<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>de voorzitters en leden van de
Tweede Kamercommissies van
Binnenlandse Zaken en van Financiën
te
DEN HAAG
Bijlagen                  Uw kenmerk                                           Ons kenmerk     Datum
--                                                                             Rfv             2
                                                                               16.13/001.003 oktober
                                                                                               1997
Inlichtingen bij          Dossier/volgnummer                                   Doorkiesnummer
W.M.C. van Zaalen                                                              (070)3027224
Onderwerp
Kabinetsvoornemens inzake het eigen belastinggebied van provincies, gemeenten en
waterschappen
De Raad voor de financiële verhoudingen heeft kennis genomen van enige recente
kabinetsbesluiten, welke direct van invloed zijn op de eigen inkomsten van de provincies en
gemeenten. Het betreft de maatregelen ter verlichting van de lokale lasten en de afschaffing
van de precariobelasting op telecommunicatiekabels, zoals deze onlangs zijn meegedeeld in
de septembercirculaires[1]. Met het oog op het toekomstig wetgevingsoverleg over de
begrotingen van Binnenlandse Zaken, het Gemeentefonds en het Provinciefonds brengt de
Raad het volgende onder uw aandacht.
Lastenverlichting
Over dit onderwerp heeft de Raad in juli jl. advies uitgebracht aan de beheerders van de
fondsen[2]. Een afschrift gaat hierbij. De Raad wil langs deze weg de inhoud van dit advies
onder uw aandacht brengen.
De Raad heeft alle waardering voor de doelstelling om de gestegen lokale lasten te verlagen.
Dat daarvoor aanzienlijke bedragen worden beschikbaar gesteld, heeft eveneens zijn
instemming. De wijze waarop de middelen over de gemeenten worden verdeeld, komt
grotendeels overeen met zijn advies. De vorm waarin de maatregelen worden gegoten, acht de
Raad echter niet verstandig. Hij legt de nadruk op de volgende punten:
(1) De koppeling van de 100 gulden lastenverlichting voor de burgers aan het reinigingsrecht
van de gemeenten is naar de mening van de Raad veel te strak. Ze doorkruist niet alleen een
principe van het milieubeleid (de vervuiler betaalt), maar zadelt de gemeenten ook op met
zeer uitgebreide en ingewikkelde uitvoeringsvoorschriften. De Raad heeft grote bezwaren
tegen deze uitgebreide regelgeving.
Het Rijk zou de gemeenten vrij moeten laten in de manier waarop de verlichting van de lokale
lasten voor de burgers wordt gerealiseerd, zowel wat betreft de keuze van de te verlagen
heffing (rioolrecht, reinigingsrecht of OZB) als wat betreft de methode van verlaging van de
aanslag, aangepast aan lokale omstandigheden. In het verleden hebben de gemeenten
gebruikgemaakt van de vrijheid om de groeiende milieulasten op een evenwichtige wijze over
de burgers te verdelen. Dit heeft er in veel gevallen toe geleid dat de reinigingsrechten zijn
ontzien, terwijl andere belastingen en rechten zijn verhoogd.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Uit de inhoud van de maatregel maakt de Raad op dat de maatregel wordt ingegeven door
overwegingen van inkomenspolitiek. Naar zijn mening zijn er echter voor het voeren van
inkomensbeleid meer geëigende middelen dan het gemeentelijk reinigingsrecht.
De uitgebreide regelgeving brengt voor de gemeenten extra inspanningen en kosten met zich
mee. Op korte termijn moeten verordeningen gewijzigd worden, software bijgesteld, enz. enz.
Tegelijkertijd is nog veel onduidelijk, zolang de wet nog niet is aangepast. Er dreigt dus
tijdnood, hetgeen zal leiden tot extra invoeringskosten. Het bevreemdt de Raad dat in de
voorstellen geen aandacht is besteed aan deze extra uitvoeringskosten, temeer omdat in de
Nota Lokale Lastendruk is gesteld dat voortaan de kosten van rijksbeleid zullen worden
gecompenseerd.
Tenslotte merkt de Raad op dat de voorgestelde regelgeving is ingegeven door de situatie op
dit moment. Het is niet uitgesloten dat door verandering van omstandigheden de zin van de
gedetailleerde voorschriften verdwijnt. Om die reden meent de Raad dat de regelgeving in
ieder geval een horizonbepaling zal moeten bevatten.
(2) De opheffing van gemeentelijke en provinciale milieuleges voor de bedrijven zal worden
gecompenseerd door integratie-uitkeringen bij Gemeente- en Provinciefonds. Deze zullen
worden gebaseerd op de leges-opbrengsten van 1995 tot en met 1997.
Bekend is dat deze opbrengsten van jaar tot jaar sterk kunnen schommelen. Het is dan ook de
vraag of het gemiddelde over de jaren 1995-1997 enigszins zal overeenstemmen met de
ramingen die de gemeenten en provincies hebben opgenomen in de begroting voor 1998. Het
is mogelijk dat zij daardoor op korte termijn een budgettair probleem krijgen.
In verband met de dynamiek van de bedrijvigheid kan het integratie-artikel niet te lang
gehanteerd worden. Vooral gemeenten waar de bedrijvigheid snel groeit of waar de bedrijven
overgaan tot grote investeringen, zullen te maken krijgen met een toenemende onderdekking
van hun kosten. Om die reden heeft de Raad geadviseerd om dit onderdeel niet over te
hevelen naar de fondsen, maar via een specifieke uitkering te bekostigen.
