<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                                                De Minister van Financiën
                                                drs. G. Zalm,
                                                De Staatssecretaris van Financiën
                                                de heer drs. W.J. Bos
                                                Postbus 20201
                                                2500 EE DEN HAAG
Bijlagen                  Uw kenmerk            Ons kenmerk           Datum
--                        PBTW 2001-            Rfv2001/U61685        27 maart 2001
                          00023M
Inlichtingen bij          Dossier/volgnummer    Doorkiesnummer
Drs. W.M.C. van           55811A-022            070-4267224
Zaalen
Onderwerp
BTW-Compensatiefonds
Geachte heren Zalm en Bos,
Bij bovenvermelde brief vraagt u de Raad voor de financiële verhoudingen advies over
het BTW-compensatiefonds. In concreto vraagt u de Raad zijn mening over het Cebeon-
rapport. In de adviesaanvraag stelt u nog enige andere onderwerpen aan de orde, zoals
de overgangsregeling ter beperking van de herverdelingen en de wijze waarop de thans
berekende bedragen voor het jaar van invoering worden geactualiseerd. Hierbij voldoet
de Raad aan uw verzoek.
1.
Inleiding
In april 1998 heeft de Raad voor het eerst geadviseerd over de mogelijkheden van het
instellen van een BTW-compensatiefonds. In dat advies - dat niet het karakter van een
definitief advies had, omdat op dat moment totaal geen inzicht bestond in de mogelijke
financiële consequenties voor de afzonderlijke provincies en gemeenten - kwam de
Raad tot veertien conclusies en aanbevelingen over de wijze waarop het fonds eventueel
gestalte zou dienen te krijgen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Een van de punten die de Raad in dat advies aan de orde stelde, was de vraag of met het
instellen van een BTW-compensatiefonds en de daarmee gepaard gaande uitlichting uit
het provincie- en gemeentefonds in materiële zin een zekere inbreuk vormde op vrijheid
van provincies en gemeenten hun huishouding naar eigen inzicht in te richten. Vanwege
het financiële belang zouden zij geduwd worden in de door u gewenste richting van
meer uitbesteden. De Raad merkt op dat zijn aanvankelijke indruk door de passages in
de Memorie van Toelichting niet geheel is weggenomen.
De theoretische uitgangspunten en de veronderstelde werking van het BTW-
compensatiefonds worden ook door de Raad onderschreven. De invoering van het
BTW-compensatiefonds kent echter nog belangrijke praktische en vermeende obstakels.
Deze obstakels vormen een serieuze belemmering voor het vertrouwen in een
succesvolle invoering van het BTW-compensatiefonds. Het is daarom van het grootste
belang dat betrokken partijen voldoende zicht hebben op de praktische gevolgen van het
BTW-compensatiefonds voor de eigen huishouding, zodat zij zich goed daarop kunnen
voorbereiden. Het advies van de Raad belicht enige punten aangaande de invoering van
het BTW-compensatiefonds die gericht zijn op het wegnemen van deze obstakels.
2.
Samenvatting
Uit de adviesaanvraag en uit het wetsontwerp heeft de Raad de conclusie kunnen
trekken dat de meeste aanbevelingen door u zijn opgevolgd. Hoewel hij bij een aantal
punten nog enige kanttekeningen plaatst, kan de Raad met de wijze waarop u denkt het
BTW-compensatiefonds in te voeren, instemmen.
De Raad stemt ook in met de wijze waarop u de omvang van de uitlichtingen gaat
bepalen en de wijze waarop die uitlichtingen in de verdeelstelsels worden verwerkt. Het
rapport van Cebeon waarover u de Raad zijn mening vraagt, vormt volgens hem
daartoe een goede basis. Wel vraagt de Raad uw aandacht voor de volgende
onderwerpen.
1. De Raad ziet voordelen bij de bepaling van de hoogte van de uitlichtingen ook
   rekening te houden met de betaalde buitenlandse BTW om vervolgens bij de werking
   van het BTW-fonds geen onderscheid meer te maken tussen binnenlandse en
   buitenlandse BTW (hoofdstuk 4).
