<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>> Retouradres Postbus 20011 2500 EA Den Haag
De minister van Infrastructuur en Milieu                                           Raad voor de financiële
                                                                                   verhoudingen
Mw. drs. M.H. Schultz van Haegen
Postbus 20901                                                                      Korte Voorhout 7
2500 EX Den Haag                                                                   2511 CW Den Haag
                                                                                   Postbus 20011
                                                                                   2500 EA Den Haag
                                                                                   www.rob-rfv.nl
                                                                                   @Rob_Rfv
                                                                                   Contactpersoon
                                                                                   Pieter de Jong
                                                                                   T 06-11794389
                                                                                   pieter.jong@rob-rfv.nl
Datum           27 juni 2016                                                       Kenmerk
                                                                                   2016-0000367283
Betreft         Advies toekomstbestendige financiering waterbeheer
                                                                                   Uw kenmerk
                                                                                   Bijlage(n)
                                                                                   -
Geachte mevrouw Schultz van Haegen,
Bij brief van 16 maart 2016 vraagt u de Raad voor de financiële verhoudingen
(Rfv) advies over mogelijkheden om te komen tot een meer toekomstbestendige
financiering van het waterbeheer. Hierbij brengt de Raad zijn advies uit. Het
advies gaat vooral in op het toetsingskader bij de beoordeling en afweging van
voorstellen om het systeem van financiering van watertaken toekomstbestendiger
te maken. Daarmee wil de Raad bijdragen aan structurering en verheldering van
de discussie. De Raad is voornemens om zodra meer concrete voorstellen van de
kant van uw ministerie bekend zijn, daarop in een vervolgadvies te reflecteren.
1.
Ten geleide
In het voorjaar van 2014 verscheen het OESO-rapport ‘Watergovernance in The
Netherlands: fit for the future?’ De OESO komt na analyse en gesprekken met
vele stakeholders tot de algemene conclusie dat de organisatie en de financiering
van het Nederlandse waterbeheer op orde zijn. De OESO ziet het Nederlandse
waterbeheer als ‘wereldwijde referentie’ met een excellent ‘track record’. Tegen
relatief lage kosten (1,26 procent van het BNP) houdt Nederland de
waterkwaliteit, drinkwatervoorziening en riolering goed op peil, aldus de OESO.
Wel schetst de OESO uitdagingen om het bekostigingssysteem toekomst-
bestendiger te maken. Zo zouden economische prikkels om eerlijk en efficiënt om
te gaan met ‘te veel’, ‘te weinig’ en ‘te vervuild’ water versterkt kunnen worden.
Het principe ‘de vervuiler/ gebruiker/ kostenveroorzaker betaalt’ kan beter
worden ingevuld, volgens de OESO.
In uw beleidsreactie op het OESO-rapport d.d. 17 maart 2014 geeft u aan dat u
met betrokkenen een discussie wil voeren over het waterbeheer op lange termijn
en de financiering daarvan en dat u daarbij ook de Rfv wil betrekken. In dat licht
heeft de Rfv u op 23 juni 2015 een brief gestuurd (kenmerk 2015-0000354510)
met enkele (niet-limitatieve) vragen/thema’s waarover hij zou kunnen adviseren.
De Raad ontving van u op 16 maart 2016 een adviesaanvraag over toekomst-
bestendige financiering van het waterbeheer. In het onderhavige advies gaat de
Raad vooral in op het toetsingskader dat gebruikt wordt c.q. zou moeten worden
                                                                                   Pagina 1 van 8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>                                                                                           Datum
                                                                                           27 juni 2016
                                                                                           Kenmerk
                                                                                           2016-0000367283
gebruikt bij de beoordeling en het tegen elkaar afwegen van voorstellen om te
komen tot een meer toekomstbestendige financiering van het waterbeheer.
Zodra u komt met meer concrete voorstellen, zal de Raad daar met een
vervolgadvies op reflecteren.
