<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                                                                                    Parkstraat 83 Den Haag
                                                                                    Correspondentie:
                                                                                    Postbus 30137
                                                                                    2500 GC Den Haag
                                                                                    Telefoon (070) 361 93 00
                                                                                    www.rsj.nl
                                                                                    info@rsj.nl
                 Aan de minister voor Rechtsbescherming
                 Postbus 20301
                 2500 EH Den Haag
Betreft        : Aanbieding advies
Contactpersoon : mw.drs. D. Kempers
Doorkiesnummer : 06-52872185
E-mail         : d.b.kempers@minvenj.nl
Datum          : 15 februari 2018
Ons kenmerk    : RSJ/101/2996/2018/DK/TvV
Onderwerp      : advies Besluit Forensische Zorg in samenhang met de Besluiten Verplichte ggz
                 en Zorg en dwang.
Uw kenmerk     : adviesaanvrag per mail d.d. 12 december 2012
                 Geachte heer Dekker,
                 Op 12 december ontving de Afdeling advisering van de RSJ (hierna: de
                 Afdeling) uw adviesaanvraag inzake het Besluit forensische zorg (Bfz), Besluit
                 verplichte ggz (Bvggz) en het Besluit zorg en dwang (Bzd).
                 Onderstaand vindt u het advies van de Afdeling.
                 Samenvatting
                 Van de drie voorgelegde Besluiten gaat de Afdeling in dit advies hoofdzakelijk
                 in het op het Besluit forensische zorg en op enkele punten op het Besluit
                 verplichte ggz.
                 De algemene indruk is dat de wet- en regelgeving voorziet in betere
                 waarborgen voor plaatsing van patiënten met een justitiële titel in de
                 forensische en ggz-zorg en in een verbeterde aansluiting tussen beide
                 domeinen.
                 Op onderdelen acht de Afdeling echter verduidelijking of aanscherping nodig
                 en doet daartoe enkele aanbevelingen (deze zijn opgenomen bij de betreffende
                 paragrafen).
                 Op hoofdlijnen komt de Afdeling tot de volgende bevindingen:
                 -- Systeemkenmerken: de versterkte regie van de minister van Justitie en
                     Veiligheid leidt naar verwachting tot betere waarborgen voor plaatsing van
                     patiënten met een justitiële titel. Bij de uitvoering worden echter problemen
                     verwacht als gevolg van de complexiteit van het systeem, hetgeen wordt
                     versterkt doordat de Besluiten op veel punten onvoldoende duidelijkheid
                     geven omtrent de uitvoering.
                 -- Bevoegdheden en verantwoordelijkheden: over het geheel mist de Afdeling
                     een goede balans tussen de bevoegdheden van de minister en die van de
                     geneesheer-directeur. Terwijl de bevoegdheden van de minister duidelijk
                     zijn vastgelegd, is niet altijd voldoende gewaarborgd dat de expertise van
                     de geneesheer-directeur volwaardig wordt meegewogen in de beslissing van
                     de minister. Daarmee kan het behandelperspectief in de forensische zorg
                     onderbelicht raken.
                 -- Informatie-uitwisseling en –beheer: in beginsel acht de Afdeling het
                     positief dat omtrent de informatie-uitwisseling duidelijke regels worden
                     gesteld en dat het OM daarin een centrale rol heeft. Bedenkingen zijn
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>    er echter bij de omvang van de door de zorgverleners te verschaffen informatie,
    waarbij de doelbinding niet altijd duidelijk is. Met betrekking tot het uitwisselen van
    geneeskundige informatie acht de Afdeling op enkele punten een betere waarborg van
    de privacy nodig.
-- Rechtspositionele aspecten: gezien de vele verschillende titels waarop forensische
    patiënten in verschillende instellingen kunnen verblijven acht de Afdeling een duidelijk
    en compleet overzicht van de toepasselijke interne en externe rechtsposities evenals
    van de klachtmogelijkheden onmisbaar.
1. Achtergrond
1.1 Context en afbakening
De aangeboden conceptbesluiten vormen het sluitstuk van een lang wetgevingstraject
dat een breed terrein omvat van forensische zorg en onvrijwillige zorg in de ggz, evenals
de aansluiting tussen beide velden. De besluiten zijn algemene maatregelen van bestuur
(amvb’s) bij de Wet verplichte ggz (Wvggz), Wet zorg en dwang (Wzd) en de Wet
forensische zorg (Wfz). Deze drie wetten zijn op 23 januari jl. aangenomen door de Eerste
Kamer.
In de loop van dit wetgevingstraject is op onderdelen eerder geadviseerd door de RSJ.1
In verband met het werkterrein van de RSJ zal de Afdeling zich, evenals in de vorige
adviezen, in dit advies vooral richten op de aspecten die betrekking hebben op de
forensische zorg en de door- en uitstroom van forensische patiënten naar de reguliere
ggz. Dat impliceert dat van de voorliggende Besluiten hoofdzakelijk wordt ingegaan op het
Besluit forensische zorg (hierna: Bfz) en op enkele punten op het Besluit verplichte ggz
(hierna: Bvggz).
1.2 Doelstellingen van het Besluit forensische zorg
In de nota van toelichting bij het Bfz worden de doelstellingen met betrekking tot
de forensische zorg benoemd. Centraal staat het plaatsen van justitiabelen met een
zorgbehoefte op een geschikte plek wat betreft adequate behandeling en passend
beveiligingsniveau. Daartoe wordt ingezet op het creëren van voldoende zorgcapaciteit
voor deze groep (behandelplaatsen) en het realiseren van een goede aansluiting tussen
de curatieve en forensische zorg. Met betrekking tot de inhoud van de zorg wordt beoogd
dat de behandeling van goede kwaliteit is en gericht op het vergroten van de veiligheid in
samenleving.2
Om dit te realiseren worden regels gesteld ten aanzien van de uitwisseling van (justitiële
en geneeskundige) gegevens, de aanwijzing van instellingen tot instelling voor forensische
zorg, de inkoop van zorg door het ministerie van Justitie en Veiligheid, de indicatiestelling,
plaatsing en overplaatsing.
1.3 Algemene bevindingen
Algemene indruk van de Afdeling is dat de wet- en regelgeving voorziet in betere
waarborgen voor plaatsing van patiënten met een justitiële titel in de forensische en ggz-
zorg, en een verbeterde aansluiting tussen beide domeinen.
Kanttekeningen zijn er met betrekking tot de complexiteit van de wetgeving, de vele nog
nader uit te werken bepalingen in het Besluit forensische zorg, de verhouding tussen
bevoegdheden van de minister van Justitie en Veiligheid en de geneesheer-directeur,
de omvangrijke gegevensuitwisseling en daarmee gepaard gaande administratieve druk
en enkele rechtspositionele aspecten. Met betrekking tot de implementatie van de wet-
en regelgeving verwacht de Afdeling dat vooral de complexiteit en de nog onvolledige
uitwerking tot problemen zullen leiden.
