<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                                                                                                                           Parkstraat 83 Den Haag
                                                                                                                           Correspondentie:
                                                                                                                           Postbus 30137
                                                                                                                           2500 GC Den Haag
                                                                                                                           Telefoon (070) 361 93 00
                                                                                                                           www.rsj.nl
                                                                                                                           info@rsj.nl
                 Aan de Minister voor Rechtsbescherming
                 De heer S. Dekker
                 Postbus 20301
                 2500 GC Den Haag
Afdeling       : advisering
Betreft        : aanbieding advies
Contactpersoon : mr.drs. Y. van der Kruit
Doorkiesnummer : 06-52872146
E-mail         : y.van.der.kruit@minvenj.nl
Datum          : 31 januari 2018
Uw kenmerk     : 2146515
Ons kenmerk    : RSJ/101/2989/2018/YvdK/TvV
Onderwerp      : Advies EU richtlijn Jeugd
                 Geachte heer Dekker,
                 Op 27 november ontving de RSJ uw adviesaanvraag over het conceptwetsvoorstel ter
                 implementatie van de EU richtlijn betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die
                 verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure (2016/800/EU; hierna EU richtlijn).
                 Hieronder treft u de reactie van de RSJ1 aan op het conceptwetsvoorstel.
                 Deze EU richtlijn hangt samen met vier eerdere EU richtlijnen die alle betrekking
                 hebben op de versterking van procedurele rechten van verdachten in strafprocedures.
                 In deze EU richtlijn wordt beoogd om extra waarborgen te bieden voor jeugdigen in het
                 strafproces. Het voorliggende conceptwetsvoorstel implementeert deze richtlijn in de
                 Nederlandse wetgeving.
                 De RSJ is positief over de vertaling van de EU richtlijn in het conceptwetsvoorstel
                 en doet enkele suggesties voor aanpassingen. De RSJ beschouwt ten eerste of de
                 voorgestelde wetswijzigingen in lijn zijn met de EU richtlijn en daarnaast betrekt de RSJ
                 in dit advies ook de bestaande Nederlandse wetgeving, die niet direct wordt geraakt
                 door voorgenomen wetswijzigingen, maar wel relevant is voor de vraag of Nederlandse
                 wetgeving en praktijk na deze wetswijzingen voldoen aan de EU richtlijn.
                 De RSJ richt zich in dit advies op de volgende onderwerpen:
                 -      recht op rechtsbijstand;
                 -      recht op medisch onderzoek;
                 -      recht op informatie;
                 -      vrijheidsbeneming 16- en 17-jarigen;
                 -      uitvoering in de praktijk.
                 Recht op rechtsbijstand
                 In een eerdere EU richtlijn (2013/48/EU) stond de realisatie van de toegang tot
                 een advocaat zowel voor volwassenen als jeugdigen centraal. Deze richtlijn is op
                 1 maart 2017 in de Nederlandse wet geïmplementeerd. In de onderhavige EU
                 richtlijn (2016/800/EU) zijn aanvullende waarborgen met betrekking tot het recht op
                 rechtsbijstand specifiek voor jeugdigen opgenomen.
                 1    De RSJ bestaat uit de Afdelingen advisering en rechtspraak. Met de RSJ wordt in dit advies de Afdeling advisering van de RSJ
                      bedoeld.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Het uitgangspunt is het recht op toegang tot een advocaat (art. 6 lid 1). Vanaf het moment dat de
jeugdige wordt verhoord (door politie, een rechtshandhavingsautoriteit of een rechterlijke instantie)
moeten jeugdigen door een advocaat worden bijgestaan (art. 6 lid 3). Er is in de richtlijn een aantal
beperkingen (uitzonderingen) op het recht van (kosteloze) rechtsbijstand opgenomen. Het gaat om:
1. Lichte feiten waarvoor een sanctie kan worden opgelegd door een andere instantie dan de in
     strafzaken bevoegde rechter en waarbij tegen het opleggen van deze sanctie beroep kan worden
     ingesteld of waarbij kan worden doorverwezen naar een dergelijke rechtbank (art. 2 lid 6a).
