<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                                                                                                                      Parkstraat 83 Den Haag
                                                                                                                      Correspondentie:
                                                                                                                      Postbus 30137
                                                                                                                      2500 GC Den Haag
                                                                                                                      Telefoon (070) 361 93 00
                                                                                                                      www.rsj.nl
                                                                                                                      info@rsj.nl
                 Aan de Minister voor Rechtsbescherming
                 Postbus 20301
                 2500 GC Den Haag
Afdeling       : advisering
Betreft        : aanbieding advies
Contactpersoon : dhr. drs. M. Kruissink / mw. drs. D. Kempers
Doorkiesnummer : 06-5287 2158 / 06-5287 2185
E-mail         : m.kruissink@minvenj.nl / d.b.kempers@minvenj.nl
Datum          : 20 juni 2018
Ons kenmerk    : RSJ/101/3036/MK/DK/TvV
Onderwerp      : Gedetineerden met psychische problematiek
                 Geachte heer Dekker,
                 Met deze brief brengt de Afdeling advisering van de RSJ (hierna: de Afdeling)
                 een kort en ongevraagd advies uit over de psychische zorg voor gedetineerden.
                 Hierover heeft de RSJ in 2012 uitgebreid geadviseerd.1 De aanleiding om
                 hierover nogmaals te adviseren is dat ondanks de bereikte verbeteringen in het
                 stelsel van zorgverlening, in de praktijk nog aanzienlijke knelpunten bestaan.
                 Dit beeld baseert de Afdeling op gesprekken met professionals in het veld en
                 recente publicaties.2
                 Gezien het belang van goede zorg, zowel vanuit de zorgplicht van uw ministerie
                 als vanuit het perspectief van maatschappelijke veiligheid, acht de Afdeling een
                 blijvende inzet op verbetering noodzakelijk en beoogt zij hieraan met dit advies
                 een bijdrage te leveren.
                 Context en uitgangspunten
                 In verband met de vele reeds bestaande publicaties over de ontwikkelingen
                 binnen de forensische zorg wordt in dit advies niet ingegaan op het stelsel
                 als geheel.3 Hier wordt volstaan met de opmerking dat het systeem in
                 principe voorziet in een gedifferentieerd zorgaanbod in de PI’s (met
                 basiszorg, aanvullende ambulante behandeling, luwteplaatsingen op EZV,
                 speciale afdelingen als PPC’s en ISD afdelingen) en de mogelijkheid van
                 klinische forensische zorg in gespecialiseerde behandelinstellingen. Er is
                 veel geïnvesteerd in kwaliteitsverbetering, zowel door de ontwikkeling van
                 1    Advies Forensische zorg tijdens detentie, RSJ 27 september 2012.
                 2    De adviescommissie heeft gesprekken gevoerd met professionals van PI’s, PPC’s, NIFP, Divisie Individuele Zaken
                      DJI (Selectiefunctionaris),  Divisie Forensische GGz en forensische behandelinstellingen. De waargenomen
                      problematiek wordt bevestigd in recente publicaties zoals W. Roorda & W. Buysse, Forensische zorgtrajecten in het
                      gevangeniswezen. Onderzoek in zes penitentiaire inrichtingen naar signalering, indicatiestelling en plaatsing, Amster-
                      dam: DSP-groep 30 maart 2016; Uit Balans. Een onderzoek naar de kwaliteit van de taakuitvoering in zes locaties
                      binnen het Gevangeniswezen, Inspectie Justitie en Veiligheid 2018. Problemen in de doorstroom vanuit het gevange-
                      niswezen naar de GGz zijn eind 2017 aangekaart in de Tweede Kamer (motie Buitenweg en Van Nispen 21-12-2017,
                      Kamerstukken II, 2017-2018, 24 587, nr. 712, aangenomen in AO gevangeniswezen van 23-11-2017).
                 3    Algemene informatie over de werking van het stelsel van forensische zorg is te vinden in o.a. Meerjarenbeleid
                      inkoop forensische zorg 2014-2017, DJI 16 augustus 2013 ; Handboek forensische zorg (Ministerie van Justitie en
                      Veiligheid, editie 4, januari 2018) ; W. Roorda & W. Buysse, Forensische zorgtrajecten in het gevangeniswezen.
