<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                                                         De Minister van Vreemdelingenzaken
                                                         en integratie,
                                                         Mevrouw drs. M.C.F. Verdonk
                                                         Ministerie van Justitie
                                                         Postbus 20301
                                                         2500 EH DEN HAAG
Datum                           Uw kenmerk               Ons kenmerk
17 augustus 2006                                         Rfv 2006-0000269472
Inlichtingen bij                Doorkiesnummer
Drs. H. Tanja                   070 - 4267234
Bijlagen
0
Onderwerp
Bekostigingsbesluit Inburgering
Geachte mevrouw Verdonk,
In de brief van 8 juni jl. (Rfv 2006-0000203037) heeft de Raad voor de financiële
verhoudingen (Rfv) aangekondigd u bij gelegenheid van advies te willen voorzien
over het (concept) bekostigingsbesluit inburgering gezien de (financiële)
consequenties voor gemeenten.
In een korte samenvatting volgen hierna de belangrijkste punten van het advies.
Vervolgens worden deze punten nader uitgewerkt en toegelicht.
Samenvatting
De nieuwe Wet inburgering is complex. Deze complexiteit heeft ook gevolgen
voor de bekostiging. Bekostiging vindt plaats middels een specifieke uitkering
omdat het niet goed mogelijk zou zijn om in het gemeentefonds de financiële
middelen ten behoeve van de inburgering aanvaardbaar over de gemeenten te
verdelen. De inburgeringsplichtigen zijn namelijk (te) ongelijk over het land
verdeeld en er is geen bestaande maatstaf die daarin voorziet. De Raad heeft
vooralsnog begrip voor deze keus, maar acht wel mogelijkheden aanwezig om
het vaste deel van de rijksbijdrage in het gemeentefonds onder te brengen.
Het spreekt de Raad aan dat bij de bekostiging van de inburgering gekozen is
voor verantwoording van de prestaties. Die prestaties moeten weliswaar
eenduidig maar niet al te specifiek worden geformuleerd teneinde de
Fluwelen Burgwal 56 Telefoon 070-4267540
Postbus 20011             Telefax 070-4267625
2500 EA‘s-Gravenhage E-mail rob-rfv@minbzk.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>verantwoordingslast zoveel mogelijk te beperken. De Raad adviseert om geen
afzonderlijke verantwoordingsrapportages verplicht te stellen. Het verantwoorden
van de specifieke middelen via de opname van prestaties in (een bijlage bij) de
gemeenterekening volstaat. In overleg met u en de gemeenten zouden de
prestatie-indicatoren nader kunnen worden afgesproken.
De nieuwe Wet inburgering tuigt een complex inburgeringssysteem op. De
voorkeur van de Raad gaat uit naar een minder complex systeem dat meer
ruimte aan de gemeenten laat. Het gekozen inburgeringssysteem brengt echter
ook aanzienlijke administratieve lasten met zich mee. Dat staat op gespannen
voet met de doelstelling van het Kabinet om de administratieve lastendruk te
reduceren. Naar het oordeel van de Raad zou een groter vertrouwen in het
uitgangspunt dat iedere bestuurslaag zijn eigen verantwoordelijkheid naar
behoren oppakt tot een aanzienlijke besparing van de administratieve lasten van
de inburgering kunnen leiden.
Naast administratieve lasten zullen ook de bestuurlijke lasten van deze
voorstellen hoog zijn. De Raad pleit er voor om bij nieuw beleid ook de
bestuurlijke lasten te laten meewegen. Inzet zou moeten zijn om ook de
bestuurlijke lastendruk van nieuw beleid zoveel mogelijk te beperken.
