<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Advies uitvoering gevangenisstraffen
Reactie op de kabinetsvisie Recht doen, kansen bieden
                                                      Den Haag, 23 augustus 2018
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Advies uitvoering gevangenisstraffen
Reactie op de kabinetsvisie Recht doen, kansen bieden
Samenvatting
Met dit advies reageert de Afdeling advisering van de RSJ (hierna: de Afdeling) op de in
juni 2018 verschenen visie van het kabinet op de tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen
Recht doen, kansen bieden. De belangrijkste punten uit het advies zijn:
-- De visie bevat een aantal goede elementen, maar is beperkt van opzet. De voorgenomen
    maatregelen hebben vooral betrekking op de lang(er)gestraften. Dat betreft slechts
    25% van de gedetineerdenpopulatie. Een visie op gedetineerden die drie maanden of
    korter in detentie verblijven (75%) ontbreekt grotendeels. Ook wordt niet ingegaan op
    alternatieven voor (korte) vrijheidsbeneming en vormen van vrijheidsbeperking.
-- Ten aanzien van verschillende strafdoelen ligt het accent sterk op vergelding en veel
    minder op resocialisatie; strafdoelen dienen meer in balans te zijn en evenredig
    aandacht te krijgen.
-- Aan de resocialisatie van de gedetineerde wordt te weinig aandacht besteed.
    Resocialisatie is in het belang van een veilige terugkeer naar de samenleving en een
    strafdoel op zich; het omvat meer dan de genoemde praktische re-integratieactiviteiten.
-- Onduidelijk is welke maatregelen het kabinet neemt om een structurele
    gedragsverandering bij de gedetineerde te bevorderen teneinde de kans op recidive te
    verminderen.
-- Veel aandacht gaat uit naar de aanscherping van de regeling van de voorwaardelijke
    invrijheidstelling waarover de Afdeling eerder het Advies inzake detentiefasering en
    voorwaardelijke invrijheidstelling heeft uitgebracht. De maximale termijn van twee
    jaar voor de voorwaardelijke invrijheidstelling biedt niet voldoende mogelijkheden
    voor de resocialisatie van langgestraften. Een langere termijn (als onderdeel van de
    vrijheidsstraf) maakt het mogelijk langer begeleiding te bieden en toezicht te houden
    op de terugkeer van gedetineerden in de samenleving (denk aan onder andere
    behandeling, toezicht, meldplicht en locatieverboden). De huidige regeling van verlening
    van voorwaardelijke invrijheidstelling werkt goed in de praktijk. Dit blijkt uit recent
    evaluatieonderzoek, waaruit ook naar voren komt dat het verlenen van invrijheidsstelling
    onder voorwaarden zeker geen automatisme is.
-- De aanscherping van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling heeft als
    bijkomstig gevolg dat bij een gecombineerde gevangenisstraf met tbs, de behandeling
    in het Forensisch Psychiatrisch Centrum pas op zijn vroegst twee jaar vóór afloop van de
    gevangenisstraf kan starten. Dit is onwenselijk uit het oogpunt van behandeleffectiviteit.
-- Aantoonbaar goed gedrag tijdens detentie wordt meer dan voorheen bepalend
    voor het verlenen van extra vrijheden tijdens detentie, verlof en voorwaardelijke
    invrijheidstelling. De Afdeling staat positief tegenover een persoonsgerichte benadering
    waarbij de nadruk ligt op het stimuleren van goed gedrag. Een positieve, constructieve
    omgeving is in belangrijke mate bepalend voor het vertonen van goed gedrag. In
    penitentiaire inrichtingen is dat allesbehalve een vanzelfsprekendheid. Deze inrichtingen
    bieden in zijn algemeenheid geen optimale omgeving. De Afdeling stelt met het kabinet
                  Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
                                                          2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>    vast dat een groot deel van de gevangenispopulatie niet of beperkt in staat is om zijn
    gedrag aan te passen vanwege een verslaving, psychische stoornis en/of een licht
    verstandelijke beperking. Zij willen hun gedrag misschien wel veranderen maar kunnen
    dit vaak niet of in beperkte mate. Gedetineerden met een licht verstandelijke beperking
    (45% van de gevangenispopulatie) zijn niet zelfredzaam en hebben ondersteuning en
    begeleiding nodig, tijdens detentie en daarna.
-- Het is positief dat er meer aandacht is voor de screening en ondersteuning bij de re-
    integratie van gedetineerden, inclusief de kortgestraften. Het is misschien de vraag of
    deze ambities op het gebied van ondersteuning bij re-integratie haalbaar zijn maar dat
    doet niets af aan het belang van (snelle) screening en ondersteuning bij re-integratie
    direct bij het begin van detentie.
-- De rol van de gemeenten blijft in de visie onderbelicht gezien de kennis die zij hebben,
    de rol die zij spelen bij het op orde brengen van de basisvoorwaarden voor een goede
    re-integratie en de inspanningen die de gemeenten nu al plegen in de inrichtingen. De
    uitwisseling van persoonsgegevens van gedetineerden tussen de penitentiaire inrichting
    en de gemeenten in het kader van re-integratie is zeer van belang maar naar het oordeel
    van de Afdeling nog niet goed geregeld.
-- De reclassering zou een structurele plaats en verantwoordelijkheid moeten krijgen in de
    penitentiaire inrichtingen, al dan niet als casemanager.
-- Het voorstel voor de invulling van verlof voor arbeid en praktische re-integratieactiviteiten
    is onvoldoende om van detentiefasering te kunnen spreken. Het is bijvoorbeeld van
    groot belang dat de gedetineerde de gezinsbanden kan onderhouden middels bezoek
    en verlof om detentieschade te beperken, tenzij dat niet in het belang is van de andere
    gezinsleden.
Inleiding
In juni 2018 heeft het kabinet haar visie op het gevangeniswezen Recht doen, kansen bieden:
naar effectievere gevangenisstraffen (hierna: de visie) gepresenteerd.1 Deze visie ziet op
de tenuitvoerlegging van aan volwassenen opgelegde gevangenisstraffen in penitentiaire
inrichtingen (PI’s) en is een uitwerking van een aantal aangekondigde maatregelen uit het
regeerakkoord Vertrouwen in de toekomst. Met dit advies reageert de Afdeling advisering van
de RSJ (hierna: de Afdeling) op de visie.
Volgens het kabinet is de huidige uitvoering van gevangenisstraffen niet altijd effectief. Een
effectieve gevangenisstraf dient volgens het kabinet een dubbel doel, te weten vergelding
en het verminderen van recidive. Om recht te doen aan het rechtvaardigheidsgevoel
van slachtoffers, nabestaanden en de samenleving en het maatschappelijk draagvlak te
vergroten wordt de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) aangescherpt.
