<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Advies Voorontwerp
Wet Deelgezag
Den Haag, 18 juni 2020
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming      2
Advies Voorontwerp Wet Deelgezag
Inhoud
1.        Inleiding                                    3
2.        Het wetsontwerp nader belicht                5
2.1.      Vestiging en beëindiging van deelgezag       5
2.2.      Dagelijkse opvoeding en verzorging           6
2.3.      Het recht op omgang                          8
2.4.      Het blokkaderecht                            8
2.5.      Voorkeurspositie na overlijden gezagdragers  9
3.        Analyse                                     10
4.        Conclusie en aanbevelingen                  11
5.        Geraadpleegde deskundigen                   12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                       3
Advies Voorontwerp Wet Deelgezag
1. Inleiding
Binnen de samenleving zijn de opvattingen over relaties en ouderschap in de loop der
jaren veranderd. Het traditionele gezin, waarbij kinderen opgroeien bij hun getrouwde
vader en moeder, geeft steeds meer ruimte aan anders samengestelde gezinnen, soms
met meer dan twee opvoeders.1 Het huidige familierecht biedt geen formele kaders
voor gezinnen waarbij het kind meer dan twee opvoeders heeft; het kind kan
maximaal twee juridische ouders hebben en maximaal twee personen hebben het
ouderlijk gezag. Met het wetsontwerp deelgezag wordt getracht een formele positie te
geven aan personen die nauw betrokken zijn bij de verzorging en opvoeding van een
kind, maar in de huidige situatie geen gezag kunnen dragen.
Op 24 april is het voorontwerp van de wet deelgezag (hierna: het wetsontwerp) in
consultatie gegaan. De Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en
Jeugdbescherming (hierna: de RSJ) is gevraagd op dit wetsontwerp te reageren. Het
wetsontwerp is een uitwerking van de kabinetsreactie op de aanbevelingen van de
Staatscommissie Herijking ouderschap (hierna: de Staatscommissie).2
De opdracht aan de Staatscommissie was - onder meer - het adviseren van de
regering over de invoering van een wettelijke regeling voor meerouderschap en
meeroudergezag, met het oog op de toegenomen diversiteit in gezinsvormen binnen
de samenleving. De adviezen van de Staatscommissie strekken tot het mogelijk
maken van meerouderschap en meeroudergezag, met een maximum van vier
juridische ouders en vier personen die met het ouderlijk gezag zijn belast.3 Daarnaast
stelt de Staatscommissie nog een ‘gedeeltelijke gezagsoverdracht’ voor ten aanzien
van ‘andere verzorgers en opvoeders’, zoals pleegouders.4
In de kabinetsreactie op de aanbevelingen van de Staatscommissie staat dat de
regering vooralsnog geen stap wil zetten tot invoering van meerouderschap en
meeroudergezag, maar kiest voor een regeling voor deelgezag.5
Hoewel de RSJ onderkent dat de belangen van meerdere betrokkenen een rol kunnen
spelen bij de onderwerpen waarop het wetsontwerp ziet, zal in dit advies met name
worden getoetst of het wetsontwerp ondersteunend is aan het belang van het kind.
Met het ‘belang van het kind’ doelt de RSJ in dit advies op een balans tussen de
erkenning en bescherming van de relatie tussen het kind en een (mede)opvoeder en
de bescherming van het kind tegen potentiële en onnodige conflictsituaties.
In het wetsontwerp wordt deelgezag als een nieuwe vorm van gezag over
minderjarigen geïntroduceerd. Doel van het wetsontwerp is het waarborgen van het
recht van het kind op een familie- en gezinsleven met alle betrokken opvoeders en het
geven van meer duidelijkheid over de rol van een derde (en vierde) opvoeder die nauw
bij de opvoeding betrokken is. De RSJ waardeert dat de continuïteit in de
_______
1   Staatscommissie Herijking ouderschap, Kind en ouders in de 21ste eeuw, Den Haag:
    Xerox/OBT 2016, p. 66.
2
    Staatscommissie Herijking ouderschap, Kind en ouders in de 21ste eeuw, Den Haag:
    Xerox/OBT 2016.
