<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>             Aan de Minister voor Rechtsbescherming
             Dhr. S. Dekker
             Postbus 20301
             2500 EH Den Haag
Datum        28 augustus 2020                      Uw kenmerk              2910800
E-mail       adviesrsj@minjenv.nl                  Ons kenmerk             RSJ/101/2955218/HM/SR
Onderwerp    Consultatie Uitvoeringsbesluit Wet straffen en beschermen
          Geachte heer Dekker,
          Op 24 juni 2020 ontving de Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing
          en Jeugdbescherming (hierna: de RSJ) uw adviesaanvraag. Hierin wordt de RSJ gevraagd
          een reactie te geven op het Uitvoeringsbesluit Wet straffen en beschermen (hierna: het
          Uitvoeringsbesluit). 1
          Dit Uitvoeringsbesluit behelst onder andere nadere regels voor: 1) deelname aan het
          penitentiair programma (hierna: PP), 2) het toekennen van de voorwaardelijke
          invrijheidstelling (hierna: v.i.) en het formuleren van voorwaarden in dat verband, 3) de
          gegevensverwerking ten behoeve van het detentie en re-integratieplan (hierna: D&R-
          plan) en 4) de actualisatie van de regeling inzake het dagprogramma. De RSJ geeft in
          deze brief een reactie op enkele van deze voorgestelde nadere regels.
          1. Nadere regels voor deelname aan het penitentiair programma
          Het eerste aandachtspunt van de RSJ betreft de nadere regels voor deelname aan het PP,
          de daarbij te stellen voorwaarden en het elektronisch toezicht in dat verband.
          In artikel 6 Penitentiaire maatregel (hierna: Pm) wordt een aantal uitzonderingen
          genoemd voor deelname aan het PP. Op grond van artikel 6, eerste lid onder d, worden
          gedetineerden die in een beperkt beveiligde afdeling zijn geplaatst uitgezonderd van
          1
             Bij de totstandkoming van dit advies is prof. mr. dr. P.M. Schuyt, hoogleraar sanctierecht en
             straftoemeting aan de Universiteit Leiden, betrokken als expert.
          Postbus 30137
          2500 GC Den Haag
          www.rsj.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>                                                                                            2
deelname aan het PP. Het is de RSJ niet duidelijk waarom deze gedetineerden niet in
aanmerking komen voor deelname aan het PP. De RSJ is van mening dat detentiefasering
ook voor deze groep mogelijk moet zijn. Uit de memorie van toelichting op de Wet
straffen en beschermen blijkt eveneens dat plaatsing in een voorziening met een lager
beveiligingsniveau mogelijk is voor gedetineerden in de laatste fase van de detentie
voorafgaand aan de eventuele deelname aan een PP of v.i. 2 De RSJ adviseert om meer
duidelijkheid te geven over de (on)mogelijkheden van gedetineerden die zijn geplaatst in
een beperkt beveiligde afdeling tot deelname aan het PP. Het Uitvoeringsbesluit en de
memorie van toelichting lijken op dit punt niet met elkaar in overeenstemming te zijn en
dat schept onduidelijkheid.
De RSJ is positief over het feit dat de toepassing van het elektronisch toezicht binnen het
kader van het PP wordt teruggedrongen, in die zin dat elektronisch toezicht niet langer
‘automatisch’ wordt toegepast. Pas op het moment dat het gedrag van de gedetineerde
daartoe aanleiding geeft, namelijk indien aan de deelname aan een PP bijzondere risico’s
zijn verbonden of als dit voor de bescherming van de belangen van slachtoffers
noodzakelijk is, wordt het elektronisch toezicht toegepast. 3 Dit sluit aan bij het huidige
beleid van de persoonsgerichte benadering in detentie. De RSJ beveelt aan in de memorie
van toelichting voorbeelden te noemen van situaties waarin elektronisch toezicht van
toepassing zou moeten zijn in verband met het gedrag van de gedetineerde of bijzondere
risico’s die zijn verbonden aan deelname aan het PP. Voor de bescherming van de
belangen van slachtoffers is dit reeds uitgewerkt. 4
In artikel 9, eerste lid onder d t/m g Pm wordt een aantal voorwaarden voor deelname
aan het penitentiair programma als algemene voorwaarden geformuleerd, die in het
kader van andere voorwaardelijke modaliteiten, zoals de voorwaardelijke veroordeling en
v.i., als bijzondere voorwaarden zijn opgenomen. Het formuleren van dergelijke
verstrekkende algemene voorwaarden past niet in het sanctiestelsel als geheel. Volgens
de toelichting op het Uitvoeringsbesluit gelden deze voorwaarden met een meer algemene
strekking voor alle gedetineerden die aan het PP mogen deelnemen. Deze voorwaarden
worden als algemene voorwaarden geformuleerd zodat “de directeur niet administratief
belast [wordt] met een specifieke afweging hieromtrent”. 5 De RSJ vindt dit argument niet
overtuigend. Het beperken van de administratieve belasting van de directeur acht de RSJ
geen gegronde reden om voorwaarden als algemene voorwaarde te formuleren. De
directeur beschikt over de mogelijkheid de algemene voorwaarden niet van toepassing te
verklaren, waardoor door de directeur nog steeds een afweging verwacht wordt en een
(administratieve) belasting aanwezig blijft.