In onderstaande gaat de Afdeling in op respectievelijk enkele systeemkenmerken van de
wet- en regelgeving (hst.2), bevoegdheden en verantwoordelijkheden (hst. 3), informatie-
uitwisseling en –beheer (hst. 4) en enkele overige rechtspositionele aspecten (hst.5).
Per paragraaf worden aanbevelingen gedaan en tevens wordt op sommige punten
aanpassing of nadere uitwerking ter overweging gegeven.
1   Advies De Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en de Wet forensische zorg, RSJ 30 januari 2009; Advies Reactie op adviesaanvraag
    tweede nota van wijziging bij de Wet verplichte ggz, 19 november 2015. Over het verwante onderwerp Weigerende verdachten pro justitia
    onderzoek is per brief geadviseerd (1 februari 2012).
2   Concept Besluit forensische zorg, nota van toelichting, Algemeen deel.
                                                              2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>2. Systeemkenmerken
2.1 Algemeen: verbeterde plaatsingsmogelijkheden voor justitiële patiënten, betere aansluiting
De wet- en regelgeving voorziet in een uitgebreid systeem van forensische zorg, met een
centrale rol voor het Openbaar Ministerie (hierna: OM) en de minister van Justitie en Veiligheid
(hierna: de minister) wat betreft het aanwijzen van zorginstellingen, de uitwisseling van
informatie, indicatiestelling en plaatsing en het verlenen van verlof en ontslag.
Het aanwijzen van inrichtingen buiten de tbs als instelling voor forensische zorg, onder
regie van de minister, zal er naar verwachting toe bijdragen dat voldoende behandelplekken
beschikbaar zijn en zorgovereenkomsten daadwerkelijk kunnen worden uitgevoerd. Daarbij zal
de centrale rol van het OM wat betreft het beheer en de uitwisseling van benodigde gegevens
er naar verwachting toe bijdragen dat in het individuele geval snel informatie beschikbaar
is over de zorgbehoefte en justitiële geschiedenis van betrokkene. De beschikbaarheid van
relevante informatie met betrekking tot eventuele stoornissen stelt ook de strafrechter in staat
om, in het geval van justitiabelen met psychiatrische problematiek, de afdoening beter dan
voorheen af te stemmen op de zorgbehoefte van de justitiabele.
Op grond van deze versterkte regie vanuit het justitiële veld valt te verwachten dat beter
dan tot nog toe kan worden voorzien in de plaatsing van patiënten met een justitiële titel in
forensische zorginstellingen. Dit draagt naar het oordeel van de Afdeling bij aan een robuust
systeem van forensische zorg met een goede doorzettingsmacht wat betreft het aanbieden van
de benodigde zorg aan justitiabelen.
Tegelijkertijd meent de Afdeling dat, met de versterking van de regisserende rol van de
minister en het OM, op onderdelen een spanning ontstaat met de professionele inbreng
van de behandelaars. In de forensische zorg is per definitie sprake van behandel- en
beveiligingsperspectieven en een zorgvuldige afweging tussen deze twee kaders. Bij de
versterking van het justitiële perspectief en verantwoordelijkheden in de forensische zorg,
blijft in de wetgeving het behandelperspectief en de professionele verantwoordelijkheid van
behandelaars achter. Meer aandacht voor de checks and balances van deze perspectieven en de
verantwoordelijkheden binnen beide kaders is naar het oordeel van de Afdeling nodig. Dit punt
wordt hieronder in hoofdstuk 3 uitgewerkt.
2.2 Het Besluit forensische zorg biedt in zijn totaliteit niet de verwachte duidelijkheid
Zoals hierboven aangegeven is het Besluit een amvb bij de Wet forensische zorg. Dat betekent
dat de uitvoeringsaspecten van de Wfz zoveel mogelijk in dit Besluit geregeld moeten
zijn. Het voorliggende Besluit biedt echter op veel punten niet de verwachte duidelijkheid.
Dit knelt des te meer omdat in de parlementaire behandeling van eerdere versies van de
conceptwetsvoorstellen al van meerdere kanten kritiek is geuit op het doorschuiven van
relevante onderdelen naar de Besluiten.3 Zonder deze duidelijkheid omtrent de uitvoering is
het niet goed mogelijk om de werkbaarheid van dit complexe stelsel van wet- en regelgeving
te beoordelen. Nu in het voorliggende Bfz de uitwerking op veel punten opnieuw wordt
doorgeschoven naar nog lagere regelgeving, wordt deze zorg allerminst weggenomen.
De Afdeling wijst erop dat het gaat om belangrijke aspecten die de kern van de nieuwe wet- en
regelgeving betreffen, zoals gegevensuitwisseling en de verantwoordelijkheden ten aanzien van
indicatie, plaatsing en behandeling. Nadere uitwerking wordt bijvoorbeeld doorgeschoven met
betrekking tot de verstrekking en beheer van persoonsgegevens (art. 2.5 lid 4 en lid 5 Bfz),
de gegevensverwerking ten behoeve van beleidsontwikkeling (art. 2.7 Bfz) en de inhoud van
overeenkomsten met zorgaanbieders (art. 4.1 lid 4 Bfz).
Ook met betrekking tot de plaatsing bij een zorgaanbieder door of namens de minister (art.
6.1 Bfz) wordt een belangrijk aspect, te weten de criteria op grond waarvan de minister in
het individuele geval beslist waar de patiënt wordt geplaatst, nader uitgewerkt bij ministeriële
regeling. Uit de nota van toelichting valt op te maken dat het gaat om criteria met betrekking
tot passende zorg (zowel de zorgbehoefte betreffend als de beveiligingsnoodzaak) en
beschikbaarheid (de zorg moet snel kunnen starten).4 Het doorschuiven van de uitwerking van
‘deze en andere criteria’ biedt niet alleen onvoldoende duidelijkheid over hoe genoemde criteria
exact worden geformuleerd, maar laat ook open welke overige criteria voor plaatsing kunnen
worden vastgelegd. Het doorschuiven naar lagere regelgeving is niet alleen onwenselijk vanuit
het oogpunt van wetssystematiek en uitvoerbaarheid, maar ook omdat daarmee op belangrijke
aspecten nog steeds geen oordeel te vellen is over de verwachte effecten en realiseerbaarheid
3    O.a. Memorie van Antwoord Wvggz/Wzd, 19-09-2017, Kamerstukken I, 2017/18, 32399 D / 31996, p.20); advies van de Raad van State over de eerste
     versie van het wetsvoorstel forensische zorg (Kamerstukken II, 2009/10, 32 398, nr.4).
4    Nota van toelichting bij het Besluit, p. 20 en 31.
                                                                  3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>van de wet- en regelgeving.
Aanbeveling:
-- Werk de uitvoeringsaspecten uit in het Besluit forensische zorg, in plaats van deze op
    belangrijke punten door te schuiven naar lagere regelgeving.
