<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>          Aan de minister voor Rechtsbescherming
          De heer drs. S. Dekker
          Postbus 20301
          2500 EH Den Haag
Datum     18 juni 2020                   Uw kenmerk         2897113
E-mail    adviesrsj@minjenv.nl           Ons kenmerk RSJ/101/3164/2020/ML/TvV
Onderwerp Consultatie Wet kind, draagmoederschap en afstamming
          Geachte heer Dekker,
          Op 24 april 2020 ontving de Afdeling advisering van de RSJ uw consultatiebrief over het
          conceptwetsvoorstel kind, draagmoederschap en afstamming. 1 Dit wetsvoorstel
          introduceert een wettelijke regeling voor draagmoederschap met als doel de positie van
          alle betrokkenen bij draagmoederschap beter te beschermen. In dit advies geeft de RSJ
          een reactie op het wetsvoorstel.
          Bij de beoordeling van het wetsvoorstel heeft de RSJ zich de vraag gesteld of de
          voorgestelde draagmoederschapsregeling vanuit juridisch-ethisch perspectief een goede
          regeling is voor alle betrokkenen, in het bijzonder voor het kind gegeven de taakstelling
          van de RSJ omtrent jeugdbescherming. Voorafgaand aan deze beoordeling staan we stil
          bij de vraag óf, en zo ja, waarom een wettelijke regeling wenselijk is.
          1. Wettelijke regeling voor draagmoederschap wenselijk
          Een wettelijke regeling voor draagmoederschap geeft alle betrokkenen meer
          rechtszekerheid en rechtsbescherming dan tot nu toe het geval is.
          Met een regeling wordt voor het kind direct vanaf de geboorte duidelijk wie de juridische
          ouders zijn en wie de verantwoordelijkheid dragen voor de verzorging en opvoeding op de
          1
             De titel van het wetsontwerp luidt voluit: ‘Voorstel tot wijziging van Boek 1 en Boek 10 van het
             Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten in verband met de introductie van met name een
             regeling voor draagmoederschap en een versterking van het recht van het kind op
             afstammingsinformatie (Wet kind, draagmoederschap en afstamming)’.
          2500 GC Den Haag
         Postbus 30137
          www.rsj.nl
         2500 GC Den Haag
         www.rsj.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>lange termijn. Deze duidelijkheid en zekerheid is in het belang van het kind. 2 Bovendien
waarborgt een wettelijke regeling essentiële rechten van het kind die bij
draagmoederschap op het spel staan. 3 Denk bijvoorbeeld aan het recht van het kind op
een naam en nationaliteit vanaf de geboorte, 4 het recht op behoud van de identiteit, 5 het
recht van het kind op kennis over zijn of haar ontstaansgeschiedenis, 6 het recht op
bescherming van de menselijke waardigheid 7 en het recht om beschermd te worden
tegen kinderkoop. 8 Het ligt op de weg van de overheid om die rechten van het
(toekomstige) kind te waarborgen en met een wettelijke regeling als deze geeft de
overheid invulling aan haar verantwoordelijkheid.
Voor de wensouders en de draagmoeder geeft een wettelijke regeling met name meer
zekerheid over hun positie en verantwoordelijkheid ten opzichte van het kind en elkaar.
De RSJ acht het dan ook - voor alle direct betrokkenen - zeer wenselijk dat een wettelijke
regeling voor draagmoederschap wordt ingevoerd.
2. Beoordeling wettelijke regeling
Met de introductie van deze wettelijke regeling geeft het kabinet een vervolg aan het
advies van de Staatscommissie Herijking ouderschap. 9 De RSJ spreekt haar waardering
uit voor de wijze waarop het conceptwetsvoorstel is voorbereid. De memorie van
toelichting is in heldere taal geschreven en in de toelichting wordt rekening gehouden met
de existentiële betekenis van de kinderwens en het ouderschap. Daarmee wordt recht
gedaan aan de kwetsbare positie van de betrokkenen bij een draagmoederconstructie.
Draagmoederschap raakt aan essentiële kwesties van het persoonlijk leven. Met het
wetsvoorstel formuleert de overheid rechten en plichten voor burgers in de rol van
draagmoeder en wensouder en waarborgt zij rechten voor kinderen. Omdat plichten
worden opgelegd die de vrijheid van burgers mogelijk beperken, is het essentieel dat
deze goed gemotiveerd worden in de toelichting op de wet.
