<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                                            De minister van Financiën
                                            de heer drs. G. Zalm
                                            Postbus 20201
                                            2500 EE DEN HAAG
Bijlagen               Uw kenmerk           Ons kenmerk           Datum
--                     FIPULI 2001-344      Rfv2001/U74885        20 juni 2001
                       M
Inlichtingen bij       Dossier/volgnummer   Doorkiesnummer
drs. A.J. van Dijk     55806C-023           070 - 426 6875
Onderwerp
Advies herverdeling onderwijshuisvesting
Aalburg
Geachte heer Zalm,
Hierbij biedt de Raad voor de financiële verhoudingen u zijn advies aan over de
problematiek van de gemeente Aalburg aangaande de herverdeling
onderwijshuisvesting. In de adviesaanvraag Aalburg van 8 juni 2001 vraagt u de
Raad een advies uit te brengen over het volgende: Bestaat er gegronde aanleiding
om de gemeente Aalburg op het terrein van haar onderwijshuisvesting tegemoet te
komen? Indien ja, wat adviseert de Raad in dat geval?
De gemeente Aalburg heeft aangegeven nieuwbouw te willen realiseren voor het
Willem van Oranje College. Zij geeft daarbij aan dat met dit project een investering
van ƒ 18 miljoen is gemoeid, die de gemeente niet voor haar rekening kan nemen. In
de brief aan de Tweede Kamer van 4 april 2001 (TK 27 400 B, nr. 11) van de
minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens de
bewindslieden van Financiën en de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen, mw. K.Y.I.J. Adelmund, wordt omstandig ingegaan op de
argumenten van de gemeente Aalburg inzake financiële tegemoetkoming. De Raad
weegt de daarin naar voren gebrachte punten mee in zijn advies en betrekt daarbij
tevens de reactie van de gemeente Aalburg (brief gemeente Aalburg, 20 april 2001).
1.
Advies Rfv herverdeling onderwijshuisvesting
De Raad bracht op 8 maart 2001 een algemeen advies uit over de herverdeling
onderwijshuisvesting. Het advies had betrekking op het rapport Lokaal verdeeld:
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>onderzoek naar een nieuwe verdeling van het gemeentefonds in verband met de
decentralisatie van de onderwijshuisvesting. De Raad onderschreef de in dat rapport
voorgestelde vormgeving van de herverdeelmaatregelen. De Raad gaf daarbij aan
dat daarmee de uiterste grens is bereikt voor verdergaande differentiatie van de
onderwijshuisvestingsmiddelen binnen het gemeentefonds. Bovendien gaf de Raad
aan dat binnen de context van het gemeentefonds het formuleren van ad hoc
oplossingen in reactie op acute knelpunten dient te worden voorkomen.
De vraag die nu voorligt is of dit algemene oordeel nuancering behoeft wanneer het
specifieke geval van de gemeente Aalburg het uitgangspunt is. Teneinde dit te
kunnen beoordelen heeft de Raad de problematiek van Aalburg afzonderlijk tegen
het licht gehouden.
2.
Niet specifiek maar algemeen
De Raad benadrukt dat het tot stand komen van adequate voorzieningen niet de
verantwoordelijkheid is van de beheerders van het gemeentefonds. Hiervoor zijn de
gemeenten verantwoordelijk. De beheerders van het gemeentefonds dienen er voor
te zorgen dat de gemeenten deze verantwoordelijkheid kunnen dragen. Dit betekent
dat de Raad op deze plaats niet uitputtend ingaat op argumenten die betrekking
hebben op de specifieke bekostiging van de onderwijshuisvesting door de gemeente
Aalburg.
Zo wordt in de brief van 4 april 2001 (TK 27 400 B, nr. 11) ingegaan op het gegeven
dat de door de gemeente Aalburg gewenste volledige nieuwbouw niet noodzakelijk
is, aangezien de school op dit moment een gebouw heeft dat ten dele voldoet. De
gemeente Aalburg brengt hier tegenin dat in een eerder stadium is gekozen voor
nieuwbouw nadat bleek dat algehele nieuwbouw wellicht goedkoper zal zijn dan
uitbreiding en renovatie.
De Raad is van mening dat de keuze voor volledige nieuwbouw in lijn is met de
beleidsvrijheid die de gemeente op dit terrein heeft. Het staat de gemeente vrij de
middelen voor onderwijshuisvesting in te zetten zoals zij goeddunkt. Naar de
mening van de Raad behoort dit type argumenten, zoals gezegd, geen rol te spelen
bij de beoordeling van de vraag of er gegronde aanleiding is de gemeente Aalburg
op het terrein van onderwijshuisvesting tegemoet te komen.
3.
