<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Advies Wetsvoorstel
Rechtspositie gesloten
jeugdinstellingen
Den Haag, 15 september 2020
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                    2
Advies Wetsvoorstel Rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
Inhoud
Samenvatting                                                         3
1         Inleiding                                                  5
1.1       Doelstellingen en strekking wetsvoorstel                   5
1.2       Aanleiding en context                                      5
1.3       Vraagstelling en leeswijzer                                6
2         Analyse van het wetsvoorstel                               7
2.1       Grondslag en doelstellingen vrijheidsbeneming              7
2.2       Drie niveaus van geslotenheid                              9
2.3       Vrijheidsbeperkende maatregelen en disciplinaire straffen 12
2.4       De klacht- en beroepsregeling                             21
2.5       Overige artikelsgewijze aandachtspunten                   23
3         Conclusie                                                 25
4         Geraadpleegde stukken                                     26
4.1       Literatuurlijst                                           26
4.2       Overige bronnen                                           27
4.2.1     Internationale instrumenten                               27
4.2.2     Jurisprudentie                                            27
4.2.3     Parlementaire stukken                                     27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                        3
Advies Wetsvoorstel Rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
Samenvatting
Het wetsvoorstel Rechtspositie gesloten jeugdinstellingen (hierna: het wetsvoorstel)
kent drie primaire doelstellingen. In de eerste plaats wordt met dit wetsvoorstel
beoogd de rechtspositie van jeugdigen in geslotenheid te verbeteren. In de tweede
plaats heeft het wetsvoorstel tot doel de rechtspositie van deze jeugdigen zoveel
mogelijk te harmoniseren. Tot slot ondersteunt dit wetsvoorstel de ontwikkeling naar
meer kleinschaligheid bij het gesloten plaatsen van jeugdigen.
De basis van het wetsvoorstel wordt gevormd door drie te onderscheiden regimes van
gesloten plaatsingen voor jeugdigen: 1. Het beperkt gesloten regime (kleinschalige
voorzieningen), 2. Het gesloten regime (instellingen voor jeugdzorgplus), en 3. Het
hoog beveiligd gesloten regime (justitiële jeugdinrichtingen). Oplopend van het
beperkt gesloten regime naar het hoog beveiligd gesloten regime is er sprake van
verschillende beveiligingsniveaus die gepaard gaan met meer en ingrijpendere
mogelijkheden met betrekking tot het toepassen van vrijheidsbeperkende
maatregelen. In het hoog beveiligd gesloten regime kunnen tot slot disciplinaire
straffen worden opgelegd.
De Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
(hierna: de RSJ) onderschrijft de stap naar harmonisatie van de rechtspositie van
jeugdigen in gesloten instellingen. Daarnaast is de RSJ positief over het feit dat met dit
wetsvoorstel de kleinschalige voorzieningen een formele positie krijgen. De RSJ
concludeert echter dat deze harmonisatie met dit wetsvoorstel niet optimaal wordt
gerealiseerd. Dit komt in de eerste plaats door het feit dat de jeugd-ggz niet bij dit
harmonisatietraject betrokken is geweest. In de tweede plaats stelt de RSJ vast dat er
wettelijke hiaten en onduidelijkheden zijn ontstaan nu het wetsvoorstel slechts ten
dele de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (Bjj) en hoofdstuk 6 van de
Jeugdwet (Jw) vervangt en er niet gekozen is voor één wet.
Aan de hand van vier thema’s heeft de RSJ beschouwd hoe de situatie er voor
jeugdigen uit komt te zien na inwerkingtreding: 1. Grondslag en doelstellingen
vrijheidsbeneming, 2. Drie niveaus van geslotenheid, 3. Vrijheidsbeperkende
maatregelen en disciplinaire straffen, en 4. De klacht- en beroepsregeling.
Met betrekking tot het eerste thema constateert de RSJ dat in het wetsvoorstel is
gekozen voor een andere formulering van de doelstellingen van de vrijheidsbeneming
dan onder artikel 2 lid 2 Bjj. Vanwege deze herformulering lijkt (onder meer) de re-
integratie van de jeugdige niet langer voorop te staan.
Wat betreft het tweede thema concludeert de RSJ dat er meer duidelijkheid moet
komen over het plaatsingsproces en de criteria voor plaatsingsbeslissingen, zowel voor
jeugdigen met een strafrechtelijke titel als voor jeugdigen met een civielrechtelijke
titel.
Over het derde thema merkt de RSJ onder meer op dat de inzet van ingrijpende
vrijheidsbeperkende maatregelen met meer waarborgen moet zijn omkleed. Daarnaast
is de RSJ van oordeel dat insluiting in een separatieruimte niet meer mogelijk mag zijn
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                    4
Advies Wetsvoorstel Rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
en dat de maximale duur van insluiting dient te worden beperkt. Bovendien acht de
RSJ insluiting in het kader van een disciplinaire straf ongewenst.
Met betrekking tot het vierde en laatste thema constateert de RSJ dat belangrijke
bepalingen uit de Bjj niet zijn overgenomen in het wetsvoorstel. Hierdoor lijkt de
rechtspositie van, met name strafrechtelijk geplaatste, jeugdigen te zijn verslechterd
in plaats van verbeterd.
Het bovenstaande leidt naar het oordeel van de RSJ niet alleen tot een verslechtering
van de rechtspositie maar ook tot extra onduidelijkheden voor jeugdigen en
medewerkers van gesloten instellingen. Dit kan naar oordeel van de RSJ worden
ondervangen door één wet op te stellen betreffende de rechtspositie van jeugdigen in
geslotenheid. De kernaanbeveling van dit advies is dan ook om hoofdstuk 6 Jw en de
Bjj te integreren tot één wet. Om de harmonisatie compleet te maken dienen daarbij
ook de relevante bepalingen uit de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg
(Wvggz) en de Wet zorg en dwang (Wzd) te worden betrokken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                                   5
Advies Wetsvoorstel Rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
1       Inleiding
Op 2 juli 2020 is het wetsvoorstel Rechtspositie gesloten jeugdinstellingen (hierna: het
wetsvoorstel) in consultatie gegaan. De Afdeling advisering van de Raad voor
Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (hierna: de RSJ) is gevraagd op dit
wetsvoorstel te reageren. De RSJ heeft reeds verschillende adviezen uitgebracht over
onderwerpen waarop dit wetsvoorstel ziet. 1 Het onderhavige advies bouwt voort op
deze eerder uitgebrachte publicaties.
1.1     Doelstellingen en strekking wetsvoorstel
Het wetsvoorstel kent drie primaire doelstellingen. In de eerste plaats wordt met dit
wetsvoorstel beoogd de rechtspositie van jeugdigen in geslotenheid te verbeteren ten
opzichte van de huidige situatie. In de tweede plaats heeft het wetsvoorstel tot doel de
interne rechtspositie van deze jeugdigen zoveel mogelijk te harmoniseren. Daartoe
voorziet het wetsvoorstel in een integrale regeling voor de rechtspositie van jeugdigen
in justitiële jeugdinrichtingen (strafrechtelijke titel) en jeugdzorgplusinstellingen
(civielrechtelijke titel). 2 De rechtspositie van jeugdigen die gesloten zijn geplaatst op
grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) of de Wet zorg en
dwang (Wzd) is bij dit wetsvoorstel buiten beschouwing gelaten. 3 Tot slot ondersteunt
dit wetsvoorstel de ontwikkeling naar meer kleinschaligheid bij gesloten plaatsingen
van jeugdigen. 4
De basis van het wetsvoorstel wordt gevormd door drie te onderscheiden regimes van
gesloten plaatsingen voor jeugdigen: 1. Het beperkt gesloten regime (kleinschalige
voorzieningen), 2. Het gesloten regime (instellingen voor jeugdzorgplus), en 3. Het
hoog beveiligd gesloten regime (justitiële jeugdinrichtingen - JJI). Oplopend van het
beperkt gesloten regime naar het hoog beveiligd gesloten regime is er sprake van
verschillende beveiligingsniveaus die gepaard gaan met meer en ingrijpendere
mogelijkheden met betrekking tot het toepassen van vrijheidsbeperkende
maatregelen. In het hoog beveiligd gesloten regime kunnen tot slot disciplinaire
straffen worden opgelegd.
1.2     Aanleiding en context
Een directe aanleiding voor het wetsvoorstel betreft de Thematische wetsevaluatie
gedwongen zorg. 5 Hierin is geconcludeerd dat de rechtspositie van jeugdigen in
gesloten instellingen op diverse plaatsen verschillend is geregeld. 6 Het kabinet
_______
1
    Plaatsing van jeugdigen met strafrechtelijke en civielrechtelijke titel in gesloten voorzieningen
    (RSJ 2018); Advies Gekanteld perspectief (RSJ 2015); Lastig plaatsbare jongeren in
    instellingen voor jeugdzorgplus en jeugd-ggz: zorg in de knel? (RSJ 2015).
2
    Memorie van toelichting Wetsvoorstel rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
    (consultatieversie), p. 2-3.
3
    Memorie van toelichting Wetsvoorstel rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
    (consultatieversie), p. 8.
4
    Memorie van toelichting Wetsvoorstel rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
    (consultatieversie), p. 3.
5
    Thematische wetsevaluatie gedwongen zorg 2014.
