, niet verder
wordt doorgezet. Tegelijkertijd wordt helaas vastgehouden aan de wijziging van het
verlofbeleid uit 2012 die inhoudt dat LFPZ-patiënten bij wie een gemiddeld of hoog
beveiligingsniveau is vastgesteld, niet meer in aanmerking komen voor begeleid
verlof. Deze beperking ten aanzien van het begeleid verlof past naar mening van
de Afdeling advisering niet bij het in het beleidskader genoemde uitgangspunt van
kwaliteit van leven in combinatie met het blijven zoeken naar mogelijkheden tot
eventuele nieuwe behandeling ter resocialisatie. In de volgende paragraaf, waarin per
wijziging een reactie wordt gegeven, wordt onder andere op dit punt nader ingegaan.
3.2 Reactie per wijziging
3.2.1 Nieuwe naamgeving en afbakening LFPZ
In het voorwoord van het conceptbeleidskader wordt aangegeven dat “vanaf nu de
16   Zie Forensische zorg in getal 2010-2014 (mei 2015), DJI.
17   Conceptbeleidskader Langdurige Forensisch Psychiatrische Zorg, DJI, april 2016,p.7
18   Sinds de start van de eerste longstayafdeling eind jaren negentig zijn de vrijheden en verlofmogelijkheden voor LFPZ-patiënten sterk
     afgenomen. Dit was niet wat de fpc’s destijds met het oprichten van longstayafdelingen hadden beoogd en wijkt ook af van de praktijk
     bij de start van de longstay (toen bijvoorbeeld onbegeleid naar werk op loopafstand kliniek nog mogelijk was). Zie ‘Longstay out of the
     box’, Van Kordelaar en Kluiter, 2013, p. 3-4
                                                                                                                                          4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>term langdurige forensisch psychiatrische zorg (LFPZ) gehanteerd [zal] worden”. In
het verleden hebben de RSJ en ook anderen19 voorgesteld de terminologie rondom
longstay aan te passen vanwege het negatieve en stigmatiserende imago van
longstay20 en om uit te drukken dat het om een vorm van langdurige zorg gaat.
De Afdeling advisering ondersteunt de nieuwe naamgeving ‘langdurige forensisch
psychiatrische zorg’ (LFPZ) dan ook. Hierbij moet worden opgemerkt dat LFPZ in
de praktijk een ruimer begrip is dat ook langdurige zorg aan andere forensische
patiënten en aan ggz-cliënten kan omvatten, in zogenaamde longcarevoorzieningen.
Het gebruik van de term LFPZ kan verwarring opleveren over de vorm van zorg waar
het over gaat.21 Het verdient daarom aanbeveling aan te geven wat de verschillen en
overeenkomsten zijn tussen de groep waarop het beleidskader van toepassing is en
de groep LFPZ-patiënten die in longcarevoorzieningen van de ggz verblijft. In dat licht
beveelt de Afdeling advisering aan de doelgroep van het beleidskader LFPZ explicieter
in het conceptbeleidskader te definiëren en daarbij ook de juridische kaders die van
toepassing zijn te noemen (het gaat om LFPZ-patiënten met tbs met dwangverpleging
die onder de Bvt vallen). In verband met de nieuwe naamgeving geeft de Afdeling
advisering in overweging om ook de naam van de Landelijke Adviescommissie
Plaatsing Longstay Forensische Zorg (LAP) aan te passen.
3.2.2 Begeleid verlof
Sinds 2012 komen uitsluitend LFPZ-patiënten voor wie een laag beveiligingsniveau
is vastgesteld op grond van artikel 12 lid 2 Verlofregeling tbs in aanmerking voor
begeleid verlof. LFPZ-patiënten waarvoor een gemiddeld of hoog beveiligingsniveau is
vastgesteld komen niet meer voor begeleid verlof in aanmerking. Met deze wijziging
werd uitvoering gegeven aan het beleidsvoornemen om de longstay te versoberen.22
In zijn advies van 14 november 2011 ontraadde de RSJ om diverse redenen de
voorgestelde wijziging van de Verlofregeling tbs om alleen patiënten met een laag
beveiligingsniveau in aanmerking te laten komen voor begeleid verlof.23 De Afdeling
advisering is onverminderd kritisch over het categoraal uitsluiten van een groep
LFPZ-patiënten van begeleid verlof. Het is een gemiste kans dat in het herziene
beleidskader, waarin nadrukkelijker aandacht is voor resocialisatie en uitstroom
van LFPZ-patiënten, is vastgehouden aan de aanscherping ten aanzien van het
begeleid verlof uit 2012. De Afdeling advisering is van mening dat de beoordeling
of een LFPZ-patiënt in het kader van kwaliteit van leven of hernieuwd perspectief
op behandeling of uitstroom in aanmerking komt voor begeleid verlof, uitsluitend
op geïndividualiseerde wijze moet plaatsvinden. Op gelijke wijze als bij reguliere
tbs-patiënten24 zijn behandelaren, het Adviescollege verloftoetsing tbs (Avt) en de
LAP toegerust om hierover op individueel niveau adequaat te adviseren, waarbij de
veiligheid van de maatschappij het belangrijkste aspect van hun afweging vormt. De
Afdeling advisering stelt daarom voor de indeling in beveiligingsniveaus ten behoeve
van verlof voor LFPZ-patiënten te laten vervallen.
