<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Inhoudsopgave
1 Inleiding ......................................................................................................................................... 1
  1.1 Doel
  1.2 Wettelijke basis en richtlijnen
2 Mogelijke oorzaken van aangetast welzijn ..................................................................... 3
  2.1 Gedrag en stress
  2.2 Ziekte, ongevallen en ingrepen
  2.3 Ruimte en beweging
  2.4 Stalklimaat
  2.5 De verzorger
3 Enkele indicatoren van welzijnsaantasting in het algemeen.................................. 7
  3.1 Stereotypieën
  3.2 Fysiologische parameters
  3.3 Gezondheidsstatus
  3.4 Medicijngebruik
  3.5 Angstuitingen
  3.6 Pijnuitingen
  3.7 Productiekengetallen
  3.8 Positieve welzijnsindicatoren
4 Zeugen .......................................................................................................................................... 11
5 Biggen ........................................................................................................................................... 19
6 Vleesvarkens .............................................................................................................................. 25
7 Melkvee ......................................................................................................................................... 29
8 Vleesstieren ................................................................................................................................ 35
9 Vleeskalveren ............................................................................................................................. 39
10 Legkippen .................................................................................................................................. 45
11 Vleeskuikens ............................................................................................................................ 51
12 Vleeskuikenouderdieren ..................................................................................................... 55
13 Kalkoenen ................................................................................................................................. 59
14 Eenden ........................................................................................................................................ 65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>15 Konijnen ..................................................................................................................................... 69
16 Nertsen ....................................................................................................................................... 75
Voor de hoofdstukken 4 tot en met 16 geldt de volgende indeling:
 .1 Aandachtspunten voor de .......houderij
 .2 Abnormaal gedrag
 .3 Orgaanbeschadigingen
 .4 Verlaagde (re)productie
 .5 Verhoogde ziektegevoeligheid
 .6 Verlaagde vitaliteit
 .7 Angstuitingen
 .8 Samenvattend
17 Streven naar welzijn.............................................................................................................. 81
Referenties ...................................................................................................................................... 83
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>                                                                                                 1 Inleiding
1 Inleiding1 Inleiding
In de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren (GWWD) die in 1992 door het parlement is
aangenomen, is een scheiding aangebracht tussen de bepalingen betreffende de gezondheid van
dieren en die betreffende het welzijn van dieren. Door gezondheid en welzijn gescheiden te
behandelen is het de vraag of de regelgeving op het gebied van gezondheid en die op het gebied van
welzijn wel voldoende op elkaar afgestemd worden. Daar komt bij dat niet alleen de regelgeving,
maar ook het beleid, althans tot voor kort, onafhankelijk van elkaar werd afgewikkeld. Ook in de Raad
voor Dierenaangelegenheden (RDA) bestaan verschillende afdelingen voor gezondheid en welzijn.
Bij de relatie tussen milieu en welzijn van dieren doet zich dezelfde problematiek in versterkte mate
voor. De milieu- en welzijnsregelgeving staan geheel los van elkaar. Het milieu- en welzijnsbeleid
worden zelfs onafhankelijk van elkaar ontwikkeld. Pas sinds kort poogt de directie Landbouw van het
Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV) hier een integratie tot stand te brengen.
In de praktijk blijkt dat in een aantal gevallen de ontwikkeling van milieuvriendelijke houderijsystemen
ten koste van het welzijn van de dieren gaat. Daarmee worden niet alleen bedoeld de dieren die in
het onderzoek worden gebruikt, maar vooral die dieren die bij het in de praktijk nemen van een
bepaald systeem daarin gehuisvest worden. Om dit te voorkómen moeten bij het ontwerpen en
uittesten van nieuwe onderdelen of van een geheel nieuw huisvestingssysteem de gevolgen op het
welzijn worden meegewogen. Hiermee kan voorkomen worden, dat huisvestingssystemen die nog
meer belastend zijn voor het welzijn van de dieren dan de huidige gangbare huisvestingssystemen in
de praktijk gebruikt gaan worden. Van belang is dan wel dat in dit onderzoek de juiste
welzijnsparameters worden meegenomen, zodat verantwoorde uitspraken kunnen worden gedaan
over de consequenties voor het welzijn.
1.1 Doel
Het doel van dit rapport is derhalve om in ieder geval op hoofdpunten, concrete, herkenbare en
kwantificeerbare parameters te ontwikkelen op het gebied van dierenwelzijn voor de categorieën
landbouwhuisdieren: zeugen, biggen, vleesvarkens, melkvee, vleesstieren, vleeskalveren, legkippen,
vleeskuikens, vleeskuikenouderdieren, kalkoenen, eenden, konijnen en nertsen. Met deze
parameters moet het onderzoek, dat zich richt op diergezondheid, milieu of de ontwikkeling van
nieuwe huisvestingssystemen kunnen worden beoordeeld op de mate, waarmee ze rekening houden
met het welzijn van de dieren.
De parameters moeten in eerste instantie worden gebruikt voor het vooraf beoordelen van de
onderzoeksplannen. In het voorstel moet daarom door de onderzoeker(s) een inschatting worden
gemaakt van de effecten, die het onderzoek heeft op het welzijn van de dieren, waarbij moet worden
aangegeven hoe dit kwantitatief gemeten gaat worden.
Na het onderzoek moeten de onderzoekers data kunnen overhandigen, waaruit blijkt dat metingen
zijn verricht aan aspecten die iets kunnen zeggen over de invloed van het onderzochte op het welzijn
van de dieren.
In hoofdstuk 4 tot en met 16 wordt per diercategorie een lijst gegeven van aandachtspunten
betreffende huisvestings- en houderijaspecten die van belang zijn voor het welzijn van die
                                                      1
                                                      A
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>                                                                                               1 Inleiding
diercategorie. Als het onderzoek ingrijpt op één of meer van deze aspecten dan moet rekening
gehouden worden met gegeven elementen. Bijvoorbeeld wanneer een nieuw vloersysteem wordt
getest, moet extra gelet worden op beloopbaarheid, valpartijen en klauw- en beenaandoeningen.
Aan het eind van elk van deze hoofdstukken wordt in een paragraaf kort samengevat welke
parameters onvoorwaardelijk en welke voorwaardelijk moeten worden meegenomen. Voor de
onvoorwaardelijke parameters geldt dat deze altijd gemeten moeten worden, ongeacht het soort
onderzoek. Voorwaardelijke parameters moeten gemeten worden als het onderzoek daar aanleiding
toe geeft. Indien de voorwaardelijke parameters niet meegenomen worden in het onderzoek, moet dit
beargumenteerd worden.
Deze maatregelen zijn niet bedoeld om onderzoek te blokkeren, maar om onderzoekers van te voren
bewust te laten worden dat hun resultaten van invloed kunnen zijn op het welzijn van de dieren en dat
ze daarbij moeten inschatten hoe groot die invloed is.
Zo kan worden bereikt dat bij maatregelen voor de verbetering van de gezondheidstoestand van de
dieren, voor de verlaging van de milieubelasting of de ontwikkeling van nieuwe huisvestingssystemen
ook de gevolgen voor het welzijn van de dieren voldoende worden meegewogen.
1.2 Wettelijke basis en richtlijnen
In de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren zijn door middel van Algemene Maatregelen van
Bestuur (AMvB's) en soms ook door middel van Europese wetgeving basiseisen met betrekking tot
het bedrijfsmatig houden van dieren en welzijn van dieren vastgelegd voor een aantal diercatego-
rieën. Deze wettelijke regelingen zijn bedoeld om minimale gezondheids- en welzijnsniveaus voor de
verschillende diercategorieën te garanderen. Ook bestaan NEN-normen, waar allerlei
huisvestingsmaterialen en -constructies aan moeten voldoen.
Naast deze wettelijke regelgeving bestaan richtlijnen voor het in de praktijk bedrijfsmatig houden van
dieren. In Nederland worden die voor een groot deel naar buiten gebracht door het Informatie en
Kennis Centrum Veehouderij (IKC).
Voor al het onderzoek in de veehouderij geldt de wettelijke regelgeving als uitgangspunt. Daarnaast
vormen de richtlijnen voor het bedrijfsmatig houden van dieren een referentie voor het onderzoek in
de veehouderij.
In de materiaal en methoden paragraaf van het onderzoek moet nauwkeurig worden aangegeven
onder welke houderijomstandigheden de dieren gehouden en/of getest worden. Indien deze
omstandigheden afwijken van de wettelijke regelgeving en/of richtlijnen dan moet de onderzoeker
zich daarvoor verantwoorden.
                                                    2
                                                    B
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>                                                                   2 Mogelijke oorzaken van aangetast welzijn
2 Mogelijke oorzaken van aangetast welzijn2 Mogelijke oorzaken van aangetast
welzijn
In een veehouderijsysteem dat zo veel mogelijk rekening wil houden met het welzijn van de dieren,
hebben de dieren de mogelijkheid om alle essentiële gedragsfuncties (gedragsfuncties noodzakelijk
om 'normaal' te kunnen functioneren) uit te voeren, is de omgeving waarin ze leven beïnvloedbaar en
voorspelbaar en zijn ze vrij van ziekten en beschadigingen.
Dit ideaalbeeld bestaat niet in de veehouderij en is niet realistisch. Een veehouderijsysteem heeft
altijd te maken met verschillende belangen zoals veterinaire, economische, arbeidsomstandigheden,
milieutechnische en algemene dieraspecten, die van invloed zijn op hoe een houderijsysteem eruit
ziet.
Doch bij het afwegen van de belangen mogen specifieke eisen op het gebied van dierenwelzijn niet
bij voorbaat als onbelangrijk weggeschoven worden. Het moet net zo meewegen als andere
belangen om tot een redelijk, aanvaardbaar resultaat te komen.
2.1 Gedrag en stress
Het gedrag van dieren kan onderverdeeld worden in een aantal gedragsfuncties. Deze zijn:
- beweging;
- exploratie;
- opname van voedsel en water;
- excretie;
- lichaamsverzorging;
- thermoregulatie;
- rusten en slapen.
- sociaal contact, zich kunnen onttrekken aan elkaar;
- voortplanting;
- opgroeiprocessen, spel;
Elke diersoort en diercategorie kent een eigen biologische invulling van deze gedragsfuncties, waarbij
voor elke diersoort en diercategorie een eigen gewicht wordt gehecht aan het kunnen uitvoeren van
een bepaalde gedragsfunctie. Immers elk dier is door de evolutie en selectie geadapteerd aan een
specifieke omgeving waar het in staat is te overleven, te reproduceren en zo goed als mogelijk de
homeostasis te handhaven.
Om interne en externe condities op een optimaal niveau te houden, reageert het dier actief door
middel van verschillende fysiologische en gedragsmatige regelsystemen op korte en langdurige
veranderingen in de omgeving. Het is essentieel voor een dier om greep te hebben op de omgeving,
waarin het zich bevindt. Gewervelde dieren zijn echter niet alleen in staat om te reageren op verande-
ringen in de omgeving, maar kunnen ook op grond van ervaringen of biologische aanleg op verande-
ringen anticiperen.
Bij verlaging van de beïnvloedbaarheid en de voorspelbaarheid van de omgeving kan stress
ontstaan, die zich uit in typische gedragsmatige en fysiologische veranderingen. Houdt een dergelijke
situatie voor langere tijd aan en kan het dier zich niet goed aanpassen, dan wordt gesproken van
chronische stress. Chronische stress kan tot gevolg hebben dat de dieren:
                                                     3
                                                     C
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>                                                                2 Mogelijke oorzaken van aangetast welzijn
- abnormale gedragingen gaan ontwikkelen en angstig of apathisch worden;
- in- of uitwendige beschadigingen oplopen of ontwikkelen;
- een verlaagde fertiliteit, productie en/of ziekteafweer hebben.
Deze kunnen getypeerd worden als meetbare indicaties van een gestoord welzijn (Wiepkema, 1992;
1994a).
In de brede context van chronische stress vallen ook de omstandigheden, waarin de dieren niet
typische symptomen laten zien, maar toch langdurig in een situatie van negatieve belasting verkeren
zoals bijvoorbeeld bij niet voldoende of ongeschikte ligplaatsen, onvoldoende eetruimte, of het niet
beschikken over manipuleerbaar materiaal noodzakelijk om te exploreren of te nestelen.
2.2 Ziekte, ongevallen en ingrepen
Een welzijnsaantasting kan ook het gevolg zijn van andere, niet direct aan chronische stress
gerelateerde omstandigheden, maar voortkomen uit ziekte, ongevallen of menselijk ingrijpen.
Aantasting van de gezondheid van een dier, ofwel ziekte, is een inperking van het welzijn. Het geeft
een verstoring van het evenwicht dat bestaat tussen het dier en zijn milieu. Ziekte is een gevolg van
de aanwezigheid van ziekteverwekkers zoals virussen, bacteriën, schimmels en dergelijke die in de
betreffende omgeving de kans krijgen om de dieren ziek te maken. De hoogte van de kans is
afhankelijk van veel factoren zoals weerstand en conditie van het dier (chronische stress),
infectiedruk, klimaatomstandigheden, enzovoorts.
In het welzijnsonderzoek gericht op het verbeteren van systemen moet vooral aandacht zijn voor
systeemgebonden ziekten, ziekten die evident last veroorzaken en veel voorkomen.
Ongevallen die optreden als gevolg van slecht ontworpen of onderhouden stallen, zoals valpartijen, of
stoten aan scherpe uitsteeksels kunnen tot een welzijnsaantasting leiden als beschadigingen
hierdoor ontstaan.
Welzijnsaantastingen kunnen het gevolg zijn van menselijk ingrijpen zoals chirurgische ingrepen
(couperen, castreren, e.d.), foktechnische ingrepen (eenzijdige selectie en voeding op productiedoel)
en menselijk handelen (omgang met de dieren, transporteren en hergroeperen van dieren,
management).
2.3 Ruimte en beweging
Voor alle diercategorieën geldt dat de dieren voldoende ruimte moeten hebben om zich normaal te
kunnen voortbewegen, te keren, te gaan staan of liggen. Beweging is noodzakelijk voor een normale
skelet- en spierontwikkeling (Knowles en Broom, 1990; Marchant en Broom, 1994). Bij beweging
moeten spieren (waaronder hart) en longen een extra inspanning leveren. Dit stimuleert onder andere
de bloedsomloop en -doorstroming en daarmee allerlei inwendige processen. Beweging heeft op een
of andere wijze een kalmerende invloed (Zeeb et al., 1990). Gebrek aan ruimte en
bewegingsmogelijkheden zijn belangrijke oorzaken van welzijnsproblemen in de veehouderij.
Tevens is van belang dat onder sociale omstandigheden de ruimte zo is ingericht, dat dieren zich aan
elkaar kunnen ontrekken (kunnen vluchten). Geen gevolg kunnen geven aan de intentie om te
                                                     4
                                                     D
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>                                                              2 Mogelijke oorzaken van aangetast welzijn
vluchten of te vermijden, omdat die mogelijkheid niet aanwezig is, vormt een ernstige
welzijnsaantasting.