6
    Thematische wetsevaluatie gedwongen zorg 2014, p. 280-283.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                                   6
Advies Wetsvoorstel Rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
reageerde op deze wetsevaluatie met de belofte te zorgen voor verbetering door
middel van een gezamenlijke rechtspositiewet voor jeugdigen die verblijven in JJI’s en
jeugdzorgplusinstellingen. 7
Het wetsvoorstel komt verder voort uit de heroriëntatie met betrekking tot
vrijheidsbeneming van jeugdigen die sinds een aantal jaar gaande is. 8 De RSJ heeft
door de jaren heen verschillende adviezen uitgebracht met betrekking tot deze
heroriëntatie. 9 In deze publicaties heeft de RSJ geadviseerd tot een nieuw systeem,
waarbij de psychosociale problematiek van de jeugdige – en niet de justitiële titel –
leidend is. 10 Naar het oordeel van de RSJ moet dit nieuwe systeem niet alleen van
toepassing zijn op jeugdigen die gesloten zijn geplaatst met een strafrechtelijke titel,
maar ook op jeugdigen met een civielrechtelijke titel; zowel in jeugdzorgplusinstellingen
als instellingen voor (jeugd-)ggz. 11 Kortom: alle jeugdigen van wie de vrijheid is
ontnomen.
1.3     Vraagstelling en leeswijzer
Zoals gezegd ziet de eerste primaire doelstelling van het wetsvoorstel op het
verbeteren van de rechtspositie van jeugdigen in gesloten instellingen. De RSJ gaat in
dit advies na of deze doelstelling middels dit wetsvoorstel wordt gerealiseerd. Om die
reden staat de volgende vraag centraal:
Verbetert het wetsvoorstel de rechtspositie van jeugdigen die gesloten zijn geplaatst
ten opzichte van de huidige situatie?
In hoofdstuk 2 beschouwt de RSJ aan de hand van vier thema’s hoe de situatie er voor
jeugdigen uit komt te zien na inwerkingtreding: 1. Grondslag en doelstellingen
vrijheidsbeneming, 2. Drie niveaus van geslotenheid, 3. Vrijheidsbeperkende
maatregelen en disciplinaire straffen, en 4. De klacht- en beroepsregeling. De RSJ sluit
af met een conclusie.
_______
7
    Kamerstukken II 2015/16, 25424, nr. 323.
8
    Voor jeugdigen die met een strafrechtelijke titel gesloten zijn geplaatst, is dit wetsvoorstel
    een vervolg op de Verkenning Invulling Vrijheidsbeneming Justitiële Jeugd (VIV JJ) en het
    daaropvolgende besluit tot transformatie van de vrijheidsbeneming van justitiële jeugdigen.
    Wat betreft de gesloten jeugdhulp staan de doelstellingen in het ‘Actieprogramma Zorg voor
    de Jeugd’ en het actieplan ‘De best passende zorg voor kwetsbare jongeren’.
9
    Plaatsing van jeugdigen met strafrechtelijke en jeugdigen met civielrechtelijke titel in gesloten
    voorzieningen (RSJ 2018); Advies Gekanteld perspectief (RSJ 2015); Lastig plaatsbare
    jongeren in instellingen voor jeugdzorgplus en jeugd-ggz: zorg in de knel? (RSJ 2015).
10
    Advies Gekanteld perspectief (RSJ 2015), p. 5.
11
    Plaatsing van jeugdigen met strafrechtelijke en jeugdigen met civielrechtelijke titel in gesloten
    voorzieningen (RSJ 2018), p. 3.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                        7
Advies Wetsvoorstel Rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
2       Analyse van het wetsvoorstel
Het wetsvoorstel voorziet in een integrale regeling voor de rechtspositie van jeugdigen
die op grond van een rechterlijke beslissing in een JJI of een jeugdzorgplusinstelling
verblijven. Deze regeling zal na inwerkingtreding gelden naast de Beginselenwet
Justitiële Jeugdinrichtingen (Bjj) en hoofdstuk 6 Jeugdwet (Jw).
De RSJ heeft geconstateerd dat er wettelijke hiaten en onduidelijkheden tussen het
wetsvoorstel en de bestaande wettelijke bepalingen zullen ontstaan, nu het
wetsvoorstel slechts ten dele de Bjj en hoofdstuk 6 Jw vervangt en er niet is gekozen
voor één wet. Mede hierom luidt de kernaanbeveling van de RSJ als volgt:
         Kernaanbeveling:
         Stel één wet in formele zin op, ter vervanging van hoofdstuk 6 Jw en de Bjj.
De geconstateerde onduidelijkheden en wettelijke hiaten zal de RSJ in dit hoofdstuk
illustreren aan de hand van vier thema’s:
     1. Grondslag en doelstellingen vrijheidsbeneming;
     2. Drie niveaus van geslotenheid;
     3. Vrijheidsbeperkende maatregelen en disciplinaire straffen;
     4. De klacht- en beroepsregeling.
Bij de bespreking van ieder thema heeft de RSJ aandachtspunten en aanbevelingen
geformuleerd die veelal voortvloeien uit het feit dat er niet is gekozen voor één wet in
formele zin waarin hoofdstuk 6 Jw en de Bjj worden geïntegreerd. Het realiseren van
de kernaanbeveling kan een groot aantal van de geconstateerde tekortkomingen
ondervangen. Voor een volledige harmonisatie dient daarbij ook aandacht te worden
besteed aan de relevante bepalingen uit de Wvggz en de Wzd.
2.1     Grondslag en doelstellingen vrijheidsbeneming
In artikel 1:4 wetsvoorstel staan de doelstellingen van het gesloten verblijf van
jeugdigen vermeld. Zulke doelstellingen worden niet genoemd in hoofdstuk 6 Jw, maar
wel in artikel 2 lid 2 Bjj. In het wetsvoorstel wijkt de formulering af van die in de Bjj.
In artikel 2 lid 2 Bjj staat onder meer dat de tenuitvoerlegging van de straf of
maatregel “zoveel mogelijk dienstbaar wordt gemaakt aan de voorbereiding van de
terugkeer van de jeugdige in de maatschappij”. In het wetsvoorstel wordt daarentegen
gesproken van “het weer naar vermogen kunnen deelnemen van de jeugdige aan de
samenleving”. De reden voor deze wijziging, en de strekking van het ‘naar vermogen
kunnen deelnemen’, wordt niet nader toegelicht.
Artikel 2 lid 2 Bjj vermeldt dat bij het verlenen van vrijheden aan jeugdigen “rekening
wordt gehouden met de veiligheid van de samenleving en de belangen van slachtoffers
en nabestaanden”. In het wetsvoorstel staat dat het verblijf en de behandeling van de
jeugdige ‘mede ten dienste staan’ aan de bescherming van de belangen van
slachtoffers. In de eerste plaats gaat het hierbij om het ‘verblijf en de behandeling’ in
plaats van om ‘het verlenen van vrijheden’, zoals in de Bjj. In de tweede plaats is
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                     8
Advies Wetsvoorstel Rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
‘rekening houden met’ veranderd in ‘ten dienste staan aan’. Het verblijf en de
behandeling van de jeugdige staan daarmee ‘ten dienste aan’ de voorkoming van
nieuwe strafbare feiten en de bescherming van de belangen van slachtoffers, waardoor
de strekking van deze bepaling wijzigt. Met deze wijziging staat niet langer de re-
integratie van de jeugdige voorop, maar staat zijn gehele verblijf ten dienste aan de
veiligheid van de samenleving en de bescherming van de belangen van slachtoffers.
         Aanbeveling 1:
         Houd bij de formulering van de doelstellingen van de vrijheidsbeneming vast
         aan de tekst uit artikel 2 lid 2 Bjj, waarin de voorbereiding van de terugkeer
         van de jeugdige in de samenleving voorop staat.
Vrijheidsbeneming bij schorsing van de voorlopige hechtenis
Het wetsvoorstel heeft als uitgangspunt dat jeugdigen alleen gesloten geplaatst
kunnen worden op basis van een rechterlijke beslissing. Omdat de Jw ruimte laat voor
het plaatsen van jeugdigen in jeugdzorgplusinstellingen zonder de vereiste machtiging
voor gesloten jeugdhulp, 12 is in het wetsvoorstel een bepaling opgenomen dat voor het
plaatsen van jeugdigen in een vrijheidsbenemende setting een rechterlijke toets
vereist is. 13
In artikel 1.3 lid 2 sub b wetsvoorstel staat dat onder een vrijheidsstraf of een
vrijheidsbenemende maatregel ook een bijzondere voorwaarde bij de schorsing van de
voorlopige hechtenis kan worden verstaan. Hiermee wordt een bijzondere voorwaarde
in de zin van artikel 493 lid 6 Wetboek van Strafvordering (Sv) bedoeld, voor zover
deze voorwaarde een verplichting tot verblijf anders dan in een inrichting inhoudt.
Bij een schorsing van de voorlopige hechtenis heeft de kinderrechter geoordeeld dat
vrijheidsbeneming niet aangewezen is; een schorsing impliceert vrijheid (onder
voorwaarden) in plaats van vrijheidsbeneming. Hierbij past volgens de RSJ niet dat
aan een dergelijke schorsing de bijzondere voorwaarde wordt verbonden dat de
jeugdige in een gesloten instelling moet verblijven. Eerder oordeelde het Gerechtshof
Arnhem dat een verblijf in een gesloten instelling niet als bijzondere voorwaarde bij
een voorwaardelijke straf mag worden opgelegd. 14 De RSJ acht het analoog aan deze
uitspraak ongewenst dat vrijheidsbeneming als bijzondere voorwaarde bij een
schorsing van de voorlopige hechtenis wordt opgelegd.
         Aanbeveling 2:
         Zorg ervoor dat onder een vrijheidsbenemende straf of maatregel geen
         bijzondere voorwaarde, zoals bedoeld in artikel 1.3 lid 2 sub b wetsvoorstel,
         kan worden verstaan.