Met het beperken en gerichter verlenen van re-integratieverlof beoogt het kabinet een
veilige terugkeer in de maatschappij te bevorderen. Het al dan niet verlenen van een v.i.
en re-integratieverlof wordt mede afhankelijk gemaakt van ‘goed’ en ‘slecht’ gedrag van de
gedetineerde tijdens de gehele detentieperiode.
   1   Recht doen, kansen bieden. Naar effectievere gevangenisstraffen (Visie op gevangenisstraffen), bijlage bij
       Kamerstukken II 2017/18, 29 279, nr. 439.
                    Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
                                                            3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Algemene opmerkingen
In vergelijking met eerdere nota’s over de sanctietoepassing die sinds de jaren tachtig
verschenen zijn2, ontbreekt in deze visie een uitgebreide analyse van de sanctietoepassing.
Het valt op dat de volgende onderwerpen niet of nauwelijks besproken worden:
-- een visie op vrijheidsbeneming in het algemeen, mede in relatie tot vrijheidsbeperking;
-- de ‘voorlopig gehechten’, een categorie gedetineerden die relevant is omdat de periode
    doorgebracht in voorlopige hechtenis meestal verdisconteerd wordt in het vonnis en in
    die zin dus ‘integraal’ deel uitmaakt van de gevangenisstraf; het betreft bovendien een
    grote groep gedetineerden3;
-- dat vrijheidsbeneming doorgaans van relatief korte duur is4;
-- de grote veranderingen van de afgelopen jaren: na jaren van uitbreiding van het aantal
    plaatsen een daling van de benodigde gevangeniscapaciteit en sluiting van PI’s;
-- de afname van het aantal gedetineerden5 en mogelijke oorzaken die hieraan ten
    grondslag liggen;
-- dat de detentieratio van 51 behoort tot één van de laagste van Europa (in 2007 nog
    137)6;
-- het belang van resocialisatie. Het resocialisatiebeginsel lijkt te zijn teruggebracht tot
    re-integratie gericht op een aantal praktische zaken (de vijf basisvoorwaarden voor een
    goede re-integratie)7;
-- een visie op vrijheidsbeneming van bijzondere groepen gedetineerden zoals de
    levenslang gestraften en terroristen;
-- referenties aan (soms grootschalig) Nederlands gevangenisonderzoek.8
De visie van het kabinet is beperkt van opzet. Hierin wordt niet ingegaan op een aantal
belangrijke ontwikkelingen uit de afgelopen jaren zoals de afname van het aantal
vrijheidsstraffen en de stabilisatie van de toepassing van andere sanctievormen waaronder
vrijheidsbeperking. Veel aandacht gaat uit naar de aanpassing van de v.i.-regeling. Een
voorontwerp van wet ter zake is in mei-juni van dit jaar in consultatie is gegaan. De
Afdeling heeft op 12 juni 2018 een advies uitgebracht over de aanpassing van de regeling
   2  Nota werkzame detentie, Kamerstukken II 1993/94, 22 999, nr. 2.; Taak en toekomst van het Nederlandse
      gevangeniswezen, Kamerstukken II 1981/82, 17 539, nr. 2. Sancties in perspectief, bijlage bij Kamerstuk-
      ken II 2000/01, 27 419, nr. 1, dat een heroriëntatie op de toepassing van vrijheidsbeperkende straffen en
      vrijheidsstraffen bij volwassenen bevat. In het recente verleden zijn beleidsnota’s verschenen over speci-
      fieke thema’s zoals het Masterplan DJI 2013-2018 van maart 2013, de Modernisering van het gevangenis-
      wezen (MGW) waarin de persoonsgerichte benadering is geïnitieerd en het Dagprogramma, Beveiliging en
      Toezicht op maat (DBT) betreffende de invoering van het beleid van promoveren en degraderen.
   3  DJI in getal 2012-2016. De divisies GW/VB en ForZo/JJI nader belicht, Den Haag: DJI, 2017, p.18, totale
      instroom 33.056 gedetineerden waarvan 13.350 in voorlopige hechtenis.
   4  Zie DJI in getal 2012-2016. De divisies GW/VB en ForZo/JJI nader belicht, Den Haag: DJI, 2017, p. 34,
      tabel 2.12 voor de totale uitstroom (inclusief voorlopig gehechten) en tabel 2.13 voor de uitstroom per ca-
      tegorie. Totale uitstroom 2016: 33.475 waarvan 10.073 < 2 weken (30%), 8.274 van 2 weken tot 1 maand
      (25%) en 6.787 van 1 maand tot 3 maanden (20%) (cumulatief 75%).
   5  DJI in getal 2012-2016. De divisies GW/VB en ForZo/JJI nader belicht, Den Haag: DJI, 2017, p. 18, Na eer-
      dere stijgingen in 2013 en 2014 is de totale instroom in 2015 en 2016 afgenomen. In totaal is de instroom
      in 2016 ten opzichte van 2014 met ruim 8.300 personen afgenomen (minus 20%). Ten opzichte van 2012 is
      de daling 15%.
   6  In Nederland zijn 51 op de 100.000 inwoners gedetineerd, zie DJI in getal 2012-2016. De divisies GW/VB en
      ForZo/JJI nader belicht, Den Haag: DJI, 2017, p. 10.
   7  De vijf basisvoorwaarden hebben betrekking op: huisvesting, inkomen (werk of uitkering), schuldhulpverle-
      ning, identiteitsbewijs en zorg(verzekering).
   8  Bijvoorbeeld onderzoek in het kader van het Prison Project van de Universiteit Leiden, Universiteit Utrecht
      en het NSCR, of de leefklimaatonderzoeken van DJI, de Universiteit Utrecht en de Universiteit Leiden. Ook
      onderzoek naar de toepassing van voorlopige hechtenis van de Universiteit Leiden en recent onderzoek naar
      de voorwaardelijke invrijheidstelling van de Erasmus Universiteit is in dit verband relevant.
                    Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
                                                            4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>van de v.i.9. In dit advies worden alleen de kernpunten uit dat advies genoemd.
De nota Recht doen, kansen bieden heeft vooral betrekking op gedetineerden die drie
maanden of langer in detentie verblijven. Dat is slechts 25% van de gevangenispopulatie.
In zijn Visie op strafrechtelijke sanctietoepassing (2016) heeft de Afdeling aandacht
gevraagd voor de resocialisatie van kortgestraften. De Afdeling is benieuwd naar de visie
van het kabinet op de tenuitvoerlegging van straffen die korter duren dan drie maanden.