2. Lichte feiten waarvoor geen vrijheidsstraf kan worden opgelegd (art. 2 lid 6b).
3. Zaken waarin het recht op rechtsbijstand niet evenredig is gelet op de omstandigheden, de
     ernst van het feit, de complexiteit van de zaak en de maatregelen die zouden kunnen worden
     opgelegd. De belangen van het kind dienen hierbij altijd de eerste overweging te vormen (art. 6
     lid 6).
De RSJ stelt vast dat er in Nederland vier situaties zijn waar jeugdigen in de praktijk worden
uitgesloten van een recht op juridische bijstand:
-- afdoening via Halt;
-- afdoening van bepaalde lichte overtredingen via een strafbeschikking (lees: die op een
     uitzonderingslijst staan);
-- afdoening van misdrijven via een strafbeschikking waarbij de Officier van Justitie (OvJ) een straf
     onder een bepaalde grens oplegt;
-- afdoening via een kantonrechter.
Halt
De Halt-afdoening is een buitengerechtelijke afdoening die strafvervolging voorkomt.2 De Halt-
afdoening is vooral gericht op herstel en bewustwording bij de jeugdige en leidt niet tot een
aantekening in de justitiële documentatie. Dit is een belangrijk voordeel voor de jeugdige.
Het is de vraag of ingeval van een Halt-afdoening jeugdige verdachten op grond van de EU richtlijn
het recht op rechtsbijstand hebben of dat deze afdoening valt onder een van de toegestane
beperkingen.3 Halt is weliswaar bedoeld voor lichtere feiten, maar omdat een Halt-afdoening
ook mogelijk is bij een groot aantal misdrijven, waarop een vrijheidsstraf staat,4 lijkt de tweede
beperkingsgrond (art. 2 lid 6b EU richtlijn) in de weg te staan aan het uitsluiten van rechtsbijstand
bij alle Halt-afdoeningen. De derde beperkingsgrond laat evenwel ruimte voor een uitzondering op
het recht op rechtsbijstand, mits het belang van het kind niet in het geding komt. De RSJ meent
dat de Halt-afdoening, zoals die thans is geregeld, in beginsel inderdaad in het belang van het kind
is, omdat hij of zij gebaat is bij het voorkomen van strafvervolging (en justitiële documentatie) en
bij een snelle afdoening. De RSJ deelt het standpunt van de wetgever dat het in deze situatie niet
evenredig is om te voorzien in een recht op rechtsbijstand. De EU richtlijn noopt volgende de RSJ
niet tot aanpassing van de Nederlandse regeling op dit punt.
Uitzonderingslijst met lichte overtredingen
In Nederland is een aantal lichtere feiten via artikel 28ab Sv uitgezonderd van het recht op een
raadsman.5 Het gaat om bepaalde aangewezen overtredingen, waarbij een strafbeschikking zal
worden uitgevaardigd en waarbij het verhoor op de plaats van de staandehouding plaatsvindt.
Deze uitzondering past naar het oordeel van de RSJ binnen de EU richtlijn en de RSJ meent dat
jeugdigen in deze gevallen ook geen recht op rechtsbijstand nodig hebben.
Strafbeschikkingen bij misdrijven
Op 1 maart 2017 is artikel 491 Sv gewijzigd, waardoor de drempel voor ambtshalve toevoeging van
een advocaat is verhoogd voor misdrijven die door het OM via een strafbeschikking zullen worden
afgedaan.6 Voorheen hadden jeugdigen recht op een advocaat indien de officier van justitie een
taakstraf van meer dan 20 uur of een geldboete hoger dan
€ 115,- oplegde. Sinds 1 maart 2017 bestaat dit recht, bij een strafbeschikking, bij een taakstraf
van meer dan 32 uur of een geldboete boven € 200,-.