3
    Staatscommissie Herijking ouderschap, Kind en ouders in de 21ste eeuw, Den Haag:
    Xerox/OBT 2016, aanbeveling 35 & 41.
4
    Staatscommissie Herijking ouderschap, Kind en ouders in de 21ste eeuw, Den Haag:
    Xerox/OBT 2016, aanbeveling 43, p. 451-452.
5
    Kabinetsbrief betreffende de aanbevelingen op het terrein van draagmoederschap,
    meerouderschap en meerpersoonsgezag van de Staatscommissie Herijking ouderschap, d.d.
    12 juli 2019.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                  4
Advies Voorontwerp Wet Deelgezag
opvoedingsrelatie in dit wetsontwerp het uitgangspunt vormt. Eveneens staat de RSJ
achter het uitgangspunt, zoals ook de Staatscommissie en de wetgever aangeven, dat
voorkomen moet worden dat een wijziging in het gezagsrecht leidt tot een toename
van het aantal conflicten rond het kind. Tegelijkertijd constateert de RSJ een groot
aantal knelpunten bij dit wetsontwerp. De RSJ vraagt zich af of de Wet deelgezag de
gewenste uitwerking in de praktijk zal hebben, en of het daarmee een zinvolle
wijziging van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek betreft. De RSJ ontraadt de Minister
het wetsontwerp in deze vorm in te dienen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                      5
Advies Voorontwerp Wet Deelgezag
2. Het wetsontwerp nader belicht
Deelgezag wordt gevestigd op gezamenlijk verzoek van de ouders met gezag en de
toekomstige deelgezagdrager. Het wetsontwerp neemt als uitgangspunt dat deelgezag
tot stand komt in goede harmonie met alle betrokkenen en ook in goede harmonie
wordt uitgevoerd.6 Deelgezag omvat een deelplicht en een deelrecht jegens het kind
met betrekking tot een deel van de opvoeding en verzorging samen met de (ouderlijk)
gezagdragers.7
Binnen   het wetsontwerp zijn vijf belangrijke onderwerpen te onderscheiden:
     1.  De vestiging en beëindiging van deelgezag;
     2.  De dagelijkse opvoeding en verzorging;
     3.  Het recht op omgang;
     4.  Het blokkaderecht;
     5.  Voorkeurspositie na overlijden gezagdragers.
Deze onderwerpen worden hieronder apart besproken, waarbij knelpunten zijn
gesignaleerd en geformuleerd. Deze knelpunten worden in het volgende hoofdstuk
nader geanalyseerd.
2.1.     Vestiging en beëindiging van deelgezag
In het wetsontwerp wordt bij het verkrijgen van deelgezag onderscheid gemaakt
tussen twee situaties: a. intentioneel deelgezag, waarbij deelgezag uiterlijk drie
maanden na de geboorte van het kind tot stand wordt gebracht (artikel 1:253zc BW),
en b. deelgezag op een later moment (artikel 1:253zd BW).
Bij situatie a komt deelgezag vrij gemakkelijk tot stand, namelijk op dezelfde wijze als
bij twee ouders die gezamenlijk het gezag willen uitoefenen: via een digitaal
formulier.8 In geval van situatie b is een rechterlijke toets geboden, met (onder meer)
de voorwaarde van een verzorgingstermijn van tenminste één jaar als waarborg voor
een nauwe persoonlijke betrekking tussen de deelgezagdrager en het kind.9 Bij een
dergelijk verzoek wordt van de gezagdragers ‘verwacht’ dat zij het kind hierbij
betrekken. De rechter hoort het kind op grond van artikel 809 Rechtsvordering.10
Deelgezag eindigt van rechtswege of door uitspraak van de rechter. Een verzoek tot
beëindiging van deelgezag kan worden ingediend door de deelgezagdragers en
gezagdragers gezamenlijk, door één van hen, door het Openbaar Ministerie of door de
Raad voor de Kinderbescherming.11
_______
6
   Concept  memorie  van  toelichting Wet deelgezag (consultatieversie), p. 29.
7
   Concept  memorie  van  toelichting Wet deelgezag (consultatieversie), p. 25.
8
   Concept  memorie  van  toelichting Wet deelgezag (consultatieversie), p. 30.