Daarnaast betreft het voorwaarden die de persoonlijke vrijheid beperken. Het
uitgangspunt zou de persoonlijke vrijheid moeten zijn, beperking daarvan is alleen
mogelijk indien daar een gegronde reden voor is en dit in overeenstemming is met de
beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. 6
2
   Kamerstukken II, 2018/19, 35122, 3, p. 44.
3
   Uitvoeringsbesluit Wet straffen en beschermen, p. 20.
4
   Uitvoeringsbesluit Wet straffen en beschermen, p. 20.
5
   Uitvoeringsbesluit Wet straffen en beschermen, p. 10.
6
   Artikel 5 EVRM.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>                                                                                                      3
Bij de mogelijkheid tot het stellen van bijzondere voorwaarden wordt op verschillende
plekken het adjectief ‘bepaalde’ gebruikt, zoals: ‘bepaalde personen’, ‘bepaalde locatie’ of
‘bepaalde instantie’. Deze term is onvoldoende specifiek. Met betrekking tot de
voorwaardelijke veroordeling en de v.i. bestaat de nodige discussie over de vraag of de
voorwaarden niet te breed zijn geformuleerd in de wet. 7 Anderzijds bestaat het risico dat
beperkte motivering leidt tot onjuiste en/of ongelijke toepassing en uitwerking van de
voorwaarden, afhankelijk van hoe de directeur ‘bepaalde’ interpreteert. 8
Om dit te voorkomen dient ten eerste in de wettekst een nadere specificatie worden
opgenomen. Een ‘bepaalde’ locatie zou bijvoorbeeld kunnen worden geformuleerd als ‘een
locatie waar de aanwezigheid van de veroordeelde het risico verhoogt voor het plegen
van een strafbaar feit, contact met verdovende middelen of een gevaar voor de veiligheid
van het slachtoffer’. Het verdient de voorkeur bij de reden waarom een bepaalde locatie
of een bepaalde persoon van belang is in het kader van de voorwaarden expliciet te
formuleren waar de bepaaldheid uit bestaat.
Daarnaast dienen volgens de RSJ meer eisen te worden gesteld aan de concretisering van
‘bepaalde’ in de beslissing van de directeur en/of redengeving van de toepassing van een
voorwaarde. Hoe ruimer de formulering in de wet in combinatie met het ontbreken van
enige motiveringsplicht voor de directeur die de voorwaarden opstelt, des te meer ruimte
de directeur krijgt om voorwaarden niet concreet te ‘bepalen’ en deze breed te
formuleren. Het is van belang duidelijkheid te creëren voor de gedetineerde, zodat deze
weet waar hij aan toe is. Nu bijvoorbeeld in de wet wordt gesproken over een ‘bepaalde
locatie’ is dit zo weinig specifiek, dat dit ook door de directeur zo ingevuld kan worden dat
deze zich niet hoeft te beperken tot gespecificeerde locaties, 9 zoals specifieke straten,
woonadressen of winkels in gemeenten, maar een gehele gemeente zou kunnen rekenen
tot deze ‘locatie’. 10
Aanbevelingen:
•   De RSJ adviseert gedetineerden die op een beperkt beveiligde afdeling zijn geplaatst
    voor deelname aan het PP in aanmerking dienen te komen.
•   De RSJ beveelt aan in de memorie van toelichting voorbeelden te noemen van
    situaties waarin elektronisch toezicht aangewezen is.
•   De RSJ adviseert de voorwaarden in artikel 9, eerste lid, onder d t/m g Pm te
    formuleren als bijzondere voorwaarden.
•   De RSJ adviseert in de wet te verduidelijken wat wordt verstaan onder het adjectief
    ‘bepaalde’.
7
   B.W.A. Jue-Volker, ‘Vrijheidsbeperking als strafrechtelijke sanctie’, Sancties 2018/64.
8
   Zie bijvoorbeeld HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1400; HR 24 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:667
   en HR 12 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:338.
