<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Intensieve
vrijwillige
hulp
Heldere grenzen aan
drang in de jeugdzorg
Den Haag, november 2019
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>De Raad voor Strafrechtstoepassing en                   De Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
Jeugdbescherming (RSJ) is een onafhankelijk             (RVS) is een onafhankelijk strategisch
en toetsend orgaan. De RSJ ziet door advies             adviesorgaan. De RVS heeft tot taak de regering
en rechtspraak toe op een humane en                     en de Eerste en Tweede Kamer van de Staten-
rechtvaardige toepassing van sancties en                Generaal te adviseren over hoofdlijnen van beide
jeugdbeschermingsmaatregelen.		                         beleidsterreinen.
                                                        		
Raad voor Strafrechtstoepassing en                      Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
Jeugdbescherming
Korte Voorhout 8                                        Parnassusplein 5
Postbus 30137                                           Postbus 19404
2500 GC Den Haag                                        2500 CK Den Haag
T +31 (0)70 361 9300                                    T +31 (0)70 340 5060
info@rsj.nl                                             mail@raadrvs.nl
www.rsj.nl                                              www.raadrvs.nl
Twitter: @DE_RSJ                                        Twitter: @raadRVS
                                                        Publicatienummer 19-04		
Publicatie
ISBN: 978-90-5732-285-3
Grafisch ontwerp: Studio Duel
Fotografie: Adobe Stock
© Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming & Raad voor Volksgezondheid en Samenleving,
   Den Haag, 2019
Niets in deze uitgave mag worden openbaar gemaakt of verveelvoudigd, opgeslagen in een dataverwerkend
systeem of uitgezonden in enige vorm door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze dan ook
zonder toestemming van de RSJ en RVS.
U kunt deze publicatie downloaden via de websites van de Raden: www.rsj.nl of www.raadrvs.nl.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Intensieve
vrijwillige
hulp
Heldere grenzen aan
drang in de jeugdzorg
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>4                                                     RSJ &RVS
                                                            RVS&–RSJ–
                                                                  Intensieve
                                                                      Drang in
                                                                             vrijwillige
                                                                               de jeugdzorg
                                                                                         hulp
                                                    Samenvatting
In de praktijk van de jeugdzorg heerst veel onduidelijkheid over drang. Jeugdigen
en ouders zitten met vragen als: wanneer is jeugdzorg vrijwillig en wanneer niet?
Jeugdprofessionals vragen zich af wat ‘kan en mag’ in wat intussen het ‘drangka-
der’ is gaan heten. En advocaten en rechtswetenschappers uiten zorgen over de
rechtspositie van jeugdigen en ouders bij de inzet van drang. De discussie over
drang binnen de jeugdzorg is niet nieuw. Maar de introductie van het onderwerp in
parlementaire stukken en gemeentebeleid heeft de discussie wel een extra impuls
gegeven. Wat de zaak complexer maakt, is dat niet altijd duidelijk is wat er precies
onder drang moet worden verstaan.
In dit advies stellen de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
(RSJ) en de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) twee vragen: wat
moeten we verstaan onder drang in de jeugdzorg? En mag drang vanuit juridisch
en ethisch oogpunt wel worden ingezet?
De RSJ en RVS doen aanbevelingen om een juridisch gerechtvaardigde en ethisch
verantwoorde jeugdzorgpraktijk te realiseren. Ze willen hiermee de kwetsbare
positie van jeugdigen en gezinnen verbeteren én jeugdprofessionals ondersteu-
nen, die onder vaak zware omstandigheden moeten werken. Het advies richt zich
tot de minister voor Rechtsbescherming en de minister van VWS.
Verschillende perspectieven
Over drang wordt heel verschillend gedacht. Jeugdigen en ouders zien drang al
snel als dwang: hulp die wordt opgelegd, waarbij ze geen keuze of eigen inbreng
meer hebben. Jeugdprofessionals hebben negatieve associaties bij het woord. Zij
willen dat hulp aan ouders en jeugdigen in de jeugdzorg vrijwillig blijft, ook als de
hulp intensiever wordt. Vanuit het perspectief van de wetgever en beleidsmakers
is drang een manier om gedwongen jeugdbescherming te voorkomen. Dit beleid
plaatst drang tussen vrijwillige en gedwongen hulp in. Hierdoor wordt de grens
tussen vrijwillige hulp en gedwongen hulp (jeugdbescherming) vaag. Sommige
gemeenten zien ‘drang’ of ‘preventieve jeugdbescherming’ als een product dat
ingekocht kan worden; daardoor wordt het een op zichzelf staande interventie of
type hulp.
Knelpunt: grens tussen vrijwillige hulp en jeugdbescherming niet meer helder
De RSJ en RVS constateren dat ‘drang’ en ‘preventieve jeugdbescherming’ soms
feitelijk het karakter van dwang krijgen, terwijl het om hulp in het vrijwillig kader
gaat. Dit is onwenselijk. Er moet een scherp onderscheid worden gemaakt tussen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>﻿                                                                                    5
vrijwillige hulp en jeugdbescherming, zonder vormen er ‘tussenin’. Het moet voor
jeugdigen en ouders glashelder zijn welke soort hulp – vrijwillig of gedwongen –
aan hen wordt verleend.
        Om intensieve vrijwillige hulp op een
        ethische manier te verlenen, moeten
      professionals in elke situatie opnieuw
           verschillende rechten, plichten en
               normen en waarden afwegen.
Advies: intensieve vrijwillige hulp
De RSJ en de RVS nemen positie in ten aanzien van de vraag wat onder drang
moet worden verstaan. Zij stellen voor de term drang, en andere verhullende en
verwarrende terminologie (zoals ‘preventieve jeugdbescherming’), niet meer te
gebruiken en in het vervolg te spreken van intensieve vrijwillige hulp. Hieronder
verstaan de Raden het volgende: een proces van hulp en zorg verlenen in het
vrijwillige kader van de jeugdzorg, waarbij de jeugdprofessional gradueel meer
invloed uitoefent, meer verantwoordelijkheid neemt en daarmee steeds intensie-
ver hulp en zorg verleent én tegelijkertijd de vrijwilligheid van de hulp garandeert.
In het jeugdzorgstelsel moet specialistische kennis en kunde voor het verlenen
van intensieve vrijwillige hulp in het vrijwillig kader worden opgebouwd en
beschikbaar zijn. Dit moet een duidelijk afgebakend kader zijn, waarbij juridische
grenzen worden bewaakt en rechten van ouders en jeugdigen zijn gewaarborgd.
Om intensieve vrijwillige hulp op een ethische manier te verlenen, moeten
professionals in elke situatie opnieuw verschillende rechten, plichten en normen
en waarden afwegen. Er zijn omstandigheden die het bemoeilijken om juridisch
gerechtvaardigde en ethisch verantwoorde hulp te bieden. Daarom zouden ook de
in het advies genoemde randvoorwaarden gerealiseerd moeten worden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>                                                                               7
Samenvatting                                                                   4
1      Inleiding                                                               8
1.1    Aanleiding                                                              9
1.2    Vraagstelling                                                         10
1.3    Belangrijkste begrippen                                               10
1.4    Werkwijze                                                              11
1.5    Leeswijzer                                                            12
2      Wat moeten we verstaan onder drang in de jeugdzorg?                   14
2.1    Wat in de praktijk onder drang wordt verstaan: vier perspectieven     15
2.2    Knelpunt                                                              23
2.3    Een analyse en definitie van drang                                    23
2.4    Conclusie                                                             26
3      Is intensieve vrijwillige hulp (‘drang’) juridisch te rechtvaardigen? 28
3.1    Juridische grenzen                                                    29
3.2	Fundamentele randvoorwaarden:
       internationale kinderrechten en mensenrechten                         31
3.3    Onduidelijk taalgebruik, onduidelijke hulp                            35
3.4 Conclusie                                                                36
4      Is intensieve vrijwillige hulp (‘drang’) ethisch te verantwoorden?    38
4.1    Ethiek, recht en professionaliteit                                    39
4.2	Randvoorwaarden:
       kritische reflectie, praktische wijsheid en moreel beraad             44
4.3    Andere randvoorwaarden bij ethisch verantwoorde hulpverlening         46
4.4 Conclusie                                                                50
5      Conclusies en aanbevelingen                                           52
5.1    Het belangrijkste knelpunt                                            53
5.2    Wat moeten we onder drang verstaan?                                   54
5.3	Is intensieve vrijwillige hulp juridisch te rechtvaardigen,
       en zo ja onder welke voorwaarden en omstandigheden?                   55
5.4	Is intensieve vrijwillige hulp ethisch te verantwoorden,
       en zo ja onder welke voorwaarden en omstandigheden?                   56
5.5    Slotconclusie                                                         58
Bijlage I
Literatuur                                                                   60
Boeken, tijdschriftartikelen & rapporten                                     61
Bijlage II Geraadpleegde deskundigen                                         68
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>1 Inleiding</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Inleiding                                                                                                     9
1.1       Aanleiding
In de praktijk heerst veel onduidelijkheid over drang in de jeugdzorg. Jeugdigen
en ouders zitten met vragen als: wanneer is jeugdzorg vrijwillig en wanneer niet?
Moeten we meewerken aan de geboden hulp? En wat is drang eigenlijk? Ook
jeugdprofessionals vragen zich af wat ‘kan en mag’ in wat intussen het ‘drang-
kader’ is gaan heten.1 Advocaten en rechtswetenschappers uiten zorgen over
de rechtspositie van jeugdigen en ouders bij de inzet van drang.2 En gemeenten
moeten ieder hun eigen keuzes maken op het terrein van preventie, jeugdhulp en
jeugdbescherming sinds de instelling van de Jeugdwet op 1 januari 2015.
Hoewel de discussie over de inzet van drang binnen de jeugdzorg niet nieuw is,3
heeft de introductie van het onderwerp ‘drang’ in parlementaire stukken en in
beleid van gemeenten de discussie doen oplaaien. Wat de zaak nog complexer
maakt, is dat niet altijd duidelijk is wat er precies onder drang moet worden
verstaan. De overheid staat voor een ingewikkelde uitdaging. Enerzijds mag de
overheid niet zomaar interveniëren in het privé- of gezinsleven van jeugdigen
en/of ouders: dat is een belangrijk juridisch, politiek en ethisch principe waarmee
burgers worden beschermd tegen willekeurig overheidsingrijpen. 4 Anderzijds
wordt van diezelfde overheid verwacht dat zij zich inspant om goede, soms
intensieve, jeugdzorg te bieden.
Ondertussen is in sommige gemeentelijke regio’s sprake van meer dan 3.000
nieuwe drangtrajecten per jaar. 5 Met name de ‘vrijwillige, maar niet-vrijblijvende’
drangtrajecten roepen juridische en ethische vragen op. In het zogenoemde
drangkader worden soms ingrijpende beslissingen genomen, zoals uithuis-
plaatsingen van jeugdigen, die vanuit juridisch oogpunt niet gerechtvaardigd
lijken. 6 In 2018 heeft het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ) veel klachten
ontvangen over in de praktijk toegepaste drang.7 De problemen waar gezinnen en
jeugdigen mee te maken hebben zijn soms groot en complex. Dit maakt het werk
voor jeugdprofessionals zwaar en intensief.
1    Meijers 2018.
2    De Boer & Bruning 2018; Verkroost 2019; Friele e.a. 2018; Feiner 2015; Quik-Schuijt 2015. De
     Kinderombudsman maakte zich in 2016 ook zorgen over het gebruik van drang in de jeugdzorg: zie
     Kinderombudsman 2016.
3    Lünnemann e.a. 2018, p.50.
4    Art. 8 lid 2 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
5    Samen Veilig Midden Nederland, jaarbericht 2018.
6    Van der Linden e.a. 2018.
7    In 2018 zijn bij het AKJ 241 klachten geregistreerd in de (sub)categorie ‘onder druk gezet voelen in het
     drangkader’. Deze klachten zijn onder te verdelen in: 107 klachten over de gemeentelijke toegang van
     jeugdzorg en 134 klachten over de gecertificeerde instelling die een rol heeft in een drangtraject.
     Deze informatie heeft de RSJ op verzoek gekregen op 14 maart 2019.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>10                                                                    RSJ & RVS – Intensieve vrijwillige hulp
Het risico dat jeugdigen en ouders door de inzet van drang – en de onduide-
lijkheden daarover – schade oplopen en niet de hulp en/of rechtsbescherming
ontvangen die ze nodig hebben, maakt deze kwestie urgent en belangrijk om over
te adviseren.
1.2       Vraagstelling
    Gelet op het voorgaande is als vraagstelling van dit advies geformuleerd:
    → Wat moeten we verstaan onder drang in de jeugdzorg?
    →	Is de inzet van drang juridisch te rechtvaardigen en ethisch te
        verantwoorden? – en zo ja, onder welke voorwaarden en
        omstandigheden?
Dit is een gezamenlijk advies van de Raad voor Strafrechtstoepassing en
Jeugdbescherming (RSJ) en de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS).
Het advies is op eigen initiatief tot stand gekomen. De RSJ en de RVS (hierna: de
Raden) hebben zich ten doel gesteld om de problemen rondom ‘drang’ bloot te
leggen. De aanbevelingen van dit advies zijn gericht op het realiseren van een
juridisch gerechtvaardigde en ethisch verantwoorde jeugdzorgpraktijk. De Raden
willen hiermee de kwetsbare positie voor jeugdigen en gezinnen verbeteren én
jeugdprofessionals helpen die onder de huidige – vaak zware – omstandigheden
werken in de jeugdzorg. 8
Het advies richt zich tot de minister voor Rechtsbescherming (JenV) en de minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Daarnaast is het bedoeld voor
gemeenten, jeugdprofessionals, cliëntenorganisaties en alle overige betrokkenen.
1.3      Belangrijkste begrippen
De discussie over drang wordt bemoeilijkt door de verschillende begrippen die in
de praktijk en in de Jeugdwet worden gehanteerd. Hieronder volgen de belangrijkste
begrippen voor de strekking van dit advies:
8    Inspectie JenV & IGJ 2019 (rapport); Inspectie JenV & IGJ 2019 (signalement); Prismant 2018.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>Inleiding                                                                                               11
Drang
Wat drang precies inhoudt, daarover verschillen de meningen. Wat we er onder
zouden moeten verstaan, leest u aan het eind van hoofdstuk 2. Hoewel het woord
‘drang’ een onduidelijk begrip is en de Raden het liever niet gebruiken, is gebruik
ervan in dit advies soms onoverkomelijk omdat het in de praktijk wél wordt
gebruikt.
Jeugdige
Persoon tot 18 jaar. Wanneer het in het advies over jeugdigen ouder dan 18 jaar
gaat, zal dit expliciet worden benoemd.
Jeugdprofessional
Professional die werkt in de praktijk van de jeugdzorg.
Jeugdzorg en jeugdhulp
Met jeugdzorg wordt alle zorg, hulpverlening en ondersteuning aan jeugdigen in
het vrijwillige kader bedoeld. Jeugdreclassering ligt buiten de focus van dit advies.
In de Jeugdwet wordt overigens uitsluitend gesproken van jeugdhulp en niet meer
van jeugdzorg. Wanneer in dit advies de term jeugdhulp wordt gebruikt, is dit
conform de definitie van art. 1.1. Jeugdwet. In dit advies gebruiken we toch veelal
de term jeugdzorg, omdat dit in de praktijk gemeengoed is.
Jeugdbescherming
De maatregelen die de rechter oplegt in het gedwongen kader. Zo kan de rechter
bijvoorbeeld een ondertoezichtstelling opleggen wanneer een gezonde en veilige
ontwikkeling van een jeugdige ernstig wordt bedreigd en vrijwillige hulp niet
(voldoende) door de ouders wordt geaccepteerd. Een ander voorbeeld van een
jeugdbeschermingsmaatregel is een uithuisplaatsing van een jeugdige.
1.4       Werkwijze
De Raden hebben zich een beeld gevormd van de praktijk van drang in de jeugd-
zorg door middel van: a) een grote expertbijeenkomst9 met jeugdprofessionals uit
de praktijk 10 van de jeugdzorg en jeugdbescherming, b) gesprekken met juristen
9    Op 28 februari 2019 hebben de Raden een semigestructureerd groepsinterview georganiseerd waarbij
     jeugdprofessionals uit verschillende jeugdregio’s aanwezig waren.
10   Aanwezig waren wijkteammedewerkers, voorzitters van jeugdbeschermingstafels, een orthopedagoog,
     een gedragsdeskundige, gezinscoaches, jeugdbeschermers, enkele advocaten van de gecertificeerde
     instellingen en een jurist van de Raad voor de Kinderbescherming, (gemeentelijke) beleidsmedewerkers
     jeugd en een vertrouwenspersoon van het AKJ.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>12                                                               RSJ & RVS – Intensieve vrijwillige hulp
uit de rechtswetenschap, de advocatuur, de rechterlijke macht en de Raad voor
de Kinderbescherming, c) het bijwonen van drie jeugdbeschermingstafels, en
d) werkbezoeken bij drie gecertificeerde instellingen. Verder zijn er gesprekken
gevoerd met verschillende kinder- en jeugdpsychiaters.11 Ook is er een bijeen-
komst georganiseerd waarin de Raden hebben gesproken met jeugdigen tussen de
achttien en dertig jaar over hun ervaringen met drang in hun jeugd en hun visie op
de inzet van drang.12 Een vergelijkbare bijeenkomst is met ouders georganiseerd.13
Tot slot hebben de Raden gesproken met experts, bestuurders en beleidsmede-
werkers op het terrein van de jeugdzorg en jeugdbescherming. Tevens is infor-
matie verzameld via de bestudering van relevante wetenschappelijke literatuur,
wet- en regelgeving, beleids- en kamerstukken, rechterlijke uitspraken, rapporten,
richtlijnen en nieuwsberichten. De Raden hebben hun bevindingen zowel intern
als onderling met elkaar besproken om tot dit gezamenlijk advies te komen.
