<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>          Aan de Minister voor Rechtsbescherming
          Dhr. S. Dekker
          Postbus 20301
          2500 EH Den Haag
   Datum  4 februari 2020                   Uw kenmerk    2757736
   E-mail adviesrsj@minjenv.nl             Ons kenmerk    RSJ/101/3161/2020/IK/TvV
Onderwerp Advies conceptwetsvoorstel Reparatiewet forensische zorg
          Geachte heer Dekker,
          Op 11 december ontvingen wij van u – ter advisering – het conceptwetsvoorstel
          Reparatiewet forensische zorg (hierna: Reparatiewet). Dit conceptwetsvoorstel strekt tot
          reparatie van de Wet forensische zorg (Wfz) en een aantal andere wetten die een relatie
          hebben met de forensische zorg. De reactie van de Afdeling advisering van de Raad voor
          Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (hierna: de RSJ) beperkt zich tot
          onderstaande drie punten.
          1. Verstrekking (persoons)gegevens voor de beoordeling van beleid
          Met het voorgestelde artikel 2.8. Wfz wordt een wettelijke grondslag gecreëerd voor het
          verstrekken en verwerken van persoonsgegevens, inclusief het burgerservicenummer,
          voor beleidsdoeleinden van het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV). In eerste
          instantie was de regeling uit artikel 2.8. Wfz opgenomen in artikel 2.7. van het Besluit
          forensische zorg (Bfz). Naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering van de
          Raad van State wordt nu voorgesteld dit op wetsniveau te regelen.1
          De Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) bevat reeds een regeling met een
          grondslag voor de verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van de
          beleidsdoeleinden van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). 2
          Hoewel de RSJ vraagtekens plaatst bij de wenselijkheid hiervan, lijkt de principiële
          discussie over het wel of niet creëren van een wettelijke grondslag voor de verwerking
          van persoonsgegevens voor beleidsinformatie hierdoor minder relevant.
          1
              Stcrt. 2019, nr. 31742.
          2
              Artikel 8:30 Wvggz.
          1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>                                                                                                 2
Om die reden richt de RSJ zich op de geconstateerde onduidelijkheden in de voorgestelde
regeling en de bijbehorende toelichting:
a. Grenzen gegevensverstrekking
In de toelichting bij de Reparatiewet staat dat artikel 2.8. Wfz het mogelijk maakt dat
(zorg)instellingen op rechtmatige wijze persoonsgegevens, inclusief het
burgerservicenummer, aan de Minister kunnen verstrekken. In de memorie van
toelichting, bij de eerdere vaststelling van de Wfz, staat dat informatieverstrekking van
een zorgverlener aan de minister van Justitie nodig is in geval forensische geestelijke
gezondheidszorg onderdeel uitmaakt van de opgelegde straf of maatregel.3 De Minister
heeft in dat geval informatie nodig over de aanvang en beëindiging van de zorg, het
verloop van de behandeling, activiteiten gericht op de nazorg ten aanzien van
huisvesting, arbeid en identiteitsbescheiden.4
De RSJ heeft op 15 februari 2018 geadviseerd over de eerdere regeling in het Bfz. 5 Naar
het oordeel van de RSJ miste de bepaling tot het verstrekken van persoonsgegevens
(inclusief het burgerservicenummer) afwegingen omtrent de proportionaliteit en
doelbinding van de gegevensverstrekking. Daarnaast plaatste de RSJ een opmerking bij
het ongelimiteerde karakter van deze regeling.6 Geadviseerd werd de tekst, wat betreft
de verstrekking van persoonsgegevens, te schrappen. In geval van handhaving van deze
tekst, werd geadviseerd de keuze daartoe duidelijk toe te lichten.7
De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) heeft, in reactie op het conceptbesluit, eveneens
geadviseerd toe te lichten waarom het enkele gebruik van anonieme gegevens in de
praktijk onvoldoende is gebleken voor de beoordeling van het beleid. Daarnaast plaatste
de AP, net als de RSJ, opmerkingen bij de invulling van het proportionaliteits- en
subsidiariteitsbeginsel bij de verstrekking van persoonsgegevens.8
De RSJ vraagt zich ook nu af op welke wijze met de voorgestelde regeling wordt voldaan
aan het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel. Het karakter van de regeling is naar
oordeel van de RSJ (nog steeds) ongelimiteerd. Mede gezien de eis van minimale
gegevensverwerking,9 moet de reikwijdte hiervan duidelijk zijn. Artikel 2.8. lid 3 Wfz en
de bijbehorende toelichting maken echter niet duidelijk door wie, en op welke wijze,
wordt beoordeeld of er sprake is van een noodzaak tot het verstrekken van
persoonsgegevens ten behoeve van beleidsinformatie.