De RSJ meent dat het wetsvoorstel met name op dit punt nog verbeterd kan worden. De
specifieke verbeterpunten worden hieronder per onderwerp uitgewerkt en monden telkens
uit in een concrete aanbeveling.
2
   Zonder een wettelijke regeling liggen het juridisch ouderschap en de ouderlijke
   verantwoordelijkheid na de geboorte bij de draagmoeder en mogelijk bij haar echtgeno(o)t(e) of
   geregistreerd partner, en niet bij de wensouders die het hele traject hebben geïnstigeerd. Dit kan
   ertoe leiden dat, gedurende een korte of langere periode, de feitelijke en de juridische status van
   het kind niet overeenstemmen, doordat de wensouders in de praktijk de ouders zijn van het kind
   terwijl de draagmoeder en haar eventuele echtgeno(o)t(e) volgens het recht de ouders zijn van
   het kind. Een wettelijke regeling zorgt ervoor dat de juridische situatie vanaf de geboorte kan
   aansluiten op de feitelijke situatie.
3
   Zie voor een uitgebreide bespreking van alle relevante rechten van het kind: Staatscommissie
   Herijking ouderschap, Kind en ouders in de 21ste eeuw, Den Haag 2016, p. 30 e.v.
4
   Art. 7 lid 1 IVRK; art. 7 lid 2 IVRK.
5
   Art. 8 lid 1 IVRK.
6
   Dit recht ligt besloten in art. 7 en art. 8 IVRK en in art. 8 EVRM; Staatscommissie Herijking
   ouderschap, Kind en ouders in de 21ste eeuw, Den Haag 2016, p. 36-38.
7
   Art. 1 Handvest van de grondrechten van de EU.
8
   Art. 35 IVRK.
9
   Staatscommissie Herijking ouderschap, Kind en ouders in de 21ste eeuw, Den Haag 2016.
                                                     2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>a.   Geboorteakte
De voorgestelde regeling maakt het mogelijk dat de wensouders vanaf de geboorte
worden aangemerkt als de juridische ouders indien zij vóór de conceptie een gezamenlijk
verzoek met de draagmoeder indienen bij de rechtbank. 10 Wanneer de rechter dit verzoek
tot gerechtelijke toekenning van ouderschap na draagmoederschap toewijst, worden de
wensouders direct na de geboorteaangifte als juridische ouders van het kind op de
geboorteakte vermeld. Ook zal de draagmoeder op het vervolgblad van de geboorteakte
worden vermeld. 11 Volgens de memorie van toelichting wordt hiermee recht gedaan aan
de rol die de draagmoeder heeft vervuld. Ook vormt het een extra mogelijkheid voor het
kind om deze informatie over zijn of haar afkomst te achterhalen.
De RSJ vindt het essentieel dat vanaf de geboorte helder is wie de juridische ouders zijn.
Dat de wensouders op de geboorteakte komen te staan, sluit aan bij de strekking van de
regeling. De RSJ acht het van belang dat het kind ook inzage heeft in de informatie over
zijn of haar ontstaansgeschiedenis. Voorwaarde daarvoor is dat de ouders het kind
vertellen dat het uit een draagmoeder is geboren. 12 De RSJ begrijpt de keuze om de
draagmoeder op het vervolgblad van de geboorteakte te noemen, maar ziet wel de
volgende twee belangrijke aandachtspunten.
Ten eerste stelt de RSJ vast dat de informatie omtrent de geboorte uit de draagmoeder
wordt beschermd door het recht van het kind op privacy. 13 Dit betekent dat deze privé-
informatie op het vervolgblad met name relevant is voor het kind en niet zichtbaar dient
te zijn voor anderen die de geboorteakte, of een uittreksel daarvan, opvragen. De RSJ
acht het wenselijk dat dit scherper benadrukt of uitgewerkt wordt in de memorie van
toelichting.
         Aanbeveling
         Benadruk in de memorie van toelichting dat de informatie over de draagmoeder
         op het vervolgblad van de geboorteakte, privé-informatie is voor het kind en
         motiveer waarom dat belangrijk is.
Ten tweede roept het vermelden van de draagmoeder op het vervolgblad van de
geboorteakte de vraag op hoe deze vermelding zich verhoudt tot (de toegang tot)
informatie over de ontstaansgeschiedenis in het nog op te zetten afstammingsregister. 14
In het bijzonder vraagt de RSJ zich af onder welke omstandigheden en vanaf welk
moment het kind deze gegevens over de draagmoeder op de geboorteakte in kan zien, al
dan niet met het doel afstammingsgegevens te achterhalen. En of er dan een beroep kan
10
   Concept memorie van toelichting Wet kind, draagmoederschap en afstamming, p. 11.