2.3 Grote administratieve lastendruk voor de zorgverleners
Een betere regeling van beheer en uitwisseling van gegevens over de forensische patiënt,
uitgewerkt in hoofdstuk 2 van het Bfz, vormt een van de kernpunten van het nieuwe stelsel
van wet- en regelgeving. Zoals hierboven aangegeven ziet de Afdeling dit in beginsel als
positief.
Dit gaat echter onvermijdelijk gepaard met een verhoging van de administratieve
lastendruk: met name de verplichtingen aan de zorgaanbieder ten aanzien van
gegevensverstrekking vormen een punt van zorg. Dat kan naar het oordeel van de Afdeling
niet alleen leiden tot problemen in de uitvoering maar kan ook de kwaliteit van de zorg
nadelig beïnvloeden, namelijk voor zover administratieve verplichtingen van behandelaars
ten koste gaan van de beschikbare tijd voor behandeling.5
In het hoofdstuk Gegevensverwerking wordt nader ingegaan op de verplichtingen ten
aanzien van gegevensverstrekking.
2.4 Tijdpad implementatie in relatie tot complexiteit van het systeem
Het systeem van wet- en regelgeving is dermate complex, dat de praktische uitwerking
extreem lastig is en vooral moeilijk te overzien.6 De voorliggende uitvoeringsbesluiten
brengen daarin niet veel verandering. Mede doordat de uitwerking op belangrijke punten is
doorgeschoven naar lagere regelgeving, bieden zij slechts in beperkte mate handvatten voor
de uitvoering.
Tegen deze achtergrond beveelt de Afdeling aan om de implementatie zorgvuldig af te
stemmen met de ketenpartners in het veld. Immers, de betrokken ketenpartners (OM,
rechterlijke macht, NIFP, forensische behandelinstellingen, Ggz-Nederland) worden
geconfronteerd met soms omvangrijke nieuwe taken en aanpassing van de werkwijze.
Dat vereist een gedegen voorbereiding. De Afdeling geeft ter overweging om bij de
implementatie gebruik te maken van pilots, zodat gaandeweg bijstelling mogelijk is.
3. Bevoegdheden en verantwoordelijkheden
3.1 Balans tussen bevoegdheden van de minister en die van de geneesheer-directeur
Conform de zojuist aangenomen wetten zijn veel bevoegdheden met betrekking
tot aanwijzing van zorginstellingen, inkoop van zorg, indicatiestelling en plaatsing,
zorgverlening, toezicht, afrekening/tariefbepaling (en het bepalen van boete bij
ontevredenheid over de verrichtingen van de behandelinstelling) belegd bij de minister.
Zoals hierboven al opgemerkt, onderkent de Afdeling dat een grotere verantwoordelijkheid
van de minister voor de forensische zorg bijdraagt aan betere waarborgen met betrekking
tot de plaatsing en de kwaliteit van behandeling van patiënten met een justitiële titel in
de (forensische) zorg. Om de kwaliteit van de zorg te waarborgen, dient echter sprake
te zijn van een goede balans met de bevoegdheden van de geneesheer-directeur.7 In de
voorliggende regelgeving ziet de Afdeling deze balans onvoldoende uitgewerkt. Terwijl
de verantwoordelijkheden van de minister duidelijk zijn vastgelegd, zijn elementen van
samenwerking, overleg en gedeelde verantwoordelijkheid tussen minister en behandelaars
nauwelijks in de regelgeving verankerd. Daarmee wordt tekort gedaan aan de bijzondere
expertise van de geneesheer-directeur en ontstaat de kans dat waardevolle inbreng
vanuit het behandelperspectief onvoldoende gewicht krijgt. Dat is onwenselijk, want bij
beslissingen over belangrijke momenten in het proces van de forensische zorg is informatie
betreffende de voortgang van de behandeling (en de inzichten die daaraan kunnen worden
ontleend) onmisbaar. Het waarborgen van deze inbreng is van belang voor de doelstellingen
van de forensische zorg, te weten het bieden van adequate geestelijke gezondheidszorg en
het terugdringen van recidive. Het ontbreken van voldoende duidelijkheid hieromtrent in de
uitvoeringsbesluiten is nadelig voor zowel de kwaliteit van de forensische behandelingen als
5   Dit is ook al opgemerkt in het RSJ-advies 2009, in verband met de verzwaring van de lastendruk door de invoering van de Diagnose Behandeling
    Beveiliging Combinaties (DBBC’s).
6   Op deze kwetsbaarheid van de uitvoering en de noodzaak van een zorgvuldige voorbereiding van de implementatie is in de voorbereidingsfase van
    de wetsvoorstellen al meermaals gewezen, ook door de RSJ (advies 2015).
7   De RSJ heeft dit punt eerder benadrukt, zie met name het advies Reactie op adviesaanvraag tweede nota van wijziging bij de Wet verplichte ggz,
    19 november 2015 en Visie op strafrechtelijke sanctietoepassing. Versterken van samenhang, betrokkenheid en vertrouwen, Den Haag, 12 oktober
    2016.
                                                             4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>voor de uitvoerbaarheid van de regelingen.
Hieronder wordt op enkele punten uitgewerkt waar volgens de Afdeling sprake is van
onvoldoende balans tussen de verantwoordelijkheden, en/of onvoldoende is uitgewerkt hoe de
expertise van de behandelaars wordt meegewogen.
3.2 Bevoegdheden van de minister ten aanzien van plaatsing en overplaatsing
De bevoegdheid van de minister ten aanzien van plaatsing en overplaatsing van forensische
patiënten zijn in het Besluit forensische zorg vastgelegd in respectievelijk artikel 6.2 lid 3 en
artikel 6.3. Hierin is bepaald dat de minister verantwoordelijk is voor zowel de plaatsing als de
overplaatsing van forensische patiënten. Met betrekking tot overplaatsing is vastgelegd dat de
minister ‘de eisen die de behandeling van de forensische patiënt stelt…’ in zijn overwegingen
betrekt (art. 6.3 lid 1 onder b).
Dat artikel geeft echter geen duidelijkheid omtrent hoe de minister op de hoogte komt
van die eisen, en hoe vervolgens concreet wordt bereikt dat deze van invloed zijn op
de overplaatsingsbeslissing. Naar het oordeel van de Afdeling is samenspraak met de
geneesheer-directeur van de betreffende kliniek daarvoor de aangewezen weg en dient deze
in het Bfz te worden vastgelegd. De behandeldeskundige is immers, meer dan de minister
wiens expertise primair ligt op het vlak van veiligheid, bij uitstek geëquipeerd om een goed
geïntegreerde afweging te maken van de relevante aspecten rond de beslissing (diagnostiek,
behandelvoortgang en veiligheidsrisico’s). Als de overplaatsing duidelijker een gezamenlijke
beslissing wordt, heeft dat bovendien praktische voordelen. De patiënt kan bijvoorbeeld
beter op de overplaatsing worden voorbereid door de behandelaar. Ook in het geval dat de
geneesheer-directeur op behandelinhoudelijke gronden een patiënt wil overplaatsen, is het
met het oog op de kwaliteit van de verleende zorg van belang dat de minister dit niet zonder
motivatie kan weigeren.8 Gezien het belang van bedoelde samenspraak dient deze naar het
oordeel van de Afdeling te zijn gewaarborgd in het Bfz.