In het conceptbeleidskader is opgenomen dat het begeleid verlof voor LFPZ-patiënten
hoofdzakelijk een humanitaire functie heeft. De Afdeling advisering vraagt zich af
met welk doel deze specificatie is opgenomen. Voor sommige LFPZ-patiënten zal
begeleid verlof structureel worden verleend in het kader van kwaliteit van leven
maar voor andere patiënten kan het een eerste stap zijn naar onbegeleid verlof en
uitstroom uit de LFPZ, naar een op resocialisatie gerichte behandelvoorziening of een
vervolgvoorziening in de ggz of de verstandelijk gehandicaptenzorg. Daarnaast komen
alle LFPZ-patiënten, net als reguliere terbeschikkinggestelden, op grond van artikel 13
Verlofregeling tbs in aanmerking voor incidenteel verlof om redenen van humanitaire
aard.25 Om verwarring met humanitair verlof op grond van artikel 13 te voorkomen
19   Longstay out of the box, Van Kordelaar en Kluiter, 2013, p.15-16 en Expertisecentrum Forensische Psychiatrie, Langdurig forensisch
     psychiatrische zorg, landelijk zorgprogramma versie 2.0, laatst gewijzigd 21-11-2014
20   Zie ook Rapportage Taskforce behandelduur tbs, 22 december 2014, p. 23-24.
21   Bij de evaluatie van het Beleidskader longstay 2009 wezen respondenten op de begripsverwarring ten aanzien van longcare en longstay.
     Zie Evaluatie beleidskader Longstay. Differentiatie, herbeoordeling en verloftoets, Reitsma, Walberg, Jongebreur en Schrama, onder-
     zoeksbureau Significant, 21 mei 2013, p. 43.
22   Zie brief aan de Tweede Kamer d.d. 17 februari 2011 (TK, 2010–2011, 29 452, nr. 138) en het Regeer- en gedoogakkoord van 30 sep-
     tember 2010.
23   Advies ‘Reactie op de conceptregeling tot wijziging van de Verlofregeling tbs’ , RSJ, 14 november 2011.
24   Hiemee wordt bedoeld tbs-patiënten zonder een LFPZ-status.
25   Incidenteel verlof om redenen van humanitaire aard is toegestaan voor alle LFPZ-patiënten, ongeacht het beveiligingsniveau (Verlofrege-
     ling tbs artikel 12 lid 1 jo, artikel 13 lid 1).
                                                                                                                                         5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>en omdat begeleid verlof voor LFPZ-patiënten óók een eerste stap richting uitstroom
en resocialisatie kan zijn, beveelt de Afdeling advisering aan de toevoeging dat het
begeleid verlof voor LFPZ-patiënten hoofdzakelijk een humanitaire functie heeft, uit
het beleidskader te schrappen.
