<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>> Retouradres 2500 EA Den Haag
                                                                                  Raad voor het Openbaar Bestuur
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Drs. R.W. Knops                                                                   Korte Voorhout 7
Postbus 20011                                                                     Den Haag
                                                                                  2500 EA Den Haag
2500 EA Den Haag
                                                                                  www.raadopenbaarbestuur.nl
                                                                                  Contactpersoon
                                                                                  Gerber van Nijendaal
                                                                                  T 06-1179 4387
                                                                                  gerber.nijendaal@raadopenbaarbestuur.nl
                                                                                  Kenmerk
                                                                                  2019-0000643970
  Datum          27 december 2019                                                 Uw kenmerk
                                                                                  20 19-0000502704
  Betreft        Herijking uitkeringsstelsel
Geachte minister Knops,
Als beheerder van het gemeentefonds vraagt u mede namens de staatssecretaris
van Financiën de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB, hierna de Raad) om een
advies over de herijking van het uitkeringsstelsel.1 In onderstaand advies geeft de
Raad zijn overwegingen die volgens hem bij de inrichting van het uitkeringsstelsel
in acht moeten worden genomen.
Samenvatting advies
Het huidige uitkeringsstelsel sluit onvoldoende aan op de bestuurlijke verdeling
van taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden. Voorbeelden daarvan zijn
het toegenomen belang van regionale samenwerking maar ook de wens van Rijk
en decentrale overheden om op basis van een overeenkomst gezamenlijke
opgaven op te pakken.
In het licht daarvan komt de Raad tot de volgende uitkeringsvormen.
-     De algemene uitkering
De Raad houdt vast aan het belang dat decentrale overheden kunnen beschikken
over een vrij besteedbare uitkering. Dit is noodzakelijk om zelfstandig afwegingen
te kunnen maken over aard en omvang van het lokaal of provinciaal gewenste
voorzieningenniveau.
-     De decentralisatie-uitkering
Bij taken waarbij het Rijk een stelselverantwoordelijkheid heeft en op grond
daarvan beleidsdoelen heeft geformuleerd is een decentralisatie-uitkering binnen
het gemeentefonds de meeste geëigende bekostigingsvorm. Bij een
decentralisatie-uitkering gelden geen bestedingsvoorwaarden. In de Financiële-
verhoudingswet (Fvw) dient wel vastgelegd te worden dat bij een decentralisatie-
uitkeringen beleidsinformatie opgevraagd kan worden. Dit om een oordeel over de
effectiviteit van het beleid als geheel te kunnen geven. Wel dient vooraf duidelijk
te zijn welke informatie daarvoor nodig is. Een decentralisatie-uitkering dient
1
  BZK, Adviesaanvraag herijking uitkeringsstelsel, 6 november 2019.
                                                                                         Pagina 1 van 16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>                                                                                   Datum
                                                                                   27 december 2019
                                                                                   Kenmerk
                                                                                   2019-0000643970
daarmee een basis te bieden voor een afgebakende bestuurlijke dialoog over de
wederzijdse inspanningen en verantwoordelijkheden.
- Specifieke uitkeringen
Een (kostendekkende) specifieke uitkering is aangewezen als het bestedingsdoel
vastligt en het Rijk weinig ruimte laat voor decentrale afwegingen. Een specifieke
uitkering sluit een doelmatigheidsprikkel niet uit. Ook de vormgeving van het
bekostigingsinstrument kan bijdragen aan de prikkel, de BUIG is daarvan een
goed voorbeeld. Specifieke uitkeringen moeten systematisch getoetst worden op
hun prikkels voor doelmatigheid.
Verder doet de Raad nog de volgende aanbevelingen:
Regionale samenwerking
In het geval een democratisch gekozen bestuur kiest voor regionale
samenwerking moet de Fvw ook de mogelijkheid bieden voor rechtstreekse
bekostiging van die regionale samenwerking.
Uitkering voor tweezijdige afspraken
Creëer in de Fvw een wettelijke basis voor een uitkeringsvorm die tegemoetkomt
aan de wens om op basis van een overeenkomst tussen Rijk en decentrale
overheden over te kunnen gaan tot bekostiging van gemeenschappelijke opgaven.
Een dergelijke uitkering is gepast bij opgaven die een bovenregionaal effect
hebben op de welvaart en/of die de draagkracht van decentrale overheden te
boven gaan. Aan de basis van deze uitkering ligt een overeenkomst waarin
partijen afspraken maken over ieders (financiële) bijdrage aan de oplossing van
een maatschappelijk probleem.
Bij meer structurele gezamenlijke opgaven zou dit vorm kunnen krijgen in een
gezamenlijk door het Rijk en decentrale overheden beheerd fonds voor
gezamenlijke trajecten.
1.
Inleiding
In het kader van de herziening van de financiële verhoudingen heeft u in juli 2018
een onderzoek naar het uitkeringsstelsel aangekondigd.
‘Het uitkeringsstelsel moet het mogelijk maken om een arrangement in te richten
dat past bij het karakter van de financiële middelen die het Rijk verstrekt aan
medeoverheden. De recente decentralisaties hebben laten zien dat het huidige
stelsel voldoende ruimte biedt om nieuwe geldstromen richting medeoverheden in
te richten. Tegelijkertijd blijkt echter dat de inrichting van deze nieuwe
geldstromen op grond van het stelsel ook leidt tot onduidelijkheden over de
verantwoordelijkheden, informatie-uitwisseling en de gewenste mate van
verantwoording.’2
2
  TK, 34 775 B, nr. 18
                                                                                   Pagina 2 van 16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>                                                                                       Datum
                                                                                       27 december 2019
                                                                                       Kenmerk
                                                                                       2019-0000643970
Het huidige uitkeringsstelsel kent een drietal samenhangende knelpunten:
  1. Het bevat een aantal uitkeringstypen dat sterk op elkaar lijkt en onvoldoende
      aansluit op de bestuurlijke verhoudingen. Het draagt bij aan een onduidelijke
      verantwoording.
  2. Het stelsel biedt geen mogelijkheid om als Rijk verzekerd te zijn van
      informatie over doelbereik in situaties waarin een minister beleids- en
      bestedingsvrijheid wil geven aan gemeenten of provincies, maar vanuit zijn
      systeemverantwoordelijkheid en/of bij politieke belangen de Tweede Kamer
      goed wil kunnen informeren.
