<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                                                      De minister van Binnenlandse Zaken en
                                                      Koninkrijksrelaties
                                                      De heer J.W. Remkes
                                                      De minister van Financiën
                                                      De heer drs. G. Zalm
                                                      De staatssecretaris van Financiën
                                                      De heer drs. J Wijn
Bijlagen                      Uw kenmerk              Ons kenmerk             Datum
--                            2005-0000070014         Rfv2005057828            3 juni 2005
Inlichtingen bij              Dossier/volgnummer      Doorkiesnummer
G.A. van Nijendaal            55817B-004              070-4267232
Onderwerp
Advies wetsvoorstel afschaffing gebruikersdeel OZB
op woningen (maximering overige OZB-tarieven)
Geachte heren Remkes, Zalm en Wijn,
U vraagt de Raad voor de financiële verhoudingen te adviseren over het wetsvoorstel
afschaffing gebruikersdeel onroerendezaakbelasting (OZB) op woningen. Dit wetsvoorstel
bevat tevens het voorstel de overige OZB-tarieven te maximeren. De Raad heeft al in een
eerder stadium op eigen initiatief een advies uitgebracht over de Hoofdlijnenbrief.1 De
Raad maakt graag van deze gelegenheid gebruik u van aanvullend advies te dienen.
Procedureel
De adviesaanvraag met het verzoek om voor 27 mei 2005 te adviseren bereikte de Raad
eerst op 2 mei 2005. Daarmee werd de adviesprocedure voor de Raad onder grote druk
gezet. De Raad acht het voorliggende wetsvoorstel van echter zodanig groot belang dat hij
een uiterste inspanning heeft gedaan binnen de gestelde termijn te reageren. Een geringe
termijnoverschrijding bleek evenwel onvermijdelijk, in het belang van een evenwichtige
advisering.
Samenvatting en conclusies
Motivering en onderbouwing
De Raad stelt vast dat het feit dat de huidige OZB irritatie met zich brengt, juist een van de
beoogde effecten van deze plaatselijke belasting is. Deze draagt bovendien bij aan een
beperkte stijging van de lokale lasten. In afwijking van de gangbare beeldvorming is de
feitelijke stijging van de OZB-opbrengst – gelet op de achterliggende ontwikkelingen –
eerder gematigd dan buitensporig te noemen.
De Raad meent dat de afschaffing van de OZB-gebruikersheffing op woningen een beperkt
effect heeft op de armoedeval. Huishoudens met een minimuminkomen profiteren niet van
afschaffing van het gebruikersdeel van de OZB op woningen. De regering geeft geen
1
  TK 29 200 B, nr. 11.
Fluwelen Burgwal 56    Telefoon 070-4267283
Postbus 20011          Telefax 070-4267625
2500 EA ‘s-Gravenhage  E-mail   postbus-rfv@minbzk.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>                                              2
feitelijke onderbouwing van de beweerde gunstige gevolgen voor loonmatiging en de
nationale concurrentiepositie.
De Raad stelt vast dat het afschaffen van de OZB-gebruikersheffing op woningen de
bestuurlijke afweging bij beslissen over, betalen voor en genieten van door gemeenten
aangeboden voorzieningen verzwakt. Dit doet afbreuk aan de ook door de huidige regering
uitgesproken bekostigingsvoorkeur. Daarbij staan eigen belastingen van gemeenten als
financieringsbron voorop. Dit is een van de fundamentele uitgangspunten van de financiële
verhouding. Het wetsvoorstel beperkt de rol van de eigen belastingmiddelen van
gemeenten. Het effect zal zijn dat lokale overheden hun aandacht meer zullen richten op de
rijksoverheid als bron van aanvullende middelen, en minder op een goed beheer van de
eigen financiële huishouding.
De Raad concludeert dat de effecten van afschaffing van de OZB-gebruikersheffing op
woningen veel groter zijn dan de memorie van toelichting aangeeft. De handelingsvrijheid
van gemeenten (autonomie) en de bufferfunctie van het eigen belastinggebied worden
aanzienlijk beperkt. Dit maakt de afhankelijkheid van de gemeenten van het Rijk groter.
De vormgeving van de maximering van de OZB-tarieven heeft als gevolg dat de stijging
van het OZB-tarief bij gemeenten met een tarief onder het rekentarief zal doorgaan en dat
de overige gemeenten (met een tarief boven het rekentarief) zullen kiezen voor de
maximaal toegestane tariefstijging.
De Raad verwacht als gevolg van de wetsvoorstellen een stijging van de riool- en
reinigingsrechten, door het verder kostendekkend maken van de betaling voor deze
voorzieningen en het optimaliseren van de kostentoerekening. Ook andere lokale
belastingen, hoe beperkt hun opbrengst ook is, zullen extra stijgen. Voor een deel is dat
een onbedoeld effect.
Herverdeeleffecten
Op basis van de (weliswaar indicatieve) in kaart gebrachte herverdeeleffecten van het
wetsvoorstel constateert de Raad dat zich onder de nadeelgemeenten relatief veel GSB-
gemeenten en (voormalige) artikel 12-gemeenten bevinden. Onder de voordeelgemeenten
bevinden zich juist relatief veel woongemeenten met een goede sociale structuur en zonder
centrumfunctie. De Raad is zich er van bewust dat als gevolg van de overgangsregeling
geen enkele gemeente er reëel op achteruit gaat. De financiële armslag van een groep
gemeenten die in algemene zin bekend staan om hun grote problemen wordt evenwel
drastisch beperkt. Voordeelgemeenten ontvangen anderzijds meer geld dan zij in het
verleden van hun burgers wensten te vragen. Dit maakt duidelijk dat de voorstellen een
optimale allocatie van (gemeentelijke) middelen doorkruisen.
Door het inzetten van het accres van het gemeentefonds voor het opvangen van negatieve
herverdeeleffecten wordt weliswaar voorkomen dat gemeenten er reëel op achteruitgaan,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>                                                 3
maar daarmee ontbreekt het veel van deze gemeenten aan enige financiële ruimte voor het
compenseren van uitgavenstijgingen die worden afgedwongen door algemene
ontwikkelingen. Daarbij constateert de Raad dat de exacte uitwerking van de
overgangsregeling nog veel vragen oproept.
Effecten maximering
De Raad concludeert dat het wetsvoorstel ten onrechte voorbij gaat aan het effect dat een
bovengemiddelde waardeontwikkeling van inliggende onroerende zaken bij een gemeente
heeft op de uitkering uit het gemeentefonds. Gemeenten kunnen die wegvallende inkomsten
in veel gevallen niet compenseren. Het wetsvoorstel doorkruist daarmee de basisfilosofie
van de bestaande financiële verhouding.
Naast het wegvallen van inkomsten uit de OZB-gebruikersheffing op woningen worden
gemeenten wel geconfronteerd met reële herverdeeleffecten als gevolg van het
introduceren van verschillende rekentarieven voor woningen en niet-woningen. Deze
herverdeeleffecten zijn naar het oordeel van de Raad niet gebaseerd op de mogelijkheden
om eigen inkomsten te verwerven of op kostenverschillen tussen gemeenten. De
herverdeeleffecten zijn daarmee naar het oordeel van de Raad niet te rechtvaardigen en
ondermijnen daarmee het huidige verdeelstelsel.