_______
12
    Kamerstukken II 2015/16, 31839, nr. 485.
13
    Memorie van toelichting Wetsvoorstel rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
    (consultatieversie), p. 12.
14
    Gerechtshof Arnhem 11 februari 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BL5655.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                                   9
Advies Wetsvoorstel Rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
2.2     Drie niveaus van geslotenheid
Het wetsvoorstel onderscheidt drie regimes voor gesloten plaatsingen van jeugdigen.
De RSJ merkt op dat het onderscheid naar drie regimes op basis van
beveiligingsniveau en het beheer van de instellingen op gespannen voet staat met de
harmonisatiegedachte en het uitgangspunt dat de problematiek van de jeugdige, en
niet de titel, leidend is bij de plaatsing in een gesloten instelling. 15
Regelgeving over plaatsing
Jeugdigen met een strafrechtelijke titel kunnen in het beperkt gesloten regime en het
hoogbeveiligd gesloten regime worden geplaatst. Jeugdigen met een civielrechtelijke
titel kunnen in het beperkt gesloten regime en het gesloten regime worden
geplaatst. 16 De plaatsingsbeslissing bepaalt in welk regime de jeugdige daadwerkelijk
wordt geplaatst. Deze beslissing ligt niet bij de rechter.
In de memorie van toelichting staat dat het wetsvoorstel niet voorziet in (nieuwe)
bepalingen met betrekking tot de plaatsing(sbeslissing). 17 Dit betekent dat de Dienst
Justitiële Inrichtingen (DJI), en meer specifiek de Dienst Individuele Zaken (DIZ),
verantwoordelijk blijft voor plaatsingsbeslissingen met betrekking tot jeugdigen met
een strafrechtelijke titel. De plaatsing van jeugdigen met een strafrechtelijke titel is
geregeld in de Bjj. Het onderscheid tussen verschillende instellingen in de Bjj (artikel
10 lid 1 Bjj) komt echter niet overeen met de drie regimes uit het wetsvoorstel. Zo is
plaatsing in het beperkt gesloten regime bijvoorbeeld niet geregeld. Een in het
Eindrapport Verkenning Invulling Vrijheidsbeneming Justitiële Jeugd (VIV JJ) als
wenselijk genoemde specifieke regeling, waarin de plaatsingsrol van DJI verder wordt
uitgewerkt, is dus niet opgenomen in het wetsvoorstel. 18 Over een wettelijk kader met
betrekking tot de plaatsing van jeugdigen met een civielrechtelijke titel wordt in het
wetsvoorstel en de bijbehorende toelichting in het geheel niet gesproken.
In de Thematische wetsevaluatie gedwongen zorg is beargumenteerd dat de
plaatsingsbeslissing beschouwd moet worden als een cruciale beslissing, die feitelijk
belangrijker is voor de jeugdige dan de titel zelf. Vanwege het belang van deze
beslissing is in de Thematische wetsevaluatie geadviseerd om de criteria voor de
plaatsingsbeslissing vast te leggen in een wet in formele zin, waarbij de problematiek
het belangrijkste criterium voor plaatsing zou moeten zijn. 19 De RSJ sluit zich hierbij
aan: de aanbeveling om de problematiek van de jeugdige leidend te laten zijn bij de
keuze voor een bepaalde instelling volgt ook uit eerdere RSJ-adviezen. 20 Daarnaast
acht de RSJ het van belang dat de jeugdige een rechtsmiddel toekomt met betrekking
_______
15  Plaatsing van jeugdigen met strafrechtelijke en jeugdigen met civielrechtelijke titel in gesloten
    voorzieningen (RSJ 2018), p. 3.
16
    Memorie van toelichting Wetsvoorstel rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
    (consultatieversie), p. 15.
17
    Memorie van toelichting Wetsvoorstel rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
    (consultatieversie), p. 24.
18
    Eindrapport VIV JJ, p. 6-7 & 47.
19
    Thematische wetsevaluatie gedwongen zorg 2014, p. 358-359.
20
    Plaatsing van jeugdigen met strafrechtelijke en jeugdigen met civielrechtelijke titel in gesloten
    voorzieningen (RSJ 2018), p. 1 & 4.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                          10
Advies Wetsvoorstel Rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
tot de beslissing tot plaatsing of overplaatsing, of dat de jeugdige zelf om een
dergelijke beslissing kan verzoeken.
         Aanbeveling 3:
         Geef zowel het plaatsingsproces als de plaatsingsbeslissing een plek in een wet
         in formele zin voor alle jeugdigen in geslotenheid.
              •    Leg vast dat één orgaan verantwoordelijk is voor de plaatsing van
                   jeugdigen in een vrijheidsbenemende setting. Beleg de
                   verantwoordelijkheid daarvoor bij één ministerie;
              •    Vereis een gedegen motivering bij plaatsingsbeslissingen;
              •    Voorzie in een mogelijkheid voor de jeugdige om een rechtsmiddel in
                   te dienen tegen de beslissing tot plaatsing of overplaatsing, zoals nu
                   mogelijk is op grond van artikel 18 lid 1 sub b Bjj;
              •    Voorzie in de mogelijkheid voor de jeugdige om een plaatsing of
                   overplaatsing te verzoeken, zoals nu mogelijk is op grond van artikel
                   19 lid 1 Bjj.
Differentiatie bij plaatsing
Volgens artikel 37 sub c Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK)
dient iedere jeugdige die gesloten is geplaatst, gescheiden te worden van
volwassenen, tenzij dit niet in het belang van de jeugdige is. In de memorie van
toelichting staat dat het wetsvoorstel hiermee in lijn is. 21 Jeugdigen hoeven echter bij
het bereiken van de meerderjarigheid niet te worden overgeplaatst naar een instelling
voor volwassenen; het verblijf in de justitiële jeugdinrichting kan na het bereiken van
de meerderjarigheid voortduren. 22 Hoewel de RSJ positief is over het feit dat er geen
sprake is van een harde knip bij het bereiken van de meerderjarigheid, vraagt de RSJ
zich af in hoeverre er differentiatie bestaat naar leeftijd. In lijn met de aanbevelingen
van het VN-Kinderrechtencomité 23 vindt de RSJ het van belang dat ingeval
jongvolwassenen in de inrichting verblijven, er rekening wordt gehouden met de
belangen van jeugdigen die jonger zijn. Daarnaast geeft het wetsvoorstel geen
duidelijkheid over de plaatsing van jongens en meisjes. Een dergelijk onderscheid
bestaat op dit moment onder artikel 9 lid 1 Bjj.
         Aanbeveling 4:
         Maak duidelijk of, en op welke manier, er wordt gedifferentieerd naar leeftijd
         en geslacht binnen de verschillende gesloten jeugdinstellingen.
De ontwikkeling naar meer kleinschaligheid
Eén van de doelstellingen van het wetsvoorstel is het ondersteunen van de
ontwikkeling naar meer kleinschaligheid. Dit komt met name tot uiting in het beperkt
_______
21
    Memorie van toelichting Wetsvoorstel rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
    (consultatieversie), p. 20.
22
    Memorie van toelichting Wetsvoorstel rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
    (consultatieversie), p. 20.
23
    VN-Kinderrechtencomité, General No. 24 on children’s rights in the child justice system,
    18 september 2019, para. 93.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                           11
Advies Wetsvoorstel Rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
gesloten regime, door middel van de kleinschalige voorzieningen. De kleinschalige
voorzieningen kunnen op grond van het wetsvoorstel drie vormen aannemen: 1.
Strafrechtelijke kleinschalige voorzieningen, 2. Civielrechtelijke kleinschalige
voorzieningen, en 3. Gecombineerde kleinschalige voorzieningen.
Volgens de kamerbrief over de aanpak van jeugdcriminaliteit worden drie
strafrechtelijke kleinschalige voorzieningen voortgezet/ingericht in Amsterdam,
Rotterdam en Den Haag, naast twee gecombineerde kleinschalige voorzieningen in de
regio Noord en de regio Zuid. 24 Voor de civiele kleinschalige voorzieningen is geen
concreet voornemen in kamer- en beleidsstukken opgenomen. In het advies Gekanteld
perspectief adviseerde de RSJ tot het inrichten van een groot aantal kleinschalige
voorzieningen, naast één hooggespecialiseerde landelijke voorziening. 25
Het wetsvoorstel en de memorie van toelichting geven echter geen uitsluitsel over de
verhouding tussen de kleinschalige voorzieningen en de grootschalige landelijke
voorzieningen. 26
Hoewel de RSJ de ontwikkeling van kleinschalige voorzieningen ondersteunt, zijn er
ook zorgen over de toekomstbestendigheid van deze voorzieningen. De proeftuinen
met kleinschalige voorzieningen hebben laten zien dat de bezettingsgraad sterk
fluctueert. 27 De kleinschalige voorzieningen in Groningen en Nijmegen zijn om die
reden gesloten. 28 Wat betreft het civielrechtelijke deel van de gecombineerde
kleinschalige voorzieningen is er bovendien nog veel onduidelijkheid. Om deze reden
hebben enkele gemeenten in de regio Zuid laten weten hier vooralsnog niet mee aan
de slag te gaan. 29
Aan de andere kant merkt de RSJ op dat de grondslag voor de machtiging gesloten
jeugdhulp niet geheel passend is voor een plaatsing in het beperkt gesloten regime,
omdat een machtiging gesloten jeugdhulp uitsluitend aangewezen is in geval er een
gevaar op onttrekking aan de noodzakelijke hulp bestaat (artikel 6.1.2 Jw). Het lage
beveiligingsniveau, gecombineerd met het feit dat de jeugdige overdag naar de eigen
school en/of dagbesteding kan, lijkt daarmee in tegenspraak. De mogelijkheid bestaat
dat dit leidt tot een aanzuigende werking voor de machtiging gesloten jeugdhulp, nu
ook instellingen met een lager beveiligingsniveau (kleinschalige voorzieningen) binnen
de strekking van deze machtiging vallen. Eenzelfde aanzuigende werking kan zich
voordoen aan de strafrechtelijke kant; in situaties waar de kinderrechter nu een
schorsing (met voorwaarden) van de voorlopige hechtenis uitspreekt, zal deze in de
toekomst mogelijk kiezen voor een plaatsing in het beperkt gesloten regime.