  3. Het stelsel is onvoldoende toegesneden op de wenselijkheid om
      Rijksmiddelen te verstrekken in situaties waarin zowel het Rijk als een
      gemeente en/of provincie willen samenwerken vanuit partnerschap, zoals bij
      de regiodeals.
Directe aanleiding voor de herziening van het uitkeringsstelsel is mede ingegeven
door de kritiek van de Algemene Rekenkamer over het onrechtmatige gebruik van
de decentralisatie-uitkering voor de regio-enveloppen. Aan de Rijksbijdrage aan
deze regionale samenwerkingen werden gedetailleerde voorwaarden gesteld die
strijdig werden geacht met de beleids- en bestedingsvrijheid van een
decentralisatie-uitkering.3
2.
Samenhang bestuurlijke verhoudingen en uitkeringsstelsel
De Raad stelt vast dat de oorsprong van deze adviesaanvraag ligt in de
veranderende bestuurlijke en maatschappelijke verhoudingen.
Aan de bekostiging van decentrale taken liggen verschillende bestuurlijke
ordeningsprincipes ten grondslag, zoals: het uitgangspunt van de
gedecentraliseerde eenheidsstaat, de decentrale autonomie of beleidsvrijheid, de
door het Rijk gedefinieerde stelselverantwoordelijkheid en de noodzaak van
bestuurlijke samenwerking.4
Op dit moment bestaan, naast de algemene uitkering uit het gemeentefonds, nog
decentralisatie-uitkeringen, integratie-uitkeringen en specifieke uitkeringen. De
fundamentele vraag is in hoeverre het bestaande uitkeringsstelsel nog wel is
toegesneden op de veranderende bestuurlijke verhoudingen. Het oude
uitkeringsstelsel is namelijk geschoeid op de leest van slechts twee logica’s, die
van de horizontale resp. verticale verantwoording. De eerste logica leidt tot het
gemeentefonds voor autonome taken met lokale (of hooguit sub-)regionale
uitstraling, de tweede tot specifieke uitkeringen voor rijkstaken die decentrale
overheden in medebewind top-down uitvoeren en waarover zij verantwoording
verschuldigd zijn aan de rijksoverheid omdat deze uitkeringen op de begroting
van de ministeries staan. Als tussenvorm zijn er decentralisatie- en integratie
3
  Resultaten verantwoordingsonderzoek 2018; Ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties (VII), met addendum Rapport bij het jaarverslag (VII), mei 2019.
4
  Over de rol van het Rijk bij interbestuurlijke samenwerking heeft de Raad een aparte
adviesaanvraag ontvangen. Het advies daarover zal in 2020 verschijnen. Zie:
Adviesaanvraag ROB over de rol van het Rijk bij interbestuurlijke samenwerking, 24
september 2019.
                                                                                       Pagina 3 van 16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>                                                                                   Datum
                                                                                   27 december 2019
                                                                                   Kenmerk
                                                                                   2019-0000643970
uitkeringen die weliswaar gebonden zijn aan een beleidsdoel maar over de
besteding daarvan hoeven decentrale overheden geen verantwoording aan het
Rijk af te leggen.
Door de steeds verdergaande decentralisatie van taken, de schaalvergroting en de
toegenomen complexiteit van problemen is de verwevenheid tussen Rijk en
decentrale overheden toegenomen. Ook de samenwerking op regionaal niveau en
met private partijen (maatschappelijke organisatie en bedrijfsleven) heeft een
grote vlucht genomen. In de loop der tijd zijn uitkeringsvormen aan het systeem
toegevoegd om tegemoet te komen aan de wens het aantal specifieke uitkeringen
te verminderen en daarmee de beleids- en bestedingsvrijheid van decentrale
overheden te vergroten. Ten onrechte is gedacht dat met het veranderen van de
bekostigingsstroom de beleidsvrijheid vanzelf ook wel volgt. In de afgelopen
decennia is gebleken dat de uitkeringen uit het gemeentefonds in toenemende
mate een bron zijn geworden voor de bekostiging van wettelijk voorgeschreven
taken.
De door het Rijk geclaimde verantwoordelijkheid voor de overgedragen taak bleef
in veel gevallen in stand. Het begrip stelselverantwoordelijkheid is daarvan een
uitdrukking. Deze stelselverantwoordelijkheid vormt voor het Rijk de legitimatie
voor het vragen om beleidsinformatie. Het Rijk wil zich op enig moment kunnen
verantwoorden over wat er met de beschikbaar gestelde gelden is bereikt. Dit
staat op gespannen voet met de uitgangspunten in het bestaande systeem van
bestuurlijke en financiële verhoudingen, namelijk dat decentrale overheden
democratisch gelegitimeerd zijn om hun eigen beleid te voeren en de daarmee
samengaande financiële keuzes te maken. Het decentrale bestuur is in principe
daarover alleen verantwoording schuldig aan de corresponderende
volksvertegenwoordiging, niet aan het Rijk. Dat laat onverlet dat het Rijk over
beleidsinformatie wil kunnen beschikken om te kunnen beoordelen of de door het
Rijk geformuleerde beleidsdoelen worden gehaald.
De Raad herkent en erkent de knelpunten in het huidige uitkeringsstelsel,
namelijk dat de logica van tweezijdigheid en wederkerigheid ontbreekt. Maar hij
stelt vast dat de benadering van de knelpunten in het uitkeringsstelsel door u als
fondsbeheerder vooral als een Haags probleem worden bezien: het lijkt vooral
een probleem dat het Rijk zijn beleidsdoelen niet kan verwezenlijken. Deze
benadering lijkt weinig recht te doen aan de gewenste beleidsvrijheid van het
decentrale bestuur.
3.
Verantwoording keuze bekostigingswijze
     -   Het bekostigingsinstrument moet aansluiten op de gewenste bestuurlijke
         verdeling van taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden
Het uitkeringsstelsel moet aansluiten op de politiek-bestuurlijke keuzes. Als die
keuzes veranderen, dient ook de bekostigingswijze te worden bezien. Uit het
adagium ‘wie bepaalt, betaalt’ volgt de keuze voor de passende uitkeringsvorm.