                                                  5
                                                  E
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>                                                                  2 Mogelijke oorzaken van aangetast welzijn
2.4 Stalklimaat
Het stalklimaat, waaronder temperatuur, luchtvochtigheid, luchtverversing, enzovoorts, heeft een
grote invloed op de gezondheid en het welzijn van de dieren. Met de huidige moderne middelen is het
mogelijk het stalklimaat goed te reguleren en te controleren. Dit wordt dan ook vereist bij nieuwe
ontwikkelingen in de veehouderij. Om duidelijk te krijgen of in een onderzoek daaraan voldaan wordt,
moeten een vijftal gegevens standaard geregistreerd worden namelijk, temperatuur, luchtvochtigheid,
luchtsnelheid, koolstofdioxidegehalte en het ammoniakgehalte. Additioneel kunnen, of moeten soms,
gegevens vastgelegd worden met betrekking tot het stofgehalte en andere gassen.
2.5 De verzorger
In de praktijk is de rol van de verzorger een belangrijke factor als het om het welzijn van de dieren
gaat. Het welzijn van elk individueel dier hangt immers voor een groot deel af van het vakmanschap
van de verzorger. Een houderijsysteem dat rekening houdt met het welzijn van de dieren kan in de
praktijk door een niet vakkundige verzorger of verkeerd management tot grote welzijnsproblemen
voor de dieren leiden. Omgekeerd kunnen in een houderijsysteem, dat weinig rekening houdt met het
welzijn van de dieren, maar waar een vakkundige verzorger aan het werk is, door een goed
management veel welzijnsproblemen voorkómen worden.
Ook onder onderzoeksomstandigheden moet een deskundige aandacht voor de dieren gewaarborgd
zijn door de aanwezigheid van gekwalificeerde dierverzorgers.
                                                    6
                                                    F
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>  2 Mogelijke oorzaken van aangetast welzijn
7
G
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>                                                    3 Enkele indicatoren van welzijnsaantasting in het algemeen
3 Enkele indicatoren van welzijnsaantasting in het algemeen3 Enkele indicatoren
van welzijnsaantasting in het algemeen
Een aantal (kenmerken van) indicatoren voor welzijnsaantasting gelden bij alle diercategorieën. Deze
zullen hier genoemd worden en, indien van toepassing, zal per diercategorie in de hoofdstukken
hierna specifieker op de meetbaarheid worden ingegaan.
3.1 Stereotypieën
Stereotypieën zijn gestoorde gedragingen en worden meestal gedefinieerd als gedragspatronen die
keer op keer herhaald worden zonder duidelijke betekenis of functie (zie Mason, 1991 voor een
uitgebreid review). Zij worden wel gekenmerkt als een coping-strategie, zijnde de gedragsmatige en
fysiologische reactie op een aversieve situatie (Schouten en Wiepkema, 1991).
Bij het meten van stereotypieën zijn de frequentie en duur van deze gedragingen binnen een
bepaalde tijdseenheid van belang en het aantal dieren dat dit gedrag vertoont. Voor gedetailleerde
methodes om stereotypieën bij de verschillende diersoorten te meten is een nadere bestudering van
de onderzoeken, waar in betreffende paragrafen naar gerefereerd wordt, noodzakelijk.
Het al dan niet optreden van stereotypieën hangt af van een aantal factoren zoals ras, leeftijd van het
dier, hoe lang het al in een bepaald houderijsysteem zit, moment en duur van waarnemen,
voerniveau, en individuele verschillen tussen dieren met betrekking tot hun coping-strategie
(sommige dieren zullen veel tijd besteden aan stereotypieën en andere juist weinig).
3.2 Fysiologische parameters
Naast gedragswaarnemingen kan via fysiologische waarnemingen inzicht verkregen worden in hoe
een dier lichamelijk op een stressor (acuut of chronisch) reageert. In deze paragraaf wordt kort
ingegaan op de basis van de stressfysiologie.
De regulering van fysiologische processen vindt plaats door een interactief neuro-endocrien systeem.
Bij stress reageert het centrale zenuwstelsel enerzijds met een snelle reactie via het sympatische
deel van het autonome zenuwstelsel. Het bijniermerg wordt aangezet tot het afgeven van adrenaline,
waardoor bijvoorbeeld het hart sneller gaat kloppen, de glucosespiegel in het bloed gaat stijgen,
sommige bloedvaten vernauwen, andere wijder worden, de bloeddruk toeneemt, de ademhaling
sneller gaat, en de spiertonus en de gevoeligheid van de zenuwen toenemen. Op deze manier wordt
het lichaam snel geprepareerd om in een vecht/vlucht situatie functioneel te zijn.
Anderzijds reageert het centrale zenuwstelsel met activiteiten die te maken hebben met behoud en
terugtrekken. Deze tweede reactie is trager en loopt via de de hypothalamus-hypofyse-bijnierschors-
as. De hypothalamus geeft CRF (Corticotroop Releasing Factor) af die de hypofyse stimuleert om
ACTH (Adreno Corticotroop Hormoon) aan het bloed af te geven. Dit hormoon stimuleert op zijn beurt
de bijnierschors om corticosteroïden af te geven. Deze corticosteroïden zorgen ervoor dat het
lichaam ondanks een aanhoudende stress redelijk normaal blijft functioneren. Dat betekent dat
bijvoorbeeld de hartslag omlaag gaat en de spijsvertering weer op gang komt. Bij aanhoudende
stress blijft het gehalte corticosteroïden in het bloed verhoogd; deze werken immunosuppressief en
kunnen hart- en vaatziekten en maag-darm laesies veroorzaken. Langdurige stress heeft daardoor
nadelige gevolgen voor de gezondheid en het welzijn van het dier.
                                                       8
                                                      H
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>                                                  3 Enkele indicatoren van welzijnsaantasting in het algemeen
Een aantal parameters komen in aanmerking als fysiologische indicator voor welzijn. De hartslag zegt
bijvoorbeeld iets over de eerste reactie op een stressor. De reactie via de hypothalamus-hypofyse-
bijnierschors-as kan gemeten worden, door het gehalte corticosteroïden in bloed of speeksel te
meten nadat een fysiologische of farmacologische doses ACTH is toegediend.
Ook kan de kwaliteit van het vlees een indicator zijn voor hoe belastend de uren vóór de slacht
waren. Met name tijdens inladen, transport, uitladen en wachten kunnen stresssituaties optreden door
bijvoorbeeld hergroeperingen, temperatuurschommelingen, weinig ruimte en opjagen. Bij varkens is
bekend dat onder invloed van stress tijdens hanteren en transport de kans is verhoogd op PSE- (Pale
Soft and Eudative) en DFD-vlees (Dark Firm and Dry). DFD-vlees komt ook bij runderen voor als ze
bij in- of uitladen gemengd worden met vreemde dieren.
Dit vlees heeft bovendien een lage kwaliteit en dit betekent een economisch verlies (Fraser en
Broom, 1990).
3.3 Gezondheidsstatus
Een drietal veterinaire parameters wordt gehanteerd om een indruk van de gezondheidsstatus te
krijgen. Dit betreft de parameters morbiditeit, mortaliteit en een verminderde (re)productie, waarbij
zowel de oorzaak van de sterfte als de frequentie, duur en oorzaak van de ziekte en
(re)productiedaling van belang zijn.
Bij het zoeken naar en het vergelijken van kwantitatieve gegevens met betrekking tot gezondheid van
dieren treden veel problemen op. Als redenen hiervoor worden genoemd:
- het begrip dat wordt gebruikt om de frequentie van ziekte-optreden te beschrijven: incidentie of
   prevalentie. Incidentie wordt gedefinieerd als het percentage dieren dat in een bepaalde
   tijdsperiode een bepaalde ziekte oploopt. Prevalentie wordt gedefinieerd als het per-centage dieren
   dat op een bepaald moment aan een bepaalde ziekte lijdt (momentopname);
- de rekeneenheid: worden bedrijven of dieren als eenheid genomen;
- de wijze van ziektebepaling: klinisch, serologisch, slachthuisbevindingen, mestmonsters, sectie,
   etc. Hiermee hangt samen:
- de definitie van ziekte: wordt specifiek naar één bepaalde aandoening gekeken (bijv.
   longaandoening) of wordt het verschijnsel bestudeerd (bijv. hoesten);
- het land en de regio van waarnemen;
- het moment van waarnemen. Te oude gegevens hebben weinig waarde. Hiernaast speelt dat
   prevalentiecijfers over ziekten die maar van korte duur zijn, ruim onderschat worden;
- de waarnemer: is dit de veehouder, de dierenarts, of nog iemand anders? Zelfs binnen een groep
   waarnemers kunnen grote verschillen optreden bij interpretatie van waarnemingen (Rougoor et al.,
   1994a).
Door deze problemen zijn weinig gegevens voorhanden die een goed kwantitatief inzicht geven in
gezondheidsproblemen op populatieniveau. Wel kan per diercategorie globaal aangegeven worden
wat de grootste gezondheidsproblemen zijn (Rougoor et al., 1994a).
De kwantificeerbaarheid van gezondheid bij dieren staat voor vergelijkbare problemen als die we bij
het welzijn tegen komen. Bovendien blijken welzijn en gezondheid nauw verstrengeld.
                                                     9
                                                     I
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>                                                   3 Enkele indicatoren van welzijnsaantasting in het algemeen
3.4 Medicijngebruik
Medicijnen worden in elke houderij in meer of mindere mate toegepast. Ze zijn bedoeld om ziekten te
(helpen) verminderen; ze worden ook vaak preventief toegepast om de ziektegevoeligheid te
verlagen of om direct of indirect als groeibevorderend middel te dienen. De toepassing van
medicijnen voor deze doeleinden maskeert vaak fundamentele gezondheidsproblemen.
De hoogte van het medicijngebruik kan een aanwijzing zijn voor gezondheids- en welzijnsproblemen
in een gegeven houderij. Van elk gebruikt medicijn dient daarom nauwkeurig genoteerd te worden
welk middel en hoeveel ervan is gebruikt. Tevens dient bij het gebruik van medicijnen de manier van
toediening (injectie, spray, gemengd door voer of water, enzovoorts), het aantal behandelingen, het
aantal dieren dat de behandeling krijgt/heeft gekregen en het aantal medicijndagen (aantal dagen
behandeling van een groep dieren + aantal behandelde dieren, gedeeld door het totaal aantal dieren)
genoteerd te worden. Daarbij moet de reden van toediening worden vermeld (diagnose) en bij welk(e)
dier(en) het is toegediend. Al deze gegevens zijn het beste vast te leggen in een dagelijks
bijgehouden logboek.
3.5 Angstuitingen
Van oorsprong zijn de voorouders van onze landbouwhuisdieren prooidieren en de huidige land-
bouwhuisdieren reageren nog soms op de mens als zijnde een potentiële bron van gevaar. Op een
goede manier omgaan met de dieren kan dit soort reacties voorkómen en een goed vakmanschap
van de verzorger is hiervoor vereist. Goede kwaliteiten van een verzorger kunnen paniek onder de
dieren voorkómen. Het berust op het vermogen om rustig en voorspelbaar om te gaan met de dieren
(Fraser en Broom, 1990).
Het werk van Hemsworth, Barnett en medewerkers laat zien dat goede omgang met varkens effecten
heeft op latere responsen van deze varkens richting de mens, op het gemak waarmee ze zijn te
hanteren als ze ouder worden en op de reproductie-uitingen (Hemsworth et al., 1981a; 1981b; 1986a;
1986b). Uit de resultaten van verdere experimenten met varkens blijkt dat een vriendelijke, een
minimale en een onvriendelijke behandeling door verschillende mensen niet alleen effecten hebben
op het niveau van angst voor mensen, maar ook op de productieresultaten (Hemsworth en Barnett,
1987).
Schapen laten verschillende hartslagverhogingen zien bij verschillende situaties. Met name de
benadering van een mens of een mens met een hond verhogen de hartslag flink (Baldock en Sibly,
1990). Hierbij is natuurlijk wel van belang in hoeverre de dieren gewend zijn aan mensen en honden.
Bij koeien blijkt de melkgift hoger als de boer zich op een rustige, bedachtzame manier gedraagt,
zacht tegen de koeien spreekt en een regelmatige werkroutine aanhoudt (Seabrook, 1987).
Dit soort resultaten toont dat de productie en het welzijn van de dieren wordt beïnvloed door het
contact met de mens (Seabrook, 1987; Metz, 1987) en naar alle waarschijnlijkheid kan aangenomen
worden dat dit voor alle gehouden diersoorten geldt.
Bij de interpretatie van de gegevens dient rekening gehouden te worden met verschillen tussen
diercategorie, ras, sekse, leeftijd en omgeving (bijv. kalveren in individuele boxen hebben een gering
blikveld en zijn hierdoor schrikachtig (De Wilt, 1985)).
                                                     10
                                                      J
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>                                                    3 Enkele indicatoren van welzijnsaantasting in het algemeen
Angstuitingen vormen een primair aspect van welzijn. In het onderzoek moeten daarom altijd
gegevens verzameld worden die een indicatie geven van het al dan niet angstig zijn van de dieren.
Het gaat in dit geval om gedragsmatige en hoorbare uitingen van angst, zoals vermijden, vluchten,
bevriezen, angst-geïnduceerde agressie, schreeuwen en gillen. Het is daarbij van belang of het dier
angstig is voor de mens, een andere diersoort, of voor een soortgenoot.
Indien het onderzoek daar aanleiding toe geeft moeten specifieke waarnemingen met betrekking tot
angst gedaan worden. Het betreft dan vooral hartslagmetingen.
3.6 Pijnuitingen
Een ander primair aspect van welzijn is pijn. Pijn is een sensorische en aversieve stimulus. De
verschillende soorten dieren reageren heel verschillend op pijn, sommige zullen gaan schreeuwen,
andere blijven of worden juist stil. De leeftijd van het dier speelt een rol, maar ook de omstandigheden
waarin een dier verkeert bepalen mede de reactie op een pijnprikkel. Van invloed op de pijnbeleving
of uiting zijn de door het dier zelf aangemaakte verdovende stoffen zoals bijvoorbeeld ß-endorfine
(Fraser en Broom, 1990). Beleving van pijn kan gemeten worden aan terugtrekreacties bij pijnstimuli,
de aanwezigheid van pathologische kenmerken zoals neuroma's (van de zenuwen uitgaande
goedaardig weefsel, hoofdzakelijk bestaande uit zenuwvezels) na chirurgische ingrepen, en
gedragsreacties.
In het huisvestingsonderzoek worden pijnuitingen altijd geregistreerd en meegenomen in
verschillende andere registraties, zoals bij locomotiestoornissen, angst, gezondheid en beschadi-
gingen.