Op dit moment is deze beperking van het recht op rechtsbijstand in het kader van
2     Art. 77e Sv juncto Besluit aanwijzing Halt feiten.
3     Zie ook De EU-Richtlijn procedurele waarborgen minderjarige verdachten en het Nederlandse jeugdstrafprocesrecht, M.A.H. Kempen en J. uit
      Beijerse, NtER, 2016, nr. 7.
4     Richtlijn en kader voor strafvordering jeugd en adolescenten, inclusief strafmaten Halt, Stcrt. 2017, 68077-n1, 19 december 2017.
5     Art. 28ab Sv juncto Besluit beperking rechtsbijstand bij overtredingen.
6     Wet van 17 november 2016, houdende wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met aanvulling van
      bepalingen over de verdachte, de raadsman en enkele dwangmiddelen (Stb 2016, 476).
                                                                     2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>strafbeschikkingen nog niet van toepassing. Er worden aan minderjarigen namelijk nog geen
strafbeschikkingen opgelegd voor misdrijven.7 In de Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven,
overtredingen en muldergedragingen staat:
Artikel 491 lid 2 Sv bepaalt dat bij het uitvaardigen van een strafbeschikking ter zake een misdrijf,
met een geldboete van meer dan € 200,–, aan de minderjarige verdachte, een raadsman moet
worden toegevoegd. Gelet op de gefaseerde uitrol van de OM-strafbeschikking wordt in deze
gevallen echter momenteel nog geen OM-strafbeschikking uitgevaardigd (zie de Aanwijzing OM-
strafbeschikking). Nadat de OM-strafbeschikking voor wat betreft de taakstraf voor jeugdigen is
geïmplementeerd kan in eerder genoemde gevallen een OM-strafbeschikking worden uitgevaardigd,
waarbij uitvoering dient te worden gegeven aan art. 491 lid 2 Sv.’
Met betrekking tot een beperkt aantal overtredingen waarvoor momenteel een strafbeschikking kan
worden uitgevaardigd, geldt dat er geen recht op rechtsbijstand bestaat, omdat deze feiten allemaal
op de hiervoor genoemde uitzonderingslijst staan.
Zodra de strafbeschikking voor misdrijven wordt ingevoerd, zullen veel delicten die door jeugdigen
worden gepleegd (o.a. eenvoudige mishandeling, diefstal, vernieling, bedreiging, belediging,
opzet- en schuldheling en openlijke geweldpleging) onder het bereik van een strafbeschikking
vallen. Indien de officier van justitie een strafbeschikking uitvaardigt waarin een taakstraf tot en
met 32 uren wordt opgelegd, zal deze jeugdige verstoken zijn van een toegevoegd raadsman en
zelf zijn rechtsbijstand moeten bekostigen. De rechtspositie van vele jeugdigen zal hierdoor sterk
verslechteren. Jeugdige verdachten zijn over het algemeen kwetsbaar en hebben rechtsbijstand
nodig om hun belangen te behartigen. Dit waarborgt hun recht op een eerlijk proces. Diverse
deskundigen uit de praktijk hebben hun zorgen geuit over deze wetswijziging.8 De RSJ deelt deze
zorg9, zeker gelet op de huidige praktijk waarin jeugdigen regelmatig een taakstraf van 20-30 uur
opgelegd krijgen.10 Deze jeugdigen ontberen in de toekomst in die gevallen een advocaat die hun
belangen behartigt en dat staat op gespannen voet met de EU richtlijn.
De RSJ benadrukt dat de OM strafbeschikking geen aanbod is (zoals een transactie), maar een
afdoening, die vergelijkbaar is met een rechterlijke afdoening en die bovendien leidt tot een
aantekening in de justitiële documentatie. Indien de jeugdige de strafbeschikking niet goed uitvoert,
kan dit leiden tot vrijheidsbeneming.
