<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                                                De minister van Volksgezondheid,
                                                Welzijn en Sport,
                                                Mevrouw dr. E. Borst-Eilers
                                                Postbus 20350
                                                2500 EJ DEN HAAG
Bijlagen                  Uw kenmerk            Ons kenmerk             Datum
--                        GZB/GZ 2.233.737      Rfv2002/072761          3 mei 2002
Inlichtingen bij          Dossier/volgnummer    Doorkiesnummer
Mr. G.A. van              55807-004             070-4267217
Nijendaal
Onderwerp
Adviesaanvraag gemeentelijke
uitvoeringskosten Wet collectieve preventie
(Wcpv)
Geachte mevrouw Borst,
Adviesaanvraag gemeentelijke uitvoeringskosten Wet collectieve preventie (Wcpv)
U vraagt de Raad voor de financiële verhoudingen advies over de kosten die zijn
verbonden aan de uitvoering van de gemeentelijke taken op het gebied van de Wet
collectieve preventieve volksgezondheid (Wcpv). Met deze brief informeren wij u over het
standpunt van de Raad.
Samenvatting
De Raad stelt vast dat het karakter van de algemene uitkering van het gemeentefonds zich
in principe verzet tegen het beantwoorden van de vraag hoeveel geld er in de algemene
uitkering zit voor een bepaald doel. Wel kan het nuttig zijn enige jaren na overheveling van
een specifieke uitkering naar het gemeentefonds de uitgavenontwikkelingen te monitoren.
Dit met het doel om vast te stellen of de overgehevelde middelen toereikend zijn en of de
verdeling in de praktijk aansluit op de werkelijk kosten bij gemeenten. In het onderhavige
geval vraagt u naar de middelen die binnen het gemeentefonds beschikbaar zijn voorde
uitvoering van de collectieve preventie in de volksgezondheid. Deze overheveling van
middelen vond plaats ver vóór de herijking van het gemeentefonds in 1997. Dat maakt het
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>ook technisch gezien onmogelijk een redelijk betrouwbaar aan te geven hoeveel er in het
gemeentefonds zit voor de uitvoering van de Wcpv.
Gemeenten zijn in principe zelf verantwoordelijk voor het vinden van dekking van de
kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van de Wcpv. Indien er echter sprake is van
kostenontwikkelingen die voortkomen uit beleidswijzigingen van het Rijk, zal het Rijk ook
dienen aan te geven hoe gemeenten deze kosten kunnen dekken. De relevante vraag is dus
niet hoeveel er in het gemeentefonds zit voor de collectieve preventie volksgezondheid
maar of de gewijzigde Wcpv een taakverzwaring voor de gemeenten met zich brengt en wat
daarvan de eventuele financiële gevolgen zijn. Indien er sprake is van meer kosten zal
moeten worden aangegeven op welke wijze deze door de gemeenten kunnen worden
opgevangen.
1.
Inleiding
De vraag aan de Raad is tweeledig:
    1. kan de Raad informatie geven over de middelen die binnen het gemeentefonds
        beschikbaar zijn voor de collectieve preventie in de volksgezondheid;
    2. kan de Raad aangeven over de wijze waarop moet worden ingegaan bij gebleken
        verschillen tussen de huidig beschikbare middelen en de geraamde
        uitvoeringskosten voor de gewijzigde Wcpv (inclusief kwaliteitstrajecten)?
In het navolgende gaat de Raad op beide vragen in.
2.
Omvang uitvoeringskosten Wcpv in het gemeentefonds
In 1982 is de uitkering sociale zorg in het gemeentefonds beëindigd en daarna regulier
onderdeel uit gaan maken van het gemeentefonds. Daarmee was destijds ten behoeve van
de jeugdgezondheidszorg een bedrag gemoeid van ƒ 80 mln. In 1989 is in het kader van de
uitvoering van de wettelijke taken uit de Wcpv een bedrag van ƒ 80,2 mln. aan het
gemeentefonds toegevoegd.[1]
De eerste vraag zoals in de adviesaanvraag geformuleerd gaat uit van de veronderstelling
dat het gemeentefonds bestaat uit meerdere onderscheiden geldstromen voor specifieke
doeleinden. Dit is niet het geval. De middelen uit het gemeentefonds behoren tot de
algemene middelen van de gemeenten. Deze bestaat naast uit de algemene uitkering uit de
eigen gemeentelijke inkomsten. De algemene middelen dienen ter dekking van de
autonome taken en van de wettelijke taken waarvoor geen (kostendekkende) specifieke
uitkering beschikbaar is. Tot de laatste categorie behoort onder andere de uitvoering van de
Wcpv. De gemeenten zijn vrij in de besteding van de algemene middelen en leggen
daarover verantwoording af aan de eigen gemeenteraad. Het is aan de gemeenten om in
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>afweging van de maatschappelijke behoeften en wettelijke vereisten prioriteiten te stellen
over de aanwending van de algemene middelen. Binnen de vrij beschikbare middelen
concurreren verschillende wensen en behoeften van begrotingsjaar tot begrotingsjaar met
elkaar. Zolang voldaan wordt aan de wettelijke vereisten is er geen reden om in die
afweging te treden.