Hiervoor is in de kabinetsvisie relatief weinig aandacht, terwijl deze relatief korte duur nota
bene betrekking heeft op 75% van alle gedetineerden. Ook mist de Afdeling een visie op
alternatieven voor korte vrijheidsbeneming.10 Een ander punt betreft de veronderstelling dat
de huidige uitvoering van vrijheidsstraffen niet goed is. De Afdeling mist een onderbouwing
voor deze stelling. Gebruikte termen als ‘geloofwaardigheid’ en ‘rechtvaardigheidsgevoel’
worden niet nader toegelicht of onderbouwd met bijvoorbeeld onderzoeksgegevens. In
de visie van het kabinet ligt de nadruk op het strafdoel van vergelding, onder meer door
aanpassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Het strafrecht dient
echter ook andere doelen waaronder de resocialisatie van de gedetineerde in het belang
van een veilige terugkeer naar de samenleving. Dit strafdoel is wettelijk verankerd in de
Penitentiaire beginselenwet (artikel 2 lid 2 Pbw). De Afdeling heeft eerder in zijn Visie op
strafrechtelijke sanctietoepassing (2016) aangegeven dat het strafrecht meerdere doelen
dient en dat een zekere balans in die doelen gewenst is.11 Resocialisatie omvat meer dan
de genoemde concrete re-integratieactiviteiten en is van groot belang voor de gedetineerde
zelf, zijn sociale omgeving en de samenleving als geheel.12
Hierna gaat de Afdeling in op de afzonderlijke uitgangspunten die in de kabinetsvisie
centraal staan: 1. Straf is straf, 2. Gedrag telt en 3. Werken aan een veilige terugkeer.
1.        Straf is straf
Het eerste uitgangspunt ‘straf is straf’ houdt volgens het kabinet in dat straffen
geloofwaardig moeten worden uitgevoerd. Een gevangenisstraf moet genoegdoening bieden
aan slachtoffers, nabestaanden en de maatschappij.13 Aan het vergeldende kenmerk van
   9 RSJ, Advies detentiefasering en voorwaardelijke invrijheidstelling, Den Haag: RSJ, 2018.
   10 In dit verband wijst de Afdeling op de aanpak van geprioriteerde groepen in de zorg- en veiligheidshuizen.
       De toepassing van gedragsinterventies in het kader van vrijheidsbeperkende maatregelen (voorwaarde-
       lijke modaliteiten) lijkt aan belang te winnen en de resultaten lijken veelbelovend en effectief. De Afdeling
       heeft in zijn Visie op strafrechtelijke sanctietoepassing aangegeven dat het wenselijk is om het aantal korte
       vrijheidsstraffen terug te dringen en te vervangen door alternatieve sancties omdat korte vrijheidsstraffen
       nauwelijks enig doel dienen. Bij korte vrijheidsstraffen is er niet genoeg tijd om probleemgedrag te verande-
       ren en het levert detentieschade op, zoals verlies van een baan, inkomen en huisvesting, hetgeen weer kan
       leiden tot een groter recidiverisico , zie p. 27.
   11 RSJ, Visie op strafrechtelijke sanctietoepassing: Versterken van samenhang, betrokkenheid en vertrouwen,
       Den Haag: RSJ, 2016, p. 11 en 25.
   12 Resocialisatie is het zich opnieuw eigen maken van maatschappelijke normen, waarden en gedrag, waardoor
       wordt voorkomen dat iemand (opnieuw) in botsing komt met de maatschappij. Resocialisatie in een justiti-
       eel kader is een strafdoel op zichzelf. Dit kan gebeuren door gedragsinterventies, therapie, het bijbrengen
       van empathie voor het slachtoffer en ‘gewoon’ door op de regels te wijzen. Re-integratie – al dan niet na de-
       tentie - betreft vooral de feitelijke herinpassing in de maatschappij op sociale domeinen als wonen, werken,
       relaties en vrije tijd. Het gaat in vergelijking met (re)socialiseren meer om het aanleren van vaardigheden
       en methoden van coping, dan om het zich eigen maken van normen en waarden, zie: RSJ, Reclassering in
       een veranderende omgeving: Implicaties van Visie op strafrechtelijke sanctietoepassing voor het reclasse-
       ringswerk, Den Haag: RSJ, 2017, p. 8-9.
   13 Recht doen, kansen bieden. Naar effectievere gevangenisstraffen (Visie op gevangenisstraffen), bijlage bij
       Kamerstukken II 2017/18, 29 279, nr. 439, p. 2.
                      Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
                                                              5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>de gevangenisstraf moet meer recht worden gedaan bij de uitvoering van de straf, aldus
de visie. Om hieraan tegemoet te komen is het kabinet voornemens om de regeling van de
voorwaardelijke invrijheidstelling aan te scherpen. De belangrijkste aanpassingen betreffen
de maximering van de v.i.-termijn op twee jaar, de verlening van v.i. op basis van een
individuele afweging en beoordeling in plaats van een verlening van rechtswege en de
invoering van toetsingscriteria voor de verlening van v.i..
De Afdeling heeft op 12 juni 2018 negatief geadviseerd over de voorgestelde aanpassing
van de v.i.-regeling.14 De Afdeling is van mening dat een maximale v.i.-termijn van twee
jaar niet voldoende mogelijkheden biedt voor de resocialisatie van langgestraften. Een
langere v.i.-termijn (als onderdeel van de vrijheidsstraf) maakt het bovendien mogelijk
langer begeleiding te bieden en toezicht te houden op de terugkeer van gedetineerden in de
samenleving (denk aan onder andere behandeling, toezicht, meldplicht en locatieverboden).
De Afdeling pleit voor behoud van de huidige regeling van verlening van v.i. van rechtswege
temeer daar uit het evaluatieonderzoek van de Erasmus Universiteit blijkt dat de huidige
regeling in de praktijk voldoet en zeker geen automatisme is.15 De Afdeling kan zich wel
vinden in een meer op de persoon gerichte aanpak maar die kan ook worden bereikt door
uitbreiding van de gronden voor afstel of uitstel van v.i. (huidig artikel 15d lid 1 sub b Sr).
In aanvulling op het RSJ-advies van 12 juni 2018 vraagt de Afdeling aandacht voor de
situatie waarin een gedetineerde een gecombineerde gevangenisstraf met tbs heeft
opgelegd gekregen. Onder de huidige regeling gaat de gedetineerde met een combinatie
rond de v.i.-datum, na twee derde van de gevangenisstraf, naar het Forensisch Psychiatrisch
Centrum. In de periode 1997-2010 was dat eerder, namelijk al na een derde van de
gevangenisstraf.16 Volgens de nieuwe voorgestelde regeling van de v.i. zou de tbs-
behandeling pas op zijn vroegst twee jaar vóór afloop van de gevangenisstraf kunnen
starten (bij goed gedrag). Dit zou betekenen dat de behandeling bij bijvoorbeeld een
combinatiestraf van 18 jaar met tbs pas na 16 jaar of later kan starten.17 Dit acht de
Afdeling onwenselijk. In haar advies over het Besluit forensische zorg heeft de Afdeling
al geadviseerd om de huidige v.i.-datum te handhaven voor tbs-gestelden met een
combinatiestraf vanuit het oogpunt van behandeleffectiviteit.18 Daarnaast adviseerde de
Afdeling om de rechter meer ruimte te geven om zich bij tbs-opleggingen uit te spreken
over de wenselijkheid van een eerdere start van de tbs-behandeling. De essentie van de
tbs-maatregel is niet gelegen in een zo lang mogelijke opsluiting maar in een zo effectief
mogelijke behandeling gericht op een veilige terugkeer in de samenleving.