9
   B.W.A. Jue-Volker, ‘Vrijheidsbeperking als strafrechtelijke sanctie’, Sancties 2018/64, p. 343
   waarin als voorbeeld de kortgedingprocedure van de advocaat van Benno L. wordt genoemd met
   betrekking tot de bijzondere voorwaarden bij zijn invrijheidsstelling over het locatieverbod
   Rechtbank Den Haag 6 oktober 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:12142.
10
   Volgens B.W.A. Jue-Volker, ‘Vrijheidsbeperking als strafrechtelijke sanctie’, Sancties 2018/64, p.
   343: “Het ontbreken van een nadere duiding van de gekozen terminologie voor vrijheidsbeperking
   door de wetgever en de sterk casuïstische rechtspraak, zet de deur op een kier naar vergaande
   invullingen of varianten van vrijheidsbeperking, waarvoor geen expliciete wettelijke grondslag is”.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>                                                                                             4
•   De RSJ adviseert in de memorie van toelichting op te nemen dat de directeur de
    gestelde voorwaarden moet motiveren en concretiseren.
2. Toekennen van de v.i.
Het tweede aandachtspunt betreft het achterwege blijven van de v.i.-verlening indien
voor de gedetineerde geen aanvaardbare verblijfplaats beschikbaar is.
Volgens de toelichting op het Uitvoeringsbesluit is het vereiste van de aanvaardbare
verblijfplaats noodzakelijk in situaties waarin de veroordeelde in afwachting is van een
plaatsing in een instelling, maar deze plaatsing niet meteen mogelijk blijkt. 11 Momenteel
kampen veel instellingen met (lange) wachttijden, sommigen zelfs van enkele maanden
tot een jaar. Het kan hierdoor voorkomen dat de v.i.-verlening langere tijd wordt
uitgesteld.
Het is de RSJ niet duidelijk in welke gevallen verblijfplaatsen als ‘niet aanvaardbaar’
kunnen worden bestempeld. De RSJ ziet het risico dat de aanvaardbare verblijfplaats
breder wordt opgevat dan nu in de toelichting staat, waardoor bepaalde locaties snel als
niet aanvaardbaar kunnen worden bestempeld. De vraag is wanneer een verblijfplaats
(niet) aanvaardbaar is. Sommige gedetineerden hebben geen zelfstandige woonruimte en
komen hierdoor bijvoorbeeld terecht op een opvanglocatie waar ook verslaafden wonen.
De RSJ is van mening dat zo’n plaats ook een aanvaardbare verblijfplaats kan zijn, zolang
zo’n verblijfplaats geen risico vormt voor recidive. De aanvaardbaarheid van een
verblijfplaats verschilt per geval, om die reden is maatwerk op zijn plaats.
Daarnaast is onduidelijk bij wie de verantwoordelijkheid ligt een aanvaardbare
verblijfplaats te realiseren. Het gevaar bestaat dat het niet beschikken over een
aanvaardbare verblijfplaats een (te) makkelijke reden kan worden om iemand
gedetineerd te houden en de v.i.-verlening niet toe te kennen. Het is opmerkelijk dat het
vinden van een verblijfplaats enerzijds één van de vijf basisvoorwaarden is waar een
inspanningsverplichting geldt voor bijvoorbeeld DJI, reclassering en gemeente, maar in
het kader van het toekennen van de v.i.-verlening een resultaatverplichting voor de
veroordeelde is. In beginsel is de gedetineerde verantwoordelijk voor de eigen re-
integratie. Het vinden van een aanvaardbare verblijfplaats hangt niet (altijd) samen met
het gedrag van de gedetineerde. Op het vinden van een verblijfplaats heeft de
gedetineerde doorgaans weinig invloed. Het is een te zware last voor de gedetineerde om
voor het regelen van een verblijfplaats alleen verantwoordelijk te zijn.
De consequentie van het voornoemde is groot; als de gedetineerde geen aanvaardbare
verblijfplaats heeft of vindt, blijft deze in de PI gedetineerd. Dit is problematisch in het
licht van het resocialisatiebeginsel. 12 De gefaseerde overgang naar de maatschappij is
belangrijk voor een goede en veilige resocialisatie en daarmee een veilige samenleving.
Van de zijde van de overheid moeten voldoende inspanningen worden geleverd om een
aanvaardbare verblijfplaats voor gedetineerden te realiseren.
11
   Uitvoeringsbesluit wet Straffen en beschermen, p. 25.
12
   Artikel 2 Pbw.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>                                                                                                 5
Aanbevelingen:
•  De RSJ adviseert in de memorie van toelichting te concretiseren wat verstaan wordt
   onder een ‘aanvaardbare’ verblijfplaats.