De RSJ meent dat het conceptwetsvoorstel op dit punt niet voldoet aan de EU richtlijn. Ten eerste
wordt in de EU richtlijn als eerste uitzonderingsgrond gesproken over lichte feiten. De richtlijn ziet
in dit verband op ‘verkeersovertredingen die op grote schaal worden begaan en die kunnen worden
vastgesteld bij een verkeerscontrole’ (Preambule 15) en ‘overtredingen van algemene gemeentelijke
verordeningen en lichte schendingen van de openbare orde’ (Preambule 16). De RSJ meent dat
dit per definitie misdrijven uitsluit als lichte feiten die kunnen worden uitgesloten van het recht op
rechtsbijstand. De ernst van de straffen en maatregelen die kunnen worden opgelegd bij misdrijven,
maakt dat jeugdigen in het geval van een misdrijf te allen tijde recht op rechtsbijstand moeten
hebben.
Ten tweede dient volgens de EU richtlijn het recht op rechtsbijstand te worden gegarandeerd indien
een vrijheidsstraf kan worden opgelegd. De RSJ neemt aan dat dit ook van toepassing is wanneer
vervangende jeugddetentie kan worden opgelegd (dit is per definitie het geval bij een taakstraf11).
Tot slot stelt de RSJ dat de term lichte feiten ziet op bepaalde delicten en dus niet op een strafmaat
die bij een bepaald delict onder een bepaalde grens uitkomt. In deze zaken zou er dan eventueel
via de derde uitzonderingsgrond (art. 6 lid 6) geen recht op rechtsbijstand hoeven bestaan. Dit
kan alleen echter alleen indien het belang van het kind de eerste overweging vormt, hetwelk moet
worden beoordeeld mede in het licht van de omstandigheden van het geval, de complexiteit van de
zaak, de ernst van het feit en de maatregelen die kunnen worden opgelegd. Aangezien de jeugdige,
anders dan bij de Halt-afdoening, in dit geval groot belang heeft bij rechtsbijstand, vindt de RSJ dat
in deze gevallen het recht op rechtsbijstand dient te worden gewaarborgd.
7    In de huidige praktijk wordt de 20 uur grens toegepast bij alle OM transacties en wordt dus nog geen toepassing gegeven aan art. 491 Sv, maar
     nog aan 489 Sv (oud).
8    Wetgever denkt niet aan belang van het kind maar slechts aan eigen portemonnee, Jan Boksem, 2016 (https://www.ankerenanker.nl/nieuws/
     archief/2826_opinie-jan-boksem-wetgever-denkt-niet-aan-belang-van-het-kind-maar-slechts-aan-e) en OM afdoening en recht op advocaat van
     minderjarige verdachten, Maartje Berger, 2016 (https://www.defenceforchildren.nl/images/70/4946.pdf) en namens de Vereniging Nederlandse
     Jeugdrechtadvocaten (VNJA) https://www.linkedin.com/pulse/de-minderjarige-verdachte-uitgekleed-eva-huls/.
9    Zie ook RSJ advies, Conceptvoorstel raadsman en politieverhoor, 2011.
10   Bron verschillende strafrechtadvocaten.
11   Art. 77n Sr.
                                                                    3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>De RSJ meent dat bij alle strafbeschikkingen die een misdrijf betreffen de jeugdige recht op een
raadsman moet hebben. De RSJ adviseert om artikel 491 Sv overeenkomstig te wijzigen.
Afdoening via kantonrechter
In Nederland hebben jeugdigen geen recht op rechtsbijstand bij een procedure bij de kantonrechter
(art. 491 lid 1 Sv). Dit geldt dus ook voor leerplichtzaken (schoolverzuim). Overtreding van
de Leerplichtwet betreft één van de meest voorkomende delicten bij jeugdige verdachten.12
De jeugdige kan een aanzienlijke sanctie opgelegd krijgen zoals een taakstraf tot 80 uur en
jeugdreclassering. Daarnaast kan het ook leiden tot vrijheidsbeneming, aangezien de rechter die
de jeugdige een taakstraf oplegt automatisch ook een vervangende vrijheidsstraf bepaalt die kan
worden tenuitvoergelegd indien de jeugdige de taakstraf niet naar behoren uitvoert.