   14 RSJ, Advies inzake detentiefasering en voorwaardelijke invrijheidstelling, Den Haag: RSJ, 2018.
   15 J. Beijerse e.a, De praktijk van de voorwaardelijke invrijheidstelling in relatie tot speciale preventie en re-
      integratie, Rotterdam: Erasmus School of Law, 2018.
   16 Volgens de zogenaamde Fokkensregeling.
   17 Onder de zogenaamde Fokkensregeling na zes jaar detentie en momenteel na 12 jaar detentie, zie Stb.
      2010, 312 (Afschaffing van de Fokkensregeling).
   18 RSJ, Advies Besluit forensische zorg in samenhang met de Besluiten verplichte ggz en zorg en dwang, Den
      Haag: RSJ, 2018, p. 12.
                    Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
                                                            6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Conclusies:
-- De huidige regeling van de v.i. voldoet en er is geen sprake van een automatisme bij de
     verlening van v.i. van rechtswege (zie ook de evaluatie van de EUR).
-- De Afdeling pleit primair voor behoud van de v.i. van rechtswege (‘v.i., tenzij’).
-- Een maximum v.i.-termijn van twee jaar beperkt de mogelijkheden voor de resocialisatie
     van langgestraften teveel. Een langere v.i.-termijn maakt het mogelijk om langer
     begeleiding te bieden en toezicht te houden op de terugkeer van gedetineerden in de
     samenleving, bijvoorbeeld door alcohol- en drugscontrole, behandeling, elektronisch
     toezicht, meldplicht, trainingen en locatieverboden.
-- De voorgestelde v.i.-regeling heeft als bijkomstig gevolg dat bij een gecombineerde
     gevangenisstraf met tbs, de behandeling pas op zijn vroegst twee jaar vóór afloop van
     de gevangenisstraf kan starten (op de v.i.-datum). Dit is onwenselijk uit het oogpunt van
     behandeleffectiviteit.
Aanbevelingen:
-- Handhaaf de verlening van de v.i. van rechtswege. Een meer op de persoon gerichte
     aanpak kan worden bereikt door uitbreiding van de gronden voor afstel of uitstel van v.i.
     (huidig artikel 15d lid 1 sub b Sr).
-- Indien het kabinet toch besluit de verlening van de v.i. van rechtswege af te schaffen
     beveelt de Afdeling aan om de huidige termijn voor v.i. te handhaven. Dat wil zeggen
     dat gedetineerden met een straf van meer dan twee jaar na het ondergaan van twee
     derde daarvan in beginsel in aanmerking komt voor v.i. Bij vrijheidsstraffen van meer
     dan één jaar en ten hoogste twee jaren wordt v.i. toegekend wanneer de straf ten
     minste een jaar heeft geduurd en twee derde van het resterende deel is uitgezeten. De
     Afdeling beveelt aan het verlenen van v.i. en de op te leggen bijzondere voorwaarden
     – indachtig de persoonsgerichte aanpak – mede afhankelijk te maken van de persoon in
     kwestie en diens problematiek, ook in relatie tot de positie van het slachtoffer en diens
     familie.
-- Handhaaf de huidige v.i.-datum voor tbs-gestelden met een combinatiestraf vanuit het
     oogpunt van behandeleffectiviteit.
-- Geef de rechter meer ruimte om zich bij tbs-opleggingen uit te spreken over de
     wenselijkheid van een eerdere start van de tbs-behandeling.
Voor een overzicht van alle conclusies en aanbevelingen met betrekking tot de voorgestelde
v.i.-regeling verwijst de Afdeling naar het advies van 12 juni 2018 dat op de website van de
RSJ is gepubliceerd.
2.       Gedrag telt
Het tweede uitgangspunt in de visie van het kabinet betreft de eis van goed gedrag.
Van gedetineerden wordt verwacht dat zij zich als een goed burger gedragen en zelf
verantwoordelijkheid nemen voor hun gedrag tijdens detentie en na detentie. De Afdeling
mist evenwel een uitwerking van hetgeen wordt aangemerkt als ‘goed gedrag’. Een
positieve, constructieve omgeving is in belangrijke mate bepalend voor het vertonen van
                  Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
                                                          7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>goed gedrag. In PI’s is dat niet vanzelfsprekend. Deze inrichtingen vormen in dat opzicht
geen optimale omgeving.19 Hoewel het op zich een goede zaak is om gedetineerden te
stimuleren en grenzen te stellen is de Afdeling van mening dat dit in ieder geval voor een
(aanzienlijk) deel van de gedetineerden geen realistisch uitgangspunt is. De praktijk wijst
uit dat een groot deel van de gevangenispopulatie kampt met een verslaving, psychische
stoornis en/of een licht verstandelijke beperking (lvb). Deze mensen willen hun gedrag
misschien wel veranderen maar kunnen dit vaak niet of in beperkte mate.20 Daarbij komt
dat een PI geen ideale plaats is voor mensen die kwetsbaar en beïnvloedbaar zijn en een
beschermende omgeving nodig hebben. Het kabinet erkent wel dat een groot deel van de
gedetineerden kampt met een verslaving, psychiatrische stoornis en/of lvb en daardoor
minder in staat zijn om zelf tot de gewenste gedragsverandering te komen, maar dit wordt
niet uitgewerkt. Gedragsverandering kost tijd en moeite, zeker bij gedetineerden met
complexe problemen. Het merendeel van de gedetineerden zit korter dan drie maanden vast
en komt daardoor al helemaal niet in aanmerking voor intensieve interventies. Uit recent
onderzoek van de Universiteit Leiden komt naar voren dat de problematiek groter is dan
voorheen.21 Veel gedetineerden kampen met zware psychosociale problemen, een zware en
langdurige delictgeschiedenis en een hoge mate van antisociaal gedrag. Ten opzichte van
de situatie in 2003 is sprake van een lager opleidingsniveau en meer leerproblemen. Het
percentage gedetineerden met een lvb wordt geschat op 45%. De Afdeling acht het van
essentieel belang dat het personeel van PI’s scholing en training krijgt in het herkennen
en omgaan met gedetineerden met een lvb. Interventies zullen aangepast moeten worden
(bijvoorbeeld cova+22). Mensen met een lvb hebben soms levenslang ondersteuning en
begeleiding nodig, tijdens detentie en ook daarna. De Afdeling geeft in overweging om een
familielid of ander persoon die de rol van mentor, bewindvoerder of maatje reeds vervult
of zou kunnen vervullen, te betrekken bij de gesprekken over gedragsverandering en re-
integratie.