3.2.3 Onbegeleid verlof
In het conceptbeleidskader is opgenomen “In het kader van de voorbereiding van
het opheffen van de LFPZ-status en een overplaatsing naar een vervolgsetting, kan,
als onderdeel van het uitstroomplan, gekeken worden of tijdens de LFPZ-plaatsing
op beperkte schaal kan worden geoefend met vormen van onbegeleid verlof voor
de duur van maximaal een jaar”.26 De Afdeling advisering omarmt de mogelijkheid
om onbegeleid verlof toe te kennen aan LFPZ-patiënten. Het toekennen van deze
vorm van verlof, vanzelfsprekend in combinatie met adequate risicotaxatie en
adequaat risicomanagement, kan bijdragen aan het bevorderen van uitstroom
uit de LFPZ-voorziening naar een behandelafdeling van een fpc, naar een lichtere
vorm van forensische zorg en met name naar de reguliere ggz en de verstandelijk
gehandicaptenzorg. Uit de tekst van het beleidskader volgt dat onbegeleid verlof
uitsluitend kan worden ingezet op voorwaarde van een concreet uitstroomplan dat
binnen de hertoetsingsprocedure bij de LAP wordt opgesteld (zie hierover meer
in §3.2.7). Het plan wordt opgesteld als de LAP perspectief ziet om te adviseren
de LFPZ-status op te heffen. Dit betekent dat LFPZ-patiënten voor wie nog niet
een dergelijk plan op verzoek van de LAP is opgesteld, niet via onbegeleid verlof
kunnen tonen dat zij met dit type vrijheden kunnen omgaan. De Afdeling advisering
beveelt aan om niet bij voorbaat patiënten die nog geen uitstroomplan hebben uit te
sluiten van onbegeleid verlof, maar per individu te beoordelen of onbegeleid verlof
een volgende stap in het behandelplan kan zijn. Uit de conceptwijziging van de
Verlofregeling tbs, die een wettelijke basis biedt voor het verlenen van onbegeleid
verlof, blijkt verder dat de machtiging onbegeleid verlof slechts eenmaal kan worden
verleend voor de duur van maximaal een jaar. Hiermee wordt afgeweken van het
beleid voor reguliere terbeschikkinggestelden voor wie geldt dat een verlofmachtiging
bij een positieve evaluatie na verloop van een jaar opnieuw wordt verleend.27 Een
onderbouwing (anders dan “gelet op de aard van het verlof”) voor het eenmaal
verlenen van een machtiging ontbreekt in de toelichting bij de Verlofregeling tbs;
in het conceptbeleidskader wordt helemaal niet vermeld dat de machtiging slechts
eenmaal kan worden afgegeven. Met het oog op het behouden van perspectief en het
bevorderen van uitstroom beveelt de Afdeling advisering aan ook voor LFPZ-patiënten
het meermaals verlenen van een machtiging voor onbegeleid verlof mogelijk te
maken. Voor een reactie op artikel 12 van de conceptwijziging van de Verlofregeling
tbs, waarin bovenstaande wordt geregeld, wordt verder verwezen naar het advies
over de Verlofregeling tbs van 10 augustus 2016.
3.2.4 Verschillende begrippen en differentiaties met betrekking tot het
beveiligingsniveau
In het huidige beleidskader is een matrix opgenomen van drie beveiligingsniveaus
(hoog/midden/laag) gecombineerd met drie niveaus van zorg (hoog/matig en
laag) die op de LFPZ-populatie van toepassing zijn. Per combinatie beveiligings- en
zorgniveau is vervolgens gedefinieerd wat voor een type afdeling, met welk type
(behandel)klimaat, voor welk type patiënt van toepassing is. Het was de bedoeling dat
klinieken de matrix voor hun interne differentiatie zouden gebruiken. Uit de evaluatie
van Significant blijkt dat klinieken met een LFPZ-voorziening een categorisering in
een hoog, midden en laag zorg- en beveiligingsniveau niet gebruiken voor interne
differentiatie.28 De differentiatie naar zorgniveau en beveiligingsniveau wordt in
de praktijk anders ingevuld en heeft tot spraakverwarring geleid (verschillen in
invulling/interpretatie) en correspondeert niet met de praktijk waarin voor een kleine
populatie op basis van verschillende factoren (zoals pathologie, risicovol gedrag,
26   Conceptbeleidskader Langdurige Forensisch Psychiatrische Zorg, DJI, april 2016, p.22.
27   Verloftoetsingskader tbs 2009
28   De evaluatie is uitgevoerd in 2012 en 2013. Op dat moment waren er drie klinieken met een LFPZ-voorziening. Samen hadden deze kli-
     nieken 20 afdelingen: zes longstayafdelingen van locatie Vught van de Pompestichting (48 bedden), acht longstayafdelingen van locatie
     Zeeland van de Pompestichting (88 bedden), vier afdelingen in fpc Veldzicht (46 bedden) en twee afdelingen in de Van der Hoevenkli-
     niek (20 bedden). Zie Evaluatie beleidskader Longstay. Differentiatie, herbeoordeling en verloftoets, Reitsma, Walberg, Jongebreur en
     Schrama, onderzoeksbureau Significant, 21 mei 2013, p. 45-47.
                                                                                                                                         6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>kwetsbaarheid, zelfstandigheid, begeleidbaarheid, structuurbehoefte, verslaving
en contact met medepatiënten) interne differentiatie plaatsvindt.29 De Afdeling
advisering onderschrijft het loslaten van de differentiatie naar combinaties van zorg-
en beveiligingsniveau en benadrukt net als eerder dat een inhoudelijke individuele
afweging door de kliniek het uitgangspunt zou moeten zijn.