9
   Concept  memorie  van  toelichting Wet deelgezag (consultatieversie), p. 31-32.
10
   Concept  memorie  van  toelichting Wet deelgezag (consultatieversie), p. 32.
11
   Concept  memorie  van  toelichting Wet deelgezag (consultatieversie), p. 18 & 33.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                            6
Advies Voorontwerp Wet Deelgezag
Knelpunt 1:
De toestemming van de minderjarige is bij een verzoek tot deelgezag, of bij de
beëindiging van deelgezag, niet vereist. Evenmin wordt in de memorie van toelichting
aandacht besteed aan een informele rechtsingang voor de minderjarige. Aan de stem
van het kind wordt ook geen specifieke aandacht besteed (artikel 12 lid 1 en 2 IVRK),
behalve dat de rechter het kind hoort op grond van artikel 809 Rechtsvordering.
Het (standaard) horen van kinderen kent echter een leeftijdsgrens van twaalf jaar,
terwijl jongere kinderen ook een mening kunnen hebben over het wel of niet
betrekken van een derde (en vierde) persoon in de opvoeding.12 Het is van belang te
weten of de relatie tussen de deelgezagdrager en het kind vertrouwd en goed is. Om
die reden is het horen van kinderen, zo ook van jonge kinderen, belangrijk en nodig.
Knelpunt 2:
In totaal kunnen twee personen deelgezag krijgen, naast twee gezagdragers. In de
memorie van toelichting staat dat een reeds bestaande deelgezagdrager niet hoeft in
te stemmen met de komst van een tweede deelgezagdrager.13 Dit leidt mogelijk tot
(extra) conflictsituaties in de praktijk, in geval de ‘eerste’ deelgezagdrager het niet
eens is met de komst van een ‘tweede’ deelgezagdrager.
2.2.     Dagelijkse opvoeding en verzorging
Ouderlijk gezag heeft betrekking op de persoon van de minderjarige, het bewind over
zijn vermogen en zijn vertegenwoordiging in burgerlijke handelingen, zowel in als
buiten rechte (artikel 1:245 lid 4 BW). Deelgezag heeft daarentegen, conform het
voorgestelde artikel 1:253z BW, alleen betrekking op de persoon van de minderjarige.
Dit betekent dat deelgezagdragers geen tekenbevoegdheid of beslisbevoegdheid (bij
gewichtige aangelegenheden) toekomt: de deelgezagdrager kan bijvoorbeeld geen
toestemming geven voor een medische behandeling en geen bankrekening op naam
van het kind openen. Eveneens bestaat er voor de deelgezagdrager geen
onderhoudsverplichting ten opzichte van het kind. 14
Deelgezag ziet enkel op de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Daarmee
draagt de deelgezagdrager (mede)verantwoordelijkheid voor het geestelijk en
lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind en dient hij/zij de ontwikkeling van de
persoonlijkheid van het kind te bevorderen.15 In de uitvoering betekent dit dat
deelgezagdragers enkel de bevoegdheid tot het nemen van beslissingen over de
dagelijkse verzorging en opvoeding toekomt. Hierbij valt te denken aan beslissingen
over vragen zoals: de voeding, de bedtijden, sportactiviteiten, speelafspraken
enzovoort.16 Voor het kind betekent dit dat hij/zij deze beslissingen van de
deelgezagdrager dient op te volgen (artikel 1:249 BW, het correctierecht). Bij de
dagelijkse beslissingen blijft de mening van de gezagdragende ouders evenwel
doorslaggevend. In geval hierover een geschil ontstaat tussen deelgezagdragers en
gezagdragers, is de geschillenregeling van artikel 1:253a BW niet van toepassing;
deze staat enkel open voor geschillen omtrent het ouderlijk gezag en niet voor
beslissingen over de dagelijkse verzorging en opvoeding.17 Op de deelgezagdrager rust
_______
12
   Bruning e.a., Kind in proces: van communicatie naar effectieve participatie, Nijmegen: WODC
   2020.
13
   Concept memorie van toelichting Wet deelgezag (consultatieversie), p. 32.
14
   Concept memorie van toelichting Wet deelgezag (consultatieversie), p. 11.
