<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                                            De staatssecretarissen van Volksgezondheid,
                                            Welzijn en Sport mevrouw A.M.
                                            Vliegenthart, van Sociale Zaken en
                                            Werkgelegenheid mevrouw mr. A.E.
                                            Verstand van Financiën, de heer drs. W.J.
                                            Bos en de minister van Binnenlandse Zaken
                                            en Koninkrijksrelaties de heer mr. K.G. de
                                            Vries
                                            en van Onderwijs, Cultuur en
                                            Wetenschappen mevrouw
Bijlagen                Uw kenmerk          Ons kenmerk              Datum
Een                     BJB-KO2166791 Rfv2001/U71281                 29 mei 2001
Inlichtingen bij        Dossier/volgnummer  Doorkiesnummer
G.A. van Nijendaal      55807B-013          070-4267232
Onderwerp
Budgettaire consequenties voor gemeenten
van de Wet basisvoorziening Kinderopvang
Geachte mevrouw Vliegenthart, mevrouw Verstand, de heer Bos en de heer De Vries,
U verzoekt de Raad te adviseren over de financiële consequenties voor de gemeenten
van de Wet basisvoorziening kinderopvang (WBK). Met dit advies voldoet de Raad aan
de door u gestelde vraag.
Samenvatting en conclusies
De Raad constateert dat de overgang naar een vraaggestuurde bekostiging voor de
kinderopvang nog vele onzekerheden met zich brengt. De voorgestelde wijziging vormt
in zekere zin het spiegelbeeld van decentralisatie in plaats van een overheveling van
taken en middelen aan gemeenten en of provincies verdwijnen er nu taken en middelen.
De Raad pleit daarom voor een begeleid implementatietraject voor de Wet
basisvoorziening kinderopvang. Het gaat erom de gevolgen voor de beoogde
doelstellingen, de voorzienbare en onvoorzienbare effecten in kaart te brengen om
daarop zonodig adequaat te kunnen reageren. Dit vergt dat vooraf voldoende
helderheid wordt verschaft in de financiële consequenties voor betrokken partijen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Naast het wegvallen van bestaande taken betekent het nieuwe stelsel voor gemeenten
ook een intensivering van bestaande taken en een aantal nieuwe taken. Tegenover een
reële raming van de wegvallende kosten van bestaande taken dient ook een reële
onderbouwing van de kosten van de nieuwe taken en de dekking daarvan te staan. De
consequentie van de uitlichting enerzijds en de toevoegingen anderzijds is dat er
onvermijdelijk herverdeeleffecten ontstaan. Deze herverdeling moet wel gebaseerd zijn
op reële kostenfactoren.
Het wegvallen van taken betekent dat de eerder in het gemeentefonds gestorte middelen
voor de kinderopvang uitgelicht moeten worden. De Raad bepleit een eenduidige
systematiek die rekening houdt met prijs- en volumeontwikkelingen sinds de
overheveling. De verdeling van de uitlichting dient conform de toevoeging te
geschieden. De normeringssystematiek moet onverkort worden toegepast. Dit betekent
dat gemeenten eenmalig alsnog het gederfde accres ontvangen en ook dat als gevolg
van het op de rijksbegroting staan van de gelden voor kinderopvang er rekening wordt
gehouden met de structurele budgettaire doorwerking daarvan. De Raad bepleit een
oplossing voor de armoedevalproblematiek die kan ontstaan door het wegvallen van de
bestaande bijdrageregelingen gericht op arbeidsparticipatie van
uitkeringsgerechtigden. Er is geen aanleiding de eigen middelen van gemeenten te
betrekken bij de budgettaire dekking.
De Raad komt tot de conclusie dat meer helderheid is geboden om van een overtuigende
onderbouwing van de kosten van de nieuwe taken te kunnen spreken. Ook ontbreekt de
gewenste helderheid over de wijze waarop gemeenten geacht worden deze kosten te
kunnen dekken.
1.
Inleiding
In het regeerakkoord is een Wet basisvoorziening kinderopvang (WBK) aangekondigd.
De kern van het nieuwe stelsel is de invoering van een vraaggestuurde bekostiging voor
de kinderopvang. De invoering van het nieuwe stelsel van kinderopvang heeft ook
gevolgen voor de gemeentelijke taken en kosten. Dit advies gaat in op de budgettaire
consequenties van de Wet basisvoorziening kinderopvang voor de gemeenten. De Raad
hecht er belang aan eerst in te gaan op de consequenties van een systeem van
vraagsturing in zijn algemeenheid en die bij de kinderopvang in het bijzonder
(hoofdstuk 2).
