<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                                                                                           Korte Voorhout 8
                                                                                           Den Haag
                                                                                           Correspondentie:
                                                                                           Postbus 30137
                                                                                           2500 GC Den Haag
                                                                                           Telefoon (070) 361 93 00
                                                                                           www.rsj.nl
                                                                                           info@rsj.nl
                 Aan de Minister voor Rechtsbescherming
                 Postbus 20301
                 2500 GC Den Haag
Betreft        : aanbieding advies
Doorkiesnummer : 070 - 361 9390 / 070 - 361 9391
E-mail         : advies@rsj.nl
Datum          : 23 augustus 2018
Ons kenmerk    : RSJ/101/3073/2018/DK/TvV
Onderwerp      : Uitbreiding criteria voor plaatsing op de EBI
Uw kenmerk     : 2246409
                 Geachte heer Dekker,
                 In uw brief van 28 juni 2018 (kenmerk 2246409) verzocht u de RSJ te adviseren over de
                 conceptwijziging van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden
                 (hierna: Rspog) in verband met uitbreiding van de criteria voor plaatsing in een Extra
                 Beveiligde Inrichting (hierna: EBI). De uitbreiding heeft betrekking op het tegengaan
                 van voortgezet crimineel handelen tijdens detentie (hierna: VCHD).
                 Met onderstaande reactie voldoet de Afdeling advisering van de RSJ (hierna: de
                 Afdeling) aan uw verzoek.
                 Samenvatting
                 De wijziging maakt het mogelijk om in geval van voortgezet crimineel handelen tijdens
                 detentie (VCHD) een gedetineerde te plaatsen in de EBI. De Afdeling kan zich in principe
                 vinden in de mogelijkheid om, in de ernstigste gevallen van VCHD, de EBI-plaatsing
                 mogelijk te maken. Het betreft echter een ingrijpende wijziging die naar het oordeel van
                 de Afdeling op verschillende punten niet overtuigend is onderbouwd en uitgewerkt:
                 --   Onvoldoende duidelijk is of de omvang van het probleem van VCHD deze aanpassing
                      rechtvaardigt.
                 --   In de conceptwijziging en de toelichting mist de Afdeling een goede uitwerking
                      van de rechtspositionele waarborgen. In de toelichting wordt slechts summier
                      aangegeven hoe de nieuwe maatregel samenhangt met bestaande en nieuw
                      ontwikkelde regelgeving. Daardoor is onvoldoende duidelijk dat de plaatsing op de
                      EBI is bedoeld als een uiterste middel, voor gevallen waarin alle reeds bestaande
                      toezichtmogelijkheden ontoereikend zijn.
                      Ook is de voorgestelde wettelijke omschrijving van ‘voortgezet crimineel handelen’
                      dermate ruim dat niet duidelijk is dat het moet gaan om zeer ernstige vormen van
                      VCHD.
                      Op deze punten adviseert de Afdeling aanscherping van de regeling en de
                      toelichting.
                 --   Wat betreft de invulling van het regime wijst de Afdeling er op dat het risico van
                      VCHD anders van aard is dan het risico van vlucht- en maatschappelijk risico (de
                      huidige doelgroep van de EBI). Aanbevolen wordt daarom het EBI-regime voor de
                      nieuwe doelgroep zorgvuldig af te stemmen op het risico van VCHD.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Aanleiding
Met de voorliggende aanpassing van de Rspog wordt beoogd plaatsing op de EBI mogelijk te
maken in geval van aanwijzingen voor voortgezet crimineel handelen tijdens detentie. Blijkens de
toelichting hangt de wijziging samen met een breder palet van beleidsinitiatieven gericht op een
betere signalering en bestrijding van VCHD. Deze beleidsinitiatieven zijn gebaseerd op de resultaten
van een pilot die heeft geleid tot het (vertrouwelijke) rapport Voorgezet crimineel handelen tijdens
detentie. Rapportage betreffende een operationele pilot in de periode 2013-2015. De voorliggende
wijziging vormt één van de ontwikkelde maatregelen.1
In onderstaande vindt u eerst enkele algemene opmerkingen bij de conceptwijziging (1), waarna
meer in detail wordt ingegaan op het toegevoegde criterium voor plaatsing op de EBI (2), de
plaatsingsbeslissing (3) en tenslotte de invulling van het EBI-regime (4).