1.5      Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt de praktijk van drang belicht vanuit vier perspectieven:
die van cliënten (jeugdigen en ouders), jeugdprofessionals, de wetgever en
nationale beleidsmakers, en de gemeenten en lokale beleidsmakers. Op basis
van deze praktijkanalyse wordt het begrip ‘drang’ geanalyseerd, waarna de Raden
antwoord geven op de eerste deelvraag van het advies: “Wat moeten we verstaan
onder drang in de jeugdzorg?” De Raden komen hier met een nieuw begrip voor het
fenomeen dat in de praktijk drang is gaan heten.
Hoofdstuk 3 beantwoordt de vraag of de inzet van drang juridisch te rechtvaar-
digen is, en zo ja, onder welke voorwaarden en omstandigheden. De Raden
analyseren de juridische grenzen die spelen bij de inzet van drang aan de hand
van nationale wetgeving en internationale kinder- en mensenrechtenstandaarden.
Deze analyse wordt ondersteund door enkele praktijkvoorbeelden.
11  Omdat bij de expertmeeting de kinder- en jeugdpsychiatrie niet vertegenwoordigd was, is ervoor gekozen
    alsnog aanvullend met vertegenwoordigers van de kinder- en jeugdpsychiatrie te spreken.
12  Deze bijeenkomst, met acht jeugdigen, is georganiseerd door U-2B Heard! Dit is een cliëntenplatform
    voor kwetsbare jeugdigen. Hiernaast is één jeugdige apart gesproken, via ExpEx (Experienced Experts),
    een platform voor jonge ervaringsdeskundigen.
13  Deze bijeenkomst is georganiseerd door de koepelorganisatie van cliëntenraden LOC-zeggenschap in
    zorg. De Raden hebben ook apart met ouders gesproken. Het contact met een deel van deze ouders is tot
    stand gebracht door U-2B Heard!, een cliëntenplatform voor kwetsbare jeugdigen. In totaal is met zeven
    ouders gesproken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>Inleiding                                                                      13
Hoofdstuk 4 behandelt de vraag of drang ethisch te verantwoorden is, en zo ja,
onder welke voorwaarden en omstandigheden. De Raden schetsen eerst welke
ethische overwegingen een rol kunnen spelen en hoe deze samenhangen met
andere normatieve kaders. Vervolgens gaan de Raden in op het belang – en de
noodzaak – van een zorgvuldige reflectie op de ethische vragen, waarmee men in
de praktijk geconfronteerd kan worden. Tot slot schetsen de Raden de randvoor-
waarden die nodig zijn om ethisch verantwoord hulp te kunnen verlenen.
In hoofdstuk 5 worden tenslotte de belangrijkste bevindingen samengevat en
aanbevelingen gegeven.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>    2 Wat moeten we
verstaan onder drang
     in de jeugdzorg?
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>Wat moeten we verstaan onder drang in de jeugdzorg?                                                         15
In dit hoofdstuk staat de eerste vraag van het advies centraal: “Wat moeten we
verstaan onder drang in de jeugdzorg?” Om deze vraag te beantwoorden, belichten
de Raden eerst hoe betrokkenen in de praktijk spreken over drang en hoe drang
vorm krijgt vanuit vier perspectieven: het perspectief van cliënten (jeugdigen en
ouders), jeugdprofessionals, wetgever en nationale beleidsmakers, en tot slot de
gemeenten en lokale beleidsmakers.14 Daarna volgt een analyse van het begrip
drang op basis waarvan de Raden antwoord geven op de vraag wat we in het ver-
volg onder drang in de jeugdzorg zouden moeten verstaan.
2.1      Wat in de praktijk onder drang wordt verstaan:
         vier perspectieven
Perspectief jeugdigen en ouders
In een bijeenkomst met acht jeugdigen15 kwam als belangrijkste punt naar voren
dat zij gezien en gehoord willen worden. Zij vinden het belangrijk dat zij betrokken
worden bij beslissingen van de jeugdprofessional en dat zij invloed hebben op de
manier waarop de hulp wordt vormgegeven. Hun ervaring is dat hulp (ook in het
vrijwillige kader) wordt opgelegd in plaats van aangeboden.
De jeugdigen vinden dat de jeugdprofessional duidelijk mag zeggen wat van hen
wordt verwacht, maar dat daarbij de inbreng van jeugdigen wel moet worden
gerespecteerd: “Je moet het gevoel hebben dat je zelf ook iets mag en kán doen.”
Als de jeugdprofessional verwachtingen heeft, moet de communicatie hierover
op een transparante manier gebeuren. De jeugdigen zijn ervan overtuigd dat veel
meer bereikt wordt met een positieve bejegening, waarbij complimenten worden
gegeven, hoop wordt geboden, kleine stapjes worden gevierd en een vertrouwe-
lijke sfeer wordt gecreëerd. Dan zijn ze beter gemotiveerd om mee te werken. De
jeugdigen geven hierbij nadrukkelijk aan dat één goede jeugdprofessional het
verschil kan maken.
De jeugdigen waren het er overigens allemaal over eens dat jeugdprofessionals
pas een goede inschatting kunnen maken van de juiste hulp wanneer zij ook met
14   Deze perspectieven vormen een abstractie van wat er is geobserveerd in de praktijk. Het gaat er dus niet
     om hoe specifieke actoren of individuen verschillend denken over drang, maar over de vraag hoe de groep
     van actoren in het algemeen drang ziet. Daarmee gaan mogelijk nuances en differentiaties verloren, maar
     de Raden hebben geprobeerd deze zoveel mogelijk naar boven te laten komen.
15   Deze bijeenkomst is georganiseerd door U-2B Heard! (een cliëntenplatform voor en door kwetsbare
     jeugdigen). De deelnemers (18 tot 30 jaar) hebben allen in hun jeugd langdurig te maken gehad met
     jeugdzorg en hebben hun ervaringen daarmee, en specifiek met de inzet van drang, met ons gedeeld.
     Het merendeel van deze jeugdigen is nu actief als ervaringsdeskundige. Zij hebben in deze rol, waarin zij
     verschillende jeugdigen bijstaan, zicht op de huidige praktijk.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>16                                                                    RSJ & RVS – Intensieve vrijwillige hulp
hen zelf hebben gesproken: “Mij is nooit gevraagd wat ik echt belangrijk vond. Ik
vind school bijvoorbeeld heel belangrijk, maar destijds werd gezegd dat school te
belastend voor mij was.”
De Raden zijn ook in gesprek gegaan met zeven ouders. Uit deze gesprekken ont-
stond de indruk dat het verschil tussen drang en dwang voor ouders niet duidelijk
is: “Drang is gewoon dwang, omdat je geen keuze hebt.” 16 Het overgrote deel van
deze ouders benadrukt dat de mening van de jeugdige (eerder) meegewogen moet
worden.
Samengevat wordt drang vanuit dit perspectief gezien als een werkwijze waarbij
te veel wordt voorbijgegaan aan de wensen van jeugdigen en ouders. Zij ervaren
drang al gauw als dwang.
Perspectief jeugdprofessional
Uit de expertbijeenkomst blijkt dat jeugdprofessionals het woord ‘drang’ liever
niet gebruiken: zij associëren deze term met ‘dwang’ en hechten er waarde aan
dat vrijwillige hulp voor de jeugdige en het gezin ook echt vrijwillig blijft. Dit blijkt
ook uit ontwikkelingen binnen de GGZ, daar wordt al enkele jaren gewerkt aan het
terugdringen van dwang.17 De professionals spreken liever over een ‘intensivering
van hulp’. De hulp wordt intensiever door bijvoorbeeld op eigen initiatief contact
te leggen met het gezin, het gesprek aan te gaan, te adviseren en te motiveren. Het
kan ook gaan om vasthoudendheid (blijven proberen om met het gezin samen te
werken), bemoeizorg of het maken van duidelijke afspraken.18
Drang is hier dus onderdeel van het vrijwillige hulpproces. Vanuit dit perspec-
tief lijkt geen heldere grens te bestaan tussen hulp met of zonder drang. De
overgang is fluïde en het vinden van een passende vorm van hulp of zorg vergt
maatwerk. Professionals zien wel dat een bepaalde deskundigheid nodig is om
hulp te intensiveren. In het uiterste geval kan dat betekenen dat de professional
16   Vgl. Senseguide 2019, p. 5. Uit dit onderzoek op basis van ervaringen van cliënten van de gecertificeerde
     instelling ‘Jeugdbescherming Regio Amsterdam’ komt naar voren dat ongeveer de helft van de cliënten
     positieve ervaringen heeft met preventieve jeugdbescherming en de andere helft negatieve ervaringen.
     Het rapport vermeldt dat er verhalen zijn waarin gezinnen zich gedwongen voelen in hun samenwerking,
     beslissingen voor hen worden genomen en er onduidelijkheid is over de rol en taak van de gezinsmanager
     van de gecertificeerde instelling.
17   Op 1 januari 2020 wordt de Wet Bijzondere opneming psychiatrisch ziekenhuizen (Wet Bopz), vervangen
     door de Wet zorg en dwang (Wzd), Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) en de Wet
     forensische zorg (Wfz). De doelstellingen van deze wetten zien er onder meer op toe dat betrokkenen,
     zoveel mogelijk zelf voor zorg kunnen kiezen. Een vrijwillig of een minder ingrijpend alternatief dan het
     beperken van de keuzevrijheid moet altijd overwogen worden.
18   Cardol, Hermans & Kuipers 2015.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>Wat moeten we verstaan onder drang in de jeugdzorg?                                                        17
vervolgstappen richting jeugdbescherming (dwang) zet. Denk bijvoorbeeld aan
een melding bij de jeugdbeschermingstafel, bij Veilig Thuis of een verzoek tot
onderzoek (VTO) bij de Raad voor de Kinderbescherming.
Samengevat wordt drang vanuit dit perspectief gezien als vrijwillige hulp, duide-
lijk afgegrensd van dwang.
Perspectief wetgever en nationale beleidsmakers
In het Burgerlijk Wetboek staat duidelijk dat gedwongen hulp alleen kan worden
opgelegd door de rechter wanneer sprake is van een ernstige bedreiging in de
ontwikkeling van het kind en de vrijwillige hulpverlening niet of onvoldoende door
de ouders of jeugdige wordt geaccepteerd.19 Gedwongen hulp mag alleen worden
opgelegd met een maatregel van jeugdbescherming. De term drang komt in de wet
niet voor. De wetgever gebruikt de term wel in de toelichting op de Jeugdwet:
    “Het wetsvoorstel wil nadrukkelijk bevorderen dat de Raad voor de
    Kinderbescherming al in een eerder stadium kan meedenken op casus-
    niveau, waarbij de hulp gericht is op het versterken van de eigen kracht van
    de jeugdige en van het probleemoplossend vermogen van gezin en
    omgeving. Dit kan in sommige gevallen zelfs de noodzaak van een kinder-
    beschermingsmaatregel voorkomen. Ook wil het wetsvoorstel de ruimte
    vergroten om een gezinsvoogdijmedewerker (lees: jeugdbeschermer, red.),
    werkzaam bij een gecertificeerde instelling20 , nog voordat een kinderbe-
    schermingsmaatregel is uitgesproken in te zetten, met als doel ouders te
    bewegen – al dan niet met zachte drang – tot vrijwillige medewerking. Dit
    bevordert de continuïteit van hulpverlening.”21
In deze passage wordt het fenomeen ‘drang’, en daarmee de inzet van profes-
sionals uit het gedwongen kader in het vrijwillige kader, geïntroduceerd en
gestimuleerd.22 De wetgever noemt hier meerdere doelen. Zo ziet de inzet van
jeugdbeschermers op het motiveren van ouders om alsnog hulp te accepteren
in het vrijwillige kader. Dit bevordert volgens de wetgever de continuïteit van
hulpverlening. De achterliggende gedachte is het voorkomen van een jeugdbe-
schermingsmaatregel.23 Door de introductie van drang in de toelichting, met de
19   Zie art. 1:255 lid 1 BW (ondertoezichtstelling).
20   Een gecertificeerde instelling heeft als wettelijke taak het uitvoeren van jeugdbeschermingsmaatregelen
     (gedwongen kader).
21   Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 35.
22   Aanhangsel Handelingen II 2017/18, 191.
23   Aanhangsel Handelingen II 2017/18, 191.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>18                                                                 RSJ & RVS – Intensieve vrijwillige hulp
daarbij behorende doelen, is de grens tussen vrijwillige hulp en gedwongen hulp
niet langer scherp afgebakend.
Volgens de wetgever is het de gemeente die werkprocessen op elkaar af dient te
stemmen om continuïteit van hulpverlening te kunnen garanderen. Juist omdat
hier sprake is van een overgang van het vrijwillige kader naar het gedwongen
kader, zijn er volgens de wetgever grenzen aan de mate van afstemming.24
Onder verwijzing naar de hierboven geciteerde passage, is ‘drang’ in latere
kamerstukken uitgelegd als de inzet van de gecertificeerde instelling in het
vrijwillige kader vóórdat een jeugdbeschermingsmaatregel wordt uitgesproken.25
Het fenomeen dat drang wordt genoemd, is echter al eerder, en vóór de Jeugdwet
van 2015, tot ontwikkeling gekomen.26 Men probeerde aanvankelijk een wettelijke
basis te vinden voor de activiteiten die onder de noemer ‘drang’ al langere tijd in
de praktijk plaatsvonden.27 In 2011 werd de ‘maatregel van opgroeiondersteuning’
voorgesteld. Met deze maatregel zou de overheid dan eerder in het gezinsleven
kunnen interveniëren, nog vóórdat sprake was van een ernstige bedreiging in
de ontwikkeling van het kind. Drang als deze ‘vroege interventie’ heeft echter
geen plek gekregen in het Burgerlijk Wetboek, omdat de wetgever de wettelijke
invoering van een lichtere jeugdbeschermingsmaatregel niet als oplossing zag:
   “Door de ontwikkelingen die in het kader van de Jeugdwet gaande zijn, is
   deze nieuwe maatregel niet nodig en zelfs ongewenst. Door intensieve inzet
   in het vrijwillige kader kan onnodig en zwaar ingrijpen in het gezinsleven
   worden voorkomen. De gemeente heeft hier ook financieel belang bij.”28
Intensieve casusregie
In de parlementaire discussies worden trajecten met intensieve casusregie ‘drang-
trajecten’ genoemd.29 De werkwijze met intensieve casusregie zonder maatregel is
24  Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p.35.
25  Aanhangsel Handelingen II 2017/18, 191.
26  Aanhangsel Handelingen II 2017/18, 191.
27  Al tijdens de Wet op de Jeugdzorg, de voorloper van de Jeugdwet, bestond het fenomeen ‘drang’.
    Onder de noemer ‘toegang tot jeugdzorg’ waren de professionals die werkten bij Bureaus Jeugdzorg
    (voorlopers van de gecertificeerde instellingen) namelijk betrokken bij gezinnen, voordat er een
    jeugdbeschermingsmaatregel was. Kamerstukken II 2010/11, 32015, nr. 40. Zie ook: Lünnemann e. a.
    2018, p. 4. Zie voor een korte uiteenzetting van de achtergrond en aanleiding van de maatschappelijke
    discussie over overheidsingrijpen middels een ondertoezichtstelling die tot verschillende
    wetsvoorstellen hebben geleid: HR 16 februari 2018, ECLI:NL:PHR:2017:1329 onder 2.4. en 2.5.
28  Kamerstukken II 2013/14, 33684, nr. 99, p. 1.
29  Kamerstukken I 2013/14, 33684, D, p. 71.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>Wat moeten we verstaan onder drang in de jeugdzorg?                                                       19
op hoofdlijnen hetzelfde als in het gedwongen kader.30 Een duidelijke overweging
om te kiezen voor drang als intensieve casusregie door jeugdbeschermers in het
vrijwillige kader was kostenbesparing.31 Overigens wordt deze intensieve casus-
regie niet gezien als ‘jeugdhulp’, zoals die in de Jeugdwet wordt uitgelegd.32 Deze
intensieve casusregie in de vorm van een drangtraject zagen de toenmalige minis-
teries van VenJ en VWS als meerwaarde.33 Uit Kamerstukken blijkt dat in geval van
complexe problematiek ‘drang- en dwangtrajecten’ beter op elkaar kunnen worden
aangesloten door de blijvende betrokkenheid van de gecertificeerde instelling.34
Deze meerwaarde wordt als volgt toegelicht:
   “Juist als een gezinsvoogdijmedewerker actief is in zowel drangtrajecten
   als in gedwongen trajecten en nazorgtrajecten is hij van meerwaarde voor
   de beide vrijwillige trajecten. De gemeente kan ervoor kiezen om, naast
   de gedwongen trajecten, ook de trajecten voor drang en nazorg bij een
   gecertificeerde instelling in te kopen. Er is in de nieuwe Jeugdwet geen
   sprake van verschillende financieringsstromen, alle inkooptrajecten vallen
   onder de gemeente als enige financier.35
Preventieve jeugdbescherming
Meer recent is men drang in beleidsstukken ‘preventieve jeugdbescherming’ gaan
noemen.36 In het landelijk beleidsprogramma ‘Actieprogramma Zorg voor de Jeugd’
staat over preventieve jeugdbescherming: “We bewegen ouders zelf de regie te
nemen om zorg te dragen voor een gezonde ontwikkeling van hun kind(eren).” 37
Hier wordt ook benadrukt dat het gesprek met ouders en de jeugdige een
essentieel onderdeel is bij de inzet van preventieve jeugdbescherming. In het
30  In de parlementaire geschiedenis wordt intensieve casusregie uitgelegd als het gestructureerd en
    planmatig werken volgens bepaalde methodieken; het hanteren van geschikte benaderingswijzen voor
    ouders en jeugdigen; het inzetten en activeren van netwerken rondom jeugdigen; het kennen van het
    jeugdhulpaanbod in de regio; en tot slot het hebben van inzicht in de aanvullende instrumenten die een
    gedwongen kader biedt. Zie: Kamerstukken I, 2013/14, 33684, D, p. 59.