Een ander punt van aandacht betreft de bescherming van de gedetineerde tegen de vele
verleidingen waarvoor hij gesteld wordt tijdens detentie. In de inrichting zijn drugs en
mobiele telefoons voorhanden. Uit onderzoek van de Inspectie voor Justitie en Veiligheid
is gebleken dat in de PI’s te weinig controles op cel plaatsvinden en dat de drugshond nog
te beperkt wordt ingezet.23 Volgens de Afdeling dient er meer aandacht te zijn voor de
veiligheid van het leefklimaat in de inrichtingen.
Het kabinet kiest voor een strengere aanpak met betrekking tot ‘terroristen’ en
gedetineerden die vlucht- of beheersgevaarlijk zijn. Het is de Afdeling niet duidelijk wat deze
aanpak behelst en waarom een andere aanpak vereist is. Volgens de Afdeling zou ook voor
deze categorie verdachten en veroordeelden een persoonsgerichte aanpak moeten gelden.
   19 Inspectie J&V, Uit Balans - Een onderzoek naar de kwaliteit van de taakuitvoering in zes locaties binnen het
      Gevangeniswezen, Den Haag: Inspectie J&V, 2018, p. 5-7.
   20 Zie ook: E. van Ginneken, ‘Zelfredzaamheid in detentie. Kritische kanttekeningen bij het systeem van
      promoveren en degraderen’, Proces, 2018, p. 120-123. Van Ginneken schrijft in dit artikel over het beperkt
      zelfredzaam vermogen van grote groepen gedetineerden.
   21 R.R. den Bak e.a., Inventarisatie van psychosociale factoren en neurobiologische kenmerken bij mannelijke
      gedetineerden, Universiteit Leiden, mei 2018, onderzoek in opdracht van het WODC. In dit onderzoek wordt
      de situatie in 2017 vergeleken met die uit 2003.
   22 Cognitieve vaardigheidstraining voor personen met een licht verstandelijke beperking.
   23 Inspectie J&V, Uit Balans - Een onderzoek naar de kwaliteit van de taakuitvoering in zes locaties binnen het
      Gevangeniswezen, Den Haag: Inspectie J&V, 2018, p. 24-25.
                    Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
                                                            8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Volgens de visie van het kabinet is inzet op toezicht en controle na de gevangenisstraf
essentieel voor de gedetineerden die bewust niet meewerken aan hun resocialisatie, maar
onduidelijk is welke instantie dat gaat doen en of dat in een verplicht kader plaatsvindt.
Aanvang detentie: snelle en volledige screening
Het kabinet beoogt een verrijking van de screening van gedetineerden, gericht op realisatie
van een veilig detentieklimaat en praktische re-integratiezaken. Onduidelijk is ten opzichte
waarvan en waaruit die verrijking precies bestaat. De Afdeling is van mening dat direct bij
binnenkomst van de gedetineerde duidelijk moet worden of er sprake is van een verslaving,
stoornis of beperking. De Afdeling onderstreept het belang van een casemanager die vanuit
het re-integratiecentrum (RIC) de re-integratie en voorbereiding op vertrek coördineert
en begeleidt, maar is van mening dat er wel investeringen nodig zijn. Uit verschillende
publicaties blijkt dat er al jaren te weinig personele capaciteit voor de begeleiding bij
re-integratieactiviteiten is.24 De Afdeling waardeert het dat het kabinet de ambitie heeft
om knelpunten bij re-integratie aan te pakken. De uitbreiding van de screening en re-
integratieactiviteiten naar de kortgestraften is een goede zaak alhoewel het de vraag is in
welke mate het regelen van praktische re-integratiezaken in een periode van enkele weken
haalbaar is. Momenteel lukt dat vaak niet, onder andere omdat de groep te groot is25,
gemeenten niet meewerken of de nodige voorzieningen niet beschikbaar zijn.26
De Afdeling is positief over het voornemen om de reclassering meer te betrekken bij de
screening van gedetineerden bij binnenkomst in de PI met als doel om een beter op het
individu gericht detentie- en re-integratieplan (D&R-plan) op te stellen. De reclassering
is bij uitstek de instantie die veel informatie kan inbrengen in het overleg over de re-
integratie van de gedetineerde, ook al omdat de reclassering in de aanloop naar berechting
en detentie in veel gevallen al de RISc heeft afgenomen.27 De Afdeling heeft in een eerder
uitgebracht advies in overweging gegeven om de reclassering een structurele plaats en
verantwoordelijkheid te geven in de PI, al dan niet als casemanager die de aansturing van
het RIC op zich neemt.28 Dit is een logische keuze omdat de reclassering al regelmatig
betrokken is bij de nazorg voor gedetineerden, dan wel bij het toezicht in geval van een
voorwaardelijke invrijheidstelling.
Basisprogramma en plusprogramma
Sinds maart 2014 wordt in het gevangeniswezen gebruik gemaakt van een systeem van
   24 J. Plaisier e.a., Kies voor Verandering. Evaluatie van de theoretische onderbouwing, de uitvoering en uit-
       komsten van de training voor volwassen gedetineerden, Impact R&D, 2016, onderzoek in opdracht van het
       WODC; RSJ, Van detineren naar re-integreren, Den Haag: RSJ, 2017.
   25 Zo werken de PI’s en gemeente Amersfoort in het kader van de vrijwillige nazorg alleen aan de screening
       van gedetineerden die meer dan drie maanden in detentie verblijven, zie het rapport Nazorg: Terugkeer van
       ex-gedetineerden in de Amersfoortse samenleving, NSCR/Rekenkamer Amersfoort, 2017, p. 24-34.
   26 Zie ook: RSJ, Van detineren naar re-integreren, 2017, Den Haag: RSJ, 2017, p. 22-23 ; zie ook Nazorg:
       Terugkeer van ex-gedetineerden in de Amersfoortse samenleving, NSCR/Rekenkamer Amersfoort, 2017, p.
       41-44.
   27 RISc staat voor Recidive Inschattings Schalen, een diagnostisch instrument dat de Reclassering inzet bij het
       formuleren van adviezen voor justitie en gevangeniswezen en het opstellen van een plan van aanpak bij
       reclasseringstoezicht. Recentelijk is een nieuwe en aangepaste versie van de RISc in gebruik genomen.
   28 RSJ, Reclassering in een veranderende omgeving: Implicaties van visie op strafrechtelijke sanctietoepassing
       voor het reclasseringswerk, 2017, p. 20; RSJ, Van detineren naar re-integreren, Den Haag: RSJ, 2017, p. 9.
                     Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
                                                             9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>promoveren en degraderen.29 Bij positief gedrag mag de gedetineerde deelnemen aan een
plusprogramma, een programma dat extra activiteiten biedt bovenop het basisprogramma.