Het gevolg van het nieuwe stelsel van kinderopvang is dat er gemeentelijke taken en
daarmee kosten verdwijnen. De nieuwe opzet houdt voor gemeenten ook een
intensivering van bestaande taken en een aantal nieuwe taken in. Binnen een
kostengeoriënteerde verdeling van het gemeentefonds kunnen de wegvallende kosten
niet zomaar tegen de nieuwe kosten worden weggestreept. De verdeling van de kosten
van de huidige taken zal waarschijnlijk afwijken van de kosten van de nieuwe taken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Naar de opvatting van de Raad ligt het voor de hand dat de financiële gevolgen van het
wegvallen van de oorspronkelijke gemeentelijke taak voor de kinderopvang eerst goed
in kaart worden gebracht (hoofdstuk 3). Vervolgens dienen de kosten die voortvloeien
uit de nieuwe taken te worden geïnventariseerd en moet worden bepaald op welke wijze
de kosten worden gedekt en op welke wijze de kosten daarvan over de gemeenten zijn
verdeeld (hoofdstuk 4).
2.
De overgang naar een vraaggestuurde bekostiging
2.1
Algemeen
De Raad onderkent in de overgang van aanbodbekostiging naar een vraaggestuurde
bekostiging bij de kinderopvang een meer algemene trend die zich duidelijk in het
openbaar bestuur aftekent. Ook op andere terreinen zoals bij de onderwijsbekostiging
(leerlinggebondenfinanciering, schoolbegeleidingsdiensten e.d.), de
persoonsgebondenbudgettten in de gezondheidszorg en in de jeugdhulpverlening is deze
verschuiving zichtbaar. Deze trend sluit aan op de individualisering in de samenleving.
Burgers krijgen grotere mogelijkheden meer directe invloed uit te oefenen op het
gewenste aanbod. De Raad heeft zich nog geen afgerond oordeel gevormd over
vraagsturing als zodanig maar wil wijzen op de mogelijke gevolgen.
Deze verschuiving van beslissingsmacht heeft namelijk gevolgen voor de wijze waarop
de verantwoordelijkheid van de overheid tot uitdrukking komt. Het erkennen van iets
als een basisvoorziening onder gelijktijdige introductie van marktwerking brengt een
zekere spanning met zich. Daar waar het gaat om basisvoorzieningen geldt immers dat
de overheid de zorg heeft voor het bieden voor een voldoende adequaat aanbod van
dergelijke voorzieningen. De toegankelijkheid en beschikbaarheid kunnen met name in
het gedrang komen bij meer gespecialiseerde voorzieningen voor een beperkte
doelgroep en in gebieden waar de (koopkrachtige) vraag tekort schiet voor het
waarborgen van een adequaat aanbod.
Daarnaast wijst de Raad op het gevaar van het ontbreken van een integrale afweging.
Doordat elke voorziening gerelateerd is aan een eigenstandige vraag, kan de afstemming
tussen verschillende voorzieningen in het gedrang komen. Voor de overheid is in deze
gevallen vaak niet meer dan een regiefunctie weggelegd. Het probleem daarbij is dat de
mogelijkheden daadwerkelijk regie te voeren vaak beperkt zijn.[1]
Deze problematiek reikt verder dan de hiervoor liggende wijziging in de bekostiging
van de kinderopvang. De Raad overweegt dan ook de consequenties die bij dit
vraagstuk spelen in een breder kader van een meer thematische benadering nader uit te
werken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>2.2
Vraagsturing van de kinderopvang
Op basis van de Welzijnswet behoort de kinderopvang nu tot de gemeentelijke
verantwoordelijkheid. De afgelopen jaren hebben gemeenten grote inspanningen op het
terrein van de kinderopvang geleverd. 97% Van de gemeenten heeft kinderopvang
binnen de eigen grenzen of in regionaal verband gerealiseerd. Een grote meerderheid
van de gemeenten kent een beleidsnota kinderopvang of is daarmee bezig.
De gemeenten hebben met behulp van de stimuleringsmaatregelen van het Rijk het
aantal kinderopvangplaatsen de laatste jaren flink weten uit te breiden. De verwachting
is daarbij dat ook na 2002 de vraag naar kinderopvangplaatsen zal blijven groeien, met
name de buitenschoolse opvang.