De Raad onderschrijft dat de basis op orde is en dat een grote systeemwijziging
van de financiering daarom niet aan de orde is. Maar ook al is er dus geen gevoel
van grote urgentie, gezien toekomstige ontwikkelingen is er wel aanleiding om
binnen het bestaande stelsel te verkennen waar verbeteringen mogelijk zijn.
2.
Naar een toetsingskader: aandachtspunten en vragen
Uw ministerie streeft naar een presentatie eind 2016/begin 2017 van ‘gedragen
voorstellen’ om te komen tot een meer duurzame financiering van het
waterbeheer. Die financiering is nu al vrij robuust, bijvoorbeeld in de ogen van
OESO, maar het kan natuurlijk altijd nog beter, nog robuuster, nog
toekomstbestendiger.
Het nu gebruikte toetsingskader
Onder regie van uw ministerie werken vier thematische werkgroepen voorstellen
uit, binnen het bestaande stelsel, en hanteren bij de beoordeling van de
‘kansrijkheid’ daarvan – zo is de bedoeling ‒ dezelfde randvoorwaarden en
criteria. Een harde randvoorwaarde is dat de kosten die zijn gemoeid met de
uitvoering van publieke watertaken, moeten worden teruggewonnen: de rekening
moet betaald kunnen worden, ongeacht de aard van de ingezette
bekostigingsinstrumenten en de daarbij gehanteerde belastingprincipes
(solidariteit, draagkracht, de vervuiler/ gebruiker/belanghebbende/
kostenveroorzaker betaalt).1 Het huidige stelsel van bekostiging van watertaken
voldoet aan de voorwaarde van terugwinning van de kosten:
‘Het Nederlandse financieringsstelsel op het terrein van het waterbeheer past
goed in het beginsel van de kostenterugwinning van waterdiensten uit de
Europese Kaderrichtlijn Water. In het bijzonder geldt dit voor het
financieringsstelsel van de waterschappen, dat immers gekenmerkt wordt door
een volledige kostenterugwinning van de door het waterschap verrichte
diensten’.2
1
  Het beginsel van de terugwinning van kosten van waterdiensten is vastgelegd in artikel 9
van de Europese Kaderrichtlijn Water die eind 2000 is vastgesteld. Het beginsel draagt de
EU-lidstaten op de kosten van waterdiensten zoveel als mogelijk via specifieke belastingen
of prijzen door te berekenen aan de verschillende vervuilende dan wel belanghebbende
sectoren, ten minste onder te verdelen in huishoudens, agrariërs en bedrijven. Dat biedt
volgens de Europese Commissie een betere garantie dat er voldoende geld voor het
waterbeheer beschikbaar is dan indien de bekostiging vanuit de algemene middelen plaats
vindt. Zie: H.J.M. Havekes en W.J. Wensink (red.), De Waterschapswet. Een artikelsgewijs
commentaar, Unie van Waterschappen, Wolters Kluwer, Deventer, 2015, p. 245.
2
  Herman Havekes, Functioneel decentraal waterbestuur: borging, bescherming en
beweging. De institutionele omwenteling van het waterschap in de afgelopen vijftig jaar,
2008.
                                                                                           Pagina 2 van 8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>                                                                                       Datum
                                                                                       27 juni 2016
                                                                                       Kenmerk
                                                                                       2016-0000367283
De vier criteria die de vier werkgroepen hanteren bij de uitwerking en beoordeling
van voorstellen zijn van fysieke, economische, juridische en politiek-
maatschappelijke aard:
Fysiek:                           is het voorstel fysiek uitvoerbaar?
Economisch:                       hoe effectief en efficiënt is de voorgestelde
                                  maatregel?