2. Op grond van practische overwegingen kan de Raad instemmen met uw voornemens
   omtrent de behandeling van specifieke uitkeringen, namelijk dat bij nieuwe specifieke
   uitkeringen rekening zal worden gehouden met de mogelijkheid tot teruggave van de
   BTW. Bij de uitwerking van dit principe zal ten aanzien van een aantal vraagpunten
   heldere richtlijnen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 5).
3. Ten aanzien van het gerezen probleem van de boekwaarde van oude investeringen is
   de Raad van mening dat de invoering van het BTW-compensatiefonds ook gedurende
   de eerste jaren niet mag leiden tot een vermindering van de bestedingsruimte van
   provincies en gemeenten. De te kiezen oplossing mag niet in strijd zijn met de
   principes van een verantwoord financieel beheer (hoofdstuk 6).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>4. De Raad stemt in met de door u voorgestelde overgangsregeling die inhoudt dat
   geen enkele overheid tot en met 2005 een groter nadeel zal hebben dan f 10 per
   inwoner. Zodra het definitieve inzicht bestaat in de omvang van de
   herverdeeleffecten, zal snel helderheid moeten worden gegeven over de duur en de
   vorm van de overgangsregeling na 2005. De Raad pleit voor een beperkte looptijd,
   die indien nodig gepaard zou kunnen gaan met een afkoopregeling.
5. De Raad juicht het toe dat de toegang van de waterschappen en het (openbaar)
   onderwijs niet definitief is afgesloten.
6. De Raad heeft de indruk dat bij provincies en gemeenten nog veel onduidelijkheden
   en daardoor onzekerheden bestaan over de gevolgen van de invoering van het BTW-
   compensatiefonds. Goede voorlichting is daarom van groot belang.
3.
Het Cebeonrapport
Het rapport behandelt twee vragen:
1. Welk bedragen moeten ter dekking van de uitgaven van het BTW-compensatiefonds
   uit respectievelijk het gemeente en provinciefonds worden gelicht?
2. Hoe moeten deze uitlichtingen over de gemeenten en provincies worden verdeeld?
Het onderzoek bestaat uit twee delen. In de eerste plaats is op basis van een steekproef
van gemeenten (bij de provincies is sprake van een volledige waarneming) bepaald
hoeveel BTW de onderzochte overheden in 1997 hebben betaald. Daarbij is
gebruikgemaakt van de codering van de uitgaven in economische categorieën zoals die
door het CBS wordt gehanteerd.
Het komt erop neer dat alleen gekeken is naar de uitgaven waar mogelijk BTW is
betaald, namelijk:
- personeel van derden;
- energie;
- aankoop duurzame zaken;
- overige goederen en diensten.
Vervolgens is op globale wijze bepaald welk BTW-tarief op de onderscheiden uitgaven
van toepassing is. Nadat tevens rekening is gehouden met allerlei bijzondere bepalingen
betreffende de BTW-heffing, is per steekproefgemeente -provincie de betaalde BTW zo
goed mogelijk benaderd.
Vervolgens is getracht de verschillen in betaalde BTW per uitgavencluster met
structuurkenmerken te verklaren. Daartoe zijn de in gebruik zijnde verdeelmaatstaven
van het gemeente- en provinciefonds gebruikt. Dat deel van het onderzoek komt in hoge
mate overeen met het onderzoek dat aan het huidige verdeelstelsel van het
gemeentefonds ten grondslag heeft gelegen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Het resultaat van deze exercitie leidde tot de zogenaamde uitneemformules per cluster.
Daarmee is de tweede vraag van het onderzoek beantwoord. Het voorstel van Cebeon
houdt in dat de uitlichting per cluster in de meeste gevallen het best kan gebeuren door
alle bedragen van de voor het desbetreffende cluster relevante verdeelmaatstaven met
een gelijk percentage te verlagen. Slechts in een enkel geval wordt daarvan afgeweken.
Het duidelijkst is dat bij het cluster bijstand, waar de maatstaven die gericht zijn op de
uitkeringskosten buiten beschouwing blijven omdat over de uitkeringen geen BTW
verschuldigd is.
Door de uitneemformules toe te passen op alle gemeenten/provincies is tenslotte het uit
de fondsen uit te nemen bedrag bepaald. De uitname uit het gemeentefonds wordt thans
geraamd op circa f 1,7 mld en die uit het provinciefonds op circa f 190 mln. Het bedrag
voor het gemeentefonds is inclusief de geraamde bedragen voor de grote vier en voor
het cluster reiniging.