31  In aanloop naar de Jeugdwet investeerde het Ministerie van VenJ met subsidies in experimenten, de
    zogeheten Vliegwielprojecten, in het overgangsgebied naar het gedwongen kader om tot een meer
    vernieuwende jeugdbeschermingsaanpak te komen. Deze Vliegwielprojecten moesten onder andere
    antwoord geven op de vraag of en in hoeverre de transformatiedoelstellingen uit de Jeugdwet ook op de
    lange termijn kosten konden besparen. Zie het rapport hierover: NJi & BMC 2014, p. 6; Kamerstukken I,
    2013/14, 33684 nr. G; Smit 2015.
32  Kamerstukken I, 2013/14, 33684, D.
33  Kamerstukken I, 2013/14, 33684, D, p. 59.
34  Kamerstukken I, 2013/14, 33684, F, p. 49.
35  Kamerstukken I, 2013/14, 33684, D, p. 59.
36  Actieprogramma Zorg voor de Jeugd, 1 april 2018, zie actielijn 5: ‘Jeugdigen beter beschermen als hun
    ontwikkeling gevaar loopt’.
37  Actieprogramma Zorg voor de Jeugd, 1 april 2018, p. 44.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>20                                                           RSJ & RVS – Intensieve vrijwillige hulp
programma wordt gesteld dat dit gesprek door elke jeugdprofessional mag worden
aangegaan en dat deze taak niet is voorbehouden aan de gecertificeerde instelling.
Aan het gesprek en de rol van de gecertificeerde instelling worden eisen gesteld:
   “Wanneer een medewerker van een gecertificeerde instelling hiervoor wordt
   ingezet moet duidelijk zijn dat zijn inzet zich richt op het motiveren van
   ouders om alsnog de aangegeven grenzen te respecteren en de noodza-
   kelijke hulp daarbij te accepteren. Jeugdbeschermingsexpertise wordt dan
   preventief ingezet.”38
In de parlementaire discussies over de Jeugdwet en in de latere beleids- en kamer-
stukken komen vooral vier vormen van drang en/of preventieve jeugdbescherming
voor: 1) de inzet van de Raad voor de Kinderbescherming in het vrijwillige kader
(bijvoorbeeld bij een jeugdbeschermingstafel), 2) de intensieve casusregie (door
de gecertificeerde instelling) voorafgaand aan het raadsonderzoek om dwang te
voorkomen, 3) de intensieve casusregie gedurende het raadsonderzoek om alsnog
ouders te bewegen tot vrijwillige medewerking en 4) de intensieve casusregie
ná een maatregel om goed af te stemmen en over te dragen aan de vrijwillige
hulpverlening.
Samengevat wordt drang vanuit dit perspectief gezien als een manier om jeugd-
bescherming te voorkomen, de continuïteit van hulpverlening te bevorderen en
kosten te besparen. De grens tussen vrijwillige hulp en gedwongen hulp is niet
langer scherp afgebakend.
Perspectief van gemeenten en lokale beleidsmakers
De gemeente heeft, vanuit zijn verantwoordelijkheid voor het jeugdbeleid op basis
van de Jeugdwet, invloed op de vraag of en hoe drang – zoals dit is gestimuleerd
door de wetgever en beleid – wordt aangeboden. Om drang te financieren,
administreren en organiseren, kunnen gemeenten drang (in feite: preventieve
jeugdbescherming) inkopen. Drang wordt een product. Dit betekent dat drang
een afgebakend (zorg)proces is, waarvan de grenzen vaststaan. Er is een begin-
en een eindpunt gekoppeld aan een vast tarief. Drang is dan een in te boeken
product; zes maanden intensieve casusregie is vanzelfsprekend duurder dan een
gesprek van één uur.
38   Actieprogramma Zorg voor de Jeugd, 1 april 2018, p. 44.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>Wat moeten we verstaan onder drang in de jeugdzorg?                                                        21
Nagenoeg elke gemeente koopt drang en/of preventieve jeugdbescherming in als
product bij gecertificeerde instellingen.39 Soms maakt de gemeente de princi-
piële keuze om drang niet bij de gecertificeerde instelling in te kopen, zoals de
gemeente Enschede, om duidelijk het vrijwillige kader van het gedwongen kader
te scheiden. 40
Het inkoopbeleid van gemeenten komt tot uiting in het zogeheten ‘productenboek’
van de betreffende gemeente. In zes gemeenten in Zuid-Limburg kan bijvoorbeeld
‘casusregie’ worden ingezet ter voorkoming van een maatregel. 41Het producten-
boek van de gemeente Groningen bevat een product dat gaat over “advies en
ondersteuning van gecertificeerde instellingen bij veiligheidsvraagstukken ter
voorkoming van kinderbeschermingsmaatregelen.”42 Vaak wordt genoemd dat de
preventieve inzet in het vrijwillige kader van belang is ‘ter voorkoming van een
jeugdbeschermingsmaatregel’.
Praktijkvormen in gemeenten
In de verschillende gemeenten in Nederland wordt preventieve jeugdbescherming
of drang op diverse wijzen ingezet. In essentie zien we de eerdergenoemde vier
vormen in de praktijk terug. Nagenoeg alle zestien gecertificeerde instellingen
bieden drangtrajecten aan. 43 Elke gecertificeerde instelling hanteert hiervoor een
andere naam: preventieve jeugdbescherming, begeleiding zonder maatregel,
SAVE-begeleiding, jeugdbescherming met drang, vrijwillige begeleiding, inten-
sieve samenwerking met het lokale veld, of het aanbieden van een casusregisseur.
De duur van deze trajecten44 verschilt sterk per regio. Soms is de duur 3 tot 6
maanden, in een ander geval (door verlengingen) 1 of 2 jaar en weer een andere
regio kent geen maximum van de termijn.
Preventieve jeugdbescherming kan een intensief traject zijn, in de vorm van
intensieve casusregie dat wordt uitgevoerd aan de hand van een methodiek. 45
Uit sommige methodiekbeschrijvingen valt af te leiden dat de voorwaarden
39  Hanekamp e. a. 2018. Dit werd bevestigd in een, door de Raden gevoerd, interview met een
    jeugdzorgexpert.
40  Verslag van de expertmeeting ‘praktijk’, d.d. 28 februari 2019.
41  Sociaal Domein Maastricht-Heuvelland, Productenboek 2017 – Behorende bij contractering 2017 Jeugd,
    p. 25.
42  Gemeente Groningen, Productenboek Jeugdhulp 2018 en verder, p. 89.
43  Hiervoor zijn de websites van de zestien gecertificeerde instellingen (die staan vermeld op de website
    van Jeugdzorg Nederland) geraadpleegd.
44  Deze trajecten kunnen voorafgaand aan een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming starten,
    gedurende een dergelijk onderzoek, of na een jeugdbeschermingsmaatregel.
45  Zo hanteert Jeugdbescherming Regio Amsterdam bijvoorbeeld de methodiek ‘Intensief Systeemgericht
    Casemanagement’.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>22                                                                RSJ & RVS – Intensieve vrijwillige hulp
die worden gesteld niet onderhandelbaar zijn. 46 In de meeste regio’s is bij de
intensieve trajecten sprake van een niet-vrijblijvende vorm van drang, een ‘laatste
kans’ voor de ouders. Zo staat preventieve jeugdbescherming ook op de website
van het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) uitgelegd: vrijwillig, maar niet vrijblij-
vend. 47 Het is niet altijd duidelijk of, wanneer en hoe ouders en de jeugdige kunnen
instemmen met deze trajecten. In een aantal gemeenten kan de gecertificeerde
instelling de intensieve casusregie op zich nemen op basis van een verzoek van
een jeugdprofessional (van bijvoorbeeld het wijkteam), al dan niet na deelname
aan een zogenoemde Jeugdbeschermingstafel.
Naast preventieve jeugdbescherming, uitgevoerd door een gecertificeerde
instelling, zijn er ook andere ‘drangvarianten’ waarbij Veilig Thuis, het wijkteam of
een particuliere organisatie op een intensieve manier, voor een bepaalde duur, bij
het gezin betrokken is. De praktijkvormen van drang kunnen vergaande conse-
quenties met zich meebrengen, zoals uithuisplaatsingen van jeugdigen zonder
instemming van de ouders. 48
Met name de grote jeugdzorgregio’s kunnen door hun schaalgrootte specialisti-
sche en geïnstitutionaliseerde vormen van drang aanbieden. De meer georgani-
seerde vormen van preventieve jeugdbescherming zijn niet altijd exemplarisch
voor de werkwijzen ‘elders in het land’, waar sprake kan zijn van (veel) kleinere
samenwerkingsverbanden met soms maar een handvol mensen werkzaam in het
jeugddomein.
Samengevat wordt drang of preventieve jeugdbescherming vanuit dit perspectief
gezien als een product dat ingekocht kan worden; en daarmee als een eigen-
standig soort hulp of interventie wordt gezien dat zich ergens in een onduidelijk
tussengebied tussen vrijwillige hulp en jeugdbescherming bevindt.
46  Zie: Handleiding SAVE-begeleiding, p. 21.
47  Zie dossier Jeugdbescherming, onder ‘Drang of preventieve jeugdbescherming’ via nji.nl.
48  Zie voor een voorbeeld: Uw dochter komt voorlopig niet meer thuis'. NRC Handelsblad: 22 april 2019.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>Wat moeten we verstaan onder drang in de jeugdzorg?                                23
2.2      Knelpunt
De Raden constateren als belangrijkste knelpunt dat de scheidslijn tussen
vrijwillige hulp en jeugdbescherming in de praktijk niet meer helder is. Door het
beleid gericht op het voorkomen van jeugdbescherming is in de praktijk een
tussengebied ontstaan, waarin interventies in het vrijwillige kader niet helder zijn
afgegrensd van het gedwongen kader (jeugdbescherming). Jeugdigen en ouders
zijn hiervan de dupe, omdat onduidelijk is of drang vrijwillig is of niet. Ze zijn
mogelijk overgeleverd aan verkapte dwang onder het mom van vrijwilligheid.
2.3      Een analyse en definitie van drang
Uit de praktijkverkenning maken de Raden op dat het perspectief van waaruit
iemand de jeugdzorg beziet, beïnvloedt hoe drang wordt gezien, ervaren en
omschreven. Ook in de literatuur wordt drang verschillend omschreven en
beoordeeld. 49 De Raden constateren hiermee dat een objectieve kijk op drang niet
bestaat. Een definitie geven van drang is dus nooit neutraal, nooit waardenvrij; ze
brengt veronderstellingen met zich mee.
De Raden analyseren hier, op basis van de praktijkverkenning, hoe we drang in het
vervolg zouden moeten opvatten. De Raden kiezen daarmee eveneens normatief
positie. Het antwoord op de vraag of drang te rechtvaardigen is en zo ja, onder
welke voorwaarden en omstandigheden, zit ‘ingebakken’ in de definitie.
1. Drang is een vorm van hulp en zorg verlenen.
Daaruit vloeien de volgende zaken voort:
  	Omdat hulp en zorg verlenen een proces is, kan drang niet gezien worden
          als één afgebakende interventie, of als één afgebakende handeling, en
          daarmee ook niet als een afgerond zorgproduct.
  	Helpen en zorgen is relationeel. Dit veronderstelt een relatie tussen
          degenen die de hulpverlenen (jeugdprofessionals, instanties en organi-
          saties) en degenen die hulp ontvangen (jeugdigen en hun gezin).
  	Kenmerkend voor die relatie is dat betrokkenen zich vrijwillig, met weder-
          zijds vertrouwen en met wederzijdse vrije instemming committeren aan
          het proces. Ook hebben de betrokkenen, zowel degene die hulp verleent
          als degene die hulp ontvangt, elk hun eigen verantwoordelijkheden en
          competenties. Bij zorg is altijd sprake van behoeften van degenen die
49  Schermer 2003, p. 32-46; Van Ooyen-Houben e.a. 2008; Widdershoven & Abma 2008.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>24                                                                  RSJ & RVS – Intensieve vrijwillige hulp
             zorg ontvangen maar ook van wederkerigheid. Dit betekent dat de hulp
             en zorg gepaard gaat met vrijwilligheid, vertrouwen en wederkerigheid
             van betrokkenen.
  	Dat betekent bovendien dat de betrokken partijen gebonden zijn aan,
             maar ook de waarborg hebben van, de wederzijdse rechten en plichten
             die bij de juridische regulering en het morele karakter van vrijwillige
             hulp horen. Deze plaatsbepaling van drang impliceert dus dat drang niet
             grenzenloos is: er zijn immers juridische en ethische principes die de
             betrokkenen binden.
  	Drang als proces van hulpverlenen en zorgen kan zich enkel en alleen
             in het vrijwillige kader afspelen. Met andere woorden: drang kan nooit
             dwang (zorg- en hulpverlening in het gedwongen kader) zijn.
Drang als vorm van hulp- en zorgverlening heeft een aantal vooronderstellingen.
  	Het perspectief van de zorg – (drang als proces) is leidend voor hoe de
             administratieve logica (drang als product) vorm moet krijgen. Drang als
             een vorm van zorg en hulp aan kwetsbare jeugdigen moet voorop staan.
             Dat die zorg en hulp gefinancierd moet worden is vanzelfsprekend, maar
             de wijze waarop dat gebeurt mag niet in de weg staan van een goede
             hulpverlening.
2. Drang is onderdeel van een hulp- of zorgproces waarbij de jeugdprofessional
    gradueel meer invloed uitoefent en meer verantwoordelijkheid50 neemt en dus
    steeds intensiever zorg en hulp verleent.
Daaruit vloeien de volgende zaken voort:
  	Het initiatief tot de intensivering van hulp ligt primair (maar niet altijd
             en per definitie) bij de jeugdprofessional en niet bij de jeugdigen of de
             ouders.
  	Drang als hulp- en zorgproces kan meer of minder intensief zijn en is
             daarmee gradueel. In drang als proces zit een glijdende schaal. De
             invloed die bij drang wordt uitgeoefend kan toenemen en ook weer
             afnemen.
50   Er zijn meerdere interpretaties van het woord verantwoordelijkheid. Er bestaat een formele, juridische
     benadering, waarbij verantwoordelijkheid niet kan toenemen of afnemen. Echter, in dit advies kiezen de
     Raden voor een zorgethische benadering van verantwoordelijkheid. Binnen deze benadering kan men wel
     spreken over meer of minder verantwoordelijkheid in het zorgproces. De professionals in de jeugdzorg
     zullen zich hierin herkennen. Bijvoorbeeld: ‘de professional had al erg lang niks gehoord van het gezin en
     kreeg hen ook telefonisch niet te pakken. De professional voelde dat zij meer verantwoordelijkheid moest
     nemen door langs te gaan bij het gezin.’
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>Wat moeten we verstaan onder drang in de jeugdzorg?                                             25
  	Drang gaat gepaard met een verschuivende invloed en verschuivende
           verantwoordelijkheden binnen de zorg- en hulprelatie. De jeugd-
           professional gaat meer invloed uitoefenen en neemt een grotere verant-
           woordelijkheid op zich in de relatie ten opzichte van jeugdigen en gezin.
  	Drang is intensief en intensiever dan zorg en hulp zonder drang. Er wordt
           meer inspanning geleverd en meer invloed uitgeoefend dan bij ‘gewone’
           hulp en zorg.
  	De intentie van de intensivering is de situatie voor jeugdigen, ouders en
           gezin ten goede te veranderen.
  	Drang is onderdeel van een proces, maar het uit zich bijvoorbeeld in
           gedrag of een attitude, en in een manier van bejegenen van de jeugdpro-
           fessional jegens degene die hulp krijgt.
3. Drang biedt risico’s, maar ook kansen.
  	Typerend voor een hulpverleningsrelatie is dat deze asymmetrisch is:
           de éne partij (jeugdigen en ouders) heeft een (al dan niet door hen zelf
           voldoende onderkende) behoefte aan hulp en zorg die hem of haar
           kwetsbaar maakt. De andere partij heeft het vermogen, de invloed, en de
           macht om die zorg en hulp te bieden. Dat vermogen en die invloed biedt
           kansen, macht schept daarentegen risico’s.
  	Drang als hulp en zorg die met intensivering gepaard gaat, kan soms
           nodig en wenselijk zijn omdat jeugdigen en ouders hun verantwoorde-
           lijkheid in de wederkerige relatie onvoldoende (kunnen of willen) nemen,
           waardoor de jeugdprofessional genoodzaakt is om meer de regie te
           nemen.
  	Drang mag nooit de vorm krijgen van verkapte of informele dwang. Het is
           een vorm van hulp of zorg die vrijwillig is, dat wil zeggen dat jeugdigen
           en hun ouders gehoord worden, goed geïnformeerd zijn over hun rechten
           en plichten, en instemmen (informed consent) met hulp of zorg die ze ook
           kunnen weigeren. Drang is principieel te onderscheiden van dwang.
  	Het proceskarakter van drang bemoeilijkt het trekken van scherpe
           grenzen. Aan concreet gedrag tijdens het hulp- of zorgproces, zijn
           daarentegen wel scherpe grenzen te stellen. 51
51  Deze grenzen zullen in de volgende twee hoofdstukken nader worden toegelicht en onderbouwd.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>26                                                                   RSJ & RVS – Intensieve vrijwillige hulp
2.4      Conclusie
De verschillende perspectieven op drang leveren onderling spanning op. Drang is
vanuit de gemeente gezien iets dat ingekocht moet worden, waardoor het wordt
gezien als een afgebakend zorgproduct. Vanuit professioneel oogpunt is er echter
geen strikt beginpunt aan vrijwillige zorg; zorg is een proces. Dwang is een grens
aan deze hulp. Vanuit juridisch perspectief bestaat eveneens een scherpe grens
tussen vrijwillig en dwang. Toch is door de wetgever en beleid gestimuleerd dat
drangtrajecten zodanig worden verbonden aan dwangtrajecten dat de grens
tussen vrijwillige zorg en gedwongen zorg onduidelijk is geworden, en drang zelfs
als product ‘tussen’ vrijwillige en gedwongen zorg wordt aangeboden. De grens
tussen vrijwillige zorg en jeugdbescherming is hierdoor niet meer helder. Ouders
en jeugdigen missen vooral aspecten als transparantie, inspraak, en respect voor
hun autonomie en vrijwilligheid. Zij ervaren drang hierdoor al gauw als dwang.