                                                                                   Pagina 4 van 16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>                                                                                    Datum
                                                                                    27 december 2019
                                                                                    Kenmerk
                                                                                    2019-0000643970
De overheidslaag die de bestuurlijke afweging maakt of en hoe een taak moet
worden uitgevoerd, moet ook de kosten daarvan tegen de baten afwegen.
     -   De Raad hecht grote waarde aan de eigenstandige verantwoordelijkheid
         van gemeenten en provincies.
Het uitgangspunt ‘je gaat erover of niet’ is nog steeds een waardevol principe
voor het waarborgen van de autonomie dan wel beleidsvrijheid van decentrale
overheden. Net zo zeer als het uitgangspunt: ‘decentraal wat kan en centraal wat
moet’. De Raad erkent de toegenomen vervlechting van taken en
verantwoordelijkheden tussen overheden. Maar door alle taken en
verantwoordelijkheden op één hoop te gooien onder het mom dat er maar één
overheid is, miskent men dat decentrale overheden een eigen
verantwoordelijkheid hebben en daarmee de waarde van decentraal bestuur. Een
zekere mate van decentralisatie zorgt voor checks and balances, faciliteert het
leren van elkaar. Doordat bijvoorbeeld gemeenten eigen keuzes kunnen maken,
verkleint dit de risico’s: ‘mislukkingen’ doen zich voor op een gemeentelijke in
plaats van landelijke schaal. Bovendien moet de waarde van nabijheid van
bestuur naar burgers niet onderschat worden. Decentrale overheden moeten
daarom voor hun burgers het verschil kunnen maken door eigen afwegingen te
maken over de aard en de omvang van het lokaal of provinciaal gewenste
voorzieningenniveau. Zij geven daarmee inhoud en betekenis aan decentrale
politieke keuzes. Bepaalt de gemeente, dan moet die zelf de financiële afweging
maken, daarvan de consequenties dragen en deze uitleggen aan de eigen kiezer.
Over de besteding van het geld uit het gemeentefonds zijn gemeentebesturen
zowel wat betreft de doelmatigheid als de rechtmatigheid alleen verantwoording
verschuldigd aan de eigen gekozen volksvertegenwoordiging. Elke gemeente
draait op voor de eigen (on)doelmatigheid. De bestedingsvrijheid draagt bij aan
een optimale aanwending van het geld. Voor de provincies geldt hetzelfde. De
decentrale overheid kan dan immers bij een efficiënte aanwending van de
middelen het overgebleven deel van de middelen besteden aan andere
beleidsdoelen, dan wel benutten voor verminderen van de lokale lasten. Dit
vereist een vrije ongebonden uitkering. Dat neemt niet weg dat voor sommige
taken geldt dat deze overheidslagen overschrijden en waarvoor een gezamenlijke
bestuurlijke verantwoordelijkheid op zijn plaats is, zie daarvoor paragraaf 5.
Als ‘Den Haag’ bepaalt, is het doelmatiger dat de rijksoverheid een
kostendekkende uitkering beschikbaar stelt om de gedecentraliseerde taken te
bekostigen. Dan moet het Rijk dus ook de rekening betalen. Anders kan het Rijk
“winkelen” met de portemonnee van de gemeenten of provincie. Als het Rijk wil
sturen op de besteding van de gelden, betekent dat een (kostendekkende)
specifieke uitkering. Een specifieke uitkering sluit een doelmatigheidsprikkel niet
uit, ook de vormgeving van het bekostigingsinstrument kan bijdragen aan die
prikkel. De BUIG is daarvan een goed voorbeeld. Specifieke uitkeringen moeten
systematisch getoetst worden op hun prikkels voor doelmatigheid.
                                                                                    Pagina 5 van 16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>                                                                                     Datum
                                                                                     27 december 2019
                                                                                     Kenmerk
                                                                                     2019-0000643970
4.
De informatiebehoefte van het Rijk bij gedecentraliseerde taken
Het Rijk wil vanuit haar stelselverantwoordelijkheid mogelijkheden hebben om
aan een uitkering voorwaarden te verbinden over de beoogde maatschappelijke
uitkomst en de verplichte verstrekking van beleidsinformatie die nodig is om het
doel te volgen zonder dat sprake is van (strikte) bestedingseisen en verticale
financiële verantwoording. Deze informatiebehoefte staat op gespannen voet met
het uitgangspunt dat bij uitkeringen via de fondsen het niet mogelijk is om
voorwaarden te stellen aan de besteding. Het opvragen van beleidsinformatie
schuurt met de beoogde beleids- en bestedingsvrijheid en het principe dat over de
besteding van de fondsen alleen verantwoording verschuldigd is aan de
corresponderende volksvertegenwoordigingen. Het gaat er echter om dat het Rijk
zicht heeft op de vorderingen die op een bepaald beleidsterrein worden gemaakt
door het geheel van de gemeenten/provincies. Dat laat onverlet dat de
beleidsinformatie inzichten oplevert over verschillen in doelbereik tussen bepaalde
categorieën gemeenten, welke oorzaken/factoren daaraan ten grondslag liggen
etc.
-        Bij stelselverantwoordelijkheid is een decentralisatie-uitkering vanuit het
         gemeentefonds de meeste geëigende bekostigingsvorm. Dit biedt de basis
         voor een afgebakende bestuurlijke dialoog over de wederzijdse
         inspanningen en verplichtingen.
In de optiek van het Rijk biedt het bestaande uitkeringssysteem onvoldoende
mogelijkheden om tegemoet te komen aan de informatiebehoefte van het Rijk.
Het Rijk houdt ook bij gedecentraliseerd beleid een eigen verantwoordelijkheid
voor de doelstellingen zoals die in wet- en regelgeving zijn vastgelegd. Het zal of
wil zich op enig moment moeten verantwoorden over wat er met het geld is
bereikt vanwege zijn systeemverantwoordelijkheid. Het begrip
stelselverantwoordelijkheid drukt uit dat de uitvoering weliswaar buiten de
Rijksoverheid is belegd, maar dat de minister eindverantwoordelijkheid heeft voor
het functioneren van het stelsel. De Raad heeft eerder aangegeven dat
stelselverantwoordelijkheid een gedeelde verantwoordelijkheid is. Verschillende
actoren dragen verantwoordelijkheid en ze hebben verschillende rollen. Geen van
hen staat erbuiten of erboven. Dat betekent niet dat elk verantwoordelijk is voor
het geheel; ze hebben wel allen belang bij dat geheel.5 Voor het Rijk houdt dat in
dat zij als wetgever eerst een dialoog aangaat met de andere overheden die op
onderdelen ook verantwoordelijkheid dragen, voordat het Rijk nadere conclusies
trekt over wijzigingen in het systeem dan wel eventuele conclusies in wetgeving.