De Raad stelt vast dat bij de praktische uitwerking van de maximale stijging van OZB-
tarieven nogal wat kanttekeningen zijn te plaatsen. De vaststelling van de maximale
stijging is enigszins arbitrair, zij is nadelig voor gemeenten met een minder dan
gemiddelde groei van het aantal woningen en leidt tot een hoop extra bureaucratie.
De Raad meent dat een al te strikte interpretatie van de hardheidsclausule zal leiden tot
problemen bij gemeenten. Zeker in de eerste jaren is enige soepelheid geboden, omdat
gemeenten de stijging van de OZB-opbrengst al vaak voor meer dan één jaar hebben
ingeboekt. Ook vraagt de Raad aandacht voor een sluitende procedure voor het indienen
van de aanvraag tot ontheffing en de begrotingsprocedure. Voor 2006 voorziet de Raad
grote praktisch problemen, omdat op plaatselijk niveau op het moment van de
begrotingsvoorbereiding nog veel onduidelijk is.
Conclusie
De Raad stelt vast dat de voorstellen van het kabinet tot afschaffing van het gebruikersdeel
OZB op woningen en de maximering van de overige OZB-tarieven niet of nauwelijks zijn
onderbouwd. De door de regering beoogde effecten zullen zich niet of nauwelijks
voordoen. Het wetsvoorstel wordt op tal van onderdelen nog gekenmerkt door grote
onduidelijkheden. De effecten van de voorstellen lijken onvoldoende doordacht en zijn in
elk geval niet inzichtelijk gemaakt.
De Raad komt dan ook los van de principiële bezwaren tot de conclusie, dat het
onverantwoord is op dit moment tot invoering van het wetsvoorstel over te gaan.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>                                                   4
Van belang is ten slotte dat het standpunt van de regering over het advies van de
commissie Eenhoorn nog ontbreekt. Zonder op dit moment een inhoudelijk oordeel over
deze voorstellen te willen geven, stelt de Raad wel vast dat het na elkaar afschaffen van het
OZB-gebruikersdeel op woningen en het daarna weer invoeren van mogelijke nieuwe
belastingen leidt tot twee herverdeelmomenten. De Raad acht dit onwenselijk.
1.
Inleiding
De Raad heeft in eerdere adviezen zijn standpunt over een gehele of gedeeltelijke
afschaffing van de OZB op woningen kenbaar gemaakt.2 De Raad kwam op grond van
principiële overwegingen tot de conclusie dat de kabinetsvoornemens ertoe leiden dat het
overblijvende gemeentelijk belastinggebied niet voldoende is voor het vervullen van de
noodzakelijke functies binnen de bestuurlijke en financiële verhoudingen. De Raad
oordeelde dan ook negatief over de voorstellen.
De Raad constateert nu dat hij in zijn oordeel niet alleen staat. De Raad van State komt tot
een vernietigend oordeel over het wetsvoorstel afschaffing gebruikersdeel OZB op
woningen.3 Het Congres van Lokale en Regionale Overheden (CLRAE) van de Raad van
Europa komt tot de conclusie dat inkrimping van het eigen belastinggebied Nederland “in
conflict” komt met het door Nederland ondertekende Europese Handvest inzake lokale
autonomie. Ondanks deze kritiek houdt U vast aan uw voornemens.
De Raad blijft bij zijn principiële afwijzing van deze voornemens. De Raad acht het weinig
zinvol de eerder gegeven tegenargumenten te herhalen. De Raad benadrukt echter dat bij
een voornemen dat zo diep ingrijpt in de financiële verhoudingen het van het grootste
belang is dat de onderbouwing van de voorstellen deugdelijk is en dat goed inzicht bestaat
in alle relevante effecten van de voorstellen. In dit advies beperkt de Raad zich daarom tot
de onderbouwing en praktische consequenties van uw voornemens. Bij de beoordeling van
de voorstellen laat de Raad zich leiden door de vraagstelling: Wat zijn de veronderstelde
effecten van de voorstellen, in hoeverre zullen zich die voordoen en welke andere effecten
zullen naar verwachting optreden? En hoe dienen die effecten te worden beoordeeld in het
licht van de uitgangspunten van de financiële verhouding?
1.1
Opbouw
In hoofdstuk 2 bespreekt de Raad de hoofdmotieven en de onderbouwing van het
wetsvoorstel en de daarbij veronderstelde effecten. In hoofdstuk 3 gaat hij in op de
gevolgen voor de besluitvorming over de financiële huishouding van gemeenten. Het
wetsvoorstel zal ook gevolgen hebben voor de overige OZB-tarieven en de andere
2
  Advies afschaffing OZB op woningen; 27 november 2002, Rfv2002098122 en Advies afschaffing
gebruikersdeel onroerende zaakbelasting op woningen; 26 januari 2004, Rfv200452381.
3
  TK 30 096, nr. 5.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>                                                      5
heffingen en rechten die gemeenten heffen. Deze worden in hoofdstuk 4 beschreven. De
afschaffing van het gebruikersdeel OZB op woningen, de verdeling, de herverdeeleffecten
en de overgangsregeling staan in hoofdstuk 5 centraal. Het effect van de maximering van
de overige OZB-tarieven op de algemene uitkering, zowel de concrete invulling van de
maxima als de rekentarieven en de herverdeeleffecten die als gevolg daarvan optreden
worden in hoofdstuk 6 becommentarieerd. De berekening van de maximale tariefstijging
komt in hoofdstuk 7 aan de orde. In hoofdstuk 8 worden opmerkingen geplaatst bij zowel
de voorwaarden als de procedure van de ontheffingsheffingsclausule. In het slothoofdstuk
geeft de Raad een paar algemene conclusies.
2.
Motivering van het wetsvoorstel
Zoals ook de Raad van State aangeeft wordt in de memorie van toelichting niet nader
stilgestaan bij de motieven die destijds golden bij de invoering van de OZB.4 Bij een
wetsvoorstel dat zo diep ingrijpt in de gemeentelijke financiën acht de Raad dit
onaanvaardbaar. Feitelijk worden maar twee motieven genoemd de irritatie en het
doorkruisen van het sociaal-economische beleid.
2.1
Irritatie
In de memorie van toelichting bij het nu voorliggende wetsvoorstel wordt als belangrijkste
motief voor het afschaffen van het gebruikersdeel OZB op woningen genoemd dat het een
belasting is die irritatie bij burgers oproept. Ook wordt gesteld dat burgers en bedrijven
terecht klagen over de mate waarin de OZB-tarieven stijgen.
De Raad ontkent niet dat de OZB een belasting is die irritatie oproept. Vrijwel geen enkele
belasting is populair. De OZB-heffing is een zichtbare en voelbare belasting. De irritatie
ligt in de aard van de OZB besloten en wordt gezien als een van de waarborgen tegen
lichtvaardige uitgaven door gemeenten.5 Vanuit een oogpunt van een gematigde
lastenontwikkeling verdient een belasting waarvan tariefverhogingen verzet oproepen juist
de voorkeur.