                      Onderzoek in zes penitentiaire inrichtingen naar signalering, indicatiestelling en plaatsing, DSP-groep 30 maart
                      2016. Ook in het RSJ-advies uit 2012 is een uitgebreid beeld geschetst van ontwikkelingen en knelpunten in de
                      forensische zorg.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>standaarden en protocollen voor zorg en behandeling, als via de opleiding van personeel.4
De investeringen op systeemniveau laten onverlet dat de praktijk weerbarstig blijft.
Daar spelen complicerende factoren als een toenemend aantal gedetineerden met
complexe psychische problematiek, terwijl op veel plaatsen sprake is van krappe
personeelscapaciteit en hoge werkdruk. De veelal korte detentieduur maakt goede zorg en
behandeling extra lastig te realiseren.
Met betrekking tot de zorg in en verwijzing vanuit het gevangeniswezen acht de Afdeling
op een aantal onderdelen verbetering noodzakelijk en formuleert daartoe in dit advies
enkele aandachtspunten en aanbevelingen.5
Bij de beoordeling van zorg aan gedetineerden baseert de Afdeling zich op algemeen
aanvaarde uitgangspunten met betrekking tot de psychische zorg voor justitiabelen:6
-- Het equivalentiebeginsel: de zorg in strafrechtelijk kader dient gelijkwaardig te zijn
     aan de zorg in de vrije maatschappij.
-- GGz-tenzij: dit betekent dat gedetineerden met een klinische indicatie wegens ernstige
     psychische problematiek in de (forensische) GGz worden geplaatst, tenzij er sprake is
     van een contra-indicatie.7
-- De forensische zorg is naast de behandeling van de psychische stoornis ook gericht
     op het terugdringen van het recidiverisico, onder meer door het verminderen van
     criminogene factoren.
-- Continuïteit van zorg: dit betreft de aansluiting op eventueel bestaande zorg
     voorafgaand aan en benodigde zorg aansluitend op detentie.
Op basis van deze uitgangspunten wordt in onderstaande ingegaan op: de kwaliteit
van de (forensische) zorg in de PI’s incl. de PPC’s (paragraaf 1); de aansluiting tussen
gevangeniswezen en GGz betreffende de behandeling onder justitiële titel (‘GGz-tenzij’)
(paragraaf 2); de aanpak van criminogene factoren als onderdeel van forensische zorg
(paragraaf 3); de continuïteit van zorg, betreffende de aansluiting op zorg voor en na
detentie (paragraaf 4). Tenslotte worden conclusies, aanbevelingen en aandachtspunten
benoemd (paragraaf 5).
1. Kwaliteit van de geboden zorg
Ondanks de ingezette verbeteringen is het realiseren van kwalitatief goede zorg op de
reguliere afdelingen in het gevangeniswezen en in de PPC’s lastig. Daarbij spelen zowel
factoren die te maken hebben met de gedetineerdenpopulatie als personele factoren een
rol.
1.1. Psychische zorg op de reguliere PI-afdelingen
Positief is dat het systeem goed is ingericht op het signaleren van eventueel aanwezige
psychische problematiek. Er is sprake van systematische screening en diagnostiek vroeg in
detentie. Tevens bestaat er, zoals hierboven aangegeven, in principe een gedifferentieerd
zorgaanbod. Daarnaast heeft de persoonsgerichte aanpak in het gevangeniswezen, met
name door het beleid van promoveren-degraderen, geleid tot toegenomen aandacht
voor het gedrag van individuele gedetineerden. Daardoor kan afwijkend gedrag (al dan
niet veroorzaakt door psychische stoornis en/of verslaving) eerder worden opgemerkt.
Gedetineerden worden periodiek besproken in het Multi Disciplinair Overleg (MDO) en
zonodig in het Psycho-Medisch Overleg (PMO).
Wat betreft de begeleiding en behandeling is de afgelopen jaren veel geïnvesteerd in de
beschikbaarheid van spv-ers (sociaal psychiatrisch verpleegkundigen) en psychiaters. In
alle PI’s zijn bovendien zogenaamde EZV-afdelingen (Extra Zorg Voorziening) ingericht.
Ook is voorzien in de mogelijkheid om ambulante zorgverleners aan te trekken. Dit alles
draagt bij aan een detentieklimaat waarin aandacht is voor de signalering en behandeling
van gedetineerden met psychische problematiek.