1. Opmerkingen van algemene aard
Het nieuwe criterium VCHD in relatie tot het doel van de EBI
In algemene zin onderschrijft de Afdeling de noodzaak van maatregelen om VCHD tegen te gaan,
zoals reeds aangegeven in het advies over het wetsvoorstel ‘strafbaarstelling binnenbrengen van in
justitiële inrichtingen verboden voorwerpen’.2 Als met de beschikbare toezichtmaatregelen binnen
een reguliere PI het voortzetten van (zware) criminele activiteiten niet te controleren en/of te
voorkomen is, betekent dit een onaanvaardbaar veiligheidsrisico voor de maatschappij en voor de
orde en veiligheid binnen de PI. Daarmee wordt tevens de geloofwaardigheid van het penitentiaire
systeem ondermijnd. De Afdeling onderkent dat het daarbij kan gaan om verschillende vormen
van zeer zware criminaliteit, zowel levensdelicten als anderszins zeer zware misdrijven met een
ontwrichtend effect op de samenleving.
Vanuit dit perspectief kan de Afdeling zich vinden in het creëren van de mogelijkheid om, in het
uiterste geval en mits omgeven met voldoende rechtspositionele waarborgen, in de ernstigste
gevallen van VCHD een gedetineerde te kunnen plaatsen in een extra beveiligd regime.
Het verruimen van de plaatsingscriteria voor de EBI heeft echter tot gevolg dat de doelgroep
van de EBI wijzigt. Anders dan in veel andere landen, waar vergelijkbare ‘supermax prisons’
worden gebruikt voor de concentratie en afzondering van bendeleden en –leiders of terroristen,
is in Nederland het EBI-regime tot nog toe bedoeld voor gedetineerden met extreem geweld- en
vluchtgevaar.3 Na enkele zeer gewelddadige ontvluchtingen eind jaren negentig van de vorige
eeuw is het regime ingevoerd voor de beperkte groep gedetineerden waarbij dit risico kan worden
vastgesteld, met als belangrijkste doelstelling beveiliging van het personeel en het voorkomen van
(gewelddadige) ontvluchting.
Met betrekking tot de beoogde nieuwe doelgroep wijst de Afdeling erop dat het risico van VCHD
anders van aard is dan dat van extreem geweld- en vluchtgevaar. Dat roept onder meer de vraag op
of voor deze gedetineerden alle (met name fysieke) controlemaatregelen noodzakelijk zijn. Uit de
toelichting wordt niet duidelijk of gebouwelijke of regimaire aanpassing met het oog op de nieuwe
doelgroep worden overwogen. In onderstaande paragraaf 4 adviseert de Afdeling dit te doen.
Onvoldoende onderbouwing van de noodzaak van de wijziging
Gezien de grote impact van verblijf in dit zwaarst beveiligde regime acht de Afdeling de uitbreiding
van de plaatsingscriteria voor de EBI met het criterium ‘een onaanvaardbaar maatschappelijk risico
in termen van aanwijzingen van voortgezet crimineel handelen’ een ingrijpende maatregel waarvan
de noodzaak evident moet zijn.