Het is overigens zeer de vraag of de irritatie door het afschaffen van het gebruikerdeel van
de OZB op woningen zal afnemen. De irritatie wordt in de praktijk vooral opgeroepen door
de herwaardering van onroerende zaken. Bezwaar en beroep richten zich hoofdzakelijk
tegen WOZ-beschikkingen, niet tegen OZB-aanslagen. In de beeldvorming worden beide
echter aan elkaar gelijkgesteld. De OZB is immers de meest in het oog springende
belasting. Regelmatige vaststelling van de WOZ-waarde blijft echter ook na afschaffing
4
  TK 30 096, nr. 5
5
  De Raad van State wijst in haar advies naar de motieven zoals die bij invoering van de OZB naar voren zijn
gebracht.TK 30 096, nr. 5.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>                                                     6
van het gebruikersdeel van de OZB op woningen nodig, aangezien deze de grondslag
vormt van diverse andere belastingen van gemeenten, waterschappen en het Rijk. De
irritatie zal zich naar verwachting ook meer gaan richten op de gevolgen die de WOZ
waardering heeft voor de heffing van de overige hier bedoelde belastingen.
De Raad acht de opvatting dat burgers en bedrijven terecht klagen over de lastenstijging
van de OZB ongenuanceerd. De werkelijke stijging van de OZB-tarieven is veel minder
sterk dan veelal wordt beweerd.6 Daarbij doen de sterkste stijgingen zich vooral voor bij
gemeenten die het zich in het verleden konden permitteren lage tarieven te hanteren, omdat
zij gelet op hun kosten een onevenredige hoge algemene uitkering uit het gemeentefonds
ontvingen. Als gevolg van de meer kostengeoriënteerde verdeling die sinds 1997 zijn
intrede heeft gedaan en de herverdeling die daaruit voorvloeit zijn deze gemeenten na
enige tijd overgegaan tot verhoging van de OZB-tarieven. In wezen is er dus sprake van
een inhaalslag in die gemeenten. Grote tariefstijgingen blijven ook na invoering van het
wetvoorstel mogelijk. Veel gemeenten met tarieven onder het rekentarief gaan in hun
meerjarenbegroting uit van de noodzaak van een stijging van de OZB-tarieven die ruim
boven de inflatie ligt.
Daarbij heeft het Rijk taken en risico’s aan gemeenten overgedragen, met de aanname dat
gemeenten die taken voor minder geld kunnen uitvoeren en daarmee bezuinigingen en
risico’s op de gemeenten afgewenteld. Tegelijkertijd verwachten ook burgers veel van
gemeenten als het gaat om zorg, veiligheid, kwaliteit van de openbare ruimte, enz. In die
afweging hebben sommige gemeenten gemeend het niet onredelijk te vinden daarvoor ook
een offer van de burger te vragen.
De Raad stelt vast dat de door de huidige OZB opgeroepen irritatie juist een van de
beoogde effecten is en bijdraagt aan een beperkte lokale lastenontwikkeling. Na
afschaffing van het gebruikersdeel van de OZB op woningen zal de irritatie van de burger
zal zich gaan richten op de gevolgen die de periodieke herwaardering van onroerende
zaken heeft op de overige verschuldigde belastingen. De Raad wijst er op dat de feitelijke
stijging van de OZB gelet op de achterliggende ontwikkelingen eerder gematigd is te
noemen.
Betrokkenheid burgers
Een aanzienlijk deel van de burgers zal niet langer in de heffing van OZB worden
betrokken. Voor die burgers is er dus geen sprake meer van een afweging tussen
belastingoffer en plaatselijk voorzieningenniveau. Dit wordt ook als reden genoemd om de
stijging van de resterende OZB-tarieven aan banden te leggen. Het wetsvoorstel is in dat
opzicht ook niet consistent.
Veel relevanter dan de vraag of er wel of geen verband kan worden aangetoond tussen de
opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen en de omvang van de lokale belastingen, is de
6
  M.A. Allers, C. Hoeben en E. Gerritsen ,Gemeentelijke woonlasten; feiten en beleidsontwikkelingen. B&G
april 2005.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>                                                       7
vraag in hoeverre de keuze van burgers invloed heeft op de hoogte van belastingen en het
voorzieningenniveau. Het schaarse onderzoek dat op dit terrein is gedaan toont aan dat
kiezers de lokale belastingtarieven wel degelijk kunnen beïnvloeden, terwijl lokale
bestuurders bij het vaststellen van die tarieven rekening houden met mogelijke electorale
gevolgen.7
2.2
Sociaal-economisch beleid
Het beoogde effect van de wetswijziging is zowel lastenverlichting op lokaal niveau als
beheersing van de lokale lasten. Hiermee wordt voorkomen dat gemeenten inkomensbeleid
voeren en daarmee het sociaal-economische beleid van de rijksoverheid doorkruisen. Het
gemeentelijke kwijtscheldingsbeleid heeft een ongunstige werking op de arbeidsmarkt,
door het bestaan van de zogenaamde armoedeval. Lokale lastenontwikkelingen worden
geacht consequenties te hebben op de concurrentiepositie van Nederland, omdat de
gematigde loonontwikkeling ondergraven wordt door de ontwikkeling van de lage lasten.
Lastenverlichting/inkomenseffecten/armoedeval
De lokale lastenverlichting belast volgens het wetsvoorstel de rijksbegroting. Er is dus
slechts sprake van een lastenverschuiving. Daarbij komt de lastenverlichting juist niet
terecht bij de huishoudens met een minimuminkomen. Deze profiteren niet van afschaffing
van de het gebruikersdeel van de OZB op woningen (paragraaf 5).
De bijdrage van de OZB aan de op lokaal niveau veroorzaakte armoedeval is klein en de
bijdrage aan de totale armoedeval (inclusief niet-gemeentelijke regelingen) valt te
verwaarlozen. Voor het verkleinen van de armoedeval ligt het meer voor de hand de
kwijtschelding van lokale belastingen zelf af te schaffen.8 Afschaffing van kwijtschelding
heeft echter evenals het wetsvoorstel een nadelig effect op de koopkracht van huishoudens
met een minimuminkomen.
Sommige huishoudens hebben in het geheel geen profijt van de afschaffing van de
gebruikersheffing op woningen, maar zullen wel worden geconfronteerd met een
lastenstijging, doordat gemeenten hun rioolrechten en reinigingsheffingen kostendekkend
maken.
Loonmatiging en concurrentiepositie
Een ander verondersteld effect van de stijging van de OZB-tarieven is dat zij negatieve
consequenties heeft voor het klimaat om lonen te matigen en daarmee de
concurrentiepositie op peil te houden. Aangezien de bijdrage van de OZB aan de inflatie
verwaarloosbaar is, kan een dergelijke ondermijning van het loonmatigingsklimaat niet op
feiten zijn gebaseerd. De bij voortduring (ook) door het kabinet geuite kritiek op de
7
  M.A. Allers en J.P. Elhorst, Zit er een rem op de lokale lasten?, ESB, 8 april 2005.