11
   Idem.
12
   De ouder met gezag, die verantwoordelijk is voor het geestelijk welzijn en de persoonlijke
   ontwikkeling van het kind, behoort informatie over de afstamming/ ontstaansgeschiedenis te
   geven aan het kind. Deze plicht wordt met dit wetsvoorstel expliciet neergelegd in art. 1:247 lid 3
   BW.
13
   Art. 16 IVRK en art. 8 EVRM.
14
   In het afstammingsregister zal naast gegevens over de biologische afstamming, informatie zoals
   de beschikking van de rechter en de draagmoederschapsovereenkomst worden opgenomen, zie:
   Concept memorie van toelichting Wet kind, draagmoederschap en afstamming, p. 18-19.
                                                  3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>worden gedaan door het kind op de begeleiding die thans ook wordt aangeboden aan
donorkinderen.
De RSJ benadrukt in dit verband dat bij het ontwerpen van de toegang tot
afstammingsinformatie via de geboorteakte en het afstammingsregister op passende
wijze rekening dient te worden gehouden met de groeiende autonomie van het kind (art.
5 IVRK).
           Aanbeveling
           Licht in de memorie van toelichting toe hoe de informatie over de draagmoeder
           op het vervolgblad van de geboorteakte zich verhoudt tot de (toegang tot de)
           informatie over de ontstaansgeschiedenis in het afstammingsregister. Geef
           daarbij ook aan onder welke omstandigheden en vanaf welk moment het kind de
           geboorteakte, met gegevens over de draagmoeder, in kan zien en hoe hierbij
           rekening wordt gehouden met de groeiende autonomie van het kind.
b.   Verplichte voorlichting en counseling
De voorgestelde draagmoederschapsregeling stelt als voorwaarde dat de wensouders en
de draagmoeder eerst voorlichting en counseling dienen af te ronden, vóórdat zij een
verzoek tot gerechtelijke toekenning van het ouderschap na draagmoederschap bij de
rechter kunnen indienen. 15 In de memorie van toelichting wordt uitgelegd dat de
voorlichting en counseling beoogt dat alle betrokken partijen weten waaraan ze beginnen
en geïnformeerde toestemming kunnen geven. 16 Ook moet het problemen tussen de
draagmoeder en de wensouders zoveel mogelijk voorkomen. 17 Voorts staat in de
toelichting dat contra-indicaties die uit de counseling naar voren komen, worden
opgenomen in het verslag dat wordt overgelegd aan de rechter. 18 De rechter kan hier
vervolgens rekening mee houden bij zijn beslissing. 19 Hij kan naar aanleiding van de
contra-indicaties de Raad voor de Kinderbescherming vragen om nader onderzoek te
verrichten als hij twijfelt aan de geschiktheid om wensouder of draagmoeder te worden. 20
De RSJ vindt het positief dat de wetgever met deze draagmoederschapsregeling nastreeft
de grote verschillen in waarborgen tussen de medisch geassisteerde
(hoogtechnologische 21) en de niet-medisch geassisteerde (laagtechnologische 22)
15
   Zie artikel 215 lid 1 sub a Wet kind, draagmoederschap en afstamming (consultatieversie).
16
   Concept memorie van toelichting Wet kind, draagmoederschap en afstamming, p. 12.
17
   Idem.
18
   De inhoud van de voorlichting en counseling en hoe verslag zal worden gedaan, zal bepaald
   worden bij aanwijzing van rechtspersonen die gerechtigd zijn tot het geven van deze voorlichting
   (na overleg met ivf-klinieken, belangenorganisaties en de Raad voor de Kinderbescherming).
19
   Concept memorie van toelichting Wet kind, draagmoederschap en afstamming, p. 12.
20
   Concept memorie van toelichting Wet kind, draagmoederschap en afstamming, p. 14.
21
   Bij hoogtechnologisch draagmoederschap wordt met de vruchtbaarheidsbehandeling in-vitro-
   fertilisatie (ivf) uit een eicel en een zaadcel een embryo gecreëerd, dat in de baarmoeder van de
   draagmoeder wordt teruggeplaatst.