Los van de stimuleringsregeling uitbreiding kinderopvang en de overgehevelde
middelen naar het gemeentefonds besteden gemeenten zelf nog eens ca. ƒ 130 mln. uit
de eigen middelen aan kinderopvang. Dit is het gevolg van de door de gemeenten
gevoelde verantwoordelijkheid binnen het huidige stelsel van kinderopvang. Het is
deels een aanvulling op de tekortschietende rijksbijdragen, maar ook geld voor
gemeentelijke doelgroepen en voor aanverwante zaken zoals peuterspeelzalen,
voorschoolse opvang, de brede schoolgedachte e.d. Ook hebben gemeenten in het
verleden kinderopvang gestimuleerd door middel van lage grondkosten, het gratis of
tegen lage kosten ter beschikking stellen van huisvesting en/of andere voorzieningen.
Ondanks de ook door de Raad erkende knelpunten kan het huidige beleid als redelijk
succesvol worden gekenschetst. Dit beleid wordt nu opzij gezet op een moment dat de
vraag naar kinderopvangplaatsen nog steeds het aanbod overtreft. De Raad heeft de
nodige twijfels of de verwachte voordelen van een vraaggestuurde bekostiging zich
uiteindelijk wel in die mate zullen manifesteren. Tegen de verwachte voordelen staat
ook een aantal nu nog moeilijk te traceren nadelen. De Raad wijst daarbij op de
volgende zaken.
De nieuwe gemeentelijke taken in het kader van Wet basisvoorziening kinderopvang
vergen een wezenlijke wijziging van de gemeentelijke taak. De Raad wijst op mogelijke
desintegratieschade die ontstaat als gevolg van de gewijzigde verhoudingen tussen
gemeenten en kinderopvanginstellingen.
De impliciete veronderstelling dat het verleggen van de geldstroom verder geen
gevolgen heeft voor zowel de totale hoeveelheid beschikbare middelen voor de
kinderopvang als het gemeentelijk aandeel daarin, acht de Raad in dit stadium te
voorbarig. Deze constatering gaat voorbij aan de betekenis van de stimulerende rol die
gemeenten in de huidige opzet op zich hebben genomen. Deze betekenis laat zich niet
altijd zonder meer in geld uit drukken. Het ligt weliswaar niet in de lijn der verwachting
dat de door de gemeente ervaren betrokkenheid bij de lokale kinderopvang door de
nieuwe opzet geheel verloren gaat, wel zal deze betrokkenheid op een andere wijze tot
uitdrukking komen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Het is daarbij voor de Raad nog een vraag of de verruiming van mogelijkheden van
nieuwe aanbieders in alle gevallen wel zal leiden tot een toereikend aanbod.
De Raad constateert dat de overgang naar een vraaggestuurde bekostiging nog vele
onzekerheden met zich brengt. In zeker zin gaat het hier om het spiegelbeeld van
decentralisatie in plaats van een overheveling van taken en middelen naar gemeenten
verdwijnen er nu taken en middelen. Overeenkomstig het decentralisatieadvies van de
Raad voor het openbaar bestuur en de Raad voor de financiële verhoudingen pleit de
Raad daarom ook voor een begeleid implementatietraject voor de Wet basisvoorziening
kinderopvang.[2] Het gaat erom de gevolgen voor de beoogde doelstellingen, de
voorziene en onvoorziene effecten in kaart te brengen om daarop zonodig adequaat te
kunnen reageren. Vooraf moet maximale helderheid worden geschapen over de taken en
de beschikbare middelen voor partijen.
3.
De budgettaire consequenties van het wegvallen van de huidige aanbodbekostiging
voor gemeenten
De financiële betekenis van de kinderopvang voor de gemeenten bestaat uit vier
hoofdbestanddelen:
1. het gemeentefondsaandeel;
2. de stimuleringsbijdrage kinderopvang;
3. de bijdrageregeling vanuit het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
   met het oog op toetreding tot de arbeidsmarkt;
4. de eigen gelden.
1. Het gemeentefondsaandeel
In 1997 is er ƒ 192,4 mln. voor kinderopvang aan het gemeentefonds toegevoegd. Het
voorstel is nu deze gelden weer uit het gemeentefonds te lichten voor de voeding van de
nieuwe bekostigingssystematiek.
De vraag daarbij is tweeërlei: Wat is de hoogte van het uit te lichten bedrag nu en moet
het qua verdeling op dezelfde wijze uit het gemeentefonds worden gelicht als het er
destijds in is gekomen?
De omvang van het uit te lichten bedrag
Het bepalen van de omvang van de financiële middelen die op enig moment in het
gemeentefonds zijn gestort is een steeds weer terugkerend thema. Het onderwerp speelt
bij evaluaties van het gemeentelijk beleid, zoals bij de WVG maar ook bij uitlichtingen
zoals bij het Fonds Werk en Inkomen, de onderwijshuisvesting en nu bij de
kinderopvang.