8
  Het is dan ook de vraag waarom kwijtschelding van andere gemeentelijke (en waterschaps-) belastingen
buiten schot zou moeten blijven.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>                                                       8
vermeende sterke stijging van de lokale lasten draagt hier naar de mening van de Raad
meer aan bij.9
De Raad stelt vast dat de bijdrage van de voorgestelde wetgeving aan het verminderen van
de armoedeval beperkt is en dat huishoudens met een minimuminkomen niet profiteren van
afschaffing van de gebruikersheffing op woningen. Enige feitelijke onderbouwing van het
beweerde effect op de loonmatiging en de concurrentiepositie ontbreekt.
2.3
De voorkeursvolgorde
In de memorie van toelichting wordt de algemene uitkering gelijkgesteld met lokale
belastingen. Hiermee negeert het wetsvoorstel de sinds jaar en dag geldende
voorkeursvolgorde bij de financiering van gemeentelijke uitgaven. Dit is een van de
fundamentele principes die aan de financiële verhoudingen ten grondslag liggen.
Om tegemoet te kunnen komen aan regionale verschillen in de voorkeur voor
gemeentelijke voorzieningen is het van belang dat gemeentebestuurders niet alleen kunnen
beslissen welke voorzieningen worden aangeboden, maar ook dat zij de aard en de omvang
van die voorzieningen kunnen afwegen tegen het voor de financiering van die
voorzieningen noodzakelijke belastingoffer.
Ervaringen in het buitenland tonen naar de mening van de Raad overtuigend aan dat een
beperking van het lokale belastinggebied leidt tot een geringere betrokkenheid van burgers
bij lokale verkiezingen, een geringere financiële discipline bij decentrale overheden, en
leiden tot een neiging tot het vergroten van financiële claims op de centrale overheid.10
De Raad stelt vast dat door het afschaffen van de gebruikersheffing van de OZB de
bestuurlijke afweging tussen beslissen, betalen en genieten wordt verzwakt. Daarmee
wordt afbreuk gedaan aan de bekostigingsvoorkeur, een van de fundamentele
uitgangspunten van de financiële verhouding. Het effect zal zijn dat lokale overheden hun
aandacht meer zullen richten op de rijksoverheid en minder op de eigen financiële
huishouding.
3.
Effect op de financiële huishouding van gemeente
In de memorie van toelichting staat dat het eigen belastinggebied ook na afschaffing van
het gebruikersdeel van de OZB op woningen voldoende substantieel blijft, omdat het
9
  De opbrengst van rijksbelastingen op onroerende zaken (het eigenwoningforfait in de inkomstenbelasting
en de overdrachtsbelasting) stijgen overigens sterker dan de opbrengst van de OZB. Het tarief van de
overdrachtsbelasting wordt in tegenstelling tot die van de OZB niet neerwaarts bijgesteld bij een
herwaardering. Dat gebeurt wel bij het eigenwoningforfait, maar dit wordt jaarlijks verhoogd met een
percentage dat verband houdt met de huurstijging, waardoor de opbrengst van het eigenwoningforfait dit jaar
sterker stijgt dan die van de OZB.
10
   Hoofdstuk 6 Jaarboek Overheidsfinanciën 2005, Allers, Gerritsen en Hoeben.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>                                                     9
aandeel van de gemeentelijke heffingen in de totale inkomsten dan nog circa 15 procent
bedraagt (paragraaf 1.1). Dit cijfer zegt echter weinig over de omvang van het lokale
belastinggebied, aangezien de bestemmingsheffingen (met name riool- en
reinigingsrechten) hierbij zijn inbegrepen.
De onroerendezaakbelastingen zijn de enige gemeentelijke belastingen met een omvang
van enige betekenis. De opbrengst van de OZB bedraagt acht procent van de gemeentelijke
inkomsten.11 Dat betekent dat een uitgavenverhoging van één procent gepaard moet gaan
met een tariefverhoging van de OZB van maar liefst 12 procent. Dit wordt wel het
vliegwieleffect genoemd. Afschaffing van het gebruikersdeel op woningen zal het
vliegwieleffect nog aanzienlijk versterken. Wanneer gemeenten straks om eigen beleid te
bekostigen hun uitgaven met één procent willen verhogen, moeten zij hun ozb-tarieven
verhogen met 18 procent. Dit beperkt de gemeentelijke autonomie bij begrotingszaken in
sterke mate.
Het gevolg van de afschaffing van het gebruikersdeel van de OZB op woningen is dat de
buffer om financiële risico’s en onvolkomenheden in het verdeelsysteem van het
gemeentefonds op te vangen, minder wordt, terwijl versterking van de bufferfunctie van de
lokale belastingen juist gewenst is. Het verdeelstelsel van het gemeentefonds is globaal, en
verevent niet alle kostenverschillen tussen gemeenten. De financiële risico’s voor
gemeenten nemen al enkele jaren toe, onder meer doordat zij extra verantwoordelijkheden
hebben gekregen en gaan krijgen (Wet werk en bijstand, onderwijshuisvesting, Wet
maatschappelijke ontwikkeling).
Volgens de memorie van toelichting wordt de bufferfunctie van de OZB door het
wetsvoorstel evenwel niet aangetast, omdat de voorgestelde maximumtarieven zo zijn
gekozen dat geen enkele gemeente geconfronteerd wordt met een daling van de OZB-
opbrengsten (paragraaf 2.1). De Raad acht dit een onhoudbare stelling. Dat zou betekenen
dat gemeenten met tarieven die al in de buurt liggen van die maximumtarieven kennelijk
geen buffer nodig hebben. Bovendien tasten ook de maxima die aan tariefstijgingen boven
het rekentarief worden gesteld de bufferfunctie aan.
De Raad concludeert dat het effect van de afschaffing van het gebruikersdeel van de OZB
op woningen veel groter is dan memorie van toelichting aangeeft. De handelingsvrijheid
van gemeenten en de bufferfunctie van lokale belastingen om tegenvallers op te vangen
worden aanzienlijk beperkt. Dit leidt ertoe dat de afhankelijkheid van het Rijk groter
wordt.
11
   In 2005 3.489 miljoen euro op een totaal aan inkomsten van 42.539 miljoen euro (bron: CBS).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>                                                     10
4.
Effect op de overige OZB-tarieven en eigen inkomsten
De OZB-tarieven
Hiervoor is al opgemerkt dat gemeenten waarvan het tarief ligt onder het rekentarief, in
hun meerjarenbegroting uitgaan van de noodzaak van een stijging van de OZB-tarieven die
ruim boven de inflatie ligt.
Gemeenten met OZB-tarieven boven de rekentarieven mogen die tarieven jaarlijks slechts
beperkt verhogen. Doordat deze begrenzing op jaarbasis werkt is het weinig aantrekkelijk
om de tarieven minder dan met de maximale stijging te verhogen. Gemeenten beperken
daarmee immers de mogelijkheden voor de jaren erna. Tariefverlagingen (die regelmatig
voorkomen, vooral in gemeenten met hoge tarieven) zijn niet meer te verwachten. Hiermee
wordt een opwaartse druk op de tarieven ingebouwd. Dit zou voorkomen kunnen worden
door het niet volledig benutten van de maximale tariefstijging te belonen met het recht in
een later jaar de tarieven sterker dan het maximum te verhogen. Hierdoor wordt de
systematiek echter aanzienlijk ingewikkelder
Het effect van de wijze waarop de maximering van de tarieven is vormgegeven leidt er toe
dat de tariefstijging bij gemeenten onder het rekentarief zal doorgaan en dat de overige
gemeenten boven het rekentarief zullen kiezen voor de maximaal toegestane tariefsstijging.