Aanbeveling:
-- Leg in het Bfz vast dat de minister voorafgaand aan zijn beslissing tot overplaatsing
    overlegt met de geneesheer-directeur. Dat kan bijvoorbeeld door onder artikel 6.3 lid 1
    onder b toe te voegen dat de minister, voorafgaand aan zijn beslissing, met de geneesheer-
    directeur overlegt over de behandelmogelijkheden voor de betreffende patiënt en de eisen
    die aan diens behandelplan moeten worden gesteld.
3.3 Bevoegdheden van de minister ten aanzien van verlof en ontslag van ‘artikel 2.3 Wfz
geplaatsten’
Artikel 2.3 Wfz biedt de rechter de mogelijkheid om voor justitiabelen een zorgmachtiging af
te geven krachtens de Wet verplichte ggz. De bepalingen ten aanzien van verlof en ontslag
voor deze ‘artikel 2.3 geplaatsten’ zijn vastgelegd in de artikelen 8.17 en 8.18 Wvggz.
Evenals hierboven gesteld ten aanzien van plaatsing en overplaatsing, valt op dat ook hier
eenzijdig de ministeriële bevoegdheid is vastgelegd ten aanzien van verlof (art. 8.17 lid 2 en
3 Wvggz) en ontslag (art. 8.18 lid 4 Wvggz). Bepalingen ten aanzien van samenspraak met
de behandeldeskundige ontbreken. Het Besluit verplichte ggz biedt evenmin uitwerking op dit
punt. Daarmee is naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende gewaarborgd dat de expertise
van de behandeldeskundige volwaardig wordt meegewogen in de beslissing van de minister en
zijn deze beslissingen onvoldoende met kwalitatieve waarborgen omkleed. Een ander gevolg
van de eenzijdige beslissingsbevoegdheid ten aanzien van verlof en ontslag is dat een door de
strafrechter afgegeven (civiele) zorgmachtiging het karakter krijgt van een strafmaatregel.9
Deze onevenwichtigheid ten aanzien van de beslissingsbevoegdheid inzake verlof en ontslag
stuit ook op veel kritiek van de beroepsbeoefenaren, hetgeen de samenwerking tussen
justitiële instanties en behandelaren - cruciaal voor het leveren van adequate forensische zorg
– niet zal bevorderen.10
De Afdeling acht het van belang dat het advies van de geneesheer-directeur volwaardig wordt
meegewogen in de beslissing van de minister en doet hierbij een aanbeveling om dit op het
niveau van het Bvggz te waarborgen.
8    Dit punt is eerder genoemd in het RSJ-advies 2015.
9    Kamerstukken I, 2017/18, 32 399 D / 31996, p.76. Op dit punt is tevens gewezen door de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie in de Position paper
     NVvP inzake Wet verplichte ggz, Wet zorg en dwang en Wet forensische zorg t.b.v. Deskundigenbijeenkomst gedwongen zorg 16 mei 2017.
10   Zie de Position paper NVvP inzake Wet verplichte ggz, Wet zorg en dwang en Wet forensische zorg t.b.v. Deskundigenbijeenkomst gedwongen zorg 16
     mei 2017.
                                                                  5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Aanbeveling:
-- Neem in het Bvggz een artikel op waarin wordt vastgelegd dat 1) de geneesheer-
     directeur zijn verzoek ex artikel 8.17 lid 2 en artikel 8.18 lid 4 Wvggz motiveert, waarbij
     alle relevante aspecten betreffende diagnostiek, behandelvoortgang en risico’s zijn
     geïntegreerd; 2) dit verzoek door de minister als een zwaarwegend advies wordt betrokken
     in zijn beslissing; 3) de minister, indien hij dit advies niet wil volgen, hiertoe gemotiveerd
     en na overleg met de geneesheer-directeur beslist.
3.4 De mogelijkheid tot het opleggen van een boete aan de zorgaanbieder
Op grond van de Wet forensische zorg kan de minister een boete opleggen aan de
zorgaanbieder als deze niet voldoet aan de verplichting tot opneming en het verlenen van de
geïndiceerde zorg en beveiliging (artikel 6.1 lid 4 Wfz). In artikel 6.6 van het Bfz is de hoogte
van de boete vastgesteld.
De Afdeling acht het ongewenst dat bij een verschil van inzicht inzake de kwaliteit van de
geleverde zorg eenzijdig door de minister wordt beslist, zonder inbreng van de geneesheer-
directeur. Op die manier is niet gewaarborgd dat bij verschil van mening tussen minister en
zorgverlener een goede weging plaatsvindt tussen de bevindingen van beide kanten. Het
belang van die weging raakt niet alleen de positie van de zorgverlener, maar ook de kwaliteit
van de forensische zorg. Een geschil tussen de minister en de behandelaar over de kwaliteit
van de geleverde zorg kan namelijk ook samenhangen met de verschillende professionele
kaders en de weging van behandel- en veiligheidsperspectief. Vanuit die optiek verdient het
aanbeveling om te onderzoeken op welke wijze kan worden gewaarborgd dat bij een dergelijk
verschil van inzicht wordt besloten op grond van een afgewogen oordeel. Op welke wijze
dit het beste geregeld kan worden – in een geschillenregeling of anderszins – valt buiten de
expertise van de Afdeling.
Aanbeveling:
-- Waarborg dat bij verschil van inzicht inzake de kwaliteit van de geleverde zorg de
     argumenten van de geneesheer-directeur worden meegewogen in de beslissing.
4. Informatie-uitwisseling en -beheer
4.1 Grote administratieve druk voor zorgverleners en zorginstellingen
De verplichtingen met betrekking tot het verstrekken van informatie (Hoofdstuk 2 Bfz)
leiden voor de zorgaanbieders tot een cumulatie van aan te leveren gegevens: aan
het OM en de reclassering met betrekking tot behandeltrouw in geval van toezicht op
naleving van voorwaarden (art. 2.3 Bfz), gegevens ten behoeve van wetenschappelijk of
historisch onderzoek of statistische doeleinden (art. 2.6 Bfz) en gegevens ten behoeve
van beleidsontwikkeling (art. 2.7 Bfz). Opvallend is het ongelimiteerde karakter van
de gegevensverstrekking die de minister kan eisen met betrekking tot onderzoek en
beleidsevaluatie (art. 2.6 en 2.7 Bfz). Deze informatie is omvangrijk en ongedefinieerd,
waarbij toezicht op de doelbinding ontbreekt. Bovendien kan de minister eenzijdig (via
contractvorming, art. 4.1 lid 3 onder e Bfz) de informatieverplichting vormgeven en uitbreiden.