                                  Effectiviteit: hoogte en stabiliteit van de
                                  opbrengst; bevordering van innovatie; milieueffect
                                  Efficiëntie: administratieve lasten voor overheid en
                                  gebruiker
Juridisch:                        rechtszekerheid (robuustheid), rechtvaardigheid,
                                  rechtmatigheid
Politiek-maatschappelijk:         maatschappelijk draagvlak en passend bij
                                  ‘heersende politieke trend’
Commentaar op het gebruikte toetsingskader
Er is geen rangorde aangebracht in de genoemde criteria waardoor er bij de
uitwerking en beoordeling van voorstellen veel ruimte is en het uiteindelijk
aankomt op een politieke afweging van voorstellen: een voorstel dat fysiek
moeilijk uitvoerbaar lijkt maar op brede maatschappelijke steun kan rekenen
moet bijvoorbeeld worden afgewogen tegen een voorstel dat fysiek eenvoudig
uitvoerbaar lijkt maar op maatschappelijke weerstand kan rekenen. De criteria
zijn evenmin onderling vergelijkbaar waardoor het weinig zin heeft om ‘scores’ op
de verschillende criteria bij elkaar op te tellen om zo tot een totaaloordeel over de
afzonderlijke voorgestelde maatregelen te komen.
Het is van belang om niet alleen de afzonderlijke voorstellen, maar ook het geheel
daarvan langs de meetlat van de vier criteria te leggen. Afzonderlijke maatregelen
die redelijk tot goed scoren op de gehanteerde criteria, kunnen cumulatieve
effecten hebben die maken dat het totaalpakket op een of meerdere criteria slecht
scoort. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om een per saldo te verwachten forse
verschuiving van lasten van de ene naar de andere categorie gebruikers/
belanghebbenden/korstenveroorzakers waardoor het politieke en
maatschappelijke draagvlak voor het pakket aan voorstellen wordt aangetast. Om
goed zicht te kunnen krijgen op de wegen waarlangs cumulatieve effecten
optreden, is het wenselijk om vooraf aan te geven hoe en in welke mate effecten
van de ene maatregel de effecten van een andere maatregel kunnen beïnvloeden,
in positieve of in negatieve zin.
Een kanttekening bij de randvoorwaarde dat de kosten die gemoeid zijn met de
uitvoering van publieke watertaken teruggewonnen moeten worden, is dat de
kosten in principe altijd worden betaald. De vraag is alleen door wie en wanneer
de kosten worden betaald. Dat is bij uitstek een politiek vraagstuk. Immers:
                                                                                       Pagina 3 van 8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>                                                                                              Datum
                                                                                              27 juni 2016
                                                                                              Kenmerk
                                                                                              2016-0000367283
‘politics is (deciding about) who gets what, when and how’.3 Het is overigens niet
verwonderlijk dat de OECD vanuit economisch perspectief sterk inzet op de
prijsprikkel. Maar de effectiviteit van een prijsprikkel is afhankelijk van de mate
waarin de vervuiler/ gebruiker/ kostenveroorzaker zijn gedrag kan of wil
veranderen. Indien dat niet mogelijk of wenselijk wordt geacht, betekent dit dat
de collectiviteit de kosten moet dragen. In dat geval is het zinvoller om in plaats
van prijsprikkels in te voeren, van overheidswege technologische innovaties te
stimuleren. Invulling van het principe ‘de vervuiler betaalt’ is ten principale ook
een politieke keuze. Leggen we de extra kosten van zuivering van het afvalwater
van medicijnresten neer bij de producenten (de farmaceutische industrie), de
medicijngebruikers of het collectief (in dit geval de waterschappen)? Wanneer de
rekening terecht komt bij de waterschappen, zullen deze uit een oogpunt van
kostenterugwinning, hun tarieven voor de afvalwaterzuivering moeten verhogen.
Dat is dan het gevolg van een politieke keuze. Dat brengt met zich mee dat van
het parlement verwacht mag worden dat het achteraf geen bezwaar maakt tegen
eerder voorziene stijgingen van tarieven.
