<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                                                                                    Parkstraat 83 Den Haag
                                                                                    Correspondentie:
                                                                                    Postbus 30137
                                                                                    2500 GC Den Haag
                                                                                    Telefoon (070) 361 93 00
                                                                                    www.rsj.nl
                                                                                    info@rsj.nl
                 Aan de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
                 Postbus 20301
                 2500 GC Den Haag
Afdeling       : advisering
Betreft        : aanbieding advies “Van detineren naar re-integreren”
Contactpersoon : drs. M. Kruissink
Doorkiesnummer : 06-52872158
E-mail         : m.kruissink@minvenj.nl
Datum          : 13 juli 2017
Ons kenmerk    : RSJ/101/2931/2017/MK/TvV
Onderwerp      : Nazorg/re-integratie ex-gedetineerden
                 Geachte heer Dijkhoff,
                 Sinds een jaar of tien zet uw departement fors in op de nazorg van ex-gedetineerden,
                 in samenwerking met gemeenten en ketenpartners. De Afdeling advisering van de
                 Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming juicht dit toe omdat een
                 succesvolle re-integratie van (ex-)gedetineerden in het belang is van gedetineerden,
                 slachtoffers en de samenleving als geheel.
                 In de afgelopen jaren kreeg de RSJ op basis van geluiden uit de praktijk de indruk
                 dat er veel initiatieven en activiteiten worden ondernomen om nazorg tot stand te
                 brengen, maar het proces nog knelpunten vertoont. Dit vormde de aanleiding voor
                 het opstellen van dit advies, waarin de actuele stand van zaken wordt geschetst na
                 een verkenning van de praktijk.
                 De Afdeling advisering concludeert dat er door medewerkers van PI’s, gemeenten
                 en ketenpartners ten aanzien van de re-integratie van (ex-)gedetineerden veel
                 inspanningen zijn verricht en creativiteit is getoond bij het oplossen van problemen.
                 De Afdeling stelt evenwel ook vast dat er structurele knelpunten en tekortkomingen
                 zijn in de aanpak. Enkele belangrijke punten van zorg zijn dat:
                 -- met het nazorgbeleid minder dan de helft van de (ex-)gedetineerden wordt
                     bereikt;
                 -- er geen wettelijke grondslag is voor een van de randvoorwaarden van het
                     re-integratiebeleid: het uitwisselen van informatie over (ex-)gedetineerden tussen
                     penitentiaire inrichtingen, gemeenten en ketenpartners;
                 -- de samenwerkingspartners bij het oplossen van problemen met betrekking tot de
                     basisvoorwaarden ernstige problemen tegen komen;
                 -- er weinig bekend is over de resultaten van de vele inspanningen.
                 Het advies geeft een beeld van de uitvoering van de nazorg, wat daarin volgens de
                 Afdeling advisering knelpunten zijn en bevat aanbevelingen voor de praktijk.
                 De Afdeling advisering hoopt met dit advies bij te dragen aan de verdere vormgeving
                 van het beleid op dit terrein.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Het advies wordt in de periode september-oktober openbaar gemaakt. In verband met het
belang van dit advies voor de gemeenten, zal na openbaarmaking een exemplaar worden
gestuurd aan onder meer de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG).
Mocht u over dit advies van gedachten willen wisselen, dan ben ik daar graag toe bereid.
Hoogachtend,
namens de Afdeling advisering van de
Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming,
mr. L.A.J.M. de Wit,
Voorzitter van de Afdeling advisering
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Van detineren naar re-integreren
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
Met het nazorg/re-integratiebeleid zetten het ministerie van Veiligheid en Justitie,
gemeenten en ketenpartners zich in om de terugkeer van gedetineerden vanuit penitentiaire
inrichtingen (PI’s) naar de samenleving in goede banen te leiden. Het doel daarvan is
dat de kans op recidive zo klein mogelijk is en overlast wordt voorkomen. Het nazorg/re-
integratiebeleid is gericht op vijf basisvoorwaarden in het leven van (ex-)gedetineerden,
namelijk:
•    het bezit van een geldig identiteitsbewijs (noodzakelijk voor bijvoorbeeld het aanvragen
     van een uitkering),
•    onderdak aansluitend op de detentie,
•    inkomen (via werk of uitkering),
•    zorg (zowel lichamelijk als geestelijk),
•    schuldhulpverlening.
De bedoeling is om tekorten of problemen met betrekking tot de basisvoorwaarden
aan te pakken en daar al tijdens de detentie mee te beginnen. Naarmate meer aan de
basisvoorwaarden wordt voldaan -en aan andere criminogene factoren wordt gewerkt-, is
de kans dat een ex-gedetineerde recidiveert kleiner, zo is uit wetenschappelijk onderzoek
gebleken.1 Om dit te realiseren wordt de gedetineerde ondersteund en gefaciliteerd bij het
gebruik en de voorbereiding van het gebruik van voorzieningen op het gebied van de vijf
basisvoorwaarden. Een voorbeeld is het reeds tijdens de detentie nagaan hoe het staat met
onderdak ná vertrek uit de PI en – indien nodig – nog tijdens het verblijf in de inrichting
zaken in gang zetten om dit te regelen. In de nazorg/re-integratie-aanpak ligt het voortouw
bij de gedetineerde zelf, die daarbij wordt ondersteund door de PI, de gemeente en
ketenpartners. Een goede informatie-uitwisseling tussen deze partijen is hierbij essentieel
(denk aan vragen als: wanneer komt betrokkene uit detentie? heeft hij op dat moment
huisvesting en inkomen?). Die uitwisseling is een essentieel onderdeel van het geheel van
nazorg/re-integratie-activiteiten.
De termen nazorg en re-integratie
In dit advies worden de termen nazorg en re-integratie door elkaar gebruikt. Met beide
termen wordt gedoeld op de activiteiten die in het kader van de samenwerking tussen
Justitie en gemeenten worden ontplooid, met het oog op de terugkeer van ex-gedetineerden
in de samenleving waarbij de kans op recidive zoveel mogelijk wordt geminimaliseerd.
Doelgroep
De doelgroep van het nazorg/re-integratiebeleid omvat: alle gedetineerde burgers van
18 jaar of ouder met een geldige verblijfsstatus die na hun verblijf in een Nederlandse
Penitentiaire Inrichting terugkeren in de Nederlandse samenleving.
    1  Andrews, D, & J. Bonta, The psychology of criminal conduct, Cincinnati: Anderson Publishing Company, 1998.
                       Afdeling advisering van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming
                                                                    1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Centraal in dit advies
In het voorliggende advies wordt beschreven hoe de re-integratie van (ex-)gedetineerden
in de praktijk verloopt, welke knelpunten zich daarbij voordoen en hoe de re-integratie zou
kunnen worden verbeterd.
Bronnen
Bij het tot stand brengen van dit advies heeft de Afdeling advisering van de RSJ (verder de
Afdeling genoemd) zich gebaseerd op gesprekken, werkbezoeken, literatuur, waaronder de
rapportages van de landelijke Nazorgmonitor van het WODC; zie verder bijlage 1 voor een
verantwoording van de geraadpleegde bronnen.
Bevindingen en conclusies
Organisatie en samenwerking
•   In de praktijk blijkt een omvangrijke groep (ex-)gedetineerden niet, of slechts ten dele,
    te worden bereikt met de re-integratie-activiteiten: de kortgestraften die een straf van
    minder dan vier weken uitzitten2.
     -- Screening blijft bij deze groep vaak achterwege evenals het opstellen van een
          detentie- en re-integratieplan.
     -- De reden die in de praktijk wordt aangevoerd voor de beperkte aandacht voor deze
          groep is dat de detentieduur te kort is om substantiële re-integratie-activiteiten te
          kunnen organiseren.
     -- Deze groep omvat ruim de helft van het totaal aantal gedetineerden dat jaarlijks
          uitstroomt uit een PI.
     -- Uit onderzoek is gebleken dat deze groep vergelijkbare problemen heeft met
          betrekking tot de basisvoorwaarden als de overige gedetineerden en bovendien de
          kans op recidive bij deze groep zeker niet kleiner is.
•   De Afdeling stelt vast dat gemeenten sterk verschillen in de wijze waarop en de
    mate waarin ze participeren in de re-integratieaanpak. Bijna alle gemeenten doen
    mee aan het uitwisselen van gegevens via DPAN.3 Veel gemeenten werken onderling
    samen, met name in het verband van het Veiligheidshuis. Sommige gemeenten
    hebben naast een coördinatiepunt nazorg speciale voorzieningen getroffen voor
    (ex-)gedetineerden. Zo bezoeken nazorgmedewerkers van sommige gemeenten
    ‘hun’ gedetineerden in de PI, zelfs als die PI ver van de gemeente verwijderd is.
    Diverse gemeenten hebben bovendien speciale regelingen getroffen om de doelgroep
    tegemoet te komen bij problemen met de basisvoorwaarden (bijvoorbeeld speciale
    schuldhulpverleningstrajecten, verhuur van woonruimte onder voorwaarden).
   2   Uit de gesprekken die ter voorbereiding op dit advies in het land zijn uitgevoerd en uit diverse publicaties/onderzoeken over nazorg
       in de praktijk komt naar voren dat voor de categorie gedetineerden met een straf van vier weken of korter geen inspanning ge-
       pleegd wordt omdat de detentieperiode te kort is om nazorgactiviteiten tot stand te brengen. In de praktijk wordt volstaan met het
       melden, door de PI, van het verblijf in detentie en de einddatum van de detentie aan de gemeente van herkomst. Zie o.a. ‘Richting
       aan Re-integratie: In de praktijk’, Handreiking Convenant Re-integratie van (ex-) gedetineerden, januari 2015; Zie ook: dr. J.A.G. Vers-
       missen en H.G. de Goeij; Detentie, terugkeer en privacy (Privacy Management Partners), 20 oktober 2016.
   3   Digitaal Platform Aansluiting Nazorg.
                        Afdeling advisering van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming
                                                                      2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>•   Er zijn grote lokale verschillen in de organisatie van re-integratie-activiteiten. De
    Afdeling is van mening dat aansluiting bij omvang, lokale voorkeuren, cultuur,
    problematiek en andere bijzondere lokale kenmerken op zich een groot goed is, maar de
    vraag dient zich aan of de veelvormigheid van de verschillende samenwerkingsrelaties
    niet te zeer belemmerend werkt. Zo kan de casemanager van één PI te maken krijgen
    met totaal verschillend vorm gegeven gemeentelijke organisatiemodellen voor re-
    integratie. Voor de efficiëntie en de samenwerking lijkt dat niet bevorderend.
•   Jarenlang is door het gevangeniswezen ingezet op regionale plaatsing van
    gedetineerden, in ieder geval voor preventief gehechten en degenen die in de laatste
    (vier) maanden van hun detentie zitten. In het veld wordt geconstateerd dat er steeds
    minder regionaal wordt geplaatst, onder andere vanwege de sluiting van inrichtingen.
    Deze omstandigheid hindert de samenwerking tussen gemeenten en PI’s bij de nazorg.
•   Soms is het niet wenselijk dat een gedetineerde terugkeert naar zijn gemeente van
    herkomst.4 In die gevallen moeten gemeenten bereid zijn elkaar te helpen door elkaars
    burgers op te nemen, en dat gebeurt vaak ook.5 Maar het komt ook voor dat een
    gemeente iemand na detentie niet wil inschrijven in de gemeente, bijvoorbeeld omdat
    hier extra (bijstands)kosten mee gemoeid zijn.
•   In veel gevallen zijn op ex-gedetineerden na hun detentie geen justitiële voorwaarden
    van toepassing. Daarmee is deelname aan nazorg/re-integratie-activiteiten afhankelijk
    van hun vrijwillige medewerking. Het ontbreken van een (justitiële) ‘stok achter de deur’
    staat soms echter de kans op een succesvolle re-integratie in de weg,
•   De Afdeling heeft vastgesteld dat de reclasseringsorganisaties nauwelijks een rol hebben
    bij de re-integratieaanpak. Alleen in gevallen waarin sprake is van justitiële voorwaarden
    hebben zij een advies- en toezichtfunctie. Diverse gemeenten vinden dat zij bij die
    gevallen onvoldoende, c.q. te laat worden betrokken en dat ook niet altijd duidelijk is
    hoe de taakverdeling tussen reclassering en gemeenten is.