In Hoofdstuk 4 van het conceptbeleidskader worden de verschillende vormen van
beveiliging bij het proces rondom LFPZ-plaatsing toegelicht. Hoewel hiermee wordt
beoogd verwarring te voorkomen, is (de noodzaak van) het onderscheid tussen
de verschillende begrippen onduidelijk. Hiervoor werd al aanbevolen de indeling in
beveiligingsniveaus ten behoeve van verlof (‘het individuele beveiligingsniveau voor
verlof’ (4.4)) voor LFPZ-patiënten te laten vervallen. Dan blijven over het ‘algemeen
beveiligingsniveau’ (4.2) en het ‘individuele beveiligingsniveau in het kader van
risicomanagement’ (4.3).
Het algemeen beveiligingsniveau betreft het type instelling waar LFPZ-patiënten
geplaatst kunnen worden. Dit is, zo blijkt uit het conceptbeleidskader, altijd een fpc
met (inherent aan een kliniek met fpc-status) beveiligingsniveau 4. Hieruit blijkt
dat het begrip ‘algemeen beveiligingsniveau’ ziet op het type instelling, samenvalt
met de tbs met dwangverpleging / LFPZ-status en niet gebaseerd is op (individuele)
patiëntgerelateerde aspecten.
Het ‘individuele beveiligingsniveau in het kader van risicomanagement’ gaat, zo
blijkt uit het conceptbeleidskader, over de situatie “alvorens een tbs-gestelde een
LFPZ-indicatie kan krijgen”. Voordat de LFPZ-status kan worden toegekend dienen
zowel het fpc als rapporteurs van het NIFP advies te geven over het individuele
beveiligingsniveau in het kader van risicomanagement in de begeleiding van de
patiënt. Hierbij komen punten aan de orde als het interne risicomanagement binnen
de kliniek en de mate van beveiliging die nodig is in relatie tot het recidivegevaar
en de kans op ontvluchting. Uit deze begripsdefiniëring vloeit volgens de Afdeling
advisering voort dat het begrip ‘individuele beveiligingsniveau in het kader van
risicomanagement’ iets anders inhoudt dan de interne differentiatie door de kliniek.
Nadat de indicatiestelling heeft plaatsgevonden en de staatssecretaris de twee
hiervoor genoemde beveiligingsniveaus heeft vastgesteld op advies van fpc en NIFP-
rapporteurs, wordt de patiënt geplaatst in een kliniek met een LFPZ-voorziening
(DJI/DIZ30 beslist namens de staatssecretaris over plaatsing). Vervolgens bepaalt
de kliniek zelf op grond van verschillende factoren (pathologie, risicovol gedrag,
zelfstandigheid etc. zoals hiervoor aangeduid) op welke afdeling en/of in welke groep
zij een patiënt plaatst. Deze interne differentiatie door de kliniek blijft onderbelicht in
het conceptbeleidskader.
De Afdeling advisering beveelt aan de verschillende (overgebleven) begrippen,
waaronder de interne differentiatie door de kliniek, nader te verduidelijken door per
type beveiligingsniveau of differentiatie te beschrijven welke organisatie welke rol
heeft bij welke processtap/fase en wie uiteindelijk de definitieve beslissing neemt.
Dit kan meer helderheid bieden over functie en doel van de verschillende soorten
beveiligingsniveaus en differentiaties binnen het proces rondom de LFPZ-plaatsing.
3.2.5 De toegenomen frequentie van de periodieke toets door de LAP
In het kader van het Manifest van Lunteren hebben de organisaties die betrokken
zijn bij de tenuitvoerlegging van de tbs-maatregel afspraken gemaakt om een aantal
knelpunten rondom de tbs aan te pakken. Zoals blijkt uit het conceptbeleidskader,
vloeit het gelijktrekken van de frequentie van de periodieke toets door de LAP met
de reguliere verlenging van de tbs die elke twee jaar plaatsvindt, voort uit het
Manifest van Lunteren. De Afdeling advisering onderstreept het verwerken van deze
afspraak in het conceptbeleidskader. Een periodieke toets elke twee jaar in plaats
van elke drie jaar, betekent dat vaker periodiek wordt getoetst of uitstroom aan de
orde is en is een verbetering van de rechtspositie. Daarnaast kan er efficiencywinst
geboekt worden aangezien zowel de rechtbank of het hof als de LAP gebruik kan
maken van de multidisciplinaire rapportage (elke 4 jaar) en het advies van de kliniek.