De Afdeling mist in de conceptwijziging een overtuigende onderbouwing van deze noodzaak wat
betreft de omvang van het probleem. Getalsmatige informatie over het voorkomen van VCHD wordt
noch in de toelichting, noch in de onderliggende Kamerstukken gegeven. Wel is bekend dat tijdens
bovengenoemde pilot geen VCHD is geconstateerd.4 Op grond van deze summiere informatie acht
1    Deze beleidsontwikkelingen zijn uiteengezet in enkele beleidsbrieven: Kamerstukken II 2015-2016, 24 587, nr. 629; Kamerstukken
     II 2015-2016, 24587, nr. 658; Kamerstukken II 2016-2017, 24 587, nr. 691. Zie verder voor een overzicht van de verbetermaatregelen
     ter bestrijding van VCHD het Inspectierapport Binnen de muren niet toegestaan. Over het tegengaan van contrabande, niet-integer
     gedrag en voortgezet handelen tijdens detentie’ IVenJ 18 mei 2017, hst. 4.
2    Advies Strafbaarstelling binnenbrengen van in JI’s verboden voorwerpen, RSJ 15 juni 2017.
3    S. Struijk, ‘De EBI anno 2015: valse lucht of frisse lucht?’, Sancties 2015/3.
4    Kamerstukken II 2015-2016, 24 587/29 911, nr. 629.
                                                                   2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>de Afdeling niet overtuigend verantwoord dat de omvang van het probleem de invoering van deze
ingrijpende maatregel rechtvaardigt.
Ontbreken van samenhang met overige regelgeving
In de conceptwijziging en de toelichting mist de Afdeling een samenhang met de
toezichtmaatregelen die op grond van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) kunnen worden
toegepast binnen een reguliere PI met een normaal beveiligd regime, zoals het niet verlenen van
verlof of het intrekken van vrijheden binnen de PI. Naast deze algemene maatregelen zijn recent
beleidsmaatregelen ontwikkeld met betrekking tot verscherpte controle op VCHD binnen de PI,
zoals blijkt uit de brief naar aanleiding van genoemde pilot.5 Daarnaast wijst de Afdeling erop, zoals
eerder opgemerkt in het advies Strafbaarstelling binnenbrengen van in JI’s verboden voorwerpen,
dat wat betreft het toezicht binnen de PI in het algemeen de nodige verbetering kan worden geboekt
als voldoende capaciteit beschikbaar is voor onder meer celinspecties en inspecties van openbare
ruimtes.6
Tevens wordt met de nieuwe wet ‘strafbaarstelling binnenbrengen van in justitiële inrichtingen
verboden voorwerpen’ (momenteel aanhangig) onder meer beoogd het binnensmokkelen van
mobiele telefoons te verminderen. Als deze wet het beoogde effect heeft, valt te verwachten dat dit
leidt tot een afname van VCHD. Om de noodzaak van de voorliggende concept-wijziging beter te
kunnen inschatten, geeft de Afdeling in overweging om eerst af te wachten of genoemd wetsvoorstel
het beoogde effect heeft.
Tenslotte wijst de Afdeling op de verscherpte toezichtmaatregelen die in het individuele geval
mogelijk zijn op basis van de circulaire ‘Beleid gedetineerden met vlucht-/maatschappelijk risico’
(GVM).7 In deze circulaire is sprake van drie profielen (verhoogd/hoog/extreem). Voor plaatsing in
de EBI is een voorwaarde dat de gedetineerde op de lijst GVM staat met het hoogste risico (‘Profiel
extreem’). Voor de twee overige profielen kan worden volstaan met plaatsing in een reguliere
inrichting met beveiligingsniveau III, met toepassing van extra toezichtmaatregelen conform de
circulaire.