22
   Bij laagtechnologisch draagmoederschap, ook wel traditioneel draagmoederschap genoemd, komt
   de zwangerschap van de draagmoeder door middel van geslachtsgemeenschap of met behulp van
   kunstmatige inseminatie tot stand.
                                                      4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>draagmoederschappen gelijk te trekken. 23 De waarborg van voorlichting en counseling
draagt volgens de RSJ bij aan een weloverwogen keuze voor draagmoederschap hetgeen
indirect ook het belang van het toekomstige kind dient.
De RSJ constateert dat betrokkenen niet verplicht zijn om van deze specifieke regeling
voor draagmoederschap gebruik te maken. 24 De huidige mogelijkheden om het juridisch
ouderschap en het ouderlijk gezag van de draagmoeder naar de wensouders over te
dragen blijven bestaan. 25 Dit acht de RSJ realistisch en een oplossing voor de fait-
accompli-situatie. 26 De juridische erkenning van de feitelijke/biologische ouderschapsband
van de wensouders in laatstgenoemde situatie is in beginsel conform het recht van het
kind op privéleven zoals uitgelegd in EHRM-jurisprudentie. 27 Tegelijkertijd wil de RSJ
wijzen op de volgende twee punten die een drempel opwerpen tot gebruikmaking van de
draagmoederschapsregeling.
Ten eerste kunnen wensouders en draagmoeder de kosten van het traject als een
drempel ervaren. In de memorie van toelichting staat dat ouders de counseling door een
BIG-geregistreerde psycholoog en jurist of advocaat zelf zullen betalen. Dit kan een
gelijke toegang tot de draagmoederschapsregeling ondermijnen en kan mensen met een
lager inkomen benadelen. De RSJ vindt het daarom belangrijk dat de kosten voor de
verplichte counseling billijk zijn en gelijke toegankelijkheid tot een geregelde
draagmoederconstructie gewaarborgd wordt.
         Aanbeveling
         Reguleer de kosten van de counseling zodat gelijke toegang tot een wettelijke
         draagmoederregeling gewaarborgd wordt en een onnodige drempel om van deze
         regeling gebruik te maken voorkomen wordt.
Een tweede punt is dat de counseling zelf een extra drempel kan zijn. De verplichte
counseling heeft in de voorgestelde regeling een ambivalent karakter.
Enerzijds beoogt deze counseling begeleiding van en advies aan betrokkenen en
anderzijds heeft ze ook een controlerende functie. De professional heeft namelijk de plicht
om eventuele contra-indicaties in het verslag aan de rechter te vermelden. Dit
ambivalente karakter kan een extra drempel zijn voor ouders om te kiezen voor de
23
   Hoogtechnologisch draagmoederschap kent vele waarborgen. De toegang tot dit traject wordt
   gereguleerd via vergunningsvoorwaarden voor ivf-klinieken en medische beroepsrichtlijnen. Elk
   traject wordt voorzien van voorlichting en counseling. Voor laagtechnologisch draagmoederschap
   gelden geen vergelijkbare waarborgen.
24
   Concept memorie van toelichting Wet kind, draagmoederschap en afstamming, p. 20.
25
   Zie voor een schema van deze mogelijkheden: Staatscommissie Herijking ouderschap, Kind en
   ouders in de 21ste eeuw, Den Haag 2016, p. 44.
26
   Met fait-accompli-situatie wordt de situatie bedoeld dat de geboorte van een kind uit de
   draagmoeder een voldongen feit (zonder dat gebruik is gemaakt van de speciaal voor
   draagmoeder bestemde regeling om te voorzien in het juridisch ouderschap en gezag van de
   wensouders na de geboorte van het kind).
27
   ECtHR 10 April 2019 (Grand Chamber), ‘Advisory Opinion concerning the recognition in domestic
   law of a legal parent-child relationship between a child born through a gestational surrogacy
   arrangement abroad and the intended mother’.
                                                   5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>wettelijke draagmoederschapsregeling. Counseling kan hierdoor als een ouderschaps-
examen ervaren worden waarvoor men ook kan zakken.
In de memorie van toelichting wordt niet onderbouwd waarom de wetgever aan de
verplichte voorlichting en counseling de verplichte vermelding van eventuele contra-
indicaties (in het verslag aan de rechter) verbindt. Gezien het risico dat het ambivalente
karakter van de verplichte counseling een drempel opwerpt en betrokkenen er toe zou
verleiden die counseling te vermijden door te kiezen voor een de ongeregelde
draagmoederschapsconstructie, zou de koppeling van counseling en ‘controle’ minstens
beter toegelicht moeten worden.