29   Evaluatie beleidskader Longstay. Differentiatie, herbeoordeling en verloftoets, Reitsma, Walberg, Jongebreur en Schrama, onderzoeksbu-
     reau Significant, 21 mei 2013, p. 43-49.
30   Dienst Justitiële Inrichtingen/Dienst Individuele Zaken.
                                                                                                                                       7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>Een aandachtpunt hierbij is de situatie waarin de rechter de tbs slechts voor een jaar
verlengt. Het conceptbeleidskader gaat niet in op de consequenties hiervan voor de
periodieke toets in het kader van de LFPZ-status. De Afdeling advisering beveelt aan dit
alsnog te doen.
3.2.6 Procedures behoeven verduidelijking
In het conceptbeleidskader wordt een aantal procedures beschreven. Het betreft
de plaatsingsprocedure (2.3), de periodieke hertoetsingsprocedure (3.2) en de
procedure ‘stappenplan doorstroom bij opheffing LFPZ-status’ (3.3). De beschreven
procedures zijn niet altijd helder. De Afdeling advisering vindt het van belang dat
volstrekt helder is wie waarvoor op welk moment verantwoordelijk is en waarover een
beslissing neemt, zodat hier geen misverstand over kan bestaan. Daarnaast wordt
in de plaatsingsprocedure niet gespecificeerd over welk type beveiligingsniveau het
gaat. Dit is verwarrend, aangezien verderop in het conceptbeleidskader verschillende
soorten beveiligingsniveaus worden onderscheiden. In de hertoetsingsprocedure wordt
verwezen naar stappen 3, 4 en 5, terwijl de stappen niet genummerd zijn. Hierna wordt
dieper ingegaan op het ‘stappenplan doorstroom bij opheffing LFPZ-status’.
Met betrekking tot de procedures merkt de Afdeling advisering ten overvloede op dat
deze uitvoerbaar moeten zijn voor de betrokken organisaties. Organisaties moeten in
staat worden gesteld snel de gewenste stappen te zetten. Het begrenzen van termijnen
is positief maar de termijnen moeten wel haalbaar zijn. De Afdeling advisering gaat
ervan uit dat de procedures voorgelegd zijn aan de betreffende organisaties en dat zij
deze werkbaar vinden.
3.2.7 Uitstroom uit de LFPZ en het ‘stappenplan doorstroom bij opheffing LFPZ-status’
De continuïteit van zorg bij de overgang van de forensische zorg naar de reguliere
ggz en de sector verstandelijk gehandicapten (VG) vormt al jaren een knelpunt. De
taskforce constateerde dat de uitstroom van een LFPZ-patiënt nog lastiger is gezien
“enerzijds het negatieve label van ex-longstayer, als ook met de vaak beperkte
ervaringen die de patiënt heeft opgedaan met vrijheden”.31 Op dit moment lopen er
verschillende trajecten gericht op het vergemakkelijken van de overgang tussen de
zorgsystemen.32 Een van deze trajecten is het programma ‘Continuïteit van zorg door
de (forensische) zorgketen’ dat per januari 2016 van start is gegaan. Opdrachtgevers
zijn GGZ Nederland, het ministerie van Veiligheid en Justitie, het ministerie van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Zorgverzekeraars Nederland en de Vereniging
Nederlandse Gemeenten. Daarnaast beogen de wetsvoorstellen Wet forensische zorg
(Wfz), Wet verplichte ggz (Wvggz) en Wet zorg en dwang (Wzd), die het juridische
sluitstuk vormen van de stelselherziening forensische zorg uit 2008, de doorstroom
vanuit de forensische zorg naar de ggz en de verstandelijk gehandicaptenzorg te
bevorderen.
De Afdeling advisering onderschrijft van harte de doelstelling van het bevorderen van
de doorstroom van forensische patiënten, waaronder LFPZ-patiënten, en is verheugd
dat in het conceptbeleidskader hier expliciet aandacht aan is besteed door een
procedure in de vorm van een stappenplan voor doorstroom bij opheffing van de LFPZ-
status te introduceren. Toch is de Afdeling advisering van mening dat de uitwerking van
de procedure verbetering behoeft en heeft daarom een aantal opmerkingen en vragen
bij het stappenplan.