Conclusie:
Re-integratie is het product van een samenwerking tussen betrokken partners dat soms
onder druk staat, als gevolg van de volgende omstandigheden:
-- de detentie van een omvangrijke groep, ruim de helft van de gedetineerden, is te
    kort om substantiële re-integratie-activiteiten te kunnen organiseren;
-- er zijn grote lokale verschillen in de organisatie van re-integratie-activiteiten;
-- regionale plaatsing is in de praktijk steeds lastiger te realiseren;
-- deelname van (ex-)gedetineerden aan re-integratie-activiteiten is veelal afhankelijk
    van de vrijwillige medewerking van de betrokkenen;
-- de reclasseringsorganisaties vervullen slechts een beperkte rol in de re-integratie.
   4  Bijvoorbeeld als iemand met een schone lei wil beginnen en zijn oude vrienden niet meer wil tegen komen. Of als iemand  een
      zedendelict heeft gepleegd en terugkeer naar de omgeving van het slachtoffer niet wenselijk is.
   5  De VNG, de burgemeesters en de drie reclasseringsorganisatie hebben hierover ten aanzien van de zwaardere delictplegers af-
      spraken gemaakt onder de titel ‘gezamenlijk verantwoordelijk. De BIJ geldt hierbij als uitgangspunt.
                       Afdeling advisering van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming
                                                                  3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Informatie-uitwisseling
•   Voor de uitwisseling van gegevens tussen PI’s en gemeenten ontbreekt vooralsnog een
    wettelijke basis. Het betreft hier de gegevensuitwisseling over begin- en einddatum
    van de detentie en over de vijf basisvoorwaarden, een essentiële stap in het nazorg/re-
    integratiebeleid.
•   Gegevens met betrekking tot het begin en einde van een detentie worden in principe
    door de PI’s aan de gemeenten6 doorgegeven. Aan deze informatie-uitwisseling zitten
    echter haken en ogen:
     -- Is sprake van een detentie korter dan twee weken dan wordt volstaan met een
          bericht aan de gemeente dat betrokkene in detentie zit en binnenkort vrij komt.
     -- De gemeenten worden lang niet altijd (tijdig) op de hoogte gesteld van het verlaten
          van de inrichting in verband met deelname aan een penitentiair programma of een
          voorwaardelijke invrijheidsstelling.
     -- De informatie-uitwisseling over de stand van zaken op de vijf basisvoorwaarden is
          niet altijd volledig. Dat geldt zowel voor de informatie van de PI’s aan de gemeenten
          als omgekeerd.
•   Het feit dat de informatie van de gemeenten aan de PI’s niet volledig is, is een gemis
    omdat die informatie van belang is voor het op te stellen Detentie- en Re-integratieplan
    (D&R-plan; in dat plan is vastgelegd hoe de gedetineerde zich tijdens de detentie zal
    voorbereiden op zijn re-integratie). De informatie van de PI’s aan de gemeenten over
    de basisvoorwaarden is bijna uitsluitend gebaseerd op informatie van de gedetineerden
    zelf, die niet door de PI gecontroleerd is (nog afgezien van het feit dat, zoals hiervoor
    gesteld, over ruim de helft van de doelgroep dergelijke informatie niet wordt
    geïnventariseerd).
•   De Afdeling stelt voorts vast dat de gemeente vaak niet heeft meegewerkt aan het
    D&R-plan. De vraag is dan of de detentietijd wel effectief kan worden gebruikt om een
    gedetineerde goed voor te bereiden op de periode na detentie.
•   De Afdeling constateert dat veel nazorgcoördinatoren het in verband met het opstellen
    van een re-integratieplan, soms noodzakelijk vinden om naast informatie over de
    basisvoorwaarden ook te beschikken over informatie omtrent de aard van het delict,
    terwijl zij formeel niet van dat laatste op de hoogte zijn. Dit speelt met name in BIJ-
    zaken7 en in zaken die qua ernst en mogelijke openbare ordeverstoringen gelijkenis
    met BIJ-zaken vertonen. In BIJ-zaken zijn officieel alleen de burgemeester en diens
    gemandateerde geïnformeerd over de aard van het delict. Zij mogen in die zaken geen
    delictgegevens delen met de coördinator nazorg. Het is de Afdeling overigens gebleken
   6   Dit betreft de gemeente waar de gedetineerde woonachtig was bij aanvang detentie; in de meeste gevallen is dat ook de gemeente
       van terugkeer.
   7   BIJ staat voor Bestuurlijke Informatievoorziening Justitiabelen. In BIJ-zaken wordt de burgemeester tijdig geïnformeerd over de
       aanstaande terugkeer van bepaalde categorieën (ex-)justitiabelen in de gemeente, met vermelding van het gepleegde delict. Naar
       aanleiding daarvan wordt beoordeeld of de terugkeer mogelijk leidt tot sprake is van dreigende verstoringen van de openbare orde.
       De burgemeester beslist vervolgens of er maatregelen moeten worden getroffen om deze verstoringen te voorkomen. Dit dient ter
       bescherming van de samenleving, het slachtoffer en ter voorkoming van problemen voor de (ex-)gedetineerde.
                        Afdeling advisering van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming
                                                                      4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>   dat veel nazorgcoördinatoren wèl op de hoogte zijn van het soort delict, zeker in
   gevallen waarin men samenwerkt in een Veiligheidshuis èn – onvermijdelijk – wanneer
   de gemandateerde en de coördinator nazorg een en dezelfde persoon zijn, hetgeen ook
   voorkomt.
Conclusie:
-- Informatie-uitwisseling over de situatie op de vijf basisvoorwaarden mist een wettelijke
   basis;
-- De informatie over degenen die wel bereikt worden is inhoudelijk gezien onvolledig;
-- De uitwisseling van de informatie vertoont gebreken waardoor niet iedereen die deze
   informatie nodig heeft, daarover kan beschikken;
-- Uiteindelijk resulteren deze omstandigheden in D&R-plannen (alleen voor de groep die is
   bereikt) waarin de situatie op de vijf basisvoorwaarden niet (volledig) is meegewogen.
Basisvoorwaarden
•  Algemeen
   De bevindingen inzake de basisvoorwaarden laten een gevarieerd beeld zien. Tijdens de
   detentie wordt getracht om veel zaken te organiseren: ID-bewijzen, inschrijving voor
   huisvesting, uitkering, enzovoort. Gedetineerden spelen hierin zelf een belangrijke rol en
   worden daarbij gefaciliteerd door o.a. de aanwezigheid van re-integratiecentra (RIC’s) in
   de PI’s en van inrichtingswege verstrekte informatie (onder andere de DJI-uitgave Goed
   voorbereid weer vrij; praktische informatie voor gedetineerden).
•  ID-bewijs
   Gemeenten gaan op verschillende manieren om met het verstrekken van ID-bewijzen.
   De gemeentelijke procedures stellen PI-medewerkers en gedetineerden voor soms
   onmogelijke, praktische problemen (bijvoorbeeld de eis dat men zich persoonlijk bij
   een gemeentelijk loket moet vervoegen, èn dit pas na detentie mogelijk is, terwijl het
   bezit van een ID-bewijs verondersteld wordt bij onder meer uitkeringsinstanties en
   woningbouwverenigingen). Andere gemeenten gaan daarentegen naar de PI om ID-
   bewijzen te regelen.
•  Werk en inkomen
    -- Werk of dagbesteding kan een bijdrage leveren aan het voorkomen van recidive.
        Het blijkt evenwel moeilijk voor ex-gedetineerden werk te vinden; als zij daar al in
        slagen, is het vaak tijdelijk werk.
    -- Werk en opleiding krijgen binnen de PI’s in vergelijking met enige jaren geleden
        meer aandacht en inhoud. Afstemming met gemeenten op casusniveau vindt
        evenwel zelden plaats.
    -- Het tijdig stoppen en weer opstarten van een uitkering verloopt meestal goed.
•  Huisvesting
    -- De huisvesting van (ex-)gedetineerden is een lastig probleem vanwege de schaarste
                 Afdeling advisering van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming
                                                         5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>      aan woonruimte. Dit geldt zowel voor reguliere huisvesting als in het bijzonder voor
      vormen van beschermd/begeleid wonen. Daar is in de praktijk grote behoefte aan
      onder (ex-)gedetineerden. Een aanzienlijk deel van de doelgroep van re-integratie
      heeft te maken met een licht verstandelijke beperking, psychische problematiek
      en/of drugsverslaving. Voor hen is plaatsing in een voorziening voor beschermd/
      begeleid wonen na afloop van de detentie in veel gevallen wenselijk of zelfs
      noodzakelijk. Het aantal plaatsen voor beschermd wonen dat de gemeenten (kan)
      inkopen, is lager dan het aantal plaatsen waar vraag naar is.
   -- Veel (vooral grotere) gemeenten lukt het nog wel ex-gedetineerden zonder
      huisvesting in een opvangvoorziening geplaatst te krijgen. Maar vaak is dat verre
      van ideaal is of soms zelfs contraproductief omdat de ex-gedetineerde tussen
      personen komt te zitten met wie dat nou net niet had gemoeten (“verkeerde
      vrienden”).
   -- Sommige - grotere - gemeenten betalen de huur van gedetineerden door tijdens
      detentie; dat voorziet in een grote behoefte. Detentieschade en extra kosten (ook
      voor gemeenten) wordt zo voorkomen, maar lang niet alle gemeenten kennen een
      dergelijke regeling.
   -- Uitgangspunt bij nazorg is het woonplaatsbeginsel, dat wil zeggen dat een
      gedetineerde na detentie terug gaat naar de gemeente waar hij/zij ingeschreven
      stond/staat. Soms willen gedetineerden zich na detentie in een andere gemeente
      inschrijven. Niet alle gemeenten accepteren dat, bijvoorbeeld omdat men bang is
      voor een aanzuigende werking en (een toename van) bijstandskosten.
• Schulden
   -- Veel gedetineerden hebben schulden op het moment dat ze gedetineerd worden. In
      detentie nemen schulden (en het aantal gedetineerden met schulden) eerder toe
      dan af.
   -- Het starten van schuldhulpverleningsprogramma’s of trajecten wordt bemoeilijkt
      doordat gedetineerden steeds minder regionaal geplaatst worden.
• Zorg
   -- De basisvoorwaarde zorg wordt verschillend ingevuld, variërend van onder meer
      het beperken van de zorg die men had voor detentie, het stopzetten en weer
      opstarten van de zorgverzekering tot het veel breder bekijken van de situatie van de
      gedetineerde en vervolgens beoordelen wat er gedaan kan worden om de kans op
      recidive te verkleinen.
   -- Casemanagers van de PI’s en nazorgcoördinatoren van de gemeenten hebben te
      maken met beperkingen als gevolg van privacyregels. Beide beschikken niet altijd
      over de benodigde zorginformatie om goede re-integratieplannen te kunnen maken.
   -- Continuering van zorg na afloop van detentie is in verschillende opzichten
      problematisch. Als er geen justitiële titel meer is, moet de zorg plaats vinden
      op basis van andere financieringsbronnen en die zijn soms niet (aansluitend)
      beschikbaar. Daarnaast staan zorginstellingen niet altijd open voor cliënten met een
      mogelijk veiligheidsrisico. Wanneer geen justitiële voorwaarden van toepassing zijn,
               Afdeling advisering van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming
                                                       6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>           is er geen “stok achter de deur” en berust medewerking van de betrokken (ex-)
           gedetineerden op vrijwilligheid. Het thans lopende project ‘Continuïteit van Zorg’
           biedt wellicht oplossingen voor genoemde problemen.