Het onderzoek heeft nog niet op alle punten duidelijkheid gebracht. Zo zijn de vier grote
gemeenten nog niet bij het onderzoek betrokken. De omvang en de aanwezigheid van
deelgemeenten vergen een andere benadering. Ook hier gaat de vergelijking met het
onderzoek naar de verdeling op.
Verder meldt het rapport dat nader onderzoek nodig is naar het cluster reiniging en naar
de positie van de groeigemeenten. De reden dat het onderzoek naar de reiniging nog niet
definitief is afgesloten, is dat in die sector veel veranderingen voorkomen waardoor het
gebruikte basisjaar 1997 niet representatief is. Eenzelfde reden geldt voor de
groeigemeenten omdat de activiteiten die met de realisering van de vinextaakstelling
samenhangen, in overwegende mate in dat jaar gestart zijn. Ook daar is de vraag of
1997 wel representatief is.
De Raad stemt in met zowel de keuze van de methode van onderzoek als met de wijze
waarop het onderzoek daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Het onderzoek vertoont
namelijk een grote gelijkenis met de onderzoeken die aan de herziening van het
gemeentefonds ten grondslag hebben gelegen. De ontwikkelde uitneemformules komen
de Raad logisch voor. Het feit dat het overgrote deel van de uitlichting geschiedt door
een procentueel gelijke verlaging van de voor het cluster relevante verdeelmaatstaven is
niet verrassend. Ook de uitzonderingen daarop zijn logisch verklaarbaar.
Uit de adviesaanvraag blijkt dat het in de bedoeling ligt de bedragen te actualiseren en
te completeren. De Raad heeft kennis genomen van uw mededeling dat, in aansluiting
op de aanbevelingen uit het eerdergenoemde onderzoeksrapport, hiertoe eveneens
worden gerekend de vaststelling van de eventuele aanpassing van het cluster reiniging,
de positie van de vinexgemeenten en de aanpassing van de vaste bedragen voor de vier
grote gemeenten. De actualisatie houdt in dat de berekening op basis van de gegevens
over 1998 en mogelijk over 1999 worden overgedaan en voorts dat met allerlei
wijzigingen die zich voor 2003 zullen voordoen rekening wordt gehouden, zoals de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>verhoging van de BTW per 2001, eventuele toevoegingen aan of uitlichtingen uit de
fondsen en andere aanpassingen van het verdeelstelsel, bijvoorbeeld de vervanging van
de stadsvernieuwingssleutel.
Dit alles moet leiden tot concrete aanpassingen van de verdeelmaatstaven voor het jaar
2003 die uiterlijk in de circulaires van mei 2002 aan de gemeenten en provincies zullen
moeten worden medegedeeld.
In uw adviesaanvraag merkt u op dat de uiteindelijk uit het gemeente- en provinciefonds
te lichten bedragen in 2004 zullen worden bepaald aan de hand van de werkelijke
declaraties aan het BTW-compensatiefonds. De Raad stemt dan ook in met de inhoud
van het Cebeonrapport. Dat geldt ook voor de voorgenomen completering en
actualisatie, maar de Raad plaatst daarbij de volgende opmerkingen.
1. Hoewel het technisch mogelijk is de vier grote gemeenten volledig budgettair
    neutraal te behandelen, acht de Raad het niet passend in het objectieve
    verdeelsysteem dat te doen. Deze gemeenten dienen op een gelijke wijze behandeld
    te worden als alle andere gemeenten. Het nadere onderzoek zou gericht moeten zijn
    op de BTW-component van de zogenaamde extra taken waarvoor de vier vaste
    bedragen in het verdeelstelsel zijn geaccepteerd. De vaste bedragen dienen met die
    taken samenhangende BTW te worden gekort, niet meer, maar ook niet minder.