4    Zie bijvoorbeeld het portfolio Standaard Verrichtingen in de directe patiëntenzorg door psychologen GW en VB, (DJI) vastgesteld 4
     februari 2016.
5    Over de zorg in de forensische behandelcentra heeft de Afdeling recent geadviseerd. (Zie: Ontwikkelingen en Knelpunten bij
     Forensisch Psychiatrische Klinieken en Afdelingen, RSJ 2018.) Wat betreft de doorstroming en doorverwijzing is uiteraard sprake van
     enige overlap. Om herhaling te voorkomen zal waar nodig worden verwezen naar genoemd advies.
6    In het advies uit 2012 wordt uitgebreider ingegaan op de achtergrond van deze uitgangspunten.
7    Handboek Forensische zorg Ministerie Justitie en Veiligheid, editie 4, januari 2018, par. 3.2
                                                                2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Ondanks deze systemische verbeteringen blijken er hardnekkige problemen en knelpunten
te bestaan in het aanbod van psychische zorg binnen de PI’s, te weten:
-- Beperkt aantal EZV-plaatsen
    Binnen de PI’s is sprake van een aanhoudend hoog percentage gedetineerden met
    psychische problematiek (60% van de gedetineerden heeft een psychische stoornis,
    20% een ernstige stoornis), waarbij in het veld veelvuldig een toename van zware
    problematiek wordt gesignaleerd.8 Dat legt een grote druk op de beschikbare EZV-
    plaatsen, wat wordt versterkt doordat op de EZV ook ‘kwetsbare’ gedetineerden zoals
    zedendelinquenten verblijven, evenals gedetineerden die op de wachtlijst staan voor
    plaatsing in een PPC. Door krapte van de EZV-capaciteit verblijven gedetineerden met
    een grote zorgbehoefte soms noodgedwongen op reguliere gw-afdelingen.
-- Tekort aan (GZ)psychologen
    Op de reguliere gw-afdelingen staat de psychische zorg onder spanning door
    aanhoudende capaciteitsproblemen onder psychologen. De bestaande norm van één
    psycholoog op 180 gedetineerden lijkt niet (meer) te passen bij de zorgbehoefte van
    de populatie en evenmin bij de beleidsambities met betrekking tot de zorg in het
    gevangeniswezen (betreffende screening, diagnostiek, behandeling en doorverwijzing).
    Bijkomend probleem is dat beschikbare vacatures voor GZ-psychologen in de PI
    moeilijk te vervullen zijn. Door deze capaciteitsproblemen komen psychologen in de
    PI ook naar eigen zeggen nauwelijks toe aan de behandeling van ernstige psychische
    klachten en/of een hoog recidiverisico. Dit betreft zowel behandeling gericht op
    stabiliseren (bij crisis), als motiveren en meer op recidive gerichte interventies.9
    Met betrekking tot de benodigde capaciteit dient niet alleen rekening te worden
    gehouden met diagnostiek en behandeling, maar ook met taken rond de aansluiting
    op eventuele zorgtrajecten voorafgaand aan detentie, doorverwijzing naar forensische
    GGz en het regelen van aansluitende zorg na afloop van de justitiële titel. Gezien het
    grote aantal kortgestraften in detentie vergt vooral dat laatste veel tijd. Psychologen
    en andere medewerkers in de PI zijn dus behalve zorgverlener ook in hoge mate
    ‘zorgmakelaar’ en moeten voldoende tijd hebben om deze functie te kunnen vervullen.
-- Het functioneren van multidisciplinaire overleggen (PMO en MDO)
    Het overleg van de zorgprofessionals, het PMO, staat onder druk door het grote
    aantal gedetineerden met psychische problematiek en doordat de psychologen, als
    coördinator van het PMO, veel tijd kwijt zijn aan administratie. Binnen de beschikbare
    tijd ligt de nadruk op indicatiestelling en blijft onvoldoende tijd over voor het
    bespreken van complexe casuïstiek.10
    Ook met betrekking tot de kwaliteit van het MDO worden problemen gesignaleerd.