•  De RSJ adviseert het Uitvoeringsbesluit zo aan te passen dat het achterwege blijven
   van de v.i. vanwege het ontbreken van een aanvaardbare verblijfplaats alleen dan
   mogelijk is als dit gebrek een aantoonbaar risico vormt voor recidive.
3. Gegevensverwerking ten behoeve van het D&R-plan
Het derde aandachtspunt betreft de nieuwe wettelijke grondslag voor de
gegevensverwerking door de reclassering, de directeur van de inrichting en gemeenten
ten behoeve van het D&R-plan. Het gaat hierbij om de gegevens van de gedetineerde die
zien op de zogeheten vijf basisvoorwaarden voor een geslaagde re-integratie.
Beschikbare gegevens kunnen op grond van het Uitvoeringsbesluit onderling aan elkaar
worden verstrekt voor zover dit ten behoeve van de detentie en het realiseren van een
geslaagde re-integratie en het bieden van nazorg noodzakelijk is.
De RSJ vindt het positief dat veel aandacht wordt besteed aan de inbedding van de vijf
basisvoorwaarden in het Uitvoeringsbesluit.
De RSJ heeft zich er eerder over uitgelaten bewust te zijn van de behoefte aan een
wettelijke grondslag voor het uitwisselen van gegevens in het kader van een goede re-
integratie van de ex-gedetineerde in de samenleving. 13 De uitwisseling van gegevens
over deze vijf basisvoorwaarden, zonder toestemming van de gedetineerde, raakt echter
het recht op privacy. Het is reeds enige tijd mogelijk justitiële gegevens te delen, waarbij
de grondslag de openbare orde en veiligheid is. Met de invoering van het
Uitvoeringsbesluit staat de uitwisseling van niet-justitiële gegevens echter in het teken
van de re-integratie van de gedetineerde. De RSJ is van mening dat deze niet-justitiële
gegevens niet zonder toestemming van de gedetineerde mogen worden verstrekt. 14 Het
verlenen van medewerking door de gedetineerde moet actief worden gestimuleerd. De
RSJ is zich bewust van het risico dat de gedetineerde geen toestemming verleent tot
gegevensuitwisseling. Echter is de RSJ van mening dat gegevensuitwisseling ten behoeve
van re-integratie van andere orde is dan de veiligheid en openbare orde en daarom het
belang van de privacy van de gedetineerde zwaarder dient te wegen.
Aanbeveling:
•   De RSJ adviseert toestemming van de gedetineerde te vereisen bij
    gegevensverwerking van niet-justitiële gegevens.
4. Actualisatie van de regeling inzake het dagprogramma
In het besluit wordt tot slot de regeling inzake het dagprogramma geactualiseerd.
Dit leidt tot een wijziging van artikel 3 Pm. Tot op heden is het regime van algehele
gemeenschap, met de in artikel 3 Pm geformuleerde invulling daarvan (dagprogramma
13
   Advies wijziging Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens, RSJ 2018.
14
   De RSJ verwijst naar het eerder ingenomen standpunt over de gegevensuitwisseling in het Advies
   wijziging Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens, RSJ 2018.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>                                                                                        6
van minimaal 59 uur per week, met daarin tussen de 18 en 63 uren per week aan
activiteiten en bezoek) het uitgangspunt. Deze invulling komt min of meer overeen met
het in het Uitvoeringsbeleid genoemde plusprogramma. Na invoering van het
Uitvoeringsbesluit wordt dit in zoverre gewijzigd dat het regime van algehele
gemeenschap ook kan worden ingevuld op basis van het voorgestelde basisprogramma,
wat na invoering de standaard zal zijn. Dit programma biedt een veel soberder
dagprogramma van 42,5 uur per week, waarin ten minste 22,5 uur per week aan
activiteiten en bezoek worden aangeboden.
Dit heeft tot gevolg dat het Uitvoeringsbesluit een wettelijke grondslag biedt voor een
verschraling van het dagprogramma in vergelijking met de huidige situatie. De RSJ
betreurt deze ontwikkeling en heeft zich hier reeds over uitgelaten. De RSJ wijst deze
wijziging af en herhaalt het standpunt dat de invulling van het dagprogramma zou
moeten blijven zoals het was, zoals neergelegd in het advies Wijziging Regeling SPOG
i.v.m. het promoveren en degraderen binnen het gevangeniswezen uit 2013 en het advies
Promoveren en degraderen in detentie uit 2020.
Aanbeveling:
•   De RSJ adviseert de voorgestelde wijziging van artikel 3, tweede lid onder a Pm
    achterwege te laten.
Met vriendelijke groet,
namens de Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en
Jeugdbescherming
Frederieke Leeflang
Algemeen voorzitter
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>