De Raden nemen een positie in ten aanzien van de vraag wat onder drang moet
worden verstaan. Zij stellen voor de term drang niet meer te gebruiken52 en in het
vervolg te spreken van intensieve vrijwillige hulp. Hieronder verstaan de Raden
het volgende: een proces van hulp en zorg verlenen in het vrijwillige kader van de
jeugdzorg, waarbij de jeugdprofessional gradueel meer invloed uitoefent, meer
verantwoordelijkheid neemt en daarmee steeds intensiever hulp en zorg verleent
én tegelijkertijd de vrijwilligheid van de hulp garandeert.
Op de vraag of intensieve vrijwillige hulp (oftewel: ‘drang’) juridisch te rechtvaar-
digen en ethisch te verantwoorden is, geven de Raden in de volgende hoofdstuk-
ken antwoord.
52  De Raden stellen voor ook andere termen niet meer te gebruiken. Zie hiervoor hoofdstuk 3: Is intensieve
    vrijwillige hulp (‘drang’) juridisch te rechtvaardigen?, paragraaf 3.3.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>Wat moeten we verstaan onder drang in de jeugdzorg? 27
De Raden nemen een positie in ten aanzien
van de vraag wat onder drang moet worden
    verstaan. Zij stellen voor de term drang
 niet meer te gebruiken en in het vervolg te
     spreken van intensieve vrijwillige hulp.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>      3 Is intensieve
      vrijwillige hulp
(‘drang’) juridisch te
     rechtvaardigen?
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>Is intensieve vrijwillige hulp (‘drang’) juridisch te rechtvaardigen?                                            29
Nu we het begrip ‘drang’ ontrafeld hebben, beantwoordt dit hoofdstuk de vraag
of de inzet van intensieve vrijwillige hulp (‘drang’) juridisch te rechtvaardigen is,
en zo ja, onder welke voorwaarden en omstandigheden. Dit doen de Raden aan de
hand van nationale wetgeving, voorbeelden uit de rechtspraktijk en internationale
mensen- en kinderrechtenstandaarden.
3.1       Juridische grenzen
Voorop staat dat de overheid de taak heeft de kaders aan te geven waarbinnen
hulp aan, en bescherming van, jeugdigen kan worden geboden.53 De wetgever
heeft er bewust voor gekozen dat de interventies onder het mom van ‘drang’ van
de gecertificeerde instellingen en de Raad voor de Kinderbescherming tot het
vrijwillige kader behoren.54 In de huidige praktijk zijn echter aantoonbare gevallen
waarbij deze hulp niet vrijwillig is. Zo worden bijvoorbeeld ‘uithuisplaatsingen’
gerealiseerd binnen het vrijwillige kader, zonder vrijwillige instemming van de
ouders en/of jeugdige. 55 In rechterlijke uitspraken staat dat deze werkwijze veel
stress oplevert voor het gezin.56 Maar bovenal is dit handelen van professionals
binnen het drangkader vanuit juridisch oogpunt niet te rechtvaardigen, omdat een
uithuisplaatsing op grond van de wet niet tegen de wil van de ouders of jeugdige
mag gebeuren zonder jeugdbeschermingsmaatregel (gedwongen kader).57 De
onafhankelijke toets van de rechter is hier dus noodzakelijk. Alle jeugdprofessi-
onals die op een intensievere manier hulpverlenen, moeten zich bewust zijn van
hun bevoegdheden en de grenzen daaraan als zij werken in het vrijwillige kader.
53   De overheid heeft de plicht om passende wettelijke of bestuurlijke maatregelen te nemen om intensievere
     vormen van zorg en bescherming te garanderen, rekening houdend met de verantwoordelijkheden van
     ouders (art. 3 lid 2 IVRK). Bovendien is de overheid verantwoordelijk voor de instellingen, voorzieningen
     en diensten op het terrein van de jeugdzorg en jeugdbescherming (art. 3 lid 3 IVRK). De overheid heeft
     ook de taak om de kwaliteit van de jeugdzorg en jeugdbescherming te waarborgen.
54   Kamerstukken II 2012-13, 33684, nr. 3, p. 35.
55   Rechtbank Rotterdam 12 juni 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:5070; Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24 april
     2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:2076; zie ook: 'Uw dochter komt voorlopig niet meer thuis'. NRC Handelsblad:
     22 april 2019.
56   Zie onder meer: Rechtbank Rotterdam 12 juni 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:5070.
57   Ar. 1:265a BW bepaalt dat een minderjarige reeds ‘onder toezicht moet zijn gesteld’
     (jeugdbeschermingsmaatregel), voordat de rechter een machtiging uithuisplaatsing
     (jeugdbeschermingsmaatregel) kan verlenen. Een uithuisplaatsing tegen de wil van ouders en kind mag
     niet in het vrijwillige kader plaatsvinden. Een uithuisplaatsing grijpt diep in het familie- en gezinsleven
     in, daarom mag dit enkel gebeuren op basis van een wettelijke grond. Zie: Kamerstukken II 2008-09,
     32015, nr. 3, p. 29.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>30                                                                   RSJ & RVS – Intensieve vrijwillige hulp
   Praktijkvoorbeeld ‘verkapte dwang’58
   Rob ontdekt dat in de clausule van zijn huurhuis, waar hij met zijn kinderen
   verblijft, staat dat hij ‘verplicht alle hulp in het vrijwillige kader dient te
   accepteren’. Hij geeft aan dat hij dit niet wil. Er was geen sprake van acuut
   gevaar voor de kinderen. Toch worden de kinderen uithuisgeplaatst, zonder
   rechterlijke tussenkomst.
De juridische grenzen die in bovenstaand praktijkvoorbeeld overschreden
worden, zijn: 1) hulp mag niet verplicht worden opgelegd in het vrijwillige kader;
2) de kinderen mogen in dit geval niet zonder ondertoezichtstelling en rechterlijke
machtiging uit huis worden geplaatst.59
Juridische grenzen bij bejegening
De juridische grenzen werken ook door in de bejegening van cliënten door jeugd-
professionals. Zo is dreigen vanuit juridisch oogpunt niet te rechtvaardigen. 60
Dit betekent dat de professional niet mag dreigen met een ondertoezichtstelling
indien vrijwillige hulp niet wordt geaccepteerd. 61 Ook mag bijvoorbeeld niet
worden gedreigd met een korting op iemands uitkering, omdat er dan sprake is
van misbruik van een (bestuurlijke) bevoegdheid. 62 De professional mag wel de
consequenties van bepaald gedrag van ouders en de jeugdige uitleggen wanneer
er zorgen zijn over het welzijn van de jeugdige. Een juridisch gerechtvaardigd
gebruik van wettelijke bevoegdheden van de jeugdprofessional kan er als volgt
uitzien:
   “U zegt dat u de hulp accepteert, maar dat zie ik niet lukken (of gebeuren); U
   doet niet wat u heeft beloofd. Daarom neem ik nu mijn verantwoordelijkheid,
   want (…) en maak ik gebruik van mijn bevoegdheid om een verzoek tot
   onderzoek in te dienen bij de Raad voor de Kinderbescherming.”
58  Gebaseerd op casus uit de praktijk die bij de Raden bekend is.
59  Het is juridisch niet gerechtvaardigd om een dergelijke voorwaarde te stellen en kinderen in het
    vrijwillige kader geforceerd uit huis te plaatsen, vgl. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24 april 2019,
    ECLI:NL:RBZWB:2019:2076; JPF 2019/79 met annotatie J.H. de Graaf.
60  Kamerstukken I 2013/14, 33684, D, p. 71.
61  Kamerstukken I 2013/14, 33684, D, p. 71.
62  Idem. De overheid, een professional die namens de overheid handelt, mag niet zijn of haar bevoegdheden
    inzetten voor een ander doel dan waarvoor hij is verleend. Dan is sprake van detournement de pouvoir,
    kortgezegd misbruik van bevoegdheid.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>Is intensieve vrijwillige hulp (‘drang’) juridisch te rechtvaardigen?                                        31
Vrijwillig, maar niet vrijblijvend
In het vorige hoofdstuk hebben we gezien dat in de praktijk een zogenaamd
‘drangkader’ is ontstaan, waarin interventies meer het karakter kunnen hebben
van dwang dan van vrijwillige zorg. Op die voet zijn bijvoorbeeld jeugdbescher-
mingstafels en drangtrajecten ontstaan. Aan een jeugdbeschermingstafel kan
de Raad voor de Kinderbescherming besluiten tot een zogenaamd uitgesteld
raadsonderzoek. 63 De uitkomst kan dan zijn dat de komende zes maanden de
gecertificeerde instelling een ‘vrijwillig, maar niet vrijblijvend’ traject start. In de
praktijk hebben betrokkenen wel eens bezwaar willen maken tegen een dergelijke
beslissing. De beslissingen aan de jeugdbeschermingstafel worden echter door
rechters niet als een ‘besluit’ van de overheid gekwalificeerd. 64 Daardoor kunnen
jeugdigen of ouders, die het (achteraf) oneens zijn met het gestarte drangtraject,
geen bezwaar maken tegen deze beslissing. Ouders of jeugdigen kunnen wel een
klacht indienen over de handelingswijze van de professional/gemeente. 65
3.2       Fundamentele randvoorwaarden: internationale kinderrechten
          en mensenrechten
Internationale kinder- en mensenrechtenverdragen vormen het belangrijkste kader
om interventies onder de noemer ‘drang’ te kunnen beoordelen. Het nationaal
recht én het handelen van de overheid en professionals in de praktijk moeten in
overeenstemming zijn met de normen uit deze verdragen. Hierbij is het essentieel
dat de rechten van ouders én van de jeugdige worden gerespecteerd, zoals deze
voortvloeien uit (onder meer) het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
(EVRM) en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). In
de rest van deze paragraaf worden de belangrijkste normen en randvoorwaarden
besproken die belangrijk zijn voor de beoordeling of intensieve vrijwillige hulp
juridisch te rechtvaardigen is.
63   Dit wil zeggen dat het onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming wordt uitgesteld en de
     hulpverlening wordt geïntensiveerd. Er worden concrete doelen gesteld en afspraken gemaakt. Aan
     de Jeugdbeschermingstafel wordt door de betrokken jeugdzorgprofessional na enkele maanden terug
     gemeld of de gemaakte afspraken nagekomen zijn. Wanneer de doelen niet behaald zijn of afspraken niet
     nagekomen zijn, zal alsnog een raadsonderzoek gestart worden.
64   Rechtbank Den Haag 25 mei 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:6027; Rechtbank Rotterdam 24 november 2015,
     ECLI:NL:RBROT:2015:8533.
65   Het indienen van een klacht kan bij de betreffende organisatie (bijvoorbeeld bij de klachtencommissie
     van de gecertificeerde instelling), via het tuchtrecht (College van Toezicht van het Kwaliteitsregister
     Jeugd), of bijvoorbeeld bij de (Kinder)ombudsman. Bij het indienen van een klacht kunnen betrokkenen
     hulp krijgen van vertrouwenspersonen van het AKJ.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>32                                                                      RSJ & RVS – Intensieve vrijwillige hulp
Interventies in het vrijwillige kader die indruisen tegen de wil en de rechten van
ouders en/of jeugdige, zijn niet te rechtvaardigen
Op grond van art. 8 lid 1 EVRM (in samenhang met art. 3 lid 1 IVRK) hebben ouders
en jeugdigen recht op eerbiediging van hun privé- en gezinsleven. Een interventie
in de persoonlijke levenssfeer van ouder(s) en/of jeugdige, tegen de wil van één
van hen in, is alleen mogelijk indien de interventie de toets van art. 8 lid 2 EVRM
doorstaat. Deze art. 8 EVRM-toets is van fundamenteel belang aangezien ouders
en jeugdigen hiermee beschermd worden tegen willekeurig overheidshandelen.
Hierbij speelt ook het recht op zelfbeschikking van de jeugdige een rol. 66
De overheid mag alleen tegen de wil van betrokkenen interveniëren in het privé-
en gezinsleven, in geval: 1) Een nationale wet hier de basis voor biedt, 2) De
interventie een legitiem doel dient en 3) deze interventie noodzakelijk en geschikt
is. De jeugdige heeft hierbij het recht dat zijn belangen worden betrokken bij iedere
beslissing die hem betreft (art. 3 lid 1 IVRK). Dit recht impliceert te allen tijde een
expliciete en individuele belangenafweging. Deze belangen moeten een eerste
overweging vormen bij de besluitvorming, ook wanneer het gaat om een beslis-
sing van een jeugdprofessional of een particuliere instantie.
Voor het accepteren van (intensieve) hulp in het vrijwillige kader is toestemming
nodig in de vorm van informed consent. Dit betekent dat er vrijwillig en welover-
wogen moet worden ingestemd met de aangeboden hulp. Deze toestemming moet
niet alleen worden gevraagd aan ouders, maar ook aan de jeugdige. 67 De jeugdige
heeft immers het recht om invloed op de besluitvorming uit te oefenen, berede-
neerd vanuit zijn recht op zelfbeschikking en autonomie (art. 8 EVRM, art. 12 lid 1
IVRK, art. 5 IVRK en General Comment no. 1268).
Voorbij gaan aan het hoorrecht van de jeugdige is niet te rechtvaardigen
Naarmate de ontwikkeling van jeugdigen vordert, gaan zij steeds meer een eigen
verantwoordelijkheid dragen (art. 5 IVRK). Van belang is dat de jeugdige bij
een beslissing over de benodigde hulp of zorg – die impact heeft op zijn of haar
leven – in de gelegenheid wordt gesteld om te worden gehoord (art. 12 lid 1 IVRK).
Een fundamenteel recht, waar niet aan voorbij kan worden gegaan, is dat aan
deze mening een passend belang wordt gehecht, waarmee met ‘passend’ wordt
gedoeld op deze toenemende verantwoordelijkheid van de jeugdige. De jeugdige
heeft altijd het recht om invloed op de besluitvorming uit te oefenen, leeftijd (op
zichzelf, zonder acht te slaan op de ontwikkelende vermogens) speelt hierbij geen
rol. 69 De relevantie van dit recht is groot: wetenschappelijk onderzoek heeft aange-
66   Europees Hof voor de Rechten van de Mens 3 september 2015, appl. nr. 10161/13 (M&M t. Kroatië).
67   Zie voor de nationale regels hieromtrent, art. 7.3.4. en 7.3.5. Jeugdwet.
68   VN-Comité voor de Rechten van het Kind 2009.
69   VN-Comité voor de Rechten van het Kind 2009, para. 21.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>Is intensieve vrijwillige hulp (‘drang’) juridisch te rechtvaardigen?                                           33
toond dat het betrekken van jeugdigen vanaf zes jaar in de besluitvorming helpt in
hun ontwikkeling en bijdraagt aan de effectiviteit van interventies.70
Daarnaast dient het hoorrecht ertoe om het belang van de jeugdige (art. 3 lid 1
IVRK) in kaart te brengen ten behoeve van een expliciete belangenafweging.71 Het
blijkt echter in de praktijk van de jeugdzorg een grote opgave voor jeugdprofessi-
onals te zijn om jeugdigen te laten participeren bij hulp- en zorgbeslissingen.72 Uit
richtlijnen en standaarden van internationaal recht volgt dat de jeugdige zich vrij
moet voelen om zijn of haar mening te kunnen uiten.73 De omgeving mag daarom
niet intimiderend of vijandig zijn.74 In geval een situatie als ‘te intimiderend’
wordt ervaren, kan dit de jeugdige beperken in zijn recht om het hoorrecht uit te
oefenen. Dit wordt geïllustreerd met het volgende praktijkvoorbeeld:
    Praktijkvoorbeeld Jeugdbeschermingstafel75
    Moeder en zoon (13 jaar) zijn aangemeld bij de jeugdbeschermingstafel
    wegens zorgen over de ontwikkeling van de zoon. Moeder en zoon zijn
    erg afhankelijk van elkaar, waardoor hij weinig zelfstandig onderneemt.
    Moeder en de jeugdprofessional van de gemeente zijn in conflict over
    het soort zorg dat nodig is voor het gezin. Tijdens de bespreking aan de
    jeugdbeschermingstafel is de zoon, ondanks de uitnodiging, niet aanwezig.
    Moeder vertelt dat hij niet durfde te komen omdat hij bang is uithuisge-
    plaatst te worden. “Hij heeft de hele nacht gehuild, dit is allemaal veel te
    spannend voor hem”. De zoon is vanwege zijn afwezigheid niet gehoord.
Vrijheid ontnemen zonder wettelijke basis en rechtswaarborgen is niet te
rechtvaardigen
Art. 5 EVRM, art. 9 IVBPR en art. 15 Grondwet beschermen het recht op vrijheid van
personen. Dit betekent dat iemands vrijheid niet zomaar mag worden ontnomen.
Art. 5 lid 1 EVRM geeft een opsomming van toegestane juridische gronden voor
vrijheidsbeneming: een wet moet hier de basis voor bieden en de interventie
moet voorzien zijn van rechtswaarborgen, zoals een rechtelijke toetsing en
70   Van Bijleveld 2019.
71   VN-Comité voor de Rechten van het Kind2009, para. 70.
72   Van Bijleveld 2019. Zie ook: Bouma 2019.
73   Art. 12 lid 1 IVRK. Zie ook: VN-Comité voor de Rechten van het Kind, General comment No. 12, The right of
     the child to be heard, 2009.
74   VN-Comité voor de Rechten van het Kind, General comment No. 12, The right of the child to be heard, 2009,
     para. 34; T. Liefaard & S.E. Rap, ‘Hoezo kindvriendelijk? Over ‘child-friendly justice’ ter bevordering van
     effectieve participatie van kinderen in juridische procedures en besluitvorming’, FJR 2018/41, p. 181.
