<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Advies Conceptwetsvoorstellen Wetboek van
     Strafvordering Boek 3 t/m Boek 6
                              Den Haag, 15 juni 2018
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Inhoud
Samenvatting..................................................................................... blz.       3
1. Inleiding......................................................................................... blz.   4
2. Beoordelingskader........................................................................... blz.         5
3. Jongeren........................................................................................ blz.     7
   3.1 Vooraf....................................................................................... blz.    7
   3.2 Aanbevelingen........................................................................... blz.         7
   3.2.1 Algemeen............................................................................... blz.        7
   3.2.2 Opsporing en vervolging............................................................blz.            10
   3.2.3 Berechting...............................................................................blz.      12
4. Kwetsbare personen..........................................................................blz. 15
   4.1 Vooraf........................................................................................blz. 15
   4.2 Aanbevelingen............................................................................blz. 15
5. Tot slot............................................................................................blz. 18
Bijlage: redactionele opmerkingen over de memorie van toelichting en de
         conceptwetsteksten...................................................................blz. 19
               Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
                                                       2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Samenvatting
In dit advies gaat de Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing
en Jeugdbescherming (hierna: de Afdeling) in op de conceptwetsvoorstellen van de
Boeken 3 t/m 6 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering.1 Zij focust daarbij op de
rechtspositie van jeugdigen en jongvolwassenen (verder: jongeren) en personen met
een psychische stoornis, een verstandelijke dan wel fysieke beperking of een ziekte
(verder: kwetsbare personen).
De voorstellen worden beoordeeld aan de hand van het recht op een eerlijk strafproces
en - voor jongeren - de pedagogische doelstelling van het jeugdstrafrecht en het recht
op psychologische/emotionele bescherming.
Jongeren
De Afdeling is positief over de wettelijke versteviging van de rol voor de ouders of
voogd in het strafproces, het voornemen de (audiovisuele) registratie van verhoren
van minderjarigen van een wettelijke grondslag te voorzien, de beoogde rechtsbijstand
aan 12-minners indien dwangmiddelen aan de orde zijn en de versterking van de
procedurele rechten aan jongvolwassen verdachten en hun ouders.
Er worden aanbevelingen gedaan die betrekking hebben op het waarmaken
van de pedagogische doelstelling van het jeugdstrafrecht (zoals het opnemen
van een bepaling waarin de wetgever aangeeft wat hij onder de pedagogische
doelstelling verstaat, het beter onder de aandacht brengen van herstelrecht in de
memorie van toelichting en het voorzien in een wettelijke verankering voor het
stellen van kwaliteitseisen voor functionarissen binnen politie, OM en ZM die ten
aanzien van jongeren beslissingen nemen of handelingen uitvoeren), een eerlijk
strafproces (bijvoorbeeld: de verhoging van de minimumleeftijd voor de rechtelijke
aansprakelijkheid, het recht op een advocaat bij elk mogelijke strafoplegging of
strafdoening en het uitsluiten van de verplichting van de jongere om aanwezig te
zijn bij de rechtelijke uitspraak) en de versterking van het recht op psychologische/
emotionele bescherming (bijvoorbeeld: geven van meer helderheid over de rol van
de ouder en voogd, het mogelijk maken van het afnemen van politieverhoren in een
kindvriendelijke omgeving).
Kwetsbare personen
De Afdeling onderschrijft het streven van de wetgever ervoor te zorgen dat een
verdachte in strafvorderlijke zin geen nadeel ondervindt van zijn psychische stoornis,
verstandelijke of fysieke beperking. Haar aanbevelingen zien op een duurzamere
beschrijving van de doelgroep, een betere herkenning van kwetsbare personen
(bijvoorbeeld: opname in het Wetboek van Strafvordering van de verplichting van de
overheid de mogelijke kwetsbaarheid onverwijld vast te stellen) en op de versterking
van de processuele positie van kwetsbare personen (bijvoorbeeld: het gebruik
van heldere criteria die de officier van justitie moet hanteren bij de keuze tussen
strafrechtelijke vervolging of behandeling/zorg).
   1   De Afdeling gaat hiermee in op het verzoek dd. 30 november 2017 (kenmerk brief : 2163421) van het ministerie van Justitie en Veiligheid
      aan de RSJ.
                  Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
                                                             3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>1. Inleiding
In dit advies gaat de Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing
en Jeugdbescherming (hierna: de Afdeling) in op de conceptwetsvoorstellen van de
Boeken 3 t/m 6 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering.
De Afdeling focust daarbij op de rechtspositie van jeugdigen en jongvolwassenen
(verder: jongeren) en personen met een psychische stoornis, een verstandelijke
dan wel fysieke beperking of een ziekte (verder: kwetsbare personen).
Het advies is als volgt opgebouwd: allereerst wordt ingegaan op het
beoordelingskader voor dit advies (paragraaf 2). Daarna worden opmerkingen
gemaakt met betrekking tot respectievelijk jongeren (paragraaf 3) en kwetsbare
personen (paragraaf 4). In de bijlage wordt een aantal redactionele opmerkingen
gemaakt.
             Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
                                                     4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>2. Beoordelingskader
De voorstellen worden beoordeeld aan de hand van drie uitgangspunten:
(1) Een eerlijk strafproces: op grond van artikel 6 EVRM heeft ieder mens het
recht op een eerlijk strafproces. Daarnaast gelden voor minderjarigen specifiek
de artikelen 37 en 40 IVRK, waarin waarborgen voor een eerlijk proces zijn
neergelegd. Effectieve participatie aan het strafproces veronderstelt een minimaal
begrip van de gang van zaken gedurende het strafproces, van de consequenties van
keuzes die in dit verband gemaakt kunnen worden en van de sanctie die mogelijk
wordt opgelegd. De verdachte moet in staat zijn om zijn of haar versie van de
gebeurtenissen te vertellen en aan te geven wanneer hij of zij het oneens is met de
tenlastelegging.2 De meeste jongeren hebben dit begrip en vermogen (nog) niet.