15
   Het wetsontwerp past artikel 1:247 lid 2 en artikel 1:248 daartoe aan.
16
   Concept memorie van toelichting Wet deelgezag (consultatieversie), p. 10.
17
   Concept memorie van toelichting Wet deelgezag (consultatieversie), p. 11.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                       7
Advies Voorontwerp Wet Deelgezag
de plicht om bij de te nemen beslissingen rekening te houden met de ouders met
gezag die de volledige verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding dragen. 18
Knelpunt 3:
Deelgezag omvat naast het nemen van beslissingen over de dagelijkse opvoeding en
verzorging geen verdere ‘onderdelen’ van het ouderlijk gezag. Hierdoor kan de keuze
voor de term ‘deelgezag’ misleidend zijn.
Knelpunt 4:
In de literatuur is geen aanknopingspunt te vinden voor problemen bij het nemen van
dagelijkse beslissingen binnen het gezin, zoals het bepalen van de bedtijd. Uit
onderzoek naar de situatie van pleegouders blijkt dat er wel problemen bestaan
vanwege het ontbreken van een tekenbevoegdheid en beslisbevoegdheid.19 Voor deze
problemen biedt het wetsontwerp echter geen oplossing.
De (ouderlijk) gezagdragers beslissen over gewichtige aangelegenheden die het kind
betreffen. Deze beslissingen kunnen van invloed zijn op de dagelijkse opvoeding en
verzorging van het kind. Het is van belang dat de deelgezagdrager hiervan op de
hoogte wordt gesteld. Hierdoor omvat deelgezag ook het recht van de
deelgezagdrager op informatie en consultatie. Dit informatierecht ziet niet alleen op
informatie van de ouder met gezag (artikel 1:377b BW), maar bevat ook het recht op
informatie van derden die beroepsmatig bij het kind zijn betrokken, zoals de school of
de huisarts (artikel 1:377c BW). Het recht op consultatie geldt alleen richting de
gezagdragers en niet richting derden.20
Knelpunt 5:
Deelgezagdragers mogen mee naar een huisartsbezoek voor niet gewichtige
aangelegenheden en informatie opvragen, maar mogen geen toestemming geven voor
een medische behandeling. Voor huisartsen – en andere beroepskrachten – kunnen
deze verschillen binnen de positie van de deelgezagdrager verwarrend zijn.
Beroepskrachten hebben geen inzage in het gezagsregister, om te zien of iemand wel
of geen deelgezag heeft. In de praktijk zal de huisarts zich dan, net als in de huidige
situatie, eerst wenden tot de gezagdragende ouder met de vraag of een derde de
gevraagde informatie mag krijgen. In die zin zal er voor de praktijk weinig veranderen.
In geval van een conflictsituatie is de positie van de deelgezagdrager daarentegen wel
sterker: deze kan op basis van een uittreksel uit het gezagsregister zijn recht op
informatie bij de betreffende beroepskracht afdwingen.
In geval de rechter een kinderbeschermingsmaatregel uitspreekt, houdt dit veelal een
beperking in van het ouderlijk gezag. De ouders met gezag dragen primair de
verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging van het kind (artikel 18 IVRK).
In de memorie van toelichting staat om die reden dat aanwijzingen die de
gecertificeerde instelling kan nemen (in de uitvoering van de ondertoezichtstelling)
niet gericht kunnen worden aan de deelgezagdrager, maar enkel aan de
gezagdragers.21
_______
18
   Concept  memorie van toelichting Wet deelgezag (consultatieversie), p. 21.
19
   W. Smit  e.a., Pleegouders over gezag en adoptie, Amsterdam: Regioplan 2015, p. 17-18.
20
   Concept  memorie van toelichting Wet deelgezag (consultatieversie), p. 12.
21
   Concept  memorie van toelichting Wet deelgezag (consultatieversie), p. 18-19.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                        8
Advies Voorontwerp Wet Deelgezag
Knelpunt 6:
Het voorgestelde artikel 1:253z BW geeft de deelgezagdrager de bevoegdheid tot het
nemen van dagelijkse beslissingen over de verzorging en opvoeding van het kind.