In een eerder advies over de monitoring van de algemene uitkering en afsplitsing
onderwijshuisvesting bepleitte de Raad een methodiek die uitgaat van het historisch
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>overgehevelde bedrag gekoppeld aan de ontwikkeling van de maatstaven en de
prijsontwikkeling.[3] Deze benadering sluit aan op de ontwikkeling van zowel de
kostendrijvers zoals die bij de overheveling zijn bepaald als de prijsontwikkeling. (In
bijlage 1 zijn de verschillende mogelijke methodes nader uitgewerkt.) De Raad
constateert dat bij de evaluatie van de WVG is gekozen voor een andere methodiek om
de omvang van het aandeel in het gemeentefonds te bepalen. Daarbij is het aandeel
bepaald op basis van het historisch overgehevelde bedrag voor de reële
prijsontwikkeling binnen het gemeentefonds gecorrigeerd. De Raad ziet nu geen
aanleiding zijn eerder ingenomen beredeneerde standpunt te wijzigen. Wel vindt de
Raad dat voorkomen moet worden dat deze discussie bij elke uitlichting of evaluatie
opnieuw weer oplaait en al naar gelang de wenselijke uitkomst steeds tot andere
voorkeuren leidt. De transparantie van de financiële verhoudingen zou in de ogen van
de Raad gediend zijn bij het vaststellen van een heldere methodiek. De vast te stellen
methode dient vervolgens strikt te worden toegepast, ook als dat voor de gemeenten
en/of provincies of rijk minder gunstig uitvalt. De Raad is er zich van bewust dat in dit
geval een dergelijke wijze van uitlichting voor gemeenten minder gunstig is dan die op
basis louter uitgaat van het historische bedrag.
De wijze van uitlichting
De hoofdregel dient naar de mening van de Raad te zijn dat het bedrag op dezelfde
wijze uit het fonds moet worden gelicht als het er ook is ingekomen. Slechts in
bijzondere omstandigheden kan daarvan worden afgeweken. Dat is bijvoorbeeld het
geval indien overduidelijke aanwijzingen bestaan dat het restant aan taken dat overblijft
in het cluster qua verdeelmaatstaven niet goed wordt bediend met de resterende
maatstaven. Dit was bijvoorbeeld het geval bij de uitlichting ten behoeve van het Fonds
Werk en Inkomen.[4] In dit advies gaf de Raad aan dat een uitlichting conform de
verdeelwijze zoals die bij de invoering van het stelsel was gedaan in dat geval zou
leiden tot een minder goede verdeling het resterende deel van de bijzondere bijstand in
het gemeentefonds. Een globale toets voor het cluster Zorg, waaronder de kinderopvang
valt, wijst uit dat, gelet op de destijds gekozen verdeelwijze die vrij nauw aansloot bij
de verdeling van het totale cluster Zorg en het betrekkelijk geringe aandeel van de
kinderopvang daarbinnen er geen reden is van de hoofdregel af te wijken.[5]
2. Extra stimuleringsgelden
In het Regeerakkoord is afgesproken dat er extra middelen beschikbaar komen voor de
uitbreiding van de kinderopvangcapaciteit. Daarvoor is ƒ 250 mln. beschikbaar
gekomen. Op verzoek van de Tweede Kamer is nog ƒ 20 mln. extra toegevoegd. Deze
middelen staan tot en met 2002 op de begroting van VWS en worden door middel van
een specifieke uitkering over gemeenten verdeeld. Het lag in de bedoeling dat deze
gelden met ingang van 2003 naar het gemeentefonds zouden worden overgeheveld.
Daarom is destijds met de VNG afgesproken dat de ƒ 250 mln. van de specifieke
uitkering tot en met 2002 niet meetelt voor de normeringsystematiek.
Naar de opvatting van de Raad is het terecht dat wanneer nu wordt afgezien van de
overheveling naar het gemeentefonds de gemeenten eenmalig alsnog het gederfde
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>accres ontvangen. Het gaat om en bedrag van maximaal ƒ 118 mln.. De consequentie
van de afgesproken systematiek is ook dat de ƒ 250 mln. structureel vanaf 2003 ten laste
van de rijksuitgaven komt en dan gewoon meetelt voor het accres; de doorwerking naar
gemeentefonds hiervan is maximaal ƒ 50 mln.