Tenslotte is aan te tekenen dat het bij de integratie-uitkering niet gaat om compensatie van
kosten maar om vergoeding van gederfde inkomsten. Dit is een wezenlijk verschil. De Raad
ziet niet direct verdeelmaatstaven waarmee de integratie-uitkeringen zonder grote
herverdelingen in de normale verdelingen van Gemeente- en Provinciefonds kunnen worden
opgenomen. Naar de mening van de Raad is daarvoor een breder ijkingsonderzoek naar het
gehele complex van milieutaken van gemeenten en provincies noodzakelijk. Zo’n onderzoek
lijkt om meerdere redenen aanbevelenswaardig: de verdeling van bevoegdheden en
werkzaamheden op dit terrein zijn in de laatste jaren sterk gewijzigd, de bekostiging evenzo.
In zo’n bredere ijking ziet de Raad meer mogelijkheden om een juiste compensatie te bieden
voor de uitvoeringskosten van de milieuwetgeving.
Wijziging precariobelasting
Lang heeft onduidelijkheid geheerst over het beleid met betrekking tot de precariobelasting.
Zeer onlangs is besloten een wetsvoorstel in te dienen om deze belasting per 1-1-1998 af te
schaffen voor zover het telecommunicatiekabels betreft. De gemeenten en provincies zullen
voor het inkomstenverlies worden gecompenseerd. Over de totale som van die compensatie en
over de verdeling geven de septembercirculaires nog geen enkel uitsluitsel.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Naar de mening van de Raad heeft de voorgenomen maatregel een sterk ad hoc karakter. Hij
roept de nodige vragen op, principiële zowel als praktische. Deze zouden moeten worden
beantwoord voordat daadwerkelijk kan worden overgegaan tot afschaffing van de
precariobelasting op telecommunicatiekabels. De Raad denkt aan de volgende vraagstukken:
1. Hoe past de beperking van het belastinggebied van gemeenten, provincies en
waterschappen, welke nu wordt voorgesteld, in de bestaande algemene visie over het eigen
belastinggebied van deze overheden?
2. Indien tot de bedoelde gedeeltelijke afschaffing van de precariorechten wordt overgegaan,
wat moet dan de grondslag zijn voor de compensatie? Alleen compensatie voor gederfde
inkomsten in een min of meer willekeurig basisjaar of compensatie voor wegvallende
belastingcapaciteit? De Raad maakt uit de informatie op dat het kabinet alleen denkt aan
compensatie van gederfde inkomsten. Hij acht dit ontoereikend, omdat de maatregel de
andere overheden de mogelijkheid ontneemt om in de toekomst uit deze bron hogere
inkomsten te genereren door de belasting in te voeren, dan wel de tarieven te verhogen.
3. Leidt de afschaffing niet tot nieuwe ongelijkheden? De gemeenten hadden tot nu toe de
gelegenheid om in plaats van precariorechten te heffen langs privaatrechtelijke weg eenzelfde
doel te bereiken. Deze privaatrechtelijke oplossingen blijven in het voorstel buiten schot. Ook
ontstaat door de vrijstelling van één sector een nieuwe ongelijkheid met andere gebruikers van
de openbare grond. Dat kan mogelijk leiden tot verdere afkalving van de resterende
belastingmogelijkheden.
4. Is het mogelijk de gemeenten redelijk te compenseren? Dit lijkt niet het geval, indien de
compensatie beperkt blijft tot een vergoeding van de inkomstenderving. De huidige
inkomsten zijn dermate scheef verdeeld dat zij zonder grote herverdelingen niet met
objectieve maatstaven kunnen worden verwerkt. Het integratie-artikel kan soelaas bieden,
maar slechts tijdelijk. Een zeer langdurig gebruik van die mogelijkheid zal het algemeen
karakter van de fondsen aantasten.
5. Hoe kunnen de waterschappen gecompenseerd worden? De waterschappen mogen ook
precariorechten heffen, maar kunnen niet gemakkelijk voor de afschaffing
daarvan gecompenseerd worden, aangezien tussen deze overheden en het Rijk geen financiële
verhouding bestaat.
De Raad is van mening dat er op deze en andere vragen antwoord moet zijn gegeven, alvorens
tot afschaffing van een deel van de precariobelasting wordt besloten. Het gevaar is anders niet
denkbeeldig dat de afschaffing een feit is zonder dat er voldoende zekerheid bestaat over de
mogelijke gevolgen en over de te verlenen compensatie.
Afschriften van deze brief zijn verzonden aan de Minister en Staatssecretaris van Financiën en
aan de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, mevrouw
A.G.M. van de Vondervoort.
De Raad voor de financiële verhoudingen,
w.g. mw ir. J.M. Leemhuis-Stout, voorzitter
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>w.g. drs. W.M.C. van Zaalen, secretaris
[1] Lastenverlichting: Septembercirculaire 1997 Gemeentefonds § 4.3, 4.12, 9.1 en
Provinciefonds § 4.7. Precariobelasting: Septembercirculaire 1997 Gemeentefonds § 4.4 en
Provinciefonds § 4.8.
[2] Advies aan de Minister van Financiën, de Staatssecretaris van Financiën en de
Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken mevr. A.G.M. van de Vondervoort d.d. 16-7-
1997, nr. Rfv 16.13/001.002.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>