De nieuwe Wet inburgering rekent enerzijds gemeenten op allerlei zaken af,
terwijl anderzijds de gemeentelijke regiemogelijkheden worden beperkt. De Raad
is principieel van mening dat de bekostiging van de gemeenten zich dient te
beperken tot zaken waar ze ook op kunnen sturen. Indien de toegevoegde
waarde van de gemeente bij de bekostiging van de inburgering zich beperkt tot
het lopen van uitvoeringsrisico’s, zijn de gemeenten slechts verworden tot een
extra schakel in de uitvoering. In dat geval ligt de rechtstreekse bekostiging van
de verstrekkers van inburgeringsvoorzieningen door het Rijk meer voor de hand.
De Raad pleit er voor om gemeenten voldoende tijd en ondersteuning te geven
voor een verantwoorde implementatie van deze complexe wet.
Daarnaast acht de Raad het van belang dat de Wet inburgering tijdig
geëvalueerd wordt. Aangezien het aanbeveling verdient om de inhoudelijke
evaluatie van de wet pas te laten plaatsvinden na doorloop van een volledige
beleidscyclus, pleit de Raad er voor om de administratieve en bestuurlijke lasten
van deze wet afzonderlijk te evalueren en in de tijd naar voren te halen. Een
belangrijk punt bij die evaluatie zou moeten zijn hoe de administratieve en
bestuurlijke lasten zoveel mogelijk beperkt kunnen worden. Meer globale
kaderstellingen, meer mogelijkheden tot maatwerk door gemeenten en ruimere
mogelijkheden om tussen budgetten en over jaargrenzen heen te schuiven, ziet
de Raad daarbij als belangrijke aandachtspunten.
                                           2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>1.
Inleiding
De nieuwe Wet inburgering wordt niet gekenmerkt door eenvoud; verschillende
categorieën inburgeringsplichtigen, decentrale uitvoering, prestatieafspraken
tussen Rijk en gemeenten en marktwerking bij de inkoop van
inburgeringsvoorzieningen liggen onder andere aan deze wet ten grondslag. Al
deze zaken zijn niet eenvoudig in één model te verenigen en compliceren ook de
wijze van bekostiging. Daar komt bij dat de bekostiging ook gericht moet zijn op
de beheersing van het rijksbudget.
Het bekostigingssysteem bestaat uit een vast, een prestatieafhankelijk en een
variabel deel. Het vaste deel van de rijksbijdrage dient voor de bekostiging van
de verstrekking van informatie omtrent het inburgeringsstelsel door gemeenten
aan (potentiële) inburgeringsplichtigen. Het prestatieafhankelijke deel heeft
betrekking op de inkoop van inburgeringsvoorzieningen door gemeenten en het
variabele deel op geestelijk bedienaren en op het handhaven zonder aanbod. De
kosten van de inkoop van inburgeringsvoorzieningen voor geestelijk bedienaren
kunnen worden gedeclareerd. Voor het handhaven zonder aanbod ontvangen
gemeenten een vast bedrag per inburgeringsplichtige.
2.
Prestatieafhankelijke bekostiging
De normvergoeding voor de inkoop van de inburgeringsvoorzieningen is, volgens
het adviesbureau Bestuur & Management Consultants (BMC), gemiddeld
genomen toereikend. Dat oordeel is gebaseerd op een groepsgrootte van twaalf
deelnemers met een gemiddelde voorkennis. Deelnemers met een grote kennis
achterstand, zullen niet genoeg hebben aan het aantal normuren. Dit gegeven
noopt gemeenten te sturen op de voorkennis van de inburgeringsplichtigen. Met
de ‘winsten’ op snelle inburgeringsplichtigen moeten de uitgebreidere trajecten
worden bekostigd.
De Raad merkt op dat de markt wel de mogelijkheid moet bieden om groepen
van tenminste twaalf deelnemers van een vergelijkbare kwaliteit te vormen. Met
name in de meer perifere gebieden van ons land zou dat een probleem kunnen
zijn. Indien dat niet mogelijk is en de betreffende gemeente met te hoge
inkoopprijzen wordt geconfronteerd, dan bestaat de kans dat de gemeente de
inburgeringsplicht niet actief zal kunnen handhaven. De doelstellingen van het
Rijk op het terrein van de inburgering zouden daardoor in het gedrang kunnen
komen.