Conclusie: De bevindingen inzake de basisvoorwaarden laten een gevarieerd beeld
zien. Tijdens de detentie wordt er geprobeerd veel zaken te organiseren: ID-bewijzen,
inschrijving voor huisvesting, uitkering, enzovoort. Tegelijkertijd zien gedetineerden
tijdens hun verblijf in de inrichting schulden ontstaan of toenemen, worden behandelingen
stopgezet en verlaten mensen de inrichting zonder ID-bewijs.
Kortom: er worden onmiskenbaar allerlei re-integratie-activiteiten in gang gezet gericht op
de basisvoorwaarden, maar desondanks doen zich hier diverse knelpunten voor. Bovendien
is niet bekend tot welke resultaten al deze inspanningen leiden.
Algemene kanttekeningen bij het nazorgbeleid
Hieronder volgen enkele kanttekeningen waarmee wordt stilgestaan bij de fundamenten en
uitgangpunten van het nazorgbeleid. Aangezien deze opmerkingen enigszins van een andere
orde zijn dan de rest van de tekst, zijn ze hier apart opgenomen.
•    De Afdeling betwijfelt of het re-integratiebeleid in de huidige vorm aansluit bij
     alle geledingen van de doelgroep. Er zijn (ex-)gedetineerden die in het geheel
     geen belangstelling hebben voor ondersteuning bij het in orde brengen van de
     basisvoorwaarden. Een deel van die groep betreft (ex-)gedetineerden die kiezen voor
     een ‘crimineel bestaan’. Voor hen is ondersteuning bij het regelen van huisvesting,
     uitkering of een van de andere basisvoorwaarden waarschijnlijk helemaal niet op zijn
     plaats. Voor deze groep is mogelijk een heel andere aanpak geïndiceerd, bijvoorbeeld
     het vergroten van de pakkans en meer inzet op het ontnemen van het wederrechtelijk
     verkregen voordeel.
•    Het oplossen van problemen omtrent de basisvoorwaarden kan over het algemeen
     bijdragen aan een vermindering van de kans op recidive. Maar, werken aan de
     basisvoorwaarden is een eerste stap die niet in alle gevallen voldoende is. In individuele
     gevallen zal vastgesteld moeten worden of er ook gedragsverandering nodig en mogelijk
     is om (verder gaande) recidivereductie tot stand te brengen en zal de gedetineerde
     gemotiveerd moeten worden daaraan mee te werken.
•    Zoals uitgelegd, wordt een aanzienlijke groep gedetineerden, degenen met een korte
     straf van minder dan vier weken, maar zeer ten dele bereikt met het re-integratiebeleid.
     In dit verband wijst de Afdeling op een eerdere publicatie8 waarin hij heeft gepleit voor
     het terugdringen van het aantal korte detenties en het aantal preventief gehechten.
•    De Afdeling is van mening dat goede nazorg/re-integratie begint bij een
     strafadvisering en strafoplegging die is gebaseerd en toegesneden op de situatie
    8   Zie RSJ-advies Visie op strafrechtelijke sanctietoepassing; Versterken van samenhang, betrokkenheid en vertrouwen, Den Haag: 12
        oktober 2016.
                        Afdeling advisering van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming
                                                                       7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>   van de verdachte, waarbij met name bij het opleggen van justitiële voorwaarden na de
   detentieperiode mogelijkheden liggen om medewerking van de (ex-)gedetineerde aan re-
   integratieactiviteiten krachtig te stimuleren.
•  Het is bekend dat een aanzienlijk deel van de doelgroep van het nazorgbeleid bestaat
   uit mensen met een migratieachtergrond. Desondanks bestaat er voor deze categorie
   (nagenoeg) geen afzonderlijk beleid in de nazorg.
Aanbevelingen
1. Zorg zo spoedig mogelijk voor regelgeving die een legitieme grondslag biedt voor de
   uitwisseling van gegevens over individuele (ex-)gedetineerden tussen PI’s, gemeenten
   en ketenpartners. Die gegevens zouden in elk geval moeten betreffen: aanvang detentie,
   ontslag detentie, relevante informatie over de vijf basisvoorwaarden van re-integratie,
   eventueel informatie over de aard van het (uitgangs)delict in bepaalde gevallen (waarbij
   het delict een relevante factor is voor de re-integratieaanpak). Zo lang die regelgeving
   nog niet is gerealiseerd, kan gedetineerden gevraagd worden om toestemming tot het
   opvragen/uitwisselen van hun gegevens.
   Toelichting
   De Afdeling adviseert aansluiting te zoeken bij de voorstellen tot enkele wettelijke
   regelingen die de Taskforce Gegegevensverwerking Detentie en Terugkeer gedaan heeft
   voor de langere termijn. Wat betreft het voorstel van de Taskforce voor de korte termijn
   (een AMvB op basis waarvan een ‘melding aanvang detentie’ en een ‘melding einde
   detentie’ wordt geregeld) beveelt de Afdeling aan deze uit te breiden met informatie over
   de vijf basisvoorwaarden en gegevens over het (uitgangs)delict.
2. Organiseer het re-integratiebeleid zodanig dat alle gedetineerden bij binnenkomst in de PI
   gescreend worden op de vijf basisvoorwaarden.
   De Afdeling pleit er niet voor om voor alle gedetineerden een re-integratieplan op te
   stellen, maar wel om te beoordelen of dat opportuun is en, zo ja, hoe dat plan er uit zou
   kunnen zien. Uitkomsten van die beoordeling kunnen bijvoorbeeld zijn:
    -- gedetineerde behoort tot een specifieke doelgroep waarvoor reeds afspraken gemaakt
        zijn (bijvoorbeeld veelplegers, top X, etc.);
    -- gedetineerde staat bekend als een zorgmijder: wellicht extra aandacht geven tijdens
        detentie;
    -- gedetineerde staat bekend als ‘harde crimineel’: aanpak richten op pakkans verhogen,
        proberen illegaal verworven voordelen af te pakken, etc.;
    -- gedetineerde staat bekend als regelmatig terugkerende kortgedetineerde: lange
        termijnplan opstellen door lokale instellingen (gemeente, justitie, politie, zorg; bij
        voorkeur in het verband van een Veiligheidshuis);
    -- niets doen omdat er geen re-integratieproblemen verwacht worden;
    -- stel voor de overblijvende groep gezamenlijk (dat wil zeggen: in elk geval PI,
        gemeente èn gedetineerde) een detentie- en re-integratieplan op.
                  Afdeling advisering van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming
                                                          8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>3. Overweeg de reclasseringsorganisaties een structurele (adviserende) rol te geven bij de
    screening van gedetineerden op het moment dat die de PI inkomen.
    Toelichting
    De reclasseringsorganisaties hebben de ‘know how’ en de instrumenten om
    inschattingen te maken van hetgeen nodig is om re-integratie mogelijk te maken.
    Daarnaast kennen zij vaak een (groot) deel van de gedetineerden, hebben toegang
    tot relevante gegevenssystemen en contactpersonen en/of kunnen door hun lokale
    inbedding snel relevante achtergrondgegevens verzamelen. Dat zou vorm kunnen
    krijgen zoals momenteel in het Justitieel Complex Zaanstad wordt voorbereid
    (reclasseringsorganisaties screenen gedetineerden bij binnenkomst) of zoals
    in Groningen en Friesland gebeurt door middel van een instroomoverleg in het
    Veiligheidshuis. In 2016 zijn pilots uitgevoerd in Sittard en Alphen a/d Rijn waarin
    casemanagers en reclasseringswerkers in een vroegtijdig stadium in onderlinge
    afstemming bepaalden welke interventie/zorg nodig was en onderdeel van het D&R-plan
    moesten worden.
4. De Afdeling realiseert zich dat regionale plaatsing moeilijker te realiseren is doordat
    veel inrichtingen in de afgelopen jaren zijn gesloten. Desondanks kan getracht worden
    toch zoveel als mogelijk regionaal te plaatsen. Dat zou in ieder geval moeten gelden
    voor preventief gehechten, kort gestraften en voor langgestraften minimaal vier
    maanden voor het einde van hun detentie.9 In dit verband beveelt de Afdeling tevens
    aan experimenten te ontwikkelen voor kleinschalige, regionale, detentievoorzieningen,
    waarin justitie, gemeenten en relevante maatschappelijke organisaties nauw betrokken
    zijn zoals dit al gebeurt in de jeugdsector, hetgeen de afdeling een veelbelovende
    ontwikkeling vindt.10
Overige aandachtspunten zijn:
•   Het verdient aanbeveling dat gemeenten een eenduidige procedure voor het verstrekken
    van ID-bewijzen hanteren. Deze procedure zou zodanig vorm moeten krijgen dat
    praktische knelpunten (zoals de verplichting om tijdens detentie persoonlijk bij een
    gemeenteloket te verschijnen, wachtperioden) worden vermeden.
•   Bevorder –al dan niet in VNG-verband- dat er voor kortgestrafte gedetineerden een
    regeling komt inzake tijdelijke doorbetaling van huur tijdens de detentieperiode.
•   Het verdient aanbeveling dat gemeenten gezamenlijke afspraken maken met betrekking
    tot het woonplaatsbeginsel.11
•   Bevorder zodanige huisvesting voor (ex-)gedetineerden dat zij na detentie niet in een
    criminogene omgeving komen te wonen.
   9 Tenzij er contra-indicaties zijn, bijvoorbeeld in verband met noodzakelijke zorg of het beveiligingsniveau.
   10 Zie RSJ-advies Visie op strafrechtelijke sanctietoepassing; Versterken van samenhang, betrokkenheid en vertrouwen, Den Haag: 12
       oktober 2016.
   11 Ten aanzien van zwaardere delictplegers hebben de VNG, de burgemeesters en de drie reclasseringsorganisaties hierover afspra-
       ken gemaakt onder de titel ‘gezamenlijk verantwoordelijk’. De BIJ geldt hierbij als uitgangspunt.
                      Afdeling advisering van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming
                                                                     9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>• Ontwikkel beleid waardoor het mogelijk wordt dat schuldhulpverlening al tijdens detentie
  van start kan gaan en regel daarin tevens dat schulden tijdens detentie niet verder
  kunnen oplopen.
• Bevorder – bijvoorbeeld in het kader van het project ‘Continuering van Zorg’ - dat zorg
  na detentie, respectievelijk na afloop van de justitiële titel, door kan lopen indien dat
  vanuit zorgoogpunt noodzakelijk wordt geacht.
• Laat de effecten van de nazorg goed onderzoeken zodat duidelijk is in hoeverre de
  inspanningen de gewenste resultaten opleveren en focus op grond daarvan op de meest
  effectieve maatregelen voor relevante doelgroepen.
               Afdeling advisering van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming
                                                      10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>De hoofdstukken 1 en 2, die hierna zijn opgenomen, bevatten informatie over nazorg in theorie en
praktijk en vormen de basis voor de samenvatting van de bevindingen, conclusies en aanbevelingen
die aan het begin van dit advies zijn geplaatst.
1        Inleiding
1.1      Achtergrond en voorgeschiedenis
Jaarlijks verlaten zo’n 35.000 à 40.000 gedetineerden de gevangenis.12 De recidive van
ex-gedetineerden staat sinds ongeveer 15 jaar sterk in de maatschappelijke belangstelling.
In 2002 startte het toenmalige kabinet13 een veiligheidsprogramma waarvan één van de
doelstellingen was om de criminaliteit en overlast in de publieke ruimte met 20 tot 25% te
verminderen. Het terugdringen van recidive van ex-gedetineerden was hierin een speerpunt,
aangezien onderzoek van het WODC had uitgewezen dat de recidive onder ex-gedetineerden
al jaren hoog was: ruwweg twee derde van de ex-gedetineerden werd binnen vier jaar
opnieuw veroordeeld voor een misdrijf. Binnen het veiligheidsprogramma werden vervolgens
belangrijke initiatieven14 genomen, onder andere de ontwikkeling van diagnostische
instrumenten met het oog op de inzet van ‘evidence-based’ gedragsinterventies en de
samenwerking tussen het gevangeniswezen en de drie reclasseringsorganisaties.