Aangezien een ‘reëel vermoeden van of sprake van voortgezet crimineel handelen’ een van de
criteria vormt voor de bepaling en vaststelling van het risicoprofiel op de lijst GVM8, ligt het voor de
hand om in de toelichting bij de concept-wijziging de relatie met het beleid GVM te benoemen. De
Afdeling gaat ervan uit dat plaatsing op de lijst GVM met het hoogste risico (Profiel extreem) ook
met betrekking tot het nieuw toe te voegen criterium van VCHD een voorwaarde is voor plaatsing op
de EBI en adviseert om dat duidelijk te formuleren.9
Concluderend: Vanuit het oogpunt van subsidiariteit acht de Afdeling het van belang dat in
de toelichting bij de conceptwijziging de samenhang met bestaande regelgeving en recente
beleidsinitiatieven inzake VCHD wordt verduidelijkt. Daarmee kan sterker tot uitdrukking
worden gebracht dat de maatregel is bedoeld voor het uiterste geval van zware vormen van
VCHD waarbij niet kan worden volstaan met reeds bestaande of recent ingevoerde toezicht- en
controlemaatregelen. Uit onder meer de verwijzing naar de jurisprudentie in de toelichting kan
worden opgemaakt dat dit is bedoeld, maar naar het oordeel van de Afdeling dient dit tevens
ondubbelzinnig te worden benoemd in tenminste de toelichting bij de conceptwijziging.
2. Het criterium VCHD voor plaatsing in de EBI / beoogde doelgroep
Het nieuwe artikel 6 onderdeel c Rspog beoogt uitbreiding van criteria voor plaatsing in de EBI met
gedetineerden die ‘een onaanvaardbaar maatschappelijk risico vormen in termen van aanwijzingen
van voortgezet crimineel handelen’.
Daarbij wordt ‘voortgezet crimineel handelen’ in het nieuwe artikel 1 lid o omschreven als:
--   het voortzetten van dan wel deelnemen aan een samenwerkingsverband dat het plegen van
     misdrijven tot oogmerk heeft;
--   het ongeoorloofd beïnvloeden van het eigen strafproces dan wel dat van het strafproces van een
     andere gedetineerde, of
--   het anderszins begaan van ernstige misdrijven.
5    Kamerstukken II 2015-2016, 24 587/29 911, nr. 629. Zie tevens IVenJ 2017.
6    Advies Strafbaarstelling binnenbrengen van in JI’s verboden voorwerpen (RSJ 15 juni 2017, p.4).
7    DJI, 16 juli 2018.
8    Notitie Risicoprofiel, Lijst GVM, Operationeel Overleg 2009, paragraaf 1.2 (Criteria risicoprofiel).
9    Op de relatie tussen het beleid GVM en de criteria voor plaatsing in de EBI is met betrekking tot de reeds bestaande criteria eerder
     gewezen, zie Struijk 2015, par.3.
                                                                3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Met betrekking tot de (onderdelen van het) criterium maakt de Afdeling de volgende opmerkingen:
Nieuwe criterium ruim geformuleerd
Het criterium ‘een onaanvaardbaar maatschappelijk risico in termen van aanwijzingen van
voortgezet crimineel handelen’ is ruim geformuleerd, waarbij ‘onaanvaardbaar maatschappelijk
risico’ bovendien voor meerdere uitleg vatbaar is. Ook de formulering van het maatschappelijk
risico ‘in termen van aanwijzingen’ is naar het oordeel van de Afdeling onnodig vaag. Onduidelijk
is waarom niet is gekozen, analoog aan het bestaande artikel 6 lid a Rspog10 voor bijvoorbeeld de
formulering ‘… in termen van voortgezet crimineel handelen’ of voor ‘… in geval van overtuigende
aanwijzingen van voortgezet crimineel handelen’.
Ook de omschrijving van voortgezet crimineel handelen in artikel 1 lid o is weinig specifiek. Met
name de formulering ‘het voortzetten van dan wel deelnemen aan een samenwerkingsverband
dat het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft’ laat ruimte voor gevallen van verdachten of
veroordeelden die in samenwerkingsverband relatief lichte delicten begaan. Dat geldt ook voor de
tweede omschrijving, ‘het ongeoorloofd beïnvloeden van het eigen strafproces dan wel dat van
het strafproces van een andere gedetineerde’. Ook hier laat de formulering ruimte voor relatief
ongevaarlijke pogingen tot beïnvloeding van het strafproces.