                                           3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>3.
Bekostigingwijze
Wat de bekostiging betreft heeft u voor een specifieke uitkering gekozen omdat
het niet goed mogelijk zou zijn om in het gemeentefonds de financiële middelen
ten behoeve van de inburgering aanvaardbaar over de gemeenten te verdelen.
De inburgeringsplichtigen zijn namelijk (te) ongelijk over het land verdeeld en er
is geen bestaande maatstaf die daarin voorziet. De Raad heeft vooralsnog begrip
voor deze keus, maar acht wel mogelijkheden aanwezig om het vaste deel van
de rijksbijdrage in het gemeentefonds onder te brengen.
Behalve het probleem van het juist verdelen heeft echter ook uw wens om
gemeenten af te willen rekenen op geleverde prestaties, geleid tot bekostiging via
een specifieke uitkering.
Bekostiging via de specifieke uitkering kan met verschillende
verantwoordingssystemen gepaard gaan. Principieel verschillen verantwoording
over de besteding van het budget en verantwoording over de prestaties het
meest van elkaar. Het spreekt de Raad aan dat bij de bekostiging van de
inburgering gekozen is voor verantwoording van de prestaties. Wel tekent de
Raad aan dat prestaties weliswaar eenduidig maar niet al te specifiek moeten
worden omschreven. Dit voorkomt een te grote verantwoordingslast.
De Raad adviseert om geen afzonderlijke verantwoordingsrapportages verplicht
te stellen. Het verantwoorden van de specifieke uitkering via de opname van
prestaties in (een bijlage bij) de gemeenterekening volstaat. In overleg met u en
de gemeenten zouden nadere afspraken over de prestatie-indicatoren kunnen
worden gemaakt.
4.
Administratieve en bestuurlijke lasten
De Wet inburgering is gecompliceerd. Bij de handhavingsplicht worden
verschillende bedragen gehanteerd voor het al dan niet aanbieden van een
voorziening. Bij het aanbieden van een voorziening vindt bevoorschotting plaats
bij de start van de inburgering en in een later stadium bij deelname aan het
examen de afrekening. De normvergoeding is alleen 100% als er binnen drie jaar
na de start van de cursus aan het examen wordt deelgenomen en er van het
betreffende deelnemers cohort niet meer dan 10% is uitgevallen. De gemiddelde
cursusprijs wordt gevolgd (‘monitoren’) en aangepast op basis van nacalculatie,
naar boven of naar beneden, als daarvoor aanleiding bestaat.
De voorkeur van de Raad gaat uit naar een minder complex inburgeringssysteem
dat meer ruimte aan de gemeenten laat. Gemeenten kunnen, als de bestuurslaag
die het dichtst bij de burger staat, het best beoordelen waar de oudkomer
behoefte aan heeft. Wat betreft nieuwkomers ligt het voor de hand dat het Rijk de
                                           4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>eisen aan de inburgering stelt, aangezien het voldoen aan die eisen een
voorwaarde vormt voor het verkrijgen van een permanente verblijfsvergunning.
Het gekozen inburgeringssysteem brengt echter ook aanzienlijke administratieve
lasten met zich mee. Dat staat op gespannen voet met de doelstelling van het
Kabinet om de administratieve lastendruk te reduceren. Naar het oordeel van de
Raad zou een groter vertrouwen in het uitgangspunt dat iedere bestuurslaag zijn
eigen verantwoordelijkheid naar behoren oppakt tot een aanzienlijke besparing
van de administratieve lasten van de inburgering kunnen leiden.
Naast administratieve lasten zullen ook de bestuurlijke lasten (in termen van
aandacht en overleg) van deze voorstellen hoog zijn. De Raad pleit er voor om bij
nieuw beleid ook de bestuurlijke lasten te laten meewegen. Inzet zou moeten zijn
om ook de bestuurlijke lastendruk van nieuw beleid zoveel mogelijk te beperken.
5.