De vier genoemde criteria hebben vooral betrekking op de klassieke, juridische en
economische, beleidsinstrumenten van de overheid: wet- en regelgeving en
financiële prikkels. Voor het bereiken van gewenste outcomes van overheidsbeleid
is een derde type beleidsinstrument (of algemener: sturingsmodel) ook relevant:
communicatie. Ofwel de wortel, de stok en de preek. Deze instrumenten dienen in
onderlinge samenhang te worden ingezet. Bij de financiële verhoudingen gaat het
om het samenspel, het evenwicht, tussen de verschillende instrumenten.
Deze drie typen van beleidsinstrumenten kennen alle zowel repressieve als
stimulerende varianten: beleidsinstrumenten kunnen vrijheid beperken
(bijvoorbeeld door verboden) dan wel verruimen (bijvoorbeeld door subsidies).
Van der Doelen maakt aan hand van concrete beleidsinstrumenten een en ander
inzichtelijk4:
De stimulerende en repressieve vorm van het communicatieve,
economische en juridische sturingsmodel
                                     Stimulerend                        Repressief
Communicatief                        Voorlichting                       Propaganda
Economisch                           Subsidie                           Heffing
Juridisch                            Convenant                          Gebod, verbod
3
  Aldus de standaarddefinitie van politiek van de Amerikaanse politicoloog Harold D. Laswell.
4
  F.C.J. van der Doelen, ‘De gereedschapskist van de overheid. Een inventarisatie’, in:
J.Th.A. Bressers, P. de Jong, P.-J. Klok en A.F.A. Korsten (red.), Beleidsinstrumenten
bestuurskundig beschouwd, Van Gorcum, Assen/Maastricht, 1993, p. 21.
                                                                                              Pagina 4 van 8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>                                                                                            Datum
                                                                                            27 juni 2016
                                                                                            Kenmerk
                                                                                            2016-0000367283
Stimulerende beleidsinstrumenten (voorlichting, subsidies en convenanten)
kunnen overheden facultatief gebruiken en versterken vooral de haalbaarheid van
beleid. Repressieve beleidsinstrumenten (propaganda, heffingen, geboden en
verboden) worden dwingend door de overheid opgelegd en bevorderen vooral de
doeltreffendheid van het beleid. Een evenwichtige combinatie van stimulerende en
repressieve beleidsinstrumenten (een ‘Geven en Nemen-strategie’) draagt bij aan
een legitiem en doeltreffend beleid, aldus Van der Doelen. Zo kan de vrij
algemene weerstand tegen heffingen5 worden verminderd door een gelijktijdige
inzet van een stimulerende, gedragsverruimende, subsidie.6 Een dergelijke
gecombineerde aanpak heeft indertijd bijvoorbeeld goed gewerkt bij de invoering
van ‘schone’ auto’s met katalysatoren: vervuilers werden ‘gestraft’ met heffingen
terwijl tegelijkertijd milieubesparende activiteiten werden gesubsidieerd.7
Bijvoorbeeld bij de aanpak van vervuilende diffuse bronnen zoals
bestrijdingsmiddelen biedt zo’n gecombineerde aanpak ook perspectief. Naast het
principe van de vervuiler betaalt, zouden ook prikkels ingebouwd moeten worden
waardoor het lonend wordt om bij de bron vervuiling tegen te gaan. Dat zou
kunnen door de heffing te differentiëren naar de mate van vervuiling en/of een
verbod op lozing van vervuild water op het riool. Tuinders worden verplicht om
zelf te zuiveren of gezamenlijk, in collectief verband, met andere vervuilers via
aparte systemen vervuild water aan te leveren aan de zuivering die vervolgens in
opdracht van het collectief zuivert.8 De aangesloten tuinders ontvangen dan van
het waterschap een rekening voor de door het waterschap voor de collectiviteit
van tuinders extra geëxploiteerde zuiveringscapaciteit. Aansluiting kan ook
worden gezocht bij de systematiek waarbij eigenaren van bedrijven en
bedrijventerreinen via de rioolheffing een afzonderlijke aanslag ontvangen die
naast een vast tarief bestaat uit een variabel gedeelte dat naar rato gebaseerd is
op de oppervlakte van het bedrijfsgebouw en/of (bijbehorende) verharde
bedrijventerrein, en/of naar rato van de hoeveelheid afvalwater die via het riool
wordt afgevoerd. Een andere mogelijkheid is om via een Bedrijven-
investeringszone (BIZ) de kosten te dekken. Uit de verplichte bijdrage van de in
zo’n zone gelegen actieve bedrijven kan de extra zuiveringscapaciteit ten behoeve
van die bedrijven worden bekostigd.