Het risico dat de minister hiermee de zorginstellingen kan overvragen, wordt versterkt door het
feit dat de zorginstelling op grond van artikel 2.7 lid 2 Bfz verplicht is de gevraagde gegevens
kosteloos te verstrekken. Duidelijke doelbinding en het invoeren van een financiële vergoeding
voor de aangeleverde gegevens ten aanzien van beleidsontwikkeling zouden het risico op
overvragen van de zorgverlener kunnen verkleinen.
Ook de gegevens die op grond van artikel 4.1, lid 2 onder g Bfz dienen te worden verstrekt
(controle op naleving van de overeengekomen zorg en de juistheid van de gedeclareerde
bedragen) lijken erg omvangrijk. In combinatie met de mogelijkheid voor de minister om
nadere regels te stellen over de overeenkomsten (art. 4.1 lid 4 Bfz), kan de hoeveelheid te
verstrekken informatie nog verder worden uitgebreid.
Met het oog op de uitvoerbaarheid zijn zorgaanbieders gebaat bij stroomlijning in het proces
van gegevensverstrekking. Waar mogelijk zou voorkomen moeten worden dat dezelfde
informatie meermaals moet worden ingediend, ten behoeve van verschillende vragen of
systemen. De vraag is echter in hoeverre dit realiseerbaar is, gezien de verschillende doelen
waarvoor informatie gevraagd kan worden (persoonsgebonden informatie voor het OM-register,
geanonimiseerde informatie ten behoeve van onderzoek of beleidsontwikkeling). Voor deze
doelen gelden verschillende vereisten met betrekking tot de gegevensverwerking en privacy,
wat het ontwerp van een geïntegreerd systeem met voor ieder doel de passende autorisaties
                                              6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>en privacywaarborgen, buitengewoon complex maakt.11 Vooralsnog voorziet de Afdeling dus
een forse administratieve belasting voor de zorgverleners.
Aanbevelingen:
-- Bepaal in overleg met het veld welke informatie verstrekt dient te worden;
-- Beperk de administratieve belasting waar mogelijk door efficiënte digitale systemen;
-- Overweeg een vergoeding voor de zorginstellingen in te voeren met betrekking tot het
    leveren van omvangrijke gegevens ten aanzien van beleidsontwikkeling.
4.2 Opmerking bij de informatieverstrekking ten behoeve van beleidsevaluatie (artikel 2.7 Bfz)
Een andere overweging betreft de aard van de gegevens die de minister kan opvragen ten
behoeve van de beoordeling van het beleid (art. 2.7 Bfz). Dat de minister gegevens nodig
heeft om de effectiviteit van het beleid te toetsen spreekt voor zich. Niet duidelijk is echter
waarom is bepaald (art. 2.7 lid 3 Bfz) dat dit persoonsgegevens kunnen zijn, ‘inclusief
het burgerservicenummer’. Voor het melden van incidenten (in welk geval het doorgeven
van persoonsgegevens aan de minister uiteraard van belang is) bestaan namelijk aparte
regelingen.12 In de formulering van artikel 2.7 lid 3 mist de Afdeling afwegingen met betrekking
tot proportionaliteit en doelbinding van de gegevensverstrekking. Verwarrend is bovendien dat
vervolgens in lid 4 van het zelfde artikel wordt gesteld dat de gegevens niet worden verwerkt
voor andere doeleinden dan de in lid 1 genoemde beoordeling van het beleid, en waar mogelijk
worden verwerkt ‘op een wijze die waarborgt dat ze niet tot een persoon herleidbaar zijn.’
Aanbeveling:
-- Schrap de tekst onder artikel 2.7 lid 3. En in geval de wetgever bedoelt dat
    persoonsgegevens zoals omschreven in dat artikel verstrekt moeten kunnen worden
    ten behoeve van beleidsdoelen, dient deze keuze duidelijk te worden gemotiveerd met
    inachtneming van de wet- en regelgeving inzake de gegevensbescherming.
4.3 Registratie van gegevens bij OM – opmerkingen met betrekking tot begrenzing
De mogelijkheid van uitwisseling van geneeskundige en behandelgegevens is noodzakelijk
in verband met een goede aansluiting tussen de justitiële instanties en de ggz. Om hierin te
voorzien is een centrale rol inzake opslag en beheer van betreffende gegevens belegd bij het
OM (art. 8.23 Wvggz).
Dat heeft onder andere tot gevolg dat alle gegevens betreffende gedwongen zorg
(geneeskundige verklaringen, zorgmachtigingen, crisismaatregelen) bij het OM komen te
liggen. Dat betekent dat ook van patiënten zonder justitiële titel veel zorg-gerelateerde
gegevens bij het OM liggen.
Deze situatie is niet nieuw. Informatieverstrekking aan en beheer door het OM vindt ook nu al
plaats, maar is met de nieuwe wet- en regelgeving uitgebreid, onder andere wat betreft het
verstrekken van geneeskundige gegevens die onder het medisch beroepsgeheim vallen.
In lijn met hetgeen hierover is gezegd in het advies uit 2015 acht de Afdeling het positief
dat relevante informatie beschikbaar is bij het OM.13 Op grond daarvan kan het OM een
verantwoorde afweging maken met betrekking tot enerzijds de veiligheid van samenleving
en slachtoffer en anderzijds de individuele zorgbehoefte van de verdachte of veroordeelde.
Als in de fase van de strafoplegging (of daaraan voorafgaand) een duidelijk beeld bestaat van
een eventuele zorgbehoefte, kan zo nodig gebruik worden gemaakt van een ggz-afdoening
(het principe ‘ggz-tenzij’). Met het oog op een zorgvuldige toepassing acht de Afdeling het
echter van belang dat het gebruik van de gegevens over gedwongen zorg beperkt blijft tot
de onderbouwing van de beslissing van het OM in de betreffende zaak en niet wordt gebruikt
in het kader van het onderzoek in andere strafzaken en adviseert om deze begrenzing te
expliciteren in het Bvggz.
Aanbeveling:
-- Leg in het Bvggz vast dat de informatie in het OM-register met betrekking tot gedwongen
    zorg uitsluitend wordt gebruikt voor de onderbouwing van de beslissing van het OM in de
    betreffende zaak.
11   Dat experts twijfelen aan de mogelijkheid om zo’n systeem te realiseren is reeds eerder opgemerkt, in het kader van de behandeling van de wetsvoor-
     stellen (Kamerstukken I, 2016/17, 313996 B / 32399, Verslag deskundigenbijeenkomst 14 juni 2017, p.27).
12   O.a. de Regeling melding ongeoorloofde afwezigheid, met een wettelijke grondslag in artikel 7a, lid 2 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking
     gestelden.
13   RSJ-advies Reactie op adviesaanvraag tweede nota van wijziging bij de Wet verplichte ggz, p. 4, RSJ 19 november 2015.
                                                                  7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>Omgekeerd vraagt de Afdeling zich ten aanzien van de informatieverstrekking aan de
reclassering af of voldoende gewaarborgd is dat de reclassering in alle gevallen beschikt
over de voor toezicht en begeleiding relevante informatie, met name in het geval van zware
strafzaken of complexe psychische problematiek.