Bij een adequate invulling van de stelselverantwoordelijkheid past dan ook geen
strikte top-down benadering maar vergt het een open dialoog over de wederzijdse
inspanningen. Daarbij past wel een informatiebehoefte (maar geen uitkering op
basis van een beleidsartikel op een departementale begroting, omdat dan weer de
verticale verantwoordingslogica wordt geactiveerd). De
stelselverantwoordelijkheid biedt voor decentrale overheden ook een
aangrijpingspunt om het Rijk aan te spreken op de verdeling en de omvang.
5
  Rob, De bestuurlijke verantwoordelijkheid voor systemen, november 2016.
                                                                                     Pagina 6 van 16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>                                                                                       Datum
                                                                                       27 december 2019
                                                                                       Kenmerk
                                                                                       2019-0000643970
     -   Het verdient aanbeveling de bevoegdheid tot het vragen van
         beleidsinformatie bij decentralisatie-uitkeringen expliciet in de Fvw vast te
         leggen.
De informatiebehoefte vanuit het Rijk zou dan ook niet a priori tot sturing moeten
leiden, maar dient veeleer een gezamenlijke doel met betrekking tot het
monitoren van de te behalen van beleidsdoelen. Onlosmakelijk daarmee
verbonden zijn afspraken over welke informatie: wat, hoe, wanneer (dat ook van
belang is voor decentrale overheden zelf, de vorm en frequentie waarin etc.).
Bekostiging Sociaal Domein
In zijn advies over de herijking van het gemeentefonds heeft de Raad er op
gewezen dat het - gelet op de discussies over volume en verdeling in het sociaal
domein - een goede zaak zou zijn een pas op de plaats te maken met de volledige
integratie van het sociaal domein in de algemene uitkering.6 Vergaande
normering en uniformering vanuit de landelijke politiek, zoals we in het sociaal
domein waarnemen (zoals het Wmo-abonnementstarief, de verplichte taakstelling
beschut werk en het recente voornemen om de jeugdzorg deels te regionaliseren
en centraliseren) doen afbreuk aan de beoogde gemeentelijke beleidsvrijheid die
hoort bij de algemene uitkering. Hiermee verdwijnt het voordeel van
decentralisatie en de bijbehorende doelmatigheidswinst. Gelet op deze
permanente druk van het Rijk om bij te sturen en verplichtingen op te leggen,
kan de vraag worden opgeworpen of bekostiging via de algemene uitkering wel
een goede oplossing is. Een decentralisatie-uitkering maakt de spanning tussen
wensen en verwachtingen van Rijk en gemeenten duidelijker. Omvang en
verdelingsdiscussies kunnen dan in samenhang worden opgepakt. Ook
vraagstukken over het effect van Rijksbeleid op de lokale zorgvraag dienen daar
aan de orde te komen. Het biedt daarmee een betere garantie voor een dialoog
dan de nu door het Rijk eenzijdig opgelegde ingrepen. Het biedt ook decentrale
overheden een aangrijpingspunt om het Rijk aan te spreken op de verdeling en de
omvang. De Raad verwijst hierbij naar zijn eerdere suggestie dat een splitsing
van het huidige gemeentefonds in een klassiek deel voor meer collectieve lokale
voorzieningen met relatief veel beleidsvrijheid en een brede sociaal
domeinuitkering met herkenbare onderdelen voor meer persoonlijke
voorzieningen waarbij de beleidsvrijheid van gemeenten, een te overwegen optie
is.7
5.
Bekostiging van interbestuurlijke samenwerking
Regionale samenwerking
Regionale samenwerking neemt in belang en omvang toe. Naast verplichte
regionale samenwerking zoals bij de Veiligheidsregio stimuleert het Rijk
intergemeentelijk samenwerking. Voor de aanpak van problemen geldt veelal de
regio als het meest geëigende schaalniveau. Zo wordt in het huidige
6
  ROB, Briefadvies Herijking gemeentefonds, 3 september 2019.
7
  ROB, Briefadvies Herijking gemeentefonds, 3 september 2019, blz. 27.
                                                                                       Pagina 7 van 16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>                                                                                   Datum
                                                                                   27 december 2019
                                                                                   Kenmerk
                                                                                   2019-0000643970
Regeerakkoord de regio aangewezen als de schaal voor onder meer de
bouwopgave, de arbeidsmarkt, de geestelijke gezondheidszorg, de jeugdhulp en
het cultuuraanbod. In de huidige benadering is rechtstreekse bekostiging van
vrijwillige regionale samenwerking niet mogelijk. Indien de afzonderlijke
gemeenteraden de bevoegdheid overdragen aan een regionaal
samenwerkingsorgaan, waarbij zij afspraken maken over hun betrokkenheid bij
de besluitvorming in die regionale samenwerking, dient de Fvw ook de
mogelijkheid te bieden voor rechtstreekse bekostiging van deze vorm van
vrijwillige regionale samenwerking. Voorwaarde is dus dat de regionale
samenwerking democratisch is gelegitimeerd.
Samenwerking tussen Rijk en decentrale overheden bij gezamenlijke opgaven
Bij een ander deel van de huidige opgaven gaat het om vraagstukken die over de
overheidslagen heen gaan. Dit vraagt een andere rol, positie en
handelingsperspectief van overheden waarbij samenwerking plaatsvindt op basis
van partnerschap en wederkerigheid. Niet alleen omdat overheden elkaar nodig
hebben, maar vooral omdat voor bepaalde opgaven geldt dat een andersoortige
gezamenlijke inzet tot een beter resultaat kan leiden en meer impact voor de
burger kan worden gerealiseerd. Van de Rijksoverheid vraagt dit dat zij zich meer
als medeoverheid opstelt en dat niemand, ook het Rijk niet, eenzijdig zijn wil aan
de medeoverheden kan opleggen. De vraag die voorligt is of er een
bekostigingswijze mogelijk is die de grondslag biedt voor situaties waarin sprake
is van interbestuurlijke samenwerking tussen Rijk en decentrale overheden om
gezamenlijk taken op te pakken op basis van partnerschap voor
gemeenschappelijke opgaven. Dit conform de filosofie van het Interbestuurlijk
Programma (IBP).