Al snel ontstond het besef dat deze investeringen in gedetineerden verloren moeite zijn, als
niet wordt gezorgd voor een maatschappelijk vervolg ná detentie. Want, wat moet een ex-
gedetineerde beginnen die zonder inkomen, huisvesting en zorg weer op vrije voeten komt?
Om de re-integratie van (ex)gedetineerden te ondersteunen wordt het “Project Aansluiting
Nazorg” opgezet dat de basis vormt voor een aanpak waarin zowel het gevangeniswezen
als de gemeenten een rol spelen. Het was Minister Donner van Justitie die in 2004 bepleitte
dat de nazorg aan (ex-)gedetineerden voortaan een taak voor gemeenten was en niet voor
de reclassering. Justitie zou alleen nog de begeleiding bekostigen van mensen met een
justitiële titel, dat wil zeggen gedetineerden of ex-gedetineerden die onder voorwaarden
vrij zijn. Na afloop van de straf waren ex-gedetineerden gewone burgers, waar Justitie geen
bemoeienis meer mee had. De gemeenten moesten daar verder zorg voor dragen.
Wat is nazorg/re-integratie?
Nazorg/re-integratie-activiteiten kunnen worden omschreven15 als het coördineren en
faciliteren van (de voorbereiding van) het gebruik van voorzieningen door gedetineerden
tijdens en na de detentie, op het gebied van de vijf basisvoorwaarden. De gedetineerde zelf
is verantwoordelijk voor zijn nazorg/re-integratie, maar hij wordt daarbij gefaciliteerd door
de gemeente en de PI’s. Een goede informatie-uitwisseling tussen deze partijen over de
gedetineerde is hierbij essentieel en is daarmee onderdeel van het geheel van nazorg/re-
integratie-activiteiten.
    12 DJI in getal: 2011-2015; De divisies GW/VB en ForZo/JJI nader belicht, april 2016.
    13 Het kabinet-Balkenende II.
    14 Zie Van Duijvenbooden, Proces, jrg. nr.2, 2016 (95), nr. 2, pp. 86-97.
    15 Zie het rapport van de Rekenkamer Amsterdam, getiteld Nazorg aan gedetineerden. Een ongemakkelijke keten, (Amsterdam, mei
       2013) voor een doorwrochte behandeling van de definitie van nazorg.
                         Afdeling advisering van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming
                                                                       11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>Bestuurlijke verankering: convenanten
Nadat enige jaren ervaring was opgedaan met nazorg, ontstond de wens om de
samenwerking, die vooral vanuit de praktijk tot stand is gebracht, bestuurlijk te verankeren.
Dit leidde in de loop der jaren tot twee convenanten die werden gesloten tussen de
Vereniging Nederlandse Gemeenten en de staatssecretaris van (Veiligheid en) Justitie. Op
8 juli 2009 is het “Samenwerkingsmodel Nazorg (ex-)gedetineerden” ondertekend door
staatssecretaris Albayrak van Justitie en bestuursvoorzitter Jorritsma van de VNG.
Na een update in 2011 is het ‘Samenwerkingsmodel’ enkele jaren later opnieuw
geactualiseerd. Het kreeg een nieuwe titel, “Richting aan re-integratie: convenant re-
integratie van ex-gedetineerden” en werd op 10 december 2014 ondertekend door VNG-
voorzitter Jorritsma en staatssecretaris Teeven van Veiligheid en Justitie.
De termen nazorg en re-integratie
In dit advies worden de termen nazorg en re-integratie door elkaar gebruikt. Met beide
termen wordt gedoeld op de activiteiten die in het kader van de samenwerking tussen
Justitie en gemeenten worden ontplooid, met het oog op de terugkeer van ex-gedetineerden
in de samenleving waarbij de kans op recidive zoveel mogelijk wordt geminimaliseerd.
1.2 Aanleiding en vraagstelling
Aanleiding
In de afgelopen jaren kreeg de RSJ de indruk - uit contacten met het veld - dat er op het
gebied van nazorg/re-integratie van (ex-)gedetineerden veel initiatieven en activiteiten zijn
ondernomen, maar ook dat het re-integratieproces nog met knelpunten heeft te maken. Dit
vormde de aanleiding voor dit advies, waarmee de RSJ beoogt de actuele stand van zaken
te schetsen door middel van een korte verkenning.
Dit is niet de eerste keer dat de RSJ over dit onderwerp een advies uitbrengt. In 2005
gaf de RSJ een beeld van de eerste ervaringen met nazorg en in 2009 publiceerde de RSJ
het advies getiteld “Doorpakken, maatschappelijke re-integratie voor ex-gedetineerden”
(2009). In het laatstgenoemde advies stelde de RSJ vast dat de maatschappelijke opvang
van ex-gedetineerden beter wordt voorbereid dan in 2005, maar dat veel knelpunten in de
aansluiting tussen Justitie, gemeenten en zorginstellingen nog niet zijn opgelost. De RSJ
constateerde dat het streven om alle (ex-)gedetineerden te screenen en over te dragen aan
de gemeenten niet werd gehaald. “Het ideaal van de ‘gedeelde verantwoordelijkheid’ voor
maatschappelijke re-integratie van ex-gedetineerden is zeker nog niet tot ieders beleving en
manier van werken doorgedrongen,” zo wordt gesteld.
Vraagstelling
In het voorliggende advies wordt nagegaan hoe de re-integratie van (ex-)gedetineerden in
de praktijk verloopt, welke knelpunten zich daarbij voordoen en hoe de re-integratie kan
worden verbeterd.
                  Afdeling advisering van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming
                                                         12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>2        Nazorg/re-integratie op papier en in de praktijk
2.1      Theoretische basis, begrippen, doelgroep
Theorie
Nazorg/re-integratie is gericht op verbetering van de situatie van (ex-)gedetineerden
met betrekking tot vijf ‘leefgebieden’ om zodoende een succesvolle re-integratie in de
maatschappij mogelijk te maken. De onderscheiden leefgebieden zijn:
•    het bezit van een geldig identiteitsbewijs (verplicht voor iedere ingezetene, en
     noodzakelijk voor bijvoorbeeld het aanvragen van een uitkering),
•    onderdak aansluitend op de detentie,
•    inkomen (via werk of uitkering),
•    zorg (zowel lichamelijk als geestelijk),
•    schuldhulpverlening.
Ten tijde van de start van het project werd de term ‘leefgebieden’ gehanteerd (een
nog steeds veel gehoorde term). Enkele jaren geleden is deze term vervangen door
‘basisvoorwaarden’. De basisvoorwaarde schuldhulpverlening is pas later (in 2009)
toegevoegd toen in de praktijk bleek dat dit een veel voorkomend probleem onder (ex-)
gedetineerden was.
De theorie achter de nazorgaanpak is dat naarmate meer aan de genoemde voorwaarden
wordt voldaan, een ex-gedetineerde minder snel terugvalt in het plegen van delicten. De
leefsituatie van veel ex-gedetineerden is niet florissant. Velen hebben schulden, psychische
problemen, zijn dakloos en zitten zonder werk, een situatie die soms ten dele in de hand
is gewerkt door het verblijf in detentie (detentieschade). Dergelijke omstandigheden
helpen niet om op het rechte pad te blijven. Door in te zetten op het vervullen van de
genoemde basisvoorwaarden, wordt getracht de leefsituatie van ex-gedetineerden te
verbeteren en zodoende re-integratie te bevorderen. Deze gedachtegang sluit aan bij een
onderzoekslijn die is gericht op het verlagen van recidive: de ‘What Works’-benadering van
Andrews en Bonta.16 Aan de basis hiervan ligt het concept van de “criminogene factoren”.
Criminogene factoren zijn kenmerken en omstandigheden van mensen en hun omgeving,
die bijdragen aan het plegen van delicten en als zodanig recidive kunnen voorspellen.
Er zijn statische en dynamische criminogene factoren. Statische factoren zijn niet meer
veranderbaar (zoals bijvoorbeeld de delictgeschiedenis). Dynamische factoren zijn dat wel
(bijvoorbeeld huisvesting) en kunnen met behulp van interventies worden beïnvloed. De
basisvoorwaarden van de nazorg-aanpak behoren tot de dynamische criminogene factoren.
Hierop ingrijpen vermindert de kans op recidive.
De theoretische basis van het re-integratiebeleid sluit aan bij actuele, wetenschappelijke
inzichten op het terrein van recidivereductie. De vijf basisvoorwaarden vormen de basis van
re-integratie. Voortgaand op de ingeslagen theoretische weg zouden deze basisvoorwaarden
nog aangevuld kunnen worden met interventies die zijn gericht op attitude en gedrag.
De Afdeling hecht eraan op te merken dat re-integratie als zodanig een belangrijke waarde
    16 Andrews, D, & J. Bonta, The psychology of criminal conduct, Cincinnati: Anderson Publishing Company, 1998.
                       Afdeling advisering van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming
                                                                   13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>heeft, náást de instrumentele waarde om daarmee recidive te doen verminderen.
De begrippen nazorg en re-integratie
In deze context komen steeds twee termen terug: nazorg en re-integratie. Aanvankelijk
werd vooral van nazorg gesproken. Het eerste convenant tussen Justitie en de gemeenten
draagt als titel “Samenwerkingsmodel Nazorg (ex-)gedetineerden.” In de titel van de in
2014 verschenen actualisering hiervan komt het woord nazorg niet meer voor. De titel
luidt dan: “Convenant re-integratie van (ex-)gedetineerden.” De begrippen nazorg en re-
integratie zoals ze in de context van het hierboven beschreven beleid zijn gebruikt, liggen in
elkaars verlengde. Zo is in het voorwoord van het eerste convenant te lezen (zie p.5): “Voor
gemeenten kan het terugdringen van recidive een bijdrage leveren aan het verminderen van
overlast en het vergroten van het gevoel van veiligheid bij burgers. Een sluitende aanpak
nazorg levert hieraan een belangrijke bijdrage. Daarbij werken Justitie, gemeenten en
maatschappelijke organisaties gezamenlijk aan het vergroten van de re-integratiekansen”.
De wijziging van de terminologie markeert, voor zover de Afdeling bekend is, geen
beleidswijziging.
Doelgroep
Re-integratie is gericht op alle (ex-)gedetineerde burgers van 18 jaar17 of ouder met
een geldige verblijfsstatus die na hun verblijf in een Nederlandse Penitentiaire Inrichting
terugkeren in de Nederlandse samenleving. In diverse gemeenten worden in deze populatie
‘bijzondere’ groepen daders onderscheiden, bijvoorbeeld veelplegers, “top 600” of “top x”18.
Ook deze groepen krijgen re-integratie-activiteiten aangeboden maar dan langs andere
weg, bijvoorbeeld direct via het Veiligheidshuis of andere organisaties.
In de praktijk blijkt er een omvangrijke groep (ex-)gedetineerden te zijn die met de re-
integratie-activiteiten niet of slechts ten dele wordt bereikt: de kortgestraften die een straf
van minder dan vier weken uitzitten.19 Screening blijft bij deze groep vaak achterwege, en
het opstellen van een detentie- en re-integratieplan nog vaker. Daar staat overigens wel
tegenover dat het ook deze gedetineerden vrij staat om in de PI op eigen initiatief zaken
voor hun re-integratie te regelen in het re-integratiecentrum20 (RIC) in de PI.
De reden die wordt aangevoerd voor de beperkte aandacht voor deze groep is dat de
detentieduur te kort is om serieus iets van re-integratie-activiteiten te kunnen organiseren.
Bovendien zouden deze gedetineerden minder problemen kennen op de vijf leefgebieden
dan gedetineerden die langer vast zitten.