De RSJ is van mening dat art. 491 lid 1 niet voldoet aan de EU richtlijn, aangezien leerplichtzaken
niet de lichte feiten behelst waarop de Preambule doelt (onder 15 en 16). Indien de wetgever
van mening is dat leerplichtzaken wel onder deze feiten valt, stelt de richtlijn dat bij lichte feiten
het recht op rechtsbijstand wel altijd bestaat bij de procedure voor een in strafzaken bevoegde
rechtbank (art. 2 lid 6). In de Memorie van Toelichting wordt aangenomen dat de eerste
uitzonderingsgrond op rechtsbijstand (art. 2 lid 6a EU richtlijn) erop ziet dat de richtlijn niet van
toepassing is op de buitengerechtelijke afdoening van lichte strafbare feiten waarvoor de verdachte
niet is aangehouden.13 Dit betekent dat de richtlijn wel van toepassing is op de procedure bij de
kantonrechter.
Ten overvloede geldt dat indien vervangende jeugddetentie kan worden opgelegd door de
kantonrechter (bijv. bij een taakstraf) artikel 6 lid 6a van toepassing is. Jeugdigen moeten op grond
van de EU richtlijn altijd door een advocaat worden bijgestaan wanneer zij voor een bevoegde
rechtbank moeten verschijnen die kan overgaan tot vrijheidsbeneming. De RSJ leest de EU richtlijn
zo dat dit ook geldt ingeval vervangende jeugddetentie aan de orde kan komen.
In het voorliggende wetsvoorstel wordt artikel 491 Sv niet in overeenstemming gebracht met de
richtlijn, hetgeen de RSJ uitdrukkelijk adviseert wel te doen. De RSJ stelt voor om kantonzaken
(zeker waar een vervangende vrijheidsstraf kan worden opgelegd) niet langer uit te sluiten van het
recht op rechtsbijstand.
Overigens geeft de RSJ de wetgever het volgende in overweging. Nederland heeft een
voorbehoud gemaakt bij het recht op rechtsbijstand zoals neergelegd in artikel 40 van het
VN-Kinderrechtenverdrag (IVRK), specifiek met het oog op strafrechtelijke procedures bij het
kantongerecht. Nu de EU richtlijn geldt en gelet op de interpretatie die de RSJ voorstaat, lijkt dit
voorbehoud achterhaald en zou het kunnen worden ingetrokken. Hiermee zou de Nederlandse
regering opvolging geven aan de aanbevelingen van het VN-Comité voor de Rechten van het Kind op
dit punt.
Uitvoering
De jeugdigen zullen pas feitelijk profijt hebben van hun recht op rechtsbijstand als deze raadsman
ook in staat is om voldoende tijd aan hun zaak te besteden. Uit het rapport van de Commissie van
der Meer14 blijkt dat een jeugdrechtadvocaat in de huidige regeling niet in staat is om een jeugdige
adequaat te vertegenwoordigen. Daarmee dreigt Nederland niet te kunnen voldoen aan de ratio
achter het recht op rechtsbijstand voor jeugdige verdachten zoals neergelegd in de EU-richtlijn. De
RSJ beveelt aan om dit uitvoeringsprobleem aan te pakken.
Aanbevelingen RSJ met betrekking tot het recht op rechtsbijstand:
-- Zorg dat het recht op rechtsbijstand onverkort geldt voor jeugdigen bij misdrijven die via een
     strafbeschikking worden afgedaan.
-- Verbeter de rechtspositie van jeugdigen, in lijn met de EU richtlijn, door aan jeugdigen het recht
     op rechtsbijstand toe te kennen bij een procedure voor de kantonrechter.
-- Uit het rapport van de Commissie van der Meer blijkt dat de toegevoegde jeugdrechtadvocaat
     in de bestaande praktijk al onvoldoende tijd aan een strafzaak kan besteden. Dit
     conceptwetsvoorstel brengt nog meer taken met zich mee voor de advocaat. De RSJ adviseert
     om de financieringsmethodiek van de gesubsidieerde rechtsbijstand te herzien.