De overige eigen inkomsten
Een deel van de gemeenten zal als gevolg van de afschaffing van het gebruikersdeel OZB
op woningen en de maximering van de overige OZB-tarieven moeten zoeken naar andere
dekkingsmiddelen om de begroting sluitend te krijgen. In de eerste plaats zullen gemeenten
noodgedwongen de dekkingsgraad van hun riool- en reinigingsrechten maximaliseren. De
compensatieregeling voor de verloren OZB-inkomsten gaat daar ook vanuit. De druk om
de kostentoerekening aan riool- en reiniging verder te optimaliseren zal echter verder
toenemen. De nieuwe bestemmingsheffing voor de zorgplicht voor gemeentelijke
watertaken zal naar verwachting deze tendens verstreken12.
Ook zullen gemeenten in veel gevallen er niet aan ontkomen de overige gemeentelijke
heffingen en retributies te verhogen om inkomensverlies nog enigszins te beperken. De
Raad voorziet dat dit weer zal leiden tot verdergaande discussies over deze heffingen en
retributies en de roep om deze te beperken dan wel af te schaffen. De toeristenbelasting en
de hondenbelasting lijken daarbij al ter discussie te staan.
De Raad is van mening dat deze discussie echter dient plaats te vinden in het kader van een
meer algemene beschouwing over de omvang en wenselijkheid van het gemeentelijk
belastinggebied. De Stuurgroep verkenning decentraal belastinggebied, beter bekend als
Commissie-Eenhoorn, heeft daarvoor een eerste aanzet gegeven.13
12
   TK 29 428.
13
   Lokale belastingen: meer, beheerst!; Advies Stuurgroep verkenning decentraal belastinggebied; Den Haag
mei 2005.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>                                             11
De Raad verwacht als gevolg van de wetsvoorstellen een stijging van de riool- en
reinigingsrechten als gevolg van het verder kostendekkend maken en het optimaliseren van
de kostentoerekening. Ook de andere lokale belastingen, hoe beperkt in omvang ook,
zullen toenemen. Voor een deel is dat een onbedoeld effect.
5.
De afschaffing gebruikersdeel OZB op woningen.
5.1
De verdeling
De inkomsten die gemeenten derven door afschaffing van het gebruikersdeel van de OZB
op woningen wordt vergoed via een verhoging van de algemene uitkering uit het
gemeentefonds.
Het compensatiebedrag van 977 miljoen euro wordt via het gemeentefonds verdeeld door
aanpassing van de eigeninkomstenmaatstaf. De memorie van toelichting spreekt van
“compensatie via het rekentarief” (paragraaf 3). Zoals uit de meicirculaire blijkt wordt bij
de verdeling van de compensatie echter ook het bedrag per woonruimte aangepast.
Dat is ook de meest geëigende manier, omdat zo het best wordt aangesloten bij de gederfde
inkomsten. Indertijd is echter (op verzoek van de Tweede Kamer) er voor gekozen om de
egalisatie van de OZB-capaciteit van woningen voor slechts 80% te laten plaatsvinden via
de waarde van de woningen en voor 20% via een bedrag per woonruimte. Daarmee werd
afgeweken van het uitgangspunt van kostenoriëntatie voor het cluster eigen inkomsten.
De Raad gaat er vanuit dat bij de verdeling van de compensatie ook het bedrag per
woonruimte zal worden aangepast. De Raad acht dit de enig juiste methode om de
kostenoriëntatie en het eigen draagkrachtprincipe van het gemeentefonds in stand te
houden.
5.2
Herverdeeleffecten
Als gevolg van de gekozen verdeling van het compensatiebedrag treden herverdeeleffecten
op. Voor gemeenten met een tarief boven het rekentarief is de compensatie lager dan de
gederfde belastingopbrengst, voor gemeenten met een tarief onder het rekentarief is de
compensatie hoger dan de gederfde OZB. De in de bijlage van het wetsvoorstel
gepresenteerde herverdeeleffecten dienen slechts als illustratie. Niet duidelijk wordt welke
gegevens aan deze berekening ten grondslag liggen. De verdeling zal nog worden
bijgewerkt op basis van de gegevens 2005.
Op basis van de weliswaar indicatieve herverdeeleffecten constateert de Raad dat onder de
nadeelgemeenten relatief veel GSB-gemeenten en (voormalige) artikel 12 gemeenten zitten.
Onder de voordeelgemeenten bevinden zich juist relatief veel woongemeenten met een
goede sociale structuur en zonder centrumfunctie. De Raad is er zich van bewust dat de
werkelijke herverdeeleffecten anders zullen uitpakken en ook dat als gevolg van de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>                                               12
overgangsregeling er geen enkele gemeente reëel op achteruit gaat. Het beeld geeft echter
aan dat de reële mogelijkheden voor een grote groep gemeenten die in algemene zin
bekend staat om hun grote problemen de komende jaren beperkt is. Tegenover de
nadeelgemeenten staan voordeelgemeenten die meer geld krijgen dan zij in het verleden
van hun burgers wensten te vragen. Dit maakt duidelijk dat het voorstel een optimale
allocatie van voorzieningen doorkruist.
5.3
Overgangsregeling
Er is voorzien in een tijdelijke overgangsregeling, die er voor zorg moet dragen dat geen
gemeente er reëel op achteruit gaat, rekening houdend met inflatie en areaalontwikkeling.
Nadeelgemeenten ontvangen enige tijd een suppletie-uitkering die hun nadeel
compenseert. De dekking hiervoor wordt gevonden in het afromen van positieve
herverdeeleffecten. Na een onbekend aantal jaren met positieve accressen wordt
uiteindelijk een situatie bereikt waarin voor elke gemeente de gederfde OZB-opbrengst
(gecorrigeerd voor inflatie en areaaluitbreiding) kleiner of gelijk is aan het
compensatiebedrag uit het gemeentefonds. Dan worden geen suppletie-uitkeringen meer
verstrekt. Het komt er dus op neer dat nadeelgemeenten hun nadeel “vergoed” krijgen uit
het accres (dat zij anders ook hadden gekregen) en voor een afnemend deel uit een
suppletie-uitkering. Dit gaat door tot het compensatiebedrag via de algemene uitkering als
gevolg van de jaarlijkse accressen net zo groot is geworden als de gederfde
belastingopbrengst. Feitelijk betekent dit dat nadeelgemeenten gedurende de periode
waarin de overgangsregeling geldt geen accres ontvangen. Het accres is echter ook bedoeld
voor het opvangen van algemene ontwikkelingen. Voor veel gemeenten betekent dit dat zij
voor een groot aantal jaren geen enkele reële financiële ruimte hebben, omdat ze ook de
resterende OZB-tarieven niet of nauwelijks kunnen verhogen.
De toelichting op het wetsontwerp maakt niet duidelijk hoe lang de overgangsregeling naar
verwachting van kracht blijft. Het lijkt er op dat dit een groot aantal jaren kan zijn.