Het blijkt om een omvangrijke groep te gaan, namelijk ruim de helft van het totaal
aantal gedetineerden dat jaarlijks uitstroomt uit een PI.21 Het WODC heeft hier een paar
    17 Voor minderjarigen bestaat een afzonderlijk nazorgbeleid.
    18 Een top X omvat complexe casussen waarop een intensievere aanpak wordt ingezet. In de aanpak worden strafrechtelijke, civiel-
       rechtelijke, bestuursrechtelijke en zorginterventies gecombineerd en afgestemd.
    19 Dit blijkt onder andere uit de ronde die langs een aantal gemeenten is gemaakt, ter voorbereiding op dit advies; zie verder ook o.a.
       ‘Richting aan Re-integratie: In de praktijk’, Handreiking Convenant Re-integratie van (ex-) gedetineerden, januari 2015.
    20 Zie de uitleg in paragraaf 2.2.
    21 In 2015 stroomde 34% van de gedetineerden na twee weken uit en 24% na een verblijf van twee tot vier weken, opgeteld 58%; in
       2014 betrof dit laatste getal 59%, in 2013 53%; het betreft steeds ruim de helft. Zie: DJI in getal 2011-2015; De divisies GW/VB en
       ForZo/JJI nader belicht, april 2016.
                         Afdeling advisering van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming
                                                                      14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>jaar geleden onderzoek22 naar gedaan.23 Dat onderzoek wees uit dat de kortgestraften
in ongeveer dezelfde mate problemen hebben op de nazorggebieden als de langer
gestraften die wel bereikt worden met het re-integratiebeleid. Wat recidive betreft laten de
kortgestraften bovendien geen gunstig beeld zien. Het feit dat deze omvangrijke groep van
kortgestraften niet of slechts ten dele wordt bereikt met de re-integratie-activiteiten, terwijl
de betrokken gedetineerden wèl tot de beoogde doelgroep behoren ziet de Afdeling als een
belangrijk knelpunt.
Een van de mogelijke oplossingen van dit knelpunt ziet de Afdeling in het minder
opleggen van de korte vrijheidsstraf. In de recentelijk door de Afdeling uitgebrachte
Visie op de sanctietoepassing is betoogd dat het aanbeveling verdient de toepassing
van de korte vrijheidsstraf te verminderen. Gesteld wordt: “Ook uit oogpunt van
resocialisatie zijn taakstraffen, reclasseringstoezicht en elektronische controle betere
opties dan vrijheidsstraffen. Zeker bij korte gevangenisstraffen is er niet genoeg tijd om
probleemgedrag te veranderen. Het verlies van een baan, inkomen, huisvesting en het
stigma van verblijf in een justitiële inrichting levert detentieschade op voor de ingeslotene
en diens omgeving en brengt schade voor de samenleving met zich mee als gevolg van het
grotere recidiverisico. Er is dus alle aanleiding om het aantal korte vrijheidsstraffen waar
mogelijk te verminderen.”
2.2       Het re-integratieproces: samenwerking van PI’s, gemeenten en ketenpartners
Globale gang van zaken, zoals beoogd
Re-integratie-activiteiten worden tot stand gebracht vanuit een samenwerking van diverse
partijen in het veiligheids- en sociaal domein. Komt een burger in detentie dan wordt
aan de gemeente van herkomst een zogenoemde ‘melding detentie’ gedaan, zodat de
gemeente van dat feit op de hoogte is en eventueel de eerste maatregelen kan nemen,
bijvoorbeeld het (doen) stopzetten van een uitkering. Binnen tien dagen wordt de
betreffende gedetineerde door de casemanager24 in de PI gescreend, dat betekent dat wordt
nagegaan hoe het gesteld is met zijn basisvoorwaarden. Beschikt hij over een ID-bewijs?
Heeft hij na detentie onderdak? Is er sprake van schulden? Enzovoort. De aldus verkregen
informatie slaat de casemanager op in een digitale gegevensbank, genaamd DPAN25, die
toegankelijk is voor zowel de gemeente als de PI. De casemanager treedt vervolgens
in contact met een nazorgcoördinator van de gemeente. Die probeert op zijn beurt de
informatie die vanuit de PI is gekomen, aan te vullen vanuit andere (digitale) bronnen om
zo een beeld te krijgen van hetgeen nodig is om de gedetineerde een ‘zachte landing’ in
de maatschappij te geven wanneer het moment daar is. Daartoe proberen de betrokken
partijen in een zo vroeg mogelijk stadium, al tijdens de detentie, knelpunten met betrekking
tot de basisvoorwaarden te helpen oplossen door contact te leggen met gemeentelijke
diensten en ketenpartners (denk aan organisaties en diensten op het gebied van wonen,
zorg, uitkeringen en schuldhulpverlening) en/of de gedetineerden daarbij de weg te wijzen
    22 G. Weijters, P.A. More, S.M. Alma, Nazorgproblematiek en recidive van kortgestrafte gedetineerden, juli 2010; WODC, Ministerie van
       Justitie (Factsheet 2010-2).
    23 Om na te gaan of de veronderstelling klopt dat kort verblijvende gedetineerden minder problemen kennen op de vijf leefgebieden,
       onderzocht het WODC of de aard en omvang van de problematiek op de vijf basisvoorwaarden onder kortverblijvers verschilt van
       die onder langverblijvers; tevens zijn de recidive tussen de onderzochte groepen vergeleken.
    24 In de beginperiode werd dit uitgevoerd door een zogeheten Medewerker Maatschappelijke Dienstverlening (MMD-er).
    25 DPAN staat voor Digitaal Platform Aansluiting Nazorg.
                         Afdeling advisering van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming
                                                                     15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>en te faciliteren. Binnen de PI’s wordt een Detentie- en Re-integratieplan (D&R-plan) voor
de gedetineerde opgesteld waarin is vastgelegd hoe deze zich tijdens zijn detentie zal
voorbereiden op zijn re-integratie. Deze plannen worden opgesteld door PIW-ers die de
rol van mentor van gedetineerden vervullen. Dat gebeurt in principe in overleg met de
betrokken gedetineerden en na afstemming met de gemeente.
Daarnaast hebben gedetineerden in de PI de gelegenheid tot het volgen van cursussen,
interventies en trainingen die hen voorbereiden op de terugkeer in de samenleving.26 Verder
bestaat in de meeste PI’s sinds enkele jaren een re-integratiecentrum (RIC).27 Hier kunnen
gedetineerden zelf van alles regelen met gemeentelijke diensten en ketenpartners voor hun
terugkeer in de samenleving. Als het moment van de feitelijke terugkeer is aangebroken,
wordt de PI geacht een ‘melding ontslag detentie’ naar de gemeente te sturen.
Globale gang van zaken in de praktijk
De taken en verantwoordelijkheden van Justitie, gemeenten en ketenpartners zijn in het
convenant uit 2009 op hoofdlijnen vastgelegd, met als bedoeling dat dit in de praktijk
verder lokaal zou worden uitgewerkt.28 Dat is inderdaad gebeurd: de RSJ-adviescommissie
is bij de voorbereiding van dit advies verschillende modellen tegengekomen die variëren in
de mate van directe betrokkenheid van de gemeenten; deze modellen zijn beschreven in
bijlage 2 bij dit advies. Welk model ook is gekozen, hoofdrolspelers in deze samenwerking
zijn de PI’s, gemeenten en ketenpartners. Hoe ziet de gang van zaken in de praktijk eruit?
•    PI’s
     In principe geven PI’s aan de desbetreffende gemeenten van herkomst door dat een
     burger in detentie verblijft. Is sprake van een korte detentie van minder dan twee
     weken, dan volstaan de PI’s meestal echter met het doorgeven van de einddatum van
     de detentie, voor die is aangebroken, zo valt in de praktijk te beluisteren. Wanneer
     een gedetineerde de PI al heeft verlaten in verband met deelname aan een penitentiair
     programma of een voorwaardelijke invrijheidsstelling, dan worden gemeenten hiervan
     vaak niet op de hoogte gebracht door de PI’s.
     Wat betreft de screening van gedetineerden na binnenkomst: zoals in de vorige
     paragraaf al is besproken, blijkt een omvangrijk deel van de doelgroep van (ex-)
     gedetineerden niet te worden gescreend (te weten: de kortgestraften die een straf van
     minder dan vier weken uitzitten).
     Wat betreft de D&R-plannen: hierover constateerde de Inspectie29 Veiligheid en Justitie
    26 De DJI ondersteunt de re-integratie verder met een brochure met praktische tips voor gedetineerden: Goed voorbereid weer vrij;
       praktische informatie voor gedetineerden.
    27 Re-integratiecentra zijn ruimtes binnen een penitentiaire inrichting met computers en informatiemateriaal waar gedetineerden te-
       recht kunnen om de basisvoorwaarden voor hun re-integratie te regelen. Ten aanzien van de basisvoorwaarde ‘werk/uitkering’ kun-
       nen gedetineerden zich o.a. inschrijven op online vacaturebanken, een cv opstellen, een beroepskeuze test doen en een afspraak
       met een eventuele werkgever proberen te maken. Binnen het leefgebied ‘zorg’ kan o.a. een zorgverzekering worden geactiveerd of
       ‘bevroren’. Ten aanzien van huisvesting kunnen gedetineerden zich o.a. inschrijven bij een woningcoöperatie.
    28 Om gemeenten zicht te geven op de mogelijkheden om nazorg in de praktijk te brengen hebben de VNG en het ministerie van
       Justitie ter ondersteuning van de in het convenant vastgelegde afspraken, een werkboek laten uitbrengen. In het werkboek worden
       de werkwijzen in verschillende gemeenten besproken, om te illustreren welke mogelijkheden gemeenten hebben om te kiezen voor
       een aanpak die past bij de lokale situatie en cultuur; zie Werkboek Structuur in de nazorg aan ex-gedetineerden, VNG, Ministerie van
       Justitie, Stichting Stimulanz, 2010.
    29 Inspectie Veiligheid en Justitie, Risico’s implementatie Masterplan DJI 2013-2018; Veranderingen in het gevangeniswezen nader be-
       schouwd, november 2015, Ministerie van Veiligheid en Justitie.
                         Afdeling advisering van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming
                                                                      16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>    dat het beoogde proces conceptueel afdoende door de inrichtingen is overgenomen, maar
    dat in de dagelijkse uitvoering nog een aantal hobbels genomen moet worden. Door het
    krappe dagprogramma zijn er, aldus de Inspectie, voor PIW-ers door de weeks echter
    weinig tot geen momenten om een mentorgesprek met hun gedetineerde(n) te voeren
    en de uitkomsten daarvan in het D&R-plan te rapporteren; in het weekend zou dit wel
    lukken. Verder meldt de Inspectie dat een groot deel van de PIW-ers het lastig vindt een
    betrouwbaar beeld over de gedetineerde(n) te schetsen dat leidt tot voldoende informatie
    om een gewogen besluit te nemen met betrekking tot het toekennen van vrijheden. Niet
    iedere PIW-er heeft de competenties om een en ander goed te verwoorden, aldus de
    Inspectie. Verder zouden de D&R-plannen – zo blijkt in de praktijk – slechts zelden in
    overleg met de gedetineerden worden opgesteld, en vaak niet worden afgestemd met de
    gemeenten.
    De Afdeling vindt de vermelde knelpunten rondom de D&R-plannen zorgelijk en acht het
    van groot belang dat deze kwalitatief en kwantitatief in orde zijn. Deze plannen vormen
    immers de basis van het re-integratieproces. Verder vindt de Afdeling het van belang dat
    de gedetineerden zelf gekend worden in de plannen en dat de plannen worden afgestemd
    met de gemeenten.