Bij negatief gedrag kan de gedetineerde weer terugvallen in het basisprogramma. Uit
de visie blijkt dat het kabinet voornemens is dit instrumentarium van een wettelijke
grondslag te voorzien en te gebruiken om (mede) te bepalen of de gedetineerde met re-
integratieverlof mag dan wel of aan de gedetineerde v.i. verleend wordt. Bij de beoordeling
van gedrag zou volgens de Afdeling de nadruk moeten komen te liggen op positief
stimuleren en belonen en niet op straffen; dat draagt bij aan een positief leefklimaat
en is effectiever.30 Bij de beoordeling of er sprake is van goed gedrag is het voor de
categorie gedetineerden die geen lvb heeft van belang om onderscheid te maken tussen
degenen die wel en niet willen werken aan re-integratie. De Afdeling wijst er verder op
dat het momenteel pas na zes weken detentie mogelijk is om te promoveren naar een
plusprogramma, zelfmelders uitgezonderd, en beloning van goed gedrag van gedetineerden
die een straf uitzitten van zes weken of minder derhalve niet mogelijk is. Het impliceert
tevens dat voor een grote groep gedetineerden niets anders dan het basisprogramma is
weggelegd, hetgeen neerkomt op een zeer sobere uitvoering van de vrijheidsbeneming.
Omdat het resocialisatiebeginsel ook van toepassing is op kortgestraften dienen zij in
aanmerking te komen voor resocialisatieactiviteiten. Dat vergt een aanpassing van het
systeem van promoveren en degraderen.
Re-integratieverlof
Volgens het kabinet wordt het algemeen en regimegebonden verlof op dit moment als
ongericht en te vrijblijvend ervaren. De Afdeling vraagt zich af wat wordt bedoeld met
‘vrijblijvend’, wie dat zo ervaart en of er recent onderzoek naar is gedaan.
Volgens de visie wordt verlof voor gedetineerden beperkt tot (kortdurend en langdurend)
verlof gericht op concrete re-integratiedoelen en verlof voor arbeid met verblijf in een
beperkt beveiligde afdeling (BBA). De Afdeling is positief over het feit dat detentiefasering
blijft bestaan in de vorm van een dekkend netwerk van regionale BBA’s, experimenten met
een beperkt beveiligde afdeling buiten de inrichting en extramurale arbeid. Voor een groot
deel van de gedetineerden, zoals lvb-ers en verslaafden, geldt echter dat zij in de praktijk
niet of in beperkte mate kunnen werken. Voor hen zal wellicht een alternatief gevonden
moeten worden dat niet zo expliciet aan werken als dagbesteding is gebonden.
De Afdeling vindt de voorgestelde wijzigingen met betrekking tot verlof onvoldoende om
van detentiefasering te kunnen spreken en is van mening dat er uitgebreidere vormen van
detentiefasering moeten komen waarbij in stappen wordt toegewerkt naar meer vrijheden
en verantwoordelijkheden, gebaseerd op individuele D&R-plannen.
Arbeid
Het kabinet wil meer dan nu het geval is inzetten op arbeid tijdens detentie omdat dit de
kansen van ex-gedetineerden op de arbeidsmarkt zou vergroten. De Afdeling is positief over
    29 Sinds 1 maart 2014 is voor het gevangeniswezen het beleidskader Dagprogramma, Beveiliging en Toezicht
       op maat (DBT) ingevoerd. Zie: Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 10 februari
       2014 houdende wijziging van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden in verband
       met de invoering van promoveren en degraderen van gedetineerden, Stcrt. 2014 nr. 4617.
    30 J. Plaisier en J. van Ditzhuijzen, Stimuleren en ontmoedigen van gedetineerden, Impact R&D, 2009, p.1-2,
       onderzoek in opdracht van de sectordirectie Gevangeniswezen van DJI.
                      Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
                                                             10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>het bevorderen van arbeid in detentie, maar is er niet van overtuigd dat dit als vanzelf leidt
tot meer kansen op de arbeidsmarkt en een vermindering van de uitkeringsafhankelijkheid,
althans niet met de (vooral eenvoudige) werkzaamheden die momenteel in de PI’s verricht
worden. Uit onderzoek in het kader van het Prison Project blijkt dat gedetineerden zelf van
mening zijn dat zij niet of nauwelijks worden voorbereid op een baan na detentie en dat
de arbeid verricht tijdens detentie of cursussen (‘arbeidstraining’) hen in de praktijk niet
hebben geholpen aan een baan.31
Conclusies:
-- De Afdeling staat positief tegenover een persoonsgerichte benadering waarbij de nadruk
    ligt op het stimuleren van goed gedrag;
-- Een positieve, constructieve omgeving is in belangrijke mate bepalend voor het vertonen
    van goed gedrag. De PI’s vormen in dat opzicht geen optimale omgeving;
-- Een groot deel van de gevangenispopulatie kampt met een verslaving, psychische
    stoornis en/of een licht verstandelijke beperking. Deze mensen willen hun gedrag
    misschien wel veranderen maar kunnen dit vaak niet of in beperkte mate. Het is niet
    realistisch om te verwachten dat deze gedetineerden zelf verantwoordelijkheid nemen
    voor hun gedrag;
-- De gedetineerde wordt nog te weinig beschermd tegen de vele verleidingen die
    voorhanden zijn in de inrichting zoals drugs en mobiele telefoons;
-- Uit diverse publicaties blijkt dat er al jaren te weinig personele capaciteit voor de
    begeleiding bij re-integratieactiviteiten is. De Afdeling waardeert het dat het kabinet de
    ambitie heeft om knelpunten bij re-integratie aan te pakken;
-- Het regelen van praktische re-integratiezaken lukt momenteel vaak niet voor de
    kortgestraften onder andere omdat de groep te groot is (er is binnen de PI te weinig
    capaciteit), gemeenten niet meewerken of de nodige voorzieningen niet beschikbaar
    zijn;
-- Het voorstel voor de invulling van verlof is onvoldoende om van detentiefasering te
    spreken;
-- Het huidige programma voor promoveren en degraderen in detentie biedt geen
    mogelijkheden voor beloning van goed gedrag van gedetineerden die een straf uitzitten
    van zes weken of minder omdat promoveren pas vanaf zes weken na binnenkomst
    mogelijk is, zelfmelders uitgezonderd;
-- Het is positief dat detentiefasering blijft bestaan in de vorm van een dekkend netwerk
    van regionale BBA’s, experimenten met een beperkt beveiligde afdeling buiten de
    inrichting en extramurale arbeid. Voor een groot deel van de gedetineerden, zoals lvb-
    ers en verslaafden, geldt overigens dat zij niet of in beperkte mate kunnen werken;
-- Het is positief dat er meer aandacht is voor arbeid in detentie maar de Afdeling is er niet
    op voorhand van overtuigd dat dit gaat leiden tot meer kansen op de arbeidsmarkt en
    een vermindering van de uitkeringsafhankelijkheid.