_______
24  Kamerstukken II 2018/19, 28741, nr. 53 (Brief aanpak jeugdcriminaliteit), p. 3.
25
    Advies Gekanteld perspectief (RSJ 2015), p. 5.
26
    De RSJ heeft geadviseerd tot het inrichtingen van een groot aantal kleinschalige
    voorzieningen naast één gespecialiseerde landelijke voorziening, zie: Advies Gekanteld
    perspectief (RSJ 2015), p. 5.
27
    Academische werkplaats risicojeugd 2018, p. 98.
28
    Eindrapport VIV JJ, 5 juni 2018, p. 29.
29
    Kamerstukken II 2019/20, 28741, nr. 77 (Voortgangsbrief aanpak jeugdcriminaliteit), p. 8.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                       12
Advies Wetsvoorstel Rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
         Aanbeveling 5:
         Blijf de plaatsing in en de bezetting van het beperkt gesloten regime
         monitoren, ook wanneer de plaatsing daarin formeel is vastgelegd, met het
         oog op de mogelijke aanzuigende werking die de regeling in de hand werkt.
2.3     Vrijheidsbeperkende maatregelen en disciplinaire straffen
Het wetsvoorstel kent een getrapt systeem van vrijheidsbeperkende maatregelen.
Zo zijn er maatregelen die in alle gesloten instellingen ingezet mogen worden,
maatregelen die in zowel het gesloten als het hoog beveiligd gesloten regime ingezet
mogen worden en maatregelen die uitsluitend in het hoog beveiligd gesloten regime
ingezet mogen worden. Tussen deze vrijheidsbeperkende maatregelen bestaat een
groot verschil in de duur en intensiteit. Naast vrijheidsbeperkende maatregelen kent
het wetsvoorstel ook disciplinaire straffen. Een disciplinaire straf heeft de functie van
terechtwijzing 30 en kan worden opgelegd indien een jeugdige betrokken is geweest bij
een feit dat onverenigbaar is met de orde of de veiligheid in de instelling (artikel 5.1
wetsvoorstel). Disciplinaire straffen kunnen uitsluitend worden toegepast in een
instelling met een hoog beveiligd gesloten regime. 31
Met name bij de zwaardere maatregelen en disciplinaire straffen is het van belang dat
deze met voldoende waarborgen zijn omkleed, daarover maakt de RSJ in deze
paragraaf enkele opmerkingen.
Gronden en voorwaarden voor vrijheidsbeperkende maatregelen
Met het wetsvoorstel wordt in het bijzonder beoogd om binnen de gesloten setting de
vrijheidsbeperking van jeugdigen zoveel mogelijk te voorkomen. 32 In de memorie van
toelichting wordt het ultimum remedium beginsel dan ook als fundamenteel
uitgangspunt genoemd bij het toepassen van vrijheidsbeperkende maatregelen. 33
Het wetsvoorstel geeft in artikel 4.1 lid 2 een limitatieve opsomming van de gronden
op basis waarvan een vrijheidsbeperkende maatregel mag worden opgelegd. Deze
gronden worden nu limitatief opgesomd in één bepaling. Anders dan in de Jw en de Bjj
worden de gronden niet nader gekoppeld aan de toegestane beperkende maatregelen.
Hierdoor zijn alle gronden van toepassing op alle beperkende maatregelen. De RSJ
meent dat de toepassingsgronden voor specifieke vrijheidsbeperkende maatregelen
hierdoor in feite worden verruimd, zonder dat hiervoor een rechtvaardiging wordt
gegeven. De RSJ merkt daarnaast op dat de gronden (artikel 4.1 lid 2 wetsvoorstel) en
de voorwaarden (artikel 4.2 lid 1 wetsvoorstel) ruim zijn geformuleerd, waarbij de
wettekst niet duidelijk maakt dat een vrijheidsbeperkende maatregel uitsluitend kan
worden toegepast ter uitvoering van de uitputtende gronden geformuleerd in artikel
_______
30
    Memorie van toelichting Wetsvoorstel       rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
    (consultatieversie), p. 17.
31
    Memorie van toelichting Wetsvoorstel       rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
    (consultatieversie), p. 17.
32
    Memorie van toelichting Wetsvoorstel       rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
    (consultatieversie), p. 2.
33
    Memorie van toelichting Wetsvoorstel       rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
    (consultatieversie), p. 13.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                      13
Advies Wetsvoorstel Rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
4.1 lid 2 wetsvoorstel. 34 Bovendien bestaat er overlap tussen de doelen uit artikel 4.1
lid 2 wetsvoorstel en de aanvullende voorwaarden uit artikel 4.2 lid 2 wetsvoorstel.
Het getrapte systeem van het wetsvoorstel (met drie verschillende regimes) is niet
alleen terug te zien in de soort, duur en intensiteit van de vrijheidsbeperkende
maatregelen, maar ook in de vereiste doelen en voorwaarden voor het toepassen van
een maatregel. Zo bepaalt artikel 4.2 lid 2 van het wetsvoorstel dat enkele
aanvullende voorwaarden vereist zijn bij de toepassing van vrijheidsbeperkende
maatregelen in het beperkt gesloten regime en het gesloten regime, terwijl deze niet
gelden voor het hoogbeveiligd gesloten regime. In de memorie van toelichting staat
verder dat het mogelijk is dat in hetzelfde gebouw één, twee of drie regimes van
toepassing zijn. 35 Een algemene vraag daarbij is hoe het personeel dient om te gaan
met jeugdigen met verschillende titels. Ook voor de jeugdigen kunnen deze verschillen
tot onduidelijkheden leiden.
Voor iedere jeugdige die meer dan drie weken in de gesloten jeugdinstelling verblijft,
stelt de directeur een plan op over de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de
verwezenlijking van de doelen van de vrijheidsbeneming. In dit plan wordt tevens
opgenomen welke vrijheidsbeperkende maatregelen toegepast kunnen worden (artikel
3.13 lid 1 sub d wetsvoorstel). In het hoogbeveiligd gesloten regime is – in
tegenstelling tot de andere twee regimes – géén instemming van een
gedragswetenschapper nodig bij het vaststellen van de vrijheidsbeperkende
maatregelen in het plan (artikel 3.13 lid 3 wetsvoorstel). De RSJ acht de instemming
van een gekwalificeerde gedragswetenschapper bij het vaststellen van de
vrijheidsbeperkende maatregelen in het plan van groot belang: een beperking is
slechts mogelijk na een inhoudelijke beoordeling van de problematiek van de jeugdige
waarbij het belang van de jeugdige een eerste overweging vormt. Het uitsluiten van
de instemming van een gedragswetenschapper voor het hoogbeveiligd gesloten
regime, zoals wordt voorgesteld, verhoudt zich naar het oordeel van de RSJ niet met
een benadering waarbij de problematiek van de jeugdige leidend is. 36
         Aanbeveling 6:
         Vermijd een onderscheid tussen de drie regimes met betrekking tot de
         voorwaarden voor de toepassing van vrijheidsbeperkende maatregelen.
Leer van minimale beperkingen
Op grond van de Nederlandse grondwet geldt tijdens vrijheidsbeneming de leer van de
minimale beperkingen (artikel 15 lid 4 Grondwet). In de Bjj ligt deze leer besloten in
artikel 2 lid 4 en ten aanzien van een plaatsing in de gesloten jeugdhulp geldt dat een
jeugdige in beginsel niet verder wordt beperkt in haar of zijn rechten en vrijheden dan
_______
34
    Memorie van toelichting Wetsvoorstel rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
    (consultatieversie), p. 40.
35
    Memorie van toelichting Wetsvoorstel rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
    (consultatieversie), p. 31.
36  Advies Gekanteld perspectief (RSJ 2015), p. 5.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                        14
Advies Wetsvoorstel Rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
noodzakelijk is (artikel 6.3.1 Jw). Dit uitgangspunt sluit aan bij internationale
mensenrechtenverdragen, in het bijzonder het Europees Verdrag voor de Rechten van
de Mens (EVRM) en het IVRK. Op grond van het IVRK geldt dat wanneer een jeugdige
gesloten is geplaatst, hij of zij in beginsel aanspraak houdt op alle rechten. Beperking
van deze rechten is vervolgens alleen gerechtvaardigd wanneer dit noodzakelijk is in
het licht van de doelen van de vrijheidsbeneming. Daarbij dient het belang van de
jeugdige een eerste overweging te zijn (artikel 3 lid 1 IVRK). Ingeval beperkende
maatregelen noodzakelijk zijn, zou de jeugdige over de voorgenomen beslissing
moeten worden gehoord (artikel 12 lid 1 IVRK). 37 De RSJ acht het van belang dat de
rechtspositieregeling uitdrukkelijk blijk geeft van de leer van minimale beperkingen,
net zoals nu in artikel 2 lid 4 Bjj het geval is.
         Aanbeveling 7:
         Neem uitdrukkelijk op dat de leer van minimale beperkingen geldend is,
         analoog aan de regeling van artikel 2 lid 4 Bjj.