Het is niet duidelijk of de areaalontwikkeling die bij de berekening van de suppletie-
uitkering wordt gehanteerd de landelijke groei van het aantal woningen is, of die in de
afzonderlijke gemeenten. In de memorie van toelichting wordt op verschillende plaatsen
gesproken van de areaalontwikkeling waarbij duidelijk de landelijke ontwikkeling wordt
bedoeld (bij de berekening van het compensatiebedrag van 977 miljoen euro en bij de
berekening van de maximale tariefstijging boven het rekentarief). De groei van het aantal
woningen verschilt echter aanzienlijk tussen gemeenten. Voor het correct berekenen van de
suppletie-uitkering zou eigenlijk de areaalontwikkeling van de individuele gemeenten
moeten worden gehanteerd. Dit maakt de uitvoering van de regeling echter nog
ingewikkelder.
Behalve via een suppletie-uitkering worden gemeenten geacht hun nadeel te compenseren
door het kostendekkend maken van hun rioolrechten en reinigingsheffingen. Vermoedelijk
wordt de suppletie-uitkering gekort voor het bedrag dat gemeenten op deze manier kunnen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>                                                     13
binnenhalen. Hoe dit gebeurt wordt niet vermeld. Hiervoor is het nodig om per gemeente te
weten wat de kostendekking is. Hiervoor bestaan echter geen betrouwbare en tussen
gemeenten vergelijkbare cijfers. Dit lijkt dan ook een moeilijk begaanbare weg.
Door het inzetten van het accres voor het opvangen van negatieve herverdeeleffecten
wordt weliswaar voorkomen dat gemeenten er reëel op achteruitgaan maar daarmee
ontbreekt het veel van deze gemeenten aan enige financiële ruimte voor het compenseren
van algemene ontwikkelingen. Daarbij constateert de Raad dat de exacte uitwerking van
de overgangsregeling nog veel vragen oproept.
6.
Het effect van de maximering van de overige OZB-tarieven op de algemene uitkering
6.1
Algemeen
Bij de verdeling van de algemene uitkering uit het gemeentefonds wordt rekening
gehouden met de mate waarin gemeenten zelf belasting kunnen heffen. Daartoe bevat het
verdeelstelsel een zogeheten eigeninkomstenmaatstaf, die gekoppeld is aan de waarde van
de inliggende onroerende zaken.14 Hoe hoger deze waarde, hoe meer een gemeente wordt
geacht zelf in zijn inkomstenbehoeften te kunnen voorzien.
Gemeenten die bij een herwaardering van onroerende zaken een bovengemiddelde
waardegroei laten zien, ontvangen minder geld uit het gemeentefonds, omdat zij geacht
worden zelf meer te kunnen heffen. Zij kunnen deze lagere uitkering compenseren door
meer belasting te heffen. In het wetsvoorstel wordt geheel voorbij gegaan aan dit effect. De
maximale jaarlijkse tariefstijging wordt per gemeente aangepast aan de
waardeontwikkeling van onroerende zaken. In de memorie van toelichting staat immers het
volgende (II, onderdeel D):
“Aldus wordt gewaarborgd dat, behoudens toegestane tariefstijgingen de opbrengsten in
het oude en nieuwe tijdvak gelijk blijven.”
 “Uitgangspunt hierbij is dat de opbrengsten die gegenereerd kunnen worden gelijk blijven
ondanks de waardeontwikkeling”.
Het is niet juist dat gemeenten hun OZB-tarieven na een herwaardering net zo veel zouden
moeten verlagen tot de opbrengst gelijk is aan die van het jaar ervoor (afgezien van
beleidsmatige verhogingen). Dan wordt immers voorbij gegaan aan de lagere uitkering uit
het gemeentefonds
14
   De eigeninkomstenmaatstaf bestaat uit naast een deel dat is gekoppeld aan de WOZ-waarde nog uit een
bedrag per woonruimte. Destijds is besloten niet de gehele WOZ-waarde maar slechts 80 procent van de
waarde van woningen en 70 procent van de waarde van niet-woningen in deze maatstaf te betrekken om
gemeenten een belang te geven bij een groei van de waarde van onroerende zaken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>                                              14
De Raad concludeert dat het wetsvoorstel ten onrechte voorbij gaat aan het effect dat een
bovengemiddelde waardeontwikkeling bij een gemeente heeft op de uitkering uit het
gemeentefonds. Gemeenten kunnen die wegvallende inkomsten in veel gevallen niet
compenseren. Het wetsvoorstel doorkruist daarmee de basisfilosofie van de bestaande
financiële verhouding.
6.2
De concrete invulling van de maximumtarieven en rekentarieven
Hoogte van de maxima
Bij de keuze van de maximumtarieven lijkt sprake te zijn van een misverstand. In de
memorie van toelichting staat vermeld (paragraaf 2.1):
“De hoogte van de in de wet vastgelegde maximum OZB-tarieven is bewust zodanig
bepaald dat geen enkele gemeente door de introductie van maximumtarieven
geconfronteerd wordt met een daling van de OZB-opbrengsten”
Hier wordt gesproken van OZB-opbrengsten wat de mogelijkheid zou inhouden dat
gemeenten wel de onderlinge verhouding tussen de tarieven aanpassen. In paragraaf 3 staat
echter dat het maximumtarief op het niveau van het hoogste gemeentelijke OZB-tarief is
gesteld.
Uit tabel 1 blijkt echter dat de voorgestelde maximumtarieven niet lager liggen dan de
hoogste tarieven die in 2005 worden gehanteerd.
Tabel 1. Maximumtarieven conform wetsvoorstel en hoogste tarieven in 2005 (per 2.500
waarde)
                               Maximum in wetsvoorstel Hoogste tarief in 2005a
Eigenaar woning                6,62                      5,22
Eigenaar niet-woning           8,29                      10,17
Gebruiker niet-woning          6,68                      8,21
a
  Omgerekend naar tarief per 2.500 euro waarde van onroerende zaken.
Bron: COELO
De memorie van toelichting geeft wel aan dat de maximumtarieven in enkele gevallen
lager zijn dan de door de gemeenten thans gehanteerde feitelijke tarieven, maar dit zou het
gevolg zijn van het optrekken van de heffingseenheid van 2.268 euro naar 2.500 euro.
Door de waarde van de tariefeenheid te verhogen gaan de tarieven echter omhoog, en niet
omlaag, zoals de memorie ten onrechte suggereert. Ook na omrekening van alle tarieven
naar eenheden van 2.500 euro bestaan er thans tarieven die boven de voorgestelde
maximumtarieven liggen, zoals tabel 1 laat zien.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>                                             15
Onderlinge verhouding maxima
In de memorie van toelichting staat (paragraaf 1.1):
“Bij het bepalen van de uiteindelijke hoogte van de maximumtarieven is uitgegaan van de
geldende verhouding tussen de resterende drie OZB-grondslagen.”
Wat dit concreet betekent is onduidelijk. Thans mag het OZB-tarief voor eigenaren ten
hoogste 125 procent bedragen van het tarief voor gebruikers. In het wetsvoorstel ligt deze
verhouding voor de maximumtarieven (en de rekentarieven) iets lager, maar wel ongeveer
op het gemiddelde niveau dat in de praktijk wordt gekozen (tabel 2).