3.7 Productiekengetallen
Productiekengetallen kunnen een indruk geven van eventuele welzijnsproblemen, maar doen dat
vaak niet. De gemiddelde cijfers maskeren problemen en in de praktijk hangt veel af van de verzorger
(Fraser en Broom, 1990). In de volgende hoofdstukken zullen regelmatig productiekengetallen uit de
praktijk of uit het onderzoek aangehaald worden, maar dit dient meer als indicatie voor wat gewoon
is. Dat wil niet zeggen dat wat gewoon is altijd als acceptabel kan worden beschouwd. Het vergelijken
van productiegetallen uit onderzoek met die uit de praktijk is vaak moeilijk.
3.8 Positieve welzijnsindicatoren
Betreffende positieve indicatoren voor welzijn is slechts weinig onderzoek verricht. Met behulp van
keuzeproeven of proeven waar dieren moeten werken voor het verkrijgen van beloningen, zoals
toegang tot voer, stro, nestruimte enzovoorts, kan meer inzicht verkregen worden in wat de voorkeur
van een dier in een bepaalde omstandigheid is en hoe zeer het bereid is ervoor te werken. Hoe
harder een dier wil werken voor een beloning, des te meer wordt dit belonend aspect als essentieel
voor het dier gezien. In dit rapport wordt verder niet specifiek ingegaan op positieve indicatoren voor
welzijn. Deze indicatoren hebben in ieder geval direct te maken met het kunnen uitvoeren van eerder
genoemde essentiële gedragsfuncties. In dit rapport ligt het accent op indicatoren van verminderd
welzijn en ongerief in situaties die in de dierhouderijen (bij voorkeur) vermeden dienen te worden.
                                                      11
                                                       K
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>3 Enkele indicatoren van welzijnsaantasting in het algemeen
  12
   L
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>                                                                                                 4 Zeugen
4 Zeugen4 Zeugen
De grootste welzijnsproblemen binnen de gangbare zeugenhouderij komen bij individuele huisvesting
voort uit een beperkte voergift en het gebrek aan bewegingsruimte, aan sociaal contact, aan
vluchtmogelijkheden, aan strooisel, aan ruwvoer, en aan de mogelijkheid om buiten de ligplaats te
kunnen mesten en urineren. Bij groepshuisvesting geldt in het algemeen dat daar de welzijnsproble-
men voortkomen uit een verhoogde agressie, gebrek aan strooisel, geen goede vloer (afhankelijk van
systeem), beperkte voergift en geen ruwvoer (Fraser en Broom, 1990) en de onmogelijkheid zich aan
elkaar te kunnen onttrekken.
Bij de zeugenhouderij kan onderscheid gemaakt worden naar productiefase (gust, drachtig, zogend)
en naar houderijsysteem. Zover van belang zal dat hieronder gedaan worden.
4.1 Aandachtspunten voor de zeugenhouderij
Aandachtspunten betreffende de houderij en huisvesting van zeugen, die van belang zijn voor het
welzijn, zijn:
- vloeruitvoering: De vloeruitvoering heeft een groot effect op de mate van beweging en staan, en het
   optreden van klauwproblemen en kreupelheden. De voorkeur gaat uit naar droge vloeren met een
   voldoende stroefheid of profiel. Zowel gladde, te ruwe als natte vloeren kunnen problemen
   veroorzaken. Op gladde vloeren is de beloopbaarheid minder en glijden dieren vaker uit met
   daardoor een verhoogde kans op verwondingen, kneuzingen of botbreuken. Op ruwe vloeren
   slijten de klauwen harder en kunnen gemakkelijker verwondingen ontstaan. Bij roostervloeren is de
   spleet- en balkbreedte en de technische kwaliteit van belang. Te wijde spleten vormen een risico
   omdat de klauwen erin kunnen blijven steken, te nauwe spleten hebben te weinig mestdoorlaat
   waardoor de roosters te nat en glad blijven (Müller et al., 1987). Betonnen roostervloeren slijten na
   verloop van tijd. Ze worden glad en er brokkelen soms deeltjes af. Dit geeft een verhoogd risico
   voor de dieren. Een betonnen roosterbalk dient voldoende breed te zijn om een goed draagvlak
   voor de klauw te vormen. Volgens Baxter (1984) mag de spleetbreedte van betonroosters nooit
   meer dan de helft van de breedte van de klauw bedragen en moet de balkbreedte van betonroos-
   ters minstens de breedte van de klauw hebben. Metalen driekant roosters hebben smallere spleet-
   en balkbreedtes zonder dat dit tot bevuiling leidt. Wel zijn deze roosters tamelijk glad en geven ze
   de dieren weinig grip, met name in de lengterichting. Bij onderzoek naar vloeren moet in ieder
   geval waarnemingen gedaan worden aan beloopbaarheid, poot- en klauwbeschadigingen.
- ruimte: Varkens hebben voldoende ruimte nodig om te kunnen bewegen, bijvoorbeeld om te gaan
   staan en te gaan liggen, te keren en te lopen. Lopen is een belangrijke onderdeel van het
   fourageren en exploreren. In het Varkensbesluit (1994) is het een en ander vastgelegd met
   betrekking tot beschikbaar oppervlak en uitvoering van de vloer. De grootte van de beschikbare
   ruimte moet voor varkens boven de 110 kg minimaal 1 m2 per dier bedragen, waarvan 0,4 m2 een
   dichte vloer moet zijn. De lengte van de lig/staplaats moet voor zeugen en gelten minimaal 2,0 m
   zijn. Deze oppervlakte is echter te beperkt om normaal te kunnen bewegen.
- rustmogelijkheden: Een ligruimte met dichte vloer die duidelijk gescheiden is van de mestruimte
   verdient de voorkeur. Een varken is van nature een zindelijk dier, dat op vaste plaatsen op 5 tot 15
   m afstand van de ligplaats mest (Stolba en Wood-Gush, 1989). De ligplaats dient voldoende ruimte
                                                    13
                                                     M
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>                                                                                                4 Zeugen
  voor alle dieren te bieden om te kunnen liggen. Baxter (1990) en Petherick en Baxter (1982)
  stelden formules op (0,046W0,67 respectievelijk 0,048W0,67) voor de benodigde ligruimte per dier (in
  m2) gerelateerd aan het lichaamsgewicht (W) in kg.
- water en thermoregulatie: Water vervult een essentiële rol bij de thermoregulatie van het varken bij
  hoge omgevingstemperaturen. Aangezien een varken niet kan transpireren en de directe afgifte
  van warmte door uitstraling van het huidoppervlak vaak niet voldoet, heeft het varken van nature
  twee belangrijke andere warmteafgiftebronnen, namelijk waterverdamping in de luchtwegen en op
  de huid. Dit laatste gebeurt na het nemen van een modder, of waterbad, maar is in de praktijk over
  het algemeen niet mogelijk (Van Putten, 1994). Indien een varken geen invloed heeft op het
  moment van kunnen drinken, kan dit aangemerkt worden als een stressvolle situatie. Immers de
  thermoregulatie is essentieel voor het overleven van het dier. De hoeveelheid water die een zeug
  per dag drinkt hangt sterk af van bijvoorbeeld omgevingstemperatuur, productiefase (drachtig,
  zogend of gust) en huisvestingssysteem. Een onbeperkte watergift in tijd en hoeveelheid verdient
  dan ook de voorkeur.
  Water heeft naast de thermoregulerende werking natuurlijk een fysiologische noodzakelijkheid. In
  de praktijk wordt voor vleesvarkens een water/mengvoerverhouding van 2,0-2,5 geadviseerd. Voor
  guste en dragende zeugen is het advies 8-12 liter water afhankelijk van de drachtigheidsfase en
  onbeperkt voor zeugen met biggen (IKC, 1993a). Het ARC (1981) adviseert in Engeland 5-8 liter
  per dag voor guste en dragende zeugen.
- voeropname: Onder semi-natuurlijke omstandigheden spendeert een varken 80% van zijn actieve
  tijd aan fourageren en exploreren, ondanks een dagelijkse beperkte krachtvoergift (Stolba en
  Wood-Gush, 1989). In de gangbare praktijk van de zeugenhouderij krijgen de dieren één- of
  tweemaal daags krachtvoer verstrekt, in totaal tussen de 2,0 en 3,5 kg. Dit wordt in korte tijd
  opgenomen. Met dit krachtvoer is aan de fysiologische behoefte voldaan. Fourageergedrag is in
  principe niet nodig, maar echte verzadiging treedt niet op. Zeugen blijken, ondanks deze fysiologi-
  sche voldoening, fourageergedrag te blijven uitvoeren en een andere graad van verzadiging te
  willen bereiken. Appleby en Lawrence (1987) en Terlouw (1993) vonden dat beperkte voedering
  een belangrijke oorzaak was voor de ontwikkeling van stereotypieën bij individueel gehuisveste
  zeugen. Een hoger voerniveau of het verstrekken van ruwvoer vermindert deze symptomen sterk.
  Ruwvoer heeft een positieve invloed op de spijsvertering en verhoogt de mechanische verzadi-
  gingsgraad. Dit maakt de dieren rustiger (Den Hartog et al., 1988);
  Voldoende eetruimte is noodzakelijk zodat elk individu voer op kan nemen zonder onderlinge
  agressie en het optreden van beschadigingen en onrust.
- strooisel: Strooisel met name in de vorm van lang stro komt tegemoet aan een aantal behoeften
  van het varken. Het biedt kauwmateriaal, maagvulling, wroetmogelijkheden en een zacht, warm
  ligbed (Sainsbury, 1984; Fraser et al., 1991) en het heeft positieve effecten op de klauw- en
  pootgezondheid (Van der Wilt en Vermeer, 1994). In de kraamstal voldoet lang stro prima als
  nestbouwmateriaal (Jensen, 1993). Lang stro heeft echter daar het nadeel, dat biggen erin verstrikt
  kunnen raken en daardoor niet snel genoeg weg kunnen komen als de zeug gaat liggen. Met name
  kort na de geboorte als de biggen nog nat zijn vormt dit een risico. Kort stro voldoet minder goed
  als nestbouwmateriaal, maar heeft niet dat verhoogde risico van verstrikt raken (Schouten, pers.
  med.).
  Stro op het ligoppervlak is bij hoge omgevingstemperaturen nadelig voor de thermoregulatie.
                                                  14
                                                   N
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>                                                                                                 4 Zeugen
- sociaal contact: De zeug is van nature een sociaal levend dier en isolatie is een stressor, behalve
   ten tijde van het werpen. Het varken synchroniseert van nature veel van zijn gedragingen met
   groepsgenoten. Frustratie ontstaat als bepaalde gedragingen, met name bij het eten, niet gelijktijdig
   uitgevoerd kunnen worden (Dantzer, 1990).
   Het niet normaal kunnen afwikkelen van sociale conflicten levert ook problemen op. In groepshuis-
   vestingssystemen horen voorzieningen aanwezig te zijn, die het mogelijk maken eventuele
   belagers te kunnen ontwijken. Om rangordegevechten tot een minimum te beperken dient de
   groepssamenstelling niet te vaak te veranderen (Van Putten, 1994). In geval een zeug moet
   afbiggen zondert zij zich graag af om een nest te bouwen op een rustige, beschutte plek (Stolba en
   Wood-Gush, 1989).
- licht: Voldoende licht in de stal is belangrijk voor een goede controle door de verzorger, maar ook
   voor de varkens om elkaar goed te kunnen zien. Met name bij agonistisch gedrag is het van belang
   dat de opponenten elkaar kunnen waarnemen, bijvoorbeeld om te zien wie er wijkt. Varkens
   kunnen vanaf een lichtsterkte van 12 lux kleuren onderscheiden (Graf, 1976). Zij zijn van nature
   dagactieve dieren die twee activiteitsperioden kennen die tezamen ongeveer 8 tot 12 uur in beslag
   nemen (Schrenk, 1981; Schouten, 1989).
4.2 Abnormaal gedrag
- stereotypieën: De vormen waarin een zeug stereotypieën kan vertonen zijn legio. De meest
   voorkomende zijn orale stereotypieën zoals: herhalend bijten op een zelfde voorwerp (bijv. op
   ijzerwerk of rand van de trog), schijnkauwen (herhalend kauwbewegingen maken zonder iets in de
   bek te hebben met als gevolg een overvloed aan speekselproductie dat vaak schuimend uit de bek
   druipt), herhalend likken aan voorwerpen (bijv. vloer, voertrog, ijzerwerk), herhalend wroeten aan
   voorwerpen (bijv. vloer, trog, ijzerwerk). Orale stereotypieën zijn met name te zien de eerste uren
   na het voeren van een beperkte hoeveelheid krachtvoer.
   Individuele gedragsobservaties zijn noodzakelijk om inzicht te krijgen in het al dan niet optreden
   van stereotypieën, waarbij de vorm, de duur en de frequentie van het optreden van stereotypieën
   van belang is (zie bijvoorbeeld Cronin en Wiepkema, 1984).
In een onderzoek van Backus et al. (1991), waarbij drie verschillende huisvestingssystemen zonder
strooisel (voerligbox, aanbindbox en groepshuisvesting met voerstation) werden vergeleken, werd
abnormaal gedrag in de vorm van looskauwen en objectbijten in respectievelijk 9,9%, 8,5% en 7,3%
van de tijd per etmaal per dier waargenomen.
Vieuille-Thomas et al. (1995) hebben eveneens data verzameld over stereotypieën in drie
verschillende huisvestingssystemen op praktijkbedrijven. Zij vonden in zowel het voerligbox- (1,39
m2/zeug) als in het aanbindsysteem (1,21 m2/zeug) dat meer dan 90 % van de zeugen stereotypieën
vertoonde gedurende het eerste uur na voeren. Bij groepshuisvesting (5-9 zeugen per groep, 3,12 m2
per zeug, gevoerd in troggen met daartussen dichte schotten) met dezelfde verzorging (dat wil
zeggen geen ruwvoer of strooisel) was dit 66%. Geen melding wordt gemaakt over de duur van de
vertoonde stereotypieën.
Fraser en Broom (1990) vatten een aantal resultaten uit onderzoeken naar het vóórkomen van
stereotypien samen. Zij stellen in tegenstelling tot Vieuille-Thomas et al. (1995), dat in
                                                     15
                                                      O
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>                                                                                                   4 Zeugen
groepshuisvesting het vóórkomen van stereotypieën zeer laag is, overigens zonder referenties die dit
zouden moeten bevestigen. Het soort groepshuisvesting is hierbij een belangrijke factor.
- apathisch: Het niet tot nauwelijks reageren op prikkels/stimuli en/of een zeer lage activiteit (reactie-
  loos) wordt als apathisch aangemerkt. Apathische zeugen vertonen vaak zitgedrag (hondezit) en
  laten de kop bewegingloos hangen.
Een extreem lage activiteit kan een aanwijzing zijn voor een verlaagd welzijn, waarbij wel in acht
moet worden genomen dat activiteit samenhangt met de pariteit, copingstrategie, fase in de cyclus en
eventuele aanwezigheid van klauw- of beenaandoeningen.