Het huidige uitkeringsstelsel is ingericht vanuit de gedachte “je gaat erover of
niet” en kent geen variant die past bij het maken van ‘deals’ zonder dat sprake is
van overdracht van verantwoordelijkheden. Bij de Regiodeals werd de
Rijksbijdrage verstrekt als decentralisatie-uitkering aangevuld met afspraken in
een bestuursakkoord. De ontwikkeling om opgaven interbestuurlijk op te pakken
is nu nog niet goed meegenomen in de Fvw waardoor de grenzen van deze wet
zijn opgezocht en uitkeringen oneigenlijk zijn ingezet.
    De regio-enveloppen
    De regio-enveloppen hebben het karakter van een projectmatige vorm
    van samenwerking tussen het Rijk en decentrale overheden
    (gemeenten en /of provincies) al dan niet met private partijen. Het
    gaat om specifieke gebiedsgerichte samenwerking voor een bepaalde
    periode. Het Rijk stelt middelen beschikbaar en selecteert de projecten
    waarvan zij van oordeel is dat deze de draagkracht van afzonderlijke
    decentrale overheden te boven gaan maar die wel meerwaarde voor de
    regio als geheel generen. Het Rijk maakt vervolgens afspraken met de
    decentrale overheden over de te bereiken doeleinden, de wijze van
    verantwoording, de vorm van cofinanciering enz., maar laat de
    decentrale overheden grotendeels vrij in de wijze waarop zij denken het
    doel te bereiken.
                                                                                   Pagina 8 van 16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>                                                                                     Datum
                                                                                     27 december 2019
                                                                                     Kenmerk
                                                                                     2019-0000643970
De Algemene Rekenkamer oordeelde dat deze aanvullende voorwaarden niet
verenigbaar zijn met het beleids- en bestedingsvrije karakter van de
decentralisatie-uitkering.8 Een specifieke uitkering zou daarom meer geëigend
zijn, maar bij de regio-enveloppen wilde het Rijk niet de daarbij behorende
verantwoordingsafspraken over de besteding.
Dit is een strikt formeel-juridische benadering die onvoldoende recht doet aan de
achterliggende bestuurlijke praktijk. Deze strikte interpretatie van de Algemene
Rekenkamer veronderstelt namelijk dat er sprake is van een eenzijdig opgelegde
verplichting vanuit het Rijk. Daarbij gaat de Algemene Rekenkamer voorbij aan
het feit dat er sprake is van een aanbod van het Rijk tot het indienen van
voorstellen aan decentrale overheden voor bekostiging van opgaven die een
bovenregionaal effect hebben op de welvaart en/of die de draagkracht van
decentrale overheden te boven gaan. Feitelijk is in deze gevallen eerder sprake
van een overeenkomst tussen partijen dan van een eenzijdig opgelegde regeling.
Er worden namelijk over en weer afspraken gemaakt over de oplossing van een
maatschappelijk probleem waarbij ieder van de partijen zich verplicht tot het
leveren van een (financiële) bijdrage.
     -   Wettelijke basis nodig voor de bekostiging van interbestuurlijke
         samenwerking
De Raad onderschrijft de noodzaak van een wettelijke basis voor uitkeringen aan
decentrale overheden op basis van een door betrokken partijen gesloten
overeenkomst. Toepassing van dit uitkeringstype dient wel ingekaderd te worden.
Voorkomen moet worden dat de partij met de best gevulde portemonnee (het
Rijk) het beleid van decentrale overheden gaat bepalen omdat die van de
Rijksgelden afhankelijk zijn. Daarom moet een dergelijke uitkering alleen ingezet
worden bij opgaven die een bovenregionaal effect hebben op de welvaart en/of
die de draagkracht van decentrale overheden te boven gaan. De uitkering vindt
plaats op basis van een overeenkomst tussen partijen die afspraken maken over
de bijdrage aan de oplossing van een regio specifiek maatschappelijk probleem en
waarbij ieder van de partijen zich verplicht tot het leveren van een (financiële)
bijdrage. Samenwerken gaat uit van een overeenstemming tussen beide partijen
op basis van gelijkwaardigheid; het betreft bestuurlijk maatwerk. Een heldere
vooraf vastgelegde governance structuur is wel een basisvereiste. Omdat sprake
is van geoormerkte middelen geldt ook de verplichting dat de partijen afspraken
maken over de uitwisseling van benodigde verantwoordings- en/of
beleidsinformatie (doelbereik). Van belang is dan wel dat vooraf duidelijk is welke
informatie nodig is. Verder dient de overeenkomst vast te leggen wie het geld
beheert.
Betrokkenheid private partijen
Vaak zijn bij de uitvoering van dergelijke overeenkomsten ook private partijen
betrokken. In de overeenkomst dient ook het aandeel van de private partijen in
de oplossing van de opgaven en de financiering daarvan te worden afgebakend.
8
   Resultaten verantwoordingsonderzoek 2018; Ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties (VII), met addendum Rapport bij het jaarverslag (VII), mei 2019.
                                                                                     Pagina 9 van 16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>                                                                                         Datum
                                                                                         27 december 2019
                                                                                         Kenmerk
                                                                                         2019-0000643970
In het geval dat de private partijen onderdeel uitmaken van de deal, ligt het voor
de hand dat de betrokken overheden als één overheid optreden. Het moet
duidelijk zijn wie verantwoordelijk is voor het maken en het naleven van de
afspraken met private partijen. Voorkomen moet worden dat de overheden
afzonderlijke afspraken maken met private partijen.
Structurele samenwerking tussen Rijk en decentrale overheden
In het geval van een structurele noodzakelijke samenwerking tussen overheden
vraagt dit wellicht ook om een andere bestuurlijke benadering. Gedacht zou
kunnen worden aan een governance-structuur zoals bij het
Hoogwaterbeschermingsprogramma. Hierbij is sprake van een aparte organisatie
waarin Rijksoverheid en de waterschappen op basis van gelijkwaardigheid
besluiten over de inzet van de middelen terwijl het waterschap verantwoordelijk is
voor de uitvoering. Het uitvoerende waterschap draagt zelf 10% van de kosten.