Aan de directeur voorbehouden beslissingen
Op grond van artikel 2.1 lid 3 wetsvoorstel kan de directeur een
jeugdhulpverantwoordelijke aanwijzen, die bevoegdheden en taken krijgt zonder dat
deze daar door de directeur voor is gemachtigd. Daarnaast kunnen de directeur en een
jeugdhulpverantwoordelijke medewerkers mandateren voor het nemen van
beslissingen, behalve in het geval van de in artikel 2.2 wetsvoorstel genoemde
voorbehouden beslissingen. De RSJ merkt op dat de beslissing tot insluiting (in de Bjj
afzondering genoemd) op grond van het wetsvoorstel geen aan de directeur
voorbehouden beslissing is, terwijl dit op grond van de Bjj wel zo is (artikel 4 lid 4 sub
e Bjj). Een andere beslissing die niet langer onder de aan de directeur voorbehouden
beslissingen valt betreft de beslissing tot dwangbehandeling op grond van artikel 4.8
wetsvoorstel. Het komt de RSJ onjuist voor dat sommige ingrijpende beslissingen niet
meer aan de directeur zijn voorbehouden, terwijl het wetsvoorstel tot doel heeft de
toepassing van dergelijke beslissingen (waaronder insluiting) zoveel mogelijk terug te
dringen. 38
Klachtrecht bij vrijheidsbeperkende maatregelen
In artikel 4.4 lid 2 staat dat de beslissing tot het toepassen van vrijheidsbeperkende
maatregelen door de directeur op schrift dient te worden gesteld, voorzien van een
motivering. Hierbij wordt geen termijn genoemd voor de periode tussen het toepassen
van de maatregel en het schriftelijk vastleggen hiervan. Dit kan het klachtrecht van de
jeugdige in de weg staan, dan wel ernstig bemoeilijken. De RSJ acht het bovendien
wenselijk dat deze schriftelijke mededeling aan de jeugdige wordt uitgereikt, ten
behoeve van het gericht kunnen indienen van een klacht en een eventueel
schorsingsverzoek. Een dergelijke bepaling is niet in het wetsvoorstel opgenomen.
_______
37
   Liefaard 2018, p. 20.
38
   Memorie van toelichting Wetsvoorstel rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
   (consultatieversie), p. 2.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                                15
Advies Wetsvoorstel Rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
Het wetsvoorstel vereist verder op grond van artikel 4.4 lid 3 wetsvoorstel dat de
directeur of de jeugdhulpverantwoordelijke zo spoedig mogelijk na de beslissing tot
het toepassen van een vrijheidsbeperkende maatregel een voorstel tot afbouw hiervan
opstelt. Dit is nieuw ten opzichte van de Bjj en de Jw. De RSJ beoordeelt dit positief.
Het is echter wenselijk om hier een termijn aan te verbinden om te voorkomen dat
middels het klachtrecht moet worden uitgemaakt of in een concrete zaak is voldaan
aan het criterium ‘zo spoedig mogelijk’.
         Aanbevelingen 8 tot en met 10:
     8. Leg wettelijk vast dat de beslissing tot het toepassen van vrijheidsbeperkende
         maatregelen binnen een termijn van vierentwintig uur op schrift wordt gesteld.
         Geef daarnaast duidelijke handvatten voor de motivering van deze beslissing.
     9. Neem in de wet op dat de jeugdige de beslissing tot het opleggen van een
         vrijheidsbeperkende maatregel schriftelijk krijgt uitgereikt, ten behoeve van
         het gericht kunnen indienen van een klacht en een eventueel
         schorsingsverzoek.
     10. Verbind een termijn aan het opstellen van een voorstel tot afbouw bij het
         toepassen van vrijheidsbeperkende maatregelen.
Vrijheidsbeperking van jeugdigen onder de twaalf jaar
Jeugdigen onder de twaalf jaar kunnen niet worden berecht voor strafbare feiten. Om
die reden kunnen jeugdigen onder de twaalf jaar niet op strafrechtelijke titel gesloten
worden geplaatst. Bij een gesloten plaatsing op civielrechtelijke titel kent de wet geen
leeftijdsgrens. Dit betekent dat de bevoegdheden onder het beperkt gesloten regime
en het gesloten regime kunnen worden uitgeoefend met betrekking tot jeugdigen
onder de twaalf jaar. De RSJ acht de toepassing van vrijheidsbeperkende maatregelen
ongewenst bij jeugdigen onder de twaalf jaar.
         Aanbeveling 11:
         Laat geen enkele vrijheidsbeperkende maatregel van toepassing zijn op
         jeugdigen onder de twaalf jaar.
Het gebruik van mechanische (gewelds)middelen
In de memorie van toelichting staat dat mechanische middelen 39 voor het gesloten
regime zijn uitgesloten omdat in het geval dat deze middelen nodig zijn, de jeugdige
beter geholpen zou zijn in een (jeugd-)ggz-instelling. Voor het hoogbeveiligd gesloten
regime worden deze middelen wel noodzakelijk geacht, aangezien de problematiek van
de jeugdigen binnen dit regime daar aanleiding toe kan geven. 40 Het wetsvoorstel
koppelt het gebruik van mechanische- en geweldsmiddelen daarmee uitsluitend aan
het regime waarbinnen de jeugdige verblijft, in plaats dat naar de problematiek van de
_______
39  Het gaat dan om middelen die zijn beschreven in de Regeling geweldsinstructie justitiële
    jeugdinrichtingen, zoals bijvoorbeeld de broekstok, mondafscherming en enkelbanden met
    tussenstuk, zie: Memorie van toelichting Wetsvoorstel Rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
    (consultatieversie), p. 16
40
    Memorie van toelichting Wetsvoorstel Rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
    (consultatieversie), p. 17.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                               16
Advies Wetsvoorstel Rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
betreffende jeugdige wordt gekeken. De RSJ concludeert dat een afweging en toets
(nut en noodzaak), specifiek gericht op het gebruik van mechanische middelen (en
niet op de toepassing van vrijheidsbeperkende maatregelen in het algemeen),
ontbreekt in het wetsvoorstel.
De RSJ is van mening dat de inzet van deze zwaardere middelen met extra, en meer
specifieke, waarborgen moet zijn omkleed, zeker nu het hier gaat om een wetsvoorstel
gericht op de rechtspositie van jeugdigen. 41 In internationale instrumenten zijn
aanknopingspunten te vinden voor een dergelijke afweging en toets. Zo staat in de
European rules for juvenile offenders dat dwang in principe niet is toegestaan, behalve
in de daarin genoemde uitzonderlijke situaties. 42 Daarnaast worden enkele procedurele
eisen genoemd voor het gebruik van dwang, waaronder de bevoegdheidsverdeling bij
de toepassing hiervan. 43 In zowel in de European Rules for juvenile offenders als in de
Havana rules staat dat het gebruik van mechanische- en geweldsmiddelen in beginsel
verboden zou moeten zijn, tenzij er sprake is van een uitzonderlijke situatie waarbij
eerst alle andere en minder ingrijpende methoden zijn uitgeprobeerd. In dat geval is
het gebruik van deze middelen slechts toegestaan voor de kortst mogelijke termijn. 44
Tot slot worden ook in de Guidelines for the alternative care of children voorwaarden
gesteld aan de toepassing van mechanische middelen op jeugdigen die gesloten zijn
geplaatst. 45
         Aanbevelingen 12 en 13:
     12. Leg de voorwaarden voor het gebruik van mechanische- en geweldsmiddelen
          duidelijk vast in een wet in formele zin. Neem hierbij expliciet op dat eerst alle
          andere en minder ingrijpende methoden moeten zijn uitgeprobeerd.
     13. Leg vast wie bevoegd is om dwang en mechanische- en geweldsmiddelen toe
          te passen.
_______
41
    Raad van Europa, Recommendation CM/Rec(2008)11 on the European Rules for juvenile
    offenders subject to sanctions or measures, 5 november 2008, rule 90.1-90.4 & 91.1-91.2;
    United Nations Rules for the Protection of Juveniles Deprived of their Liberty, 14 December
    1990 (Havana Rules), rule 64; United Nations Guidelines for the alternative care of children,
    24 februari 2010, guideline 97.
42
    Dit betreft gevallen waarin er sprake is van: zelfverdediging, een ontsnappingspoging, fysiek
    verzet tegen een wettelijke regeling, een direct risico op zelfbeschadiging, schade aan
    anderen of ernstige schade aan eigendom, zie: Raad van Europa, Recommendation
    CM/Rec(2008)11 on the European Rules for juvenile offenders subject to sanctions or
    measures, 5 november 2008, rule 90.1.
43
    Raad van Europa, Recommendation CM/Rec(2008)11 on the European Rules for juvenile
    offenders subject to sanctions or measures, 5 november 2008, rule 90.4.
44
    United Nations Rules for the Protection of Juveniles Deprived of their Liberty, 14 December
    1990 (Havana Rules), rule 64; Raad van Europa, Recommendation CM/Rec(2008)11
    on the European Rules for juvenile offenders subject to sanctions or measures, 5 november
    2008, rule 91.1-91.2.