    Het functioneren van dit overleg, de belangrijkste schakel in het signaleren van
    afwijkend gedrag onder gedetineerden, staat (mede) als gevolg van opeenvolgende
    bezuinigingen binnen het gevangeniswezen onder druk. Door onder meer werkdruk
    en personele krapte kunnen bijvoorbeeld niet alle disciplines aanwezig zijn en/of zijn
    rapportages onvolledig gevuld, waardoor het MDO niet altijd optimaal functioneert.11
-- Korte detentieduur als complicerende factor voor behandeling en doorverwijzing
    De behandelmogelijkheden binnen de PI zijn beperkt door de vaak korte detentieduur
    (75% van de gedetineerden is twee maanden of korter gedetineerd). Die tijd is te kort
    voor behandeling. Als het dan lukt om te stabiliseren, te motiveren voor behandeling
    en benodigde zorg na afloop van detentie te regelen (zie hieronder, continuïteit van
    zorg), is al veel bereikt.
-- Ambulante zorg
    Voor gedetineerden met een langere detentieduur kan gebruik worden gemaakt van
    ambulante behandeling, doorgaans binnen de PI, aangeboden door gecontracteerde
8    Het hoge percentage gedetineerden met psychische problematiek wordt in onderzoeken bevestigd. Dat tevens sprake is van ver-
     zwaring van de problematiek wordt wel algemeen ervaren in het veld (zie o.a. Uit Balans, IJenV 2018; Ontwikkelingen en Knelpunten
     Forensisch Psychiatrische Klinieken en Afdelingen, RSJ 2018) maar kan vooralsnog niet uit de cijfers worden afgeleid (zie A.J.E.
     Dirkzwager en P. Nieuwbeerta, Psychische problemen tijdens detentie: een overzicht van kernresultaten uit het Prison Project in
     Proces 2018 (97) 1). Het nog lopende WODC-onderzoek naar deze problematiek kan hierover mogelijk meer duidelijkheid geven.
9    Het capaciteitsprobleem en de gevolgen voor het bieden van psychologische basiszorg wordt o.a. gesignaleerd in Behandelpro-
     gramma psychische basiszorg; Psychologische behandelmodules als onderdeel van de op stabilisatie, herstel en re-integratie gerichte
     psychische basiszorg in detentie en de vreemdelingenbewaring, DJI, Ministerie van Veiligheid en Justitie, 4 februari 2016, p.6. Het is
     tevens geconstateerd in W. Roorda & W. Buysse, Forensische zorgtrajecten in het gevangeniswezen. Onderzoek in zes penitentiaire
     inrichtingen naar signalering, indicatiestelling en plaatsing, DSP-groep 30 maart 2016.
10   W. Roorda & W. Buysse, Forensische zorgtrajecten in het gevangeniswezen. Onderzoek in zes penitentiaire inrichtingen naar signa-
     lering, indicatiestelling en plaatsing, DSP-groep 30 maart 2016
11   Zie Uit Balans, IJenV 2018.
                                                                    3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>    behandelaars uit de GGz. Dat heeft niet alleen een gunstig effect op de beschikbare
    zorgcapaciteit (die bovendien flexibel kan worden ‘ingekocht’) maar, in geval van
    regionale plaatsing, tevens op de nazorg. De patiënt is dan immers al bekend bij
    een behandelaar uit de GGz als de justitiële titel afloopt, wat voortzetting van de
    behandeling na detentie vergemakkelijkt.
    In de praktijk echter verloopt het inschakelen van (extern gecontracteerde) ambulante
    zorg soms moeizaam door de extra afstemming en tijdsinspanning die het van beide
    partijen vraagt.
1.2. Psychische Zorg in de PPC’s
De PPC’s zijn bestemd voor gedetineerden met een indicatie voor klinische zorg die op
grond van een contra-indicatie niet in de (forensische) GGz kunnen worden opgenomen.
Met betrekking tot de kwaliteit is in de PPC’s sprake van volwaardige zorg wat betreft
crisisinterventie en stabilisatie van beheersproblematische patiënten. Daartoe zijn
in relatief korte tijd veel procedures en protocollen ontwikkeld. Ook de sinds 2013
bestaande mogelijkheid tot het gebruik van dwangbehandeling, mits toegepast met
terughoudendheid (dus als ultimum remedium), met inachtneming van benodigde
zorgvuldigheidseisen en randvoorwaarden, heeft hieraan bijgedragen.