Vanuit doelmatigheidsoverwegingen biedt een verdeling van middelen voor allerlei
verschillende doeleinden via het gemeentefonds grote voordelen, omdat de besteding van
de middelen leidt tot een uit allocatief oogpunt meest optimale besteding van middelen. Bij
specifieke uitkeringen is dit door hun bestedingsgebonden karakter veel minder het geval.
Een doelmatige besteding leidt daar immers niet tot de mogelijkheid de middelen op een
andere wijze nuttig in te zetten.
De eerste jaren na overheveling van de middelen naar de algemene uitkering is nog wel
met een redelijke betrouwbaarheid vast te stellen wat de omvang van de middelen binnen
het gemeentefonds is en hoe deze worden verdeeld. Het volgen daarvan kan nuttig zijn in
het kader van het monitoren van bepaalde ontwikkelingen. Daarmee kan worden
vastgesteld of de overgehevelde middelen toereikend zijn en of de verdeling in de praktijk
tegemoet komt aan de kostenverschillen tussen gemeenten.
De dynamiek van het verdeelstelsel van het gemeentefonds sinds de overheveling van de
middelen en de vermenging met de eigen inkomsten van gemeenten laten het niet toe om
na verloop van vele jaren een zinnige uitspraak te doen over hoeveel er in het
gemeentefonds aanwezig is voor een bepaald doel. Zeker in het onderhavige geval waarbij
er sprake is van verschillende overhevelingsoperaties van meer dan 10 jaar geleden.
Hooguit zou de huidige waarde van de overgehevelde middelen met behulp van bepaalde
aannames en macro-economische gegevens bij benadering kunnen worden aangegeven.
Maar dit geeft geen uitsluitsel over de vraag hoeveel er in het gemeentefonds zit voor de
betreffende taak.
3.
Uitvoeringskosten Wcpv
De tweede vraag hoe moet worden omgegaan bij gebleken verschillen tussen de huidig
beschikbare middelen en de geraamde uitvoeringskosten voor de gewijzigde Wcpv
(inclusief kwaliteitstrajecten) vereist dat duidelijk is waardoor de geraamde
uitvoeringskosten in het kader van de Wcpv worden veroorzaakt.
- Voor zover het gaat om bestaande wettelijke taken van de Wcpv geldt dat gemeenten
geacht worden deze naar behoren uit te voeren met de hun daartoe beschikbaar staande
algemene middelen.
- Indien er sprake is van beleidswijzigingen van het Rijk die gevolgen hebben voor de
kosten voor de uitvoering van de Wcpv dan dient u aan te geven op welke wijze gemeenten
deze kunnen dekken (artikel 2 Fvw).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Als gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen, technologische veranderingen,
veranderende collectieve voorkeuren en dergelijke zullen de kosten van de verschillende
gemeentelijke takenpakketten voortdurend veranderen alsmede ook de verdeling tussen
bepaalde groepen gemeenten. Dit kan aanleiding vormen de algemene uitkering of een deel
daarvan te herverdelen. In 1997 is dat voor een groot deel van het gemeentelijke
takenpakket dat uit de algemene middelen wordt bekostigd, waaronder ook die van de
Wcpv, gebeurd. In het kader van Periodiek Onderhoud wordt de ontwikkeling tussen de
verdeling en de gemeentelijke uitgaven op de verschillende clusters globaal gevolgd.
Indien daartoe aanleiding is kan dit leiden tot het bijstellen van de verdeling.
Als gevolg van een herschikking van de clusters Bijstand en Zorg zal naar het zich nu laat
aanzien zal vóór 2005 weer een herijking van de verdeling van de gemeentelijke uitgaven,
plaats vinden.[2] Onder de huidige cluster Zorg valt ook de uitvoering collectieve
preventie volksgezondheid. Bij een dergelijk onderzoek zal blijken in hoeverre de huidige
verdeelsystematiek aansluit bij een adequate, doelmatige en doeltreffende uitvoering van
de gemeentelijke Wcpv-taken.
Resumerend meent de Raad dat de door u gestelde vragen op dit moment niet door de Raad
zijn te beantwoorden. Eerst zal duidelijk moeten worden in hoeverre de gewijzigde Wcpv
een taakverzwaring voor de gemeenten met zich brengt en wat daarvan de eventuele
financiële gevolgen zijn. Indien er sprake is van meerkosten zal moeten worden
aangegeven op welke wijze deze door de gemeenten kunnen worden opgevangen (art. 2
Financiële verhoudingswet).
De Raad voor de financiële verhoudingen,
mevrouw A. van den Berg,
voorzitter
de heer M.P.H. van Haeften,
secretaris.
Een afschrift van deze brief is tevens verzonden aan de fondsbeheerders.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>[1] Tweede Kamer, 1997-1998, 22 894, nr. 16, p. 3.
[2] Advies herschikking clusters Bijstand en Zorg, 23 april 2002, Rfv 2002/068855.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>