In de toelichting staat verder dat de herleidbaarheid tot personen wordt geminimaliseerd,
bijvoorbeeld door deze gegevens te pseudonimiseren. Hiertoe schept artikel 2.8. lid 6 Wfz
de mogelijkheid om de benodigde persoonsgegevens aan te leveren bij een instantie die
de nodige bewerkingen uitvoert. In dat geval zal de Minister slechts een beperkte set
geanonimiseerde gegevens ontvangen. Hierbij wordt echter niet duidelijk of deze
werkwijze als standaardpraktijk moet worden beschouwd, of slechts als een mogelijkheid.
         De RSJ adviseert de noodzakelijkheid en de reikwijdte van het voorgestelde
          artikel 2.8. lid 3 Wfz nader toe te lichten.
3
    Kamerstukken II, 2009-10, 32398, nr. 3, p. 10.
4
    Idem.
5
    RSJ, Advies Besluit Forensische Zorg in samenhang met de Besluiten Verplichte ggz en Zorg en
    Dwang, 15 februari 2018.
6
    RSJ, Advies Besluit Forensische Zorg in samenhang met de Besluiten Verplichte ggz en Zorg en
    Dwang, 15 februari 2018, p. 6.
7
    RSJ, Advies Besluit Forensische Zorg in samenhang met de Besluiten Verplichte ggz en Zorg en
    Dwang, 15 februari 2018, p. 7.
8
    AP, Advies conceptbesluit forensische zorg, 7 juni 2018.
9
    Artikel 5 lid 1 onder c van de Algemene verordening gegevensbescherming.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>                                                                                                   3
         De RSJ adviseert om persoonsgegevens standaard te anonimiseren, tenzij dit
          volstrekt onvoldoende is om het te onderzoeken beleidsdoel te realiseren.
b. Bijkomende administratieve lasten
Artikel 2.8. lid 5 Wfz bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels
worden gesteld over de inhoud van de gegevens, de wijze van verwerking en
verstrekking, de tijdvakken waarop de verwerking betrekking heeft en de tijdstippen van
de gegevensverstrekking. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft eerder
opgemerkt dat deze informatie van grote betekenis is voor de administratieve lasten van
de gegevensverstrekker.10 In reactie hierop werd aangegeven dat een nadere uitwerking
hiervan in het Bfz opgenomen zou worden, tegelijkertijd met de wijzigingen van de Wfz.11
In de Reparatiewet is de bedoelde uitwerking niet terug te vinden. In de toelichting staat
dat dit nog zal plaatsvinden na overleg en afstemming met (vertegenwoordigers van) de
partijen die de gegevens dienen aan te leveren. Aangegeven wordt dat het uitgangspunt
is de regeldruk niet te verzwaren.
Hoewel de RSJ het voornemen tot afstemming met de betrokken partijen ondersteunt, is
het op dit moment niet duidelijk welke impact de gegevensverstrekking op de praktijk zal
hebben. Naar oordeel van de RSJ is de invoering van deze nieuwe wettelijke grondslag
voor gegevensverstrekking vrijwel onlosmakelijk verbonden met een verzwaring van de
administratieve lasten. Een kosteloze verstrekking, zoals artikel 2.8. lid 2 Wfz voorstelt, is
naar het oordeel van de RSJ te vergaand.