•   Gemeenten
    De gemeentelijke nazorgcoördinatoren zijn over het algemeen een spin in het web
    en houden contact met diverse betrokken partijen. In grotere gemeentes of regio’s is
    soms een aparte afdeling voor de nazorg van ex-gedetineerden in het leven geroepen,
    waarbij ook (gemeentelijke) casemanagers en informatiemanagers zijn betrokken, in
    plaats van een enkele coördinator. Daarnaast zijn diverse gemeentelijke afdelingen/
    diensten betrokken, denk aan: Burgerzaken (i.v.m. het identiteitsbewijs), Sociale Zaken
    (in verband met werkgerelateerde activiteiten), Maatschappelijke Opvang (in verband
    met onderdak voor daklozen), Maatschappelijk Werk (welzijn), Woningbouwcorporaties
    (wonen) en de Kredietbank (schuldhulpverlening).
•   Ketenpartners
    Verder zijn er nog diverse andere partijen actief in het re-integratieproces, onder meer:
    de veiligheidshuizen, het UWV, de GGZ, de politie, instellingen voor begeleid wonen en de
    reclassering. Eén ketenpartner verdient in dit verband speciale aandacht: de reclassering.
Reclassering
Bij de re-integratie van (ex-)gedetineerden heeft de reclassering geen formele taak. Echter,
een van de hoofdtaken van de reclassering is toezicht houden op een (ex-)gedetineerde
wanneer sprake is van justitiële voorwaarden (in het kader van een voorwaardelijke
veroordeling, voorwaardelijke invrijheidsstelling of een penitentiair programma). In dergelijke
gevallen is het mogelijk om reclasseringsbegeleiding in een verplicht, strafrechtelijk
kader te doen plaatsvinden, in het kader van de re-integratie. Hoe de samenwerking
tussen gemeenten en reclassering er in dergelijke gevallen zou moeten uitzien, is nergens
vastgelegd of beschreven, zo constateert de Afdeling. In de praktijk blijken diverse
gemeenten er tegen aan te lopen dat zij in die gevallen onvoldoende, c.q. te laat worden
                 Afdeling advisering van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming
                                                        17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>geïnformeerd en dat niet altijd duidelijk is hoe de taken tussen reclassering en gemeenten
zijn verdeeld. Hoe dan ook, de meeste gedetineerden komen echter uit detentie zonder
verplicht reclasseringstoezicht en dan speelt dit probleem niet.
Aanzienlijke lokale verschillen in organisatie
De uitwerking van de organisatie en samenwerking in de praktijk overziend, constateert
de Afdeling dat er grote lokale verschillen zijn in de organisatie van de re-integratie-
activiteiten. Nu is aansluiting bij lokale voorkeuren, cultuur, omvang, problematiek en
andere bijzondere kenmerken op zich een groot goed, vindt de Afdeling, maar de vraag
dient zich aan of de veelvormigheid van de verschillende samenwerkingsrelaties niet te
zeer belemmerend werkt. Zo kan de casemanager van één PI te maken krijgen met totaal
verschillend vorm gegeven gemeentelijke organisatiemodellen voor re-integratie. Voor de
efficiëntie lijkt dat niet bevorderend.
2.3      Randvoorwaarden in het re-integratieproces
Informatie-uitwisseling en wettelijke basis
Voor de digitale overdracht van gegevens over de stand van zaken ten aanzien van de vijf
basisvoorwaarden tussen gemeenten en gevangeniswezen is een databank ingericht die
door zowel gemeenten als PI’s benaderd kan worden: het Digitaal Platform Aansluiting
Nazorg (DPAN). Daarnaast is vaak nog informatie van andere gemeentelijke diensten en
ketenpartners over ex-gedetineerden nodig om tot een goede nazorg te kunnen komen,
denk onder andere aan het ‘zorgverleden’ van de (ex-)gedetineerde.
Tijdens de gesprekken in het land kwamen problemen met de uitwisseling van gegevens
tussen PI, gemeenten en ketenpartners veelvuldig ter sprake omdat de praktijk dit
als een ernstig probleem ervaart. Met name gaat het dan om het ontbreken van een
wettelijke grond voor het uitwisselen van informatie tussen bedoelde partijen, vanwege
privacywetgeving. Gedoeld wordt hier op de ‘melding detentie’, de ‘melding ontslag
detentie’, evenals gegevensuitwisseling ten aanzien van de basisvoorwaarden.
Om privacyproblemen het hoofd te bieden worden in de praktijk verschillende wegen
bewandeld. Soms wordt aan (ex-)gedetineerden toestemming gevraagd informatie uit
te wisselen, onder het motto “wie zwijgt, stem toe”; ook gaven nazorgmedewerkers aan
alleen mondeling bepaalde informatie uit te wisselen en soms wordt in praktijk gewoon wel
informatie uitgewisseld, ook al is men ervan op de hoogte dat dit tegen de regels is.
Over deze kwestie heeft de zogeheten Taskforce Gegevensverwerking Detentie en
Terugkeer30 een onderzoeksrapport31 laten opstellen. Het rapport bevestigt dat een
wettelijke basis voor gegevensuitwisseling op het gebied van re-integratiebegeleiding van
(ex-)gedetineerden ontbreekt.
De Taskforce stelt in zijn advies een tweezijdige benadering voor vanuit 1) de regelgeving
voor het gevangeniswezen en 2) vanuit de sectorale wetgeving, waar veel (ex-)
gedetineerden mee te maken kunnen hebben. Een grondslag voor DJI kan worden
    30 De Taskforce is een initiatief van de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Tilburg en Utrecht, waaraan ook wordt deelgenomen door
       onder andere het ministerie van VenJ, in het bijzonder de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) en de VNG.
    31 Zie: dr. J.A.G. Versmissen en H.G. de Goeij; Detentie, terugkeer en privacy, Privacy Management Partners, 20 oktober 2016.
                         Afdeling advisering van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming
                                                                     18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>gecreëerd in de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) waarin de voorbereiding van de terugkeer
in de maatschappij één van de beginselen is. In artikel 2 Pbw is voorbereiding op re-
integratie als een van de detentiedoelen genoemd. De benodigde gegevensuitwisseling
met betrokken partijen zoals gemeenten, zou als aanvullende bepaling bij dit artikel
kunnen worden opgenomen. In aanvulling daarop kan, aldus het advies van de Taskforce,
bij of krachtens sectorale wetgeving32 de taak van gemeenten bij de gerichte aanpak van
bijzondere doelgroepen, die onder meer bij re-integratie-ondersteuning aan bod komt,
uitdrukkelijk worden opgenomen.
Met het tot stand brengen van wetgeving is een flinke tijd gemoeid. Voordat dergelijke
wetgeving van kracht is, zal het ministerie proberen om zaken op een andere wijze te
regelen. Het ministerie van VenJ bereidt een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) voor,
op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg). Deze AMvB regelt de
bevoegdheid voor de Minister van VenJ om de “melding aanvang detentie” en de “melding
ontslag detentie” aan de gemeente te melden, met het oog op re-integratieactiviteiten.
De Afdeling beschouwt het als winst dat aan de kant van het departement van VenJ en bij
de VNG het besef is ontstaan dat een wettelijke regeling hier dringend noodzakelijk is, maar
de Afdeling is kritisch over het feit dat hiermee zoveel tijd is gemoeid. Al sinds het begin
van deze eeuw wordt ingezet op re-integratie van ex-gedetineerden. Het Project Aansluiting
Nazorg ging in 2004 van start. Het eerste convenant tussen de VNG en het Ministerie
van VenJ dateert uit 2009. Het is eigenlijk niet te begrijpen dat er dan in 2017 nog geen
oplossing voorhanden is. Zelfs een ‘noodverband’ als de AMvB waarmee de ‘melding
detentie’ en de ‘melding ontslag detentie’ een wettelijke grondslag kunnen krijgen, is nog
geen feit. Volgens recente berichten is de voorbereiding hiervan ter hand genomen.
Relatie met Bestuurlijke Informatievoorziening Justitiabelen(BIJ)
In BIJ-zaken worden de burgemeester en een door hem aangewezen ambtenaar (de
gemandateerde) tijdig geïnformeerd over de aanstaande terugkeer van bepaalde
categorieën (ex-)justitiabelen, met vermelding van het gepleegde delict (met name
gewelds- en zedendelicten). Het gaat dan om zaken waarin verstoring van de openbare orde
dreigt na terugkeer van de betrokken ex-gedetineerde in de samenleving. De burgemeester
kan daar nader onderzoek naar laten doen en vervolgens eventueel maatregelen nemen.
Deze maatregelen dienen niet alleen de bescherming van de belangen van de samenleving
en het slachtoffer, maar ook ter voorkoming van problemen voor de (ex-)gedetineerde.
De BIJ-doelgroep valt in zijn geheel tevens onder de re-integratiedoelgroep van ex-
gedetineerden, maar beide aanpakken staan op zich los van elkaar. De burgemeester,
respectievelijk de gemandateerde mag in het kader van het onderzoek gegevens uitwisselen
met bijvoorbeeld politie, OM en reclassering en verder alleen met anderen voor zover dat
echt nodig is.
In de praktijk zijn er veel gemeenten waar overleg plaats vindt tussen de gemandateerde
en de coördinator nazorg. De vraag is of dat op basis van de privacyregelgeving wel
geoorloofd is. In meerdere gemeenten is het zo dat de gemandateerde en de coördinator
    32 Voorbeelden van relevante sectorale wetgeving zijn de Participatiewet, de Jeugdwet, de Wmo en de Wet gemeentelijke schuldhulp-
       verlening, aldus het rapport.
                        Afdeling advisering van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming
                                                                  19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>nazorg een en dezelfde persoon zijn. De privacyregelgeving laat dat eigenlijk niet toe, maar
de Afdeling kreeg vaak te horen dat het wel heel praktisch is. In ieder geval is men in een
aantal gemeenten van mening dat onderlinge gegevensuitwisseling en afstemming nodig is.
Medewerking aan re-integratie: verplicht (justitieel) of vrijwillig kader
Zoals in het voorgaande is besproken, is voor het realiseren van re-integratie-activiteiten
de samenwerking en inzet van diverse instanties en actoren nodig. Een belangrijke groep
waarmee wordt samengewerkt, vormt de doelgroep van (ex-)gedetineerden zelf.
Re-integratie-activiteiten kunnen in een verplicht en/of in een vrijwillig kader plaatsvinden.
In veel gevallen zijn op ex-gedetineerden na hun detentie geen justitiële voorwaarden
(op grond van voorwaardelijke sanctionering of voorwaardelijke invrijheidsstelling) van
toepassing en daarmee is deelname aan re-integratie-activiteiten volledig afhankelijk van
hun vrijwillige medewerking. Wordt iemand uit detentie ontslagen terwijl nog (bijzondere)
voorwaarden van toepassing zijn, dan staat deze onder reclasseringstoezicht en kan de
nazorg verplicht worden opgelegd, met het toezicht als justitiële stok achter de deur.
Hoe om te gaan met ex-gedetineerden die geen er belangstelling voor hebben om mee
te werken aan hun eigen re-integratie, terwijl er geen justitieel kader voor is? In de
praktijk wordt hier wisselend mee omgegaan. In sommige gemeenten wordt het standpunt
gehuldigd dat niet tot het uiterste wordt geprobeerd een ex-gedetineerde over te halen
mee te werken. Andere gemeenten zetten daar sterker op in. Daar wordt geprobeerd
een ex-gedetineerde altijd “in zorg” te krijgen, afhankelijk van wat deze nodig heeft,
bijvoorbeeld plaatsing in een drugshostel om af te kicken of hulp bij schuldenproblematiek.
Hierbij wordt soms gebruik gemaakt van de behoefte aan huisvesting onder de doelgroep
door voorwaarden te verbinden aan de toewijzing van woonruimte. Pas na twee jaar,
als de betrokkene zich heeft gehouden aan bepaalde voorwaarden rondom bijvoorbeeld
zorg, wordt de woning op diens naam gezet. Vaak komt uit een gesprek van een
nazorgmedewerker met een ex-gedetineerde een hulpvraag voort. Soms wordt ook een
soort “bemoeizorg” ingezet. Dan gaat men heel vaak bij iemand langs om te proberen hem
te ‘verleiden’ tot het aannemen van zorg.