12    Zie RSJ advies, Verhoging strafrechtelijke minimumleeftijd in context, 2017.
13    Memorie van Toelichting, p. 14.
14    Andere tijden. Evaluatie puntentoekenning in het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand, Commissie van der Meer, 2017.
                                                                     4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Recht op medisch onderzoek
Dit is een geheel nieuwe regeling in het Wetboek van Strafvordering. De RSJ meent dat het medisch
onderzoek zowel ziet op de vraag of een verdachte medisch in staat is om een verhoor te ondergaan
als de vraag of de verdachte voorafgaand van het verhoor geen letsel heeft opgelopen (bijv. door
een vechtpartij of door ruwe behandeling bij aanhouding).
In de richtlijn wordt aan het recht op medisch onderzoek geen beperking toegekend met betrekking
tot welke fase van het strafproces het onderzoek zou kunnen worden uitgevoerd (art. 8 EU richtlijn).
In het conceptwetsvoorstel wordt dit recht beperkt tot de fase van de voorgeleiding (art. 489a Sv).
De RSJ adviseert om deze beperking uit het conceptwetsvoorstel te schrappen en de EU richtlijn te
volgen.
Uitvoering
In de huidige praktijk is er veelal eenmaal per dag een verpleegkundige beschikbaar op het
politiebureau. In de nieuwe EU richtlijn staat dat het medisch onderzoek zonder onnodige vertraging
moet worden uitgevoerd. Een jeugdige moet ook zonder onnodige vertraging toegang hebben
tot een advocaat. Hiervoor geldt in Nederland een termijn van 2 uur. De RSJ adviseert om een
dergelijke termijn tevens te hanteren voor de uitvoering van het medisch onderzoek, zodat het
onderzoek binnen een relatief kort tijdsbestek kan plaatsvinden.
In het conceptwetsvoorstel is de bevoegdheid om te bepalen of een medisch onderzoek noodzakelijk
is, neergelegd bij de hulpofficier van justitie. De RSJ begrijpt de gedachte achter een pragmatische
werkwijze in de praktijk, maar wil benadrukken dat het om een recht van de jeugdige gaat
dat niet te gemakkelijk ter zijde mag worden geschoven. De RSJ geeft in overweging om een
beroepsmogelijkheid te creëren bij de officier van justitie.
Audiovisuele opnames
Het advies om een beroepsmogelijkheid te overwegen bij de officier van justitie, geldt eveneens
voor de beslissing om al dan niet tot audiovisuele opnames van het verhoor over te gaan. Daarnaast
adviseert de RSJ om het nieuwe wetsartikel over audiovisuele opnames (art. 488ac Sv), voor wat
betreft de vraag wie een verzoek kan doen tot audiovisuele opnames, in overeenstemming te
brengen met het artikel over het medisch onderzoek (art. 489a Sv).
Aanbevelingen RSJ met betrekking tot het recht op medisch onderzoek:
-- Breng het conceptwetsvoorstel in lijn met de EU richtlijn door het recht op een medisch
     onderzoek in alle fasen van het strafproces mogelijk te maken.
-- De RSJ adviseert om aan te sluiten bij de regeling waarin binnen 2 uur een raadsman
     beschikbaar moet zijn. Dat betekent dat binnen 2 uur een medisch deskundige beschikbaar
     moet zijn om het medisch onderzoek uit te voeren.
-- De RSJ geeft in overweging om een beroepsmogelijkheid te creëren bij de Officier van Justitie,
     ten aanzien van het besluit tot het doen van medisch onderzoek.
-- Pas de bepaling over de audiovisuele opnames (art. 488ac Sv) aan overeenkomstig de bepaling
     over het medisch onderzoek.
Recht op informatie
In de Nederlandse wetgeving is, ook voor jeugdigen, een recht op informatie opgenomen. Dit betreft
onder andere informatie over het verloop van de strafprocedure en zijn of haar rechten gedurende
deze procedure (art. 27c Sv). Momenteel zijn er informatiefolders voor jeugdigen beschikbaar over
het verloop van het strafproces en de rechten van de verdachte.