Ook de toelichting bij de conceptregeling is op dit punt naar het oordeel van de Afdeling
onvoldoende helder, met name in de alinea waarin het criterium wordt toegelicht (pag. 2, 2e alinea
van de toelichting). Dat het moet gaan om levensdelicten en ‘zware criminele activiteiten […] met
een ontwrichtende uitwerking op de maatschappij die het vertrouwen in de strafrechtshandhaving
en de rechtstaat ondermijnen’ wordt niet benoemd in deze alinea, maar elders in de toelichting
(pag. 2, 1e alinea van de toelichting).
De Afdeling acht vanuit het oogpunt van proportionaliteit aanscherping van het criterium
noodzakelijk in zowel de conceptregeling als de toelichting. Dat kan bijvoorbeeld door in artikel
1 lid o bij de eerste omschrijving te formuleren dat sprake moet zijn van levensbedreigende of
anderszins zeer ernstige misdrijven, en bij de tweede omschrijving dat het moet gaan om vormen
van beïnvloeding van het strafproces door middel van levensbedreigende of anderszins zeer ernstige
misdrijven. De Afdeling adviseert om in de toelichting ook in de alinea met uitleg over de onderdelen
van het criterium ‘voortgezet crimineel handelen’ te expliciteren dat het moet gaan om zeer zware
vormen van crimineel handelen.
Overigens blijkt uit de verwijzing naar de RSJ-rechtspraak, waarbij wordt opgemerkt dat het
plaatsingsbesluit de toets op proportionaliteit en subsidiariteit moet kunnen doorstaan, dat in
het individuele geval de EBI-plaatsing voldoende onderbouwd moet zijn. Daaruit kan worden
afgeleid dat er voldoende aanwijzingen moeten zijn voor ernstig maatschappelijk risico. Ook
onderkent de Afdeling dat in ieder geval met betrekking tot de huidige doelgroep geen sprake is
geweest van zogenaamde net-widening (veelvuldig gebruik van de EBI door ruime interpretatie
van de plaatsingscriteria).11 Om te waarborgen dat ook met betrekking tot het nieuwe criterium
de mogelijkheid tot EBI-plaatsing met gepaste terughoudendheid wordt toegepast, adviseert de
Afdeling tot aanscherping van het criterium.
Aanbeveling
--   Verhelder in de regeling en de toelichting dat er sprake moet zijn van een zeer ernstige vorm
     van voortgezet crimineel handelen.
Onduidelijkheid over de indicatoren van het criterium ‘voortgezet crimineel handelen’
Onduidelijk is hoe VCHD wordt vastgesteld en wat hiervoor de indicatoren zijn, zoals dat wel bekend
is met betrekking het nu geldende criterium van vluchtrisico.12 De daarvoor genoemde indicatoren
zijn onder meer: ontvluchtingen of pogingen daartoe; perspectief van uitlevering; lengte van het
strafrestant (minimaal enkele jaren) en informatie of tips die door het Gedetineerde Recherche
Informatie Punt (GRIP) zijn geverifieerd op ‘actualiteit, betrouwbaarheid en concreetheid’. Uit dat
laatste kan worden opgemaakt dat naast ‘harde’ informatie, zoals feitelijke gegevens over recidive
en eerdere ontvluchtingen, ook ‘zachte’ informatie wordt gebruikt zoals inlichtingen vanuit het
criminele circuit.
10   betreffende een onaanvaardbaar risico ‘in termen van recidivegevaar voor ernstige geweldsdelicten’.
11   De bezetting van de EBI is gemiddeld 7 personen, zie J.C. Wanders, ‘Balanceren tussen veiligheid en zorg. De Extra Beveiligde
     Inrichting in Vught’, Sancties 2015/3.
12   Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden, Staatscourant 12 september 2000, nr. 176 / pag. 9. Zie artikelsgewijze
     toelichting bij artikel 22.
                                                               4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Met betrekking tot het nieuwe criterium VCHD ontbreekt een aanduiding van de indicatoren, zodat
niet duidelijk is hoe crimineel handelen wordt vastgesteld. Met het oog op de rechtsbescherming
acht de Afdeling het benoemen van de indicatoren in de toelichting noodzakelijk.