In deze opzet komt de gelijkwaardigheid van partijen tot uitdrukking in die zin dat
partijen onderling overeenstemming hebben over de inzet van de middelen. Dit
zou vorm kunnen krijgen in een gezamenlijk door het Rijk en decentrale
overheden beheerd fonds voor gezamenlijke trajecten. De middelen worden
beschikbaar gesteld voor gezamenlijk door partijen overeengekomen doelen.
Iedere partij levert zijn aandeel en is alleen over zijn aandeel verantwoording
schuldig aan zijn eigen volksvertegenwoordiging.
Samenvattende overzichtstabel
 Type                Kenmerk                  Fvw            Nader te regelen
 uitkering
 Algemene            Vrij besteedbaar         Art. 6 t/11    --
                   - onderdeel
                     gemeentefonds
 Decentralisatie Vrij besteedbaar             Art. 5 lid 2 - Informatie verstrekking tbv
                   - onderdeel                Art 13 lid     invulling
                      gemeentefonds           1,2,4 en 5     stelselverantwoordelijkheid
                                              Art. 14      - Mogelijkheid bekostiging
                                                             gemeenschappelijke opgaven
                                                             Rijk en decentrale overheden
                                                             op basis van door partijen
                                                             gesloten overeenkomst waarin
                                                             wederzijdse verplichtingen zijn
                                                             vastgelegd
                                                           - Mogelijkheid rechtstreekse
                                                             verstrekking aan
                                                             samenwerkende decentrale
                                                             overheden op basis van
                                                             overeengekomen governance
                                                             structuur
 Specifieke          Bestedingsvoorwaard      Art. 15a     - Mogelijkheid rechtstreekse
                     en                       t/m 21         verstrekking aan
                    - onderdeel begroting                    samenwerkende decentrale
                      vakdepartement                         overheden op basis van
                                                             overeengekomen governance
                                                             structuur
                                                                                         Pagina 10 van 16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>                                                                                Datum
                                                                                27 december 2019
                                                                                Kenmerk
                                                                                2019-0000643970
6.
Aanbevelingen
1. Hanteer een helder afwegingskader dat aansluit op de diverse typen
   bestuurlijke verhoudingen.
   Het is van belang dat de keuze voor het bekostigingsinstrument aansluit op
   de gewenste bestuurlijke verdeling van taken, verantwoordelijkheden en
   bevoegdheden. De Raad bepleit een helder afwegingskader met duidelijk
   afgebakende bekostigingsvormen waarbij helder is welke overheid
   verantwoording schuldig is over de besteding van de middelen aan wie en of
   het Rijk beleidsinformatie nodig heeft voor het invulling geven aan zijn
   stelselverantwoordelijkheid. De afweging daarbij is of en hoe het Rijk wil
   sturen en over welke vrijheden decentrale overheden dienen te beschikken
   om zelfstandig afwegingen te kunnen maken over de meest doelmatige inzet
   van middelen.
2. Geef de Minister van BZK de bevoegdheid om (nieuwe) uitkeringen te toetsen
   aan dit kader.
   Het Rijk dient die keuze te verantwoorden. Uitkeringen die door ministeries
   worden gedaan aan decentrale overheden dienen te worden getoetst aan de
   criteria van het afwegingskader. Het ministerie van Binnenlandse Zaken dient
   als coördinerend ministerie deze toets uit te voeren. Uitkeringen die
   ministeries verstrekken aan decentrale overheden zonder een dergelijke
   uitdrukkelijke toets moeten als onrechtmatig worden beoordeeld.
3. De algemene uitkering heeft in beginsel de voorkeur
   De Raad onderstreept het belang van een vrij besteedbare uitkering om als
   decentrale overheid zelfstandig afwegingen te kunnen maken over de meest
   doelmatige inzet van middelen. De algemene uitkering verdient om die reden
   de voorkeur.
4. Voor taken met een resultaatsverplichting maar zonder bestedingsverplichting
   is een decentralisatie-uitkering het meest aangewezen
   Indien het Rijk een resultaatverplichting zonder een bestedingsverplichting
   wenst, is een decentralisatie-uitkering het meest geschikt. Dit biedt
   decentrale overheden de mogelijkheid eventuele overschotten te besteden op
   de manier die aansluit op de decentrale behoeften. Door een decentralisatie-
   uitkering te gebruiken in plaats van de algemene uitkering, kan de verdeling
   van de middelen zo worden georganiseerd dat alle gemeenten of provincies
   voldoende middelen krijgen om de desbetreffende taak uit te voeren; de
   verdeling hoeft dan namelijk niet aan te sluiten bij de maatstaven van de
   algemene uitkering. Ook kan, indien gewenst, voor een aparte indexatie van
   de uitkering worden gekozen.
5. Leg bevoegdheden die volgen uit de stelselverantwoordelijkheid van het Rijk
   vast in de Fvw
   Vanuit zijn stelselverantwoordelijkheid dient het Rijk te kunnen beschikken
   over informatie zodat zich een oordeel kan vormen over het doelbereik (dus
                                                                                Pagina 11 van 16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>                                                                                      Datum
                                                                                      27 december 2019
                                                                                      Kenmerk
                                                                                      2019-0000643970
   output/outcome). Het verdient aanbeveling deze bevoegdheid bij
   decentralisatie-uitkeringen expliciet in de Fvw vast te leggen.
6. Creëer in de Fvw een wettelijke basis voor een uitkeringsvorm voor
   gezamenlijke opgaven
   De grondslag voor een dergelijke uitkering is een overeenkomst tussen Rijk
   en decentrale overheden. In deze overeenkomst dienen afspraken te staan
   over ieders (financiële) bijdrage aan de oplossing van het gezamenlijk
   onderschreven doel. Afspraken zijn tweezijdig en worden niet eenzijdig
   opgelegd zoals bij voorwaarden het geval is. Bij het niet-nakomen van
   afspraken of verschil van inzicht is een bestuurlijke dialoog geboden of de
   mogelijkheid geboden worden om geschillen te laten beslechten door een
   onafhankelijke derde partij. Eenzijdige sancties passen niet bij
   overeenkomsten.