Gemeentelijke regie
De nieuwe Wet inburgering rekent enerzijds gemeenten op allerlei zaken af,
terwijl anderzijds de gemeentelijke regiemogelijkheden worden beperkt.
Niet de gemeente levert de inburgeringsvoorzieningen maar de markt waar ze
moeten worden ingekocht. Ter bekostiging van de inkoop ontvangen de
gemeenten de normvergoeding als voorschot, maar er wordt afgerekend bij
deelname aan het examen uiterlijk drie jaar na de start van de cursus. De
normvergoeding bedraagt alleen 100% als er niet meer dan 10% van de
deelnemers aan het betreffende deelnemerscohort is uitgevallen.
Om dit financiële risico zoveel mogelijk te beperken doen gemeenten er
verstandig aan om goede afspraken te maken met de aanbieders van de
inburgeringsvoorzieningen. De Raad is echter principieel van mening dat de
bekostiging van de gemeenten zich dient te beperken tot zaken waar ze ook op
kunnen sturen. Indien de toegevoegde waarde van de gemeente bij de
bekostiging van de inburgering beperkt blijft tot het lopen van uitvoeringsrisico’s,
zijn de gemeenten slechts verworden tot een extra schakel in de uitvoering. In dat
geval ligt de rechtstreekse bekostiging van de verstrekkers van
inburgeringsvoorzieningen door het Rijk meer voor de hand.
6.
Tot slot
De Raad wijst er op dat de interbestuurlijke omgangsregels voorschrijven dat
voor de zomer van het lopende jaar duidelijkheid verschaft wordt over de
financiële gevolgen van voorgenomen beleid in het komende jaar. Indien dat niet
mogelijk is, dan behoort het voorgenomen beleid te worden uitgesteld.
                                          5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Geconstateerd moet worden dat die duidelijkheid op het gebied van de
inburgering ontbreekt. Dat geldt zowel voor de beschikbare budgetten, als voor
de reikwijdte van de wet. Dat laatste is mede afhankelijk van het advies terzake
dat de Raad van State binnenkort zal uitbrengen.
De relatief beperkte voorbereidingstijd die gemeenten nog rest om de complexe
                              1
Wet inburgering in te voeren en de onzekerheid over de tijdige beschikbaarheid
én operationaliteit van de geautomatiseerde systemen die van belang zijn voor
het goed kunnen uitvoeren van deze wet door gemeenten vormen belangrijke
risico’s voor de uitvoering. Tevens legt de opeenstapeling van invoeringstrajecten
van nieuw rijksbeleid waarmee gemeenten worden geconfronteerd (WMO, de
wijziging van de sociale werkvoorziening, de invoering van het
burgerservicenummer en de aanpassing van het GBA e.d.) een zware belasting
op gemeenten. De Raad pleit er derhalve voor om gemeenten voldoende tijd en
ondersteuning te geven voor een verantwoorde implementatie van deze
complexe wet.
Daarnaast acht de Raad het van belang dat de Wet inburgering tijdig
geëvalueerd wordt. Aangezien het aanbeveling verdient om de inhoudelijke
evaluatie van de wet pas te laten plaatsvinden na doorloop van een volledige
beleidscyclus, pleit de Raad er voor om de administratieve en bestuurlijke lasten
van deze wet afzonderlijk te evalueren en in de tijd naar voren te halen. Een
belangrijk punt bij deze evaluatie zou moeten zijn hoe de administratieve en
bestuurlijke lasten zoveel mogelijk beperkt kunnen worden. Meer globale
kaderstellingen, meer mogelijkheden tot maatwerk door gemeenten en ruimere
mogelijkheden om tussen budgetten en over jaargrenzen heen te schuiven, ziet
de Raad daarbij als belangrijke aandachtspunten.
De Raad voor de financiële verhoudingen,
Mr. M.A.P. van Haersma Buma, voorzitter
Drs. C. Breed, secretaris
1
  Vooralsnog wordt uitgegaan van 1 januari 2007 als ingangsdatum
                                          6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>