45
    United Nations Guidelines for the alternative care of children, 24 februari 2010, guideline
    97.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                         17
Advies Wetsvoorstel Rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
Onduidelijkheden omtrent nadere regelgeving
In de memorie van toelichting wordt bij sommige onderwerpen verwezen naar nadere
regelgeving. 46 Bij andere onderwerpen ontbreekt een dergelijke verwijzing waardoor
niet duidelijk is of bestaande regelgeving blijft gelden, of dat er nieuwe regelgeving
wordt opgesteld. 47 Bij de registratie van vrijheidsbeperkende maatregelen is er
bovendien expliciet voor gekozen om géén nadere regelgeving op te stellen. In de
memorie van toelichting staat bij artikel 9.4 wetsvoorstel dat het aan de inrichtingen
wordt overgelaten hoe zij de registratieplicht invullen. Dit betekent dat er geen
uniform beleid zal ontstaan wat betreft deze registratieplicht, ondanks eerdere
aanbevelingen daartoe. 48 De RSJ acht het ontbreken van deze uniformiteit
onwenselijk.
         Aanbevelingen 14 en 15:
     14. Verduidelijk op welke punten reeds bestaande regelgeving van toepassing is
          en op welke punten nadere regelgeving zal worden ontwikkeld.
     15. Zorg voor een uniform beleid met betrekking tot de registratie van
          vrijheidsbeperkende maatregelen. Stel daartoe dwingende nadere
          regelgeving op.
Overplaatsing als maatregel
In artikel 4.11 wetsvoorstel staat dat de bewegingsvrijheid van een jeugdige kan
worden ingeperkt door de jeugdige tijdelijk over te plaatsen binnen de instelling of
naar een andere instelling. Deze mogelijkheid geldt alleen voor het gesloten regime en
het hoog beveiligd gesloten regime en is daardoor uitgesloten voor het beperkt
gesloten regime. Naar het oordeel van de RSJ kunnen er echter goede argumenten
bestaan voor de overplaatsing van een jeugdige in een kleinschalige voorziening naar
een kleinschalige voorziening in een andere regio (bijvoorbeeld vanwege de
aanwezigheid van beschermende factoren zoals opleiding, werk of netwerk aldaar).
         Aanbeveling 16:
         Maak een tijdelijke overplaatsing in de uitvoering van een vrijheidsbeperkende
         maatregel ook mogelijk voor het beperkt gesloten regime.
Insluiting
Eén van de meest ingrijpende vrijheidsbeperkende maatregelen betreft het plaatsen
van de jeugdigen in afzondering. In het wetsvoorstel wordt niet gesproken over
isolatie, afzondering of separatie maar in plaats daarvan over ‘insluiting’. Met insluiting
wordt bedoeld: “insluiting van een jeugdige in een afgesloten ruimte, waarin geen
hulpverleners fysiek aanwezig zijn en waarbij de jeugdige de ruimte niet op eigen
_______
46
    Zo wordt bijvoorbeeld verwezen naar de Regeling geweldsinstructie justitiële
    jeugdinrichtingen voor het gebruik van mechanische middelen.
47
    Deze onduidelijkheid geldt onder meer voor de Regeling urineonderzoek jeugdigen en de
    Regelgeving eisen kamer justitiële jeugdinrichtingen.
48
    Defence for Children 2019, aanbeveling 3 en 4.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                             18
Advies Wetsvoorstel Rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
initiatief kan verlaten”. 49 Insluiting is mogelijk in de eigen kamer, een daartoe
bestemde ruimte of een strafcel (dit laatste in de uitvoering van een disciplinaire straf,
artikel 5.3 wetsvoorstel).
Insluiting in een daartoe bestemde afzonderlijke ruimte of strafcel
Door de jaren heen is de maatschappelijke onrust over de afzondering van jeugdigen
in separatie- of isoleerruimtes toegenomen. Dit heeft herhaaldelijk tot Kamervragen
geleid. 50 In het actieprogramma ‘Zorg voor de Jeugd’ wordt op deze onrust gereageerd
in het kader van een transformatie van de gesloten jeugdhulp. Om invulling te geven
aan deze transformatie verscheen in 2019 het actieplan ‘De best passende zorg voor
kwetsbare jongeren’. Als concrete actie staat in beide documenten dat een specifieke
separatieruimte niet meer is toegestaan. Daartoe is toegezegd dat deze mogelijkheid
uit het onderhavige wetsvoorstel zou worden geschrapt. 51
De RSJ concludeert dat in het hoog beveiligd gesloten regime het gebruik van een
specifieke separatieruimte toch is toegestaan, op grond van artikel 4.15 lid 1 sub a
wetsvoorstel (insluiting in een daarvoor bestemde afzonderlijke ruimte) en artikel 5.3
lid 1 sub a wetsvoorstel (insluiting in een strafcel). In de memorie van toelichting staat
dat een algeheel verbod op insluiting in een afzonderlijke ruimte niet haalbaar is
gebleken. Als argument wordt onder meer genoemd dat insluiting in een afzonderlijke
ruimte beschikbaar moet zijn als vrijheidsbeperkende maatregel en als disciplinaire
straf. Waarom dit zo is, wordt niet toegelicht. Europese en internationale richtlijnen
pleiten juist tegen insluiting als disciplinaire straf. Zo staat (onder meer) in de
European rules for juvenile offenders dat insluiting in een strafcel niet mag worden
toegepast op jeugdigen, welke bepaling steun vindt in andere internationale
instrumenten. 52
In internationale richtlijnen wordt een onderscheid gemaakt tussen insluiting als
vrijheidsbeperkende maatregel en insluiting als disciplinaire straf. Zo staat in rule 67
van de Havana Rules dat de eenzame opsluiting van kinderen als disciplinaire straf niet
toegestaan is. 53 Eenzelfde verbod volgt uit de Nelson Mandela Rules. 54 Het VN-
kinderrechtencomité acht eenzame opsluiting in het kader van een disciplinaire straf
eveneens in het geheel niet toegestaan. 55 In de Guidelines for the alternative care of
_______
49  Memorie van toelichting Wetsvoorstel rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
    (consultatieversie), p. 16.
50  Aanhangsel Handelingen II 2017/18, nr. 513; Aanhangsel Handelingen II 2017/18, nr. 1809.
51  Actieprogramma Zorg voor de jeugd (2018), p. 30; Actieplan De best passende zorg
    voor kwetsbare jongeren (2019), p. 24.
52
    Raad van Europa, Recommendation CM/Rec(2008)11 on the European Rules for juvenile
    offenders subject to sanctions or measures, 5 november 2008, rule 95.3.
53
    United Nations Rules for the Protection of Juveniles Deprived of their Liberty, 14 December
    1990 (Havana Rules), rule 67.
54
    United Nations Standard Minimum Rules for the treatment of prisoners (Nelson Mandela
    Rules), 2015, rule 45(2).
55
    VN-Kinderrechtencomité, General No. 24 on children’s rights in the child justice system, 18
    september 2019, para. 95(g).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                                 19
Advies Wetsvoorstel Rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
children wordt insluiting zowel in het kader van een disciplinaire straf als in het kader
van een (gedrags)maatregel verboden. 56
          Aanbevelingen 17 en 18:
     17. Schrap de mogelijkheid tot insluiting in een andere ruimte dan de eigen
          kamer.
     18. Schrap de mogelijkheid tot insluiting in het kader van een disciplinaire straf.
De duur van insluiting
Door het getrapte systeem van het wetsvoorstel kan een insluiting in het hoog
beveiligd gesloten regime (veel) langer duren dan in het beperkt gesloten regime.
In het beperkt gesloten regime duurt een insluiting in de eigen kamer ten hoogste één
uur voor jeugdigen tot zestien jaar en ten hoogste twee uur voor jeugdigen van
zestien jaar en ouder (artikel 4.6 lid 1 sub d en artikel 4.7 lid 1 wetsvoorstel). In het
gesloten regime kunnen jeugdigen tot zestien jaar voor de duur van één dag worden
ingesloten in de eigen kamer. Voor jeugdigen van zestien jaar en ouder geldt een
maximale duur van twee dagen. Een insluiting in de eigen kamer kan niet worden
verlengd. In het hoog beveiligd gesloten regime is naast een insluiting in de eigen
kamer, ook insluiting mogelijk in een daarvoor bestemde afzonderlijke ruimte (artikel
4.15 lid 1 sub a wetsvoorstel). Een dergelijke insluiting duurt ten hoogste één dag
voor jeugdigen tot zestien jaar en ten hoogste twee dagen voor jeugdigen van zestien
jaar en ouder. Een insluiting in een daarvoor bestemde afzonderlijke ruimte kan
eenmaal voor ten hoogste één dag worden verlengd voor jeugdigen tot zestien jaar en
ten hoogste twee dagen voor jeugdigen van zestien jaar en ouder.
Naast insluiting als vrijheidsbeperkende maatregel, is insluiting ook mogelijk in het
kader van een disciplinaire straf binnen het hoog beveiligd gesloten regime. Dit is op
grond van artikel 5.3 lid 1 sub a wetsvoorstel mogelijk in een strafcel of een andere
verblijfsruimte. De toegestane duur bedraagt ten hoogste vier dagen voor jeugdigen
tot zestien jaar en ten hoogste zeven dagen voor jeugdigen van zestien jaar en ouder.
Hoewel in de memorie van toelichting staat dat het wetsvoorstel het uitgangspunt
hanteert om vrijheidsbeperkende maatregelen zoveel mogelijk in duur te beperken, is
dit niet terug te zien in de maximaal toegestane duur van insluiting. 57
Op Europees en internationaal niveau zijn aanwijzingen te vinden dat de duur van een
insluiting zo kort mogelijk dient te zijn. Zo stelt het VN-Kinderrechtencomité in general
comment nr. 24 dat de eenzame opsluiting van kinderen in principe niet mag
plaatsvinden. In geval dit wel gebeurt, dient de scheiding van het kind van anderen zo
kort mogelijk te duren. 58 In rule 91.4 van de European rules for juvenile offenders
_______
56  “All disciplinary measures and behaviour management constituting torture, cruel, inhuman or
    degrading treatment, including closed or solitary confinement (…), must be strictly prohibited
    in conformity with international human rights law.” Zie hiervoor: United Nations Guidelines for
    the alternative care of children, 24 februari 2010, guideline 96.