   31 A. Ramakers, Barred from employment. A study of labor market prospects before and after imprisonment,
       thesis University Leiden, 2014 (Prison Project).
                    Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
                                                           11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>Aanbevelingen:
-- Leg bij de beoordeling van gedrag de nadruk op positief stimuleren en belonen in plaats
     van op straffen, omdat dat effectiever is;
-- Zorg voor scholing en training van het personeel van PI’s in het herkennen en omgaan
     met gedetineerden met een lvb;
-- Overweeg bij de gesprekken over gedragsverandering en re-integratie van
     gedetineerden met een lvb een familielid of ander persoon te betrekken die de rol van
     mentor, bewindvoerder of maatje reeds vervult of op zich kan nemen;
-- Zet de persoonsgerichte aanpak ook in voor bijzondere groepen zoals ‘terroristen’ en
     gedetineerden die vlucht- of beheersgevaarlijk zijn;
-- Investeer in het werk van de casemanager die een centrale rol krijgt bij de screening,
     het opstellen van een D&R-plan en de ondersteuning bij re-integratie;
-- Overweeg de reclassering een structurele plaats en verantwoordelijkheid te geven in de
     PI, al dan niet als casemanager die de aansturing van het re-integratiecentrum (RIC) op
     zich neemt;
-- Zorg ervoor dat ook gedetineerden met een vrijheidsstraf van zes weken of minder bij
     goed gedrag eerder in aanmerking kunnen komen voor extra activiteiten/vrijheden; pas
     daartoe het programma voor promoveren en degraderen aan;
-- Zorg voor uitgebreidere vormen van detentiefasering waarbij in stappen wordt
     toegewerkt naar meer vrijheden en verantwoordelijkheden, gebaseerd op individuele
     D&R-plannen.
3.       Werken aan veilige terugkeer
Het kabinet beoogt een vermindering van de recidive door extra inzet op de
randvoorwaarden voor een veilige terugkeer en een betere samenwerking met partners.
Die randvoorwaarden betreffen het op orde brengen van de vijf basisvoorwaarden voor een
goede re-integratie.
Randvoorwaarden voor een veilige terugkeer in de samenleving
In de visie is veel aandacht op het op orde brengen van de vijf basisvoorwaarden voor
een goede re-integratie van gedetineerden in de samenleving.32 Ook de kortgestraften
worden hierin meegenomen. De Afdeling heeft in zijn advies over de re-integratie van
gedetineerden ook benadrukt dat de basisvoorwaarden voor een goede re-integratie op orde
moeten zijn33, ook voor kortgestraften en is verheugd dat hierop wordt ingezet. In 2018
zullen in drie inrichtingen extra (hoog gekwalificeerde) casemanagers worden ingezet. De
Afdeling is van mening dat dit niet voldoende zal zijn om het beoogde effect, te weten de
screening bij binnenkomst, het opstellen van een individueel D&R-plan en de ondersteuning
bij re-integratie, te bereiken, zeker nu de doelgroep wordt uitgebreid met de kortgestraften.
Het kabinet wil de reclassering meer betrekken bij de screening van gedetineerden bij
binnenkomst in de PI. De Afdeling is positief over dit voornemen en pleit ervoor om de
    32 De vijf basisvoorwaarden hebben betrekking op: huisvesting, inkomen (werk of uitkering), schuldhulpverle-
       ning, identiteitsbewijs en zorg(verzekering).
    33 RSJ, Van detineren naar re-integreren, Den Haag: RSJ, 2017.
                     Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
                                                            12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>reclassering een structurele plaats en verantwoordelijkheid te geven in de PI’s, al dan niet
als casemanager.34
Naast het op orde brengen van een aantal praktische zaken zou ook aandacht gegeven
moeten worden aan enkele belangrijke criminogene factoren, zoals cognitieve vaardigheden
en (antisociale) attitude. Het bewerkstelligen van gedragsverandering is van essentieel
belang voor een goede re-integratie in de samenleving en het voorkomen van recidive. Een
blijvende gedragsverandering vergt over het algemeen een langdurige investering.
Meer gedetineerden worden bereikt
Het kabinet wil de screening van kortgestraften op de vijf basisvoorwaarden versnellen.
Daarnaast worden gedetineerden die niet willen meewerken aan hun re-integratie
gemotiveerd om hun kansen te pakken. De Afdeling vraagt zich af hoe het kabinet dit
concreet wil aanpakken en geeft in overweging om hierbij nadrukkelijker de RISc te
gebruiken die in veel gevallen in de voorfase al is afgenomen.
Versterking samenwerking
Uit de visie blijkt dat casemanagers van DJI partners buiten het justitiedomein zoals de
verslavingszorg en Stichting MEE gaan benaderen om trajecten voor een ex-gedetineerde
op te starten of voort te zetten. Van hen wordt dan ook veel verwacht. De rol van de
gemeenten is in deze visie onderbelicht gezien de kennis die zij hebben, de rol die zij
spelen bij het op orde brengen van de basisvoorwaarden en de inspanningen die zij nu al
plegen in de PI.35 Ook de rol van de zorg- en veiligheidshuizen bij de re-integratie van de
gedetineerde is onderbelicht. Bij de invulling van de v.i.-voorwaarden zou een afstemming
met het zorg- en veiligheidshuis naar de mening van de Afdeling zinvol kunnen zijn.
De Afdeling is met het kabinet van mening dat een wettelijke grondslag voor
gegevensuitwisseling tussen PI’s en gemeenten (en andere voor re-integratie relevante
instanties) noodzakelijk is in het kader van de bescherming van persoonsgegevens van
gedetineerden. Het gaat daarbij om een taakstelling of bevoegdheid van de gemeente (dan
wel andere instantie) op het gebied van re-integratie en daarnaast de bevoegdheid om
persoonsgegevens te verwerken. In het Advies wijziging Besluit justitiële en strafvorderlijke
gegevens en het Advies inzake detentiefasering en voorwaardelijke invrijheidstelling heeft
de Afdeling negatief geadviseerd ten aanzien van de voorgestelde regelingen voor de
gegevensuitwisseling.36 In het eerstgenoemde advies ziet de Afdeling wel mogelijkheden
voor een wettelijke regeling van uitwisseling van justitiële en andere persoonsgegevens
(zonder toestemming van de gedetineerde) in het kader van de zorg- en veiligheidshuizen
die zich specifiek richt op personen uit geprioriteerde groepen, in het belang van de
    34 Zie ook: RSJ, Reclassering in een veranderende omgeving: Implicaties van visie op strafrechtelijke sanctietoe-
       passing voor het reclasseringswerk, 2017, Den Haag: RSJ, 2017, p. 20.
    35 Zo wordt in het noorden een proef gedaan met zelfmelders (vaak kortgestraften) die met een D&R-plan,
       opgesteld door alle partijen, de PI ingaan.