Er dienen daarom voldoende rechtswaarborgen te zijn waardoor jongeren, los van
hun ontwikkelingsniveau, toch op een effectieve manier aan het strafproces kunnen
deelnemen.3
Ook kwetsbare personen kunnen onvoldoende in staat zijn om op een effectieve
manier in het strafproces te participeren. In dit verband is, naast artikel 6 EVRM,
van belang de EU-aanbeveling betreffende procedurele waarborgen voor kwetsbare
personen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure.4 Tevens is van
belang het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.5 Artikel 13
van dit verdrag vereist dat personen met een handicap op voet van gelijkheid met
anderen toegang tot een rechtelijke instantie moeten hebben. Daarbij moeten zij
procedurele en leeftijdsconforme voorzieningen krijgen om een effectieve rol te
kunnen bewerkstelligen.
Voor jongeren gelden naast het recht op een eerlijk strafproces de volgende twee
uitgangspunten:
(2) De pedagogische doelstelling van het jeugdstrafrecht: beslissingen en
handelingen ten aanzien van de jongere dienen gericht te zijn op het stimuleren
van diens ontwikkeling, (her)opvoeding en resocialisatie om hem of haar op een
goede toekomst voor te bereiden en te weerhouden van een verdere criminele
carrière.6 Dit betekent bijvoorbeeld dat ernaar gestreefd wordt om strafrechtelijke
vervolging zo veel mogelijk te voorkomen (door preventie en alternatieve vormen
van afdoening) en dat, indien niet anders mogelijk, strafrechtelijke interventies zo
veel mogelijk gericht zijn op (her)opvoeding en herstel.
(3) De bescherming van de jongere: jongeren zijn psychologisch en emotioneel
kwetsbaarder dan volwassenen. Daarom hebben jongeren het recht op emotionele
   2   EHRM 8 januari 2008, nr. 30443/03, par. 2 onder a (Liebreich/Germany) en EHRM 9 februari 2010, nr. 3038/03, par. 3 onder b (Pyl-
      nev/Russia).
   3   Artikel 40 lid 1 en lid 3 IVRK en artikel 40 lid 2 IVRK.
   4   Aanbeveling van de Europese Commissie van 27 november 2013 (2013/C 378/02).
   5  Trb. 2007/169: Convention on the rights of persons with disabilities, New York, 13 december 2006. Door Nederland op 30 maart
      2007 ondertekend en begin 2016 met algemene stemmen door de Tweede Kamer aangenomen.
   6  Zie bijvoorbeeld artikelen 3, 6 en 40 lid 1 van het IVRK.
                    Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
                                                                5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>en psychische ondersteuning en bescherming.7 Daarnaast dient de privacy van
de jongere beschermd te worden.8 Dat betekent onder meer dat de overheid de
plicht heeft mogelijke schade bij de jongere, veroorzaakt door publiciteit over het
strafproces, alsmede stigmatisering die deze publiciteit met zich kan meebrengen,
te voorkomen. Deze rechten en plichten strekken zich uit over alle fasen van het
strafproces.
Naast deze uitgangspunten betrekt de Afdeling eerdere relevante adviezen die
door de Afdeling advisering van de RSJ zijn uitgebracht bij de beoordeling van de
voorstellen.
   7  Artikel 40 (2) (b) (iii) EVRM.
   8  Artikel 16 EVRM. Zie ook General Comment 10: “Childrens rights in juvenile justice” (2007), aanbeveling 231: http://www2.ohchr.
      org/english/bodies/crc/docs/CRC.C.GC.10.pdf.
                  Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
                                                           6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>3. Jongeren
3.1 Vooraf
De Afdeling is positief over een viertal zaken dat in het nieuwe Wetboek van
Strafvordering wordt geregeld. In de eerste plaats is de Afdeling positief over
de wettelijk versteviging van de rol voor de ouders of voogd in het strafproces,
gezien de pedagogische doelstelling en de bescherming van de jongeren.
Ten tweede ondersteunt de Afdeling – gelet op een eerlijk strafproces – het
voornemen de (audiovisuele) registratie van verhoren van minderjarigen die
thans in een aanwijzing van het openbaar ministerie zijn vastgelegd, van een
wettelijke grondslag te voorzien. Ten derde onderschrijft de Afdeling – eveneens
gelet op een eerlijk strafproces – de beoogde rechtsbijstand aan 12-minners
indien dwangmiddelen aan de orde zijn. Ten vierde wordt – vanuit het oogpunt
van bescherming van de jongeren en diens recht op een eerlijk strafproces – de
versterking van de procedurele rechten aan jongvolwassen verdachten en hun
ouders door de Afdeling volledig onderschreven.
In de conceptwetsvoorstellen wordt nog geen rekening gehouden met de EU-
richtlijn betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of
beklaagde zijn in een strafprocedure (2016/800/EU) (verder: de EU-richtlijn Jeugd).
Blijkens de Contourennota uit 2015, zal deze richtlijn binnen een afzonderlijk traject
in het nieuwe Wetboek van Strafvordering worden geïncorporeerd.9 In haar advies
over het conceptwetsvoorstel ter implementatie van de EU-richtlijn betreffende
procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een
strafprocedure (verder: advies EU-richtlijn Jeugd (2018)), adviseerde de Afdeling
over de implementatie van deze richtlijn.10 De Afdeling gaat ervan uit dat u dit
advies in het separate traject zult meenemen.
3.2 Aanbevelingen
In het navolgende worden enkele algemene aanbevelingen over het
conceptwetsvoorstel gemaakt (paragraaf 3.2.1), gevolgd door enkele aanbevelingen
die betrekking hebben op de fase van de opsporing en vervolging (paragraaf 3.2.2)
en de berechting (paragraaf 3.2.3).
3.2.1 Algemeen
De pedagogische doelstelling in de wet en de praktijk
De pedagogische doelstelling van het jeugdstrafrecht wordt naar de mening van de
Afdeling onvoldoende in de voorstellen geëxpliciteerd. Zij verwijst in dit verband
naar eerdere door de RSJ uitgebrachte adviezen, zoals het advies Jeugdstrafproces:
   9   Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 278.
