<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>          Aan de Staatssecretaris van
          Volksgezondheid, Welzijn en Sport
          Dhr. P. Blokhuis
          Postbus 20350
          2500 EJ Den Haag
   Datum  3 juli 2020                         Uw kenmerk    n.v.t.
   E-mail adviesrsj@minjenv.nl               Ons kenmerk    RSJ/101/2946955/2020/IK/TvV
Onderwerp Advies Reparatiewetsvoorstel Wvggz en Wzd
          Geachte heer Blokhuis,
          De Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming
          (hierna: de RSJ) heeft met interesse kennis genomen van de Reparatiewet met
          betrekking tot de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) en de Wet zorg en
          dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (Wzd). In deze
          Reparatiewet wordt onder andere aandacht besteed aan de rechtspositie van reguliere
          ggz-patiënten die tijdelijk in een instelling voor de verpleging van ter beschikking
          gestelden (hierna: tbs-kliniek) worden geplaatst. De RSJ heeft recent nog aandacht
          gevraagd voor deze rechtspositie in het advies Conceptwetsvoorstel Reparatiewet
          forensische zorg.1 Het stemt de RSJ positief te zien dat daar in de Reparatiewet Wvggz en
          Wzd verder op wordt in gegaan.
          Het kan voorkomen dat reguliere ggz-patiënten (zonder strafrechtelijke titel) worden
          geplaatst in een tbs-kliniek. Het gaat hierbij om een kleine groep patiënten waarbij
          plaatsing in een tbs-kliniek is aangewezen aangezien alleen daar het noodzakelijke
          beveiligingsniveau kan worden geboden.2 De rechtspositie van deze groep patiënten was
          lange tijd onduidelijk gezien het samengaan van regels en beperkingen voortvloeiend uit
          zowel de Wvggz als uit de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt).
          De memorie van toelichting bij de Reparatiewet Wvggz en Wzd maakt nu duidelijk dat het
          systeem van de Wvggz met deze plaatsing niet wordt doorbroken en dat het klachtrecht
          onder de Wvggz tevens uitgeoefend kan worden ten aanzien van de – van
          overeenkomstige toepassing verklaarde – onderdelen van de Bvt.
          De RSJ geeft via deze brief graag een inhoudelijke reactie op deze verduidelijking uit de
          Reparatiewet Wvggz en Wzd. Hierbij noemt de RSJ de volgende aandachtspunten:
          1
              RSJ, Advies conceptwetsvoorstel Reparatiewet forensische zorg, 4 februari 2020, p. 5-6.
          2
              Consultatieversie Reparatiewet Wvggz en Wzd (memorie van toelichting), p. 16-17.
          1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>                                                                                               2
     1. Ontbrekende klachtmogelijkheid bij plaatsing op grond van
          artikel 8:11 Wvggz
De Wvggz geeft de rechter de mogelijkheid om in de zorgmachtiging op te nemen dat een
reguliere ggz-patiënt in een tbs-kliniek wordt geplaatst. Dit staat in artikel 6:4 lid 3 en 4
Wvggz. Artikel 6:4 lid 5 Wvggz vereist in dat geval dat een aantal onderdelen van de Bvt
(de zogeheten ‘beheersbevoegdheden’) in de zorgmachtiging van overeenkomstige
toepassing wordt verklaard. Naast deze mogelijkheid is plaatsing van reguliere ggz-
patiënten in een tbs-kliniek mogelijk in geval van een noodsituatie, op grond van artikel
8:11 Wvggz. Artikel 8:12 lid 8 Wvggz bepaalt in dat geval, net als artikel 6:4 lid 5 Wvggz,
dat enkele onderdelen van de Bvt voor de duur van deze plaatsing van overeenkomstige
toepassing worden verklaard.