3. Bijdrageregelingen met het oog op arbeidsparticipatie uitkeringsgerechtigden
Toetreding van uitkeringsgerechtigden tot de arbeidsmarkt wordt in bepaalde gevallen
belemmerd door de kosten voor kinderopvang. Er bestaan verschillende regelingen die
beogen de mogelijke nadelige kosteneffecten op te vangen.
In de huidige situatie gaat het om de Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang
voor alleenstaande ouders en de tijdelijke regeling voor financiering reïntegrerende
WW/WAO-ers die in 2001 van kracht wordt. Daarnaast hebben de gemeenten de
mogelijkheid gebruik te maken van het scholings- en activeringsbudget uit de Wet
Inschakeling Werkzoekenden (WIW). Naar de Raad heeft begrepen gaan de twee eerst
genoemde regelingen op in de WBK. Zonder nadere maatregelen ontstaat hierbij het
probleem dat de extra inkomsten uit werk verloren gaan aan de extra kosten voor
kinderopvang, de zogenaamde armoedeval. De leidraad voor een oplossing hiervan voor
de Raad is dat een doelmatige besteding van de beschikbare gelden voor bevordering
arbeidsparticipatie en kinderopvang het meest gebaat is bij een eenduidige regeling die
tegen zo geringe mogelijke uitvoeringskosten kan worden geëffectueerd. Een mogelijke
oplossing die de Raad onder uw aandacht brengt is om aansluiting te zoeken bij de
bestaande gemeentelijke taak uit de Wet Inschakeling Werkzoekenden. Het Rijk zou
gemeenten financieel de mogelijkheid moeten geven de armoedevalproblematiek op te
lossen. Dit zou kunnen in de vorm van een ‘kop op de uitstroompremie’.
4. Eigen middelen
Verder geven gemeenten zelf nog eens ongeveer ƒ130 mln. vanuit de eigen middelen uit
aan kinderopvang. Het gaat hier om het eigen beleid van gemeenten. Binnen de
bestaande verantwoordelijkheden weerspiegelt dit bedrag het belang dat gemeenten
hechten aan kinderopvang. Gemeenten hebben eigen geld ingezet en de inzet daarvan
afgewogen tegen andere voorzieningen en de lokale belastingtarieven. Ook binnen de
nieuwe opzet staat het gemeenten vrij aanvullend de kinderopvang te bekostigen. De
invulling van die beleidsvrijheid is echter aan de gemeenten. Naar de mening van de
Raad is het dan ook terecht dat deze middelen buiten de budgettaire dekking zijn
gelaten.
Het wegvallen van taken betekent dat de eerder in het gemeentefonds gestorte middelen
voor de kinderopvang uitgelicht moeten worden. De Raad bepleit een eenduidige
systematiek die rekening houdt met prijs- en volumeontwikkelingen. De verdeling van de
uitlichting dient conform de toevoeging te geschieden. De normeringsystematiek dient
onverkort te worden toegepast. Dit betekent dat gemeenten eenmalig alsnog het
gederfde accres ontvangen en dat ook de structurele budgettaire doorwerking van het
onder de rijksbegroting vallen van de gelden voor kinderopvang. De Raad bepleit een
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>oplossing voor de armoedevalproblematiek die kan ontstaan door het wegvallen van de
bestaande bijdrageregelingen gericht op arbeidsparticipatie van
uitkeringsgerechtigden. Er is geen aanleiding de eigen middelen van gemeenten te
betrekken bij de budgettaire dekking.
4.
De budgettaire consequenties van de gemeentelijke taken in het nieuwe stelsel voor
kinderopvang
In de vorige paragraaf is beschreven op welke wijze de wegvallende kosten en de
daarbij behorende bekostiging voor gemeenten kunnen worden vastgesteld. Tegenover
de wegvallende kosten dient ook een reële onderbouwing van de kosten van de nieuwe
taken te staan en de dekking daarvan. Tevens dient te worden aangegeven welke
verdeling daaruit volgt.
Het nieuwe stelsel brengt de volgende nieuwe taken en intensivering van bestaande
taken met zich:
1. voor een aantal doelgroepen is de gemeente verantwoordelijk voor de
   werkgeversbijdrage;
2. bemiddelingskosten voor sociaal-medisch geïndiceerden;
3. regie- en stimuleringsfunctie van gemeenten;
4. kosten van het toezicht op de kwaliteit.
De totale kosten voor de gemeenten zijn geraamd op ƒ 96,5 mln.