Apathisch gedrag in de vorm van hondezit werd bij drachtige zeugen 3%, 1% en 0% van de tijd per
etmaal vertoond bij achtereenvolgens het voerligboxsysteem, het aanbindsysteem en een groeps-
huisvestingssysteem met voerstation (Backus et al., 1991). Uit deze gegevens blijkt dat apathie niet
erg veel optreedt en daardoor waarschijnlijk niet zo'n bruikbare maat is voor aangetast welzijn. Toch
dienen de dieren die apathie vertonen genoteerd te worden, omdat het een ernstige vorm van
abnormaal gedrag is.
4.3 Orgaanbeschadigingen
- inwendige beschadigingen: Bij sterfte of afvoer moeten sectie- of slachtgegevens verzameld
  worden met betrekking tot inwendige beschadigingen. Indien mogelijk moet daarbij onderscheid
  gemaakt worden naar ernst van de aandoening.
Een heel scala aan pathologische beoordelingen kan verricht worden. Geudeke (1992) noemt
bloedmonsters, klauwen (met name de zolen van de achterklauwen), huid, nieren, pariëtale
pleurablad, hart (pericard), longen (het viscerale pleurablad), lever, milt ovaria, uterus, blaas en de
organen van de digestietractus. Van belang is dat grote verschillen bestaan tussen bedrijven
(huisvesting, stalklimaat, management, enzovoorts), tussen rassen en tussen waarnemers.
Een korte samenvatting van het onderzoek van Geudeke (1992) betreffende aangetroffen
prevalenties van aandoeningen bij zeugen aan de slachtlijn wordt hier gegeven. Voor een uitgebreide
beschrijving alsmede resultaten uit andere onderzoeken zie Geudeke (1992).
Hart:                     1-2% pericarditis;
Respiratie organen:       longen met pneunomie minder dan 2%; borstvliezen met pleuritis 16,2-
                          20,6%;
Digestietractus:          lichte maagwandbeschadigingen in de pars oesophagea ongeveer 90%;
                          torsies van delen van het maag-darmkanaal bij uitzondering;
Lever:                    'white spots' zeer weinig;
Nieren:                   niercysten weinig; haardnephritiden en infarcten 1-2%;
Blaas:                    blaasontsteking 3% bij gelten en 23% bij zeugen met pariteit 10 of meer;
Eierstokken:              (pseudo)hermaphroditisme 0,13% (bij alleen gelten geschat op 4%);
                          inactieve ovaria 2,2%-27,0%; cysteuze ovaria 5,8%;
Baarmoeder:               segmentale aplasie van een uterushoorn 0,09%;
Huid en uier:             dermatitis 10%;
Locomotieapparaat:        zoolbeschadigingen aan de achterklauw, hoge prevalenties.
                                                     16
                                                     P
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>                                                                                               4 Zeugen
- uitwendige beschadigingen: Regelmatig moet elk individueel dier gecontroleerd en gescoord
   worden op beschadigingen, verwondingen, littekens, zwellingen, kreupelheden of andere
   opvallende bevindingen, waarbij vermeld moet worden de ernst en plaats van bevinding(en).
   Gedragsobservaties zijn soms noodzakelijk om inzicht te krijgen hoe, wanneer en onder welke
   omstandigheden de beschadigingen ontstaan.
De Koning (1985) heeft aangetoond, dat het mogelijk is om door middel van het scoren van laesies
aan het huidoppervlak (aangepaste Ekesbo-methode) enig inzicht te verkrijgen is in de mate van
welzijn van het dier. Daarbij heeft hij ook verschillende bedrijfssystemen met elkaar vergeleken.
Bij groepshuisvesting moet met name gelet worden op beschadigingen aan vulva, flank, oren, poten
en klauwen. Deze kunnen allen ontstaan als gevolg van agonistisch gedrag, dat vooral gezien wordt
bij competitie om voer (Fraser en Broom, 1990). Backus et al. (1991) vonden tijdens de wekelijkse
controle bij 20% van de zeugen in groepshuisvesting verse beschadigingen aan de vulva, waarvan
een kwart als zeer ernstig werd aangemerkt.
4.4 Verlaagde reproductie
- terugkomers: Genoteerd dienen te worden datum van inseminatie, het aantal inseminaties per
   zeug, naam van inseminator, identificatienummer/naam van de beer, en uitslag van eventuele
   drachtigheidstest. Indien een zeug terugkomt is zodoende informatie voorhanden om naar de
   oorzaak te zoeken. Het percentage terugkomers na (eerste) inseminatie kan iets zeggen over
   eventuele vruchtbaarheidsproblemen en is afhankelijk van een aantal factoren waarvan chronische
   stress er één is.
Onder de huidige gangbare omstandigheden bedraagt het percentage terugkomers ongeveer 16%
(Backus et al., 1991). Ook andere productiegetallen zoals worpindex (2,21-2,27 worpen/zeug/jaar),
levend geboren biggen per worp (10,7-10,9), percentage biggensterfte (14,5-12,6%), grootgebrachte
biggen per worp (9,1-9,5) en aantal biggen per zeug per jaar (19,7-21,5) kunnen een indruk geven
van eventuele reproductiestoornissen. De gegeven waarden zijn gebaseerd op de 20% gemiddelde
bedrijven in 1989 (Dijkhuizen, 1989). Tussenworptijd is ook een indicator. Deze moet ongeveer 152
dagen bedragen (Backus et al., 1991). De hier gegeven getallen zijn uiteraard minder relevant als
een onderzoek ingrijpt op de gebruikelijke managementstrategie, bijvoorbeeld door de zoogperiode te
verlengen.
- te laat of niet in oestrus komen: Genoteerd dient te worden welke zeugen of gelten niet op een
   natuurlijke manier in oestrus komen en daarom afgevoerd of met hormonen behandeld worden.
Backus et al. (1991) vermelden dat 12% in aanbind-, 27% in voerligbox- en 19% in groepshuisves-
tingsysteem met voerstation van de zeugen afgevoerd wordt om de reden dat ze niet in oestrus
komen (zie tabel 4.1).
4.5 Verhoogde ziektegevoeligheid
                                                     17
                                                      Q
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>                                                                                                4 Zeugen
- medicijnen: Al het gebruik van medicijnen dient naar aard en omvang genoteerd te worden.
- ziekte-incidenties: De dieren die ziek worden tijdens het onderzoek moeten geregistreerd worden.
   Tevens moet indien mogelijk genoteerd worden aan welke ziekte of aandoening het dier lijdt of
   anders welke symptomen het dier vertoont en hoe lang de ziekte duurt.
De Koning (1986) noemt vier belangrijke groepen van aandoeningen die bij zeugen worden
aangetroffen. In volgorde van frequentie zijn dat:
1 Aandoeningen van het uro-genitaal apparaat
   Veelvoorkomende afwijkingen zijn ontstekingen van de geboorteweg, de blaas en de baarmoeder.
   Het percentage dieren dat opgegeven wordt te lijden aan dergelijke infecties loopt uiteen van 10-
   50%. Als factoren die bijdragen aan het optreden van een infectie worden genoemd: gebrek aan
   beweging, stalklimaat, te weinig drinkwater, slechte hygiëne en het voorkomen van hondezit.
   Madec (1984) vond dat aangebonden zeugen veel minder dronken en daardoor een veel
   geconcentreerdere urine hadden (al waren er ook zeugen die zeer veel dronken) dan zeugen die
   vrij konden rondlopen.
2 Aandoeningen van het bewegingsapparaat
   Uitval ten gevolge van beengebreken (locomotiestoornissen) betreft 20 tot 60% van alle uitval.
   Ongeveer tweederde daarvan treedt op ten gevolge van klauwproblemen en één derde is het
   gevolg van beenzwakte. Factoren die bijdragen aan beengebreken zijn: overbelasting (krachten
   van dier, eigenschappen van de vloer), opfok, genetische aanleg, voeding en hygiëne.
3 Beschadigingen van de huid
   Huidbeschadigingen als gevolg van omgevingsfactoren zijn onder te verdelen in twee
   hoofdcategorieën, namelijk:
          a) vereeltingen, zwellingen en huidafsterving (decubitus);
          b) verwondingen.
   De eerste groep treedt met name op bij individuele huisvesting en heeft te maken met de 'hardheid'
   van de huisvesting. De tweede groep treedt met name op bij groepshuisvesting en is een gevolg
   van agonistische interacties of uitstekende stalonderdelen.
4 Infectieziekten
   De meeste infectieziekten komen op alle vermeerderingsbedrijven voor, zonder altijd klinisch
   manifest te zijn. Voor bepaalde infectieziekten is het voordelig dat de dieren veel met elkaar in
   contact komen zoals bij groepshuisvesting, omdat dan een goede immuniteitsopbouw ontstaat.
   Voor andere infectieziekten is dit juist ongunstig (De Koning, 1986).
Rougoor et al. (1994a) noemen als vier meest voorkomende gezondheidsproblemen voortplan-
tingstoornissen, aandoeningen aan het bewegingsapparaat, luchtwegaandoeningen en maagdarm-
stoornissen. De laatste twee zijn vaak het gevolg van infecties.
4.6 Verlaagde vitaliteit
- sterfte en afvoer: Genoteerd dient te worden welke dieren sterven of afgevoerd worden en om
   welke reden. Bij onduidelijkheid over de sterfte dient sectie te worden verricht.
                                                     18
                                                     R
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>                                                                                           4 Zeugen
Bij 35% van de afgevoerde zeugen wordt als reden van afvoer aangegeven vruchtbaarheids-
problemen (VAMPP gegevens, Rougoor et al, 1994a). Backus et al. (1991) geven een opsomming
van redenen van afvoer in drie huisvestingssystemen. Daarbij worden vooral niet berig worden,
beenwerk, terugkomen en gust als hoofdredenen van afvoer gemeld (zie tabel 4.1).
In de hedendaagse praktijk komt het vervangingspercentage ongeveer uit op 40-45% (IKC, 1993a;
Rougoor et al., 1994a).
                                                19
                                                 S
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>                                                                                                         4 Zeugen
Tabel 4.1: Aantal afgevoerde zeugen en afvoerredenen per bedrijfssysteem. Per zeug is telkens maar één
afvoerreden opgegeven, terwijl in de praktijk toch vaak sprake is van een combinatie van factoren (bron: Backus
et al., 1991).
       reden van afvoer           aangebonden (%)                voerligbox (%)         groepshuisvesting met
                                                                                            voerstation (%)
 beenwerk                                30                            17                         25
 urogenitaalontsteking                    6                             2                          1
 terugkomen                              10                            10                         14
 verwerpen                                6                             2                          3
 gust                                    12                             8                         11
 niet berig                              12                            27                         19
4.7 Angstuitingen
Voor het meten van angstuitingen zie paragraaf 3.5.
4.8 Samenvattend
Hieronder wordt het voorgaande samengevat, waarbij een onderverdeling is gemaakt in
onvoorwaardelijke en voorwaardelijke parameters. Onvoorwaardelijke parameters zijn de parameters
die in elk onderzoek geregistreerd moeten worden. Voorwaardelijke parameters hoeven alleen
geregistreerd te worden indien het onderzoek ingrijpt op een aspect dat gerelateerd is aan die
parameter(s). De parameters in beide groepen zijn in willekeurige volgorde gerangschikt.
Onvoorwaardelijke parameters:
- gedragswaarnemingen voor het vastleggen van stereotypieën, apathie en angst;
- uitwendige beschadigingen;
- locomotiestoornissen;
- reproductiekengetallen;
- medicijngebruik;
- ziekte-incidenties;
- gegevens over het stalklimaat;
- mortaliteit plus oorzaak, afvoer plus reden.
Voorwaardelijke parameters:
- slacht- of sectiegegevens in het bijzonder met betrekking tot maagwandbeschadigingen, lever,
   longen en voortplantingsorganen;
- gedragswaarnemingen voor inzicht in geschiktheid van de vloer, ruimtegebruik, activiteit, sociale
   interacties, exploratie, lichaamsverzorging en rust;
- voer- en wateropname;
                                                        20
                                                         T
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>                                                         4 Zeugen
- specifieke metingen van angstuitingen (hartslag e.d.).
                                                 21
                                                 U
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>   4 Zeugen
22
V
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>                                                                                                5 Biggen
5 Biggen5 Biggen
Tijdens de zoogperiode komen de welzijnsproblemen bij biggen voort uit de kleine, prikkelarme ruimte
waarin ze leven en het relatief grote gevaar op ziekte en sterfte (Edwards, 1987).
De grootste welzijnsproblemen in de gangbare opfok van biggen ontstaan uit de vroege speenleeftijd,
het mengen van tomen na het spenen, kleine, eentonige, prikkelarme hokken zonder vlucht- of
schuilmogelijkheden (Edwards, 1987).
Drie bijzondere welzijnsproblemen vormen het tanden knippen (tegen uierbeschadiging), staart
couperen (ter voorkoming van staartbijten in de mestfase) en castreren (ter voorkoming van de
ontwikkeling van vlees met een afwijkende geur). Hoewel hierover het een en ander is vastgelegd in
het Varkensbesluit (1994) van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren moet dit toch kort
genoemd worden. Het castreren, dat wettelijk is toegestaan, is geen welzijnsprobleem als gevolg van
de houderijomstandigheden en is daarom voor dit rapport niet relevant. Volgens de wet mogen
tanden knippen en staart couperen alleen verricht worden als verwondingen ontstaan als gevolg van
het nalaten van de ingrepen. Het mag niet als routine verricht worden. Echter wanneer van routine
sprake is is niet duidelijk. Om staartbijten te voorkómen wordt onder huidige huisvestingsomstandig-
heden routinematig op jonge leeftijd gecoupeerd. Ook tanden knippen wordt nog veel preventief
uitgevoerd.
5.1 Aandachtspunten voor de biggenhouderij
Voor wat betreft rustmogelijkheden, wateropname, strooisel, sociaal contact, en licht geldt het zelfde
voor de biggen als voor de zeugen. Aanvullend worden enkele specifieke aandachtspunten
betreffende de biggenhouderij, die van belang zijn voor het welzijn, hier genoemd:
- vloeruitvoering: Het is wettelijk toegestaan biggen op een volledige roostervloer te houden mits die
   niet van beton of dunne metalen draadroosters is. Roosters kunnen echter problemen veroorzaken
   voor de klauwen, beloopbaarheid en het beenwerk, waardoor locomotiestoornissen kunnen
   ontstaan. Roosters hebben wel hygiënische voordelen doordat de dieren minder met de mest in
   aanraking komen (Marx en Mertz, 1987). Kunststoffen roosters lijken een goede middenweg. Ze
   zijn hygiënisch en geven de biggen enig comfort door de zachtheid en isolerende werking. Metalen
   driekant roosters zijn wel hygiënisch en geven voldoende draagvlak maar zijn glad en niet
   isolerend.