De termen doorstroom(plan) en uitstroom(plan) worden in het conceptbeleidskader
door elkaar gebruikt. Wordt met deze termen hetzelfde bedoeld? Het verdient
aanbeveling te kiezen voor één term of het verschil tussen doorstroom en uitstroom aan
te duiden. De Afdeling advisering hanteert in dit advies de term uitstroom, aangezien
het gaat om uitstroom uit de LFPZ. In het verlengde hiervan adviseert de Afdeling om
de verschillende uitstroomvoorzieningen te noemen: niet alleen de reguliere ggz33 maar
ook een behandelafdeling van een fpc, de overige forensische zorg34 en de verstandelijk
31   Rapportage Taskforce behandelduur tbs, 22 december 2014, p. 23.
32   Naast de in dit advies genoemde trajecten, zijn ook relevant de Thematische wetsevaluatie gedwongen zorg van ZonMw (2014), het rap-
     port van de Commissie Hoekstra (2015) n.a.v. de dood van oud-minister Borst, de ‘Aanpak Verwarde Personen’ en het Verbeterprogramma
     maatschappelijke Veiligheid (beide lopende trajecten mede gevoed door het rapport van de Commissie Hoekstra). Voor zover van toepas-
     sing worden de aanbevelingen vanuit deze trajecten meegenomen in het wetgevingstraject m.b.t de drie wetsvoorstellen gedwongen zorg
     (Wfz, Wvggz, Wzd).
33   Binnen de reguliere ggz kan er onderscheid gemaakt worden tussen behandel- en woonafdelingen en ambulante zorg.
34   Onder overige forensische zorg wordt – conform de definitie van DJI- verstaan alle forensische zorg binnen het strafrechtelijk kader (foren-
     sische zorg titels) behalve tbs. De overige forensische zorg is te verdelen in drie segmenten: klinische zorg, beschermd wonen (RIBW’s) en
     ambulante zorg. Zie ook ‘Forensische zorg in getal 2010-2014’, DJI, mei 2015.
                                                                                                                                           8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>gehandicaptenzorg. In het beleidskader wordt het belang van de uitstroom naar een
vervolgvoorziening genoemd, maar er wordt niet vermeld in welke fase (moet de LFPZ-
status al zijn opgeheven?) en op welke (juridische) titel dit mogelijk is (transmuraal
verlof, proefverlof, voorwaardelijke beëindiging tbs) en welke rechtspositionele
gevolgen dit voor de betrokken patiënt heeft. De procedure (het stappenplan) die
beschreven wordt in paragraaf 3.3. is niet helder en niet concreet genoeg. Ook is
onduidelijk hoe het uitstroomplan zich verhoudt tot het (reguliere) behandelplan en
tot het trajectplan en verlofplan waar de taskforce aan refereert.35 Het perspectief op
uitstroom is ook voor een LFPZ-patiënt een belangrijk onderdeel van het behandelplan.
Het blijven zoeken naar mogelijkheden voor een eventuele nieuwe behandeling ter
resocialisatie en plaatsing van patiënten in een minder beveiligde omgeving vormen
immers doelstellingen naast kwaliteit van leven en stabilisatie, zo blijkt uit het
conceptbeleidskader. Het conceptbeleidskader geeft niet aan wie verantwoordelijk is
voor het initiëren en organiseren van een zorgconferentie in het geval dat een patiënt
na één jaar niet kan uitstromen. Daarnaast wekt het conceptbeleidskader de indruk dat
er met plaatsing in een vervolgvoorziening altijd resocialisatie aan de orde is, terwijl
dit niet zo hoeft te zijn (denk aan een longcarevoorziening). Beide punten behoeven
verduidelijking.
Uit de introductie bij het stappenplan volgt dat het stappenplan ten behoeve van
uitstroom uitsluitend binnen de hertoetsingsprocedure van de LAP, op initiatief
van de LAP (nadat de LAP perspectief ziet om de LFPZ-status op te heffen en haar
advies aanhoudt) kan worden ingezet. De Afdeling advisering beveelt aan op te
nemen dat het stappenplan ook op initiatief van de kliniek en voorafgaand aan de
hertoetsingsprocedure in gang kan worden gezet. Op deze manier kan ook de kliniek
het opstellen van een uitstroomplan initiëren.
Ten slotte merkt de Afdeling advisering op dat de uitvoerbaarheid van het stappenplan,
en daarmee de uitvoerbaarheid van het beleidskader als geheel, sterk afhangt van het
aantal beschikbare plekken in de ggz respectievelijk de verstandelijk gehandicaptenzorg
en de bereidheid en toerusting van deze sectoren om plekken voor (ex-)LFPZ-patiënten
beschikbaar te stellen. De Afdeling advisering is zich ervan bewust dat er grote inzet
wordt gepleegd om de uitstroom van forensische patiënten naar deze sectoren te
bevorderen en waardeert deze inzet zeer, maar het blijft een aandachts- en zorgpunt.