Uitvoering
De RSJ benadrukt het verschil tussen informatievoorziening en begripsvorming. Niet zonder
meer mag worden aangenomen dat jeugdigen informatie de zij krijgen aangereikt ook begrijpen.
Jeugdigen komen (vaak voor het eerst) in een politiecel terecht en kunnen vlak na de aanhouding
veel stress ervaren over wat ze te wachten staat. Daarnaast heeft aanzienlijk deel van de criminele
jongeren een licht verstandelijke beperking (LVB) en/of een gedragsstoornis.15 Om de jeugdige goed
te informeren is het belangrijk dat er niet teveel informatie in één keer wordt verstrekt, dat getoetst
wordt of informatie begrepen wordt, dat de boodschap herhaald wordt en dat informatie begrijpelijk
is voor jeugdigen. Het eenmalig verstrekken van een folder is naar de mening van de RSJ niet
15    Intelligentie en criminaliteit, Justitiële verkenningen, WODC, 2017 en Mensen met een licht verstandelijke beperking in het justitiële domein, V.
      Drost, P. Van Haaren, W. Jongebreur, 2016 en Forensic assessment of juvenile delinquents: prevalence of psychopathology and decision-making
      at court in The Netherlands, Th.A.H. Doreleijers, F. Moser, P. Thijs, H. van Engeland & F.H. Beyaert, Journal of Adolescence 23(3), 2000.
                                                                      5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>voldoende. Uit eerder onderzoek uit 201116 blijkt dat de informatie niet begrijpelijk is en ook anno
2018 is geen specifieke folder voor LVB jongeren beschikbaar. Ook moet oog zijn voor jeugdigen die
de Nederlandse taal niet machtig zijn.
Aanbevelingen RSJ met betrekking tot het recht op informatie:
-- Ontwikkel een werkwijze die waarborgt dat jeugdigen begrijpen wat hen te wachten staat;
-- Ontwikkel een informatiefolder voor LVB jongeren (met plaatjes in plaats van tekst).17
Vrijheidsbeneming 16- en 17-jarigen
In artikel 12 van de EU richtlijn wordt benadrukt dat kinderen in detentie gescheiden van
volwassenen moeten worden geplaatst, tenzij het in het belang van het kind wordt geacht om
hiervan af te wijken.
Bij jeugdige verdachten van zestien of zeventien jaar kan het commune strafrecht voor volwassenen
worden toegepast (art. 77b Sr). Toepassing van deze bepaling kan er, anders dan in de Memorie
van Toelichting wordt aangenomen18, wel degelijk toe leiden dat jeugdigen worden geplaatst in een
gevangenis met volwassenen. Artikelen 9 en 10 van de Penitentiaire Beginselenwet (Pbw) laten hier
ruimte voor. In verband met artikel 77b Sr heeft de Nederlandse regering een voorbehoud gemaakt
bij artikel 37, onder c IVRK, dat eveneens benadrukt dat kinderen gescheiden van volwassenen
dienen te worden gehuisvest, tenzij het in het belang van het kind is om dit anders te doen, en bij
de invoering van de Wet Adolescentenstrafrecht heeft de wetgever er uitdrukkelijk voor gekozen
om artikel 77b Sr en het voorbehoud bij het IVRK te handhaven. Nu is echter de scheiding tussen
jeugdigen en volwassenen uitdrukkelijk opgenomen in de EU richtlijn. Dit betekent volgens de RSJ
dat het maar zeer de vraag is of de huidige regeling zo kan blijven bestaan. De RSJ adviseert om
uitdrukkelijk in de wet op te nemen dat jeugdigen onder de 18 jaar uitsluitend in een justitiële
jeugdinrichting kunnen worden geplaatst.