Een knelpunt betreft de beschikbare capaciteit van de PPC’s: er zijn wachtlijsten voor
plaatsing waardoor deze patiënten soms lang binnen de PI’s moeten verblijven, op een
EZV- of desnoods op een reguliere afdeling. De druk op de PPC-capaciteit wordt bovendien
versterkt doordat vanuit de PPC’s relatief weinig wordt doorverwezen naar de GGz (zie
onderstaande paragraaf).
2. ‘GGz-tenzij’ – doorverwijzing van gedetineerden naar forensische GGz
Wanneer bij gedetineerden een klinische opname is geïndiceerd, dient deze op grond
van het uitgangspunt ‘GGz-tenzij’ plaats te vinden binnen de (forensische) GGz, tenzij
sprake is van een contra-indicatie. In dat geval is plaatsing in een PPC geïndiceerd (dat
betreft doorgaans zware beheersproblematiek en een hoge beveiligingsnoodzaak). De
achterliggende gedachte daarbij is dat de penitentiaire omgeving minder geschikt is voor
de behandeling van patiënten met ernstige psychische problematiek.
Een positieve ontwikkeling is dat de mogelijkheid tot doorverwijzing naar de forensische
GGz vanuit het gevangeniswezen is verbeterd door uitbreiding van het aantal bedden in
de Forensisch Psychiatrische Klinieken (FPK’s) en Forensisch Psychiatrische Afdelingen
(FPA’s).12 De benodigde zorg wordt vraaggestuurd ingekocht door de Divisie Forensische
Zorg en Justitiële Jeugdinrichtingen (ForZo/JJI)13, met een adequate regie op plaatsing
via het Forensisch Plaatsingsloket. Ook is sprake van een verbeterde indicatiestelling en
verkorting van de doorlooptijden bij het NIFP.14 Tevens heeft een pilot plaatsgevonden met
betrekking tot de samenwerking tussen DJI en de GGz.15
Ondanks deze substantiële verbeteringen op systeemniveau, lijkt het uitgangspunt
‘GGz-tenzij’ in de praktijk nog maar beperkt geïmplementeerd. Dat betreft zowel de
doorverwijzing naar (forensische) GGz vanuit de PI’s in het algemeen als vanuit de PPC’s.
Diverse redenen worden benoemd:
-- Capaciteit
    Ondanks de vraaggestuurde inkoop geven professionals in de PI’s en PPC’s aan
    regelmatig te stuiten op een gebrek aan geschikte behandelplaatsen en op wachtlijsten
    in de forensische GGz. In hoeverre hier sprake is van een feitelijk capaciteitsprobleem
    of dat er andere problematiek speelt ten aanzien van de doorverwijzing, heeft de
    Afdeling niet kunnen vaststellen.
-- Doorverwijzing en ketensamenwerking
    Vanuit de PI’s wordt eerder doorverwezen naar een PPC dan naar een forensische
    behandelinstelling. Dat heeft aan de ene kant te maken met de complexere procedures
    rond indicatie en doorplaatsing naar de (forensische) GGz; doorverwijzing naar
    een PPC is eenvoudiger. Ook zouden GGz-instellingen niet altijd bereid zijn om de
    (complexe) delinquenten op te nemen. Aan de andere kant lijken behandelaars in
12   Zie Ontwikkelingen en Knelpunten Forensisch Psychiatrische Klinieken en Afdelingen,
13   Forzo/JJI is onderdeel van DJI.
14   Zie Beleidsreactie op RSJ-advies 2012, 30 augustus 2013.
15   Evaluatie Pilot DJI-GGZ, Dienst Justitiële Inrichtingen, Ministerie VenJ, 7 april 2014
                                                                4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>    de PI onvoldoende vertrouwen te hebben in de zorg die de GGz kan bieden aan deze
    doelgroep.