Aanwijzingen van een jeugdbeschermer van de gecertificeerde instelling, in de
uitvoering van een ondertoezichtstelling, zien vaak op dergelijke dagelijkse
beslissingen. Het kan tot extra conflicten in de gezinssituatie, en tot verwarring bij het
kind, leiden in geval aanwijzingen van de jeugdbeschermer wél op de gezagdragers,
maar niet op de deelgezagdrager van toepassing zijn.
De deelgezagdrager heeft een informatierecht ten aanzien van derden die
beroepshalve beschikken over informatie inzake de persoon van het kind of diens
verzorging en opvoeding. Dit zou betekenen dat de deelgezagdrager geen
aanwijzingen kan krijgen van de jeugdbeschermer, maar wel informatie kan afdwingen
bij deze zelfde jeugdbeschermer. Deze constructie kan conflictverhogend werken en de
uitvoering van de ondertoezichtstelling bemoeilijken.
2.3.     Het recht op omgang
Het kind heeft recht op omgang met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking
tot hem staat (artikel 1:377a lid 1 BW en artikel 8 EVRM). Op grond van artikel 1:377a
lid 2 BW kan de rechter een omgangsregeling vaststellen met een eventuele derde, in
geval een nauwe persoonlijke betrekking tussen het kind en deze persoon kan worden
aangetoond. De band tussen een kind, zijn ouders en anderen die een belangrijke rol
spelen in zijn verzorging en opvoeding kan daarmee rekenen op bescherming tegen
onverhoedse verbreking.22 Het wetsontwerp stelt voor om artikel 1:377a BW zodanig
aan te passen dat de deelgezagdrager standaard een recht op omgang toekomt; de
nauwe persoonlijke betrekking hoeft daarmee niet eerst te worden aangetoond.
Knelpunt 7:
Er zijn situaties voorstelbaar waarin een stiefouder, bijvoorbeeld na een breuk met de
gezagdragende ouder, langzaam uit beeld raakt. In dat geval kan het onwenselijk zijn
dat de stiefouder op basis van de status van deelgezagdrager standaard een
omgangsrecht toekomt, in plaats van dat eerst wordt getoetst of er nog sprake is van
een nauwe persoonlijke betrekking met het kind.
2.4.     Het blokkaderecht
Het wetsontwerp geeft de deelgezagdrager een blokkaderecht in geval van een
substantiële wijziging van de dagelijkse opvoeding en verzorging, zoals bijvoorbeeld
een verhuizing. Dit houdt feitelijk in dat de gezagdrager(s) de instemming van de
deelgezagdrager(s) nodig heeft/hebben voordat een dergelijke wijziging doorgevoerd
kan worden. Het blokkaderecht dient ter bescherming van de rol die de
deelgezagdrager in de opvoeding van het kind heeft. 23
_______
22
   Staatscommissie Herijking ouderschap, Kind en ouders in de 21ste eeuw, Den Haag:
   Xerox/OBT 2016, p. 304.
23
   Concept memorie van toelichting Wet deelgezag (consultatieversie), p. 13-14.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                    9
Advies Voorontwerp Wet Deelgezag
Knelpunt 8:
De meerwaarde van het blokkaderecht wordt in de memorie van toelichting met name
beredeneerd vanuit de positie van de deelgezagdrager. Tegelijkertijd zijn er meerdere
situaties denkbaar waarbij de deelgezagdrager zelf onderdeel is van een substantiële
wijziging in de zorgregeling, bijvoorbeeld door een breuk tussen de deelgezagdrager
en gezagdrager. In de memorie van toelichting worden dergelijke mogelijkheden als
uitzonderingssituatie op het blokkaderecht genoemd. Dit maakt het blokkaderecht, in
de context van deelgezag, juridisch erg complex.
Het lijkt bovendien niet noodzakelijk de positie van een medeopvoeder te beschermen
via het blokkaderecht, dat weer is gekoppeld aan deelgezag. Een medeopvoeder kan in
de huidige situatie de rechter om een omgangsregeling verzoeken, in geval een nauwe
persoonlijke betrekking met het kind aantoonbaar is. Wanneer deze nauwe
persoonlijke betrekking niet bestaat, vervalt daarmee ook het recht op omgang. Vanuit
het belang van het kind, gelet op de mogelijke toename van conflicten, lijkt daarom de
huidige regeling van artikel 1:377a BW voldoende.