Dat laatste geldt echter niet voor de verhouding van het eigenarentarief voor niet-woningen
en dat voor woningen. Het in het wetsvoorstel gepresenteerde maximumtarief voor
eigenaren van niet-woningen bedraagt slechts 125 procent van dat voor woningen, het
landelijk gemiddelde bedraagt echter 167 procent.
Hetzelfde geldt voor de verhouding van de corresponderende rekentarieven. Dit impliceert
op termijn een aanzienlijke lastenverschuiving van eigenaren van niet-woningen naar
eigenaren van woningen. Het waarom van deze verandering wordt niet toegelicht.
Tabel 2. Onderlinge verhouding maximumtarieven conform wetsvoorstel en gemiddelde
verhouding in 2005
                               Wetsvoorstel               2005
Eigenaar/gebruiker niet-
woning * 100%                  124,1                      124,3
Niet-woning/woning
eigenaar * 100%                125,1                      167,2
Bron: COELO
Hier komt bij dat gemeenten in de toekomst hun tarieven nog maar beperkt zullen kunnen
aanpassen als na een nieuwe waardevaststelling van onroerende zaken de aandelen van
woningen en niet-woningen in de OZB-opbrengst dreigen te veranderen. Als de trend
doorzet dat woningen aanzienlijk sterker in waarde stijgen dan niet-woningen, verschuiven
hierdoor de lasten ten nadele van eigenaren van woningen. Dit gaat in tegen het
kabinetsdoel de lasten voor de burgers te verlagen.
De Raad constateert dat zowel de hoogte van als ook de verhoudingen tussen de
maximumtarieven en de rekentarieven verschillen laten zien met de werkelijke tarieven. De
reden hiervoor is niet duidelijk. Uitgaande van de genoemde tarieven zullen sommige
gemeenten hun tarieven in tegenstelling tot wat de memorie van toelichting stelt wel
degelijk moeten aanpassen. Het effect van de gehanteerde rekentarieven betekent op
termijn een aanzienlijke lastenverschuiving van eigenaren van niet-woningen naar
eigenaren van woningen. Dit komt in de memorie van toelichting niet ter sprake.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>                                                      16
6.3
Herverdeeleffect door introductie van nieuwe rekentarieven
Het effect van het hogere rekentarief voor niet woningen
Het gewogen gemiddelde van de voorgestelde rekentarieven bedraagt 4,61 euro per 2.500
euro waarde.15 Dat is 19 cent hoger dan het huidige rekentarief (4,01 per 2.268 waarde,
ofwel 4,42 euro per 2.500 waarde). Dat de rekentarieven hoger komen te liggen wordt niet
in de memorie van toelichting vermeld, laat staan de reden voor deze verhoging. Het
gewicht van de eigeninkomstenmaatstaf neemt hierdoor toe. Dat is nadelig voor gemeenten
met een bovengemiddelde waarde van onroerende zaken.
Doordat voor niet-woningen een hoger rekentarief gaat gelden dan voor woningen, zien
gemeenten met veel bedrijven hun algemene uitkering uit het gemeentefonds dalen, terwijl
gemeenten met weinig bedrijvigheid een hogere algemene uitkering ontvangen. Aan dit
herverdeeleffect wordt in de memorie van toelichting echter in het geheel geen aandacht
besteed, laat staan dat het wordt gekwantificeerd.
Het effect van verschillende rekentarieven voor woningen en niet woningen
De Raad stelt vast dat het introduceren van verschillende rekentarieven niet strijdig is met
de uitgangspunten van de Financiële verhoudingswet. In de huidige situatie konden
gemeenten binnen de wettelijke randvoorwaarden hun eigen belastingmix tussen eigenaren
en gebruikers en woningen en zakelijk gerechtigden vaststellen. Het is niet onlogisch om in
lijn met de verschillende maxima nu ook verschillende rekentarieven te willen hanteren.
De verschillen geven immers ook het verschil in capaciteit weer die een gemeente heeft om
bij een bepaald rekentarief in de eigen middelen te voorzien. Tegen een gemiddeld hoger
tarief voor niet-woningen vergaart een industriegemeente ook meer inkomsten. Ook hier is
het probleem dat door de maximering van de tarieven gemeenten een lagere algemene
uitkering niet altijd meer kunnen compenseren door een hogere OZB-opbrengst. De Raad
stelt vast dat het voorstel daarmee de bestaande financiële verhouding ondermijnt.
Een oplossing voor dit probleem maakt het voorstel echter nog ingewikkelder. De
herverdeeleffecten die nu als gevolg van deze onvolkomenheid optreden zijn naar de
opvatting van de Raad onbedoeld. Zij zijn namelijk niet gerelateerd aan de mogelijkheid
eigen inkomsten te verwerven of aan kostenverschillen.
Het herverdeeleffect dat ontstaat doordat de rekentarieven voor niet woningen hoger zijn
dan voor woningen zijn naar het oordeel van de Raad niet gebaseerd op de mogelijkheden
om eigen inkomsten te verwerven of op kostenverschillen tussen gemeenten. Daarmee
ondermijnen de voorstellen het huidige verdeelstelsel.
15
   Berekend als rekentarief eigenaar woning * (1+ rekentarief eigenaar niet-woning / rekentarief gebruiker
niet-woning) * aandeel woningen in WOZ-waarde + ( rekentarief eigenaar niet-woning + rekentarief
gebruiker niet-woning)* aandeel niet-woningen in WOZ-waarde. Ofwel:
2,43 * (1 + 3,04/2,45) * 0,80 + (3,04 + 2,45) * 0,20.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>                                                 17
7.
Maximale tariefstijging
Gemeenten mogen een OZB-tarief dat beneden het relevante maximum ligt, maar boven
het rekentarief, slechts beperkt verhogen. Het maximale stijgingspercentage is gelijk aan
de trendmatige groei van het BBP, na correctie voor inflatie en verminderd met de
areaalontwikkeling. Hierbij geldt nog het voorbehoud dat een waardestijging van de
heffingsgrondslag door hertaxatie niet tot een hogere stijging mag leiden dan in de vorige
zin vermeld (zij het dat een eventuele hogere stijging pas in het jaar erop wordt
gecorrigeerd, omdat de definitieve waardecijfers niet eerder beschikbaar zijn). In feite
wordt de BBP-groei dus gecorrigeerd voor de areaalontwikkeling en twee soorten
prijsstijgingen: de inflatie (prijsontwikkeling van de Nationale Bestedingen, ofwel pNB) en
de stijging van de waarde van onroerende zaken.
Door de groei van het BBP als basis te nemen wordt een koppeling tot stand gebracht
tussen de groei van de OZB-opbrengst en de economische groei. Daar valt iets voor te
zeggen. Ook is begrijpelijk dat is gekozen voor de trendmatige BBP-groei, omdat dan voor
enkele jaren tegelijk duidelijkheid bestaat over de mogelijkheid de tarieven te verhogen,
terwijl de invloed van de conjunctuurbeweging grotendeels wordt uitgeschakeld. Een
nadeel van deze benadering is, zoals het Centraal Planbureau zelf aangeeft, dat de BBP-
groei van tevoren nauwelijks accuraat is in te schatten.16 Hiermee krijgt de norm een
betrekkelijk arbitrair karakter. Ook worden de trendmatige groeicijfers steeds berekend aan
het begin van een nieuwe kabinetsperiode, en niet wanneer gemeenteraadsverkiezingen
hebben plaatsgevonden. Dat laatste zou het nieuw aangetreden college meer houvast
bieden.