   10  Advies EU richtlijn Jeugd d.d. 31 januari 2018. Zie: https://www.rsj.nl/binaries/RSJ%20advies%20EU%20richtlijn%20Jeugd_tcm26-
      304792.pdf.
                  Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
                                                                   7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>toekomstbestendig! (2011)11 en het advies Wetsvoorstel adolescentenstrafrecht,
een gemiste kans (2012)12. In het eerstgenoemde advies constateerde de RSJ
dat nergens in de wet staat omschreven wat het opvoedende aspect in concreto
betekent. De RSJ adviseerde daarom in een aparte bepaling deze doelstelling in de
wet op te nemen, opdat bij iedere beslissing over de jongere duidelijk is waarop de
focus moet liggen. Deze bepaling zou, aldus dit RSJ advies, als volgt kunnen luiden:
De strafrechtelijke handelingen ten aanzien van de jongere dienen te zijn gericht
op zijn ontwikkeling en hem - al dan niet met een strafrechtelijke reactie – te
stimuleren, (her)opvoeden, resocialiseren, op een betere toekomst voor te bereiden
én te weerhouden van een (verdere) criminele carrière.
Om de pedagogische doelstelling van het jeugdstrafrecht in de praktijk waar te
maken, is een betere aansluiting met jeugdhulp essentieel. De Afdeling beveelt
daarom aan de uitvoering zo te organiseren, opdat na een delict structureel
contact wordt gelegd met het lokale wijkteam. Het actieprogramma Zorg voor
de jeugd dat het kabinet recent naar de voorzitters van de Eerste en Tweede
Kamer heeft gestuurd, biedt daar aanknopingspunten voor, gezien de ambitie om
onder meer de jeugdhulp merkbaar en meetbaar beter te maken voor kinderen,
jongeren en gezinnen, zodat ze op tijd passende hulp ontvangen.13 Voor een nadere
onderbouwing verwijst de Afdeling naar het advies Verhoging strafrechtelijke
minimumleeftijd in context (2017).14
Herstelrecht
Het regeerakkoord Vertrouwen in de toekomst van 10 oktober 2017 geeft aan
dat herstelrecht een prominentere rol zal krijgen in het jeugdstrafrecht.15 De
Afdeling onderschrijft dit, omdat de toepassing van herstelrechtelijke interventies
een belangrijke bijdrage kan leveren aan de pedagogische doelstelling van het
jeugdstrafrecht. In Boek 2 wordt een wettelijke verankering voor herstelrecht
gecreëerd. De Afdeling beveelt daarnaast aan om in de memorie van toelichting van
Boek 6 op te nemen dat vanuit pedagogisch oogpunt herstelrechtelijke interventies
moeten worden overwogen. Daarnaast verdient het aanbeveling om de toets op de
mogelijkheden voor herstelrecht een vaste plaats te geven binnen de wijkaanpak
van de politie, de ZSM-werkwijze en de OM-afdoening voor justitiële jeugd.
Wettelijke verankering kwaliteitseisen jeugddeskundigheid
De primaire gerichtheid op de (her)opvoeding van het jeugdstrafrecht veronderstelt
een minimumniveau van jeugddeskundigheid bij degenen die bevoegd zijn
om beslissingen te nemen of handelingen uit te voeren ten aanzien van de
jongeren die met het strafrecht in aanraking zijn gekomen of dreigen te komen.
Gezien het wezenlijke belang van de jeugddeskundigheid om de pedagogische
doelstelling te kunnen waarmaken, beveelt de Afdeling aan te voorzien in een
wettelijke verankering van kwaliteitseisen voor functionarissen die in het kader
   11 Zie: https://www.rsj.nl/binaries/rsj-bw-advies-jeugdstrafproces-toekomstbestendig-14-maart-2011_tcm26-26854.pdf.
   12 Zie: https://www.rsj.nl/binaries/advies-adolescentenstrafrecht-definitief_tcm26-26637.pdf.
   13 Zie: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2018/04/01/actieprogramma-zorg-voor-de-jeugd
   14 Zie: https://www.rsj.nl/binaries/advies%20verhoging%20strafrechtelijke%20leeftijd%20definitief_tcm26-295513.pdf.
   15 Zie: https://www.kabinetsformatie2017.nl/documenten/publicaties/2017/10/10/regeerakkoord-vertrouwen-in-de-toekomst.
                   Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
                                                               8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>van het strafrecht met jongeren te maken krijgen. In haar advies EU-richtlijn
Jeugd (2018) gaf de Afdeling aan dat dit conform het EU-recht is.16 Het betreft
functionarissen werkzaam bij de politie, het openbaar ministerie en rechtspraak.
Dit overigens in navolging van de advocatuur, die reeds in 2012 van overheidswege
deskundigheidseisen werd opgelegd.17
De rol van de ouder
Zoals hierboven aangegeven onderschrijft de Afdeling de versteviging van de rol
van de ouder. De ouder kan immers bijdragen aan de pedagogische doelstelling en
de bescherming van de jongere. Desalniettemin verdient de rol van de ouder zoals
deze wordt uiteengezet in de memorie van toelichting (paragraaf 2.1.3) nadere
verduidelijking. Onduidelijk is bijvoorbeeld hoe diens rol als informatiebron zich
verhoudt tot het verschoningsrecht van de ouder en tot de procesopstelling van de
(zwijgende of ontkennende) verdachte minderjarige. De voogd wordt niet genoemd.
Onduidelijk is of de voogd deze rol als informatiebron ook heeft.
De rol, rechtspositie en de kwaliteit vertrouwenspersoon
Het is onduidelijk wat de rol/positie/kwaliteit van de (andere) vertrouwenspersoon
is naast die van de ouder of voogd. In artikel 6.1.1.1.5 wordt gesproken over een
andere vertrouwenspersoon. De vertrouwenspersoon wordt echter niet omschreven in
de memorie van toelichting (zie bijvoorbeeld de paragrafen 2.1.3.2.4 en 2.1.4). Wordt
hierbij aansluiting gezocht bij het OM-beleid, waarin onder vertrouwenspersoon wordt
verstaan: een ouder, wettelijk vertegenwoordiger of andere vertrouwenspersoon die
behoort tot de persoonlijke kring van de verdachte? Voor de vertrouwenspersoon
gelden de vereisten dat deze meerderjarig is en evident niet bij het strafbare feit
betrokken is.18 De Afdeling beveelt aan hierover meer helderheid te scheppen.