- ruimte: Te weinig ruimte om te bewegen tijdens de zoogperiode heeft een negatieve invloed op de
   sociale ontwikkeling van een big, met name op het gebied van omgaan met conflicten (Schouten,
   1986) en seksuele ontwikkeling (De Jonge et al., in druk). Kraamhokken kleiner dan 6 m2 worden
   afgewezen in dit verband (Schouten, 1986). Tevens moet de mogelijkheid aanwezig zijn om uit het
   zicht te kunnen komen van eventuele belagers. Opfokbiggen moeten volgens het Varkensbesluit
   (1994) minimaal een oppervlakte van 0,3 m2/dier hebben. Marx en Mertz (1987) zien 0,3 m2 als een
   compromis. Beter zou het zijn de dieren een oppervlak van 0,45 tot 0,7 m2 per dier te geven.
- voeropname: Biggen hebben de eerste weken in principe voldoende aan de melk van de zeug.
   Daarna nemen ze, indien beschikbaar, steeds meer vast voer op en worden ze minder afhankelijk
   van melk. Dit proces kan al beginnen bij een leeftijd van twee weken, maar een aanzienlijke
   opname van vast voer wordt pas bereikt bij ongeveer een leeftijd van vijf weken (zie hieronder).
   Vroeg spenen (op 3 of 4 weken) heeft een groot nadelig effect op het maag-darmkanaal, vooral bij
                                                     23
                                                     W
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>                                                                                                 5 Biggen
  die biggen, die nog weinig vast voer opnemen en gewend zijn aan veel melkopname (Makkink,
  1993; Nabuurs, 1991). Het verstrekken van stro, eventueel in een ruif, verbetert de situatie voor de
  biggen onder intensieve omstandigheden aanmerkelijk (Marx en Mertz, 1987; Grauvogl, 1987).
- groepssamenstelling en groepsgrootte: Na het spenen verdient het de voorkeur om tomen niet te
  mengen en niet te verplaatsen en dus tomen bij elkaar te houden. Ekkel et al. (1995) vonden in
  navolging van Friend et al. (1983) en Tan en Shackleton (1990) dat het mengen en verplaatsen van
  tomen bij het spenen leidt tot meer agressie, meer beschadigingen en meestal tot een lagere groei.
  Beschadigingen worden vooral waargenomen aan oren, huid en staart als gevolg van gevechten
  om nieuwe rangordes te bepalen als tomen gemengd zijn (Ekkel et al., 1995). Ook werden hogere
  cortisolconcentraties in het speeksel gemeten na het mengen bij spenen (een fysiologische
  parameter voor stress). Het vechten na het mengen van tomen hoeft in principe niet tot ernstige
  verwondingen te leiden, maar door een krappe behuizing en onvoldoende ontwijkmogelijkheden
  kan de verliezer niet vluchten waardoor toch problemen kunnen ontstaan (Fraser en Broom, 1990).
- stalklimaat: Een goed stalklimaat is zeer belangrijk voor jonge biggen. Bijvoorbeeld bij te lage
  omgevingstemperaturen kruipen de biggen dicht op elkaar (huddling-effect). Indien dit langere tijd
  aanhoudt zijn de gevolgen ook aan het uiterlijk van de biggen te zien zoals lange haren, verhoogde
  ziektegevoeligheid en achterblijvende groei.
- biggennest: In kraamstallen dient een ingestrooid biggennest aanwezig te zijn waar de biggen
  warm en veilig kunnen liggen (Fraser en Broom, 1990).
5.2 Abnormaal gedrag
- gestoord gedrag: Beschadigingen als gevolg van gestoord gedrag ontstaan op verschillende
  manieren, bijvoorbeeld doordat de biggen aan elkaar gaan bijten of kauwen, waarbij met name de
  extremiteiten zoals staart, oren of poten het moeten ontgelden, doordat biggen op elkaar gaan
  wroeten en zuigen bijvoorbeeld op buik en navel, of door gevechten (Van Putten en Dammers,
  1976; Fraser, 1978). Dit soort gedrag treedt meer op onder ongunstige klimaats- en/of
  huisvestingsomstandigheden (Ekkel et al., 1995).
  Gedragsobservaties dienen gedaan te worden om inzicht te krijgen in hoe en wanneer dit gedrag
  optreedt. Ten behoeve van gedragsobservaties zie de gedragsprotocollen van bijvoorbeeld
  Schouten (1986), Bøe (1993) en Fraser (1978).
5.3 Orgaanbeschadigingen
- uitwendige beschadigingen: Voor een goed inzicht dient regelmatig elk dier of, bij een groot aantal
  dieren, steekproefsgewijs een aantal dieren zorgvuldig gecontroleerd te worden op uitwendige
  beschadigingen zoals wonden, krassen, zwellingen, enzovoorts. Hierbij moet onderscheid gemaakt
  worden naar de plaats en de ernst van de beschadiging.
Beschadigingen kunnen het gevolg zijn van gestoord gedrag (zie hierboven), maar ook ziektever-
wekkers en menselijk ingrijpen kunnen de oorzaak zijn van uitwendige beschadigingen.
Beschadigingen die optreden in de eerste levensweek van de biggen als gevolg van agressief gedrag
om de speenorde te bepalen zijn normaal en slechts van tijdelijke aard. Het betreft wondjes op de kop
toegebracht door scherpe hoektandjes van toomgenoten, die snel genezen.
                                                  24
                                                   X
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>                                                                                                 5 Biggen
Beschadigingen door menselijk ingrijpen zoals staart couperen en tandjes knippen zijn symptomati-
sche middelen om gebreken in de houderij te maskeren. Ze zijn pijnlijk voor het dier en kunnen
gevolgen hebben voor de gezondheid van het dier. Dergelijke ingrepen moeten dan ook gezien
worden als een aantasting van het welzijn van de biggen.
Bij gedragsobservaties aan biggen waarbij één of meer ingrepen (staart couperen, tanden knippen of
oren inknippen) werden verricht bleek dat biggen na de ingrepen korte tijd (twee minuten)
gedragsafwijkingen vertoonden (Noonan et al., 1994). Gedragsmatig lijken deze ingrepen op basis
van dit onderzoek slechts een kortstondige stressor te zijn.
Na het tanden knippen kwamen versplinteringen van de stomp, ontstekingsgezwellen in de tandholte,
tandvleesontsteking, ontsteking van de lip en verwondingen van het gehemelte frequent voor
(Bollwahn en Burger, 1984; Bruckner, 1986).
5.4 Verlaagde productie
- groei: Door de dieren regelmatig individueel te wegen kan de groei in de gaten worden gehouden.
   Bij grote aantallen kan ook een steekproef genomen worden.
Bij geboorte weegt een big tussen de 1,0 en 1,7 kg (Fraser, 1990), met een gemiddelde van 1,5 kg.
Na 4 weken is het gemiddelde gewicht van een big ongeveer 7,5 kg (Backus, et al., 1991). In die tijd
groeit een big dus ongeveer 180 g/dag. In de periode van geboorte tot opleg groeien biggen
ongeveer 350 g/dag. Per ras kunnen deze getallen verschillen.
- voeropname: Biggen zullen over het algemeen in groepen gehouden worden. De voeropname is
   dan alleen per groep bij te houden. Uit de voeropname en de groei is de voederconversie te
   berekenen (aantal gram voer dat nodig is om één gram te groeien).
Tussen individuen kunnen grote verschillen bestaan in voeropname (Pajor et al., 1991; Aherne et al.,
1982; Barnett et al., 1989). Metz en Gonyou (1990) vonden dat biggen op een leeftijd van twee
weken gemiddeld 7 g voer opnamen. Op een leeftijd van vier weken was dit opgelopen tot gemiddeld
127 g. Vaak wordt aanbevolen om de biggen zoveel mogelijk vast voer te laten eten voor het spenen
zodat ze de overgang naar alleen vast voer beter kunnen verdragen. Na vijf weken neemt de opname
van vast voer echter pas snel toe, terwijl meestal op vier weken wordt gespeend (Bøe, 1991).
5.5 Verhoogde ziektegevoeligheid
- gebruikte medicijnen: Biggen zijn gevoelig voor ziekten. In veel van het voer dat de biggen verstrekt
   wordt zijn antibiotica of andere additieven verwerkt. Informatie hierover dient naast alle andere
   gegevens met betrekking tot het gebruik van medicijnen naar aard en omvang genoteerd te
   worden.
                                                   25
                                                    Y
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>                                                                                               5 Biggen
- ziekte-incidenties: De dieren die ziek worden tijdens het onderzoek moeten geregistreerd worden.
   Tevens moet genoteerd worden, indien mogelijk, aan welke ziekte of aandoening het dier lijdt of
   anders welke symptomen het dier vertoont en hoe lang de ziekte duurt.
Diarree is het meest voorkomende gezondheidsprobleem bij biggen. In begin jaren tachtig kwam uit
onderzoek naar voren dat de incidentie van diarree vanaf geboorte tot opleg circa 30% is (Rougoor et
al., 1994a). Met name geboorte- en speendiarree zijn veelvoorkomende gezondheidsstoornissen.
Geboortediarree is een gevolg van E-coli infecties bij de biggen, die darmontstekingen veroorzaken.
Diarree als gevolg van de Clostridiumbacterie lijkt sterk op geboortediarree, maar heeft dus een
ander agens. Beide kunnen veel sterfte onder de biggen veroorzaken (IKC, 1993a).
Speendiarree kan veel verschillende oorzaken hebben. Microbiële agentia zoals een beperkt aantal
serotypen E-coli-bacteriën en rotavirussen (Nabuurs, 1991), maar ook Clostridium-bacteriën (IKC,
1993a) kunnen aan speendiarree ten grondslag liggen. Andere belangrijke factoren zijn de hoeveel-
heid voer die tijdens de zoogperiode is opgenomen, het wegvallen van de lactogene beschermingen,
stalklimaat en bepaalde componenten in het voer. Pathogeen is vooral het vóórkomen en de mate
van vlokverkorting na het spenen van belang. Recent herstelde villi kunnen gevoeliger zijn voor E-
coli-toxinen dan nog niet geregenereerde villi. De resorptie van natrium en vocht in de dikke darm lijkt
eveneens van belang in de pathogenese van speendiarree (Nabuurs, 1991).
Andere veelvoorkomende gezondheidsproblemen zijn gewrichts- en luchtwegaandoendingen
(Rougoor et al., 1994a).
5.6 Verlaagde vitaliteit
- sterfte: Genoteerd dient te worden welke dieren sterven en om welke reden. In ieder geval dient
   onderscheid gemaakt te worden tussen sterfte tijdens de zoogperiode en sterfte tijdens de
   opfokperiode. Bij onduidelijkheid over de doodsoorzaak dient sectie te worden verricht.
In de praktijk ligt het sterftepercentage tijdens de zoogperiode in Nederland bij de 20% gemiddelde
bedrijven tussen de 12,6-14,5% (Dijkhuizen, 1989). In het onderzoek van Backus et al. (1991) lag het
sterftepercentage tijdens de zoogperiode op 11,0%. Cijfers van TEA-bedrijven laten een sterfte zien
van 13-14% (Rougoor et al, 1994).
Met name de eerste dagen na geboorte sterven veel biggen door een laag geboorte gewicht, doordat
de biggen te weinig voeding binnen krijgen en daardoor verzwakken, of doordat de zeug boven op
haar eigen biggen gaat liggen. De eerste twee factoren verhogen overigens het risico om
doodgelegen te worden aanzienlijk (Fraser, 1990).
5.7 Angstuitingen
Voor het meten van angstuitingen zie paragraaf 3.5.
5.8 Samenvattend
                                                     26
                                                      Z
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>                                                                                               5 Biggen
Hieronder wordt het voorgaande samengevat, waarbij een onderverdeling is gemaakt in
onvoorwaardelijke en voorwaardelijke parameters. Onvoorwaardelijke parameters zijn de parameters
die in elk onderzoek geregistreerd moeten worden. Voorwaardelijke parameters hoeven alleen
geregistreerd te worden indien het onderzoek ingrijpt op een aspect dat gerelateerd is aan die
parameter(s). De parameters in beide groepen zijn in willekeurige volgorde gerangschikt.
Onvoorwaardelijke parameters:
- gedragswaarnemingen voor het vastleggen van gestoord gedrag en angst;
- uitwendige beschadigingen, inclusief die het gevolg zijn van ingrepen;
- locomotiestoornissen;
- groei;
- medicijngebruik;
- ziekte-incidenties;
- gegevens over het stalklimaat;
- mortaliteit plus oorzaak.
Voorwaardelijke parameters:
- voer- en wateropname;
- gedragswaarnemingen voor inzicht in geschiktheid van de vloer, ruimtegebruik, activiteit, sociale
  interacties, exploratie, lichaamsverzorging en rust;
- specifieke metingen van angstuitingen (hartslag e.d.).
                                                   27
                                                  AA
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>   5 Biggen
28
BB
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>                                                                                           6 Vleesvarkens
6 Vleesvarkens6 Vleesvarkens
De grootste welzijnsproblemen in de gangbare vleesvarkenshouderij komen voort uit het gebrek aan
bewegingsruimte en vluchtmogelijkheden, aan strooisel en aan ruwvoer, een hoge infectiedruk, een
slecht stalklimaat, een prikkelarme omgeving met vaak ongeschikte vloeren en ongeschikte ruimtelij-
ke indeling van het hok (Fraser en Broom, 1990).
6.1 Aandachtspunten voor de vleesvarkenshouderij
De aandachtspunten voor de vleesvarkenshouderij zijn gelijk aan die van de zeugenhouderij (zie
hoofdstuk 4).
6.2 Abnormaal gedrag
- gestoord gedrag: Zie hoofdstuk 5 'Biggen' voor relevante parameters met betrekking tot observaties
   aan gestoord gedrag en beschadigingen. Voor protocollen en waarnemingmethodes speciaal bij
   vleesvarkens zie bijvoorbeeld Ruiterkamp (1985).
- abnormaal gedrag in relatie tot thermoregulatie: In stallen waar varkens erg vuil zijn, omdat ze in
   hun eigen mest gaan liggen is de klimaat/temperatuursregulatie niet voldoende. Van nature zal een
   varken nooit in zijn eigen mest gaan liggen (Stolba en Wood-Gush, 1989), maar te hoge
   omgevingstemperaturen bevorderen, wanneer er geen andere mogelijkheden zijn om de
   lichaamstemperatuur te reguleren, onnatuurlijk gedrag zoals in de eigen mest of urine gaan liggen
   ter verkoeling.
6.3 Orgaanbeschadigingen
- inwendige beschadigingen: Bij sterfte of slacht dienen sectie- of slachtgegevens verzameld te
   worden met betrekking tot inwendige beschadigingen.