In artikel 2.2 lid 2 van het Bfz staan de gegevens omschreven die het OM kan verstrekken
(indien noodzakelijk) ten behoeve van de begeleiding en het toezicht op de forensische zorg.
Deze gegevens zijn of kunnen afkomstig zijn uit:
a. het proces-verbaal;
b. het advies van het openbaar ministerie;
c. het reclasseringsadvies;
d. overwegingen van de rechter inzake de tenuitvoerlegging;
e. (een extract van) de strafbeslissing;
f. de Pro Justitia rapportage.
Blijkens de toelichting is het uitgangspunt dat alleen die informatie wordt overgedragen die
strikt noodzakelijk is voor een effectieve uitoefening van het toezicht en de begeleiding door
de reclassering. Daarmee is voor de Afdeling onvoldoende duidelijk dat met name in complexe
en/of ernstige strafzaken, of wanneer sprake is van complexe psychische problematiek bij
de verdachte of veroordeelde, de reclassering beschikt over alle benodigde informatie. Om
de controle op en begeleiding van de verdachten of veroordeelden in deze gevallen goed
te kunnen uitvoeren, dienen de medewerkers die hiervoor verantwoordelijk zijn te kunnen
beschikken over alle daarvoor relevante informatie. De verstrekte gegevens dienen uiteraard
strikt vertrouwelijk te worden behandeld.
Aanbeveling:
-- Leg in het Bfz vast dat, wanneer sprake is van een complexe en/of ernstige strafzaak of
    wanneer sprake is van complexe psychische problematiek, de reclassering kan beschikken
    over alle gegevens uit het dossier die relevant zijn voor de effectieve uitoefening van het
    toezicht en de begeleiding.
4.4 Inzagerecht van de patiënt in gegevens die over hem zijn opgenomen in het OM-register
Niet geregeld is dat de patiënt recht heeft op inzage in de gegevens die over hem bewaard
worden in het OM-register ex artikel 8.23 Wvggz.
De Afdeling is van mening dat de patiënt de mogelijkheid moet hebben kennis te nemen
van wat er over hem/haar is vastgelegd in dit OM-register en tevens over de periode dat die
gegevens bewaard blijven. Daarbij acht de Afdeling het van belang dat de burger het recht
heeft een eigen visie te kunnen toevoegen aan het dossier. In het voorliggende Bvggz is op
beide punten niets geregeld.
Aanbeveling:
-- Leg in het Bvggz vast dat de patiënt met betrekking tot hetgeen op grond van artikel 8.23
    Wvggz over hem is opgenomen in het OM-register:
     • Inzage heeft in wat er over hem is vastgelegd;
     • Duidelijkheid heeft over de bewaartermijn van deze gegevens;
     • Recht heeft op het toevoegen van een eigen visie.
4.5 Privacybescherming en beroepsgeheim
Het spreekt voor zich dat met betrekking tot de forensische zorg samenwerking tussen justitie
en de behandelaars noodzakelijk is, en dat het verstrekken van bepaalde geneeskundige
en behandelgegevens daarvan onderdeel uitmaakt. Om een wettelijke grondslag te creëren
voor het aanleveren van deze gegevens door behandelaars, wordt in artikel 2.3 van het Bfz
geregeld dat de behandelaar verplicht is deze informatie te verstrekken.
De Afdeling onderschrijft het belang van bedoelde gegevensuitwisseling, maar plaatst enkele
kanttekeningen bij de verplichting tot verstrekking op basis van artikel 2.3 Bfz.
a) Belang van het medisch beroepsgeheim versus het nut van informatie-uitwisseling
In de verplichting tot informatieverstrekking op basis van artikel 2.3 Bfz blijft het belang van
het medisch beroepsgeheim onderbelicht, waardoor een zorgvuldige afweging ontbreekt tussen
de noodzaak van gegevensuitwisseling en het geneeskundig perspectief. Dit kan nadelige
gevolgen hebben voor de behandelrelatie en in het algemeen voor de toegang tot de zorg,
namelijk als de vertrouwelijkheid tussen arts en patiënt niet meer gewaarborgd is. Dat kan
                                           8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>patiënten ervan weerhouden hun klachten in openheid te bespreken met de behandelaar, wat de
kwaliteit van de behandeling (en daarmee de effectiviteit van de forensische zorg) niet ten goede
komt.
De Afdeling acht het een belangrijk uitgangspunt dat het aan de professional is om, waar
doorbreken van het beroepsgeheim aan de orde is, in het individuele geval een afweging te
kunnen maken betreffende de noodzaak van het verstrekken van de informatie. Daarbij moet
worden opgemerkt dat het verschoningsrecht de arts deze mogelijkheid reeds biedt.
Bij het verstrekken van geneeskundige informatie door de behandelaar zijn de uitgangspunten
dat de informatieverstrekking primair ten dienste staat van de hulpverlening, doelgericht is en
proportioneel.
De Afdeling wijst erop dat in het veld al modellen voor informatie-uitwisseling met behandelaars
worden gebruikt die meer dan de in het Bfz geformuleerde verplichting recht doen aan zowel
de vertrouwelijkheid van geneeskundige gegevens als de noodzaak tot informatieverstrekking
binnen de forensische zorg. Een voorbeeld hiervan vormt het zgn. driegesprek-model (zoals
gebruikt door Ggz-Nederland) voor gesprekken tussen forensisch behandelaren, reclassering en
patiënt. Dit model heeft als behandelinhoudelijk voordeel dat de justitiabele duidelijkheid krijgt
over de informatie die over hem wordt verstrekt, bijvoorbeeld aan de reclassering.
Aanbeveling:
-- Onderzoek in overleg met de behandelinstellingen hoe het verstrekken van informatie door
    behandelaars zo kan worden vormgegeven dat recht wordt gedaan aan de professionele
    verantwoordelijkheden van de behandelaar.
b) Aandacht voor privacybescherming van geneeskundige gegevens binnen de keten
Blijkens de nota van toelichting bij het Besluit forensische zorg zijn de bepalingen over
gegevensverstrekking afgestemd met de wet- en regelgeving met betrekking tot bescherming
van persoonsgegevens (zie Bfz, n.v.t. hoofdstuk 2).
Met betrekking tot de informatie over motivatie en behandeltrouw die op grond van artikel
2.3 Bfz wordt verstrekt aan de reclassering, is voor de Afdeling niet duidelijk dat de privacy
voldoende is gewaarborgd. Deze informatie, betreffende in hoeverre de patiënt zich aan de
behandeling houdt en of hij voor de behandeling nadelig gedrag vertoont, geldt namelijk
binnen de psychiatrie als geneeskundige informatie waarop het medisch beroepsgeheim en het
verschoningsrecht van toepassing zijn.