De Afdeling ziet in het voorgaande voorbeelden die navolging zouden kunnen vinden.
Verder kan geprobeerd worden het sociale netwerk van (ex-)gedetineerden hierin (meer) te
betrekken.
Aansluiting bij de lokale situatie, de rol van “regionale plaatsing”
Een randvoorwaarde voor het bieden van adequate re-integratie-activiteiten is dat er tussen
betrokken PI, gemeente en ketenpartners contacten zijn over de (nazorg)voorzieningen in
de gemeente van terugkeer (de ‘sociale kaart’) en dat de partijen gemakkelijk met elkaar
contact kunnen hebben over re-integratiegevallen en over en weer op de hoogte zijn van
procedures en werkwijzen. Zit een gedetineerde zijn straf uit in een inrichting in de buurt
van zijn terugkeergemeente dan wordt die randvoorwaarde gemakkelijker vervuld dan
wanneer dat niet het geval is.
Op zich is het uitgangspunt van de DJI om gedetineerden regionaal te plaatsen, dat
                  Afdeling advisering van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming
                                                         20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>wil zeggen dat zij – in elk geval in de laatste vier maanden van de vrijheidsbeneming
- worden gedetineerd in een PI die is gesitueerd in dezelfde (of de naastgelegen) regio
als de gemeente waar de gedetineerde na detentie zal terugkeren. Door de sluiting van
inrichtingen en het concentreren van gedetineerden in grote inrichtingen, wordt regionale
plaatsing in de praktijk steeds minder vaak gerealiseerd. Nazorgmedewerkers geven in dit
verband aan dat het lastig is met veel verschillende casemanagers te maken te hebben
(onderhoud van relaties) en met uiteenlopende werkwijzen rondom screening. Grotere
gemeenten hebben in de praktijk te maken met veel verschillende, soms ver weg gelegen
PI’s en casemanagers hebben omgekeerd te maken met veel gemeenten in heel Nederland.
Nazorgmedewerkers van de gemeente Den Haag maken op gezette tijden een “rondje verre
bestemmingen”. In veel andere gemeenten is er geen mogelijkheid en/of capaciteit om
zoiets te ondernemen en is er onvoldoende contact tussen enerzijds de gedetineerden en
hun casemanagers in de PI en anderzijds het nazorgvangnet in de gemeente van terugkeer.
In gevallen waarin regionale plaatsing niet wordt gerealiseerd, ervaart de praktijk dit als een
ernstige belemmering.
De Afdeling is ervan op de hoogte dat het gevangeniswezen sinds enige tijd inzet op een
meer gecentraliseerde plaatsing van gedetineerden in grote inrichtingen. Die ontwikkeling,
in combinatie met de sluiting van een aantal inrichtingen, maakt dat een pleidooi voor het
vaker realiseren van regionale plaatsing van weinig realiteitszin zou getuigen. Maar, gezien
het belang van aansluiting tussen de gedetineerde en de sociale omgeving waarin hij zal
terugkeren, wil de Afdeling op deze plaats wèl pleiten voor een “zo regionaal mogelijke”
plaatsing van gedetineerden. Waar dit een probleem vormt, zouden wellicht op lokaal
niveau kleinschalige detentievoorzieningen ingericht kunnen worden. Waar het niet lukt om
vanaf het begin van de detentie regionaal te plaatsen, zou er toch naar gestreefd kunnen
worden om op zijn minst aan het einde van de detentie regionaal te plaatsen. Lukt het niet
om dat te realiseren, dan dienen naar het oordeel van de Afdeling vanuit de PI’s (extra)
inspanningen te worden gepleegd om aansluiting te maken met de gemeenten waarin
gedetineerden na afloop van hun detentie zullen terugkeren.
2.4      Realiseren van de basisvoorwaarden
Hoe staat het met het realiseren van de vijf basisvoorwaarden in de praktijk? De informatie
uit de gevoerde gesprekken en anderszins beschikbare informatie33 levert een gevarieerd
beeld op. Dat wordt hieronder op hoofdlijnen weergegeven.
•    ID-bewijs
     Het verkrijgen van een ID-bewijs voor degenen die dit bij aanvang van hun detentie niet
     hebben, ruim 10%, verloopt niet in elke PI en gemeente hetzelfde. Sommige gemeenten
     eisen van gedetineerden dat ze zich persoonlijk bij Burgerzaken melden. In de meeste
     gevallen zal dat pas na hun detentie mogelijk zijn. Dat verklaart wellicht ook waarom
     ongeveer de helft van de gedetineerden die bij binnenkomst in de PI geen ID-bewijs
     hebben, er tijdens detentie ook geen krijgen. Andere gemeenten komen met enige
     regelmaat naar een PI om de aanvraag voor een ID-bewijs in behandeling te nemen en
    33 Gedoeld wordt op reeds eerder in dit advies aangehaalde bronnen, onder meer de rapporten van de Rekenkamer Amsterdam, de
       Rekenkamer Amersfoort en verschillende rapporten van de nazorgmonitor van het WODC.
                      Afdeling advisering van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming
                                                                 21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>   later het bewijs persoonlijk af te geven. Een ander regelmatig voorkomende methode is
   dat de gedetineerde tijdelijk wordt ingeschreven in de gemeente waarin de PI is gelegen
   en een ambtenaar van die gemeente de PI bezoekt en de aanvraag afhandelt.
   Een probleem van heel andere orde rondom het ID-bewijs is dat er gedetineerden zijn
   die het ID-bewijs als handelswaar zien. Elke keer dat zij opnieuw in detentie komen,
   beschikken zij niet meer over hun ID-bewijs doordat zij dit te gelde hebben gemaakt op
   de zwarte markt. In de re-integratiepraktijk leidt dit tot een zekere moedeloosheid bij de
   betrokken medewerkers.
•  Werk en inkomen
   Ruim 40% van de gedetineerden werkte niet vóór detentie. En na detentie is het
   moeilijk aan werk te komen. Voor zover dat al lukt, gaat het vaak om tijdelijk en/of
   laaggeschoold werk.34 De laatste jaren is er in de PI’s weer meer aandacht voor werk
   en opleiding tijdens detentie, zo blijkt uit onder andere werkbezoeken van de Raad. In
   veel PI’s kan het certificaat VCA35 gehaald worden en in sommige PI’s zijn (nog) andere
   mogelijkheden. Veel gemeenten hebben programma’s voor (langdurig) werklozen.
   Sommige hebben zelfs een specifiek aanbod voor ex-gedetineerden.36
   Bij ‘inkomen’ gaat het vooral om het tijdig stop zetten en weer starten van een
   (bijstands)uitkering bij respectievelijk aanvang en einde van de detentie. In de meeste
   gevallen loopt dat goed. Een probleem is wel de eis dat iemand eerst veertien dagen zelf
   moet proberen inkomen te genereren, maar in de praktijk lossen veel gemeenten dat op
   door de gedetineerde twee weken voor het einde van de detentie de aanvraag in te laten
   dienen.
•  Huisvesting
   Geschikte huisvesting werd het meest genoemd als het grootste knelpunt bij ‘het rondje
   langs de velden’ dat de Afdeling ter voorbereiding op dit advies heeft gemaakt. Een deel
   van de gedetineerden heeft vóór detentie al geen geschikte huisvesting; na detentie is
   dat percentage toegenomen. Veel – vooral grotere - gemeenten lukt het nog wel ex-
   gedetineerden zonder huisvesting in een opvangvoorziening geplaatst te krijgen. Maar er
   wordt vaak bij gezegd dat dat verre van ideaal is of soms zelfs contraproductief omdat
   men tussen personen komt te zitten met wie dat nou net niet had gemoeten.
   Een ander veel genoemd probleem is de beperkte beschikbaarheid van vormen van
   begeleid of beschermd wonen. Aangezien licht verstandelijke beperkingen, psychische
   problematiek en drugsverslaving onder gedetineerden veel voorkomen, in combinatie
   met de problemen om te re-integreren in de samenleving, is plaatsing in voorzieningen
   voor beschermd/begeleid wonen in veel gevallen een voor de hand liggende optie,
   of zelfs een noodzaak. In de praktijk blijken er te weinig van dit soort voorzieningen
  34 Zie: Ramakers, Anke Antonia Theodora (2014), Barred from employment? A study of labor market prospects before and after
     imprisonment (academisch proefschift), Leiden; (onderzoek verricht in het kader van het Prison project).
  35 VCA staat voor Veiligheid, Gezondheid Milieu (VGM) Checklist Aannemers. Het VCA-certificaat heeft betrekking op “Veilig werken”
     in bijvoorbeeld de bouw.
  36 Bijvoorbeeld ‘Werk na detentie’ van de gemeente Groningen.
                      Afdeling advisering van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming
                                                                22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>   voor ex-gedetineerden beschikbaar te zijn. Cijfermateriaal37 laat zien dat er per RIBW
   gemiddeld 150 personen op een wachtlijst staan. Zij wachten gemiddeld 236 dagen
   op een plaats ‘Beschermd Wonen’; het wachten op ‘Begeleid Zelfstandig Wonen’ duurt
   gemiddeld ruim 90 dagen.
   De behoefte aan dit soort woonvormen is groot en het aanbod ontoereikend. Naast
   ex-gedetineerden zijn er ook andere doelgroepen die van dergelijke voorzieningen
   gebruik willen maken, en is de behoefte aan dit soort voorzieningen ook als gevolg
   van andere ontwikkelingen toegenomen, zoals de ambulantisering in de geestelijke
   gezondheidszorg.
   Meerdere (grotere) gemeenten hebben een regeling – onder voorwaarden - voor het
   doorbetalen van huur tijdens een detentie. Meestal hanteert men als maximumgrens een
   detentie van zes maanden. Sommige van die gemeenten zijn ook bereid de huur ook
   tijdens de preventieve hechtenis door te betalen als de detentie naar verwachting niet al
   te lang zal duren.
   Een apart vraagstuk is het woonplaatsbeginsel. Uitgangspunt is dat een gedetineerde
   na detentie terug gaat naar de gemeente waar hij/zij ingeschreven stond/staat. Maar
   wat nu als iemand nergens staat ingeschreven of als het iemands wens is - al dan
   niet ondersteund door PI en oorspronkelijke gemeente- na detentie naar een andere
   gemeente te willen gaan? Veel gemeenten accepteren dat, maar – naar het schijnt in
   toenemende mate - doen andere dat niet, onder andere om een aanzuigende werking en
   toename van bijstandskosten te voorkomen.
•  Schulden
   Het percentage gedetineerden met schulden bij aanvang van en na ontslag uit detentie
   ligt rond de 57% (exclusief vorderingen bij het CJIB). Van de ex-gedetineerden met
   schulden zat 14-18% in een schuldhulpverleningstraject vóór aanvang van de detentie.
   Het merendeel van de gedetineerden met schulden vóór detentie had deze direct na
   detentie nog steeds. Van de gedetineerden die bij aanvang van detentie geen schulden
   hadden, blijkt ongeveer een kwart direct na detentie wel schulden te hebben.38
   De aanwezigheid van (hoge) schulden wordt – naast een tekort aan passende
   huisvesting - als een grote belemmering gezien voor goede re-integratie en het
   voorkomen van recidive. Lopende schuldhulpverleningstrajecten worden tijdens detentie
   stopgezet en het is nog maar de vraag of ze voortgezet kunnen worden. De gemeente
   Amersfoort wilde op projectbasis aandacht besteden aan de schuldenproblematiek
   van ‘hun’ gedetineerden maar stuitte op het probleem dat deze nauwelijks nog
   regionaal geplaatst worden. Onderzoekers van de Hogeschool Utrecht hebben in een
   publicatie39 voor een sluitende aanpak voor problematische schulden bij cliënten van de
   verslavingsreclassering gepleit, als onderdeel van het reclasseringstoezicht.