75   Praktijkvoorbeeld van een van de jeugdbeschermingstafels die door de Raden is bijgewoond.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>34                                                            RSJ & RVS – Intensieve vrijwillige hulp
rechtsbijstand.76 Als ouders instemmen met het verblijf van hun kind in een
gesloten instelling wordt dit in de praktijk soms ‘vrijwillige gesloten jeugdhulp’
genoemd. Ondanks de instemming van deze vrijheidsbeneming moeten ook hier
- vanwege het vrijheid ontnemende aspect - de zojuist genoemde, rechtswaarbor-
gen als rechterlijke toetsing en rechtsbijstand in acht worden genomen.77 Dit geldt
overigens niet voor pleegzorg die vrijwillig wordt geaccepteerd. Dit wordt niet
gezien als een vorm van gesloten jeugdhulp. Een pleeggezin wordt gezien als een
‘niet-gesloten plek’, waarvoor geen toetsing van de rechter vereist is als ouders,
de jeugdige en de jeugdprofessional in vrijwilligheid overeenstemming bereiken
over het verblijf van de jeugdige in een pleeggezin.
Vrijheid beperken zonder wettelijke basis is niet te rechtvaardigen
Vrijheidsbeperking is iets anders dan vrijheidsbeneming. In geval iemand wordt
beperkt in zijn vrijheid van verplaatsing, verbindt art. 2 van het Vierde protocol
bij het EVRM hier voorwaarden aan.78 Een van de voorwaarden is dat de vrijheids-
beperking voorzien is bij wet. Een verplichte urinecontrole is echter ook een vorm
van vrijheidsbeperking, vallend onder het eerder besproken art. 8 EVRM. Deze
vorm van vrijheidsbeperking wordt beschouwd als een inmenging in het privé- en
gezinsleven, waaraan art. 8 lid 2 EVRM de eerder genoemde voorwaarden stelt.
Het opleggen van urinecontroles als verplichting is dus alleen mogelijk als hier
een wettelijke basis voor bestaat en een legitiem doel wordt nagestreefd. Dit is
dan ook de reden waarom de gemeentelijke Kinderombudsman van Rotterdam een
‘drangpraktijk’ met het opleggen van vrijheidsbeperkende maatregelen, zoals een
verplichte urinecontrole en een contactverbod met familieleden, afkeurt.79
Hulp of zorg die niet passend is, is niet te rechtvaardigen
Jeugdigen hebben recht op zorg en bescherming. De overheid verleent aan
ouders, die eerstverantwoordelijk zijn voor de zorg en bescherming van hun kind,
passende bijstand (art. 18 lid 1 en 2 IVRK). Om deze bijstand te verlenen heeft
de overheid ook de taak om daarvoor instellingen, voorzieningen en diensten te
organiseren en ontwikkelen (art. 3 lid 3 IVRK).
De overheid heeft ook de plicht om de kwaliteit van de jeugdzorg en jeugdbe-
scherming te waarborgen. Zoals werd beschreven aan het eind van het vorige
hoofdstuk, kan intensieve vrijwillige hulp soms passend zijn voor jeugdigen en
hun ouders. Dat betekent dat intensieve vrijwillige hulp (‘drang’) daarmee niet
76   Liefaard 2010, p. 121.
77   Vgl. regeling gesloten jeugdhulp, hoofdstuk 6, Jeugdwet.
78   Liefaard 2010, p. 121.
79   Vgl. Van der Linden e. a. 2018.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>Is intensieve vrijwillige hulp (‘drang’) juridisch te rechtvaardigen?                  35
alleen juridisch te rechtvaardigen kan zijn, maar zelfs geboden kan zijn. Het moet
echter wel volstrekt helder zijn binnen welk kader, vrijwillig of gedwongen, de hulp
plaatsvindt. Deze kaders kennen immers verschillende rechtswaarborgen, zoals
bijvoorbeeld het mogen en kunnen weigeren van hulp in het vrijwillige kader en de
mogelijkheid tot beroep bij de rechter in het gedwongen kader.
3.3      Onduidelijk taalgebruik, onduidelijke hulp
De Raden vinden dat de scheiding tussen het vrijwillig en het gedwongen kader,
en daarmee tussen vrijwillige en gedwongen hulp duidelijk moet zijn. Wanneer de
rechter een jeugdbeschermingsmaatregel uitspreekt, is er sprake van jeugdbe-
scherming in het gedwongen kader. In het vrijwillige kader kan intensieve hulp en
zorg aangeboden worden, zolang de rechten van de jeugdige en ouder(s) zoals ze
hierboven beschreven zijn, gerespecteerd worden en jeugdigen en ouders niet in
de onjuiste veronderstelling verkeren dat het om ‘dwang’ gaat.
De Raden vinden dat termen en praktijken als ‘preventieve jeugdbescherming’
en ‘jeugdbeschermingstafel’, die nu worden gebruikt voor interventies in het
vrijwillige kader, verwarrend zijn voor jeugdigen en ouders. Hetzelfde geldt voor
het gebruik van zinssneden als ‘deze hulp is vrijwillig, maar niet vrijblijvend’. Dit
verwijst naar een ‘grijs’ tussengebied: hulp die niet vrijblijvend is, lijkt immers ook
niet geheel vrijwillig. Vanuit juridisch oogpunt bestaat dit grijze gebied echter niet:
hulp is óf vrijwillig óf gedwongen. Wordt iets vrijwillig genoemd, maar is de hulp
tegelijkertijd niet-vrijblijvend? Dan betreft het een interventie die niet thuishoort in
het vrijwillige kader. Deze interventie zal dan niet te rechtvaardigen zijn.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>36                                                     RSJ & RVS – Intensieve vrijwillige hulp
3.4      Conclusie
Is intensieve vrijwillige hulp en zorg (‘drang’) juridisch te rechtvaardigen? Soms
wel, bijvoorbeeld wanneer sprake is van een vorm van motiverende zorg die
passend is voor de jeugdige en/of de ouders en geen afbreuk doet aan vrijwillig-
heid. Maar niet wanneer de jeugdprofessional bijvoorbeeld dreigt met een stap
naar de rechter, of wanneer een uithuisplaatsing wordt ingezet, zonder rechterlijke
toetsing, tegen de wil van de jeugdige en/of ouders in (zonder informed consent).
Het antwoord hangt dus steeds af van de specifieke situatie waarin de cliënt zich
begeeft en de manier waarop de jeugdprofessional afwegingen maakt. Intensieve
vrijwillige hulp is te rechtvaardigen wanneer juridische grenzen en fundamentele
kinder- en mensenrechten in acht worden genomen.
Belangrijk is dat jeugdigen, onder meer, het recht toekomt op inspraak in de
uiteindelijke beslissing over en invulling van de hulp en het recht hebben op een
afweging, waarbij hun belangen specifiek aan bod komen. Ook belangrijk is dat
ouders beseffen dat ze vrijwillig meewerken en weten dat ze te allen tijde op hun
instemming kunnen terugkomen.
De overheid heeft de taak om passende maatregelen te treffen met als doel pas-
sende zorg en bescherming te garanderen, zo mogelijk in een vrijwillig en een zo
min mogelijk beperkend kader. Bij het opleggen van voorwaarden horen passende
rechtswaarborgen, zoals een wettelijke legitimatiegrond en een rechtspositie die
recht doet aan de fundamentele rechten en vrijheden zoals deze staan genoemd
in internationale verdragen. Bij ‘drang’, zoals dit nu in het vrijwillige kader wordt
georganiseerd, worden soms mensen- en kinderrechten veronachtzaamd. In de
praktijk blijken zich voorbeelden voor te doen die niet juridisch te rechtvaardigen
zijn en niet getoetst worden. In sommige gevallen is hulp zowel vrijwillig als
gedwongen tegelijk: deze vorm van handelen is juridisch niet te rechtvaardigen:
hulp is vanuit juridisch oogpunt óf vrijwillig, óf gedwongen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>Is intensieve vrijwillige hulp (‘drang’) juridisch te rechtvaardigen? 37
                 Intensieve vrijwillige hulp is te
 rechtvaardigen wanneer juridische grenzen
en fundamentele kinder- en mensenrechten
                       in acht worden genomen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>     4 Is intensieve
     vrijwillige hulp
(‘drang’) ethisch te
    verantwoorden?
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>Is intensieve vrijwillige hulp (‘drang’) ethisch te verantwoorden?                  39
In hoofdstuk 2 concluderen de Raden dat we onder drang intensieve vrijwillige
hulp zouden moeten verstaan. Hoofdstuk 3 laat zien dat zorg- en hulpverlening
volgens de wet óf vrijwillig is óf niet. In beide gevallen gelden juridische regels en
waarborgen. Hoewel vrijwilligheid ook ethisch gezien een kernwaarde is, spelen
ook andere ethische overwegingen een rol.
Dit hoofdstuk behandelt de vraag of intensieve vrijwillige hulpverlening (‘drang’)
ethisch te verantwoorden is en zo ja, onder welke voorwaarden en omstandighe-
den. De Raden schetsen eerst welke ethische overwegingen een rol kunnen spelen
en hoe die samen hangen met verschillende andere normatieve kaders. Vervolgens
gaan zij in op het belang en de noodzaak van een zorgvuldige reflectie op de vaak
complexe, ethische kwesties waarmee jeugdprofessionals geconfronteerd kunnen
worden.
Dat situaties zo complex zijn, kan verschillende oorzaken hebben. Er kunnen inge-
wikkelde ethische problemen spelen (met botsende normen en waarden), maar
het kan ook schorten aan de randvoorwaarden om goede beslissingen te nemen.
Daarom beantwoorden de Raden ook de vraag welke randvoorwaarden nodig zijn
om ethisch verantwoord hulp te kunnen verlenen.
4.1      Ethiek, recht en professionaliteit
Ethiek gaat in essentie om anderen goed doen. In de context van de jeugdzorg zijn
die anderen de cliënten: jeugdigen en ouders in een, vaak kwetsbare en benarde,
situatie die hulp nodig hebben. Ethisch verantwoorde hulp is dan hulp die hen
op respectvolle wijze goed doet, omdat de goede dingen gedaan worden, op de
goede manier.
In de jeugdzorg zijn verscheidene personen en partijen verantwoordelijk voor
het creëren van randvoorwaarden voor professionele hulp. In de eerste plaats
zijn dat verschillende professionals (van maatschappelijk werker tot psychiater).
De randvoorwaarden worden vooral gecreëerd door anderen, zoals de voor
jeugdzorg verantwoordelijke wethouders van gemeenten en bestuurders van
jeugdzorginstellingen.
Ethiek biedt richtingaanwijzers die gidsen naar, en motiveren tot, goed werk. In de
praktijk van het dagelijks organiseren en verlenen van hulp staat de ethiek niet op
zichzelf. Ze is altijd verweven met andere normatieve overwegingen als die van het
recht en professionele standaarden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>40                                                                    RSJ & RVS – Intensieve vrijwillige hulp
Recht en ethische basisprincipes
Ethiek gaat in principe samen op met het recht. Volgens sommige rechts-
opvattingen is het recht zelfs als ‘gestolde ethiek’ te beschouwen. In principe zal
iemand die ethisch verantwoord hulp verleent aan jeugdigen en gezinnen zich –
minimaal – ook aan de rechten en plichten moeten houden die de wet voorschrijft.
Met het vorige hoofdstuk is het juridisch kader geschetst dat de handelingsruimte
van professionals bij het verlenen van intensieve vrijwillige hulp begrenst en
normeert.
Een bekende, wijdverbreide benadering uit de medische ethiek komt nauw
overeen met dit juridisch kader. De benadering schetst vier ethische basis-
principes80 voor goede zorg. Goede zorg mag niet-schaden (1), zou goed moeten
doen (weldoen) (2), getuigt van respect voor autonomie (3) en is rechtvaardig (4).
Deze vier ethische principes gelden onverkort voor de zorg- en hulpverlening aan
jeugdigen en gezinnen. Dat niemand het recht heeft een ander de vrijheid te ontne-
men zonder wettelijke basis en bijkomende rechtswaarborgen81 getuigt immers
van respect voor de autonomie van degenen wiens vrijheid in het geding is. Dat
jeugdigen het recht hebben op bescherming is een uitdrukking van het principe
van niet-schaden en weldoen. Dat jeugdigen een hoorrecht hebben, getuigt van
een ethische partijdigheid: het draait in de jeugdzorg primair om jeugdigen die tot
hun recht moeten komen en daarom ook altijd gehoord moeten worden. Dit is een
kwestie van rechtvaardigheid. Dat iedereen die dat nodig heeft gelijkelijk toegang
moet hebben tot hulp is dat eveneens. In de beroepscodes en richtlijnen die veel
beroepen in de jeugdzorg hanteren, zijn deze principes ook herkenbaar. 82
Die vier basisprincipes bieden weliswaar enige oriëntatiehulp bij beslissingen hoe
men ethisch verantwoord hulp kan en moet verlenen aan jeugdigen en ouders,
maar ze zijn ook algemeen en abstract. Ze leiden tot algemene normen en regels,
en soms is het niet zo duidelijk welk principe voorrang moet krijgen, of welke norm
er precies van moet worden afgeleid voor een specifieke situatie. Daarmee geven
ze maar gedeeltelijk antwoord op de vraag wat het betekent om goed hulp en zorg
te verlenen.
80  Beauchamp & Childress 2013.
81  Zie hiervoor hoofdstuk 3: Is intensieve vrijwillige hulp (‘drang’) juridisch te rechtvaardigen?,
    paragraaf 3.2.
82  Zie bijvoorbeeld de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional (2017) en de Beroepscode voor de
    maatschappelijk werker (2010) van de beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk (BPSW). Zie
    ook: Richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming, via richtlijnenjeugdhulp.nl.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>Is intensieve vrijwillige hulp (‘drang’) ethisch te verantwoorden?                 41
Andere ethische overwegingen bij de relatie hulpverlener en cliënt
Welke andere ethische overwegingen (normen, waarden, deugden) zijn er in het
spel? In hoofdstuk 2 definiëren de Raden hulpverlening als een relationeel proces.
Hulpverlenen bestaat niet uit een set van afgebakende handelingen of interven-
ties die als ethisch (on)verantwoord te beoordelen zijn op basis van abstracte
principes. Het draait niet alleen om daaruit afgeleide rechten en plichten. Ethiek is
ook een kwestie van ‘relatiebeheer’ waarbij verschillende waarden in het geding
zijn. Goede hulp en zorg vergt bijvoorbeeld een relatie waarin cliënten en jeugd-
professionals elkaar kunnen vertrouwen en eerlijk zijn tegen elkaar.
Goede hulpverlening vergt aandacht voor, en betrokkenheid bij, cliënten maar
ook enige wederkerigheid. Jeugdigen en ouders mogen wat verwachten van de
jeugdprofessional, maar omgekeerd mogen jeugdprofessionals ook verwachten
van hun cliënten dat die zich bijvoorbeeld houden aan samen gemaakte afspra-
ken: “Het moet wel van twee kanten komen.” Wanneer hulp nodig is, is mogelijk
de veiligheid van jeugdige en gezinsleden in het geding.
                      "Passende zorg vergt
                         virtuoos maatwerk"
Ouderlijke verantwoordelijkheid is ook een belangrijke waarde. Ouders zijn als
eerste verantwoordelijk voor de veiligheid en ontwikkeling van hun kinderen. Maar
als ouders die verantwoordelijkheid, om wat voor reden of oorzaak dan ook, niet
voldoende (kunnen) nemen, neemt de verantwoordelijkheid van anderen toe om
te voorzien in de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige. Jeugdprofessionals
hebben, namens de overheid en samenleving, de plicht om schade te voorkomen
en welzijn te bevorderen bij jeugdigen die in een kwetsbare positie verkeren.
Intensivering van hulp kan daarom ethisch wenselijk en zelfs geboden zijn als
ouders hun verantwoordelijkheid onvoldoende lijken te nemen.
Het is een kwestie van praktische wijsheid om in te schatten wanneer en hoe
dergelijke intensievere hulp wel of niet passend is. In elke unieke en concrete
situatie zullen professionals opnieuw uiteenlopende normen en waarden zoals
hier genoemd moeten afwegen. Passende zorg vergt ‘virtuoos maatwerk’. 83
Een van de belangrijkste afwegingen die de hulp in dit soort situaties complex
83   Kole 2018. Virtuoos duidt hier op ‘deugdzaam’.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>42                                                     RSJ & RVS – Intensieve vrijwillige hulp
maakt is de afweging tussen vrijwilligheid en bescherming. De Raden hebben
gesteld dat hulp, en dus ook intensieve hulp, altijd vrijwillig moet zijn. Vrijheid is
een kostbaar goed, voor jeugdigen en voor ouders. Het vergt balanceerkunst om
enerzijds die vrijheid te blijven respecteren maar anderzijds ook de veiligheid en
ontwikkeling van jeugdigen te waarborgen en ouders zo te ondersteunen dat ze
zelf de verantwoordelijkheid voor die veiligheid en ontwikkeling kunnen houden.
Het vergt een goed oordeelsvermogen om te bepalen of hulp in het vrijwillige
kader nog mogelijk is of dat, met een gang naar de rechter, overgegaan moet
worden tot gedwongen maatregelen.
Vanuit juridisch oogpunt kan het ‘vermijden van gedwongen hulp’ discutabel
zijn, maar soms is het ook ethisch onwenselijk; bijvoorbeeld wanneer men
onder het mom van preventieve jeugdbescherming in het vrijwillige kader toch
verkapte dwang toepast. Verkapte dwang is zowel ethisch niet te verantwoorden
als juridisch niet te rechtvaardigen. Dwang betekent het ontnemen van de
vrijheid, die juist de aard van de (vrijwillige) hulpverlening in het vrijwillige kader
karakteriseert.