De RSJ adviseert:
-- om plaatsing van jeugdigen onder de 18 jaar, die onder toepassing van art. 77b Sr zijn
     veroordeeld tot een gevangenisstraf, in een volwassen penitentiaire inrichting uit te sluiten en te
     voorzien in een regeling die plaatsing in een justitiële jeugdinrichting garandeert.
Uitvoering in de praktijk
Tot slot vraagt de RSJ aandacht voor een belangrijk obstakel voor de uitvoering van dit wetsvoorstel
in de praktijk. De EU richtlijn, in samenhang met de eerdere EU richtlijnen, beoogt de rechten van
jeugdigen in het strafproces te verbeteren en in de praktijk zal hier uitvoering aan gegeven moeten
worden door goed opgeleide professionals.
In de EU richtlijn staat dat lidstaten ervoor zorgen dat rechtshandhavingsinstanties, het personeel
van detentiecentra, rechters, openbaar aanklagers en advocaten die te maken krijgen met zaken
waarbij kinderen betrokken zijn een specifieke opleiding volgen (art. 20 richtlijn). De RSJ meent dat
dit betekent dat politieagenten, beoordelaars bij het OM, officieren van justitie, advocaten, rechters
en personeel in detentiecentra slechts dan te maken mogen krijgen met een strafzaak van een
jeugdige, nadat zij een specifieke opleiding hiertoe hebben voltooid.
In de huidige praktijk is dit niet het geval:
-- Bij de politie heeft slechts een gedeelte van de politieagenten die jeugdigen verhoren, de
     benodigde training hiervoor gevolgd.19
-- Vele jeugdzaken bij het Openbaar Ministerie worden afgedaan door medewerkers zonder
     specifieke jeugddeskundigheid. Vrijwel alle jeugdzaken worden op ZSM20 afgedaan, waar de
     diensten volgens een rooster worden ingedeeld. Op veel locaties worden de diensten verdeeld
     tussen enkele jeugdofficieren en een veelheid aan reguliere officieren en is dus lang niet altijd
     een jeugdofficier (en beoordelaar) beschikbaar.
De minister van Justitie en Veiligheid geeft aan dat Nederland aan de EU richtlijn voldoet, omdat
16    Een ‘paar nachtjes’ in de cel, Defence for Children, 2011.
17    Met gebruikmaking van de reeds beschikbare deskundigheid bijvoorbeeld van het Expertisecentrum William Schrikker of het Landelijk Kennis-
      centrum LVB.
18    Memorie van Toelichting, p 28.
19    De Politie en omgang met jeugdige getuigen en verdachten, I. Rispens en K. Dekens en Verhoren van minderjarigen: enkele suggesties voor
      bijsturing, B. De Clercq en M. Bockstaele, Cahiers Politiestudies, Jaargang 2015-1, nr. 34.
20    ZSM, dat is: Zo Snel, Slim, Selectief, Simpel, Samen en Samenlevingsgericht Mogelijk. Veelvoorkomende criminaliteit daadkrachtig, snel, pas-
      send en efficiënt aanpakken staat centraal in de ZSM werkwijze (www.om.nl).
                                                                      6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>de opleidingen met accenten op het jeugdstrafrecht reeds beschikbaar zijn. De RSJ signaleert dat
de beschikbaarheid van specifieke opleidingen niet garandeert dat de zaak van een jongere ook
door een deskundige wordt behandeld. In de huidige praktijk voldoet Nederland niet aan de EU
richtlijn, omdat de strafzaken van jeugdigen ook worden behandeld door professionals zonder de
noodzakelijke opleiding. De RSJ roept de minister op om ervoor te zorgen dat alle jeugdigen in
de strafketen te maken krijgen met professionals die een specifieke opleiding hebben gevolgd en
deskundig zijn op het gebied van jeugd. Dat Nederland hiertoe gehouden is, vloeit niet enkel voort
uit de EU richtlijn, maar vindt ook steun in het IVRK, welk verdrag voor de RSJ een belangrijk
toetsingskader biedt.
Met vriendelijke groet,
namens de Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming,
mr. L.A.J.M. de Wit, algemeen voorzitter
                                               7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>