1. Bekostiging werkgeversdeel door gemeenten
Kinderopvang wordt gezien als instrument om de combinatie van betaalde arbeid en
zorg mogelijk te maken. De bekostiging van kinderopvang is tripartiet, de kosten
worden verdeeld over ouder(s), overheid en werkgever(s). Voor huishoudens die deel
uitmaken van de zogenaamde doelgroepen is er veelal sprake van een ontbrekende
werkgever. De gemeente of uitkerende instantie is dan verantwoordelijk voor het
aanvullen van de ontoereikende werkgeversbijdrage voor kinderopvang. De landelijk
erkende gemeentelijke doelgroepen bestaan uit reïntegrerende bijstandsgerechtigden,
herintreders, reïntegrerende ANW-ers en nieuwkomers met een inburgeringstraject,
studenten en huishoudens waar sprake is van een sociale of medische indicatie bij een
ouder of bij het kind. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de werkgeversbijdrage van
landelijk bepaalde gemeentelijke doelgroepen.Ten behoeve hiervan wordt ƒ 79 mln. in
het gemeentefonds gestort. Dit bedrag dient in de loop van de tijd mee te groeien met de
kostenontwikkeling van kinderopvang en het aantal benodigde plaatsen voor
kinderopvang voor doelgroepen. Dit dient meegenomen te worden in de monitor. Voor
de verdeling stelt de Raad voor aan te haken bij lage inkomens, uitkeringsgerechtigden
breed en minderheden.
Naast deze landelijk bepaalde doelgroepen, bestaat voor de gemeente de mogelijkheid
op lokaal niveau extra groepen te mogen vaststellen. Hierbij wordt gedacht aan
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>kinderopvang voor oudkomers, mantelzorgers en vrijwilligers. Gemeenten hebben de
beleidsvrijheid voor extra groepen kinderopvang te faciliteren; zij zijn echter zelf
verantwoordelijk voor de financiering van deze groepen, en krijgen hiervoor geen
budget op basis van de WBK. Een deel van de huidige gemeentelijke gelden zal
mogelijk ook aangewend worden om deze groep van gebruikers ook in de toekomst te
kunnen blijven bedienen. Indien gemeenten het beleid willen wijzigen als gevolg van de
gewijzigde verantwoordelijkheden resteert mogelijk wel een overgangsproblematiek
waar nog niet in is voorzien.
2. Bemiddelingskosten voor sociaal-medisch geïndiceerden
Specifieke doelgroepen hebben begeleiding en ondersteuning van de gemeente nodig
teneinde daadwerkelijk gebruik te kunnen maken van kinderopvang. Gemeenten kunnen
deze taak zelf uitvoeren of uitbesteden aan intermediaire organisaties.
In bemiddelingskosten voor Abw-uitkeringgerechtigden, herintreders en nieuwkomers
is reeds via andere regelingen voorzien. Voor studenten worden geen
bemiddelingskosten noodzakelijk geacht. Ten behoeve van de groep sociaal-medisch
geïndiceerden wordt een bedrag van ƒ 1 mln. voor bemiddeling in het gemeentefonds
gestort. Voor wat betreft de verdeling kan bij gebrek aan indicaties voor een zeer scheve
verdeling aangesloten worden op de algemene maatstaf van jongeren.
3. Regie- en stimuleringsfunctie van gemeenten
Op grond van de WBK hebben gemeenten een regisserende en stimulerende taak. Het
gaat hierbij om:
• Accommodatiebeleid.
Stimuleren van marktwerking en kinderopvangondernemers, bijvoorbeeld door verlagen
    van grondprijzen en huurprijzen.
• Lokaal jeugdbeleid en informatiebeleid.
     Inbedding kinderopvang in lokaal jeugdbeleid en bieden van informatie over aanbod
    aan ouders, werkgevers en kinderopvanginstellingen.
Voor deze taken komt geen extra budget beschikbaar. De onderbouwing in de Memorie
van Toelichting hiervoor blinkt in de ogen van de Raad niet uit in helderheid en
consistentie. Er wordt niet duidelijk aangegeven op welke wijze de gemeenten de hieruit
voortvloeiende kosten zouden kunnen dekken.