Bij intensieve van de vrijwillige hulp aan gezinnen maakt het veel uit welke
houding wordt aangenomen, hoe jeugdprofessionals zich opstellen. Behalve
praktische wijsheid om in complexe situaties goed in te schatten wat nodig is, zijn
er ook situaties waarin de moed en het doorzettingsvermogen van jeugdprofes-
sionals op de proef worden gesteld. Empathie is daarbij ook belangrijk: hoe voelt
het voor een jeugdige of een ouder om ‘stevig bejegend’ te worden? Wat vanuit
het perspectief van een jeugdprofessional met de beste bedoelingen een ethisch
te verantwoorden vorm van vrijwillige hulpverlening kan lijken, kan vanuit het
perspectief van een jeugdige of ouder ervaren worden als dwang die hen vrijheid
ontneemt.
Deze schetsmatige inventarisatie illustreert hoeveel verschillende ethische
overwegingen (normen, waarden, deugden) in geding zijn bij het verlenen van
hulp en zorg door verschillende soorten jeugdprofessionals aan cliënten. Echter,
ook andere personen en partijen hebben bij het nemen van bijvoorbeeld beleids-
beslissingen afwegingen te maken tussen allerlei mogelijk conflicterende ethische
normen en waarden (“hoe richten we jeugdzorg in binnen onze gemeente?”, “Is
het ethisch wenselijk om drangproducten aan te bieden?”).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>Is intensieve vrijwillige hulp (‘drang’) ethisch te verantwoorden?                                     43
Professionele standaarden
Ethiek in de zorg en hulp voor jeugdigen en gezinnen is een kwestie van anderen
goed doen (volgens juridische en ethische uitgangspunten) met goed werk. Wat
goed werk is, wordt meebepaald door professionele opvattingen, bijvoorbeeld
zoals die vervat zijn in professionele standaarden en kwaliteitsrichtlijnen. De
afgelopen jaren hebben overheid, het werkveld en professionals samen veel
aandacht besteed aan professionalisering en vakmanschap in de jeugdzorg. 84
In standaarden en richtlijnen wordt wetenschappelijke kennis en ervaring van
professionals gebundeld, als leidraad voor professionals. Daar zit ook een ethi-
sche kant aan. Anderen goed doen met, vakmatig gezien, slecht werk, gaat niet.
Op een deskundige manier te werk gaan, is een algemene beroepsethische plicht
die niet voor niets in veel beroepscodes aan het begin vermeld wordt. Wie niet
over adequate kennis en vaardigheden beschikt, loopt het risico inschattingen te
maken die schadelijk zijn voor jeugdigen en hun gezin, of hen niet optimaal ten
goede komen.
Er is veel discussie over het nut en de noodzaak van professionele standaarden
en richtlijnen. Goed je vak beoefenen omvat immers meer dan overeenkomstig
standaarden en richtlijnen werken. Ze worden in concrete situaties gewogen met
andere waarden. Omdat ze in het algemeen gesteld zijn, met het oog op de ‘gemid-
delde cliënt’, vergen ze interpretatie om ze in specifieke situaties toe te kunnen
passen. Verder behoort het ook tot de ethische beroepsverantwoordelijkheid van
professionals dat ze, mits dit te verantwoorden is, afwijken van richtlijnen en stan-
daarden als dit cliënten in een specifieke context ten goede komt (“Pas toe of leg
uit”). 85 Het zou net zo ethisch onverantwoord zijn om zich altijd en blindelings te
conformeren aan standaarden en richtlijnen (“Het moest volgens de richtlijn, maar
ik wist eigenlijk ook wel beter…”), als wanneer men ze structureel zou negeren en
onvoldoende gebruik zou maken van de gebundelde vakdeskundigheid die er in
opgeslagen ligt en die cliënten ten goede kan komen.
84   Belangrijk is de bij Jeugdwet ingevoerde ‘norm van verantwoorde werktoedeling’, nader uitgewerkt
     het Kwaliteitskader Jeugd 2016, Het Programma Professionalisering Jeugdhulp en Jeugdbescherming
     (onder verantwoordelijkheid van de beide ministeries) heeft zich daarna gericht op verhoging van
     professioneel handelen. Beroepsethiek en scholing daarin vormt daarin een prominent onderdeel van
     dit programma. Zie ook het Kompas in de jeugdhulp en jeugdbescherming 2018, zoals ontwikkeld door
     de beroepsverenigingen BPSW, NIP en NVO (zie professionaliseringjeugdhulp.nl) en zie tot slot het
     Actieprogramma Zorg voor de Jeugd, onder actielijn 6: ‘investeren in vakmanschap’ .
85   Wijne 2014, p. 213.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>44                                                            RSJ & RVS – Intensieve vrijwillige hulp
4.2      Randvoorwaarden: kritische reflectie, praktische wijsheid en
         moreel beraad
Of, wanneer, en hoe men vrijwillige hulp moet intensiveren is een ingewikkelde
kwestie. Een jeugdprofessional werkt in een netwerk van interpersoonlijke relaties
waarin (on)macht, gezag, en (wan)trouwen met verschillende waarden om de
voorrang strijden. Om in concrete situaties telkens opnieuw te beslissen wat te
doen om goed te doen, is kritische reflectie nodig: bewust nadenken, zorgvuldig
afwegen en beslissen. Dat vergt tijd en ruimte maar ook ethische competentie:
de bekwaamheid om op een professionele manier om te gaan met de ethische
vraagstukken waarmee men geconfronteerd wordt.
Lang niet altijd lijkt er tijd te zijn om serieus (samen) na te denken of wat men
doet ethisch te verantwoorden is. De werkdruk is vaak hoog, de financiële marges
krap. 86 Tijd om goed na te denken (vooraf of achteraf) lijkt een luxe die men zich
in de jeugdzorg niet makkelijk kan veroorloven. De Raden benadrukken dat tijd
en aandacht voor ethische reflectie geen luxe is maar een noodzakelijk onderdeel
van professionele hulpverlening. Een kritisch ethische reflectie is niet alleen van
belang voor de kwaliteit van de hulp voor degenen die hulp verleend krijgen, maar
ook voor hen die deze hulp en zorg verlenen. De complexe situaties waarin men
als jeugdprofessional werkt, kunnen gevoelens van (handelings)verlegenheid,
onmacht, spijt, wroeging, en stress opleveren. 87 Tijd en aandacht voor kritische
reflectie kan bewust maken dat - en hoe - die gevoelens ontstaan zijn doordat
normen en waarden die voor de hulpverlener belangrijk zijn, in het geding zijn
geraakt.
Omdat elke situatie maatwerk vergt, hangt veel af van het vermogen van jeugd-
professionals om zelf te beoordelen wat het beste is om te doen (of na te laten).
In elke situatie opnieuw zullen jeugdprofessionals - met oog voor de specifieke
situatie van jeugdigen en ouders en rekening houdend met juridische, ethische,
en professionele normen en waarden - moeten beoordelen en bepalen hoe zij zorg
en hulpverlenen. Dit geeft jeugdprofessionals een zware verantwoordelijkheid.
Hoe situaties (ethisch) goed te beoordelen, leren professionals door scholing
en oefening, ervaring (‘veel vlieguren’) en door de kunst af te kijken van ervaren
collega’s in de praktijk. Het ontwikkelen van de praktische wijsheid die daarvoor
nodig is, is een kenmerk van professionele deskundigheid.
86  ‘Meerderheid werknemers zorg meldt toename werkdruk’, 30 september 2019 via cbs.nl.
87  Kuip 2016; Weinberg 2009; zie ook: CEG 2009.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>Is intensieve vrijwillige hulp (‘drang’) ethisch te verantwoorden?                                         45
Het is echter de vraag of jeugdprofessionals voldoende tijd en gelegenheid krijgen
om zich deze noodzakelijke praktische wijsheid eigen te maken. Jonge jeugdpro-
fessionals worden geregeld geconfronteerd met complexe situaties (“voor de
leeuwen gegooid”), zonder intensieve begeleiding. Ervaren jeugdprofessionals
van wie ze de kunst af kunnen kijken en die hen kunnen begeleiden, zijn lang
niet altijd voorhanden. Het verloop van personeel is groot. 88 Met het vertrek van
ervaren jeugdprofessionals verliest een organisatie ook de noodzakelijke prakti-
sche wijsheid.
De druk om de juiste beslissingen te nemen is groot, er staat veel op het spel
voor jeugdigen en gezinnen. Geregeld ligt het werk van jeugdprofessionals
en de betreffende organisaties onder het vergrootglas van pers en publiek. Is
niet daadkrachtig genoeg opgetreden, dan wordt dat jeugdprofessionals sterk
verweten. Maar zijn ze te daadkrachtig te werk gegaan, dan hebben ze het ook niet
goed gedaan. Pers, publiek en politiek hebben snel hun oordeel geveld, vaak met
onvoldoende erkenning voor de complexe situaties waarin jeugdprofessionals hun
werk doen. De angst om publiekelijk of tuchtrechtelijk 89 afgerekend te worden op
verkeerde beslissingen leidt niet tot een klimaat waarin men de gelegenheid krijgt
om te leren en zich te ontwikkelen, ook in de praktische ethische oordeelsvor-
ming. Terwijl die leertijd en ontwikkelmogelijkheid juist zo belangrijk is.
In veel situaties nemen professionals in de jeugdzorg ethisch te verantwoorden
beslissingen. Vaak doen ze anderen goed met goed werk. Waar echter ethische
competentie en praktische wijsheid nog onvoldoende aanwezig zijn, moet dat
niet gecompenseerd worden met meer richtlijnen of nieuwe ‘kaders’. De Raden
benadrukken daarom dat ze met dit advies geen nieuwe richtlijnen of codes willen
voorschrijven. Andere middelen om jeugdprofessionals houvast te bieden bij het
nemen van ethisch verantwoorde beslissingen, zoals collegiaal overleg en moreel
beraad, zijn geschikter. Deze middelen zijn gericht op de ontwikkeling en het leren
van ethische competentie, eerder dan op controle, toezicht en regulering.90
Het houden van moreel beraad is één middel om tijd en gelegenheid te creëren
op de werkvloer voor ethische reflectie en het cultiveren van het praktisch
oordeelsvermogen. Waar moreel beraad plaatsvindt bij jeugdzorginstellingen
88   Prismant 2018.
89   Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) is het beroepsregister voor jeugdprofessionals in Nederland.
     Een ieder die is ingeschreven in dit register is onderworpen aan het Tuchtreglement en daarmee aan het
     tuchtrecht.
90   RVS 2019. Zie ook: CEG-signalement Veilige zorg, goede zorg?
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>46                                                                 RSJ & RVS – Intensieve vrijwillige hulp
en -organisaties, zijn de ervaringen positief.91 Methodisch ethisch ingewikkelde
kwesties samen, in een multidisciplinaire ‘setting’ doorspreken (vooraf en/of
achteraf), onder leiding van een daarvoor getrainde gespreksleider, helpt om
ethisch verantwoorde beslissingen te nemen bij het intensiveren van hulpverle-
ning. Ervaringen kunnen uitgewisseld worden, argumenten voor en tegen opties
om te handelen kunnen afgewogen worden. Complexe kwesties zouden liefst altijd
moeten worden voor- en nabesproken. De Raden hebben gesteld dat niet alleen
jeugdprofessionals, maar ook bestuurders en leidinggevenden, bij gemeenten
en bij andere organisaties, veel af te wegen hebben. Het besef groeit dat moreel
beraad ook voor bestuurders en leidinggevenden een zinvolle vorm van reflectie
kan zijn die bijdraagt aan het nemen van ethisch te verantwoorden beslissingen.
Er zijn situaties waar intensivering van hulp aan jeugdigen en ouders ethisch te
verantwoorden is, of zelfs ethisch noodzakelijk is. Hoe die hulp verleend wordt,
blijft daarbij belangrijk. Er zullen ook situaties zijn waarbij intensivering van hulp
ethisch onwenselijk en onverantwoord is, en bijvoorbeeld overgaat in verkapte
dwang. Die grens moet telkens opnieuw bepaald worden. Tijd en ruimte, aandacht
en reflectie, praktische wijsheid en de gelegenheid om die te cultiveren, zijn
belangrijk om maatwerk te kunnen leveren.
4.3      Andere randvoorwaarden bij ethisch verantwoorde
         hulpverlening
De situaties waarin men overweegt om tot intensivering van vrijwillige hulp
over te gaan, vragen om een aantal randvoorwaarden. Het gaat om factoren die
invloed hebben op de mogelijkheid om ethisch verantwoord te werken. De Raden
noemden al tijd, scholing, ontwikkelingsmogelijkheden en het belang van moreel
beraad.
1. Voldoende competentie op elk niveau
Werken in de jeugdzorg is complex en vraagt om verschillende competenties.
Beschikken professionals onvoldoende over benodigde competenties, dan ont-
staat het risico dat ze eerder grijpen naar interventies en middelen die door jeugdi-
gen en/of ouders als dwang ervaren worden. Als professionals over de benodigde
competenties beschikken, zal het aantal gevallen waarin zij zich genoodzaakt
voelen over te gaan tot onnodige, ethisch niet te verantwoorden, ‘drang’ en moge-
lijk verkapte dwang verminderen. Daarom is het een randvoorwaarde voor ethisch
91   VUmc, nieuwsbericht, 17 januari 2019; NJi, Verslag moreel beraad Veilig Thuis Gelderland Zuid,21
     december 2017.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>Is intensieve vrijwillige hulp (‘drang’) ethisch te verantwoorden?                   47
verantwoorde intensieve vrijwillige hulp dat professionals over de benodigde
competenties beschikken. En als jeugdprofessionals hierover niet beschikken,
ze voldoende gelegenheid krijgen de benodigde competenties te verwerven en
verder te ontwikkelen. Daarbij hoort dat de meest complexe situaties behandeld
worden door de hoogst opgeleide en meest competente professionals.
Een voorbeeld: uit de gesprekken met kinder- en jeugdpsychiaters viel op dat zij
zich bekwaam achten (als gevolg van hun specifieke opleiding daartoe) in het
motiveren van mensen zodat zij cliënten op gepaste wijze over kunnen halen
tot de noodzakelijke zorg. Deskundigheid maakt het zo mogelijk om binnen het
vrijwillige kader effectief intensieve vrijwillige hulp te verlenen zonder dat deze
gepaard gaat met bejegening die door de jeugdige of ouders als dwang wordt
ervaren. Ook uit de gesprekken met jeugdigen en ouders werd duidelijk dat de
manier waarop er met hen gecommuniceerd wordt een cruciale rol speelt. Vaak
staat of valt de ervaring en de kwaliteit van de intensievere hulpverlening met een
juiste bejegening.
2. Garantie voor deskundigheid in het vrijwillige kader
De overheid beoogde continuïteit van hulp voor cliënten binnen de jeugdzorg,
ook toen de decentralisatie van jeugdzorg naar de gemeenten zijn beslag kreeg.
Continuïteit van hulp betekent echter dat in situaties waarin extra professionele
ondersteuning (expertise) nodig is, in het vrijwillige kader, deze ook beschikbaar
moet zijn. Op zichzelf genomen is dit een nastrevenswaardig uitgangspunt, maar
de manier waarop de continuïteit van zorg op dit moment vaak geregeld wordt,
heeft ook grote nadelen.
Hoe precies vrijwillige jeugdzorg geregeld wordt, verschilt per gemeente. Vaak
zijn wijkteams primair verantwoordelijk voor het verstrekken van deze hulp. Als
deze teams vooral bemenst zijn met generalisten, zal niet altijd de passende
specialistische deskundigheid in huis zijn die nodig is bij complexe situaties waar
intensieve vrijwillige hulp wordt gevergd. In die gevallen wordt, in het vrijwillige
kader, een beroep gedaan op de gecertificeerde instelling. Professionals van de
gecertificeerde instelling zijn er echter in de eerste plaats (wettelijke taak) voor
het gedwongen kader. Doordat ze in het vrijwillige kader gaan assisteren (met
bijvoorbeeld intensieve casusregie, zie hierover hoofdstuk 2), dreigt de grens
tussen vrijwillige en gedwongen hulp te vertroebelen. Professionals zouden zelf
het verschil moeten onderkennen tussen het vrijwillige en gedwongen kader, maar
lukt dat altijd als de kaders verwarrend zijn? Jeugdigen en hun gezinnen beleven
drang al gauw als dwang (zie hierover hoofdstuk 2). Het is verwarrend dat zij pro-
fessionals, bekend uit het gedwongen kader, zien assisteren bij ‘vrijwillige maar
niet vrijblijvende hulp’ in het vrijwillige kader (een ‘dubbele pet’-probleem). Een
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>48                                                                RSJ & RVS – Intensieve vrijwillige hulp
oplossing zou zijn om ervoor te zorgen dat binnen de wijkteams zelf voldoende
specialistische deskundigheid aanwezig is.
Jeugdprofessionals, bestuurders van gemeenten en jeugdzorginstellingen en
de nationale overheid zullen dit dilemma samen onder ogen moeten zien en een
uitweg moeten zoeken. Op dit moment is de jeugdzorg zodanig georganiseerd dat
er een stimulans is om hulp van professionals uit het gedwongen kader, in de vorm
van ‘producten’ als ‘preventieve jeugdbescherming’ aan te bieden in het vrijwillige
kader. Gemeenten vragen immers om dergelijke producten en instellingen kennen
een productiebelang. Het risico hierbij is dat er juridische en ethische problemen
ontstaan doordat vrijwillige hulp tot ‘verkapte dwang’ dreigt te vervallen. Een
dergelijke stimulans die tot juridisch en ethisch problematische hulp leidt, is er
één die niet in de hand gewerkt moet worden. Het moet voor gezinsleden altijd
duidelijk zijn met welke bevoegdheden de overheid, via jeugdprofessionals,
in hun privéleven intervenieert en waarom dat gerechtvaardigd is. Ook voor
jeugdprofessionals moet duidelijk zijn wat wel en niet kan. De Raden zijn daarom
voorstander van de beschikbaarheid van intensieve vrijwillige hulp door hoog
gekwalificeerde jeugdprofessionals vanuit het vrijwillige kader (wijkteam).