Wellicht ten overvloede bepleit de Afdeling advisering een blijvende en waar mogelijk
nog voortvarender en intensievere inzet op dit punt.
3.2.8 Vreemdelingen met een tbs-maatregel
Vreemdelingen met een tbs-maatregel die ongewenst zijn verklaard kunnen sinds 7
juli 2014 niet meer op een LFPZ-afdeling worden geplaatst.36 In zijn advies over het
Beleidskader repatriëring vreemdelingen in de tbs uit 2012 heeft de RSJ zich kritisch
uitgelaten over het plaatsen op een LFPZ-afdeling van vreemdelingen van wie de
behandeling perspectief biedt op resocialisatie, maar die niet kunnen worden uitgezet.
De RSJ was van oordeel dat een plaatsing om deze reden geen grond vindt in het
beleidskader, aanzien een LFPZ-plaatsing in het leven is geroepen voor personen bij wie
(op dat moment) geen behandeling met perspectief op resocialisatie (meer) bestaat.37
Hoewel het positief is dat plaatsing op oneigenlijke gronden niet langer mogelijk is,
beveelt de Afdeling advisering aan vreemdelingen niet categoraal uit te sluiten van
plaatsing in een LFPZ-voorziening. Vreemdelingen met een tbs-maatregel voor wie
plaatsing in de LFPZ uitdrukkelijk de meest aangewezen of zelfs de enige passende
optie is, zouden net als andere terbeschikkinggestelden in aanmerking moeten kunnen
komen voor plaatsing in een LFPZ-voorziening. Het zal naar verwachting gaan om
een beperkt aantal vreemdelingen. Gedacht kan worden aan vreemdelingen met een
therapieresistente psychose die een hoog beveiligingsniveau nodig hebben.
35   Rapportage Taskforce behandelduur tbs, 22 december 2014, p. 24: “De taskforce pleit er daarnaast voor om onbegeleid verlof toe te staan
     voor patiënten met een longstaystatus. Dit ten behoeve van vertrek uit de longstayvoorziening. Hiermee kan worden toewerkt naar verblijf
     in een andere setting en verlofbewegingen kunnen daarvoor gericht worden ingezet. De noodzakelijkheid hiervan moet blijken uit een
     trajectplan met duidelijke tijdsindicatie en overeenkomstig opgestelde verlofdoelen. Met het succesvol doorlopen van het verlofplan kan
     worden aangetoond dat de tbs-gestelde kan omgaan met enige mate van vrijheid en in staat is zich aan de voorwaarden te houden. Dit zal
     naar verwachting van de taskforce de overgang naar de vervolgsetting vergemakkelijken.”.
36   Daarnaast geldt sinds 1 december 2014 de ‘Aanwijzing TBS bij vreemdelingen’ op grond waarvan door het OM bij vreemdelingen van wie
     vaststaat of aannemelijk is dat zij niet rechtmatig in Nederland kunnen verblijven na afloop van de tbs-maatregel, wordt afgezien van het
     vorderen van TBS, mits dat gelet op het belang van de veiligheid van de samenleving verantwoord is.
37   Advies ‘Beleidskader repatriëring vreemdelingen in de tbs’, RSJ, 30 november 2012.
                                                                                                                                          9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>3.3 Risico op eenzijdige visie in verband met één instelling met een LFPZ-voorziening
blijft onbelicht
In het hiervoor genoemde advies ‘Risico’s en knelpunten in de longstay’38 heeft de
RSJ onder de aandacht gebracht dat er als gevolg van het Masterplan DJI39 nog maar
één kliniek40 is met LFPZ-voorzieningen voor terbeschikkinggestelden. In het advies
wordt beargumenteerd dat het verblijf van de gehele populatie van LFPZ-patiënten in
één enkele kliniek, die daarmee een ‘monopoliepositie’ heeft, tot verschillende risico’s
en knelpunten leidt, die moeten worden ondervangen omdat anders de uitstroom uit
de LFPZ kan worden belemmerd. Het betreft het risico op het ontwikkelen van een te
eenzijdige visie op een LFPZ-patiënt en knelpunten zoals onvoldoende bekendheid met
time-outmogelijkheden, het ontbreken van een rechtsmiddel bij interne overplaatsing
en het niet extern kunnen overplaatsen.