57  Memorie van toelichting Wetsvoorstel rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
    (consultatieversie), p. 2.
58
    VN-Kinderrechtencomité, General No. 24 on children’s rights in the child justice system, 18
    september 2019, para. 95(h).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                                 20
Advies Wetsvoorstel Rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
staat dat isolatie van de jeugdige slechts is toegestaan voor de maximale duur van
vierentwintig uur. De recentelijk aangepaste versie van de European Prison Rules
(2020) kort deze maximale duur verder in: jeugdigen mogen nooit langer dan 22 uur
geïsoleerd worden geplaatst. 59
Tot slot merkt de RSJ op dat het wetsvoorstel geen minimale vereisten noemt waaraan
een insluiting dient te voldoen. In de CPT Standards staat hierover dat toereikend
menselijk contact, de mogelijkheid om te lezen en ten minste één uur van verblijf in
de buitenlucht in elk geval gegarandeerd moet zijn. 60
          Aanbeveling 19:
          Verkort de duur van een insluiting in de eigen kamer naar maximaal acht
          uur. 61 Laat deze maximale duur gelden binnen alle drie de regimes.
Disciplinaire straffen
Met betrekking tot de toepassing van vrijheidsbeperkende maatregelen staan in
paragraaf 4.1 van het wetsvoorstel enkele algemene bepalingen. Deze bepalingen
gaan onder meer over de proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid van de
maatregel (artikel 4.2 wetsvoorstel) en de verplichting dat de jeugdige wordt gehoord
alvorens de beslissing tot de toepassing van een vrijheidsbeperkende maatregel wordt
genomen (artikel 4.4. lid 1 sub b wetsvoorstel). In de memorie van toelichting staat
dat deze algemene bepalingen niet van toepassing zijn bij het opleggen van
disciplinaire straffen. 62 In plaats daarvan zijn er geen algemene bepalingen, specifiek
gericht op het opleggen van disciplinaire straffen, opgenomen in het wetsvoorstel. Dit
betekent ook dat een groot aantal bepalingen omtrent disciplinaire straffen uit de Bjj,
niet terugkomt in het wetsvoorstel. Zo bevat het wetsvoorstel geen bepaling over het
behoud van verblijf in de buitenlucht (artikel 59 lid 1 Bjj) en geen bepaling over
inlichten van de commissie van toezicht en de inrichtingsarts bij een insluiting in de
strafcel van meer dan vierentwintig uur (artikel 59 lid 2 Bjj).
          Aanbeveling 20:
          Zorg ervoor dat alle waarborgen uit de Bjj bij het opleggen van disciplinaire
          straffen blijven gelden.
_______
59
    Solitary confinement, that is the confinement of a prisoner for more than 22 hours a day
    without meaningful human contact, shall never be imposed on children. Zie: Raad van
    Europa, Recommendation Rec(2006)2-rv on the European Prison rules, 1 juli 2020, rule
    60.6a.
60
    European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment
    or Punishment (CPT), CPT Standards, para. 35.
61
    In navolging van rule 60.6a van de European prison rules dient een insluiting in elk geval niet
    langer dan 22 uur te duren.
62
    Memorie van toelichting Wetsvoorstel rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
    (consultatieversie), p. 50.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                        21
Advies Wetsvoorstel Rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
2.4    De klacht- en beroepsregeling
Het verblijf in een gesloten jeugdinstelling is ingrijpend voor jeugdigen en naasten,
zoals de ouders of pleegouders. De jeugdige bevindt zich in een kwetsbare positie
tegenover het personeel in de instelling en andere betrokkenen zoals een eventuele
gezinsvoogd of reclasseringsmedewerker. Om deze reden moet er in de eerste plaats
sprake zijn van een goed functionerend klachtrecht als middel voor de jeugdige om
zich te verweren tegen ingrijpende beslissingen die hem raken. In de tweede plaats is
het van belang dat de regels en mogelijke beperkingen binnen de inrichting voor de
jeugdige duidelijk zijn. Tot slot is het van belang dat de jeugdige toegang heeft tot
rechtsbijstand.
Introductie van een nieuwe klachtenregeling; ontbreken van bepalingen uit de Bjj
Eén van de constateringen in de Thematische wetsevaluatie gedwongen zorg is dat het
klachtrecht binnen jeugdzorgplusinstellingen minder gedetailleerd is geregeld dan het
klachtrecht binnen justitiële jeugdinrichtingen (Bjj). 63 In het wetsvoorstel is gekozen
voor een klachtenregeling die afwijkt van die in de Bjj, waarbij de commissie van
toezicht verantwoordelijk is voor de klachtbehandeling en klachtafhandeling en waarbij
de maandcommissaris kan bemiddelen. Het is de RSJ niet duidelijk waarom in het
wetsvoorstel is gekozen voor een ander systeem, met name gezien het feit dat de RSJ
geen signalen heeft ontvangen dat de klacht- en beroepsregeling uit de Bjj niet goed
werkt.
Daarbij merkt de RSJ op dat een aantal bepalingen uit de Bjj niet is terug te zien in het
wetsvoorstel. In artikel 8.2 wetsvoorstel worden de beslissingen vermeld waartegen de
jeugdige een klacht kan indienen. De Bjj kent naast eenzelfde artikel, een zogeheten
‘vangnetartikel’ (artikel 65 lid 1 sub n Bjj). Hierin is bepaald dat de jeugdige beklag en
beroep kan instellen wanneer een recht wordt beperkt waar hij, op grond van de Bjj of
een internationaal verdrag, aanspraak op heeft. Hierbij gaat het om beperking van een
recht dat niet direct terug te leiden is tot een voor beklag vatbare beslissing.
Voorbeelden hiervan zijn het recht op medische verzorging, het recht op geestelijke
verzorging, het recht op lichaamsbeweging en het recht op minimaal een uur luchten
per dag. Onder het wetsvoorstel lijkt geen klacht te kunnen worden ingediend over het
niet kunnen volgen van onderwijs, tenzij dit het gevolg is van een vrijheidsbeperkende
maatregel. Ook op andere terreinen kent het wetsvoorstel geen vervanging voor de
bepalingen uit de Bjj die met dit wetsvoorstel komen te vervallen. Zo kan de jeugdige
op grond van het wetsvoorstel geen klacht indienen tegen de voortzetting van een
plaatsing op een afdeling voor intensieve zorg (artikel 65 lid 1 onder c Bjj).
Een ander punt betreft het feit dat in artikel 8.4 (beklag) en artikel 8.8 (beroep)
wetsvoorstel de toegang tot rechtsbijstand voor de jeugdige niet wordt genoemd.
In de memorie van toelichting staat dat de jeugdige zich bij de behandeling van de
klacht kan doen bijstaan door een vertrouwenspersoon of een andere persoon,
_______
63
   Thematische wetsevaluatie gedwongen zorg 2014, p. 355.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                               22
Advies Wetsvoorstel Rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
bijvoorbeeld een familielid. 64 De RSJ acht het echter van groot belang dat de jeugdige,
indien gewenst, ook toegang heeft tot een rechtsbijstandverlener (zie nu artikel 70 lid
1 Bjj). Tevens ontbreekt in artikel 8.6 wetsvoorstel een termijn voor de behandeling
van klachten. De RSJ is zich ervan bewust dat de behandeling van klachten binnen een
termijn van vier weken vaak niet haalbaar is, maar acht het achterwege laten van een
termijn niet in het belang van de jeugdige.
Tot slot merkt de RSJ op dat de mogelijkheid tot het enkelvoudig afdoen van klachten
door de commissie van toezicht en de beroepscommissie van de RSJ ontbreekt, zonder
dat daarvoor een onderbouwing is gegeven. Hiermee wijkt het wetsvoorstel af van de
andere beginselenwetten, waarin enkelvoudige afdoening voor zowel de
beklagcommissie als de beroepscommissie mogelijk wordt geacht. 65
          Aanbevelingen 21 tot en met 23:
      21. Bepaal dat de gehele klacht- en beroepsregeling uit de Bjj van toepassing is op
          alle drie de regimes.
      22. Vereis dat de gesloten jeugdinstellingen, binnen alle drie de regimes, een
          commissie van toezicht instellen voor de behandeling van klachten in eerste
          aanleg.
      23. Geef een termijn voor de behandeling van klachten door de
          klachtencommissie.
Bemiddeling en de rol van de vertrouwenspersoon
De vertrouwenspersoon wordt in het wetsvoorstel gedefinieerd als de
vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 1.1 Jw en de maandcommissaris als bedoeld
in artikel 7 lid 4 Bjj. Een maandcommissaris vervult echter een andere functie dan een
vertrouwenspersoon. Zo heeft de maandcommissaris onder andere een bemiddelende
rol ten aanzien van klachten (artikel 64 Bjj). Deze bemiddelende rol staat haaks op de
ondersteunende rol van de vertrouwenspersoon. 66
           Aanbeveling 24:
           Laat de maandcommissaris en de vertrouwenspersoon naast elkaar bestaan.
           Hanteer voor de maandcommissaris de definitie uit artikel 7 lid 4 Bjj en voor
           de vertrouwenspersoon de definitie uit artikel 1.1 Jw.