Aanbevelingen:
-- Neem in een aparte bepaling op wat onder de pedagogische doelstelling van het
    jeugdstrafrecht wordt verstaan.
-- Zorg ervoor dat naar aanleiding van het plegen van een delict structureel contact
    wordt opgenomen met het lokale wijkteam.
-- Neem in de memorie van toelichting van Boek 6 op dat vanuit pedagogisch
    oogpunt hertelrechtelijke interventies moeten worden overwogen.
-- Geef de toets op de mogelijkheden voor herstelrecht een vaste plaats binnen de
    wijkaanpak van de politie, de ZSM-werkwijze en de OM-afdoening voor justitiële
    jeugd.
-- Voorzie in een wettelijke verankering voor het stellen van kwaliteitseisen voor
    functionarissen binnen politie, OM en ZM die ten aanzien van jongeren beslissingen
    nemen of handelingen uitvoeren.
   16 Zie pagina 6 van dit advies voor een nadere onderbouwing.
   17 Zie: https://www.rvr.org/nieuws/2012/oktober/inschrijvingsvoorwaarden-om-op-de-lijst-opgenomen-te-worden-en-te-blijven.html,
      pagina 6.
   18 Stcrt. 2017, 12009: OM-beleid bijstand door vertrouwenspersoon bij verhoor minderjarige en procedure bij afstand verhoorbijstand
      door minderjarige d.d. 1 maart 2017.
                   Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
                                                              9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>-- Schep in de memorie van toelichting meer helderheid over de rol(len) van de
    ouder en voogd.
-- Schep in de memorie van toelichting meer helderheid over de rol, rechtspositie
    en de kwaliteit van de vertrouwenspersoon.
3.2.2 Opsporing en vervolging
Minimumleeftijd strafrechtelijke aansprakelijkheid
In het conceptwetsvoorstel wordt de minimumleeftijd van twaalf jaar gehandhaafd.
De Afdeling adviseerde eerder om vanuit het oogpunt van een eerlijk strafproces de
minimumleeftijd te verhogen naar veertien jaar. De Afdeling verwijst in dit verband
naar haar advies Verhoging strafrechtelijke minimumleeftijd in context (2017),
waarin een nadere onderbouwing voor de verhoging van de minimumleeftijd wordt
gegeven.
Verhoren in een kindvriendelijke omgeving
De Afdeling stelt voor een bepaling op te nemen dat voor jongeren elke daartoe
geschikte plaats kan worden aangewezen voor het ophouden van verhoor. Dat
betekent dat het verhoor niet meer alleen op het politiebureau hoeft plaats te
vinden, maar bijvoorbeeld ook in een kindvriendelijke omgeving of een voorziening
voor jeugdhulp. Met een dergelijke bepaling worden het recht op bescherming
en de pedagogische doelstelling van het jeugdstrafrecht gediend. De Afdeling
verwijst in dit verband naar het document De aanhouding en inverzekeringstelling
van minderjarige en jongvolwassen verdachten (2018) dat is opgesteld door de
Vereniging van Nederlandse Jeugdrechtadvocaten en Defence for Children.19
Toewijzing advocaat bij elke mogelijke strafoplegging of strafafdoening
In artikel 6.1.1.3.2.2 lid 2 wordt bepaald dat minderjarigen alleen bij meer dan 32
uur taakstraf of meer dan 200 euro geldboete een advocaat krijgen toegewezen. Bij
het niet voldoen aan een taakstraf of geldboete kunnen immers een vervangende
hechtenis en daarmee een vrijheidsbeneming volgen. Vanuit het oogpunt van het
recht op een eerlijk strafproces en de pedagogische doelstelling, stelt de Afdeling
voor om deze inperking los te laten. Zij verwijst naar haar advies EU-richtlijn Jeugd
(2018) voor een nadere onderbouwing.
Oproepen rechter-commissaris van ouders voor verhoor
In de memorie van toelichting van Boek 6 wordt aangegeven dat in de wet wordt
verankerd dat de rechter-commissaris de ouder(s) kan oproepen, zodat hij de
ouder(s) kan vragen naar hun bereidheid ondersteunend te zijn bij de deelname
aan een gedragsinterventie (zie paragraaf 2.1.3.2.3). De Afdeling onderschrijft
dit vanuit pedagogisch oogpunt, maar vindt hierover geen bepaling in het
conceptwetsvoorstel. Leg dus ook wettelijk vast dat de rechter-commissaris
ouder(s) voor verhoor kan oproepen.
   19 Zie: https://vnja.nl/wp-content/uploads/2018/01/20171001_DC_Folder-Aanhouding-jonge-verdachten_A5-web.pdf.
                   Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
                                                            10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>Voorlopige vrijheidsbeperking gaat voor voorlopige hechtenis
In haar advies conceptvoorstel Boeken 1 en 2 Wetboek van Strafvordering (2017)20
gaf de Afdeling aan positief te staan tegenover het vooropstellen van de voorlopige
vrijheidsbeperking ten opzichte van de voorlopige hechtenis. Hiermee wordt immers
meer recht gedaan aan de onschuldpresumptie en het uitgangspunt de voorlopige
hechtenis als ultimum remedium te gebruiken. Gezien de pedagogische doelstelling
onderschrijft de Afdeling dit voorstel. Daarbij zouden het Openbaar Ministerie en
de rechter bij het opleggen van vrijheidsbeperkende voorwaarden herstelgericht
moeten denken. De Afdeling beveelt aan om ook dit als uitgangspunt in de memorie
van toelichting op te nemen.