    36 RSJ, Advies wijziging Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens, Den Haag: RSJ, 2018; RSJ, Advies in-
       zake detentiefasering en voorwaardelijke invrijheidstelling, Den Haag: RSJ, 2018.
                       Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
                                                              13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>openbare orde en het voorkomen van recidive.37 Het is dan ook een goede ontwikkeling
dat het voorontwerp van Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden regelt
dat justitiële (en andere) gegevens gedeeld kunnen worden met samenwerkingsverbanden
die gericht zijn op het voorkomen van criminaliteit en bij AmvB zijn ingesteld.38 In het
instellingsbesluit van het samenwerkingsverband kunnen taken, bevoegdheden, doelen van
gegevensverwerking en andere privacy relevante zaken vastgelegd worden. In het Advies
inzake detentiefasering en voorwaardelijke invrijheidstelling heeft de Afdeling geoordeeld
dat met de bewoordingen ‘de directeur kan overleggen met het college van B&W’ geen
algemene taakstelling of bevoegdheid op het gebied van re-integratie voor de gemeente is
vastgelegd.39
Volgens de visie van het kabinet moet elk verlof een specifiek re-integratiedoel dienen.
Resocialisatie omvat echter meer dan enkel een praktische invulling van de genoemde
re-integratiedoelen. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft resocialisatie
aangemerkt als een positieve verplichting van lidstaten.40 Het gaat dan in brede zin om het
bevorderen van de mogelijkheden van ex-gedetineerden om normaal te functioneren in de
maatschappij. Resocialisatie omvat dus niet alleen re-integratie op de vijf basisvoorwaarden
maar ook maatregelen die de gedetineerde in staat stellen om aan zichzelf te werken
en deel te nemen aan activiteiten die detentieschade tegengaan (beginsel van minimale
beperkingen). Zo is het in de meeste gevallen van groot belang dat de gedetineerde de
gezinsbanden kan onderhouden middels bezoek en verlof.41
Conclusies:
-- Het is positief dat het kabinet de knelpunten bij het realiseren van de vijf
    basisvoorwaarden voor een goede re-integratie wil aanpakken en daarbij ook de
    kortgestraften zal meenemen;
-- De plaatsing van extra casemanagers in slechts drie PI’s zal niet voldoende zijn om de
    verwachtingen ten aanzien van re-integratie van ex-gedetineerden waar te maken;
-- Het bewerkstelligen van gedragsverandering is, naast de inzet op een aantal praktische
    zaken, van essentieel belang voor een goede re-integratie in de samenleving en het
    voorkomen van recidive;
-- De rol van de gemeenten is in deze visie onderbelicht gezien de kennis die zij
    bezitten, de rol die zij spelen bij het op orde brengen van de basisvoorwaarden en de
    inspanningen die zij nu al plegen in de PI;
-- Ook de rol van de zorg- en veiligheidshuizen bij de re-integratie van de gedetineerde is
    onderbelicht;
   37 Geprioriteerde groepen zijn specifieke problematische groepen van (potentiële) plegers van criminaliteit
       of overlast waarvoor een integrale sector overschrijdende aanpak geldt. Het kan bijvoorbeeld gaan om zoge-
       noemde veelplegers, Top-X (jeugd)criminelen, verwarde personen.
   38 Het wetsvoorstel voegt onder meer een artikel 8b en 39fa toe aan de Wjsg waardoor ook justitiële gegevens
       en strafvorderlijke gegevens aan samenwerkingsverbanden verstrekt kunnen worden. De consultatieversie
       van juli 2018 is te raadplegen via internetconsultatie.nl/wgs.
   39 Zie RSJ, Advies inzake detentiefasering en voorwaardelijke invrijheidstelling, Den Haag: RSJ, 2018, p. 15-
       16. De wijziging betreft artikel 18a lid 4 Pbw, hoofdstuk IVA Detentie- en re-integratieplan.
   40 EHRM 26 april 2016, zaak 10511/11, Murray vs. Nederland, par. 104.
   41 Het niet verlenen van verlof en verlenen van v.i. op een (veel) latere termijn kunnen ontwrichtend werken
       op een gezin. En vanuit het kind bezien geldt dat ook een kind recht heeft op omgang met zijn (gedeti-
       neerde) ouder, tenzij dit in strijd is met het belang van het kind, zie artikel 1:377a lid 1 BW, artikel 24 lid 3
       Handvest van de Grondrechten EU, artikel 8 EVRM en artikel 9 lid 3 IVRK.
                    Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
                                                           14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>-- De Afdeling is met het kabinet van mening dat een wettelijke grondslag voor
   gegevensuitwisseling tussen PI’s en gemeenten (en andere voor re-integratie relevante
   instanties) noodzakelijk is in het kader van de bescherming van persoonsgegevens van
   gedetineerden. Het gaat daarbij om een taakstelling of bevoegdheid van de gemeente
   (dan wel andere instantie) op het gebied van re-integratie en daarnaast de bevoegdheid
   om persoonsgegevens te verwerken. De Afdeling heeft eerder geoordeeld dat met de
   bewoordingen ‘de directeur kan overleggen met het college van B&W’ geen algemene
   taakstelling of bevoegdheid op het gebied van re-integratie voor de gemeente is
   vastgelegd;
-- Het voorontwerp van Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden
   biedt een wettelijk kader voor een rechtmatige uitwisseling van justitiële en andere
   persoonsgegevens van (ex)-gedetineerden die tot geprioriteerde groepen behoren, zoals
   veelplegers, waarvoor een aparte aanpak geldt in het zorg- en veiligheidshuis;
-- Resocialisatie omvat niet alleen re-integratie op de vijf basisvoorwaarden maar ook
   het kunnen werken aan jezelf en het deelnemen aan activiteiten die detentieschade
   tegengaan (beginsel van minimale beperkingen);
-- Het is in de meeste gevallen van groot belang dat een gedetineerde de gezinsbanden
   kan onderhouden middels bezoek en verlof.
Aanbevelingen:
-- Zet naast het op orde brengen van een aantal praktische zaken ook in op
   gedragsverandering in het belang van een goede re-integratie in de samenleving en het
   voorkomen van recidive;
-- Maak duidelijk welke rol de gemeente speelt bij de re-integratie van ex-gedetineerden;
-- Zorg voor een heldere algemene taakstelling of bevoegdheid van de gemeente op het
   gebied van re-integratie ten behoeve van de verwerking van persoonsgegevens van
   gedetineerden;
-- Overweeg de reclassering een structurele plaats en verantwoordelijkheid te geven in de
   PI, al dan niet als casemanager die de aansturing van het RIC op zich neemt;
-- Zorg voor bezoek- en verlofmogelijkheden om de gezinsbanden te onderhouden en
   detentieschade bij de gedetineerde en zijn gezin tegen te gaan, tenzij dat niet in het
   belang is van de andere gezinsleden.
                Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
                                                       15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>