         De RSJ adviseert het woord ‘kosteloos’ te schrappen in lid 2 van het voorgestelde
          artikel 2.8. Wfz, en het invoeren van een financiële vergoeding voor
          zorginstellingen te (her)overwegen.12
2. Inzage van medische gegevens door de Inspectie Justitie en Veiligheid
Het huidige artikel 3.2. lid 3 Wfz bevat een grondslag voor inzage door de Inspectie
Justitie en Veiligheid (IJenV) van relevante gegevens, voor zover deze noodzakelijk zijn
voor het toezicht. In de Reparatiewet wordt voorgesteld deze grondslag in het nieuwe
artikel 3.5. Wfz te regelen. De toelichting maakt duidelijk dat het daarbij ook kan gaan
om stukken waar een medisch beroepsgeheim op rust.
a. Medisch beroepsgeheim
De RSJ acht het van groot belang dat zo terughoudend mogelijk wordt omgegaan met het
creëren van wettelijke regelingen ter doorbreking van het medisch beroepsgeheim. 13 In
eerdere adviezen heeft de RSJ het maatschappelijk belang van het medisch
beroepsgeheim benadrukt.14 Daarbij gaat het niet alleen om de bescherming van de
persoonlijke levenssfeer van betrokkenen, maar ook om het algemeen maatschappelijk
belang van de toegankelijkheid van de gezondheidszorg. Deze argumentatie geldt hier
onverkort. In geval het medisch beroepsgeheim toch, wegens dwingende redenen, wordt
doorbroken, acht de RSJ het noodzakelijk dat de reikwijdte wordt beperkt met
inachtneming van het te bereiken doel.
10
    Stcrt. 2019, nr. 31742.
11
    Stcrt. 2019, nr. 2576010.
12
    Het invoeren van een financiële vergoeding heeft de RSJ eerder geadviseerd: RSJ, Advies Besluit
    Forensische Zorg in samenhang met de Besluiten Verplichte ggz en Zorg en Dwang, 15 februari
    2018, p. 7.
13
    Het belang van het medisch beroepsgeheim is eveneens benadrukt door de AP, zie hierover: AP,
    Advies conceptbesluit forensische zorg, 7 juni 2018.
14
    Zie onder meer: RSJ, Advies gegevensverstrekking weigerende observandi, 5 maart 2019.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>                                                                                                       4
b. Bevoegdheden IJenV en IGJ binnen de forensische zorg
De IJenV houdt toezicht binnen het domein van het ministerie van JenV. Dit toezicht valt
daarmee onder de politieke verantwoordelijkheid van de minister van JenV en de minister
voor Rechtsbescherming.15 De toezichtstaken van de IJenV binnen de forensische zorg
vinden hun basis in de Wfz, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt)
en de Penitentiaire beginselenwet (Pbw).16 Naast de IJenV, houdt ook de Inspectie
Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) toezicht op de forensische zorg, onder de
verantwoordelijkheid van de minister van VWS.17 De IGJ heeft namelijk een toetsende rol
in alle instellingen waar het de uitvoering van zorgwetgeving betreft.18
Als belangrijkste aspecten van het, door beide inspecties uitgevoerde, toezicht worden
genoemd: zorg, bejegening, veiligheid en re-integratie. 19 Hiervan behoort het onderdeel
‘zorg’ voornamelijk tot het werkterrein van de IGJ. Het onderdeel ‘veiligheid’ valt met
name onder het toezicht van de IJenV.20 Voor het toezicht van de IGJ op de zorg is het
noodzakelijk om medische gegevens in te zien. Dit inzagerecht van de IGJ is in
verschillende zorgwetten neergelegd.21 Volgens de toelichting bij de Reparatiewet is de
inzage van medische gegevens eveneens noodzakelijk voor het toezicht van de IJenV op
veiligheid. De RSJ acht het van belang dat er een balans bestaat tussen de
verantwoordelijkheden van het ministerie van JenV en het ministerie van VWS binnen de
forensische zorg, en daarmee een balans tussen de onderwerpen veiligheid en zorg.