Tevens valt op dat in het Bfz niet wordt uitgewerkt hoe de privacy is gewaarborgd nadat deze
is verstrekt aan de reclassering. De Afdeling acht het van belang dit wel te doen, aangezien
de reclassering deze informatie (of delen daarvan) in het kader van zijn toezichthoudende
en begeleidende taak kan doorgeven aan een van de deelnemende organisaties in het
Veiligheidshuis, waarna deze kan worden doorgegeven aan gemeentelijke instanties. Voor zover
het geneeskundige gegevens betreft die vallen onder het beroepsgeheim, dient in alle fasen van
de informatie-uitwisseling de privacy duidelijk te zijn gewaarborgd.
Hiervoor bestaat aandacht binnen de keten.14 Dat laat echter onverlet dat, naar het oordeel
van de Afdeling, de privacywaarborgen met betrekking tot de uitwisseling van geneeskundige
gegevens binnen de keten in de wet- en regelgeving vastgelegd dient te worden. De nieuwe
Kaderwet gegevensuitwisseling in samenwerkingsverbanden kan daartoe mogelijk de wettelijke
grondslag bieden.15
Aanbeveling:
-- Leg in de wet- en regelgeving vast dat de privacy van geneeskundige gegevens is
    gewaarborgd met betrekking tot alle fasen van gegevensuitwisseling binnen de keten.
4.6 Opmerkingen met betrekking tot bewaartermijn van gegevens
a) Bewaartermijn van medische gegevens in Reglement verpleging ter beschikking gestelden
(Rvt)
In artikel 7.3 onder C Bfz is een wijziging van artikel 32 lid 2 Rvt vastgelegd. Deze wijziging
houdt in dat het verpleegdedossier tien jaar na beëindiging van de tbs niet langer wordt
vernietigd, maar wordt overgebracht naar de Algemene archiefbewaarplaats. Het verdient
aanbeveling om bij deze wijziging op te nemen dat het OM dit dossier kan opvragen, zo nodig
14   Zie de handleiding die is opgesteld ten behoeve van gegevensverwerking door de Veiligheidshuizen: Gegevensuitwisseling in het zorg- en veiligheidsdo-
     mein, een handvat voor Veiligheidshuizen, juli 2017).
15   Een voorstel van wet wordt naar verwachting in het voorjaar van 2018 bij de Tweede Kamer ingediend.
                                                                  9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>met een machtiging van de rechter-commissaris, in het geval de ter beschikking gestelde
recidiveert en weigert zijn medewerking te verlenen aan een nieuw onderzoek naar zijn
geestvermogens.
Aanbeveling:
-- Neem deze toevoeging van het gewijzigde artikel 32 lid 2 van het Rvt op in artikel 7.3
    onder C van het Bfz.
b) Bewaartermijn persoonsgegevens
In het Besluit zijn in hoofdstuk 7 wel bepalingen opgenomen ten aanzien van de
bewaartermijn van de verpleegdedossiers (zoals de in bovenstaande alinea genoemde),
maar niet over de bewaartermijn van persoonsgegevens. Gezien de omvangrijke hoeveelheid
informatie die kan worden bewaard en verstrekt valt te overwegen om ook hier bepalingen
te stellen omtrent het bewaren, bijvoorbeeld een korte bewaartermijn voor de informatie die
ten behoeve van individuele beslissingen is vergaard en eventueel een langere periode ten
behoeve van beleid of wetenschappelijk onderzoek.
4.7 Verhouding tot wet- en regelgeving inzake gegevensbescherming
In de nota van toelichting (hst. 2) bij het Bfz wordt aangegeven hoe de informatieverstrekking
is afgestemd met de wet- en regelgeving inzake gegevensbescherming: de Algemene
Verordening Gegevensbescherming (AVG), de Uitvoeringswet AVG en de Richtlijn opsporing en
vervolging.16
Blijkens de toelichting gaat de wetgever ervan uit dat de AVG van toepassing is. Uit de
memorie van toelichting bij de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming
(UAVG) komt echter naar voren dat voor de verwerking van persoonsgegevens door de
Minister voor Rechtsbescherming of de Minister van Justitie en Veiligheid of het College van
procureurs-generaal ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen
en maatregelen en andere strafrechtelijke sancties de Richtlijn opsporing en vervolging van
toepassing is. Buiten de reikwijdte van de richtlijn valt de verwerking van persoonsgegevens
door deze instanties voor andere doeleinden, zoals bestuurlijke, bestuursrechtelijke of
privaatrechtelijke doelen.17
Daaruit valt op te maken dat voor de toepasselijkheid van de AVG of Richtlijn opsporing
en vervolging niet zozeer de strafrechtelijke titel bepalend is, maar het doel waarvoor de
verwerking van persoonsgegevens plaatsvindt. Voor de gegevensverwerking in het kader van
de verlening van forensische zorg is gekozen dat deze onder de AVG valt (deze keuze wordt
niet gemotiveerd) en alle andere gegevensverwerkingen in het kader van de tenuitvoerlegging
straf of maatregel onder de Richtlijn opsporing en vervolging. Concreet betekent dit dat voor
een tbs-gestelde het verpleegdedossier (dat informatie bevat over o.a. incidenten, veiligheid
en ongeoorloofde afwezigheid) onder de Richtlijn opsporing en vervolging valt, en gegevens
met betrekking tot de (inhoud van de) forensische zorg onder de AVG.
Deze splitsing is opmerkelijk en maakt de verantwoording met betrekking tot de bescherming
van persoonsgegevens lastig te doorgronden. Verduidelijking van de verhouding van het Bfz
tot dit wettelijk kader is dan ook wenselijk.
Verduidelijking is ook gewenst met betrekking tot de dossiervorming van het
verpleegdedossier. Een mogelijkheid is dat er een splitsing wordt gemaakt tussen forensische
zorg (die onder de AVG valt) en de overige (rechtspositionele) aspecten in de Bvt en Rvt (die
vallen onder de Richtlijn opsporing en vervolging). Het verpleegdedossier blijft bijvoorbeeld
onder de reikwijdte van de Bvt (art 19) en Rvt (hoofdstuk 9) en het inzagerecht van de
verpleegde in het verpleegdedossier kan worden beperkt op grond van artikel 20 Bvt.
Aanbeveling:
-- Verduidelijk in het Bfz welk wettelijk kader geldend is inzake de bescherming van
    persoonsgegevens en het verpleegdedossier.
16   De Richtlijn opsporing en vervolging heet voluit de ‘Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de
     bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorko-
     ming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die
     gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (PbEU 2016, L119)’.
17   Kamerstukken II, 2017/18, 34 851, nr. 3, p. 16 (memorie van toelichting UAVG)
                                                                     10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>5. Overige rechtspositionele aspecten
5.1 Verduidelijking rechtsposities forensische patiënten
In de forensische zorg verblijven patiënten op verschillende titels in verschillende soorten
instellingen. Dat impliceert dat er sprake is van verschillen in interne en externe rechtspositie.
Hierover biedt het Bfz onvoldoende duidelijkheid.