7. Maak rechtstreekse bekostiging van vrijwillige regionale
   samenwerking wettelijk mogelijk
   Regionale samenwerking neemt in belang toe en wordt door het Rijk
   gestimuleerd. Indien de afzonderlijke gemeenteraden de bevoegdheid
   overdragen aan een regionaal samenwerkingsorgaan, waarbij zij afspraken
   maken over hun betrokkenheid bij de besluitvorming in die regionale
   samenwerking, dient de Fvw ook de mogelijkheid te bieden voor
   rechtstreekse bekostiging van deze vorm van vrijwillige regionale
   samenwerking.
8. Overweeg voor meer structurele gezamenlijke opgaven een zelfstandige
   governance structuur
   Bij meer structurele gezamenlijke opgaven zou dit vorm kunnen krijgen in een
   gezamenlijk door het Rijk en decentrale overheden beheerd fonds. Het fonds
   wordt dan beheerd door een gezamenlijk bestuurde organisatie. De middelen
   worden beschikbaar gesteld voor gezamenlijk door partijen overeengekomen
   doelen. Ieder partij levert zijn aandeel en is alleen over zijn aandeel
   verantwoording schuldig aan zijn eigen volksvertegenwoordiging.
9. Als zowel bestedings- als beleidsvrijheid gering zijn, is een specifieke uitkering
   het meest aangewezen. Specifieke uitkeringen moeten wel periodiek en
   systematisch getoetst worden op hun prikkels voor doelmatigheid.
   Ondanks de bezwaren die aan specifieke uitkeringen kleven, kunnen er
   gelegitimeerde reden zijn om een specifieke uitkering te verkiezen boven
   andere uitkeringstypen. Een (kostendekkende) specifieke uitkering is
   aangewezen als het bestedingsdoel vastligt en het Rijk weinig ruimte laat voor
   decentrale afwegingen.
                                                                                      Pagina 12 van 16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>                                                                                     Datum
                                                                                     27 december 2019
                                                                                     Kenmerk
                                                                                     2019-0000643970
    Ook is een specifieke uitkering de geëigende uitkeringsvorm indien het Rijk
    van oordeel is dat het noodzakelijk is om inzicht te hebben hoeveel middelen
    de gemeente dan wel de provincie besteden om ze daarop te kunnen
    afrekenen.
Hoogachtend,
De Raad voor het Openbaar Bestuur,
Drs. J.M.M. Polman, voorzitter               Drs. M.J. Fraanje, secretaris-directeur
                                                                                     Pagina 13 van 16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>                                                                                 Datum
                                                                                 27 december 2019
                                                                                 Kenmerk
                                                                                 2019-0000643970
Bijlage
Achtergronden bij het uitkeringsstelsel
Het wettelijk kader
De Financiële-verhoudingswet (Fvw) kent verschillende uitkeringsvormen voor de
bekostiging van decentrale taken. Voor die uitkeringsvormen gelden verschillende
criteria. Het gemeentefonds en het provinciefonds bestaat uit drie soorten
uitkeringen: de algemene uitkering, de integratie-uitkeringen en de
decentralisatie-uitkeringen. Over de besteding van de gelden uit de fondsen,
zowel wat betreft de doelmatigheid als de rechtmatigheid, is de decentrale
overheid alleen verantwoording verschuldigd aan de eigen gekozen
volksvertegenwoordiging. Elke gemeente/provincie gaat over zijn eigen
doelmatigheid. Deze bestedingsvrijheid wordt geacht bij te dragen aan een
optimale aanwending van de middelen. De decentrale overheid kan dan immers
bij een efficiënte aanwending van de middelen het overgebleven deel van de
middelen besteden aan andere beleidsdoelen.
Daarnaast kent de Fvw nog specifieke uitkeringen. Specifieke uitkeringen zijn
gebonden overdrachten, waarbij de middelen moeten worden besteed aan het
doel waarvoor ze bestemd zijn. Specifieke uitkeringen mogen slechts verstrekt
worden als deze wijze van bekostiging voor decentrale taken bijzonder
aangewezen moet worden geacht. Dit omdat aan specifieke uitkeringen nadelen
kleven. Ze geven geen prikkel voor een doelmatige besteding van publieke
middelen, omdat overgebleven middelen niet aan andere doelen mogen worden
besteed. Bovendien brengen ze bestuurlijke en administratieve
verantwoordingslasten met zich: de decentrale overheid moet aan de
Rijksoverheid bewijzen dat ze de middelen aan de doelen hebben besteed die de
Rijksoverheid gespecificeerd had.
         De Memorie van toelichting op de Financiële-verhoudingswet (Fvw)
         noemt vier omstandigheden waarbij specifieke uitkeringen zijn
         toegestaan:
          Als bekostiging via de eigen middelen in verband met een
           afwijkende dynamiek niet mogelijk is of als inkomenspolitieke
           overwegingen zich daartegen verzetten.
          Als de uitkering door de aard van het betrokken onderwerp een
           tijdelijk karakter heeft.
          Als nog geen of onvoldoende inzicht bestaat in de omvang van de
           kosten van de desbetreffende taak of activiteit.
          Als voor de kosten van de desbetreffende taak of activiteit geen
           structuurkenmerk kan worden vastgesteld op basis waarvan
           verdeling door middel van de algemene uitkering mogelijk is.
Daarnaast geldt dat specifieke uitkeringen geregeld worden bij of krachtens wet.
Tijdelijke specifieke uitkeringen kunnen worden geregeld bij algemene maatregel
van bestuur. Na vier jaren vervalt de specifieke uitkering. Eenmalige specifieke
uitkeringen kunnen worden geregeld bij ministeriële regeling.
                                                                                 Pagina 14 van 16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>                                                                                     Datum
                                                                                     27 december 2019
                                                                                     Kenmerk
                                                                                     2019-0000643970
De praktijk
    -    De algemene uitkering uit de fondsen
De vrije besteedbaarheid en daarmee de beleidsvrijheid van de provincie- of
gemeentefondsuitkering verdient wel enige nuancering. Voor een groot deel van
de taken die decentrale overheden bekostigen uit het gemeente- of
provinciefonds geldt dat zij gebonden zijn aan wet- en regelgeving. Dit omdat de
Rijksoverheid hecht aan een uniforme uitvoering, denk aan de
bevolkingsadministratie, de uitvoering van de Kieswet, e.d. De algemene uitkering
dient mede voor de bekostiging van die in ‘medebewind’ uitgevoerde taken. Het
ontbreken van bestedingsvoorwaarden houdt dus niet automatisch in dat er
sprake is van absolute beleidsvrijheid. De uitgaven die decentrale overheden voor
deze taken doen verantwoorden zij echter alleen aan de eigen
volksvertegenwoordiging.
