<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                                                       's-Gravenhage, 24 juni 1997
Op verzoek van de voorzitter van de Raad voor dierenaangelegenheden deed de Minister van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bij schrijven van 8 april 1997 (kenmerk RVV.979340)
aan de Raad toekomen:
a) het vigerende draaiboek bestrijding mond- en klauwzeer van 20 september 1996;
b) een concept van het vernieuwde draaiboek Newcastle disease en aviaire influenza van
    september 1994;
c) het evaluatierapport Newcastle disease (september 1992 - oktober 1993) van november
    1993; en
d) een notitie van het ID-DLO over het verloop van de Newcastle disease epidemie sinds
    1992, van 19 september 1995.
Overleg in de Raad over genoemde stukken leidde tot de volgende gezichtspunten.
De Raad is van mening dat bij de uitbraak van een besmettelijke dierziekte, een draaiboek
duidelijk en welomschreven dient aan te geven wat de taken en verantwoordelijkheden zijn
van alle partijen die bij de bestrijding van die dierziekte een rol spelen. Deze taken en
verantwoordelijkheden dienen niet op het moment van uitbraak van bovenaf opgelegd te
worden, maar daarover dient met de betrokken partijen tevoren gecommuniceerd te zijn,
zodat zij weten hoe ze zich bij een uitbraak van een besmettelijke dierziekte dienen op te
stellen. Een draaiboek dient dus meer te zijn dan een interne instructie van de Rijksdienst
voor de keuring van Vee en Vlees (RVV). De hierboven genoemde draaiboeken voldoen daar
niet aan. Enerzijds worden belangrijke groeperingen in de draaiboeken niet of nauwelijks
genoemd. Daarbij moet onder meer gedacht worden aan de Stichting Landelijke
Inspectiedienst Dierenbescherming en de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor
Diergeneeskunde. Anderzijds wordt er in de draaiboeken te gemakkelijk van uitgegaan dat de
complexe organisatiestructuur van de huidige dierhouderij ten tijde van de bestrijding van een
besmettelijke dierziekte eenvoudig en binnen korte tijd kan worden vervangen door een
andere structuur. Nergens wordt aangegeven wat de meerwaarde daarvan zou zijn. De Raad is
van mening dat in eerste instantie beter aansluiting gezocht kan worden bij bestaande situaties
en bestaande rolpatronen. Dat vergt natuurlijk in het voortraject, bij de totstandkoming van de
draaiboeken, de nodige coördinatie. Die coördinatie is echter ook om andere redenen gewenst.
Zo blijkt dat over de genoemde draaiboeken weinig tot geen overleg met de sector en de
maatschappelijke groeperingen is gevoerd. De draaiboeken waren daar ook niet bekend en dat
lijkt de besluitvorming, zeker in het begin van een uitbraak van een besmettelijke dierziekte,
niet te bevorderen. Coördinatie
97rd118/24-06-97
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>                                                2
van werkzaamheden die uitgevoerd dienen te worden, van de verantwoordelijkheden en van
de communicatie tussen de verantwoordelijke partijen lijken naar de mening van de Raad
belangrijke eisen die aan de draaiboeken gesteld moeten worden. Daarbij moet er voor
gezorgd worden dat de vorm en de lay-out van de verschillende draaiboeken zoveel mogelijk
gelijk zijn. Het wordt erg verwarrend als draaiboeken steeds weer anders opgebouwd zijn en
verschillende termen gebruiken. In tijden van nood, als tijd kostbaar is, dient er een
overkoepelend draaiboek te zijn, waarin op een niet te ingewikkelde manier opgezocht kan
worden wat de stappen zijn die genomen moeten worden om de dierziekte zo snel mogelijk
kwijt te raken. Over die stappen moeten alle relevante partijen het eens zijn.