In de Reparatiewet Wvggz en Wzd wordt door toevoeging van lid 2 aan artikel 10:3
Wvggz duidelijk dat de ggz-patiënt een klachtrecht toekomt ten aanzien van beslissingen
die zijn genomen op grond van de Bvt-onderdelen genoemd in artikel 6:4 lid 5 Wvggz.
Deze aanpassing van artikel 10:3 Wvggz ziet hiermee enkel op een plaatsing in de tbs-
kliniek op grond van artikel 6:4 lid 3 en 4 Wvggz jo. artikel 6:4 lid 5 Wvggz. Plaatsing op
grond van artikel 8:11 Wvggz jo. artikel 8:12 lid 8 Wvggz wordt hier niet genoemd. Ten
aanzien van deze groep patiënten kan daardoor onzekerheid over de rechtspositie blijven
bestaan.
     o    De RSJ adviseert om in artikel 10:3 lid 2 Wvggz zowel naar artikel 6:4 lid 5
          Wvggz, als naar artikel 8:12 lid 8 Wvggz te verwijzen.
     2. Verwijzing naar vervallen Bvt-artikelen
In het voorgestelde artikel 10:3 lid 2 Wvggz wordt verwezen naar artikel 7 lid 1 en 3 Bvt.
Artikel 7 Bvt is echter per 1 januari 2019 komen te vervallen. Eenzelfde tekst is nu
opgenomen in artikel 3:4 lid 1 en 2 Wet forensische zorg (Wfz).
     o    De RSJ adviseert in artikel 10:3 lid 2 Wvggz te verwijzen naar artikel 3:4 lid 1 en
          2 Wfz, in plaats van naar artikel 7 lid 1 en 3 Bvt.
     3. Ontbrekende klachtmogelijkheid bij overgedragen bevoegdheden
          (artikel 7 lid 2 Bvt, toekomstig artikel 3 Bvt)
In artikel 6:4 lid 5 Wvggz en artikel 8:12 lid 8 Wvvgz wordt in het geheel niet verwezen
naar artikel 7 lid 2 Bvt. Hierdoor kan over de toepassing van dit artikellid niet worden
geklaagd op grond van artikel 10:3 Wvggz.
In artikel 7 lid 2 Bvt stond de mogelijkheid geregeld voor het hoofd van de tbs-kliniek om
bevoegdheden over te dragen aan personeelsleden en medewerkers. Een dergelijke
overdrachtmogelijkheid helpt de praktijk in de uitvoering van de beheersbevoegdheden
uit de Bvt.3 In geval van overdracht van deze bevoegdheden is het van belang dat een
reguliere ggz-patiënt, die tijdelijk in een tbs-kliniek verblijft, een klachtmogelijkheid heeft
ten aanzien van de beslissingen die daaruit voortvloeien.
De tekst van artikel 7 lid 2 Bvt staat nu opgenomen in artikel 3.6 lid 1 Besluit forensische
zorg. In de Reparatiewet van de Wet forensische zorg is er echter voor gekozen deze
materie weer op wettelijk niveau te regelen. Daartoe is voorgesteld deze tekst op te
nemen in het toekomstige artikel 3 Bvt.
3
    T.A.M. Louwe, ‘De rechtspositie van ggz-patiënten die met een zorgmachtiging worden opgenomen
    in tbs-klinieken: wettelijk hiaat in rechtsbescherming’, Journaal Ggz en Recht 2020/3.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>                                                                                                3
     o    De RSJ adviseert het toekomstige artikel 3 Bvt van overeenkomstige toepassing
          te verklaren in artikel 6:4 lid 5 Wvggz en artikel 8:12 lid 8 Wvggz. Daarnaast
          wordt geadviseerd het toekomstige artikel 3 Bvt te noemen in artikel 10:3 lid 2
          Wvggz.