Eerder heeft de RSJ, in het advies over de wetsvoorstellen Wvggz en de Wfz, al uitvoerig
gewezen op onduidelijkheden omtrent de interne en externe rechtspositie en de noodzaak tot
verheldering op dit punt.18 Vooral met het oog op de hanteerbaarheid voor de uitvoering achtte
de RSJ het noodzakelijk ‘dat er een compleet overzicht komt waarin is opgenomen wie op welke
titel waar kan verblijven en wat de consequenties zijn voor de toepasselijke regels omtrent de
externe en de interne rechtspositie.’ Een dergelijk overzicht is niet opgenomen in de inmiddels
aangenomen Wet forensische zorg en ontbreekt eveneens in het bijbehorende Besluit. De
Afdeling acht het opnemen daarvan echter onverminderd noodzakelijk en herhaalt daarmee het
advies uit 2015.
Aanbeveling:
-- Neem in het Bfz een compleet overzicht op van wie op welke titel waar kan verblijven en
     wat de consequenties zijn voor de toepasselijke regels omtrent de externe en de interne
     rechtspositie, evenals van de klachtmogelijkheden.
5.2 Opmerking bij artikel 3.6 Bfz, betreffende de aan het hoofd van de instelling voorbehouden
beslissingen
In de artikelen 3.4 t/m 3.6 is vastgelegd dat enkele bepalingen zijn overgeheveld vanuit
de Beginselenwet verpleging terbeschikkinggestelden (Bvt) en het Reglement verpleging
terbeschikkinggestelden (Rvt). Met betrekking tot de aan het hoofd van de instelling
voorbehouden beslissingen (art. 3.6 Bfz) geeft de Afdeling het volgende in overweging:
De aan het hoofd van de instelling voorbehouden beslissingen die in het voorliggende Bfz zijn
opgenomen in artikel 3.6 staan tot op heden vermeld in artikel 7 van de Bvt. Het betreffende
hoofdstuk van de Bvt over bestemming en beheer is echter door de Wfz vervallen verklaard (art.
7.7 onder C Wfz). Opmerkelijk is dat alle artikelen betreffende bestemming en beheer uit de Bvt
zijn overgeheveld naar de Wfz, met uitzondering van artikel 7, dat nu is overgeheveld naar het
Besluit (art. 3.6 Bfz). Daarmee zijn de bepalingen omtrent de aan het hoofd van de instelling
voorbehouden beslissingen, anders dan alle overige bepalingen over bestemming en beheer,
niet op wettelijk niveau geregeld. De Afdeling acht dit niet consequent en niet wenselijk: ook de
beslissingen van de directeur dienen op wettelijk niveau te zijn geregeld, dus ofwel in de Wfz
ofwel in de Bvt. Opnemen in de Bvt zou vanuit het oogpunt van overzichtelijkheid de voorkeur
hebben omdat daarin alle directeursbeslissingen zijn opgenomen. Mocht de wetgever daar niet
voor willen kiezen, dan bepleit de Afdeling om deze bepaling op te nemen in de Wfz. Daarbij
kan worden opgemerkt dat ook de door de minister te nemen beslissingen betreffende (over)
plaatsing van tbs-gestelden, de huidige artikelen 11 t/m 15 Bvt, zijn overgeheveld naar de Wfz,
terecht op wetsniveau dus.
Aanbeveling:
-- Schrap het voorliggende artikel 3.6 betreffende de aan het hoofd van de instelling
     voorbehouden beslissingen uit het Bfz en regel deze bepaling op wettelijk niveau, bij voorkeur
     in de Bvt en anders in de Wfz.
5.3 Opmerking bij artikel 6.4 Bfz, betreffende de bevoegdheden van de minister met betrekking
tot plaatsing in een tbs-instelling
In artikel 6.4 Bfz is vastgelegd dat de minister het verblijf in de instelling o.g.v. artikel 13 of 19
WvSr kan beëindigen en kan bepalen dat vervroegde plaatsing in een tbs-instelling plaatsvindt.
Hiermee zijn de huidige artikelen 41 t/m 44 Pm overgenomen in het Bfz, maar niet artikel
44a Pm waarin de beroepsmogelijkheid tegen beslissingen van de minister tot plaatsing of
beëindiging van die plaatsing op grond van de Bvt is opgenomen. Dat heeft weliswaar geen
direct rechtspositioneel gevolg omdat de beroepsmogelijkheid in artikel 13, 4e lid, WvSr staat
opgenomen (en deze blijft ongewijzigd), maar dit vraagt wel om toelichting. Onduidelijk is
namelijk wat de reden is dat artikel 44a Pm niet is overgenomen. Is deze gelegen in het feit dat
de beroepsmogelijkheid is opgenomen in artikel 13, 4e lid, Sr? Als dat niet is bedoeld, dan acht
18    RSJ-advies Reactie op adviesaanvraag tweede nota van wijziging bij de Wet verplichte ggz, 19 november 2015, zie par. 2.3 en 2.4.
                                                                 11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>de Afdeling het wenselijk om de beroepsmogelijkheid alsnog op te nemen in het Bfz en aan te
geven dat deze beroepsmogelijkheid ook ziet op beslissingen van de minister op een verzoek
van een gedetineerde om eerdere plaatsing in een tbs-instelling.
5.4 Tijdstip van start behandeling
Artikel 6.4 van het Besluit forensische zorg, waarin de bevoegdheden van de minister ten
aanzien van het tijdstip van plaatsing in de tbs-instelling zijn vastgelegd, herbevestigt het
beleid om als norm bij combinatiestraffen het gehele gevangenisdeel af te ronden alvorens
behandeling in een FPC kan aanvangen.
Vanuit het oogpunt van behandeleffectiviteit is een lange detentieperiode voorafgaand aan de
start van de behandeling ongunstig. Een punt van zorg vormt in dit verband het voornemen
van het huidige kabinet om de voorwaardelijke invrijheidstelling (nu na 2/3 van de straf) voor
straffen van zes jaar of meer te beperken tot de laatste twee jaar van de gevangenisstraf. Voor
tbs-gestelden met een gevangenisstraf van meer dan zes jaar betekent dat een nog langere
detentieperiode voorafgaande aan de behandeling. De Afdeling acht dit onwenselijk vanuit het
oogpunt van behandeleffectiviteit en geeft in dat verband het volgende ter overweging:
-- Houd, ongeacht de aangekondigde verlenging van de vi-termijn, voor tbs-gestelden in
    principe vast aan overplaatsing naar de tbs-inrichting na 2/3 deel van de straf;
-- Geef de strafrechter meer ruimte om zich bij tbs-opleggingen uit te spreken over de
    wenselijkheid van een eventueel eerdere start van de tbs-behandeling (dit betekent een
    versterking van de inbreng van de strafrechter ten opzichte van zijn adviserende inbreng
    op grond van artikel 6.4 lid 3 onder c Bfz, dat de strafrechter de mogelijkheid biedt om te
    adviseren over een eerdere plaatsing in een tbs-kliniek).
Namens de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming,
mr. L.A.J.M. de Wit, algemeen voorzitter
                                          12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>