De Afdeling veronderstelt dat het bij de vaststelling van het risico op VCHD ook kan gaan om
‘zachte’ informatie. In dat verband rijst de vraag hoe kan worden voorkomen dat gedetineerden
elkaar ‘een hak zetten’ door bijvoorbeeld valse informatie door te spelen over een ander die (mede)
op grond daarvan op de EBI wordt geplaatst.
Aanbeveling
--   Benoem in de toelichting de indicatoren voor VCHD.
3. Opmerkingen betreffende plaatsings- en verlengingsbeslissing
De beslissing tot plaatsing op de EBI of verlenging daarvan wordt door de selectiefunctionaris
genomen op basis van informatie van de OvJ, het GRIP, een externe psycholoog en de
vestigingsdirecteur van de inrichting.
In de beroepsrechtspraak met betrekking tot EBI-plaatsingen toetst de RSJ hoofdzakelijk
procedureel. Inhoudelijke toetsing is door de vertrouwelijkheid van met name GRIP-informatie
slechts beperkt mogelijk. In dezen volgt de beroepscommissie doorgaans de toetsing door de OvJ
van het Landelijk Parket. In de procedurele toetsing beoordeelt de RSJ of de informatie voldoende is
gecheckt op actualiteit, betrouwbaarheid en concreetheid en, in geval van verlengingsbeslissingen,
of is onderzocht of er nieuwe informatie is die voortzetting van de EBI-plaatsing rechtvaardigt.
Ten aanzien van de verlengingsbeslissing plaatst de Afdeling de volgende kanttekeningen, en geeft
daarbij enkele verbeterpunten/aanscherpingen in overweging:
--   Niet duidelijk is omschreven of, in geval er geen VCHD is geconstateerd tijdens de afgelopen 6
     maanden, er geen grond meer is voor verlenging van het verblijf op de EBI. De Afdeling acht
     het wenselijk dat, voor zover mogelijk, wordt verduidelijkt wat ‘geen informatie over VCHD de
     afgelopen 6 maanden’ betekent voor de verlengingsbeslissing.
--   Nu met de beoogde uitbreiding van de criteria voor plaatsing op de EBI de doelgroep wordt
     uitgebreid en er onder de EBI-populatie sprake is van verschillende soorten risico’s, geeft de
     Afdeling in overweging om in het individuele geval af te wegen of er aanleiding is om af te
     wijken van de verlengingstermijn van 6 maanden, en dit te verantwoorden in de beslissing.
--   Ten aanzien van ‘het ongeoorloofd beïnvloeden van het eigen of andermans strafproces’ neemt
     de Afdeling aan dat, als het gaat om beïnvloeding van het eigen strafproces, dit criterium
     vervalt met het onherroepelijk worden van de uitspraak. Onduidelijk is of betrokkene in dat
     geval onmiddellijk vanuit de EBI wordt overgeplaatst of dat dit pas wordt overwogen bij de
     eerstvolgende halfjaarlijkse toetsing. In de concept-wijziging en de toelichting ontbreekt
     informatie hierover. De Afdeling beveelt aan om in dit geval onmiddellijk na het onherroepelijk
     worden van de uitspraak te onderzoeken of de EBI-plaatsing kan worden beëindigd, en dit op te
     nemen in de toelichting.
4. Regime
In de EBI geldt een extra beveiligd regime van beperkte gemeenschap (artikel 21 Pbw en artikel 10
Rspog), met de mogelijkheid van toepassing van een individueel regime (artikel 22 Pbw en artikel
10 Rspog). Uit de huisregels-EBI vloeien nog verdere restricties en toezichtmaatregelen voort. De
verregaande beperking van vrijheden in het huidige EBI-regime zijn, conform het oorspronkelijke
doel van de EBI, gericht op het voorkomen van gewelddadige ontvluchting en bescherming van
personeel.