Met betrekking tot die coördinatie kan ook nog het volgende opgemerkt worden. In de
draaiboeken wordt een grote verantwoordelijkheid neergelegd bij de kringdirecteur van de
RVV. Het blijkt dat er bij de praktische bestrijding van een besmettelijke dierziekte niet door
alle kringdirecteuren op een gelijke wijze gehandeld wordt dan wel op gelijke wijze
verantwoordelijkheid wordt genomen. De Raad meent dan ook dat het beter is in het
draaiboek een landelijk coördinator aan te wijzen die bij praktische problemen op ad hoc
basis beslissingen kan nemen, die vervolgens binnen alle kringen van de RVV op een gelijke
wijze dienen te worden uitgevoerd.
Verder meent de Raad dat de draaiboeken regelmatig op hun actuele informatie gecontroleerd
dienen te worden. In de genoemde draaiboeken blijkt de informatie nogal eens onjuist, c.q.
verouderd te zijn. Zo kloppen telefoonnummers niet altijd, worden soms verkeerde
functionarissen genoemd en zijn niet altijd alle ter zake doende Regelingen verwerkt. Als
voorbeeld van dat laatste kan de Regeling toegang personen of groepen van personen tot
besmette of van besmetting verdachte gebouwen en terreinen (1996, Stcrt. 61, nr. J 962226)
genoemd worden. Op grond van die Regeling mogen minder mensen de terreinen betreden
dan de draaiboeken toelaten. De Raad geeft in dit kader in overweging om een breed
samengestelde projectgroep op regelmatige tijden over een bepaald draaiboek bijeen te laten
komen. Op die manier kunnen veel van de genoemde problemen worden voorkomen.
Enerzijds wordt het draaiboek regelmatig bijgewerkt en anderzijds ontstaat een commitment
van alle partijen die aan het overleg hebben deelgenomen om de bepalingen van het draaiboek
naar behoren uit te voeren.
Als volgende punt wenst de Raad op te merken dat in een draaiboek ook het vraagstuk van de
noodvaccinatie behandeld zou moeten worden. Verwezen wordt in dezen naar het
ongevraagde advies van de Raad van 19 december 1995, waarin ook al werd gesteld dat er in
het geval van een onverhoopte uitbraak van Mond- en klauwzeer geen tijd meer bestaat voor
langdurig beraad. Besluitvorming over het wanneer en het hoe van vaccineren, dient reeds nu
plaats te vinden. De uitkomsten van een dergelijke besluitvorming zouden in het draaiboek
beschreven dienen te worden, zodat duidelijk is wanneer de voorwaarden voor een
noodvaccinatie vervuld zijn en op welke wijze de noodvaccinatie uitgevoerd gaat worden.
In de genoemde draaiboeken mist de Raad ook een onderdeel met betrekking tot de
knelgevallen. In het kader van het dierenwelzijn is dat een belangrijk onderwerp. Wanneer is
sprake van een knelgeval bij een bepaalde besmettelijke dierziekte? Wanneer gaat de
opkoopregeling van start en hoe ziet deze eruit? Het zijn onder meer deze vragen die al in elk
draaiboek beantwoord zouden moeten worden. Als van tevoren vast staat dat ook met deze
problemen rekening is gehouden, zou dat naar de mening van de Raad wellicht kunnen
97rd118/24-06-97
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>                                               3
voorkomen dat er in de eerste dagen na een uitbraak van een besmettelijke dierziekte paniek
uitbreekt en de dieren op een ondoordachte wijze getransporteerd gaan worden.
De Raad ziet er van af om opmerkingen te maken over de vele detailpunten die verbetering,
aanvulling of wijziging behoeven. Hij gaat er van uit dat beide draaiboeken toch helemaal op
de helling moeten. De Raad wil hierbij slechts aandringen op spoed en zorgvuldigheid.
De voorzitter                                      De adjunct-secretaris
Prof.Dr. S.G. van den Bergh                        Mr.Drs. H. Lommers
97rd118/24-06-97
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>