2.5.     Voorkeurspositie na overlijden gezagdragers
De juridische ouder zonder gezag heeft op grond van het huidige familierecht een
voorkeurspositie om het gezag te verkrijgen na overlijden van de gezagdragende
ouders van het kind. Dit houdt in dat deze ouder te allen tijde de rechter kan
verzoeken hem of haar met het ouderlijk gezag te belasten, ook als door de
gezagdragende ouder testamentair is vastgelegd wie is aangewezen als gezagdrager
bij overlijden. Het wetsontwerp stelt voor de deelgezagdrager eenzelfde
voorkeurspositie te geven.24
Knelpunt 9:
In geval van overlijden van een gezagdragende ouders is het van belang dat goed
naar de situatie rondom het kind wordt gekeken. Het is de vraag of een directe
koppeling met deelgezag het meest in belang van het kind is: mogelijk is de situatie
van het kind – sinds het vaststellen van het deelgezag – veranderd waardoor ook
andere personen in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staan.
_______
24
   Concept memorie van toelichting Wet deelgezag (consultatieversie), p. 15.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                      10
Advies Voorontwerp Wet Deelgezag
3. Analyse
In de huidige situatie, waarin er géén sprake is van deelgezag, kunnen al meer dan
twee personen betrokken zijn bij de verzorging en opvoeding van een kind. In de
ideale situatie nemen zij de dagelijkse beslissingen gezamenlijk, informeren en
consulteren zij elkaar bij gewichtige aangelegenheden en is er sprake van omgang. En
wanneer een beroepskracht een medeopvoeder geen informatie wenst te geven, geeft
de gezagdrager daar eerst toestemming voor.
In geval van deelgezag verandert er tot zover niet veel: de gezagdragers en
deelgezagdragers nemen, in de wenselijke situatie, nog steeds gezamenlijk de
dagelijkse beslissingen en vindt er omgang plaats, niet alleen van nature maar nu ook
als een wettelijk recht van de deelgezagdrager. Het kan bovendien nog steeds
voorkomen dat een beroepskracht weigert informatie te geven aan een
deelgezagdrager, simpelweg omdat het bestaan van deelgezag, en de strekking
daarvan, de beroepskracht niet zonder meer bekend is.
Uitgangspunt van het wetsontwerp is dat deelgezag in goede harmonie wordt
uitgevoerd.25 Wanneer daarvan sprake is, brengt het wetsvoorstel echter geen
wezenlijke veranderingen met zich mee. Dit verandert in geval van conflictsituaties:
dan krijgt de deelgezagdrager meer mogelijkheden om het conflict formeel te
beslechten. Hoewel de wetgever aangeeft dat conflicten, in belang van het kind, zoveel
mogelijk moeten worden voorkomen, acht de wetgever het ook van belang dat de
deelgezagdrager rechtsbescherming toekomt.26 Op die manier draagt deelgezag niet
bij in de uitoefening van gezag, maar formaliseert het conflicten die voortvloeien uit
het gezagsrecht, met een kans op escalatie.
De gevolgen van het wetsvoorstel komen vooral voort uit het uitgangspunt dat het
kind belang heeft bij continuïteit van de opvoedingsrelatie. Gesteld wordt dat daarmee
ook de rol van de medeopvoeder wordt beschermd. In het wetsontwerp lijkt hier meer
waarde aan te worden gehecht dan aan het belang van het kind bij een beperking van
het aantal formele conflicten. Het is de vraag of dit een juiste afweging is. Bijkomend
is de vraag of de rechter zich in geval van conflictsituaties niet beter kan focussen op
de actuele situatie rondom het kind, dan op de in een eerder stadium gevestigde
rechten van de deelgezagdrager. Dit geldt met name ten aanzien van het recht op
omgang (onderwerp 3), het blokkaderecht (onderwerp 4) en de voorkeurspositie bij
overlijden (onderwerp 5).
_______
25
   Concept memorie van toelichting Wet deelgezag (consultatieversie), p. 29.