   Met het CJIB zijn afspraken gemaakt om bestaande schulden bij hen niet op te laten
   lopen tijdens de detentieperiode.
  37 RIBW-alliantie, digitale brochure, 2015.
  38 Bijvoorbeeld als gevolg van doorlopende lasten, terwijl de inkomsten zijn gestopt door de detentie.
  39 Nadja Jungman, Anneke Menger, Mark Anderson, David Stam, (2014), Gevangen in schuld; Over de uitzichtloze schuldsituaties van
      cliënten van de verslavingsreclassering, Hogeschool Utrecht
                       Afdeling advisering van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming
                                                                  23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>    (In dit verband is het relevant te vermelden dat de schuldenproblematiek al enige
    tijd bij de overheid op de agenda staat. Landelijke diensten zoals het UWV en de
    Belastingdienst zijn op zoek naar concrete oplossingen. Daarbij wordt de Rijksincasso-
    visie40 als basis gebruikt.)
•   Zorg
    De wijze waarop de basisvoorwaarde ‘zorg’ wordt ingevuld vertoont wellicht de grootste
    variatie. In ieder geval wordt er onder verstaan dat tijdig de zorgverzekering wordt
    stopgezet en weer wordt geactiveerd; al dan niet door de gedetineerde zelf via het RIC.
    Zorg wordt vaak opgevat als er voor zorgen dat – zo mogelijk - noodzakelijke zorg die
    een gedetineerde voor detentie had, tijdens detentie door kan gaan. De Medische Dienst
    van een PI speelt daarin vaak een belangrijkere rol dan de casemanager. Als gevolg
    van privacyregels en het medische beroepsgeheim - deelt de Medische Dienst lang niet
    altijd met de casemanagers wat de (medische en/of psychiatrische) problematiek van
    de gedetineerde is en welke contacten men daarover eventueel met externen heeft.
    Aangezien de casemanager er vaak niet van op de hoogte is of er problematiek op dit
    gebied is, weten ook de nazorgcoördinatoren van de gemeenten lang niet altijd of en
    wat de problematiek is en of er eventueel iets geregeld moet worden voor de periode na
    detentie. De PI Arnhem heeft sinds kort een zogeheten doorzorgfunctionaris, speciaal
    belast met het vaststellen of doorlopende zorg ondanks detentie gewenst is en met het
    leggen van contacten om dat mogelijk te maken. Dat lukt soms, maar niet altijd, onder
    andere omdat zorgverzekeraars niet altijd meewerken.
    Diverse gesprekspartners gaven aan dat met name de continuering van zorg na afloop
    van de justitiële titel een probleem is. Als het al lukt de zorg voort te zetten, dan vaak
    niet direct aansluitend aan de detentieperiode. Nazorgcoördinatoren melden dat het
    zorgveld ingewikkeld en gefragmenteerd is.
    Gemeenten die het nodig vinden meer te doen dan ‘iets’ te regelen met betrekking tot
    de basisvoorwaarden, vaak samenwerkend in Veiligheidshuisverband, vatten het begrip
    zorg breed op. In overleg met relevante partners wordt geprobeerd vast te stellen of
    iemand bereid en in staat is verandering in zijn/haar leven aan te brengen, hoe de
    situatie in zijn/haar gezin of familie is en of er iets is te regelen met de opvang van
    kinderen als één van de ouders (in dit geval meestal de moeder) tijdelijk niet thuis kan
    zijn.
Gevarieerd beeld ten aanzien van de basisvoorwaarden
Er is landelijk gezien een grote variatie in het omgaan met het realiseren van
basisvoorwaarden en de problemen daaromtrent. Sommige gedetineerden proberen zelf
zaken te regelen via het RIC, andere gedetineerden worden in de bajes bezocht door
medewerkers van hun gemeente. Op papier is er een taakverdeling tussen casemanagers
van de PI (verantwoordelijk tijdens detentie) en de nazorgcoördinatoren (verantwoordelijk
ná detentie). In de praktijk zijn grote verschillen waarneembaar maar ook overeenkomsten.
Daar waar re-integratieactiviteiten onder gebracht zijn in een Veiligheidshuis, lijkt de
   40 Zie brief van staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Tweede Kamer, d.d. 4 april 2016, betreffende: Rijksin-
       cassovisie, reactie op de rapporten van SCP en Save the Children.
                        Afdeling advisering van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming
                                                                  24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>samenwerking en taakverdeling het duidelijkst te zijn
Kosten en baten van re-integratie-activiteiten
Tot slot wordt kort ingegaan op de kosten van het re-integratiebeleid. Recent is in opdracht
van het WODC een onderzoek verricht naar de kosten en baten van re-integratie van
gedetineerden.41 Het blijkt voor de onderzoekers een lastige opdracht. Zij stuiten op zoveel
beperkingen dat zij niet tot een conclusie over de kosten en baten van re-integratie-
activiteiten kunnen komen. De onderzoekers stellen: “Op basis van de uitgevoerde analyse
kunnen we geen harde uitspraken doen over het maatschappelijk rendement van re-
integratie voor volwassen (ex-)gedetineerden. We zien onze berekeningen als een eerste
stap om meer zicht op dit rendement te krijgen.” Een verdere bespreking van deze poging
blijft hier verder achterwege.
    41 Jaap de Koning e.a.; Kosten en baten van maatschappelijke (re-)integratie van volwassen en jeugdige (ex-)gedetineerden. Eindrap-
       port, SEOR, Erasmus School of Economics, november 2016.
                       Afdeling advisering van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming
                                                                 25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>Bijlage 1: Bronnen
Bij de totstandkoming van dit advies is gebruik gemaakt van:
•   literatuur: kamerstukken, rapporten, adviezen, wetenschappelijke publicaties;
•   gesprekken met/bezoeken aan:
    -- medewerkers “proeftuin” Noorden van het land
    -- vijf managers van Veiligheidshuizen (groepsgewijs)
    -- manager Veiligheidshuis, midden van het land
    -- nazorgmedewerkers gemeente, casemanagers PI, Noorden van het land
    -- nazorgmedewerkers gemeente, casemanager PI, midden van het land
    -- nazorgmedewerkers gemeente, casemanagers PI Veiligheidshuis, hoofd
         Veiligheidshuis, Zuiden van het land
    -- nazorgmedewerkers gemeente, casemanagers PI, medewerker Veiligheidshuis,
         Westen van het land
    -- algemene werkbezoeken aan penitentiaire inrichtingen
    -- het ministerie van Veiligheid en Justitie, beleidsdirectie en DJI
    -- de Inspectie Veiligheid en Justitie
De betrokken commissie van de Afdeling heeft zich aldus op de hoogte gesteld van de
achtergronden en aanpak in de praktijk in het land. Het materiaal levert een goede indruk
van de werkwijze in de praktijk, maar geeft geen uitputtend beeld van de nazorg in al
zijn facetten en verschijningsvormen. Er zullen ongetwijfeld plaatsen zijn waar zich zaken
voordoen die de RSJ niet heeft waargenomen.
                   Afdeling advisering van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming
                                                          26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>Bijlage 2: Modellen van nazorg/re-integratie
In het convenant uit 2009 zijn de wederzijdse taken en verantwoordelijkheden van
gemeenten en Justitie met betrekking tot volwassen (ex-)gedetineerde burgers op
hoofdlijnen vastgelegd. De bedoeling was dat dit verder lokaal zou worden uitgewerkt42
en dat is inderdaad gebeurd. Nazorg heeft in de praktijk op uiteenlopende wijzen vorm
gekregen. De RSJ-adviescommissie is in zijn oriënterende gesprekken in de voorbereiding
van dit advies de volgende vormen tegengekomen.
Gemeentelijk model I
In dit model is de gemeente, of een aantal regionaal samenwerkende gemeentes, actief op
het gebied van nazorg. Periodiek vindt een casusoverleg plaats waarin alle nieuwe gevallen
worden besproken. Afhankelijk van de ernst van de casus komt iemand in aanmerking voor
a) reguliere nazorg, b) een wat zwaardere “persoonsgebonden aanpak”. Voor nog zwaardere
gevallen, de zogenoemde “Top X”, wordt de nazorg door het Veiligheidshuis geregeld. Die
laatste categorie is beperkt van omvang (circa 250 in de hele regio, waar jaarlijks in totaal
enkele duizenden gedetineerden terugkeren in de samenleving). Na bespreking wordt een
ex-gedetineerde doorgeleid naar de instelling die de zaak het beste onder zijn hoede kan
nemen; over het algemeen is dat de instelling die de zorg ten aanzien van de dominante
problematiek van de betrokkene voor zijn rekening neemt en de casusregie voert.
Gemeentelijk model II
In gemeentelijk model II dat overeenkomsten met model I vertoont, is bij de gemeente
een Bureau Nazorg ingericht, met nazorgcoördinatoren die zelf acties ondernemen. Er
bestaat hier geen instroomoverleg of casusoverleg. De nazorgcoördinatoren screenen zelf
gedetineerden, onderhouden contacten met PI’s (o.a. met de casemanagers). Bureau
Nazorg bekijkt of een (ex-)gedetineerde zorg nodig heeft en brengt de betrokkene in
contact met de hulpverlening. Opvallend in de aanpak hier is dat Bureau Nazorg voor
een re-integratieplan zorgt, terwijl de PI ook voor dergelijk plan zorgt. Erkend wordt dat
hier dubbel werk plaatsvindt. Als een ex-gedetineerde in contact wordt gebracht met een
instantie, ligt de casusregie veder bij die instantie. De wat meer complexe gevallen worden
door Bureau Nazorg overgedragen aan het Veiligheidshuis ter plaatse.
Veiligheidshuismodel
In het veiligheidshuismodel hebben gemeenten de nazorg voor alle (ex-)gedetineerden
belegd of ondergebracht bij het (regionaal of gemeentelijk opererende) Veiligheidshuis. Alle
zaken komen bij het Veiligheidshuis binnen via DPAN, zoals alle gemeenten ook de melding
binnen krijgen dat iemand is gedetineerd. Over elk geval wordt informatie verzameld
uit allerlei verschillende systemen. Op basis daarvan wordt elke melding gescreend op
de basisvoorwaarden en vervolgens wordt besproken “doen we er iets mee of niet.”
   42 Om gemeenten zicht te geven op de mogelijkheden om nazorg in de praktijk te brengen hebben de VNG en het ministerie van Jus-
       titie ter ondersteuning van de in het convenant vastgelegde afspraken, een werkboek laten uitbrengen. In het werkboek worden de
       werkwijzen in verschillende gemeenten om te illustreren welke mogelijkheden gemeenten hebben om te kiezen voor een aanpak
       die past bij de lokale situatie en cultuur; zie Werkboek Structuur in de nazorg aan ex-gedetineerden, VNG, Ministerie van Justitie,
       Stichting Stimulanz, 2010.
                         Afdeling advisering van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming
                                                                     27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>Wekelijks vindt een instroomoverleg plaats en hier worden per keer vijf tot acht nieuwe
gevallen besproken. Bij de bespreking in het instroomoverleg schuiven allerlei projecten
en instellingen aan, bijvoorbeeld Exodus, Verslavingszorg enz. Bij het instroomoverleg
wordt aan elke casus een (interne) casemanager van het Veiligheidshuis en een
(externe) ketenpartner verbonden. Zodoende heeft elk geval een interne en een externe
casusregisseur en de bedoeling is dat die twee goed contact met elkaar houden over de
casus.
Bij één van de bezochte locaties waar de nazorg volgens het Veiligheidshuismodel
is georganiseerd, doet zich een groot knelpunt voor t.a.v. de samenwerking met de
gemeenten. De gemeenten stellen zich op het standpunt dat zij de nazorg hebben belegd
bij het Veiligheidshuis en stellen zich om die reden weinig coöperatief op. Allerlei essentiële
nazorgactiviteiten verlopen als gevolg hiervan moeizaam. Gemeenten voelen zich geen
probleemeigenaar.
                  Afdeling advisering van de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming
                                                         28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>