Tielen (1987) analyseerde slachthuisgegevens over de periode 1975-1986. In 1976 was het per-
centage dieren met pneumonia (longontsteking) ten tijde van de slacht 20% (van deze dieren was
meer dan 5% van de longen aangetast). In 1986 was dit teruggelopen tot 10%.
Bij observaties op bedrijven bleek dat bij 24,4% van 2308 klinische waarnemingen hoesten werd
gehoord en in 16,5% niezen (Rougoor et al., 1994a).
Elbers (1991) vond voor twee slachtbevindingen een gemiddelde prevalentie op bedrijfsniveau van
9% longontsteking en 14% borstvliesontsteking. Andere slachtbevindingen zoals atrofische rhinitis,
gewrichtsontsteking, pootontsteking, staartontsteking, huidontsteking, aangetaste en afgekeurde
lever en abcessen in de longen hadden een prevalentie op bedrijfsniveau van minder dan 1%.
Duidelijke verschillen in prevalentie van slachtbevindingen tussen bedrijven werden gevonden, als
ook tussen slachterijen.
- uitwendige beschadigingen: Regelmatig moet elk dier of, bij een groot aantal dieren, steek-
   proefsgewijs een aantal dieren zorgvuldig gecontroleerd te worden op uitwendige beschadigingen
                                                   29
                                                   CC
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>                                                                                         6 Vleesvarkens
   zoals wonden, krassen, zwellingen, kreupelheden, enzovoorts. Hierbij moet onderscheid gemaakt
   worden naar de plaats en de ernst van de beschadiging.
Extra dient gelet te worden op de staarten van de vleesvarkens. In de gangbare vleesvarkenshouderij
is staartbijten een fenomeen, dat regelmatig optreedt als de staarten niet zijn gecoupeerd.
Staartbijten begint met dieren die aan elkaars staart gaan kauwen. In ernstige gevallen kan dit leiden
tot kannibalisme, waarbij de staart volledig wordt weggevreten (Arey, 1991; Van Putten, 1968). Indien
de staarten zijn gecoupeerd dient dit aangegeven te worden.
6.4 Verlaagde productie
- groei: Door de dieren regelmatig individueel te wegen wordt de groei per dier in de gaten
   gehouden. Bij grote groepen dieren kan een steekproef genomen worden. Per week bestaan
   streefgewichten, die onder andere gebaseerd zijn op het soort varken, voer en management (IKC,
   1993a).
- voeropname: Deze parameter kan moeilijk per individu gemeten worden, omdat vleesvarkens over
   het algemeen in groepen worden gehouden. De voeropname moet in ieder geval per groep worden
   bijgehouden. Uit de voeropname en de groei kan de voederconversie berekend worden.
In de praktijk ligt de dagelijkse groei van mestvarkens voor de 20% gemiddelde bedrijven tussen de
705-730 g/dag. Voor de voederconversie gelden de waarden van 2,91-2,84 voor de 20% gemiddelde
bedrijven (Dijkhuizen, 1989). Vleesvarkens worden of onbeperkt gevoerd of beperkt volgens een
voerschema, waarin precies wordt aangegeven hoeveel voer per dier verstrekt moet worden voor een
optimale groei en karkasontwikkeling. Vooral bij beperkt voeren is het eetgedrag redelijk goed te
controleren.
6.5 Verhoogde ziektegevoeligheid
- medicijnen: Al het gebruik van medicijnen dient naar aard en omvang genoteerd te worden,
   inclusief additieven in het voer.
Elbers (1991) vond dat mestvarkens in 58% van de rondes werden ontwormd en in 23% van de
rondes werd preventief een behandeling gegeven tegen schurft. In 12,5% van de rondes werd geen
van de dieren behandeld met antibiotica en of chemotherapeutica.
- ziekte-incidenties: De dieren die ziek worden tijdens het onderzoek moeten geregistreerd worden.
   Tevens moet, indien mogelijk, genoteerd worden aan welke ziekte of aandoening het dier lijdt of
   anders welke symptomen het dier vertoont en hoe lang de ziekte duurt. Bij symptomen is de
   frequentie van optreden van belang, bijvoorbeeld hoe vaak hoest een dier.
De meest voorkomende gezondheidsproblemen zijn aandoeningen aan luchtwegen, maag-
darmkanaal en bewegingsapparaat (Rougoor et al., 1994a). Een slecht stalklimaat wordt vaak
aangewezen als belangrijke factor bij luchtwegproblemen. Het grootste deel van de individuele
                                                    30
                                                   DD
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>                                                                                        6 Vleesvarkens
behandelingen bij vleesvarkens was tegen ademhalingsstoornissen en kreupelheid. Groepsmedicatie
werd vooral toegepast bij ademhalingsstoornissen en spijsverteringstoornissen. Groepsmedicatie
werd vooral de eerste zestig dagen na opleg toegepast (Elbers, 1991).
6.6 Verlaagde vitaliteit
- sterfte en afvoer: Genoteerd dient te worden welke dieren sterven of afgevoerd worden en om
   welke reden. Bij onduidelijkheid over de doodsoorzaak moet sectie verricht worden.
In de praktijk ligt het sterftepercentage onder mestvarkens op de 20% gemiddelde bedrijven tussen
de 2,95-2,26 (Dijkhuizen, 1989).
6.7 Angstuitingen
Voor het meten van angstuitingen zie paragraaf 3.5.
6.8 Samenvattend
Hieronder wordt het voorgaande samengevat, waarbij een onderverdeling is gemaakt in
onvoorwaardelijke en voorwaardelijke parameters. Onvoorwaardelijke parameters zijn de parameters
die in elk onderzoek geregistreerd moeten worden. Voorwaardelijke parameters hoeven alleen
geregistreerd te worden indien het onderzoek ingrijpt op een aspect dat gerelateerd is aan die
parameter(s). De parameters in beide groepen zijn in willekeurige volgorde gerangschikt.
Onvoorwaardelijke parameters:
- gedragswaarnemingen voor het vastleggen van gestoord gedrag en angst;
- uitwendige beschadigingen, inclusief die het gevolg zijn van ingrepen;
- locomotiestoornissen;
- groei;
- slachtbevindingen;
- medicijngebruik;
- ziekte-incidenties;
- gegevens over het stalklimaat;
- mortaliteit plus oorzaak.
Voorwaardelijke parameters:
- voer- en wateropname
- gedragswaarnemingen voor inzicht in geschiktheid van de vloer, ruimtegebruik, activiteit, sociale
   interacties, exploratie, lichaamsverzorging en rust;
- specifieke metingen van angstuitingen (hartslag e.d.).
                                                    31
                                                   EE
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>   6 Vleesvarkens
32
FF
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>                                                                                               7 Melkvee
7 Melkvee7 Melkvee
In het meest voorkomende stalsysteem, de loopstal, beschikken koeien over voldoende
mogelijkheden om het soorteigen gedragsrepertoire uit te voeren en zijn er bij melkkoeien in dit
opzicht geen grote welzijnsproblemen. Daarbij is het wel van belang dat de dieren, tenminste zomers,
weidegang krijgen. In de grupstal waar de dieren aangebonden staan is de bewegingsvrijheid minder
en dat kan een oorzaak zijn voor welzijnsproblemen. Betreffende de gezondheid van het melkvee in
relatie tot welzijn zijn klauw- en beenaandoeningen, uierontsteking (mastitis) en reproductie-
stoornissen de grootste problemen (Hopster, 1995).
7.1 Aandachtspunten voor de melkveehouderij
Hopster (1995) geeft in een recent verschenen rapport nauwkeurig en uitgebreid de belangrijkste
aandachtspunten betreffende de huisvesting en de houderij van melkvee weer. In zijn aanbevelingen
schrijft hij, dat de uitgangspunten beschreven in het Handboek voor de Rundveehouderij (IKC, 1993b)
vanuit het oogpunt van welzijn en gezondheid verantwoord zijn. Belangrijke items waar in verband
met welzijn en gezondheid extra op gelet dient te worden zijn:
- ruimte: De huidige aanbevolen maten voor loopstallen betreffende oppervlakte per dier op lig-,
   loop- en eetplaatsen in de gangbare melkveehouderij, zoals gegeven in het genoemde Handboek
   voldoen, maar moeten tevens gezien worden als het absolute minimum. Een verdere beperking is
   niet wenselijk en kunnen evenals structurele overbezetting tot welzijnsproblemen leiden. Voor de
   looppaden worden de volgende maten geadviseerd:
   - breedte van de loop-eetruimte en van verbindingsgangen met aan één zijde activiteit: 350 cm;
   - breedte van de loopruimte tussen ligboxen en van doorgangen: 220 cm;
   - breedte van verbindingsgangen met aan twee zijden activiteit: 400 cm;
   - parallelle looppaden dienen aan de uiteinde met elkaar verbonden te zijn (RDA, 1996).
- vloeruitvoering: Bij vloeren is de verhouding balk/spleet, stroefheid, ruwheid, vlakheid en elasticiteit
   (hardheid) ten aanzien van de gezondheid van de klauwen en het beenwerk en van het gedrag van
   belang (Smits, 1991). Natte en gladde vloeren belemmeren de bewegingsvrijheid van de koeien en
   vergroten de kans op ongelukken; het gedrag wordt daardoor nadelig beïnvloed. Behalve op het
   huidverzorgingsgedrag en sociaal gedrag kan dit ook gevolgen hebben voor het oestrusgedrag en
   daardoor weer op de vruchtbaarheid. De kwaliteit en de hygiëne van de stalvloer speelt een
   belangrijke rol bij het ontstaan van klauwaandoeningen. Een knelpunt is, dat bij de huidige NEN-
   normen voor roostervloeren onvoldoende rekening is gehouden met de effecten van slijtage
   (gladder worden en afbrokkelen). Verkleinen van het vloeroppervlak en/of te gladde en te sterk
   hellende vloeren kunnen leiden tot gestoord gedrag en vormen een verhoogde kans op ongelukken
   (RDA, 1996).
- onthoornen: Onthoornen wordt gedaan om de kans op ongelukken en verwondingen bij koeien en
   verzorger te reduceren. Echter uit recent onderzoek in Zwitserland is gebleken dat met name de
   omgang met de dieren en het management een doorslaggevende rol hebben bij het al dan niet
   optreden van verwondingen als gevolg van stoten met de hoorns (Menke, 1996). De noodzakelijk-
   heid van het onthoornen moet heroverwogen worden.
- weidegang: Weidegang wordt bij de huidige huisvesting en verzorging ten zeerste aanbevolen. Een
   permanente opstalling heeft nadelige effecten op de klauwgezondheid van de dieren.
                                                   33
                                                   GG
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>                                                                                               7 Melkvee
- melkmachine: De afstelling van de melkmachine kan duidelijk een negatieve invloed hebben op de
   uiergezondheid. Met betrekking tot automatische melksystemen verdient een systeem waarbij de
   koeien zomerweidegang behouden sterk de voorkeur.
- invloed hoge productie: Hierover is nog niet zo veel bekend, maar negatieve invloeden van de als
   maar hoger wordende productie op het welzijn en gezondheid (reproductie, mastitis) worden
   vermoed (Willeberg, 1993).
Bij grupstallen komen daar nog enkele knelpunten bij. De lengte en breedte van de standplaats is van
belang voor de dieren om normaal te kunnen gaan staan of liggen; al zullen de koeien altijd enigszins
beperkt blijven in dit gedrag. Lopen is uitgesloten en de mate waarin huidverzorgings-, sociaal en
oestrusgedrag kan worden uitgevoerd is gering.
7.2 Abnormaal gedrag
- stereotypieën: Melkkoeien kunnen stereotypieën gaan ontwikkelen zoals tongspelen en bijten op of
   likken aan objecten. Dit gebeurt vooral als ze aangebonden worden zoals in de grupstal. Bij
   gedragswaarnemingen dienen frequentie en duur van de verschillende gedragingen vastgelegd te
   worden. Voor protocollen zie Redbo (1990).
Sato et al. (1994) vonden dat van de aangebonden runderen van een vleestypisch ras (Japans
zwartvee) dat gemakkelijk stereotypieën vertoont, 76% dit daadwerkelijk deed. Deze stereotypieën
bestonden voor het grootste deel uit tongspelen maar daarnaast ook likken, stangbijten en weven.
Redbo (1990) vond een gemiddelde duur van 18,6% (spreiding 1,6-38,0%) per 24 uur observatietijd
die aangebonden vaarzen aan tongspelen besteedden. In een ander onderzoek van Redbo (1992)
werden verschillen gevonden in tijd die koeien aan stereotypieën besteedden van 2% tot 25%.
Stereotypieën verdwijnen in vrijwel alle geval zodra de dieren vrij rond kunnen lopen, zoals in
groepshuisvesting en bij weidegang (Redbo, 1990; 1992).
- melkzuigen: Zuigen aan de uier van een andere koe waarbij melk gedronken wordt. Intensieve
   controles/gedragswaarnemingen zijn noodzakelijk om mogelijke melkzuigers te signaleren en
   identificeren. Aangezien melkzuigen vooral optreedt tijdens rustperiodes, zoals voor het melken en
   vroeg in de middag, kunnen controles/waarnemingen het beste dan worden verricht (Fraser en
   Broom, 1990).
Melkzuigen wordt slechts bij weinig dieren waargenomen, maar als het voorkomt is zo'n dier zeer
vasthoudend en kan het schadelijk zijn voor zowel eigen gezondheid (melk is geen goed
voedermiddel voor een volwassen rund) als die van de koe die bezogen wordt (uierbeschadigingen).
Dit gedrag kan aanstekelijk werken op andere koeien waardoor vooral in grote kuddes soms tot 10%
van de koeien melkzuigen. De frequentie van optreden kan sterk verschillen tussen rassen (Wood et
al., 1967; Fraser en Broom, 1990).
- gestoord gedrag: Door gladde of anders ongeschikte vloeren (bijv. hellende) in de stal wordt het
   huidverzorgings- en oestrusgedrag gestoord en glijden de dieren vaker uit (Hopster, 1995).
                                                    34
                                                   HH
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>                                                                                             7 Melkvee
Waarnemingen moeten gedaan worden betreffende de activiteit van de dieren op het
loopoppervlak, aantal glij- en valpartijen, duur van de oestrus en het aantal bespringingen.
                                                  35
                                                   II
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>                                                                                             7 Melkvee
7.3 Orgaanbeschadigingen
- inwendige beschadigingen: Bij sterfte of afvoer moeten sectie- of slachtgegevens verzameld
  worden. Indien mogelijk moet daarbij onderscheid gemaakt worden naar de ernst van de
  aandoening. Net als bij varkens kan een heel scala aan pathologische beoordelingen verricht
  worden (zie hoofdstuk 4).
- uitwendige beschadigingen: Regelmatig moet elk individueel dier gecontroleerd en gescoord
  worden op huidbeschadigingen, verwondingen, littekens, klauwaandoeningen, zwellingen of
  andere bevindingen, waarbij vermeld moet worden de ernst en plaats van bevinding(en). De
  conditie van het haarkleed kan ook informatie leveren.