    Ook ten aanzien van het PPC heeft de Afdeling de indruk dat de focus meer is gericht
    op zelf behandelen dan op doorverwijzing, ook als daarvoor geen contra-indicatie
    bestaat en de patiënt volgens het vigerende beleid dient te worden behandeld in de
    forensische GGz.16
    De beoogde intensieve regionale ketensamenwerking tussen NIFP, PI’s en de
    forensische GGz lijkt daarmee nog niet structureel tot stand te zijn gekomen, terwijl
    dit gezien de korte detentieduur van groot belang is (onder andere wat betreft goede
    informatieoverdracht en soepele plaatsingsprocedures).17 Zo heeft het systeem van
    centrale indicatiestelling mogelijk als nadeel dat een psychiater in het PPC de gewenste
    overplaatsing van een gedetineerde naar een FPK of FPA niet in onderling overleg met
    de collega in de betreffende inrichting kan regelen, waardoor de professionele afstand
    groter blijft dan wenselijk.
3. Psychische zorg gericht op vermindering van criminogene factoren
Effectieve psychische zorg aan gedetineerden vraagt om een persoonsgerichte werkwijze
waarin behandeling samengaat met de aanpak van criminogene factoren (bijv. volgens het
What Works-model). Om effect te sorteren dient de behandeling voldoende intensief te
zijn en voltooid te kunnen worden (al dan niet transmuraal), waarbij vaak sprake zal zijn
van een combinatie van behandeling en beheersing (change and control).
Verslaving, maar ook factoren als cognitieve vaardigheden, antisociale attitude, lage
opleiding/verstandelijke beperking, schulden of het ontbreken van een sociaal netwerk
hebben grote invloed op het recidiverisico. Dat betekent dat bij behandeling van
psychische problematiek zonder aandacht voor deze factoren de kans op terugval in
criminaliteit groot is.
Deze aanpak van criminogene factoren krijgt naar het oordeel van de Afdeling
onvoldoende aandacht in de psychische zorg aan gedetineerden. Weliswaar worden binnen
de inrichtingen van DJI alle gedetineerden gescreend op de vijf leefgebieden, waaronder
de benodigde zorg, maar daarbij is naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende
ruimte voor interventies gericht op cognitieve vaardigheden, antisociale attitude en
verslavingsproblematiek.18
Vanuit het oogpunt van goede zorg en recidivepreventie acht de Afdeling verbetering
op dit punt noodzakelijk, bijvoorbeeld door een groter aanbod van werkzame
gedragsinterventies of psychische behandeling en begeleiding voor langer gestraften, al
dan niet ambulant ingekocht.
Met betrekking tot verslaving, één van de belangrijkste criminogene factoren, acht de
Afdeling aanpassing van het beleid noodzakelijk. In het vigerende drugsbeleid ligt de
focus op de beheersmatige kant (verbod van en controle op drugsgebruik), terwijl de
behandeling sterk is teruggedrongen met het verdwijnen van de verslavingsreclassering
en de verslavingsbegeleidings-afdelingen (VBA’s) uit de PI’s. De kortdurende trainingen
die nu in de PI’s beschikbaar zijn, zijn voor veel delinquenten onvoldoende. In een
uitgebreider programmatisch behandelaanbod is alleen voorzien in het kader van de ISD-
maatregel.
In aansluiting op hetgeen is gesteld in eerdere adviezen geeft de Afdeling in overweging
om de aanpak van verslaving in het gevangeniswezen meer te laten aansluiten bij best
practices (uit vooral Angelsaksische landen). Een goede aanpak impliceert bij voorkeur
een intensief (drugvrij) transmuraal behandelprogramma, dat start in detentie en
(naadloos) doorloopt na – al dan niet voorwaardelijk – ontslag.19
4. Continuïteit van zorg – voortzetting na afloop van justitiële titel
De meeste psychische stoornissen hebben een langdurig of chronisch karakter. Daarmee is
aansluiting op zorg voorafgaand aan en aansluitend op detentie van groot belang.
De detentiesituatie biedt, met de mogelijkheid tot (kortdurende) behandeling gekoppeld
aan een duidelijke structuur en toezicht, goede mogelijkheden om de gedetineerde te
16   Zie o.a. beleidsreactie op het advies uit 2012 en Handboek Forensische Zorg, Ministerie JenV, editie 4, 2018.
17   Zie ook W. Roorda & W. Buysse, Forensische zorgtrajecten in het gevangeniswezen. Onderzoek in zes penitentiaire inrichtingen naar
     signalering, indicatiestelling en plaatsing, DSP-groep 30 maart 2016.
18   Voor de gesignaleerde problemen m.b.t. het organiseren van zorg als een van de vijf leefgebieden: zie het advies Van detineren
     naar re-integreren, RSJ 13 juli 2017.