De Afdeling advisering betreurt het dat bovengenoemde knelpunten en risico’s, die
samenhangen met het beschikbaar zijn van één kliniek voor LFPZ-patiënten, in het
geheel niet geadresseerd worden in het conceptbeleidskader. In zijn reactie op het
advies heeft de staatssecretaris aangegeven dat er de komende tijd geen LFPZ-
voorziening in een tweede kliniek zal komen.41 In het beleidskader wordt (überhaupt)
niet aangegeven dat er op dit moment en ook de komende tijd nog maar één instelling
is met een LFPZ-voorziening, terwijl er wel maatregelen zijn aangekondigd om de
risico’s die deze situatie meebrengt te ondervangen. De staatssecretaris heeft in zijn
reactie aangegeven conform het advies van de RSJ te zullen starten met het bevorderen
van aandacht voor de zogeheten ‘time-out-plaatsingen’42 in andere klinieken. Gezien het
feit dat in het comceptbeleidskader achtergrondinformatie bij de LFPZ is opgenomen,
had een passage over time-out-plaatsingen en de voorwaarden waaronder deze
mogelijk zijn, zeker ook een plek kunnen krijgen. De Afdeling advisering beveelt aan
hierover alsnog een passage op te nemen. Dit zal ook bijdragen aan de bekendheid van
de regeling.
De staatssecretaris gaat in zijn beleidsreactie niet in op de aanbeveling om interne
overplaatsing van LFPZ-patiënten beklagwaardig te maken (nu externe overplaatsing
feitelijk niet mogelijk is). Met de toezegging om de locatie Vught te sluiten, waarbij
alleen locatie Zeeland zou overblijven, leek deze aanbeveling ook niet meer opportuun.
Echter, inmiddels is duidelijk geworden dat er LFPZ-patiënten van Vught naar Nijmegen
zullen worden overgeplaatst (met behoud van de LFPZ-status). Dit maakt deze
aanbeveling weer actueel. De Afdeling advisering adviseert de staatssecretaris daarom
opnieuw om interne overplaatsing van LFPZ-patiënten (van LFPZ-locatie Nijmegen naar
LFPZ-locatie Zeeland en omgekeerd) beklagwaardig te maken.
Ten slotte zou in het conceptbeleidskader ook aandacht moeten worden besteed aan
de vraag hoe om te gaan met de LFPZ-patiënten die op de ZISZ-afdeling43 in Vught
(blijven) zitten (het ministerie is voornemens de ZISZ-afdeling te koppelen aan het
PPC). De Afdeling advisering beveelt aan – met verwijzing naar bovengenoemd advies –
hier in het beleidskader aandacht aan te besteden.
4. Tot slot
Concluderend ziet de Afdeling advisering op grond van het conceptbeleidskader een
positieve ontwikkeling ten aanzien het LFPZ-beleid. De toenemende inzet op het
bevorderen van uitstroom uit de LFPZ, waaronder het verlenen van onbegeleid verlof
aan LFPZ-patiënten en een frequentere periodieke hertoetsing van de LFPZ-status,
betekent een verbetering van de rechtspositie en het perspectief van LFPZ-patiënten.
Met het oog hierop verdient het wel aanbeveling om in het vervolg toegezegde
beleidswijzigingen sneller te evalueren, verwerken en implementeren. Hoewel de
Afdeling advisering positief is over de voorgestelde beleidswijziging, betreurt zij de
38   Advies ‘Risico’s en knelpunten in de longstay’, RSJ, 26 november 2015.
39   Masterplan Dienst Justitiële Inrichtingen 2013-2018.
40   De betreffende kliniek, de Pompestichting, heeft twee longstaylocaties (in Zeeland en Vught) die in de huidige situatie niet vergelijkbaar zijn
     wat betreft de bejegening en het begeleidingsniveau. Hierdoor is overplaatsing van tbs-longstaypatiënten, in verband met bijvoorbeeld een
     impasse of incident, niet (altijd) mogelijk.
41   Zie brief aan de Tweede Kamer ‘Rapport ‘Risico’s en knelpunten in de longstay’ d.d. 12 februari 2016 (TK 2015–2016, 29 452, nr. 199).
42   Hiermee wordt bedoeld een observatieplaatsing op grond van artikel 13 Bvt.
43   Zeer Intensieve Specialistische Zorgafdeling.
                                                                                                                                            10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>blijvende beperkingen voor LFPZ-patiënten met betrekking tot het begeleid verlof en
het gebrek aan aandacht voor de knelpunten en risico’s die het bestaan van slechts
één kliniek met een LFPZ-voorziening meebrengt. We bevelen aan de beleidskeuzen op
deze punten te heroverwegen of in ieder geval (nader) toe te lichten in de definitieve
wijziging van het beleidskader.
Hoogachtend,
namens de Afdeling advisering van de
Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming,
mr. L.A.J.M. de Wit, voorzitter
                                                                                     11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>