Net als bij varkens kunnen uitwendige beschadigingen iets zeggen over de gezondheid en welzijn
van de dieren. Uitwendige beschadigingen kunnen ontstaan door uitglijden, vallen, stoten aan
scherpe randen of uitsteeksels, bespringen of stoten van elkaar, enzovoorts. Voor een goed inzicht in
waarom en wanneer bepaalde beschadigingen optreden dienen gedragsobservaties gedaan te
worden.
Een beschadiging die bij zeer veel melkvee wordt geconstateerd is een gevolg van het onthoornen;
een ingreep van de mens.
7.4 Verlaagde (re)productie
- vruchtbaarheidsproblemen: Genoteerd dient te worden het aantal inseminaties per koe, naam van
  inseminator, naam van de stier, het aantal terugkomers, tussenkalftijd, moeilijke geboortes en
  koeien met voortplantingsaandoeningen (ziekten).
Vruchtbaarheidsproblemen zijn onder te verdelen in verschillende groepen namelijk: koeien die niet
tochtig willen worden, terugkomers, en koeien met een of andere gynaecologische aandoening. Bij
het vaststellen van reproductieproblemen moeten, indien mogelijk, de dieren onderscheiden worden
naar pariteit. Vruchtbaarheidsindicatoren zoals een verlengde tussenkalftijd en een verhoogde
inseminatie-index kunnen een aanwijzing zijn van problemen zoals overbelasting van het dier, maar
kunnen ook voortvloeien uit een bewuste managementkeuze van de boer.
Het streven volgens het Handboek voor de Rundveehouderij (IKC, 1993b) moet zijn om minimaal
60% van de koeien na een eerste inseminatie drachtig te hebben.
- melkgift per dag: Indien per koe de productie dagelijks wordt bijgehouden kan een afwijking in de
  lactatiecurve snel opgemerkt worden en gezocht worden naar de oorzaak van die afwijking. De
  verwachte melkgift kan geschat worden met behulp van de standaard lactatiecurve (zie IKC,
  1993b).
7.5 Verhoogde ziektegevoeligheid
                                                  36
                                                  JJ
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>                                                                                                 7 Melkvee
- medicijnen: Al het gebruik van medicijnen dient naar aard en omvang genoteerd te worden. Bij
   melkvee is met name het medicijngebruik om de uier gezond te houden erg hoog. Veel antibiotica
   worden gebruikt bij het droogzetten en bij mastitis.
- ziekte-incidenties: De dieren die ziek worden tijdens het onderzoek moeten geregistreerd worden.
   Tevens moet genoteerd worden, indien mogelijk, aan welke ziekte of aandoening het dier lijdt of
   anders welke symptomen het dier vertoont.
Speciaal dient gelet te worden op mastitis en klauw- en beenaandoeningen (Hopster, 1995). De
verschillen tussen bedrijven betreffende ziekte-incidenties kunnen enorm groot zijn. Rougoor et al.
(1994b) bieden gegevens van 29 bedrijven, die in de bedrijfsbegeleiding zitten. Daaruit blijkt dat het
percentage dieren met klinische mastitis van 0% tot 73% per bedrijf kan verschillen en voor been- en
klauwproblemen is dit zelfs 0% tot 90%. In een onderzoek bleek dat gemiddeld 20,3% van de dieren
per jaar klinisch kreupel was, waarbij tweederde van de gevallen optrad tijdens de stalperiode
(Noordhuizen-Stassen et al., 1991). Subklinische klauwaandoeningen komen reeds in de opfok van
melkvee veel voor (Frankena et al., 1991). De kwaliteit van het stalklimaat heeft invloed op de
algehele gezondheidsstatus van de dieren.
7.6 Verlaagde vitaliteit
- sterfte en afvoer: Genoteerd dient te worden welke dieren sterven of afgevoerd worden, om welke
   reden en de leeftijd van de dieren. Bij onduidelijkheid van sterfte dient sectie te worden verricht.
Smolders (1994) heeft de belangrijkste afvoerredenen van melkkoeien op negen bedrijven van het
praktijkonderzoek op een rijtje gezet. Van de in totaal 1313 dieren die werden afgevoerd, werd 28,5%
afgevoerd vanwege vruchtbaarheidsproblemen, 26,2% vanwege te lage productie en 17,6% vanwege
uiergebreken. De gemiddelde leeftijd van de Nederlandse melkveestapel is ongeveer 4 jaar (IKC,
1993b).
7.7 Angstuitingen
Voor het meten van angstuitingen zie paragraaf 3.5.
7.8 Samenvattend
Hieronder wordt het voorgaande samengevat, waarbij een onderverdeling is gemaakt in
onvoorwaardelijke en voorwaardelijke parameters. Onvoorwaardelijke parameters zijn de parameters
die in elk onderzoek geregistreerd moeten worden. Voorwaardelijke parameters hoeven alleen
geregistreerd te worden indien het onderzoek ingrijpt op een aspect dat gerelateerd is aan die
parameter(s). De parameters in beide groepen zijn in willekeurige volgorde gerangschikt.
Onvoorwaardelijke parameters:
- gedragswaarnemingen voor het vastleggen van stereotypieën, angst en afwijkend gedrag, met
   name met betrekking tot staan en liggen;
                                                     37
                                                    KK
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>                                                                                             7 Melkvee
- uitwendige beschadigingen, inclusief die het gevolg zijn van onthoornen;
- locomotiestoornissen;
- reproductiekengetallen;
- melkgift per dag (bij gebruik van koeien in productie);
- medicijngebruik;
- ziekte-incidenties;
- gegevens over het stalklimaat;
- mortaliteit plus oorzaak, afvoer plus reden.
Voorwaardelijke parameters:
- voer- en wateropname;
- slachtbevindingen;
- gedragswaarnemingen voor inzicht in geschiktheid van de vloer, ruimtegebruik, activiteit, sociale
  interacties, exploratie, lichaamsverzorging en rust;
- specifieke metingen van angstuitingen (hartslag e.d.).
                                                   38
                                                   LL
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>   7 Melkvee
39
MM
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>                                                                                            8 Vleesstieren
8 Vleesstieren8 Vleesstieren
Het afmesten van vleesstieren gebeurt in drie fasen: de opfokperiode (leeftijd tot ongeveer 5
maanden), de overgangsperiode (leeftijd ongeveer 5 tot 9 maanden) en de afmestperiode (leeftijd
ongeveer 9 tot 16 maanden). Ieder van deze periode wordt gekenmerkt door specifieke huisvesting
en verzorging.
In de overgangs- en afmestperiode ontstaan de grootste welzijnsproblemen
- bij vleesstieren in groepshuisvesting door het kleine hokoppervlak met een gladde vloer en de hoge
   groeisnelheid van de dieren.
- bij individuele huisvesting hebben de stieren nog minder bewegingsvrijheid, waardoor de gevolgen
   nog duidelijker zijn.
8.1 Aandachtspunten voor de vleesstierenhouderij
Hopster (1995) geeft in zijn rapport aan waar de probleemvelden liggen met betrekking tot de
huisvesting en de houderij van vleesstieren en het welzijn en gezondheid. Hier worden de
belangrijkste aandachtspunten samengevat.
- vloeruitvoering: Het gebruik van volledige roostervloeren dient in verband met gladheid en hardheid
   die gedragsveranderingen en gewrichtsbeschadigingen tot gevolg hebben te worden tegengegaan.
   Een rubberen toplaag vermindert het aantal laesies in de carpaalgewrichten, maar een ligbed van
   stro is beter (Dämmrich, 1987; Smits et al., 1995; Hopster, 1995).
- ruimte en bewegingsmogelijkheden: Vleesstieren kunnen in de huidige huisvestingsomstan-
   digheden weinig bewegen door het kleine hokoppervlak. Dit hokoppervlak is afhankelijk van de
   leeftijd van de dieren namelijk 1,2 m2/dier voor stieren van 3-8 maanden (40-125 kg), 1,5 m2/dier
   voor stieren van 8-12 maanden, en 1,8 m2/dier voor stieren van 12-16 maanden (eindgewicht 550-
   650 kg) (IKC, 1993b). Daarbij komt de hoge groeisnelheid van de stieren waardoor de ontwikkeling
   en sterkte van het skelet achterblijft bij het de ontwikkeling van het lichaamsgewicht. Het hokopper-
   vlak in de gangbare vleesstierenhouderij, zoals gegeven in het Handboek voor de Rundveehouderij
   (IKC, 1993b), verdient heroverweging omdat het in de praktijk problemen geeft. Geadviseerd wordt
   om een hokoppervlakte aan te houden van minimaal 1,5 m2 voor stieren van 40-125 kg en
   minimaal 3,0 m2 per dier voor de zwaarste dieren (tot 750 kg), of het benodigde hokoppervlak (in
   m2) te berekenen volgens de formule 0,06 x W0,6 (W is gewicht in kg)(Hopster, 1995).
- rustmogelijkheden: Een individuele ligruimte met dichte, zachte vloer verdient de voorkeur. Een
   zachte ondergrond leidt tot minder bodemcontrole voor het gaan liggen, sneller gaan liggen, minder
   afgebroken ligpogingen en minder uitglijden bij het gaan liggen (Müller, Graf, beide geciteerd in
   Hopster, 1995).
- wateropname: Een onbeperkte watergift zoals in de gangbare vleestierenhouderij gebruikelijk is
   verdient de voorkeur, omdat water een belangrijke functie vervult in de regulering van de
   lichaamstemperatuur. De hoeveelheid water die een stier per dag drinkt hangt sterk af van
   omgevingstemperatuur en gewicht van het dier. De totale vochtbehoefte voor vleesstieren is
   volgens het IKC (1993b) 5-35 l/dier/dag in het eerste jaar en 35-60 l/dier/dag in het tweede jaar. De
   wateropname is in de praktijk aanzienlijk lager, omdat in de opgenomen voedermiddelen veel water
   voorkomt.
                                                      40
                                                      NN
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>                                                                                           8 Vleesstieren
- voeropname: De mogelijkheid om ongestoord te kunnen eten met voldoende eetruimte per dier
   voorkomt agressie en daarmee beschadigingen en onrust. Voldoende structuurwaarde in het voer
   kan abnormaal oraal gedrag grotendeels voorkomen (zie hieronder).
- vluchtmogelijkheden: Een dier moet confrontaties met een ander dier kunnen omzeilen of
   vermijden. In de huidige groepshuisvesting is daar geen mogelijkheid toe door de inrichting van het
   hok (Wierenga en Peterse, 1987).
- licht: Voldoende licht in de stal is noodzakelijk voor een goede controle door de verzorger, maar
   ook voor de stieren zodat ze elkaar goed kunnen zien. Manser (1994) adviseert op basis van
   literatuur een lichtsterkte van 70 lux.
8.2 Abnormaal gedrag
- Stereotypieën: Bij individueel gehuisveste stieren worden veel stereotypieën waargenomen zoals
   tongspelen, weven en het overmatig zelf likken of likken van of bijten aan objecten (Fraser en
   Broom, 1990). Maar ook in groepshuisvesting worden stereotypieën waargenomen. Wierenga
   (1987) vond bij drie verschillende groepen stieren op volledige roostervloer dat 8,3%, 8,3%
   respectievelijk 33,3% van de dieren regelmatig tongspelen. Daarin wordt tevens een onderzoek
   van Sambraus et al. geciteerd, die melden dat 38% van de stieren tongspelen vertoonde. Het bezig
   zijn met objecten wordt bij alle stieren gezien (Wierenga, 1987). Het vóórkomen van stereotypieën
   kan sterk gereduceerd worden door de stieren dagelijks 1,5 kg per dier per dag langvezelig
   ruwvoer te verstrekken (RDA, 1996). Gedragswaarnemingen zijn noodzakelijk om frequentie en
   duur van de verschillende stereotypieën te registreren. Voor protocollen zie bijvoorbeeld Redbo
   (1990).
- Afwijkend lig- en stagedrag: Hopster (1995) vat enige literatuur betreffende dit punt samen. Stieren
   op een betonnen roostervloer blijken vaker op abnormale wijze op te staan en te gaan liggen dan
   op een vloer bedekt met stro. Onvoldoende grip is een belangrijke factor hierbij. Om dit soort
   abnormaal gedrag in beeld te brengen dienen ook gedragswaarnemingen gedaan te worden, zie
   bijvoorbeeld Smits et al. (1995), De Vries et al. (1986), of Wierenga en Peterse (1987) voor
   protocollen.
8.3 Orgaanbeschadigingen
- Inwendige beschadigingen: Bij sterfte of afvoer moeten sectie- of slachtgegevens verzameld
   worden met betrekking tot inwendige beschadigingen. Indien mogelijk moet onderscheid gemaakt
   worden naar de ernst van de aandoening. Net als bij varkens kan een heel scala aan pathologische
   gegevens worden verzameld (zie hoofdstuk 4).
Bij vleesstieren moet vooral aandacht gegeven worden aan aandoeningen aan de luchtwegen en in
de kniegewrichten (Hopster, 1995). Het is bekend dat vrijwel alle vleesstieren die op volledig
roostervloer worden gehouden laesies in de carpaalgewrichten vertonen (De Vries et al., 1986;
Dämmrich, 1987; Smits et al., 1995).
                                                     41
                                                    OO
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>                                                                                                8 Vleesstieren
- Uitwendige beschadigingen: Regelmatig moet elk dier gecontroleerd en gescoord worden op
   huidbeschadigingen, verwondingen, littekens, zwellingen, kreupelheden, of andere opvallende
   bevindingen, waarbij de ernst en plaats vermeld moet worden. Ook de conditie van het haarkleed
   kan informatie geven. Verwondingen kunnen ontstaan doordat de stieren elkaar bespringen, door
   uitglijden tijdens het likken van zichzelf, tijdens mislukte lig- of opstapogingen of tijdens vechten.
Met name moet gelet worden op verwondingen aan de staart en verdikkingen in de kniegewrichten.
Op een beperkt aantal bedrijven in Nederland worden staartpuntamputaties gepleegd. Op driekwart
van de bedrijven in Nederland zijn de stieren onthoornd (Hopster, 1995). In hoeverre deze ingrepen
noodzakelijk zijn of gebeuren uit routine is niet duidelijk.
8.4 Verlaagde productie
- groei: Door de dieren regelmatig individueel te wegen of door borstomvang te meten waaruit het
   gewicht vrij nauwkeurig berekend kan worden, kan de groei per dier gevolgd worden. Daar dit bij
   grotere stieren nogal problematisch is, kan eventueel volstaan worden met de dieren bij opleg en
   afzet te wegen; al zijn dan slechts weinig gegevens voorhanden.
In het leeftijdstraject van 0-4 maanden is de gewenste groei 800 g/dag, in het leeftijdstraject 5-9
maanden 1100 g/dag en in het leeftijdstraject 10-16 maanden 1200 g/dag (IKC, 1993b). In de praktijk
blijkt de gemiddelde karkasgroei 675 g/dag te zijn (Prins, 1993).