Uitsluiting samenplaatsing van jongeren en volwassenen
In de memorie van toelichting wordt uitgebreid stilgestaan bij de versterking van
procedurele rechten aan jongvolwassen verdachten en hun ouders gedurende
het gehele opsporingsonderzoek en bij gelegenheid van het onderzoek op de
terechtzitting. Zoals eerder in dit advies staat vermeld, is de Afdeling daar positief
over. Blijft staan de mogelijkheid dat jongeren tussen de 16 en 18 jaar op wie het
strafrecht voor volwassenen wordt toegepast, in een gevangenis voor volwassenen
kunnen worden gehuisvest. In haar advies EU-richtlijn Jeugd (2018) gaf de Afdeling
aan dat dit niet conform het EU-recht is.21 De Afdeling beveelt daarom wederom
aan om plaatsing van jongeren onder de 18 jaar in een penitentiaire inrichting
voor volwassenen uit te sluiten en te voorzien in een regeling die plaatsing in een
justitiële jeugdinrichting garandeert, eventueel op een aparte afdeling voor deze
doelgroep ter voorkoming van ongewenste samenplaatsing van deze “volwassen-
jongeren” met andere jongeren.
Periodieke beoordeling voorlopige hechtenis
In de voorstellen is verlenging van de voorlopige hechtenis mogelijk telkens tot
maximaal een maand (artikel 6.1.1.3.1.4). De Afdeling ziet dit als een verbetering
ten opzichte van de huidige situatie: thans is verlenging tot negentig dagen
mogelijk, conform het volwassenstrafrecht (artikel 493 lid 4 Sv). De pedagogische
doelstelling van het jeugdstrafrecht veronderstelt dat vrijheidsbeneming alleen als
ultimum remedium wordt toegepast en dan zo kort mogelijk. Dit is conform artikel
10 van de EU-richtlijn Jeugd, dat bepaalt dat de lidstaten ervoor moeten zorgen
dat de vrijheidsbeneming van kinderen zo kort duurt als passend is.22 Dit impliceert
dat regelmatig getoetst moet worden of voorlopige hechtenis nodig is. Verwijzend
naar General Comment 10 van het VN Kinderrechtencomite, adviseert de Afdeling
om in de memorie van toelichting op te nemen bij deze toetsing van de noodzaak
van de voorlopige hechtenis bij voorkeur een termijn van twee weken wordt
aangehouden.23
   20 Zie: https://www.rsj.nl/binaries/Advies%20modernisering%20strafvordering_tcm26-267224.pdf.
   21 Zie pagina 6 van dit advies voor een nadere onderbouwing.
   22 Tijdschrift voor Strafrecht, Aflevering 4, april 2017. Zie: https://www.universiteitleiden.nl/binaries/content/assets/rechtsgeleerdheid/
      instituut-voor-privaatrecht/journal-jeugdrecht-strafrecht-i.b.-van-angeren.pdf (pm: verwijzen cfm Leidraad voor juristen)
   23 Zie: http://www2.ohchr.org/english/bodies/crc/docs/CRC.C.GC.10.pdf, aanbeveling 28b.
                   Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
                                                                   11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>Aanbevelingen:
-- Verhoog de minimumleeftijd voor strafrechtelijke aansprakelijkheid naar 14 jaar.
-- Maak het afnemen van politieverhoren in een kindvriendelijke omgeving
    mogelijk.
-- Maak toewijzing van een advocaat bij elk mogelijke strafoplegging of
    strafafdoening bij jongeren mogelijk.
-- Leg wettelijk vast dat de rechter-commissaris ouder(s) voor verhoor kan
    oproepen.
-- Benadruk in de memorie van toelichting het uitgangspunt dat (1) voorlopige
    vrijheidsbeperking dient te worden overwogen voordat voorlopige hechtenis
    wordt toegepast en dat (2) herstelgerichte voorwaarden expliciet dienen te
    worden overwogen.
-- Sluit plaatsing van jongeren onder de 18 jaar in een penitentiaire inrichting voor
    volwassenen wettelijk uit en voorzie in een regeling die plaatsing in een justitiële
    jeugdinrichting garandeert. Zorg eventueel voor een aparte afdeling binnen een
    justitiële jeugdinrichting waar jongeren in de leeftijd van zestien en zeventien
    jaar kunnen worden geplaatst.
-- Neem in de memorie van toelichting op dat bij voorkeur elke twee weken wordt
    getoetst of verlenging van de voorlopige hechtenis bij jongeren nodig is.
3.2.3 Berechting
Rechtsbijstand in kantonzaken
Artikel 6.1.1.3.1.2 lid 5 sluit rechtsbijstand uit bij een feit waarvan in eerste aanleg
de kantonrechter kennis neemt. Zoals in het advies EU-richtlijn Jeugd (2018)
wordt betoogd, hebben jongeren volgens artikel 6 lid van de EU-richtlijn recht op
een advocaat wanneer zij voor een bevoegde rechtbank moeten verschijnen.24
Bovendien is de Afdeling van mening dat het recht op rechtsbijstand in elk geval
geldt als vervangende jeugddetentie aan de orde kan komen. Met het oog op
een eerlijk strafproces beveelt de Afdeling aan artikel 6.1.1.3.1.2 lid 5 aan te
passen, opdat jongeren niet langer zijn verstoken van het recht op rechtsbijstand
wanneer de kantonrechter over de zaak een beslissing neemt, zeker wanneer een
vervangende vrijheidsstraf kan worden opgelegd.
Beslissingen over leerplichtzaken en andere overtredingen door kinderrechter
Artikel 4.4.3 lid 1 sub f (Boek 4) heeft als consequentie dat de kantonrechter
beslist over leerplichtzaken. In lijn met het RSJ-advies Jeugdstrafproces:
toekomstbestendig! (2011), beveelt de Afdeling aan dat leerplichtzaken en andere
overtredingen door jongeren alleen worden behandeld door de kinderrechter.