19   Zie o.a. NIDA, Principles of Drug Abuse Treatment for Criminal Justice Populations 2014.
                                                                5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>stabiliseren, te motiveren voor verdere behandeling en eventuele criminogene factoren
aan te pakken. De eventueel bereikte resultaten gaan echter na afloop van de justitiële
titel snel verloren als niet is voorzien in aansluitende zorg. Dit is niet alleen ongewenst
vanuit behandeloogpunt maar ook omdat dan de kans op recidive onveranderd hoog blijft.
In principe biedt de ‘levensloopbenadering’ binnen het gevangeniswezen een kader voor
het organiseren van deze ‘doorzorg’, maar in de praktijk blijft het organiseren daarvan in
meerdere opzichten een moeilijke opgave.
Dat op dit vlak verbeteringen nodig zijn, wordt breed erkend en is recentelijk
geadresseerd in het Landelijke Programma Continuïteit van zorg, specifiek gericht op de
overgang van forensische naar reguliere zorg. Dat programma heeft geleid tot concrete
aanbevelingen die, blijkens de beleidsreactie op de eindrapportage, nader worden
uitgewerkt.20 De Afdeling onderschrijft de noodzaak van de aangekondigde inspanningen
met betrekking tot procedures, financiering, benodigde capaciteit en de aansluiting tussen
zorgsystemen (van justitie en GGz).
In aanvulling daarop benoemt de Afdeling in dit verband vooral de problemen waarmee
professionals in het gevangeniswezen te maken hebben en die deels samenhangen met
eerder genoemde problemen en knelpunten.
De vaak korte detentieduur maakt dat psychologen en andere zorgprofessionals in
de inrichting weinig tijd hebben om de noodzakelijke informatie te verzamelen over
zorgtrajecten voorafgaand aan detentie, eventueel te overleggen met de betreffende
behandelaars en om de doorverwijzing naar de reguliere GGz te regelen. Als dat nog niet
is gelukt als de justitiële titel eindigt (de ontslagdatum), is er geen mogelijkheid om de
(ex)gedetineerde nog even ‘binnen te houden’ tot de overplaatsing is geregeld.
Een complicerende factor is dat een deel van de delinquenten niet gemotiveerd is voor
zorg of behandeling na afloop van de straf en het tijdens een korte detentie vaak niet lukt
om hen te motiveren.
Het in kaart brengen van lopende zorgtrajecten en het organiseren van benodigde
nazorg is bovendien arbeids- en tijdsintensief voor met name de psychologen, zeker
als gedwongen zorg is geïndiceerd waarvoor een (civiele) zorgmachtiging moet worden
aangevraagd.
Om te voorkomen dat zorgbehoevende gedetineerden zonder passende zorg of
opnameplek worden ontslagen uit de PI, acht de Afdeling het van groot belang dat
hiervoor binnen het gevangeniswezen voldoende capaciteit, deskundigheid en middelen
beschikbaar zijn.
5. Conclusies en aanbevelingen
De Afdeling constateert dat er binnen het gevangeniswezen veel is geïnvesteerd in de
zorg voor gedetineerden met psychische problematiek. Belangrijke ontwikkelingen daarbij
zijn de invoering van de persoonsgerichte benadering, de inkoop van forensische zorg, de
ruimere mogelijkheden voor (dwang)behandeling in het PPC en kwaliteitsprojecten zoals
het Kwaliteitsproject Forensische Zorg. Daarmee kent het systeem zowel zorgdifferentiatie
als kwaliteitsbewaking en –ontwikkeling.
In de praktijk echter bestaan nog knelpunten wat betreft de kwaliteit van de geboden
zorg, de implementatie van het ‘GGz-tenzij’ beleid, de aanpak van criminogene factoren
en de aansluiting op zorg na afloop van de justitiële titel.
Daartoe formuleert de Afdeling de volgende aanbevelingen:
-- Uitbreiding van de formatie van psychologen in de PI’s
     Het hoge percentage gedetineerden met psychische problematiek vraagt om
     aanpassing van de norm van 1 psycholoog op 180 gedetineerden, deze dient naar
     boven te worden bijgesteld. Met het oog op de beschikbare financiële middelen kan
     worden overwogen om de benodigde professionele formatie deels te realiseren door
     de inzet van andere dan GZ-psychologen, bijvoorbeeld waarbij basispsychologen onder
     regie van GZ-psychologen werken. Ook kan worden gedacht aan het werven van
     verpleegkundig specialisten of sociaal psychiatrisch verpleegkundigen.