         Aanbeveling
         Rechtvaardig expliciet waarom aan de verplichte voorlichting en counseling een
         verplichte vermelding (in het verslag aan de rechter) van eventuele contra-
         indicaties gekoppeld wordt.
c.  Rechterlijke toetsing
In de memorie van toelichting wordt genoemd dat het van belang is dat het
draagmoederschapstraject vóór de conceptie wordt getoetst door de rechter om de vrije
instemming van alle betrokkenen te beschermen en om een fait-accompli-situatie te
voorkomen. 28
Hier acht de RSJ onvoldoende onderbouwd waarom een rechterlijke beoordeling van het
draagmoederschapstraject noodzakelijk is boven andere alternatieven van toetsing, zoals
een toetsing door een notaris. Een rechterlijke toetsing is ingrijpend voor betrokkenen,
daarom is het van belang dat goed wordt uitgelegd waarom voor dergelijke toetsing
gekozen is in het wetsvoorstel. De RSJ wijst hierbij op het adviesrapport van de
Staatscommissie Herijking ouderschap waarin overtuigend wordt onderbouwd waarom
een rechterlijke beoordeling noodzakelijk is. 29
         Aanbeveling
         Onderbouw in de memorie van toelichting waarom een rechterlijke toetsing (van
         het draagmoederschapstraject vóór de conceptie) noodzakelijk is en waarom
         dergelijke toetsing verkozen is boven alternatieve vormen van toetsing.
d.  Relevantie genetische verwantschap
Uit de draagmoederschapsovereenkomst, die betrokkenen in het kader van de
draagmoederschapsregeling overleggen, moet in beginsel blijken dat tenminste één van
de wensouders de genetische ouder van het kind zal zijn. 30 Volgens de toelichting bij art.
215 lid 1 sub d kan van de eis ‘tenminste één genetische wensouder’ alleen worden
afgeweken indien een genetische verwantschap onmogelijk is. Dat kan bijvoorbeeld zijn
omdat het medisch onmogelijk is om een zaad-of eicel te leveren of omdat het anderszins
medisch onverantwoord zou zijn om een genetische verwantschap te laten ontstaan. De
28
   Concept memorie van toelichting Wet kind, draagmoederschap en afstamming, p. 11.
29
   Staatscommissie Herijking ouderschap, Kind en ouders in de 21ste eeuw, Den Haag 2016, p. 469.
30
   Art. 215 lid 1 sub d Wet kind, draagmoederschap en afstamming (consultatieversie).
                                                6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>wetgever maakt hier een fundamentele keuze zonder dat uitgelegd wordt waarom dit van
belang is. De RSJ acht het wenselijk dat de wetgever uitlegt waarom genetisch
ouderschap van tenminste één wensouder de voorkeur verdient, en uitvoeriger
onderbouwt waarom daarop een uitzondering mogelijk is en in welke gevallen zo’n
uitzondering mogelijk is.
         Aanbeveling
         Leg in de memorie van toelichting uit waarom gekozen is voor het uitgangspunt
         dat tenminste één van de wensouders genetisch verwant is aan het kind; waarom
         daar van afgeweken kan worden, in welke gevallen, en onder welke
         randvoorwaarden.
e.  Bijzondere curator / rechtspositie kind
De voorgestelde draagmoederschapsregeling regelt de totstandkoming van het
ouderschap. Deze regeling wordt ingebed in het afstammingsrecht. Daarmee wordt de
procedure in het kader van de gerechtelijke toekenning van ouderschap na
draagmoederschap juridisch gezien een afstammingszaak.
De RSJ meent dat de draagmoederschapsregeling niet helemaal coherent is aan het
afstammingsrecht. Het kind heeft bij de draagmoederschapsregeling uit het wetsvoorstel
niet de mogelijkheid om het ontstane ouderschap via draagmoederschap van niet-
biologische ouders aan te tasten, terwijl het kind die mogelijkheid wel heeft bij andere
vergelijkbare regelingen omtrent het afstammingsrecht (over totstandkoming van het
ouderschap).