2. Omdat de ramingen van de uit te lichten bedragen met de nodige onzekerheden zijn
    omkleed is, zo heeft de Raad begrepen, in het bestuurlijk overleg met de VNG en het
    IPO afgesproken de definitieve op basis van de werkelijke declaraties over 2003
    achteraf te bepalen. Het ligt in de bedoeling de verdeling van aldus te bepalen
    bedragen van de uitlichtingen te realiseren door de bedragen van de
    verdeelmaatstaven met een gelijk percentage aan te passen. Dat percentage komt
    overeen met het procentuele verschil tussen de voorlopige vastgestelde uitlichting en
    de definitieve. De bedragen per eenheid worden als gevolg daarvan achteraf
    vastgesteld en dat is strijdig met de regel dat ruim voor de aanvang van het
    uitkeringsjaar de gemeenten en provincies zekerheid moeten hebben over de hoogte
    van de bedragen van de verdeelmaatstaven. In 1997 heeft de Raad in een brief gepleit
    die regel te blijven naleven. In het geval dat de uitlichting hoger uitvalt, kan dat voor
    individuele gemeenten en provincies onverwachte en vervelende gevolgen hebben.
    Gelet op de onzekere situatie in dit min of meer uitzonderlijke geval en gezien het
    feit dat die nadelen als gevolg van de onderbandbreedte echter beperkt blijven tot f
    10 per inwoner, kan de Raad met uw voornemen hieromtrent evenwel instemmen.
3. Het is niet uit te sluiten dat als gevolg van de invoering van het BTW-
    compensatiefonds de bestedingen van provincies en gemeenten zullen veranderen.
    Dergelijke veranderingen zullen mogelijkerwijs op den duur gevolgen kunnen
    hebben voor de verdeling, omdat vanwege de globale kostenoriëntatie van de
    verdeelstelsels, de verdeling in belangrijke mate wordt bepaald door de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>   bestedingsrichting van de collectiviteit van respectievelijk de gemeenten en de
   provincies. De Raad is van mening dat, nadat de uitneemformules en de uit te nemen
   bedragen in 2004 eenmaal zijn vastgesteld, de eventuele ontwikkelingen die het
   gevolg zijn van de invoering van het BWT-compensatiefonds door middel van de
   globale monitoring in het kader van het Periodieke Onderhoud kunnen worden
   gevolgd. Een afzonderlijke monitoring voor de BTW komt de Raad onnodig en
   ongewenst voor.
4. Gezien de grote gevolgen van de uitlichting voor het verdeelstelsel en gelet op het
   belang dat de Raad hecht aan een goede verdeling, verzoekt hij u hem over de
   actualisatie en de eventuele aanpassingen op de hoogte te houden.
4.
Buitenlandse BTW
In paragraaf 2.2.4 van het Cebeonrapport wordt opgemerkt dat de BTW op buitenlandse
leveringen niet in het onderzoek is betrokken. Navraag bij uw ministerie bracht aan het
licht wat de achtergrond van deze uitzondering is. Indien namelijk deze BTW straks
zonder meer bij het fonds is te declareren, zou de budgettaire werking van het fonds
worden doorbroken omdat de Nederlandse fiscus daarover geen BTW ontvangt.
Het wetsontwerp noemt als mogelijkheid om dit probleem op te lossen de buitenlandse
BTW wel declarabel te verklaren, maar om de budgettaire neutraliteit van het fonds in
stand te houden, een korting toe te passen op alle BTW-declaraties.
Voor deze optie is een afzonderlijke registratie van de buitenlandse BTW noodzakelijk
omdat anders de korting niet is te berekenen. Dat betekent een extra administratieve
last.
Gelet op het laatste adviseert de Raad u een andere weg te kiezen. Die komt erop neer
dat bij aanvang de buitenlandse BTW uit de fondsen wordt gehaald, maar in de
toekomst de buitenlandse BTW op eenzelfde wijze als de binnenlandse BTW te
behandelen en zonder enige korting declarabel te stellen. Het mogelijke nadeel voor de
fiscus, dat de groei van de buitenlandse BTW in de toekomst ook groeit, zal
vermoedelijk relatief beperkt blijven.
5.
Specifieke uitkeringen
In de Memorie van Toelichting op het wetsontwerp wordt, in reactie op de opmerkingen
van de Raad hierover, voorgesteld om in de toekomst de bestaande specifieke
uitkeringen bruto - dat wil zeggen inclusief BTW - te blijven uitkeren, maar voor
nieuwe uitkeringen over te gaan op een netto-betaling.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>De door u gekozen oplossing geeft de Raad aanleiding tot het maken van de volgende
opmerkingen.