Immers, door zijn of haar jeugddeskundigheid, is de kinderrechter het best in
staat het opvoedingsbelang mee te wegen bij de berechting. De pedagogische
doelstelling is daarbij het uitgangspunt. De kinderrechter is de bevoegde rechter
in civiele beschermingszaken en kan indien dit nodig is de leerplichtproblematiek
   24 Zie pagina 4 van dit advies.
                 Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
                                                        12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>integraal behandelen met een beschermingsverzoek. De huidige praktijk
is al dat in vrijwel alle gerechten de kinderrechter - met de aanwijzing als
kantonrechter- leerplichtzaken behandelt. Daarbij komt dat bij de behandeling
van leerplichtproblemen de aanwezigheid van de jongere belangrijk is en de
verplichte aanwezigheid van de minderjarige niet geldt bij de kantonrechter.
Door de kinderrechter als alleen bevoegde rechter aan te wijzen kan dit worden
ondervangen.
Twee kinderrechters in meervoudige kamer
Zoals eerder in dit advies aangegeven, moet de kinderrechter – gezien zijn
jeugddeskundigheid - bij uitstek geschikt worden geacht om het opvoedingsbelang
bij rechtelijke beslissingen mee te wegen. In artikel 6.1.1.3.3 lid 2 is bepaald dat
bij berechting door een meervoudige kamer een kinderrechter deelneemt aan het
onderzoek op de terechtzitting. Om voldoende inbreng van jeugddeskundigheid bij
beslissingen door de meervoudige kamer te garanderen, dienen naar het oordeel
van de Afdeling twee kinderrechters aan de meervoudige kamer deel te nemen.
Aanwezigheid ouder bij het onderzoek op de terechtzitting
De RSJ heeft zich in haar advies Jeugdstrafproces: toekomstbestendig! (2011)
voorstander getoond voor de afschaffing van de verplichting van de ouders om
tijdens het onderzoek ter terechtzitting aanwezig te zijn. Dit laat onverlet dat
de ouder een belangrijke bron van informatie kan zijn tijdens het onderzoek ter
terechtzitting. Gezien de beoogde versterking van de rol van de ouder gedurende
alle fasen van het strafproces, pleit de Afdeling er daarom voor artikel 6.1.1.3.3.4
zodanig aan te passen, opdat in ieder geval één van de ouders bij de terechtzitting
aanwezig is, tenzij daarmee het belang van de jongere wordt geschaad. Daarnaast
kan de aanwezigheid bij de berechting de ouder helpen bij de uitvoering van
bijvoorbeeld bijzondere voorwaarden bij een aan zijn kind opgelegde straf.
Geen openbare behandeling van de zaak
In artikel 6.1.1.3.3.3 lid 2 wordt de mogelijkheid gehandhaafd dat de zaak in
openbaarheid op zitting wordt behandeld. De Afdeling meent dat dit in strijd is met
de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, zoals neergelegd in artikel 40 lid
2 sub b onder vii IVRK. Daarnaast bemoeilijkt een openbare behandeling de re-
integratie van jongeren. Dit is gezien de pedagogische doelstelling onwenselijk.
De Afdeling beveelt daarom aan om alle zaken met minderjarige verdachten in
beslotenheid op de zitting te behandelen.
Bijzondere toegang spreekgerechtigden
De zinsnede ‘Aan het slachtoffer of de nabestaanden van het slachtoffer wordt
bijzondere toegang verleend’ uit het huidige artikel 495b Sv wordt vervangen
door de zinsnede ‘Aan spreekgerechtigden wordt bijzondere toegang verleend’
(artikel 6.1.1.3.3.3) (cursivering onzerzijds). Dit is een beperking van de categorie
              Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
                                                     13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>slachtoffers die bij de zitting aanwezig mag zijn. Vanuit het oogpunt van de
verdachte is dit wenselijk, maar vanuit het oogpunt van het slachtoffer wellicht niet.
Vanwege de toegenomen aandacht voor het slachtoffer beveelt de Afdeling daarom
aan om in de memorie van toelichting deze inperking nader te onderbouwen.
Aanwezigheid jeugdige verdachte bij de uitspraak
In artikel 4.3.5.2 wordt bepaald dat de verdachte bij de uitspraak aanwezig dient
te zijn. Deze verplichting staat op gespannen voet met het recht op privacy van
de jongere, aangezien de uitspraak in jeugdstrafzaken altijd in openbaarheid
geschiedt. De Afdeling meent dat de privacy van de jongere beschermd dient
te worden. De Afdeling beveelt daarom aan dat de verdachte jongere wordt
uitgesloten van de verplichting aanwezig te zijn bij de uitspraak.
Aanbevelingen:
-- Pas artikel 6.1.1.3.1.2 lid 5 aan, opdat jongeren niet langer zijn verstoken
    van het recht op rechtsbijstand wanneer de kantonrechter over de zaak een
    beslissing neemt, zeker wanneer een vervangende vrijheidsstraf kan worden
    opgelegd.
-- Pas artikel 4.4.3 lid 1 aan of voeg een bepaling in Boek 6 toe, opdat alleen
    de kinderrechter beslist over leerplichtzaken en andere overtreding waarvan
    jongeren verdacht zijn.
-- Pas artikel 6.1.1.3.3. lid 2 aan, opdat aan de berechting door een meervoudige
    kamer twee kinderrechters deelnemen.
-- Pas artikel 6.1.1.3.3.4 aan, opdat in ieder geval één van de ouders bij
    de terechtzitting aanwezig is, tenzij het belang van de jongere door de
    aanwezigheid van de ouder(s) wordt geschaad.
-- Pas artikel 6.1.1.3.3.3 aan, opdat de behandeling van de zaak uitsluitend in een
    besloten zitting plaatsvindt.
-- Onderbouw in de memorie van toelichting waarom de categorie slachtoffers die
    bij de zitting aanwezig mag zijn in artikel 6.1.1.3.3.3 wordt ingeperkt.
-- Pas artikel 4.3.5.2 aan of voeg een bepaling in Boek 6 toe, opdat de jongere
    wordt uitgesloten van verplichte aanwezigheid bij de uitspraak.
              Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
                                                     14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>4. Kwetsbare personen
4.1 Vooraf
De Afdeling onderschrijft het streven van de wetgever ervoor te zorgen dat een
verdachte in strafvorderlijke zin geen nadeel ondervindt van zijn psychische
stoornis, verstandelijke of fysieke beperking en dat zijn recht op een eerlijk
proces wordt gewaarborgd. Dit gebeurt door compenserende en beschermende
maatregelen. Het slachtofferperspectief wordt daarbij niet uit het oog verloren.
4.2 Aanbevelingen
Beschrijving van de doelgroep
De opsomming psychische stoornis, verstandelijke beperking, fysieke beperking
en ziekte in artikel 6.1.2.1 acht de Afdeling ongelukkig, vooral omdat de grens
tussen wat een stoornis en een ziekte is, lastig is te trekken en varieert in de
tijd (cursivering onzerzijds). Een optie is om – met het oog op de gewenste
duurzaamheid van het nieuwe Wetboek van Strafvordering - aansluiting te zoeken
bij de beschrijving van Van Kempen, die spreekt over verdachten met beperkingen
in hun fysieke conditie, geestelijke gesteldheid, intellectuele vermogens en in hun
hoor- en taalcapaciteiten die leiden tot een ontoereikend begripsvermogen, en
daardoor onvoldoende in staat zijn het proces tegen hem te begrijpen en hieraan
deel te nemen. 25
De herkenning van kwetsbare personen
De huidige artikelen hebben als vertrekpunt dat er in ieder geval een vermoeden
bestaat dat sprake is van een justitiabele die lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling
of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Het komt echter voor dat de
kwetsbaarheid niet of pas later in het strafproces wordt onderkend.26 In
tegenstelling tot bij jongeren, waar de minderjarigheid op objectieve wijze kan
worden vastgesteld, is het bij deze categorie personen op voorhand niet altijd
duidelijk of sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijk stoornis van
de geestvermogens. De consequentie daarvan kan zijn dat deze personen niet
als kwetsbaar worden aangemerkt, waardoor ten onrechte compenserende of
beschermende maatregelen en mogelijk schorsing van de strafrechtelijke vervolging
achterwege blijven. Met het oog op het recht op een eerlijk strafproces, adviseert
de Afdeling daarom de sensitiviteit voor kwetsbare personen te vergroten. Daartoe
dienen concreet:
-- de verplichting van de overheid tot onverwijlde vaststelling, herkenning en
    erkenning van kwetsbare personen in het Wetboek van Strafvordering te worden
    opgenomen;
   25  P.H.P.H.M.C. van Kempen, Kwetsbare verdachten, Strafblad 2017/5, p. 2.
   26  E.M. Gremmen, De kwetsbare psychische gestoorde verdachte in het strafproces. Regelgeving, praktijk en Europese standaarden
      (diss. Rotterdam), Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2018.
                   Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
                                                               15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>-- opsporingsambtenaren scholing te krijgen, opdat de mogelijke kwetsbaarheid
    van een verdachte of getuige indicatief wordt vastgesteld. Te denken valt aan
    het verplicht volgen van de opleiding Verhoren van Kwetsbare Verdachten
    (Politieacademie in Nederland), die zich onder meer richt op de herkenning van
    kwetsbare verdachten, waaronder verdachten met een verstandelijke beperking,
    een cognitieve functiestoornis of een psychische stoornis;
-- de mogelijkheid voor toetsing of sprake is van een kwetsbare persoon een vaste
    plaats te krijgen binnen de ZSM-procedure. Een groot aantal personen dat met
    het strafrecht in aanraking komt, is verstandelijk beperkt.27 Ook bij hen kan niet
    worden uitgesloten dat compenserende en verhelpende rechtswaarborgen nodig
    zijn;
-- in de standaard vraagstelling van de pro Justitia rapportages een vraag te worden
    opgenomen of en in hoeverre de eventuele ziekelijke stoornis en/of gebrekkige
    ontwikkeling van de geestesvermogens invloed heeft op het begrip van de
    onderzochte persoon.
De processuele positie van kwetsbare personen
De ervaring leert dat als een verdachte reeds op enige strafrechtelijke titel is
ingesloten, het bijna onmogelijk is om deze verdachte niet-strafrechtelijke (ggz-)
hulp te bieden.28 Mogelijk spelen daarbij overwegingen met betrekking tot de
bescherming van de maatschappij, vergelding en de belangen van het slachtoffer
een rol. Ook het recht van de verdachte op deelname aan het strafproces kan een rol
spelen: de keuze voor een zorgtraject kan daarmee op gespannen voet staan.
Gezien deze ondoorzichtigheid van de besluitvorming, beveelt de Afdeling aan
om criteria vast te stellen die de officier van justitie moet hanteren bij het maken
van deze trajectkeuze. Dit keuzemoment van de officier van justitie is immers
van groot belang voor alle betrokken partijen. In deze criteria zouden niet alleen
publiekrechtelijke belangen en strafrechtelijk handhavingsbelangen moeten worden
opgenomen, maar ook de zorgbehoefte, de vraag in hoeverre de verdachte kan
participeren in het strafproces en de bekendheid van de verdachte bij psychische/
psychiatrische zorginstellingen.
Kwetsbare verdachten zijn dikwijls gemakkelijk beïnvloedbaar. Met het oog hierop
adviseert de Afdeling dat de audio- of audiovisuele registratie van het verhoor van
deze personen altijd plaatsvindt.
In de praktijk krijgt een kwetsbare verdachte gedurende de voorlopige hechtenis
in slechts enkele gevallen zorg. Overplaatsing naar een speciale op zorg gerichte
afdeling of schorsing van de voorlopige hechtenis vindt zelden plaats.29 Dit is in
strijd met de artikelen 12 en 14 van de EU-aanbeveling betreffende procedurele
   27  Kamerstukken II 2015-2016, 24 587, nr. 659.
   28  E.M. Gremmen, De kwetsbare psychische gestoorde verdachte in het strafproces. Regelgeving, praktijk en Europese standaarden (diss.
      Rotterdam), Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2018.
   29 E.M. Gremmen, De kwetsbare psychische gestoorde verdachte in het strafproces. Regelgeving, praktijk en Europese standaarden (diss.