Voor ziekenhuizen, die met medicijnresten vervuild water afvoeren, zou het
lonend moeten zijn om zelf het vervuilde water te zuiveren tot water dat de
kwaliteit van drinkwater benadert. Ook hier verwacht de Raad van de politiek
helderheid en keuzes.
5
  Veel burgers vinden heffingen onrechtvaardig omdat deze arm en rijk even zwaar zouden
belasten; ambtenaren zijn eerder geneigd wenselijk geacht gedrag voor te schrijven en
belangengroepen keren zich vaak tegen heffingen omdat juist zij heel goed weten hoe
effectief heffingen zijn. (Zie: B.S. Frey, Democratic economic policy making: a theoretical
introduction, Oxford, 1983; zoals aangehaald door Van der Doelen, o.c.).
6
  F.C.J. van der Doelen, o.c. p. 26.
7
  P.-J. Klok, Een instrumententheorie voor milieubeleid: de toepassing en effectiviteit van
beleidsinstrumenten, Enschede, 1991.
8
  Dit sluit aan op de ‘Aanwijzingen voor de regelgeving’, met name artikel 8: ‘Bij het
bepalen van de keuze voor een mogelijkheid tot overheidsinterventie om een doelstelling te
bereiken, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij het zelfregulerend vermogen in de
betrokken sector of sectoren’ (http://wetten.overheid.nl/BWBR0005730/2011-05-11/0).
                                                                                            Pagina 5 van 8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>                                                                                           Datum
                                                                                           27 juni 2016
                                                                                           Kenmerk
                                                                                           2016-0000367283
Aan de vier hierboven genoemde criteria zouden de ‒ met elkaar samenhangende
‒ criteria van eenvoud, uitlegbaarheid en transparantie kunnen worden
toegevoegd. Transparantie betekent onder meer dat helder is bij wie – in eerste
instantie – de lasten, én bij wie de lusten van de uitvoering van watertaken
neerslaan. Zo kunnen afzonderlijke waterschappen te maken krijgen met kosten
die gemaakt dienen te worden ten behoeve van belangen van buiten het eigen
beheersgebied, terwijl andersom bepaalde waterschappen kunnen profiteren van
voorzieningen die door anderen (gemeenten of andere waterschappen) worden
bekostigd.
Steeds vaker voorkomende pieken van extreme regenval in het bebouwde gebied
hebben grote gevolgen voor gemeenten en waterschappen en zullen ceteris
paribus doorwerken in de hoogte van hun heffingen. De Raad meent dat in de
voorstellen van de zijde van uw ministerie hier aandacht aan moet worden
besteed en helderheid moet worden verschaft over de gewenste verdeling van
kosten tussen de gemeenten en de waterschappen die zij maken om de
schadelijke gevolgen van extreme neerslag zoveel mogelijk te voorkomen en te
beperken.
Het afkoppelen van hemelwater door gemeenten vergt forse investeringen van die
gemeenten en heeft gevolgen voor de zuivering door het betrokken waterschap.
Blijft afkoppelen achterwege dan zouden de kosten via de rioolheffing opgebracht
moeten worden. De keuze ligt hier bij de gemeenten. Afkoppelen dan wel met de
waterschappen afspreken dat de extra kosten in principe voor een bepaalde
periode door de gemeenten worden opgebracht. Consequentie is dan dat de
zuiveringslasten stijgen.