3. Adequate werkomstandigheden
De werkomstandigheden voor jeugdprofessionals zijn vaak niet optimaal.92 Het
recente pamflet van jeugdzorginstellingen over het toenemend geweld tegen hulp-
verleners illustreert dat pijnlijk.93 Een ander voorbeeld is dat als de werkdruk hoog
is jeugdprofessionals minder goed in staat zullen zijn om tijdig en adequaat hulp
te bieden aan jeugdigen en hun ouders. Bij gebrek aan tijdige en adequate hulp
kunnen gezinssituaties escaleren tot situaties waarin verkapte of formele dwang de
enig mogelijke volgende stap lijkt te zijn. Zou men de gelegenheid gehad hebben
eerder adequaat hulp te verlenen, dan was dat wellicht te voorkomen. Verder kan
uitstel van adequate hulp, omdat er bijvoorbeeld een wachtlijst is, ertoe leiden dat
jeugdigen en/of hun gezinsleden niet voldoende beschermd worden.94
Een derde randvoorwaarde voor ethisch verantwoorde intensieve vrijwillige hulp is
daarom dat de werkomstandigheden zodanig zijn dat ze jeugdprofessionals in staat
stellen om ethisch verantwoorde hulp te bieden.
92   Prismant 2018.
93   RTL-nieuws 3 november 2019. Zie ook bijbehorend pamflet van de gecertificeerde instellingen: ‘Handen af
     van onze jeugdbeschermers!, oktober 2019.
94   Jeugdzorg- en jeugdbeschermingsinstanties kampen met wachtlijsten: Inspectie JenV & IGJ 2019
     (signalement); Kinderrechters luiden noodklok: kinderen in gevaar door gebrek jeugdzorgwerkers’, RTL-
     nieuws, 6 augustus 2019; Hanekamp e.a. 2018; Prismant 2018.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>Is intensieve vrijwillige hulp (‘drang’) ethisch te verantwoorden?                    49
4. Rechtspositie cliënten gewaarborgd
Wanneer jeugdigen en ouders te maken krijgen met hulp en bescherming uit het
gedwongen kader, is hun rechtspositie gewaarborgd. Het zou vreemd zijn als
hun rechtspositie niet evenzeer gewaarborgd was in het vrijwillige kader. Toch
lijkt die geregeld in het geding te kunnen zijn bij intensieve trajecten die eigenlijk
verkapte dwang zijn. Ook wordt het perspectief van de jeugdige zelf nog geregeld
niet serieus genomen, zoals wel overeenkomstig hun kinderrechten zou moeten
gebeuren.95
Een randvoorwaarde voor ethisch verantwoorde intensieve vrijwillige hulp is dat
het volstrekt duidelijk en begrijpelijk is voor jeugdigen en ouders welke rechten
en plichten ze hebben in het vrijwillige kader. Tot die rechten behoren de in het
vorige hoofdstuk genoemde recht op een belangenafweging, het recht om gehoord
te worden en het recht op bescherming. Jeugdprofessionals hebben bij intensieve
vrijwillige hulp de plicht om hun cliënten goed te informeren zodat deze in staat
gesteld worden vrijwillig in te stemmen met de geboden hulp. In de gezondheidzorg
mag deze vorm van informed consent als vanzelfsprekend beschouwd worden. In
het geval van intensieve vrijwillige hulp zou dat niet anders moeten zijn.
5. Lerende praktijk: lokale en nationale intercollegiale
    deskundigheidsbevordering
De situaties waarin intensieve hulp en zorg verleend wordt, zijn vaak zeer com-
plex. De verantwoordelijkheid van jeugdprofessionals is groot en de druk die er
op hen gelegd wordt door enerzijds jeugdigen en ouders, en anderzijds politiek
en samenleving is hoog. De werkomstandigheden zijn lang niet altijd optimaal. De
financiële situatie van instellingen is kwetsbaar.
Een randvoorwaarde om onder zulke condities toch ethisch verantwoorde
intensieve vrijwillige hulp te kunnen (blijven) bieden is dat men de gelegenheid
(tijd, ruimte en organisatie) heeft om desondanks deskundigheid te bevorderen
en praktische wijsheid verder te ontwikkelen. Dat vergt dat jeugdprofessionals
en hun organisatie kunnen blijven leren, dat ze hun eigen en elkaars werk kunnen
‘toetsen’, bijvoorbeeld via moreel beraad (prospectief of retrospectief), dat ze
op lokaal en nationaal niveau kennis en ervaring kunnen uitwisselen via daartoe
geschapen gremia. Lokaal moet intercollegiale uitwisseling gegarandeerd worden.
Gevallen van complexe en intensieve vrijwillige hulp zouden bij voorkeur voor- en
nabesproken moeten worden om na te gaan of de hulp ethisch en juridisch
verantwoord ingezet wordt, en gegeven is. Ook kan gedacht worden aan nationale
of regionale bundeling van kennis over complexe casuïstiek.
95    Zie ook: (vóór Bouma 2019.)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>50                                                     RSJ & RVS – Intensieve vrijwillige hulp
4.4     Conclusie
Is intensieve vrijwillige hulp ethisch te verantwoorden? Jeugdprofessionals zullen
dat in elke situatie opnieuw op basis van een afweging van normen en waarden
moeten beoordelen. Ze doen daarvoor een beroep op hun ethische competentie
en praktische wijsheid. De vrijwilligheid van de geboden hulp is vanuit ethisch
perspectief een kernwaarde maar ook andere normen en waarden zullen mee
gewogen moeten worden. Dit vraagt veel van het kritisch reflectievermogen van
jeugdprofessionals. De ruimte om hulp te verlenen is juridisch begrensd, zoals in
hoofdstuk 3 beschreven. Verder zullen bij ethische afwegingen ook altijd professi-
onele standaarden en richtlijnen betrokken moeten worden.
Om intensieve vrijwillige hulp op een ethisch verantwoorde manier te verlenen,
moet aan een aantal randvoorwaarden worden voldaan. In de eerste plaats zijn
ruimte voor kritische reflectie, scholing en werkenderwijs leren van ervaren
collega’s noodzakelijk. Jeugdprofessionals moeten voldoende tijd en gelegenheid
krijgen om zich de noodzakelijke praktische wijsheid eigen te maken. Het houden
van moreel beraad is een middel om beslissingen te toetsen en dilemma’s of
twijfels te onderzoeken. Als tweede randvoorwaarde geldt dat professionals
over de benodigde competenties beschikken. Ten derde is het noodzakelijk dat
specialistische kennis en kunde in het vrijwillige kader (bij het wijkteam) beschik-
baar is. De kaders van waaruit hulp verleend wordt moeten helder zijn. Ten vierde:
De werkomstandigheden moeten zodanig zijn dat ze jeugdprofessionals in staat
stellen om ethisch verantwoorde hulp te bieden. Bij het bieden van deze hulp
moet de rechtspositie van cliënten altijd gewaarborgd zijn. Dit betekent onder
meer dat de rechten en plichten – behorend bij het vrijwillige kader – voor cliënten
volledig duidelijk zijn. Tot slot moet er sprake zijn van een lerende praktijk, wat
betekent dat er op lokaal en nationaal niveau deskundigheid aanwezig is en
inzicht in complexe problematiek bevorderd wordt.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>Is intensieve vrijwillige hulp (‘drang’) ethisch te verantwoorden? 51
     De vrijwilligheid van de geboden hulp is
 vanuit ethisch perspectief een kernwaarde
       maar ook andere normen en waarden
        zullen mee gewogen moeten worden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>5 Conclusies en
 aanbevelingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>Conclusies en aanbevelingen                                                          53
De Raden geven hier antwoord op de vragen die in dit advies centraal staan:
1) wat moeten we verstaan onder drang in de jeugdzorg?
2) is de inzet van drang juridisch te rechtvaardigen en ethisch te verantwoorden? –
    en zo ja, onder welke voorwaarden en omstandigheden?
Eerst noemen de Raden het belangrijkste knelpunt dat zij hebben geconstateerd.
Daarna staan de Raden stil bij de conclusies uit de voorgaande hoofdstukken. Na
elke conclusie volgen de daaruit voortvloeiende aanbevelingen.
5.1        Het belangrijkste knelpunt
Knelpunt - De grens tussen niet-vrijwillige jeugdbescherming en vrijwillige hulp
is niet meer helder. Dit is onwenselijk.
Toelichting
Door het beleid gericht op het voorkomen van jeugdbescherming is in de praktijk
een tussengebied ontstaan, waarin interventies in het vrijwillige kader niet helder
zijn afgegrensd van het gedwongen kader (jeugdbescherming). Jeugdigen en
ouders zijn hiervan de dupe, omdat onduidelijk is of de hulp vrijwillig is of niet. Ze
zijn mogelijk overgeleverd aan verkapte dwang onder het mom van vrijwilligheid.
     Aanbeveling - Maak de grens tussen vrijwillige en gedwongen hulp weer
     helder.
     →	Maak scherp onderscheid tussen vrijwillige hulp en jeugdbescherming
          en organiseer geen vormen van hulp er ‘tussenin’.
     →	Zorg ervoor dat voor cliënten glashelder is welk soort hulp hen verleend
          wordt (vrijwillig of gedwongen) en welke rechten en plichten daar bij
          horen.
     →	Realiseer een jeugdzorgstelsel waarbij ook in het vrijwillige kader
          voldoende specialistische kennis en kunde beschikbaar is voor het
          verlenen van intensieve vrijwillige hulp.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>54                                                    RSJ & RVS – Intensieve vrijwillige hulp
5.2     Wat moeten we onder drang verstaan?
Conclusie - ‘Drang’ zou enkel en alleen beschouwd moeten worden als intensieve
vrijwillige hulp. Dit is een proces van hulp en zorg verlenen in het vrijwillige kader
van de jeugdzorg, waarbij de jeugdprofessional gradueel meer invloed uitoefent,
meer verantwoordelijkheid neemt en daarmee steeds intensiever hulp en zorg
verleent én tegelijkertijd de vrijwilligheid van de hulp garandeert.
Toelichting
Het begrip ‘drang’ verwijst naar uiteenlopende interventies en praktijken.
Sommige interventies die onder deze noemer binnen het vrijwillige kader
plaatsvinden vallen onder ‘verkapte dwang’: dwang zonder de bijbehorende
rechtswaarborgen. Jeugdigen en ouders ervaren drang al gauw als dwang. Het
woord drang – en verwante termen als ‘preventieve jeugdbescherming’, ‘jeugdbe-
schermingstafel´ en ‘vrijwillige, maar niet vrijblijvende hulp’ – verhullen dat het
zou moeten gaan om intensieve hulp in het vrijwillige kader.
   Aanbeveling - Breng de praktijk en de financiering van ‘drang’ in overeen-
   stemming met wat het zou moeten zijn: intensieve vrijwillige hulp.
   →	Stop met het woord ‘drang’ en andere verhullende terminologie.
       Gebruik het woord ‘intensieve vrijwillige hulp’.
   →	Breng de praktijk in lijn met deze definitie zodat in het vrijwillige kader
       ook daadwerkelijk vrijwillige hulp wordt geboden.
   →	Stop met de inkoop van ‘drang’ als afzonderlijk product. Het proces-
       matige karakter van de intensieve vrijwillige hulp moet leidend zijn
       voor de manier van financieren.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>Conclusies en aanbevelingen                                                                          55
5.3      Is intensieve vrijwillige hulp96 juridisch te rechtvaardigen, en
         zo ja onder welke voorwaarden en omstandigheden?
Conclusie - Intensieve vrijwillige hulp is te rechtvaardigen wanneer juridische
grenzen en fundamentele kinder- en mensenrechten in acht worden genomen.
Toelichting
In de praktijk blijken zich voorbeelden voor te doen die niet juridisch te recht-
vaardigen zijn, omdat er juridische grenzen worden overschreden of rechten van
ouders en/of jeugdigen worden veronachtzaamd. Hierbij valt te denken aan het
dreigen met een jeugdbeschermingsmaatregel, het forceren van uithuisplaatsin-
gen zonder tussenkomst van de rechter, vrijheidsbeneming zonder tussenkomst
van de rechter, het opleggen van vrijheidsbeperking zonder wettelijke legitimering
of het opnemen van clausules in zorgovereenkomsten die de cliënt verplichten om
vrijwillige hulp te accepteren. Aan de andere kant heeft de overheid de plicht om
jeugdzorg en jeugdbescherming te garanderen en daarvoor het kader te scheppen.
Intensieve hulp kan wenselijk en geboden zijn als een vorm van passende hulp
binnen het vrijwillige kader. Belangrijk is dat de jeugdige altijd de gelegenheid
krijgt om mee te denken over de invulling van de hulp en daarmee de kans krijgt
om, waar mogelijk, invloed uit te oefenen op de hulp. Het moet voor ouders
duidelijk zijn dat ze vrijwillig meewerken en ook ‘nee’ mogen zeggen.
   Aanbeveling - Realiseer een jeugdzorgpraktijk waarin intensieve
   vrijwillige hulp juridisch te rechtvaardigen is.
   → Respecteer de juridische grenzen van intensieve vrijwillige hulp.
   →	Waarborg de fundamentele mensen- en kinderrechten, met bijzondere
        aandacht voor de rechten van kwetsbare jeugdigen.
96  De Raden hebben hier ook in de hoofdvraag het gewenste begrip gebruikt ter vervanging van drang.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>56                                                     RSJ & RVS – Intensieve vrijwillige hulp
5.4      Is intensieve vrijwillige hulp ethisch te verantwoorden, en zo
         ja onder welke voorwaarden en omstandigheden?
Conclusie - Of intensieve vrijwillige hulp ethisch te verantwoorden is, is iets dat
door jeugdprofessionals in elke situatie opnieuw, op basis van een afweging van
normen en waarden en met praktische wijsheid, beoordeeld moet worden. De vrij-
willigheid van de geboden hulp is vanuit ethisch perspectief een kernwaarde, maar
ook andere normen en waarden zullen meegewogen moeten worden. De ruimte om
hulp te verlenen is juridisch begrensd, waarbij de rechtspositie van cliënten moet
worden gewaarborgd. Een aantal randvoorwaarden moet worden vervuld om inten-
sieve vrijwillige hulp op ethisch verantwoorde wijze mogelijk te maken.
Deze randvoorwaarden zijn:
a. Kritische reflectie, praktische wijsheid en moreel beraad.
      Tijd en ruimte voor kritische reflectie is essentieel, omdat het gaat om
      complexe problematiek. Dat geldt niet alleen voor jeugdprofessionals, maar
      ook voor bestuurders in gemeenten en van jeugdzorginstellingen. Moreel
      beraad kan behulpzaam zijn bij het beantwoorden van de vraag of intensieve
      vrijwillige jeugdhulp ethisch verantwoord is of was.
b. Voldoende competentie op elk niveau.
      Ethisch verantwoorde intensieve vrijwillige hulp vergt vakbekwaamheid van
      alle betrokken jeugdprofessionals.
c. Garantie voor deskundigheid in het vrijwillige kader.
      Professionele expertise op het gebied van intensieve vrijwillige hulp moet
      binnen het vrijwillige kader beschikbaar zijn.
d. Adequate werkomstandigheden.
      De werkomstandigheden van jeugdprofessionals moeten zodanig zijn dat ze
      jeugdprofessionals in staat stellen intensieve vrijwillige hulp ethisch verant-
      woord te verlenen. Dit betreft bijvoorbeeld een aanvaardbare werkdruk.
e. Rechtspositie cliënten is gewaarborgd.
      Voor ethisch verantwoorde intensieve vrijwillige hulp is het van belang dat het
      volstrekt duidelijk en begrijpelijk is voor jeugdigen en ouders welke rechten en
      plichten ze hebben in het vrijwillige kader. Tot die rechten behoren onder meer
      de in hoofdstuk 3 genoemde rechten van jeugdigen, zoals het recht op een
      belangenafweging, het recht om gehoord te worden en het recht op bescher-
      ming. Jeugdprofessionals hebben bij intensieve vrijwillige hulp de plicht om
      hun cliënten goed te informeren over hun rechtspositie, zodat deze in staat
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>Conclusies en aanbevelingen                                                        57
        gesteld worden vrijwillig in te stemmen met de geboden hulp. In de gezond-
        heidzorg mag deze vorm van informed consent als vanzelfsprekend beschouwd
        worden. Bij intensieve vrijwillige hulp zou dat niet anders moeten zijn.
f. Lerende praktijk.
        Zowel op lokaal als nationaal niveau moet deskundigheid aanwezig zijn en
        bevorderd worden.
    Aanbeveling - Realiseer de, onder a t/m f, genoemde randvoorwaarden.
    Meer specifiek valt te denken aan:
    > Faciliteer, waar mogelijk, intercollegiale toetsing ‘vooraf’ bij complexe
       casuïstiek en een lerende praktijk ‘achteraf’.
    > Besteed in de opleiding van jeugdprofessionals in het bijzonder aandacht
       aan het beoefenen van de vaardigheid ‘kritische reflectie’ en ‘het toepas-
       sen van motiveringstechnieken’.
    > Verbeter de werkomstandigheden van jeugdprofessionals gericht op de
       werkdruk, taakzwaarte, en organiseer de juiste competentie op de juiste
       plek.
    > Organiseer gremia op lokaal en nationaal niveau om kennis en ervaring uit
       te wisselen en lerende organisaties mogelijk te maken. Ook kan gedacht
       worden aan nationale of regionale bundeling van kennis over complexe
       casuïstiek.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>58                                                   RSJ & RVS – Intensieve vrijwillige hulp
5.5      Slotconclusie
De enige juridisch te rechtvaardigen en ethisch te verantwoorden vorm van ‘drang’
in de jeugdzorg is die vorm die voortaan ‘intensieve vrijwillige hulp’ genoemd
moet worden. Dit is een proces van hulp en zorg verlenen in het vrijwillige kader
van de jeugdzorg, waarbij de jeugdprofessional gradueel meer invloed uitoefent,
meer verantwoordelijkheid neemt en daarmee steeds intensiever hulp en zorg
verleent én tegelijkertijd de vrijwilligheid van de hulp garandeert.