Ook bij de vaststelling van het ouderschap door de rechter, heeft de Staatscommissie
Herijking ouderschap aanbevolen om herroeping van deze vaststelling, net als bij adoptie,
mogelijk te maken in geval van niet biologische/genetische ouderschap. 31 Dat het kind in
de draagmoederschapsregeling niet het recht lijkt te hebben om op latere leeftijd (bij een
niet biologisch/genetisch ouderschap) het juridisch ouderschap van de (wens)ouders aan
te tasten, maakt de rechtspositie van het kind zwakker.
Bovendien wordt in alle afstammingszaken, volgens de huidige wettelijke systematiek,
het minderjarige kind, optredende als verzoeker of als belanghebbende,
vertegenwoordigd door een bijzondere curator. 32 De RSJ vraagt zich af of in het kader
van de procedure van gerechtelijke toekenning van het ouderschap na draagmoederschap
een soortgelijke bijzonder curator aangesteld zou moeten worden.
         Aanbeveling
         Heroverweeg de regeling omtrent de rechtspositie van het kind bij de
         ‘gerechtelijke toekenning van ouderschap na draagmoederschap’, in aanmerking
         genomen dat het kind in het huidige afstammingsrecht altijd de mogelijkheid
31
   Staatscommissie Herijking ouderschap, Kind en ouders in de 21ste eeuw, Den Haag 2016, p. 426.
32
   Art. 1:212 Burgerlijk Wetboek.
                                                7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>          behoudt om niet-biologisch ouderschap aan te tasten en dat een bijzondere
          curator kan worden benoemd.
f.    Onkostenvergoeding
De draagmoederschapsregeling stelt als voorwaarde dat aan de rechter een
draagmoederschapsovereenkomst wordt overgelegd. 33 In deze overeenkomst worden in
ieder geval afspraken opgenomen over de vergoeding van de kosten die zijn verbonden
aan draagmoederschap. 34 De rechter toetst of de vergoeding redelijk is. 35 Welke
(on)kosten in aanmerking komen wordt nog ingevuld in een Algemene Maatregel van
Bestuur. 36
De RSJ vindt het goed dat de draagmoeder een vergoeding van de kosten ontvangt. Een
dergelijke vergoeding is te beschouwen als een onderdeel van een fair contract: twee
contractpartners – wensouders en draagmoeder – behandelen elkaar eerlijk en
gelijkwaardig. Tegelijkertijd is de vaststelling van een vergoeding precair. Het ontbreken
van een vergoeding is niet fair, maar een te hoge vergoeding leidt tot (de suggestie van)
commercieel draagmoederschap of zelfs kinderkoop. De overheid dient alle passende
maatregelen te nemen om te voorkomen dat kinderen als koopwaar worden behandeld
omdat dit de menselijke waardigheid van het kind ondermijnt.37
          Aanbeveling
          Neem passende maatregelen die zien op het tegengaan van kinderkoop.
g.    Internationaal draagmoederschap
Het conceptwetsvoorstel introduceert een specifieke regeling voor de erkenning van
ouderschap na draagmoederschap in het buitenland. De mogelijkheden om ouderschap
dat in het buitenland is ontstaan niet te erkennen zijn beperkt. Het kind heeft het recht
op eerbiediging van diens privéleven en de relatie tot diens ouders maakt daar deel van
uit. 38 Omdat dit recht gehonoreerd moet worden, is het niet erkennen van ouderschap na
draagmoederschap in het buitenland moeilijk.
Ook ontbreekt vooralsnog een internationale regeling van draagmoederschap. 39 In de
memorie van toelichting wordt in dit verband benadrukt dat onwenselijke praktijken in
het buitenland door Nederlandse wensouders wordt tegengegaan met een strafrechtelijke
aanpak van kinderkoop. De regeling in het kader van de strafbaarstelling van de
kinderkoop ontbreekt in dit voorstel. Het voorstel wordt in een apart traject ter
consultatie aangeboden.
33
   Art. 214, lid 4 Wet kind, draagmoederschap en afstamming (consultatieversie).
34
   Art. 216 aanhef, onder a, Wet kind, draagmoederschap en afstamming (consultatieversie).
35
   Art. 215 lid 1 sub f Wet kind, draagmoederschap en afstamming (consultatieversie).
36
   Concept memorie van toelichting Wet kind, draagmoederschap en afstamming, p. 27.
37
   Art. 35 IVRK: De Staten die partij zijn, nemen alle passende nationale, bilaterale en multilaterale
   maatregelen ter voorkoming van de ontvoering of de verkoop van of van de handel in kinderen
   voor welk doel ook of in welke vorm ook. Zie aanvullend: het Facultatief Protocol inzake de
   verkoop van kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie bij het IVRK; Trb. 2001, 130.