De Memorie van Toelichting geeft aan dat het accommodatie- en stimuleringbeleid
geen specifieke taken zijn van gemeenten op grond van de WBK. De Raad heeft echter
twijfels of in alle gevallen wel het gewenste voorzieningenaanbod tegen een redelijke
prijs tot stand zal komen, met name in achterstandswijken en plattelandsgemeenten. Het
gevaar is niet denkbeeldig dat gemeenten zich op enigerlei wijze genoodzaakt zien de
gaten die zo in het voorzieningenniveau ontstaan toch zelf op te lossen. De suggestie in
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>de Memorie van Toelichting dat gemeenten om aanbieders van kinderopvang te
stimuleren zich in minder aantrekkelijke wijken (hoge investeringen en/of lage
koopkrachtige massa) te vestigen, de grondprijzen zouden kunnen verlagen of premies
te verstrekken, getuigt ook daarvan. Nog afgezien van het feit dat dit ook kosten met
zich brengt, staat deze handelwijze op zijn minst op gespannen voet met het in de
Memorie van Toelichting voorgestelde effect van vraagsturing en marktwerking.
Daarbij komt ook nog dat de Nota Grondbeleid de mogelijkheden voor het toerekenen
van kosten van sociale infrastructuur feitelijk uitsluit.[6] De Raad meent dat een
eenduidig beeld van taken, kosten en dekking daarvan noodzakelijk is.
Voor wat betreft de inbedding van de kinderopvang in het lokaal jeugdbeleid is er deels
sprake van een intensivering van bestaand beleid, deels is het een uitvloeisel van de
regisserende taak die gemeenten in het kader van de WBK krijgen opgedragen. De Raad
erkent dat hier een relatie ligt met de doelstellingen zoals die in het kader
bestuursakkoord nieuwe stijl door partijen zijn onderschreven. Daarbij zijn afspraken
gemaakt over de gerichte inzet van de gemeentelijke middelen voor
beleidsprioriteiten.[7] De betekenis van de eventuele doorwerking daarvan is in de
voorstellen niet duidelijk aangegeven.
4. Kosten van het eerstelijnstoezicht
Onder de WBK is het toezicht op de kwaliteit van kinderopvang een overheidstaak en
de financiering van het toezicht ook. Onder de WBK zal de kwaliteit van het toezicht
verbeterd worden. Er zal op meer onderdelen gecontroleerd worden zoals op
pedagogische aspecten en bij gastouderopvang. Er zal intensiever gecontroleerd
worden, er zullen eisen worden gesteld aan de inspectiefrequentie. Bovendien zal meer
aandacht besteed worden aan handhaving. Voor de kosten van eerstelijnstoezicht komt ƒ
16,5 mln beschikbaar.
De Raad stelt vast dat toezicht en handhaving in het brandpunt van de politieke
belangstelling staan. Dit, gevoegd bij het feit dat gemeenten hier een louter uitvoerende
taak hebben zonder beleidsvrijheid, vereist dat het van het grootste belang is dat er
sprake moet zijn van een toereikende vergoeding voor gemeenten.
De verdeling van de kosten voor het toezicht over zowel de overheid als de
kinderopvanginstellingen acht de Raad weinig gelukkig. De kinderopvanginstellingen
zouden niet moeten mee betalen aan hun eigen toezicht. De Raad bepleit de
verantwoordelijkheid voor de bekostiging eenzijdig bij de toezichthoudende overheid te
leggen.
Voor de verdeling van de kosten van toezicht zal moeten worden gezocht naar een
ijkpunt. In feite gaat het om specifieke bestuurskosten. Het aantal kinderopvangplaatsen
(inclusief gastouderplaatsen) per gemeente lijkt als ijkpunt het meest voor de hand te
liggen. Voor de verdeling komt een algemene maatstaf jongeren en/of inwoners het
meest in aanmerking.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>Uit het voorgaande trekt de Raad de conclusie dat meer helderheid is geboden in een
reële onderbouwing van de kosten van de nieuwe taken. Ook de dekking daarvan is nog
onvoldoende. Voor de verdeling zijn voldoende aangrijpingspunten in het
gemeentefonds aanwezig voor een adequate kostengeoriënteerde toedeling.
Slot
Als uitvloeisel van zijn advisering is het de Raad opgevallen dat in het wetsvoorstel
geen aandacht is besteed aan de verplichting zoals die uit het Europees Handvest voor
regionale talen of talen van minderheden voortvloeit voor facilitering van de Friese taal
in de kinderopvang.