Kleine gemeente, grote scholen
Van belang is wel de vraag of de gemeente Aalburg wellicht behoort tot de groep
met het knelpunt Kleine gemeenten, grote scholen SO en VO. Aangezien de
gemeente negatief scoort op de maatstaf die specifiek op dit probleem is
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>toegesneden, luidt de conclusie dat dit niet het geval is. Wanneer gekeken wordt
naar de leerling/inwonerratio blijkt eveneens dat de gemeente Aalburg niet tot deze
groep behoort. De leerling/inwonerratio voor Aalburg bedraagt 0,043. De
gemiddelde leerling/inwonerratio in gemeenten met SO en/of VO bedraagt 0,068. In
het voorstel van de werkgroep decentralisatie onderwijshuisvesting worden
gemeenten pas extra gecompenseerd voor het geschetste knelpunt vanaf een ratio
van 0,08.
De gemeente Aalburg stelt dat deze toelichting niet relevant is. Zij stelt dat de
oplossing van dit probleem nooit binnen het gemeentefonds kan worden gevonden.
Zij stelt vervolgens dat het probleem niet zou zijn ontstaan indien destijds adequate
gebouwen waren meegekomen. De kern van het probleem is de algehele toestand
van de gebouwen per 1 januari 1997 en het tekort aan vierkante meters. Verder stelt
de gemeente Aalburg dat vaststaat dat nu moet worden geïnvesteerd in een
regioschool en dat dit politiek niet uit te leggen is en dus niet aanvaardbaar.
4.
De startsituatie
De Raad is het er mee eens dat de oplossing van het probleem niet binnen het
gemeentefonds kan worden gevonden. De gemeente Aalburg verwijst vooral naar
haar slechte startsituatie. Hierop is ingegaan door de werkgroep decentralisatie
onderwijshuisvesting. Dit probleem is ten tijde van de decentralisatie onderkend en
er is volgens de werkgroep geen reden dit opnieuw ter discussie te stellen. Daarnaast
geeft de werkgroep aan dat het niet haalbaar is om de staat van onderhoud van
10.000 gebouwen met een oppervlakte van 18 miljoen vierkante meter als
kostenindicator bij te houden. Voor het oplossen van dit soort knelpunten is geen
hanteerbaar, algemeen geldend en objectief instrument te maken.
De Raad sluit zich aan bij beide punten van de werkgroep. Met betrekking tot de
kostenindicator voor onderhoud is de Raad van mening dat de bezwaren hiertegen
niet in de eerste plaats van praktische aard zijn. Zoals de Raad in zijn eerder advies
over de herverdeling onderwijshuisvesting heeft aangegeven zijn met betrekking tot
de onderwijshuisvesting de grenzen van kostenoriëntatie bereikt. Verdere
differentiatie tast de globaliteit van het stelsel aan. Ten aanzien van de startsituatie
van de gemeente Aalburg is de geringe prioritering van de door Aalburg gewenste
investeringen onder het oude regime (plaats 91) wel van belang. Zoals gesteld gaat
de Raad niet in op de bijzonderheden van deze prioritering maar deze maakt wel
duidelijk dat er voor de gemeente Aalburg niet gesproken kan worden van een
uitzonderlijk slechte startsituatie.
5.
Omvangrijke investeringen in perspectief
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>De constatering van de gemeente dat het een omvangrijke investering betreft en dat
dit politiek niet uit te leggen is, wordt door de Raad in de eerste plaats gezien als een
indicatie van de vitaliteit van de lokale politiek. Het is naar de mening van de Raad
een goede zaak dat de inzet van middelen uit het gemeentefonds onderwerp is van
politiek debat. Dit past goed in de door de Raad bepleite versterking van de lokale
autonomie.
Het argument dat juist nu moet worden geïnvesteerd leidt voor de Raad niet tot de
conclusie dat voor de gemeente Aalburg tot een specifieke oplossing moet worden
gekomen. In de eerste plaats is de gemeente al lange tijd, in ieder geval sinds 1996,
op de hoogte van de noodzaak tot investering in de onderwijshuisvesting. De
werkgroep merkt terecht op dat in gevallen dat gemeenten worden geconfronteerd
met meer dan gemiddelde uitgaven een zorgvuldige afweging en het stellen van
prioriteiten door de gemeente van belang is. De lokale zorg voor
onderwijshuisvesting kenmerkt zich door een hoog investeringsgehalte. Voor de ene
gemeente ligt het moment van investeringen vrij snel na de overheveling, voor de
andere gemeente komt dat moment pas na een groot aantal jaren. Slechts in het geval
dat de noodzaak tot investeringen in de beginjaren over een reeks van jaren hoog
ligt, zoals bij groeigemeenten, heeft de werkgroep geconcludeerd dat dit een te
zware belasting is. Dit is naar de mening van de Raad in de gemeente Aalburg niet
aan de orde.