Deze situaties roepen vragen op over verdelende rechtvaardigheid en over
effectiviteit van de besteding van beschikbare middelen. Een zekere verevening
van kosten en belastingcapaciteit is het overwegen waard. 9
Een aanvullend argument om het solidariteitsbeginsel zwaarder aan te zetten, is
de groeiende ongelijkheid tussen krimp- en groeiregio’s. Het financiële draagvlak
in de zin van het aantal ingezetenen gaat tussen regio’s steeds meer uiteen lopen
evenals de economische waarde van goederen die tegen hoog water beschermd
moeten worden. Een (landelijk) genormeerd waterveiligheidsniveau gaat burgers
in krimpregio’s ceteris paribus (veel) meer kosten dan burgers in groeiregio’s. Bij
het verkennen van vereveningsmogelijkheden is het van belang zo goed mogelijk
in kaart te brengen wat de belastingscapaciteit van de waterschappen is
(indicatoren: gesommeerde WOZ-waardes, aantal ingezetenen….) én met welke
kostenveroorzakers zij te maken hebben (indicatoren: bodemgesteldheid, omvang
verhard oppervlak….).10 Immers, ook de groeiregio’s kunnen met omvangrijke
kosten te maken hebben.
Transparantie betekent overigens ook het inzichtelijk maken van de gehanteerde
heffingsgrondslagen en grondbeginselen (solidariteits-, profijt, belang-betaling-
9
  Raad voor het openbaar bestuur, Water in orde. Bestuurlijk-organisatorische aspecten van
integraal waterbeleid, den Haag, december 2001, p. 51.
10
   Zie ook de brief d.d. 23 juni 2015 van de Rfv aan de minister van IenM over
betrokkenheid van de Rfv bij de discussie over de bekostiging van watertaken.
                                                                                           Pagina 6 van 8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>                                                                                     Datum
                                                                                     27 juni 2016
                                                                                     Kenmerk
                                                                                     2016-0000367283
zeggenschap, kostenveroorzaking, gebruiker betaalt-beginsel) voor de
onderscheiden categorieën van betalers.
Experimenteerruimte
De Raad is voorstander van het streven naar duidelijkheid en eenvoud van
regelingen en naar een bestendig karakter daarvan. Echter, wanneer de
omstandigheden (bijvoorbeeld in financieel of fysiek opzicht) zich drastisch (lijken
te) wijzigen moet het mogelijk zijn bij wijze van experiment tijdelijk in een lagere
regeling af te wijken van een hogere regeling. De nieuwe invulling, vanaf 2011,
van het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) kan worden gezien als zo’n
experiment dat net als andere experimenten op het terrein van financiële
arrangementen in het binnenlands bestuur, om een gedegen monitoring en
evaluatie vraagt. De nieuwe invulling van het HWBP heeft betrekking op de
bekostiging van het programma en is ingegeven door bezuinigingsdoelstellingen
van het toen zittende kabinet.
De uitvoering van het HWPB zorgt ervoor dat de primaire waterkeringen voldoen
aan de wettelijke normen. Tot 2011 kwamen de kosten die daarmee gemoeid zijn
geheel voor rekening van het rijk. Sinds 2011 is dat veranderd: het rijk draagt 50
procent bij, de waterschappen dragen – of zij nu primaire waterkeringen in hun
gebied hebben of niet (als solidariteitsbijdrage) 40 procent bij (op basis van het
relatieve aantal ingezetenen en de opgetelde WOZ-waardes). De resterende 10
procent betreft (als doelmatigheidsprikkel) bijdragen van waterschappen aan
HWBP-projecten in hun eigen beheersgebied. Met deze constructie wordt voor een
deel gebroken met het traditionele principe dat het rijk niet alleen borg staat voor
de kwaliteit van voorzieningen (normstelling, toetsing en handhaving) die van
nationaal (of minder vergaand: bovenwaterschappelijk) belang zijn, maar ook
voor de financiering van die voorzieningen. Er is nu een opwaartse financiële
verhouding ontstaan: waterschappen dragen bij aan de uitvoering van een
nationaal programma. De trits ‘belang-betaling-zeggenschap’ verliest daarmee
aan betekenis, en de transparantie wordt minder. Belastingen zijn in het algemeen
niet populair, maar als het gaat om zoiets essentieels als veiligheid (‘droge
voeten’) is er een groot draagvlak. Maar dan moet wel duidelijk zijn dat de heffing
die de waterschappen aan hun ingezetenen opleggen, deels voortkomt uit een
door het rijk opgelegde solidariteit en niets zegt over de kosten van het
betreffende waterschap zelf. Het gaat immers feitelijk om een landelijke heffing.