     4. Gecombineerde beklag- en klachtencommissie
In de memorie van toelichting bij de Reparatiewet Wvggz en Wzd staat dat het is
toegestaan om de beklagcommissie, die reeds is aangesloten bij de tbs-kliniek, zodanig in
te richten dat zowel aan de eisen van de Bvt als aan de eisen uit hoofdstuk 10 Wvggz
wordt voldaan.4 Tot 2020 hebben beklagcommissies, aangesloten bij een tbs-kliniek,
mede als klachtencommissie op basis van de Wet Bijzondere opnemingen psychiatrische
ziekenhuizen (Wet Bopz) gefunctioneerd. De RSJ erkent dat hiermee in de vereiste
structuur voor een adequate behandeling van klachten van deze specifieke groep
patiënten wordt voorzien. Gezien de complexiteit van de onderhavige regelgeving vraagt
deze oplossing om een nauwgezette implementatie en evaluatie.
     o    De RSJ adviseert in de memorie van toelichting specifieker te zijn over de
          inrichting van de beklagcommissies, zodat duidelijk is op welke manier aan zowel
          de eisen van de Bvt als aan de eisen uit hoofdstuk 10 Wvggz wordt voldaan.
     o    De RSJ adviseert om de afhandeling van Wvggz-klachten betreffende
          beheersmatige aspecten binnen de tbs-kliniek bij toekomstige evaluaties expliciet
          te benoemen.
     5. Rechtsbescherming met betrekking tot de informatie- en hoorplicht
In artikel 6:4 lid 5 Wvggz en artikel 8:12 lid 8 Wvggz zijn artikel 7 lid 1 en 3 Bvt, artikel
42 lid 5 Bvt, artikel 44 Bvt en de hoofdstukken V, VI en VII van de Bvt voor de duur van
de plaatsing van overeenkomstige toepassing verklaard. De betreffende ggz-patiënt kan
hierdoor onder meer worden beperkt in zijn bewegingsvrijheid en in zijn contact met de
buitenwereld. Hoofdstuk XII Bvt regelt een informatie- en hoorplicht met betrekking tot
een aantal van deze beheersbevoegdheden.
Nu hoofdstuk XII niet wordt genoemd in het voorgestelde artikel 10:3 lid 2 Wvggz, lijkt
het erop dat bij de behandeling van klachten niet hoeft te worden getoetst op het naleven
van deze informatie- en hoorplicht.5 Het is de RSJ niet duidelijk waarom reguliere ggz-
patiënten binnen de tbs-kliniek niet dezelfde rechten hebben met betrekking tot de
informatie- en hoorplicht als tbs-gestelden.
     o    De RSJ adviseert enkele onderdelen van hoofdstuk XII Bvt van overeenkomstige
          toepassing te verklaren in artikel 6:4 lid 5 Wvggz en artikel 8:12 lid 8 Wvggz en
          daar tevens naar te verwijzen in artikel 10:3 lid 2 Wvggz. In dat kader kunnen
          artikel 53, lid 1, 3 en 4 Bvt en artikel 54, lid 1 en 3 Bvt van overeenkomstige
          toepassing worden verklaard. Hierbij moet in artikel 54 lid 3 Bvt expliciet worden
          opgenomen dat het hoofd van de tbs-kliniek in zijn beslissing vermeldt dat de
          rechtsmiddelen niet op grond van de Bvt bij de beklagcommissie van de tbs-
          kliniek open staan, maar bij de klachtencommissie op grond van de Wvggz.
De RSJ hoopt u met bovenstaande aandachtspunten van dienst te zijn geweest en is
graag bereid tot een nadere toelichting.
4
    Consultatieversie Reparatiewet Wvggz en Wzd (memorie van toelichting), p. 16-17.
5
    T.A.M. Louwe, ‘De rechtspositie van ggz-patiënten die met een zorgmachtiging worden opgenomen
    in tbs-klinieken: wettelijk hiaat in rechtsbescherming’, Journaal Ggz en Recht 2020/3.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>                                                                        4
Met vriendelijke groet,
Namens de Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en
Jeugdbescherming,
Frederieke Leeflang, algemeen voorzitter
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>