1. Het verschil tussen oude en nieuwe specifieke uitkeringen is nauwelijks te
   operationaliseren. Overheidsbeleid bouwt meestal voort op reeds bestaand beleid en
   het nieuwe zit meestal in subtiele wijziging van doel, doelgroep of breedte van het
   beleidsveld. Is bijvoorbeeld het fonds stedelijke vernieuwing nu een nieuwe of een
   voortzetting van enige bestaande uitkeringen zoals het Stadsvernieuwingsfonds?
2. Uit punt 1. volgt dat de bestuurlijke last zal toenemen. Er kan eindeloos geharrewar
   ontstaan over vraag of iets nu echt nieuw is of niet. Ook opent dit de mogelijkheid
   voor het Rijk om stilzwijgend te bezuinigen door oude specifieke uitkeringen in te
   trekken en daarvoor iets gewijzigde nieuwe in het leven te roepen.
3. Bij de vaststelling van de hoogte van een nieuwe specifieke uitkering zou het
   vakdepartement voor zichzelf moeten bepalen hoe de gemeenten en de provincies
   de taak geacht worden uit te voeren. Gaan de gemeenten de desbetreffende taak
   zelf uitvoeren (geen BTW), uitbesteden aan een (commerciële) organisatie die
   BTW-
   plichtig is (BTW kan bij het fonds worden gedeclareerd) of laten uitvoeren door
   maatschappelijke organisaties die geen BTW in rekening behoeven te brengen. (In
   de
   subsidie die de gemeente betaalt, blijft een BTW-component zitten.)
4. Elke afzonderlijke provincie of gemeente is één organisatie die in een continue
   verandering een veelheid van taken naar eigen inzichten uitvoert en de kosten van
   die taken uit vele bronnen dekt, waaronder specifieke uitkeringen. Dat de Raad
   instemde met één korting voor alle BTW op de algemene uitkering had vooral een
   praktische grond, namelijk eenvoud. De principieel juiste maar in de praktijk
   onbegaanbare weg zou zijn geweest van elke bekostigingsbron de BTW-component
   te bepalen en de korting daarop aan te brengen.
5. Wanneer in de toekomst nieuwe specifieke uitkeringen zonder BTW zullen worden
   bepaald, ontstaat een situatie waarin bekostiging via gemeenten en provincies voor
   het Rijk minder kost dan een bekostiging via een overheidsorganisatie die niet tot het
   BTW-fonds is toegelaten, waterschappen bijvoorbeeld, of rechtstreeks aan
   instellingen die een BTW kunnen terugkrijgen. Het gevolg kan zijn dat puur
   vanwege een financieel voordeel van de departementen meer rijksbeleid via
   provincies en gemeenten zou worden gerealiseerd.
De Raad realiseert zich dat het vasthouden aan de regel dat specifieke uitkeringen
inclusief BTW moeten worden uitgekeerd op den duur ook niet houdbaar is. Hij ziet de
door u gekozen oplossing als de enig praktisch uitvoerbare. Wel dringt de Raad er bij u
op aan bij de verdere uitwerking met de geschetste knelpunten zodanig om te gaan dat
de nadelige financiële en bestuurlijke gevolgen voor de decentrale overheden worden
voorkomen. Heldere bestuurlijke afspraken hierover zijn naar de mening van de Raad
noodzakelijk.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>6.
De boekwaarde van oude investeringen
Met name de VNG heeft aandacht gevraagd voor het probleem dat ontstaat doordat de
betaalde BTW over de investeringen in mindering wordt gebracht op de algemene
uitkering. Wat is het geval? Gemeenten en provincies kennen het stelsel van baten en
lasten. Ten laste van de exploitatierekening komen dan de rente en aflossing van de nog
niet afgeschreven investeringen uit het verleden. Daarover hebben zij BTW betaald
waarop wordt afgeschreven en rentelasten worden betaald. Op de nieuwe investeringen
rusten geen BTW-lasten meer en dus worden de afschrijvings- en rentelasten daarvan
lager, maar het voordeel daarvan wordt uitgesmeerd over de gehele
afschrijvingsperiode. De algemene uitkering wordt evenwel voor het volledige voordeel
gekort. Er ontstaat in dat geval gedurende de jaren waarin nog op oude investeringen
inclusief BTW moet worden afgeschreven een dekkingsprobleem.