    -    Integratie- en decentralisatie-uitkeringen9
Hoewel integratie- en decentralisatie-uitkeringen ook vrij besteedbaar zijn – er is
geen formele afdwingbare bestedingsverplichting - gaat van de beschikbaarheid
van deze uitkeringen wel een zekere mate van sturing uit. Decentrale overheden
zullen de beschikbare middelen immers niet snel aan een ander doel besteden
dan waarvoor ze beschikbaar zijn gesteld.
Daarbij gelden voor de verstrekking van sommige decentralisatie-uitkeringen in
de praktijk zeer strikte voorwaarden, via aanvraagprocedures, gedetailleerde
planbeoordeling of is de toekenning afhankelijk gesteld van besteding van eerdere
tranches. Het gaat dan om een vorm van verantwoording vooraf, in plaats van
achteraf zoals bij specifieke uitkeringen het geval is. Ze beperken indirect de
bestedingsvrijheid, de mogelijkheden om eigen afwegingen te maken over de
meest doelmatige of gewenste besteding van middelen. Bestedingsvoorwaarden
kunnen gezien worden als een uiting van wantrouwen van de Rijksoverheid in
decentrale overheden. Gebrek aan vertrouwen of de afwegingen van decentrale
overheden wel leiden tot het door het Rijk gestelde doel of dat decentrale
overheden niet in staat zijn tot het maken van de juiste afweging. Dergelijke
voorwaarden staan op gespannen voet met het vrije en onvoorwaardelijke
karakter van het gemeentefonds en provinciefonds. In het meest extreme geval
leiden de strikte voorwaarden ertoe dat decentrale overheden verworden tot een
uitvoeringskantoor voor Rijksbeleid.
    -    Specifieke uitkeringen
Specifieke uitkeringen blijven onderdeel van de departementale begrotingen.
Indien de middelen voor de taakuitvoering vanuit een departementale begroting
aan decentrale overheden worden verstrekt via een specifieke uitkering, houdt
dat in dat de betrokken bewindspersoon aan het parlement ook
verantwoordingschuldig is over de rechtmatige en doelmatige besteding van de
middelen. Het valt op grond van de Comptabiliteitswet onder het budgetrecht van
het parlement. Over de besteding is de ontvangende decentrale overheid dus
verantwoording verschuldigd aan het Rijk. De verantwoordelijke minister is voor
9
  Het formele onderscheid tussen integratie-uitkering heeft zijn betekenis verloren.
                                                                                     Pagina 15 van 16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>                                                                                    Datum
                                                                                    27 december 2019
                                                                                    Kenmerk
                                                                                    2019-0000643970
zijn verantwoordingsplicht afhankelijk van informatie van de decentrale
overheden.
De mate van bestedings- en beleidsvrijheid verschilt per specifieke uitkering. Er
zijn specifieke uitkeringen met zeer nauw omschreven bestedingsdoel. In andere
gevallen is sprake van meer globale doelstellingen, de zogenaamde Brede
doeluitkering (BDU). De specifieke uitkering voor de uitvoering van de Wet werk
en bijstand (BUIG-budget) is bijvoorbeeld in het geheel niet geoormerkt.
Overschotten mogen de gemeenten naar eigen inzicht besteden. Tekorten moeten
zij anderzijds – tot op zekere hoogte – uit de eigen middelen opvangen.
Specifieke uitkeringen beperken de afwegingsmogelijkheden van decentrale
overheden en leiden daarmee gemakkelijk tot een ondoelmatige besteding van
publieke middelen. Er is een beperkte prikkel tot een doelmatige besteding. Het
geld moet worden besteed aan het doel waarvoor het beschikbaar is gesteld.
Het beleid van de Rijksoverheid is er de afgelopen jaren op gericht geweest het
aantal specifieke uitkeringen te saneren. Het aantal specifieke uitkeringen is als
gevolg daarvan fors afgenomen. Veel specifieke uitkeringen zijn omgezet naar
decentralisatie-uitkeringen, met hetzelfde bestedingsdoel. Daarmee zijn het
verkapte specifieke uitkeringen, met het verschil dat gemeenten en provincies in
ieder geval formeel geen verantwoording achteraf schuldig zijn aan het Rijk. De
afname van het aantal specifieke uitkeringen is voor een deel dus enigszins
cosmetisch.
Het andere nadeel van specifieke uitkeringen is dat ze veelal gepaard gaan met
administratieve en bestuurlijke verantwoordingslasten. De verantwoordingslast
van specifieke uitkeringen is in de praktijk door de introductie van Single
information, Single audit (SiSa) in de afgelopen jaren verminderd.
De Raad stelt vast dat:
  - het gemeentefonds inclusief de decentralisatie-uitkeringen als gevolg van de
     ingezette sanering van het aantal specifieke uitkeringen in toenemende mate
     een bekostigingsinstrument is geworden voor medebewindstaken;
  - het onderscheid tussen enerzijds integratie- en decentralisatie-uitkeringen en
     anderzijds specifieke uitkeringen aan het vervagen is;
  - in de loop der tijd een woud aan verschillende uitkeringstypen met
     verschillende voorwaarden is ontstaan, die geen formeel wettelijke grondslag
     kennen;
  - de criteria die ten grondslag liggen aan het huidige uitkeringsstelsel ook niet
     consequent zijn toegepast;
  - de administratieve lasten van specifieke uitkeringen door de introductie van
     SiSa-systematiek zijn afgenomen;
  - de huidige uitkeringssystematiek niet voorziet in een bekostigingswijze die
     recht doet aan de wens om op basis van gelijkwaardig partnerschap
     gemeenschappelijke opgaven te bekostigen.
Meer in het algemeen constateert de Raad dat de criteria zoals die in de Fvw zijn
opgenomen niet aansluiten op de bestuurlijke praktijk. De Rfv sprak in dat
verband onder andere van verrommeling van de financiële verhoudingen. De
praktijk van het huidige uitkeringsstelsel is een uitdrukking van de veranderende
bestuurlijke verhoudingen.
                                                                                    Pagina 16 van 16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>