      Rotterdam), Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2018.
                 Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
                                                          16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>waarborgen voor kwetsbare personen die verdachte of beklaagde zijn in de
strafprocedure. Met het oog hierop beveelt de Afdeling aan dat bij verdachten
van wie de vrijheid is ontnomen en bij wie een gedragsdeskundige rapportage is
aangevraagd, de rechter of rechter-commissaris nadrukkelijk overweegt dat de
verdachte gedurende de voorlopige hechtenis de zorg krijgt die deze nodig heeft.
Aanbevelingen:
-- Neem de verplichting van de overheid tot onverwijlde vaststelling, herkenning
    en erkenning van kwetsbare personen in het nieuwe Wetboek van Strafvordering
    op.
-- Opsporingsambtenaren dienen scholing te krijgen, opdat de mogelijke
    kwetsbaarheid van een verdachte of getuige wordt vastgesteld.
-- Geef de mogelijkheid voor toetsing of sprake is van een kwetsbare persoon een
    vaste plaats binnen de ZSM-procedure.
-- In de standaard vraagstelling van de pro Justitia rapportages dient een vraag
    te worden opgenomen of de eventuele ziekelijke stoornis en/of gebrekkige
    ontwikkeling van de geestvermogens onderzochtes begrip van de vervolging
    tegen hem beïnvloedt.
-- Stel criteria vast die de officier van justitie moet hanteren bij de keuze tussen
    strafrechtelijke vervolging of behandeling/zorg.
-- Leg wettelijk vast dat de audio- of audiovisuele registratie van het verhoor van
    kwetsbare verdachten altijd plaatsvindt.
-- Bij verdachten van wie de vrijheid is ontnomen en bij wie een
    gedragsdeskundige rapportage is aangevraagd dient de rechter of rechter-
    commissaris nadrukkelijk te overwegen dat deze gedurende de voorlopige
    hechtenis de zorg krijgt die deze nodig heeft.
             Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
                                                    17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>Tot slot
De Afdeling ondersteunt de ingezette koers zoals uiteengezet in de
conceptwetsvoorstellen. Met haar aanbevelingen hoopt zij een bijdrage te leveren
aan de verdere vervolmaking van de voorstellen ten aanzien van jongeren en
kwetsbare personen die in aanraking (dreigen te) komen met het strafrecht.
            Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
                                                   18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>Bijlage: redactionele opmerkingen over de memorie van toelichting en
           de conceptwetsteksten
Jeugdigen en jongvolwassenen
Artikel 6.1.1.1.5, artikel 6.1.1.3.1.1, artikel 6.1.1.3.3.4 en artikel 6.1.1.3.3.5
De uitleg die in de memorie van toelichting wordt gegeven aan het begrip ‘ouder’
klopt niet. Verwezen wordt naar 1:245 BW, wanneer wordt gesteld dat met ‘ouder’
wordt verstaan ‘de met het ouderlijk gezag belaste ouder of voogd’. Echter, in
1:245 BW wordt onder ‘gezag’ verstaan ‘ouderlijk gezag’ of ‘voogdij’: Ouderlijk
gezag wordt door de ouders gezamenlijk of door één ouder uitgeoefend. Voogdij
wordt door een ander dan een ouder uitgeoefend. Dit is niet hetzelfde als zeggen
dat onder ‘ouder’ ook ‘voogd’ wordt verstaan. De Afdeling beveelt daarom aan om
in de betreffende artikelen naast de ouder ook de voogd te noemen.
Artikel 6.1.1.1.2
Gesproken wordt over een persoon die de feitelijk opvoeding verzorgt van een
verdachte die meerderjarig is. De Afdeling meent dat bij 18plussers niet gesproken
kan worden van opvoeding. De Afdeling beveelt aan om bij meerderjarigen te
spreken over verzorging in plaats van opvoeding.
Artikel 6.1.1.1.5
Lid 1 is imperatief geformuleerd, terwijl de memorie van toelichting spreekt van een
discretionaire bevoegdheid.
Lid 2 betreft de registratie van het verhoor. Dit hoort thuis in de afdeling 6.1.1.1
‘Rol van de ouder’. De Afdeling stelt daarom voor om de bepaling omtrent de
audiovisuele registratie van het verhoor elders in Boek 6 vast te leggen.
Artikel 6.1.1.3.1.1
Lid 1: Er wordt niet aangegeven op welke termijn de ouders worden medegedeeld
dat de jongere is aangehouden. De Afdeling beveelt aan dat de ouders (of voogd)
onverwijld worden geïnformeerd.
Lid 2: Onduidelijk is op grond van welk criterium uitstel van de mededeling
plaatsvindt. De Afdeling beveelt aan dit expliciteren.
Artikel 6.1.1.3.1.3
Het lijkt alsof alle minderjarigen vanaf 16 jaar naar de reclassering gaan, terwijl
waarschijnlijk wordt bedoeld dat dit facultatief is.
Artikel 6.1.2.1.
De beschrijving van de betreffende personen in de memorie van toelichting, waarin
wordt gesproken over personen die vanwege een ziekte of beperking niet in staat
zijn om etc. (paragraaf 1.1, pagina 3), komt niet overeen met de opsomming in
artikel 6.1.2.1. De Afdeling beveelt aan om hier consistentie te betrachten.
              Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
                                                     19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>Personen met een psychische stoornis, een verstandelijke dan wel fysieke
beperking of ziekte
Memorie van toelichting
Pagina 93 één na laatste blok: Benoem de mogelijkheid tot het oproepen van een
deskundige die is ingeschreven in het Nationaal Register Gerechtelijke Deskundigen
(NRGD).
Pagina 94 vierde blok, tweede zin: Hier lijkt sprake van verschrijvingen: …..met
het verlenen van een zorgmachtiging wordt voorkomen dat betrokkene de juiste
zorg ontvangt ? en: ….. en dat het niet vervolgen van de verdachte als ongewenst
gevolg heeft dat …. niet wordt behandeld?
            Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
                                                   20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>