De Raad voor de financiële verhoudingen,
Mw. A. van den Berg, voorzitter
M.P.H. van Haeften, secretaris
BIJLAGE 1
Theoretisch zijn er verschillende opties mogelijk ter bepaling van het aandeel van
overgehevelde middelen in de fondsen:
1. uitlichten wat er historisch is ingestopt;
2. als 1, maar gecorrigeerd voor algemene mutaties (uf) van de algemene uitkering;
3. als 1, maar geinfleerd met behulp van de maatstaven die gebruikt zijn bij de
   toevoeging;
4. als 3, maar dan naast de volume-ontwikkeling de prijsontwikkeling meenemen;
5. als 3, maar dan de ontwikkeling van de uitkeringsfactor meewegen;
6. uitlichten van de uitgaven die gemeenten daadwerkelijk hebben gedaan.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>Ad 1
Voor de kinderopvang betekent dit dat de ƒ 192,4 mln. die vanaf 1997 is overgeheveld,
er uit wordt gelicht. Het Rijk krijgt dan wellicht minder dan het huidige kostenniveau
omdat gemeenten de accressen over de toevoeging houden.
Ad 2
Deze benaderingswijze houdt wel rekening met de algemene accressen. Het bezwaar
hiertegen is dat de uitkeringsfactor ook afhankelijk is van het accres van het
gemeentefonds en de ontwikkeling van de andere maatstaven, zoals de maatstaf Waarde
OZB.
Ad 3
Deze benadering haakt aan bij de ontwikkeling van de kostendrijvers zoals die bij de
overheveling is bepaald. De middelen voor de kinderopvang zijn destijds verdeeld naar
evenredigheid van het cluster zorg, maar met aanpassing van de bedragen per eenheid
omgevingsadresseneenheid, klantenpotentieel regionaal en de vaste bedragen van de
grote vier.
Ad 4
Het is moeilijk de prijsontwikkeling van de sector exact te bepalen. Voor een
benadering zijn verschillende algemene alternatieven:
• de prijsmutatie van het BNP;
• idem van de totale overheidsconsumptie;
• idem de materiële overheidsconsumptie.
Maar er kan ook worden aangesloten bij meer specifieke prijsindicatoren.
Ad 5
Hierbij wordt rekening gehouden met de uitkeringsfactor. Tenzij het tegendeel wordt
aangetoond, is de redenering dat alle verdeelmaatstaven in gelijke mate groeien met de
uitkeringsfactor en daarmee de achterliggende voorzieningen. Het bezwaar is hetzelfde
als onder 2.
Ad 6
Het volledige spiegelbeeld van een overheveling. Bij een overheveling geldt dat de
gelden die het Rijk in het jaar voor de overheveling op de begroting bepalend zijn. Het
nadeel is dat gemeenten de gelden die zij vrijwillig voor kinderopvang inzetten niet
meer voor andere doeleinden kunnen inzetten. Om meerdere redenen is deze optie niet
aan bij de kinderopvang nu niet aan de orde. Gemeenten hebben eigen geld ingezet en
de inzet daarvan afgewogen tegen andere voorzieningen en de lokale belastingtarieven.
In een eerder advies over de monitoring bij de algemene uitkering en afsplitsing
onderwijshuisvesting heeft de Raad methodiek 4 als meest correcte aangewezen.[8] Dit
betrof weliswaar niet een uitlichting, maar het bepalen van de omvang in het
gemeentefonds van een overgehevelde specifieke uitkering naar enige jaren.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>[1] Op het toneel en achter de coulissen, de regiefunctie van gemeenten; Raad voor het openbaar bestuur,
december 1999. Zie ook: De kunst van het overlaten. Maatwerk in decentralisatie; Raad voor het
openbaar bestuur en de Raad voor de financiële verhoudingen, september 2000.
[2] De kunst van het overlaten. Maatwerk in decentralisatie; Raad voor het openbaar bestuur en de Raad
voor de financiële verhoudingen, september 2000, blz. 17.
[3] Advies van 16 februari 1999, Rfv 14.40/006.002.
[4] Advies van 26 juni 2000, Rfv 55805-007 en advies 31 augustus 2000 Rfv 55805-008
[5] De gehanteerde maatstaven betroffen inwoners (1,87); jongeren (2,98); ouderen (1,31); laag inkomen
(10,83); bijstandsontvangers (25,54); uitkeringsontvangers (4,94); minderheden (34,03); lokaal
klantenpotentieel (1,08); regionaal klantenpotentieel (0,27); en oad (5,24). Daarnaast zijn de vaste
bedragen van de G4 verlaagd, met voor Amsterdam ƒ 9.134.894; Rotterdam ƒ 3.822.330; Den Haag ƒ
3.560.873; en Utrecht ƒ 1.106.880.
[6] Advies over de Nota Grondbeleid, 23 mei 2001, Rfv 55809-004.
[7] Advies van 15 september 1998, Rfv 13.10/001.004.
[8] Advies van 16 februari 1999, Rfv 14.40/006.002.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>