De VNG schat de omvang van het probleem op circa f 3,4 mld en vraagt daarvoor
compensatie. Uit de adviesaanvraag maakt de Raad op dat u het probleem herkent maar
vraagtekens zet bij het bedrag en dat u samen met uw ambtgenoot van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties een feitenonderzoek laat verrichten. Tevens wordt
onderzocht hoe dit probleem opgelost kan worden. De Raad sluit niet uit dat dit met
behulp van een verantwoorde boekhoudkundige oplossing uit de wereld is te helpen.
Voorwaarde van een dergelijke oplossing dient naar de mening van de Raad tevens te
zijn dat de instelling van het BTW-compensatiefonds, voor gemeenten en provincies
niet mag leiden tot een vermindering van de bestedingsruimte.
7.
De bandbreedte in de overgangsregeling en de duur van de overgangsregeling
De overgangsregeling houdt in dat geen enkele gemeente tot en met 2005 een groter
nadeel kan hebben dan f 10,-- per inwoner. Zijn de declaraties van betaalde BTW meer
dan f 10,-- lager dan de verlaging van de algemene uitkering, dan ontvangen de
gemeenten een suppletie uit dat fonds van een zodanig niveau dat de totale uitkering uit
dat fonds maximaal f 10,-- lager is dan de verlaging van de algemene uitkering. Deze
suppleties komen ten laste van de uitkeringen van alle gemeenten. Uit het wetsontwerp
is op te maken dat bij de bepaling van de suppletie-uitkering van enig jaar een
verrekening plaats vindt met de uitkeringen in de voorafgaande jaren. Indien een
gemeente in een jaar een nadeel heeft van f 15,--, maar in het jaar daarvoor een nadeel
van f 5,-- krijgt die gemeente geen suppletie omdat gemiddeld genomen het nadeel niet
meer is dan f 10,--.
Deze garantieregeling heeft, zoals uit het voorafgaande is geconstateerd, vele voordelen
en de Raad kan met deze regeling instemmen. Wel is de Raad van mening dat op het
moment dat de herverdeeleffecten bekend zijn, daarom in 2004, snel helderheid dient te
komen hoe het overgangstraject na 2005 er gaat uitzien. Omdat de suppleties ten laste
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>van alle gemeenten komen en het beroep op de suppletieregeling mede afhankelijk is
van het beleid van de desbetreffende gemeente, zal de looptijd van de
overgangsregeling tot een beperkt aantal jaren beperkt dienen te blijven. Voor extreme
gevallen zou een afkoopregeling overwogen kunnen worden.
8.
Waterschappen en onderwijs
In zijn eerder genoemd advies van april 1998 heeft de Raad gepleit ook de
waterschappen en het onderwijs tot het BTW-compensatiefonds toe te laten. Uit de
Memorie van Toelichting op het wetsontwerp maakt de Raad op dat u, vanwege een
aantal redenen, voornemens bent bij de start van het fonds de reikwijdte te beperken tot
provincies en gemeenten. Uit uw bewoordingen maakt de Raad op dat de toegang voor
andere instanties nog niet definitief is afgesloten. Het zal u duidelijk zijn dat de Raad
een toegang voor meerdere groepen zal toejuichen.
9.
Voorlichting
De Raad constateert dat bij gemeenten en provincies nog veel onduidelijkheden bestaan
over de gevolgen van de invoering van het BTW-compensatiefonds, onduidelijkheden
die leiden tot onzekerheid en als gevolg daarvan tot een zekere terughoudendheid.
Teneinde gemeenten en provincies in staat te stellen optimaal op de te wijzigen
omstandigheden te anticiperen en daar hun voordeel mee te doen, acht de Raad het
noodzakelijk dat u zo spoedig mogelijk een goede voorlichting gestalte geeft.
De Raad voor de financiële verhoudingen,
Mw. A. van den Berg, voorzitter
M.P.H. van Haeften, secretaris
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>