         De RSJ adviseert om de bevoegdheid tot inzage van de IJenV nader toe te lichten,
          in het licht van de bevoegdheden die de IGJ reeds heeft, binnen het toezicht op
          de forensische zorg.
c. Beoordeling van de voorgestelde bevoegdheden voor de IJenV
Naar oordeel van de RSJ dient het voor de IJenV mogelijk te zijn om medische gegevens
in te zien, voor zover dat bij onderzoek naar een specifiek geval (incident) noodzakelijk
is. Net als het medisch beroepsgeheim kent het toezicht van de IJenV een groot
maatschappelijk belang, dat doorbreking van dit beroepsgeheim kan rechtvaardigen. De
RSJ acht het voorstelbaar dat de, voor de IJenV noodzakelijke, informatie over interne en
externe veiligheid in veel gevallen verweven zal zijn met medische informatie. Zonder
deze gegevens zal de IJenV haar toezichtstaak niet adequaat kunnen uitvoeren. Het op
grote schaal doorbreken van het medisch beroepsgeheim, bijvoorbeeld bij thematische
onderzoeken van de IJenV, acht de RSJ daarentegen niet proportioneel. 22
         De RSJ adviseert de bevoegdheid tot inzage van de IJenV, zoals wordt
          voorgesteld onder artikel 3.5. lid 3 Wfz, te beperken tot inzage bij onderzoek naar
          incidenten.
15
    IJenV, Protocol voor de werkwijze, september 2018, p. 3, Zie ook: artikel 60 Organisatiebesluit
    ministerie van Veiligheid en Justitie 2015.
16
    Inspectie veiligheid en Justitie, Toetsingskader doorlichtingen forensisch psychiatrische centra,
    2014, p. 2. Zie ook de toelichting bij de Reparatiewet, onder Artikel I, G en J (artikelen 3.2. en
    3.5. Wfz)
17
    Kamerstukken II, 2017-18, 34874, nr. 4, p. 3.
18
    Inspectie veiligheid en Justitie, Toetsingskader doorlichtingen forensisch psychiatrische centra,
    2014, p. 2.
19
    Kamerstukken II, 2009-10, 32398, nr. 3, p. 24.
20
    Idem.
21
    Zoals de Wvggz, de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg en de Wet kwaliteit,
    klachten en geschillen zorg.
22
    Voor de IGJ kan het daarentegen ook mogelijk zijn om bij grootschalige thematische onderzoeken
    inzage te krijgen in medische gegevens, zonder toestemming van betrokkenen. Zie hierover:
    Brief staatssecretaris Van Rijn, ‘Betreft Beleidskader inzagebevoegdheid patiënten-/cliënten-
    /zorgdossiers’, d.d. 18 april 2017.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>                                                                                                     5
In de toelichting bij de Reparatiewet staat dat wordt beoogd een einde te maken aan
discussies in de praktijk over de bevoegdheden van de IJenV, met name waar het gaat
om het inzagerecht bij medische gegevens. Nu dit inzagerecht in de Reparatiewet wordt
verduidelijkt, is de verwachting dat zorginstellingen minder weerstand zullen bieden aan
medewerking. De noodzaak tot het opnemen van een dwangsombevoegdheid, zoals
wordt voorgesteld onder artikel 3.5. lid 4 Wfz, is de RSJ daarom niet duidelijk. In het
(uitzonderlijke) geval dat een zorgverlener medewerking weigert, is het volgens de RSJ
van belang dat de redenen daartoe door de IJenV worden gehoord in plaats van
gesanctioneerd.