Toezicht op de huisregels
De RSJ acht het noodzakelijk dat de huisregels centraal worden getoetst. Op die
manier kunnen verschillen in huisregels tussen de instellingen (verder) worden beperkt
en kan worden voorkomen dat er vrijheidsbeperkende maatregelen in de huisregels
worden opgenomen. De RSJ acht het wenselijk dat deze toets wordt uitgevoerd door
_______
64
    Memorie van toelichting Wetsvoorstel rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
    (consultatieversie), p. 56.
65
    Zie in dat kader artikel 59 lid 3 (beklag) en artikel 67 lid 3 (beroep) van de
    Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden en artikel 62 lid 2 (beklag) en artikel 69
    lid 3 (beroep) van de Penitentiaire beginselenwet.
66
    AKJ 2020, p. 2.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                              23
Advies Wetsvoorstel Rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
één inspectie. 67 De RSJ denkt daarbij aan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd
(IGJ) vanwege de formele toezichtstaak in alle gesloten jeugdinstellingen, eventueel in
afstemming met de Inspectie Justitie en Veiligheid (IJenV).
         Aanbeveling 25:
         Beleg een toetsende rol met betrekking tot de huisregels van gesloten
         jeugdinstellingen bij één inspectie.
2.5    Overige artikelsgewijze aandachtspunten
     •   Artikel 1.3 lid 2 sub f: verwezen wordt naar artikel 77j lid 5 Wetboek van
         Strafrecht (Sr), maar dit artikel is per 1 januari 2020 vervallen en
         overgeheveld naar artikel 6:6:28 Sv.
     •   Artikel 3.14 lid 1 en 2: de directeur (of jeugdhulpverantwoordelijke) overlegt
         elke twee weken met de jeugdige over de voortgang en uitvoering van het
         plan. Het plan wordt ten minste elke twee maanden geëvalueerd. De RSJ
         beschouwt dit als een verbetering ten opzichte van de bestaande regelingen.
         Meer duidelijkheid is gewenst over de manier waarop en met welke personen
         (ouders, gedragswetenschapper, gecertificeerde instelling?) deze voortgangs-
         en evaluatiegesprekken plaatsvinden. Het schriftelijk vastleggen van deze
         gesprekken verbetert naar het oordeel van de RSJ de rechtspositie van de
         jeugdige.
         Aanbeveling 26: Verduidelijk dat de voortgangs- en evaluatiegesprekken
         over het plan schriftelijk worden vastgelegd, ten behoeve van het klachtrecht
         van de jeugdige. Geef daarbij tevens aan welke personen (naast de jeugdige
         en de directeur of jeugdhulpverantwoordelijke) aan deze gesprekken kunnen
         deelnemen.
     •   Artikel 4.14 lid 5 wetsvoorstel bepaalt dat de directeur foto’s kan laten maken
         van een jeugdige. Deze foto’s kunnen worden gebruikt voor het vervaardigen
         van een legitimatiebewijs, maar ook voor het voorkomen, opsporen, vervolgen
         en berechten van strafbare feiten. Bij dit laatste gaat de wettekst voorbij aan
         het feit dat daarvoor een bepaalde strafrechtelijke grond moet bestaan. Het
         lijkt erop dat de directeur dit op eigen initiatief kan doen. Naar het oordeel van
         de RSJ is dit zeer ingrijpend en gaat dit verder dan het Wetboek van
         Strafvordering toestaat, daarbij moet er namelijk sprake zijn van een
         verdachte (artikel 27 Sv).
         Aanbeveling 27: Schrap de mogelijkheid dat de directeur – op eigen initiatief
         - foto’s van de jeugdige kan maken voor het voorkomen, opsporen, vervolgen
         en berechten van strafbare feiten.
_______
67
   Op dit moment is wat betreft justitiële jeugdinrichtingen geregeld dat de directeur de
   huisregels aan de Minister van Justitie en Veiligheid verstrekt, zie artikel 1 lid 3 Regeling
   model huisregels justitiële jeugdinrichtingen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                  24
Advies Wetsvoorstel Rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
     •   Artikel 7.3 wetsvoorstel: de directeur spreekt regelmatig met de jeugdigen
         over zaken die hun verblijf rechtstreeks raken. Dit artikel ziet op de
         medezeggenschap van jeugdigen in de gesloten instellingen. Hierbij wordt
         geen nadere invulling gegeven aan de term ‘regelmatig’. De RSJ acht dit
         onwenselijk.
         Aanbeveling 28: Vul de term ‘regelmatig’ nader in door een vaste termijn te
         geven voor de overleggen tussen de directeur en de jeugdigen, zoals bedoeld
         in artikel 7.3 wetsvoorstel.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                   25
Advies Wetsvoorstel Rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
3      Conclusie
De RSJ onderschrijft de wens tot harmonisatie van de rechtspositie van jeugdigen in
gesloten instellingen. Eveneens staat de RSJ achter de ontwikkeling naar meer
kleinschaligheid bij gesloten plaatsingen voor jeugdigen. De RSJ meent dat met dit
wetsvoorstel een belangrijke aanzet tot harmonisatie is gegeven, maar dat de primaire
doelstellingen van het wetsvoorstel niet zijn bereikt.
In de eerste plaats slaagt de harmonisatie slechts ten dele aangezien de jeugd-ggz
niet is betrokken bij dit harmonisatietraject.
In de tweede plaats stelt de RSJ vast dat het wetsvoorstel zal bestaan naast de Jw en
de Bjj, met als gevolg hiaten, beperkingen en onduidelijkheden tussen verschillende
systemen en voorzieningen. Dit leidt tot een verslechtering in plaats van een
verbetering van de rechtspositie van jeugdigen en bovendien tot meer onduidelijkheid
voor jeugdigen en medewerkers in gesloten instellingen.
De RSJ is van oordeel dat deze gevolgen kunnen worden ondervangen door te komen
tot één wet betreffende de rechtspositie van jeugdigen in geslotenheid. Om deze reden
adviseert de RSJ om hoofdstuk 6 Jw en de Bjj te integreren tot één overkoepelende
wet. Voor een volledige harmonisatie dient daarbij ook aandacht te worden besteed
aan de rechtspositie van jeugdigen die gesloten zijn geplaatst in de jeugd-ggz.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                      26
Advies Wetsvoorstel Rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
4       Geraadpleegde stukken
4.1     Literatuurlijst
Actieplan De best passende zorg voor kwetsbare jongeren 2019
Actieplan de best passende zorg voor kwetsbare jongeren, bijlage bij Kamerstukken II
2018-19, 31839, nr. 634.
Actieprogramma Zorg voor de jeugd 2018
Actieprogramma Zorg voor de jeugd, bijlage bij Kamerstukken II 2017/18, 34880, nr.
3.
AKJ 2020
Reactie AKJ op internetconsultatie Wet rechtspositie gesloten jeugdinstellingen, 31
augustus 2020.
Defence for Children 2019
M. Berger, J. de Groot van Embden & E. Huls, Uithuisgeplaatst. En dan?, Defence for
Children 2019.
Academische Werkplaats Risicojeugd 2018
F. Souverein e.a., Eindrapport Monitor Proeftuinen Verkenning Invulling
Vrijheidsbeneming Justitiële Jeugd, Academische Werkplaats Risicojeugd 2018, bijlage
bij Kamerstukken II 2017-18, 28741/24587, nr. 52.
Eindrapport VIV JJ 2018
Eindrapport VIV JJ, bijlage bij Kamerstukken II 2017-18, 28741/24587, nr. 52.
Thematische wetsevaluatie gedwongen zorg 2014
J. Legemaate e.a., Thematische wetsevaluatie gedwongen zorg, Den Haag: ZonMw
2014.
Liefaard 2018
T. Liefaard, ‘Deprivation of Liberty of Children’, in: U. Kilkelly & T. Liefaard (red.),
International Human Rights of Children, Singapore: Springer 2018.
RSJ 2015
Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, Lastig plaatsbare jongeren in
instellingen voor jeugdzorgplus en jeugd-ggz: zorg in de knel?, 2015.
RSJ 2015
Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, Advies Gekanteld perspectief,
2015.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                        27
Advies Wetsvoorstel Rechtspositie gesloten jeugdinstellingen
RSJ 2018
Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, Plaatsing van jeugdigen met
strafrechtelijke en jeugdigen met civielrechtelijke titel in gesloten voorzieningen, 2018.
4.2    Overige bronnen
4.2.1 Internationale instrumenten
European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading
Treatment or Punishment (CPT), CPT Standards, 2010.
Raad van Europa, Recommendation CM/Rec(2008)11 on the European Rules for
juvenile offenders subject to sanctions or measures, 5 november 2008.
Raad van Europa, Recommendation Rec(2006)2-rv on the European Prison rules, 1 juli
2020.
United Nations Rules for the Protection of Juveniles Deprived of their Liberty, 14
December 1990 (Havana Rules).
United Nations Standard Minimum Rules for the treatment of prisoners (Nelson
Mandela Rules), 2015.
United Nations Guidelines for the alternative care of children, 24 februari 2010.
VN-Kinderrechtencomité, General No. 24 on children’s rights in the child justice
system, 18 september 2019.
4.2.2 Jurisprudentie
Gerechtshof Arnhem 11 februari 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BL5655.
4.2.3 Parlementaire stukken
Kamerstukken II 2019/20, 28741, nr. 77 (Voortgangsbrief aanpak jeugdcriminaliteit).
Kamerstukken II 2018/19, 28741, nr. 53 (Brief aanpak jeugdcriminaliteit).
Aanhangsel Handelingen II 2017/18, nr. 513.
Aanhangsel Handelingen II 2017/18, nr. 1809.
Kamerstukken II 2015/16, 25424, nr. 323
Kamerstukken II 2015/16, 31839, nr. 485.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>