     Gezien de schaarste op de arbeidsmarkt is het wenselijk om via goed en consistent
     personeelsbeleid (scholing, carrièremogelijkheden, takenpakket) een positief
     arbeidsklimaat te bevorderen en uitwisseling met GGz-instellingen te stimuleren.
20   Kamerstukken II, 2016-2017, 33 628, nr. 19.
                                                 6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>-- Uitbreiding van de EZV-capaciteit in de PI’s
    Gezien de grote druk op de beschikbare EZV-plaatsen, waardoor gedetineerden met
    (ernstige) psychische problematiek regelmatig op reguliere gw-afdelingen moeten
    verblijven, geeft de Afdeling in overweging om het aantal EZV-plaatsen uit te breiden.
-- Onderzoek de druk op de beschikbare PPC-plaatsen
    De Afdeling acht nader onderzoek naar de benodigde PPC-capaciteit wenselijk.
    Enerzijds leiden wachtlijsten bij de PPC’s tot problemen op de EZV’s en reguliere
    afdelingen in het gevangeniswezen, anderzijds kan een goede doorstroming naar de
    forensische GGz (zie onderstaande aanbeveling over ‘GGz-tenzij’) de behoefte aan
    PPC-plaatsen doen afnemen.
-- Betere invulling van ‘GGz-tenzij’
    Onderzoek de achtergronden en oorzaken van de problemen met de doorverwijzing
    vanuit de reguliere PI-afdelingen en de PPC’s, gericht op eventuele capacitaire
    problemen, procedures, cultuurverschillen en beeldvorming (tussen justitie en GGz).
    Investeer tevens in transmurale synergie tussen het justitiële systeem en de GGz door
    onder meer de ontwikkeling en implementatie van een gedeelde zorgvisie en goede
    informatie-uitwisseling in de keten (zie ook aanbeveling 2012).
-- Aandacht voor criminogene factoren
    Versterk met betrekking tot de screening op de vijf leefgebieden in het
    gevangeniswezen de invulling van de zorg (ten minste voor langer gestraften).
    Intensiveer daarbij de aanpak van criminogene factoren als cognitieve vaardigheden,
    antisociale attitude en verslaving en realiseer een daarbij passend aanbod van
    werkzame interventies.
    Overweeg de uitbreiding van verslavingsbehandeling en –begeleiding binnen
    het gevangeniswezen en onderzoek mogelijkheden van intensieve transmurale
    verslavingsbehandeling (zoals die bestaat in veel Angelsaksische landen).
-- Versterking continuïteit van de zorg
    Intensiveer, in lijn met wat is aangekondigd in de beleidsreactie op het Programma
    Continuïteit van zorg, de inspanningen ten aanzien van de aansluiting op zorg
    voorafgaand aan en na afloop van de justitiële titel. Samenwerking van PI- en PPC-
    directies met GGz-instellingen en andere zorginstanties (zoals vormen van begeleid
    en beschermd wonen) lijkt daartoe aangewezen, evenals het faciliteren van de
    doorstroom door vereenvoudiging van administratieve en financiële procedures rond
    indicatiestelling en overplaatsing. Daarnaast kan een intensivering van de ambulante
    hulpverlening in de PI’s bijdragen aan een betere nazorg omdat, in geval van regionale
    plaatsing, de (ex)gedetineerde dan al bekend is bij een GGz-behandelaar.
De Afdeling is, tot slot, positief over de ontwikkelingen die al gaande zijn, evenals over
de grote inspanningen en betrokkenheid van het personeel ondanks de altijd hectische
werkomgeving in het gevangeniswezen.
Met deze brief beoogt de Afdeling bij te dragen aan verdere verbetering van de psychische
zorg voor gedetineerden en is daarbij graag bereid een en ander nader toe te lichten.
Hoogachtend,
namens de Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en
Jeugdbescherming,
mr. L.A.J.M. de Wit, voorzitter Afdeling advisering
                                            7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>