In de tweede plaats is de Raad van mening dat de door de gemeente Aalburg
noodzakelijk geachte grote investering niet verschilt van grote investeringen op
andere terreinen. De Raad realiseert zich dat dit soms moeilijke afwegingen vereist
en is tegelijkertijd van mening dat er in het geval van Aalburg niet gesproken kan
worden van een uitzonderlijke situatie. Grote investeringen kunnen op zichzelf
opgevat worden als een verstoring, maar doordat dit type investeringen met enige
regelmaat zal moeten worden gedaan kan een adequate meerjarenplanning deze
verstoringen vereffenen.
6.
Overige knelpunten
Daarnaast wordt in de brief van de minister ingegaan op een ander door de
werkgroep onderzocht knelpunt, de Centrumfunctie basisonderwijs. De strekking
van dit punt is dat de gemeente Aalburg op basis van deze verdeelmaatstaf een
onbeoogd voordeel ontvangt van ƒ 17 per inwoner en dat dit de gemeente Aalburg
dus gedeeltelijk compenseert voor haar problemen in het VO. De gemeente Aalburg
tekent hiertegen aan dat dit punt niet ter zake doet, en dat zij bovendien een
substantieel bedrag uitgeeft aan schoolvervoer. In de brief van de minister wordt
tevens ingegaan op de twee overige door de werkgroep onderzochte knelpunten, te
weten Snelle groei en Meerkernigheid. Deze blijken nauwelijks financiële
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>consequenties te hebben voor de algemene uitkering van de gemeente Aalburg. In de
brief wordt voorts nader ingegaan op de voor Aalburg beschikbare middelen voor
onderwijshuisvesting. Hierbij wordt tevens verwezen naar de integratieuitkering en
het gegeven dat met ingang van 2002 de integratieuitkering in de algemene uitkering
zal zijn geïntegreerd en dat ook dit leidt tot een positief effect voor Aalburg.
De Raad acht de constatering dat er in ieder geval geen cumulatie is van negatieve
herverdeeleffecten voor de gemeente Aalburg bij de oplossing van de geconstateerde
knelpunten van belang.
De gemeente Aalburg plaatst kanttekeningen bij de uitgevoerde berekening waar het
de geraamde kosten betreft. Bovendien gaat de minister er volgens de gemeente
Aalburg ten onrechte vanuit dat de uitkering uit het gemeentefonds vrij besteedbaar
zou zijn. Dit is volgens haar niet het geval, mede in het licht van eerder aangegane
verplichtingen en al noodzakelijkerwijs gemaakte kosten ten behoeve van de
huisvesting van het Willem van Oranje College.
De Raad wil er in dat verband op wijzen dat het gemeentefonds een algemene
uitkering is en dat het geen aanbeveling verdient een specifiek bekostigingsprobleem
ten aanzien van een onderdeel van de verdeling een disproportioneel groot gewicht
te geven.
7.
Conclusie
Na het voorafgaande zal duidelijk zijn dat de Raad op basis van het specifieke geval
van de gemeente Aalburg geen aanleiding ziet tot aanpassing van het verdeelstelsel.
De gevaren van een verdere verfijning zijn eerder uiteengezet. Hoe gedetailleerder
de verdeling wordt, des te groter wordt de kans dat de effecten van de eigen
beleidskeuzes van de individuele gemeenten worden gehonoreerd, waardoor de
verdeling in toenemende mate door subjectieve elementen wordt bepaald. In het
geval dat de wijziging in het verdeelstelsel gericht is op een (beperkte) verbetering
van de financiële positie van één of enkele gemeenten krijgt de te maken keuze
steeds meer het karakter van een afweging tussen het individuele belang van een
willekeurige gemeente en het algemeen belang.
De gemeente Aalburg stelt in haar reactie eveneens dat zij van mening is dat haar
probleem nooit binnen het gemeentefonds kan worden opgelost, maar heeft uit het
politieke debat de indruk gekregen dat met haar geval op onconventionele wijze zou
worden omgegaan. Uit de context van het politieke debat blijkt echter dat niet
gesproken kan worden van een ongeclausuleerde toezegging. Hoe sympathiek een
onconventionele oplossing in eerste aanleg wellicht ook lijkt, de Raad acht deze in
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>strijd met de rechtsgelijkheid. De Raad ziet derhalve geen gronden voor een ad hoc
oplossing.
De Raad sluit overigens niet uit dat in algemene zin gesproken kan worden van een
omvangsprobleem ten aanzien van onderwijshuisvesting. In dit verband kan ook
gewezen worden op de recente motie-Noorman-Den Uyl c.s. (29 mei 2001, 27 400
B, nr. 14) waarin wordt gesteld dat nieuwe taken in het onderwijs leiden tot een
grotere en aangepaste ruimtebehoefte van de schoolgebouwen, waarvan het primaat
van de financiering ligt bij de rijksoverheid op grond van het kabinetsstandpunt in
de nota Lokale lasten. Het is niet de taak van de Raad hierover in dit advies een
uitspraak te doen.
De Raad voor de financiële verhoudingen,
mevrouw A. van den Berg, voorzitter
M.P.H. van Haeften, secretaris
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>