Daarbij komt dat waterschappen met relatief veel primaire waterkeringen in hun
beheersgebied vanwege de 10 procent eigen bijdrage te maken krijgen met extra
kosten. Uit een oogpunt van solidariteit/verdelende rechtvaardigheid zou die eigen
bijdrage wellicht geschrapt moeten worden, maar dan verdwijnt ook de
doelmatigheidsprikkel. Waarbij men zich overigens kan afvragen of de 10 procent
eigen bijdrage wel een effectieve doelmatigheidsprikkel is en of de gewenste
doelmatigheid ook niet op andere manieren zou kunnen worden bewerkstelligd.
Het is het overwegen waard na te gaan wat de voors en tegens zouden zijn van
andere bekostigingsmodaliteiten, bijvoorbeeld die waarin waterschappen het
HWBP nog meer dan nu het geval is (of volledig) zouden bekostigen (in
combinatie met verevening), en/of wanneer de 10 procent eigen bijdrage
                                                                                     Pagina 7 van 8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>                                                                                      Datum
                                                                                      27 juni 2016
                                                                                      Kenmerk
                                                                                      2016-0000367283
vervangen zou worden door een decentralisatiekorting.11 Volledige decentralisatie
van het HWBP naar de waterschappen verdient uit een oogpunt van zuiverheid
van de financiёle verhoudingen de voorkeur en dringt de rijksoverheid terug.
De Raad hoopt met dit advies bij te dragen aan structurering en verheldering van
de discussie over voorstellen om het systeem financiering van watertaken
toekomstbestendiger te maken. Ook binnen het bestaande en in het algemeen
goed functionerende systeem van bekostiging van watertaken zijn aanpassingen
het overwegen waard, zeker gezien allerlei ontwikkelingen waarbij water
verbonden wordt met bijvoorbeeld energie en uitingen van doe-democratie (zie
bijvoorbeeld tuinders die zelf in collectief verband hun afvalwater voorzuiveren),
en we te maken hebben met een voortsluimerende stijging van de
zeewaterspiegel en een toenemende frequentie van hoge pieken en lage dalen
van regenwater. ‘Het werken aan de Delta in Nederland is nooit af’, zoals onlangs
Deltacommissaris Wim Kuijken ‒ terecht ‒ weer eens naar voren bracht.12
Erkenning van die boodschap vraagt om heldere en breed gedragen politieke
keuzes.
De Raad is – zoals hiervoor al gesteld ‒ voornemens om zodra meer concrete
voorstellen van uw kant bekend zijn, daarop in een vervolgadvies te reflecteren.
De Raad voor de financiële verhoudingen,
Mr. M.A.P. van Haersma Buma, voorzitter
Dr. C.J.M. Breed, secretaris
11
   Deze overwegingen bij het Hoogwaterbeschermingsprogramma nieuwe stijl heeft de Rfv
eerder kenbaar gemaakt in zijn aan u gerichte brief d.d. 23 juni 2015 (kenmerk 2015-
0000354510).
12
   Toespraak van Delta-commissaris Wim Kuijken bij de presentatie van de Atlas voor
gemeenten 2016, op 15 juni 2016 in Purmerend.
                                                                                      Pagina 8 van 8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>