38
   Concept memorie van toelichting Wet kind, draagmoederschap en afstamming, p. 16.
39
   Idem.
                                                  8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>De RSJ ziet dat de verschillende regelingen op het terrein van het afstammingsrecht,
internationaal privaatrecht, het strafrecht en afwegingen in beleid in elkaar grijpen. Een
integrale beoordeling is noodzakelijk om te beoordelen of de overheid hier alle passende
maatregelen inzet om te voorkomen dat kinderen als handelswaar worden behandeld.
         Aanbeveling
         Leg dit wetsvoorstel samen met de inhoud van de voorgenomen regeling inzake
         de strafbaarstelling kinderkoop aan de Tweede Kamer voor om een integrale
         beoordeling van het wetsvoorstel te bevorderen.
h.   Versterking bescherming minderjarige ouders
Met dit wetsvoorstel wordt als uitgangspunt aan het familierecht toegevoegd dat
ouderschap een volwassen aangelegenheid is. Dit is een fundamentele wijziging van de
positie van minderjarigen. In de toelichting wordt geen aandacht besteed aan de
argumenten die ten grondslag liggen aan de introductie van dit uitgangspunt. Er wordt
slechts in algemene zin gewezen op het uitgangspunt dat ‘ouderschap in beginsel een
aangelegenheid is voor volwassenen’. Daarmee is echter nog niet gemotiveerd waarom
dat uitgangspunt zou moeten worden toegepast. Evenmin ziet de RSJ het verband met de
draagmoederschapsregeling. De RSJ vindt dat meer recht wordt gedaan aan de positie
van minderjarige ouders als deze fundamentele wijzigingen in het kader van ‘de
versterking bescherming minderjarige ouders’ in een apart wetsvoorstel worden
opgenomen met de daarbij horende toelichting.
         Aanbeveling
         Bied de wetgeving omtrent de wijziging van de positie van minderjarige ouders in
         een apart wetgevingstraject aan.
Gelet op de bovenstaande bevindingen luidt de kernboodschap van het advies van de RSJ
als volgt.
Kernboodschap
Het invoeren van een wettelijke regeling voor draagmoederschap is in het belang van alle
betrokkenen zeer wenselijk. Het voorliggende conceptwetsvoorstel kind,
draagmoederschap en afstamming biedt hiervoor een mooie basis. De RSJ vraagt in het
advies met name uitleg waarom gekozen is voor bepaalde verplichtingen of
uitgangspunten. Dit advies betekent - voor het kind in het bijzonder - dat:
    –  de informatie over de draagmoeder op de geboorteakte privé dient te blijven;
    –  duidelijk wordt onder welke omstandigheden en vanaf welk moment het kind de
       geboorteakte, met gegevens over de draagmoeder, in kan zien en hoe hierbij
       rekening wordt gehouden met zijn of haar groeiende autonomie;
    –  onnodige drempels om te kiezen voor de draagmoederschapsregeling zoveel
       mogelijk voorkomen worden;
    –  duidelijk wordt waarom een rechterlijke toetsing noodzakelijk is en waarom een
       verplichte vermelding van eventuele contra-indicaties (in het verslag aan de
                                              9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>      rechter) naar aanleiding van de verplichte voorlichting en counseling
      gerechtvaardigd is;
   –  begrepen wordt waarom gekozen is voor het uitgangspunt dat tenminste één van
      de wensouders genetisch verwant is aan het kind; waarom daar van afgeweken kan
      worden, in welke gevallen, en onder welke randvoorwaarden;
   –  de rechtspositie van het kind bij de regeling ‘gerechtelijke erkenning ouderschap na
      draagmoederschap’ wordt doordacht en de regeling op dit punt wordt
      heroverwogen;
   –  passende maatregelen worden getroffen om commercieel draagmoederschap of
      kinderkoop tegen te gaan en deze maatregelen tezamen met het onderhavige
      wetsvoorstel voor een integrale beoordeling aan de Tweede Kamer worden
      voorgelegd;
   –  dat de positie van minderjarige ouders aandacht krijgt in een apart wetsvoorstel.
Met vriendelijke groet,
namens de Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en
Jeugdbescherming,
Frederieke Leeflang
Algemeen voorzitter
                                             10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>