Een correctie voor areaalontwikkeling is redelijk. Een toename van het aantal in de heffing
betrokken objecten hoeft niet te leiden tot een hoger tarief, aangezien de opbrengst al stijgt
doordat de grondslag toeneemt. De areaalontwikkeling betreft alleen de stijging van het
aantal woonruimten. Voor een belasting die voor een groot deel door gebruikers en
eigenaren van niet-woningen wordt opgebracht is dit een vrij arbitraire maatstaf. Ook
wordt uitgegaan van een raming van de landelijke areaalontwikkeling. Dit is nadelig voor
gemeenten waar het aantal woonruimten niet of weinig groeit. In de ene gemeente worden
veel meer woningen gebouwd dan in de andere.
Ook een correctie voor de waardestijging van onroerende zaken is op het eerste gezicht
begrijpelijk. Ook nu al geldt in de praktijk dat de OZB-tarieven neerwaarts worden
aangepast om te voorkomen dat dergelijke waardestijgingen tot hogere opbrengsten leiden.
Dit heeft wel tot gevolg dat voor elke gemeente afzonderlijk moet worden vastgesteld hoe
sterk de drie tarieven mogen worden verhoogd. Dit betekent de jaarlijkse publicatie van
lange lijsten maxima. In die zin leiden de voorstellen dan ook tot een vergroting van de
bureaucratie.
16
   Henk Kranendonk en Johan Verbruggen, Trefzekerheid van CPB-prognoses voor de jaren
1971-2003, CPB Document No 77, februari 2005.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>                                                18
De memorie van toelichting is onhelder over de inflatiecorrectie. Gemeenten krijgen
jaarlijks te maken met prijsverhogingen. Als zij hun belastingopbrengst hierop niet mogen
aanpassen zal deze een reële krimp gaan vertonen. Uit de memorie van toelichting blijkt
dat voor het tijdvak 2004-2007 een maximaal toegestane stijging van 1,5% geldt.
Dit zou inhouden dat de 1,5% voldoende is voor het opvangen van de inflatie en
tegenvallers.
De Raad stelt vast dat bij de praktische uitwerking van de maximale stijging van OZB-
tarieven nogal wat kanttekeningen zijn te plaatsen. De vaststelling van de maximale
stijging is enigszins arbitrair, het is nadelig voor gemeenten met een minder dan
gemiddelde groei en leidt tot een hoop extra bureaucratie.
8.
Tijdelijke ontheffingsclausule
Gemeenten die kunnen aantonen dat zij vóór het jaar 2002 meerjarige verplichtingen zijn
aangegaan die doorlopen tot 2006 en latere jaren, waarvoor stijgingen van het OZB-tarief
als dekking waren voorzien, kunnen aan de provincie toestemming vragen tijdelijk een
hoger maximumtarief. Dit kan echter alleen als de begroting meerjarig niet in evenwicht is.
De wettekst spreekt overigens alleen van een tijdelijke ontheffing voor een hoger
maximumtarief en heeft het niet zoals in de memorie van toelichting over een grotere
tariefstijging die nodig kan zijn.
Een dergelijke hardheidsclausule is noodzakelijk. De voorwaarden sluiten aan bij die van
het preventief toezicht, maar zijn daarmee naar het oordeel van de Raad te stringent. Om te
beginnen lijken gemeenten die vóór 2002 meerjarige verplichtingen zijn aangegaan achter
het net te vissen als zij op een andere manier dekking kunnen vinden voor de gederfde
belastingopbrengst. Dit zou betekenen dat eerst elders moet worden bezuinigd.
Verder dreigt een groep gemeenten buiten de boot te vallen die pas na 2002 de OZB-
tarieven verhoogde om de invoering (1997-2000) van de eigeninkomstenmaatstaf in de
verdeling van de algemene uitkering te compenseren. De eigeninkomstenmaatstaf is
ingevoerd vanuit de gedachte dat gemeenten met een relatief grote belastinggrondslag zelf
meer belasting kunnen heffen. Daarom werd hun uitkering uit het gemeentefonds verlaagd.
Niet alle gemeenten hebben dit onmiddellijk gecompenseerd door de OZB-tarieven te
verhogen. Sommige gemeenten besloten om eerst enkele jaren in te teren op hun reserves.
Het is moeilijk in te zien dat zij hiervoor zouden moeten worden gestraft.
Een ander aspect is dat de procedure voor het aanvragen van de ontheffing de
begrotingsprocedure van de gemeenten frustreert. De gemeente kan pas een aanvraag
indienen wanneer het voor haar berekende maximale OZB-stijging bekend is en als zij kan
aantonen dat de begroting meerjarig niet in evenwicht is. Het vaststellen van de begroting
door de gemeenteraad is echter weer afhankelijk van het al dan niet honoreren van het
verzoek door GS.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>                                             19
De Raad meent dat een al te strikte interpretatie van de hardheidsclausule leidt tot
problemen bij gemeenten. Zeker in de eerste jaren is enige soepelheid geboden omdat
gemeenten de OZB-stijging al vaak voor meerdere jaren heeft ingeboekt. Ook vraagt de
Raad aandacht voor een sluitende procedure voor het indienen van de aanvraag tot
ontheffing en de begrotingsprocedure. Voor 2006 voorziet de Raad grote praktisch
problemen omdat op het moment van de begrotingsvoorbereiding nog veel onduidelijk is.
9.
Tot slot
De Raad stelt vast dat een ogenschijnlijk simpel voorstel tot afschaffing van het
gebruikersdeel OZB op woningen in combinatie met de maximering van de overige OZB-
tarieven verregaande gevolgen heeft voor de financiële verhouding. De voorstellen van het
kabinet tot afschaffing van het gebruikersdeel OZB op woningen en de maximering
overige OZB-tarieven zijn echter niet of nauwelijks inhoudelijk onderbouwd. De door de
indieners beoogde effecten zullen zich niet of nauwelijks voordoen. Het wetsvoorstel
wordt op tal van onderdelen nog gekenmerkt door grote onduidelijkheden. De effecten van
de voorstellen lijken onvoldoende doordacht en zijn in elk geval niet inzichtelijk gemaakt.
De Raad komt dan ook los van de al eerder gerapporteerde principiële bezwaren tot de
conclusie, dat het onverantwoord is om op dit moment tot invoering van het wetsvoorstel
over te gaan.
Een ander aspect daarbij is dat het standpunt van de regering over het advies van de
commissie-Eenhoorn nog ontbreekt. Zonder op dit moment een inhoudelijk oordeel over
deze voorstellen te willen geven stelt de Raad wel vast dat het na elkaar afschaffen van het
gebruikersdeel op woningen en het daarna weer invoeren van mogelijke nieuwe
belastingen leidt tot twee herverdeelmomenten. De Raad acht dit onwenselijk.
De Raad voor de financiële verhoudingen,
Mevrouw A. van den Berg, voorzitter
M.P.H. van Haeften, secretaris
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>20</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>