         De RSJ adviseert de bevoegdheid tot het opleggen van een dwangsom, zoals
          wordt voorgesteld onder artikel 3.5. lid 4 Wfz, te schrappen. In plaats daarvan
          adviseert de RSJ tot het inrichten van een geschillenprocedure.
3. Rechtspositie van (niet) ter beschikking gestelden
In de Wfz wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende instellingen (op basis van de
artikelen 3.1. t/m 3.3. Wfz). Dit onderscheid is van groot belang voor de rechtspositie van
de daarin opgenomen betrokkenen. Gebleken is dat er onduidelijkheid is ontstaan over de
rechtspositie van personen die (tijdelijk) in een andere instelling verblijven dan hun titel
doet vermoeden.
a. Ter beschikking gestelden in een private instelling zonder specifieke aanwijzing
De Reparatiewet stelt voor om aan artikel 2 Bvt toe te voegen dat voor ter beschikking
gestelden, die verblijven in een private instelling zonder specifieke aanwijzing,23 (onder
meer) de artikelen 50, 51 en 69 Bvt van overeenkomstige toepassing zijn. Hiermee is de
externe rechtspositie voor deze groep ter beschikking gestelden verhelderd.24 In de
toelichting bij de Reparatiewet staat eveneens expliciet vermeld dat aan deze groep een
externe rechtspositie toekomt op basis van de Bvt. De RSJ concludeert dat de
Reparatiewet hiermee belangrijke eerder gesignaleerde onduidelijkheden over de
rechtspositie heeft weggenomen.
b. Niet ter beschikking gestelden in een instelling voor ter beschikking gestelden
De omgekeerde situatie lijkt, in tegenstelling tot bovenstaande, niet te zijn verhelderd in
de Reparatiewet. In geval een niet ter beschikking gestelde patiënt tijdelijk wordt
opgenomen in een instelling voor de verpleging van ter beschikking gestelden, 25 bestaat
er onduidelijkheid over de rechtspositie.
Uit de toelichting bij artikel 6:4 lid 5 Wvggz blijkt dat de wetgever niet de intentie had om
de rechtspositie van deze personen te wijzigen, wanneer zij (tijdelijk) verblijven in een
instelling voor de verpleging van ter beschikking gestelden.26 Dit zou betekenen dat de
rechtspositie van deze groep blijvend wordt bepaald door de Wvggz.
De RSJ kan deze redenatie van de wetgever volgen, maar wijst erop dat een
klachtencommissie, die werkzaam is binnen het systeem van de Wvggz, niet per definitie
geëquipeerd is om beslissingen te nemen betreffende een instelling voor de verpleging
van ter beschikking gestelden. Bovendien is het in de huidige situatie onduidelijk of
23
    In de zin van artikel 3.3. lid 1 Wfz.
24
    De artikelen 45 en 46 lid 3 Bvt, die eveneens van overeenkomstige toepassing worden verklaard
    onder het voorgestelde artikel 2 Bvt, zien daarentegen op de interne rechtspositie. Hiervan wordt
    in de toelichting niet duidelijk of de wetgever de regeling van de Bvt of de Wvggz heeft beoogd.
25
    Op grond van artikel 6:4 lid 3-4 Wvggz of artikel 8:12 lid 8 Wvggz.
26
    Kamerstukken II 2015-16, 32399, nr. 25, p. 171 (tweede nota van wijziging Wvggz, bij artikel
    6:4 lid 5 Wvggz).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>                                                                                        6
dergelijke klachten vallen onder de klachtgronden, zoals genoemd in artikel 10:3 Wvggz.
       De RSJ adviseert de rechtspositie van niet ter beschikking gestelden, die zijn
        geplaatst in een instelling voor de verpleging van ter beschikking gestelden,
        expliciet te verduidelijken in een wettelijke regeling.
De RSJ hoopt u met dit advies van dienst te zijn geweest en is graag bereid tot een
nadere toelichting.
Met vriendelijke groet,
namens de Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en
Jeugdbescherming
Frederieke Leeflang, algemeen voorzitter
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>