Termen als ‘drang’ en de vele synoniemen (zoals ‘preventieve jeugdbescherming’)
zijn verhullend en moeten worden vermeden. In het jeugdzorgstelsel moet speci-
alistische kennis en kunde voor het verlenen van intensieve vrijwillige hulp in het
vrijwillige kader worden opgebouwd en beschikbaar zijn. Dit moet een duidelijk
afgebakend kader zijn, waarbij de juridische grenzen worden bewaakt en rechten
van ouders en jeugdigen zijn gewaarborgd. De juiste randvoorwaarden moeten
worden gerealiseerd voor professionals om ethisch verantwoorde en juridisch
gerechtvaardigde hulp mogelijk te maken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre> Conclusies en aanbevelingen                     59
 In het jeugdzorgstelsel moet specialistische
      kennis en kunde voor het verlenen van
   intensieve vrijwillige hulp in het vrijwillige
kader worden opgebouwd en beschikbaar zijn.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre> Bijlage I
Literatuur
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>Conclusies
Bijlage     en aanbevelingen                                                           61
Boeken, tijdschriftartikelen & rapporten
Beauchamp & Childress 2013
T.L. Beauchamp & J.F. Childress, Principles of biomedical ethics (zevende editie),
Oxford: Oxford University Press 2013.
De Boer & Bruning 2019
R. de Boer & M.R. Bruning, ‘Eerste evaluatie Jeugdwet vanuit juridisch perspec-
tief’, FJR 2018/46.
Van Bijleveld 2019
G.G. van Bijleveld, Dealing with the interplay of child image, protection and partici-
pation: a critical reflection on the essence of child participation in child protection
services (diss. Vu Amsterdam), 2019.
Bouma 2019
H. Bouma, Taking the child’s perspective: exploring children’s needs and participa-
tion in the Dutch child protection system (diss. Rijksuniversiteit Groningen), 2019.
Cardol, Hermans & Kuipers 2015
G. Cardol, J. Hermans & M. Kuipers, ‘Wat heet (nog) ouderbegeleiding: Drang:
maatregel of attitude?’, Ouderschapskennis 2015/18.
CEG 2009
Centrum voor Ethiek, ‘Dilemma’s van verpleegkundigen en verzorgenden’,
Signalering ethiek en gezondheid 2009/4.
Feiner 2015
R. Feiner, ‘Drang in de jeugdzorg! Is rechtsbescherming in het drangkader een
ondergeschoven kindje?’, Journaal GGZ en Recht 2015/4.
Friele e.a. 2018
R.D. Friele e. a., Eerste evaluatie Jeugdwet. Na de transitie nu de transformatie, Den
Haag: ZonMw 2018.
Kinderombudsman 2016
M.N. Baracs e. a., Mijn belang voorop? Ontwikkelingen in de jeugdhulp in 2016,
KOM 17/2016.
Lünnemann e. a 2018.
Lünnemann e. a., Tussenevaluatie wet Herziening Kinderbeschermings-
maatregelen, mei 2018.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>62                                                    RSJ &RVS
                                                            RVS&–RSJ–
                                                                  Intensieve
                                                                      Drang in
                                                                             vrijwillige
                                                                               de jeugdzorg
                                                                                         hulp
General Comment No. 12
VN-Comité voor de Rechten van het Kind, General comment No. 12, The right of the
child to be heard, 2009.
Hanekamp e.a. 2018
M. Hanekamp e. a., Kostprijsonderzoek gecertificeerde instellingen, Berenschot
2018.
Inspectie JenV & IGJ 2019 (rapport)
Inspectie Justitie en Veiligheid & Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, Kwetsbare
kinderen onvoldoende beschermd, 8 november 2019.
Inspectie JenV & IGJ 2019 (signalement)
Inspectie Justitie en Veiligheid & Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd,
Signalement Jeugdbeschermingsketen in gevaar, 8 november 2019.
Kole 2018
J. Kole, ‘Virtuoos maatwerk. De rol van deugden in ethisch verantwoorde beroeps-
beoefening’, in: W. Sanderse & J. Kole (eds.). Karakter. Deugden voor professio-
nals. Leusden: ISVW 2018, p. 37-50.
Liefaard & Rap 2018
T. Liefaard & S.E. Rap, ‘Hoezo kindvriendelijk? Over ‘child-friendly justice’ ter
bevordering van effectieve participatie van kinderen in juridische procedures en
besluitvorming’, FJR 2018/41.
Liefaard 2010
T. Liefaard, ‘De juridische grondslag van de beschermde opvang’, in: M.H.C.
Kromhout e. a., Tussen beheersing en begeleiding. Een evaluatie van de pilot
‘beschermde opvang risico-AMV’s’, Den Haag: WODC 2010.
Van der Linden 2018
B. van der Linden e. a., Is er nog een plekje vrij? Onderzoek van de gemeentelijke
kinderombudsman naar de toepassing van drang in de Rotterdamse jeugdhulp-
verlening en naar het besluitvormingsproces aan het Jeugdbeschermingsplein
Rotterdam Rijnmond, 26 februari 2018.
Mänttäri-Van der Kuip 2015
M. Mänttäri-van der Kuip, ‘Moral distress among social workers: The role of
insufficient resources, International Journal of Social Welfare, 25(1), 2015.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>Bijlage
Conclusies en aanbevelingen                                                      63
Meijers 2018
A. Meijers, ‘Drang. Schimmig juridisch kader met grote consequenties voor
werkers, ouders en kinderen,’ Vakblad sociaal werk 2018/3.
NJI & BMC 2014
NJI & BMC, Kinderen blijvend veilig, Bouwstenen voor verder werken aan vernieu-
wing in de jeugdbescherming in het nieuwe jeugdstelsel, juli 2014.
Van Ooyen-Houben e. a. 2008
M. van Ooyen-Houben e. a., ‘Zorg onder dwang en drang; Een verkenning van
mogelijkheden en grenzen’, Justitiële Verkenningen, jrg. 34, nr. 3, 2008.
Pauly, Varcou & Storch 2012
B.M. Pauly, C. Varcoe & J. Storch, ‘Framing the Issues: Moral Distress in Health
Care´, HEC Forum 24(1), 2012.
Pamflet gecertificeerde instellingen 2019
Pamflet, Handen af van onze jeugdbeschermers!, De Gecertificeerde Instellingen
(organisaties voor jeugdbescherming), oktober 2019.
Prismant 2018
A. Lodder & M. Welling, Verkenning arbeidsmarkt jeugdsector, Prismant 2018.
Quik-Schuijt 2015
A.M. Quik-Schuijt, ‘Drang in de Jeugdzorg’, FJR 2015/51.
RVS 2019
Raad voor Volksgezondheid en Samenleving, Blijk van vertrouwen – Anders verant-
woorden voor goede zorg, Advies mei 2019.
Schermer 2003
M.H.N. Schermer, ‘Drang en informele dwang in de zorg’, in: Centrum voor Ethiek
en Gezondheid, Signalering Ethiek en Gezondheid 2003
Senseguide 2019
Senseguide, Ervaringen preventieve jeugdbescherming Amsterdam-Amstelland.
Verhalen van ouders en gezinsmanagers (onderzoeksrapport deel 1 en samenvat-
ting), september 2019.
Smit e.a. 2015
Smit e.a., Voorbereiding Evaluatie Wetswijziging Jeugdbescherming, Amsterdam:
Regioplan Beleidsonderzoek 2015.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>64                                                    RSJ &RVS
                                                            RVS&–RSJ–
                                                                  Intensieve
                                                                      Drang in
                                                                             vrijwillige
                                                                               de jeugdzorg
                                                                                         hulp
Verkroost 2019
D.S. Verkroost, ‘Jeugdhulpverlening ‘met zachte drang’: duidelijkheid vereist’, TvJr
2019/1.
Weinberg 2009
M. Weinberg, ‘Moral distress: A missing but relevant concept for ethics in social
work, Canadian Social Work Review, 26(2) 2009.
Widdershoven & Abma 2008
G.A.M. Widdershoven & T.A. Abma, ‘Hulp en dwang vanuit zorgethisch perspec-
tief’, Justitiële Verkenningen, jrg. 34, nr. 3, 2008.
Wijne 2014
R.P. Wijne, Medische Aansprakelijkheid, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers
2014.
Kamerstukken
Kamerstukken II 2008-09, 32015, nr. 3.
Kamerstukken II 2010/11, 32 015, 40.
Kamerstukken II 2012/13, 33 684, 3 (MvT).
Kamerstukken II 2013/14, 33 684, 99.
Kamerstukken I 2013/14, 33684, D.
Kamerstukken I 2013/14, 33684, F.
Kamerstukken I, 2013/14, 33684 nr. G.
Aanhangsel Handelingen II 2017/18, 191.
Rechtspraak
EHRM 3 september 2015, appl. nr. 10161/13 (M&M t. Kroatië), ECHRC 2015/234 met
annotatie prof. mr. M.R. Bruning.
HR 16 februari 2018, NJ 2018/104 met annotatie M.R. Bruning.
HR 16 februari 2018, ECLI:NL:PHR:2017:1329 (conclusie voor de Hoge Raad).
Rechtbank Rotterdam 12 juni 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:5070.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24 april 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:2076;
JPF 2019/79 met annotatie J.H. de Graaf.
Rechtbank Den Haag 25 mei 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:6027.
Rechtbank Rotterdam 24 november 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:8533.
Media
D. Stokmans, ‘Uw dochter komt voorlopig niet meer thuis’, NRC 22 april 2019.
Online: https://www.nrc.nl/nieuws/2019/04/22/uw-dochter-komt-voorlopig-niet-
meer-thuis-a3957735
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>Bijlage
Conclusies en aanbevelingen                                                     65
L. Samplonius‚ ’Kinderrechters luiden noodklok: kinderen in gevaar door gebrek
jeugdzorgwerkers’, RTL-nieuws 6 augustus 2019.
Online: https://www.rtlnieuws.nl/nieuws/nederland/artikel/4804141/kinderrech-
ters-gebrek-jeugdzorg-wachtlijsten-noodklok-kinderen
RTL-nieuws, ‘Jeugdzorginstellingen eisen maatregelen tegen geweld’, RTL-nieuws
3 november 2019. Online: https://www.rtlnieuws.nl/nieuws/nederland/arti-
kel/4908021/jeugdzorg-geweld-reclassering-dreigementen
CBS, ‘Meerderheid werknemers zorg meldt toename werkdruk’, 30 september
2019. Online: https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2019/40/meerderheid-werkne-
mers-zorg-meldt-toename-werkdruk
NJi, ‘Moreel beraad over informatie opvragen bij politie’, Verslag Veilig Thuis
Gelderland-Zuid, 21 december 2017. Online: https://www.nji.nl/nl/Actueel/
Nieuws-van-het-NJi/Moreel-beraad-over-informatie-opvragen-bij-politie
VUmc, ‘Moreel beraad systematisch inzetten in de jeugdzorg’, nieuwsbericht 17
januari 2019. Online: https://www.vumc.nl/nieuws/nieuwsdetail/moreel-be-
raad-systematisch-inzetten-in-de-jeugdzorg.htm
Online bronnen
Productenboek Maastricht-Heuvelland
Sociaal Domein Maastricht-Heuvelland, Productenboek 2017 – Behorende bij
contractering 2017 Jeugd, 2017.
Online: https://www.sociaaldomein-maastricht-heuvelland.nl/wp-content/
uploads/2015/02/Productenboek-2017-excl.-Wmo.pdf
Productenboek Groningen
Gemeente Groningen, Productenboek Jeugdhulp 2018 en verder, 2018.
Online: www.rigg.nl
Samen Veilig Midden Nederland, jaarbericht 2018.
Online: https://www.samen-veilig.nl/wp-content/uploads/2019/07/Samen-Veilig-
Jaarbericht_2018.pdf
Actieprogramma Zorg voor de Jeugd
Online: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2018/04/01/actie-
programma-zorg-voor-de-jeugd
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>66                                                RSJ &RVS
                                                        RVS&–RSJ–
                                                              Intensieve
                                                                  Drang in
                                                                         vrijwillige
                                                                           de jeugdzorg
                                                                                     hulp
Handleiding SAVE-begeleiding
Online: https://www.samen-veilig.nl/wp-content/
uploads/2018/07/20170707-Handleiding-SAVE-BEgeleiding-DEF.pdf
Kwaliteitskader Jeugd 2016
Kwaliteitskader Jeugd, Toepassen van de norm van de verantwoorde werktoedeling
in de praktijk, versie 2.1., september 2016.
Online: https://professionaliseringjeugdhulp.nl/assets/brochures/kwaliteitska-
der-Jeugd-v2.1.pdf
Kompas jeugdhulp en jeugdbescherming 2018
BPSW, NIP & NVO, Kompas in de jeugdhulp en jeugdbescherming. Een toelichting
op de wetgeving en beroepsethiek voor de jeugdhulpverlener en de jeugdbescher-
mer, 2018.
Online: https://professionaliseringjeugdhulp.nl/assets/pdf-overig/PJJ-1815-
Kompas-def.pdf
Websites
www.nji.nl
www.richtlijnenjeugdhulp.nl
www.zorgvoorbeter.nl
www.jeugdzorgnederland.nl
www.professionaliseringjeugdhulp.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>Conclusies
Bijlage    en aanbevelingen 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>                 Bijlage II
Geraadpleegde deskundigen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>Bijlage
Conclusies en aanbevelingen                                                 69
De RSJ en de RVS hebben gedurende het adviestraject de volgende externe
deskundigen geraadpleegd:
 Drs. H.S. Backer             Kinder- en jeugdpsychiater
 Drs. P. Dijkshoorn           Kinder- en jeugdpsychiater, Accare, Landelijk
                              ambassadeur lerend jeugdhulpstelsel
 Mr. drs. R.H.P. Feiner       Advocaat, FeinerIwema advocaten
 Mr. C.W.E. Hoorn             Hoofd Zorgbeleid, Jeugdzorg Nederland
 Dr. T. Jambroes              Kinder- en jeugdpsychiater, de Bascule,
                              AmsterdamUMC
 Mr. E.A.A. van Kalveen       Senior rechter/kinderrechter, Rechtbank
                              Midden-Nederland
 Drs. A. Kraak                Senior adviseur, Nederlands Jeugdinstituut
 Drs. M.T. Kuipers            Gedragswetenschapper/methodiekontwikkelaar,
                              Raad voor de Kinderbescherming
 Mr. dr. A.J. van Montfoort   Directeur, De Thuisbasis Sociaal Werk/
                              Strategisch adviseur, Van Montfoort
 B. Rijbroek, Msc             Senior Adviseur, Nederlands Jeugdinstituut
 Drs. A.J. Rotering           Bestuurslid, Jeugdzorg Nederland/Voorzitter
                              Raad van Bestuur, Jeugdbescherming West
 Drs. J.D.M. Sprokkereef      Directeur, nationaal programma huiselijk geweld
                              en kindermishandeling
 Dr. S. de Valk               Adviseur/onderzoeker, JSO Expertisecentrum
                              voor Jeugd Samenleving en Opvoeding
 Drs. A.C. Verburg            Programmamanager Inhoud, William Schrikker
                              Jeugdbescherming & Jeugdreclassering
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>70                                                 RSJ &RVS
                                                         RVS&–RSJ–
                                                               Intensieve
                                                                   Drang in
                                                                          vrijwillige
                                                                            de jeugdzorg
                                                                                      hulp
 Mr. D.S. Verkroost             Promovenda afdeling Jeugdrecht, Universiteit
                                Leiden
 Prof. dr. R. Vermeiren         Hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie, Curium-
                                LUMC, Youz-Parnassia Groep
 Prof. dr. I. Weijers           Emeritus hoogleraar Jeugdrechtspleging &
                                Jeugdbescherming, Universiteit Utrecht
 M. Wijnmaalen                  Sociaal makelaar, Het UitwijkTeam
 L. Zengerink                   Coördinator, Don Bosco Spirit/U-2B Heard!
Op 28 februari 2019 is een expertbijeenkomst georganiseerd waar vijftien verschil-
lende jeugdprofessionals bij aanwezig waren. Dit waren (onder meer):
 T.L. Bakker, Msc                Vrijgevestigd gezinscoach/orthopedagoog,
                                 Opvoedcoach 10
 Drs. H.H. Bergenhenegouwen      Senior Staf Gedragswetenschapper, Samen
                                 Veilig Midden-Nederland
 Drs. M.A.H.M. Dinkgreve         Kennisambassadeur, Jeugdbescherming Regio
                                 Amsterdam
 W.J. Jonkman                    Jeugdbeschermer, Jeugdbescherming
                                 Gelderland
 S. Nazir                        Adviseur maatschappelijke ondersteuning,
                                 Gemeente Enschede
 R.R. Pouwels, MA                Gezinshulpverlener, Lokalis Utrecht
 Mr. I.J.M. Schepens             Advocaat, Jeugdzorg Gelderland
 A. van Son                      Vertrouwenspersoon, AKJ vertrouwensperso-
                                 nen in de Jeugdhulp
 J. van Vliet-Wessel             Teammanager, Jeugdbescherming Regio
                                 Amsterdam
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>Bijlage
Conclusies en aanbevelingen                                                    71
Naast bovenstaande personen is met zeven (ervaringsdeskundige) ouders en
met negen jeugdigen gesproken. Het contact met hen is tot stand gebracht door:
LOC-Zeggenschap in de zorg, U-2B Heard! en Expex (Experienced Experts). Er zijn
(onder meer) gesprekken gevoerd met:
 L. Leijs                      Medewerker cliëntenparticipatie Stichting
                               Jeugdteams
                               Zuid-Holland-Zuid
 P. Hartog                     Lid cliëntenraad Jeugdbescherming Gelderland
 T. Voogd                      Voorzitter cliëntenraad Jeugd- en
                               Gezinsbeschermers
 W. Westra                     Lid cliëntenraad Jeugdbescherming Gelderland
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>Korte Voorhout 8      Parnassusplein 5
Postbus 30137         Postbus 19404
2500 GC Den Haag      2500 CK Den Haag
T +31 (0)70 361 93 00 T +31 (0)70 340 5060
info@rsj.nl           mail@raadrvs.nl
www.rsj.nl            www.raadrvs.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>