Verblijf in dit regime met een zwaar fysiek veiligheidsprotocol en het vrijwel ontbreken van
groepsactiviteiten heeft grote impact op het psychisch en lichamelijk welzijn van de gedetineerden.13
Genoemd worden onder meer: wantrouwen tussen gedetineerden onderling en tussen
gedetineerden en personeel, het fysieke en psychische effect van een artificiële en prikkelarme
omgeving en de extreme beperking van contact met de buitenwereld.
Vanuit het oogpunt van proportionaliteit meent de Afdeling dat voor de nieuwe doelgroep moet
worden bezien in hoeverre al deze restricties op voorhand noodzakelijk zijn ter voorkoming van
13    Van de Bunt e.a. Gevangen in de EBI Een empirisch onderzoek naar de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) in Vught, Den Haag: WODC/
      Boom Lemma uitgevers Den Haag 2013
                                                            5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>VCHD. Het betreft immers een ander soort risico, met wellicht binnen de inrichting minder risico op
extreem geweld.
Uit de toelichting bij de concept-wijziging blijkt niet dat differentiatie binnen het EBI-regime met
het oog op de nieuwe doelgroep wordt overwogen. De Afdeling acht het noodzakelijk om dit wel te
doen. Ervan uitgaande dat de huidige verregaande inperking van de vrijheden (met bovengenoemde
onvermijdelijke neveneffecten) een rechtvaardiging vindt in het voorkomen van een extreem vlucht-
en maatschappelijk risico, dient ook met betrekking tot voortgezet crimineel handelen het geheel
van toezicht- en controlemaatregelen te zijn afgestemd op het specifieke risico van VCHD.
De Afdeling wijst erop dat de gebouwelijke situatie met fysiek gescheiden, kleine afdelingen een
zekere mate van differentiatie mogelijk maakt, zodat bijvoorbeeld kan worden voorzien in aparte
afdelingen voor vluchtgevaarlijke en voor VCHD gedetineerden. Wat betreft regimaire aanpassingen
wijst de Afdeling erop dat inmiddels het strenge regime is aangepast en waar mogelijk versoepeld,
waarbij de kleinschaligheid (met een huidige bezetting van gemiddeld 7 gedetineerden op de EBI)
de mogelijkheid biedt tot ‘humane bejegening’.14
Tot slot wijst de afdeling erop dat goed gedrag geen invloed heeft op versoepeling van het regime
of het verwerven van meer vrijheden15 en evenmin op de verlengingsbeslissing. Het EBI-regime
biedt hierdoor nauwelijks mogelijkheden om invulling te geven aan de eigen verantwoordelijkheid
van de gedetineerden. Ook biedt het door de verregaande isolatie van de buitenwereld weinig
mogelijkheden tot resocialisatie. De Afdeling begrijpt dat intensieve controle op contact met de
buitenwereld inherent is aan de doelstellingen van het EBI-regime en dat deze in principe te
rechtvaardigen is voor de nieuwe doelgroep. Tegelijkertijd acht de Afdeling het van belang dat
ook ten aanzien van deze specifieke groep gedetineerden per geval wordt bezien hoe op een
verantwoorde manier invulling kan worden gegeven aan het resocialisatiebeginsel.
Aanbevelingen
--  De Afdeling adviseert met het oog op proportionaliteit om te onderzoeken welke van de huidige
    toezicht- en controlemaatregelen nodig zijn voor de nieuwe doelgroep.
--  Met het oog op mogelijk lang verblijf in het EBI-regime adviseert de Afdeling om in het
    individuele geval te onderzoeken in hoeverre op een veilige manier kan worden gewerkt aan
    resocialisatie.
Hoogachtend,
namens de Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming,
mr. L.A.J.M. de Wit, algemeen voorzitter
14   Wanders 2015.
15   Op grond van artikel 1e sub d Rspog zijn EBI-gedetineerden uitgesloten van promotie naar een ‘plusprogramma’.
                                                            6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>