26
   Concept memorie van toelichting Wet deelgezag (consultatieversie), p. 8.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                     11
Advies Voorontwerp Wet Deelgezag
4. Conclusie en aanbevelingen
In het voorgaande zijn vijf onderwerpen uit het wetsontwerp door de RSJ uitgelicht.
Met betrekking tot het eerste onderwerp, de vestiging en beëindiging van deelgezag,
acht de RSJ de positie van het kind zelf hierin te zwak. Bij het tweede onderwerp, de
dagelijkse opvoeding en verzorging, is de RSJ van mening dat het recht om dagelijkse
beslissingen te nemen weinig verandert voor de dagelijkse praktijk. Bovendien is de
term ‘deelgezag’ misleidend wanneer het enkel ziet op deze dagelijkse beslissingen, en
niet op meer gewichtige aangelegenheden die onder het gezagsrecht vallen. Ten
aanzien van het derde onderwerp, het recht op omgang, is de RSJ van oordeel dat de
wet reeds in een regeling voorziet (artikel 1:377a BW) die alle betrokkenen de juiste
rechtsbescherming biedt. Bij het blokkaderecht (onderwerp 4) en de voorkeurspositie
bij overlijden van de ouders met gezag (onderwerp 5) ziet de RSJ geen noodzaak om
deze onderwerpen te koppelen aan het concept deelgezag.
In het wetsontwerp wordt beoogd bescherming te bieden ten aanzien van de relatie
tussen het kind en een derde (en vierde) volwassene die betrokken is bij de opvoeding
van het kind. Het wettelijk beschermen van deze relatie kan in het belang van het kind
zijn. Deze bescherming komt in het wetsontwerp echter met name tot uiting door de
vestiging van procedurele rechten voor de derde (en vierde) opvoeder, in plaats van
dat er een inhoudelijke betekenis aan deze relatie wordt gegeven. Daarbij wordt het
kind onvoldoende betrokken bij het vestigen en eindigen van de wettelijke positie van
de derde (en vierde) opvoeder. Tot slot is er te weinig aandacht besteed aan het
voorkomen van onnodige formele conflicten rond het kind. Naar oordeel van de RSJ is
het wetsontwerp daarmee onvoldoende ondersteunend aan het belang van het kind.
Op basis van bovenstaande vraagt de RSJ zich af of de Wet deelgezag de gewenste
uitwerking in de praktijk zal hebben en of de betreffende toevoeging aan het Burgerlijk
Wetboek daarmee zinvol is. De RSJ ontraadt de Minister het wetsontwerp in deze vorm
in te dienen. De RSJ doet de volgende aanbevelingen waarmee meer recht kan worden
gedaan aan de, door de RSJ onderschreven, uitgangspunten van het wetsontwerp:
        Verander de term ‘deelgezag’ in ‘opvoedingsgezag’, aangezien de invulling van
         deelgezag met name ziet op de verzorgings- en opvoedingsrelatie en minder
         op de gezagsrelatie.
        Voorzie bij ‘opvoedingsgezag’ enkel in de bevoegdheid tot het nemen van
         dagelijkse beslissingen (zoals is voorgesteld onder artikel 1:253z BW), maar
         creëer geen formele rechten die conflictversterkend kunnen werken.
        Beleg een rol bij de Raad voor de Kinderbescherming na overlijden van beide
         gezagdragende ouders. Er dient zorgvuldig naar de situatie rondom het kind te
         worden gekeken alvorens het gezagsvacuüm, dat na overlijden is ontstaan,
         wordt ingevuld. Middels een verkennend onderzoek van de Raad voor de
         Kinderbescherming kan worden voorkomen dat een eventuele derde (zonder
         formele status), met een belangrijke rol in de opvoeding van het kind, buiten
         spel wordt gezet. Daartoe dient artikel 1:253g BW te worden aangepast.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming                                12
Advies Voorontwerp Wet Deelgezag
5. Geraadpleegde deskundigen
Bij de totstandkoming van dit advies heeft de RSJ mr. E.A.A. van Kalveen (senior
rechter, rechtbank Midden-Nederland & voorzitter expertgroep jeugdrechters) en mr.
L. Bastiaans (rechter, rechtbank Limburg & voorzitter expertgroep gezag en omgang)
als deskundigen geraadpleegd.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>