- voeropname: Bij individuele voedering kan deze parameter per dier gemeten worden. Bij
   groepsvoedering kan het alleen per groep gemeten worden.
8.5 Verhoogde ziektegevoeligheid
- medicijnen: Vrijwel alle krachtvoeders voor vleesstieren bevat(ten) een of meer van de toegestane
   antibiotica (Rougoor et al., 1994). Naast de in hoofdstuk 3 al gemelde registratie van medicijnen
   moet genoteerd worden welke middelen er precies in het krachtvoer zitten.
- ziekte-incidenties: De dieren, die tijdens het onderzoek ziek worden, moeten geregistreerd worden.
   Tevens moet genoteerd worden, indien mogelijk, aan welke ziekte of aandoening het dier lijdt of
   anders welke symptomen het dier vertoont en hoe lang de ziekte duurt.
Afwijkingen aan het carpaalgewricht komen veelvuldig voor (Hopster, 1995). Uit gegevens van een
CDI-enquête blijkt dat als belangrijkste gezondheidsproblemen bij vleesstieren aangemerkt kunnen
worden: luchtwegaandoeningen, maag-darmaandoeningen, bewegingsstoornissen en
stofwisselingsstoornissen zijn (Rougoor et al., 1994b). Het stalklimaat is een belangrijke factor bij het
al dan niet ontstaan van luchtwegaandoeningen.
Speciaal moeten hier de dikbilstieren genoemd worden die een hogere kwetsbaarheid voor vitaliteit,
beendefecten en fertiliteit laten zien (Bergström en Oostendorp, 1985).
8.6 Verlaagde vitaliteit
                                                       42
                                                       PP
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>                                                                                              8 Vleesstieren
- sterfte en afvoer: Genoteerd dient te worden welke dieren sterven of afgevoerd worden en om
   welke reden. Bij onduidelijkheid over de doodsoorzaak dient sectie te worden verricht.
In de praktijk blijkt gemiddeld per bedrijf 6% van de vleesstieren uit te vallen (Prins, 1993).
De productie van stieren waarbij de dikbilfactor al bij geboorte tot uitdrukking komt gaat gepaard met
een ernstig welzijnsprobleem voor de moederkoe. Op voorhand is namelijk bekend dat deze kalveren
geboren moeten worden via een keizersnede (Bergström en Oostendorp, 1985).
8.7 Angstuitingen
Voor het meten van angstuitingen zie paragraaf 3.5.
Stieren kunnen ook zonder aversieve ervaringen of andere aanwijsbare reden agressief zijn. Tussen
rassen kunnen grote verschillen zitten in de mate van voorkomen van agressiviteit (Schouten. pers.
med.). Waarnemingen betreffende deze agressieve uitingen zijn nuttig en dienen in het oog te
worden gehouden bij waarnemingen aan angstuitingen.
8.8 Samenvattend
Hieronder wordt het voorgaande samengevat, waarbij een onderverdeling is gemaakt in
onvoorwaardelijke en voorwaardelijke parameters. Onvoorwaardelijke parameters zijn de parameters
die in elk onderzoek geregistreerd moeten worden. Voorwaardelijke parameters hoeven alleen
geregistreerd te worden indien het onderzoek ingrijpt op een aspect dat gerelateerd is aan die
parameter(s). De parameters in beide groepen zijn in willekeurige volgorde gerangschikt.
Onvoorwaardelijke parameters:
- gedragswaarnemingen voor het vastleggen van stereotypieën, gestoord lig- en stagedrag, be-
   springgedrag en angst;
- uitwendige beschadigingen, inclusief die het gevolg zijn van ingrepen;
- locomotiestoornissen;
- slachtbevindingen;
- groei;
- medicijngebruik;
- ziekte-incidenties;
- gegevens over het stalklimaat;
- mortaliteit plus oorzaak, afvoer plus reden.
Voorwaardelijke parameters:
- voer- en wateropname;
- gedragswaarnemingen voor inzicht in ruimtegebruik, activiteit, sociale interacties, exploratie,
   agressie, lichaamsverzorging en rust;
- steekproefsgewijs sectie aan carpaalgewrichten;
- specifieke metingen van angstuitingen (hartslag e.d.).
                                                    43
                                                    QQ
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>                                                                                          9 Vleeskalveren
9 Vleeskalveren9 Vleeskalveren
Specifieke welzijnsproblemen in de kalverhouderij voor witvleesproductie komen bij de individuele
huisvesting voort uit onvoldoende ruimte, geen direct sociaal contact, geen strooisel, een eenzijdige
dieet van melk en in de meeste gevallen geen ruwvoer.
Bij groepshuisvesting hebben de kalveren meer bewegingsruimte en kunnen ze sociaal contact met
andere kalveren onderhouden. De verzorging is verder ongeveer gelijk aan die van de individuele
huisvesting met dien verstande, dat in groepshuisvesting in vrijwel alle gevallen enig ruwvoer wordt
verstrekt.
Problemen die voortkomen uit het eenzijdige dieet van alleen melk zijn grotendeels opgelost bij de
roze kalfsvleesproductie. Deze kalveren worden tot een gewicht van 45 kg met melk gevoerd en
daarna afgemest op een voermengsel van krachtvoer en snijmaïs.
9.1 Aandachtspunten voor de vleeskalverhouderij
Aandachtspunten betreffende de houderij en huisvesting voor vleeskalveren, die van belang zijn voor
het welzijn, zijn:
- vloeruitvoering: Zowel gladde als ruwe vloeren kunnen problemen, met name locomotie-
   stoornissen, veroorzaken. Op gladde vloeren glijden dieren vaker uit met daardoor een verhoogde
   kans op verwondingen, kneuzingen of botbreuken. Op ruwe vloeren slijten de klauwen harder en
   kunnen gemakkelijker verwondingen ontstaan. Vleeskalveren worden over het algemeen op houten
   roostervloeren gehouden. Houten vloeren zijn over het algemeen gladder dan betonnen roosters
   maar isoleren weer beter als de dieren erop moeten liggen (De Wilt, 1985).
- exploratiemogelijkheden: Exploreren is een belangrijk gedrag om gevaar te ontwijken.
   Exploratiegedrag en reacties op gevaar wordt vertoond door alle kalveren (Fraser en Broom,
   1990). Kalveren in individuele boxen hebben een gering blikveld en hebben weinig mogelijkheden
   om te exploreren. Ze zijn hierdoor schrikachtig (De Wilt, 1985).
- ruimte en beweging: Kalveren kunnen in de individuele boxhuisvesting onvoldoende bewegen
   (Fraser en Broom, 1990); al zijn er in Nederland minimumeisen aan dit systeem vastgelegd.
   Volgens het Kalverbesluit (1994) moeten kalveren in groepshuisvesting met een gewicht van 150
   kg over een oppervlakte van minimaal 1,5 m2/dier beschikken. Eenlingboxen moeten minimaal 81
   cm breed zijn en 130 cm lang tot een leeftijd van 8 weken en 180 cm lang vanaf een leeftijd van 8
   weken.
- rustmogelijkheden: Voor een normale rusthouding moet de ligplaats zo breed zijn als het kalf hoog
   is, zodat een kalf lang- en breeduit gestrekt kan liggen (De Wilt, 1985; Ketelaar-De Lauwere en
   Smits, 1989). In een kleine individuele huisvesting proberen ze vergeefs een houding aan te
   nemen, die voor een goede thermoregulatie en ligcomfort zorgt (Ketelaar-De Lauwere en Smits,
   1989). Onder hoge omgevingstemperaturen gaan kalveren meer languit gestrekt liggen. Indien dit
   niet mogelijk is moeten ze blijven staan om niet oververhit te raken (De Wilt, 1985; Webster, 1984).
   Een zacht ligbed verdient de voorkeur.
- voeropname: Het is van het grootste belang dat een kalf binnen 24 uur biest op kan nemen om
   vroege infecties met name aan luchtweg en/of maag-darmkanaal te voorkomen. Tot een leeftijd
   van vier tot zes weken voldoet melk als voedselbron. Daarna is verstrekking van ruwvoer naast de
   melkgift noodzakelijk voor een normale ontwikkeling van het maag-darmkanaal van het kalf. Echter
                                                    44
                                                    RR
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>                                                                                         9 Vleeskalveren
  in de praktijk worden veel kalveren gedurende hun hele leven (dat is ongeveer 6 maanden) alleen
  melk gevoerd in één of twee voerbeurten met dagelijks 300-500 g droge stof aan melk per dier
  (SVC, 1995). In groepshuisvesting is het gebruikelijk wel enig ruwvoer te verstrekken. Tijdens die 6
  maanden kunnen allerlei symptomen van aangetast welzijn optreden zoals bloedarmoede,
  maagwandlaesies en gestoord gedrag (zie hieronder). Het is duidelijk dat alleen melk niet goed is
  voor een gezonde opgroei van kalveren.
- sociaal contact: Kalveren zijn sociale dieren. Ze hebben regelmatig interacties met elkaar en blijven
  bij elkaar. Kalveren, die tijdens hun opfok sociaal geïsoleerd zijn, ontwikkelen geen normaal sociaal
  gedrag. Kalveren groeperen zich van nature binnen één tot twee weken als de koe aanwezig is,
  maar direct bij afwezigheid van de moederkoe. Groepshuisvesting verdient de voorkeur boven
  individuele huisvesting al heeft groepshuisvesting ook enkele nadelen zoals bijvoorbeeld het risico
  van urinezuigen en een snellere ziekteverspreiding doordat de dieren meer met elkaar in contact
  komen. Bij een groepshuisvesting horen voorzieningen aanwezig te zijn die het mogelijk maken dat
  de dieren elkaar kunnen ontwijken (Fraser en Broom, 1990). Ook moet de verzorger meer oog
  hebben voor het individuele dier in groepshuisvesting. Vakmanschap is vereist.
- lichaamsverzorging: In de gangbare individuele huisvesting is het voor een kalf niet mogelijk het
  achterdeel van zijn lijf te likken. Onder normale omstandigheden belikt een kalf zich meerdere
  keren per dag het hele lijf (Fraser en Broom, 1990).
- licht: Voldoende licht in de stal voor een goede controle door de verzorger, maar ook voor de
  kalveren in groepshuisvesting om elkaar goed te kunnen zien. Kalveren die in het donker of
  schemer worden gehouden vertonen veel meer angst voor de verzorger. Een minimale
  lichtintensiteit van 70 lux wordt aanbevolen volgens Manser (1994).
9.2 Abnormaal gedrag
- stereotypieën: De stereotypieën die een kalf laat zien zijn allemaal oraal van aard zoals
  schijn(her)kauwen, tongrollen, tongspelen, likken en bijten aan objecten, waaronder zich zelf of de
  dichtst bijzijnde soortgenoot. Het optreden van stereotypieën hangt samen met een gebrek aan
  ruwvoer, gebrek aan sociaal contact, ruimtegebrek en prikkelarme omgeving (Van Putten en
  Elshof, 1978; Andreae et al., 1980; Webster, 1984; Wierenga, 1987; Ketelaar-de Lauwere en
  Smits, 1989; Kooijman et al., 1991).
  Gedragswaarnemingen dienen gedaan te worden naar de frequentie en duur van de verschillende
  stereotypieën; zie voor methodiek de protocollen van bijvoorbeeld De Wilt (1985).
- gestoord zuiggedrag: Aanwijzingen zijn gevonden dat onvoldoende bevrediging van de zuigbehoef-
  te in de eerste twee levensweken, in combinatie met het vroegtijdig in een groep huisvesten, het
  wederzijds bezuigen aan elkaar in de hand werkt. Bij stierkalveren in groepshuisvesting kan dit
  leiden tot praeputiaal zuigen en urine drinken, met eventueel ontstekingen bij het bezogen dier en
  darmstoornissen bij de zuiger (De Wilt, 1985). Bij groepshuisvesting is het daarom gebruikelijk om
  de kalveren de eerste 6 tot 8 weken individueel te huisvesten. Getwijfeld mag worden of zo'n lange
  periode noodzakelijk is. De Passillé et al. (1992) en De Wilt (1985) vonden namelijk dat de
  zuigbehoefte met name direct na het voeren bestaat. De kalveren hoeven in dat geval slechts het
  eerste half uur na voeren vastgezet te worden. De zuigbehoefte is vrijwel verdwenen op een leeftijd
                                                    45
                                                   SS
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>                                                                                           9 Vleeskalveren
   van 6 weken, omdat de dieren onder natuurlijke omstandigheden dan reeds vast voer opnemen
   (Grommers, 1994).
   Gedragswaarnemingen zijn noodzakelijk voor een adequaat inzicht voor het al dan niet optreden
   en frequentie en duur van urinezuigen.
- gestoord verzorgingsgedrag: Doordat kalveren in de gangbare individuele huisvesting niet in staat
   zijn bepaalde delen van hun lijf te belikken, gaan ze vaak excessief likken aan delen van het
   lichaam, waar ze wel bij kunnen (Fraser en Broom, 1990). Dit vele likken kan de vorming van
   haarballen in de pens tot gevolg hebben. Individueel gehuisveste kalveren rekten zich ook wat
   minder vaak uit. De Wilt (1985) vond dat likken en krabben overal op het lichaam meer werd gezien
   bij groepshuisvesting dan bij individuele huisvesting, terwijl het belikken van de neus en voorpoten
   meer werd gezien in de individuele huisvesting. Ook hier zijn gedragswaarnemingen noodzakelijk
   voor een goed inzicht in het al dan niet optreden (frequentie en duur) van dit soort gedrag.
9.3 Orgaanbeschadigingen
- inwendige beschadigingen: Bij sterfte of afleveren moeten sectie- of slachtgegevens verzameld
   worden met betrekking tot inwendige beschadigingen. Indien mogelijk moet onderscheid gemaakt
   worden naar ernst van de aandoening. Net als bij varkens kan een heel scala aan pathologische
   gegevens worden verzameld (zie hoofdstuk 4). Bij kalveren dient speciaal gelet te worden op
   longen, maagwandlaesies, haemoglobinegehalte in het bloed en aanwezigheid van haarballen in
   het maag-darmkanaal.
Maagwandlaesies zijn gewoon (meer dan 60%) bij kalveren voor witvleesproductie als ze op een
leeftijd van 5 tot 6 maanden geslacht worden (Wiepkema et al., 1987). De Wilt (1985) vond
percentages van aangetaste maagwanden van 65-85% in zowel individuele huisvesting als bij
groepshuisvesting. Ruwvoer kan deze maagwandlaesies grotendeels voorkomen, maar dan moet wel
rekening gehouden worden met de ontwikkeling van het maag-darmkanaal (pensflora, lengte van de
darmen, dikte van de maag- en darmwanden, enzovoorts) en het soort ruwvoer.
Bloedarmoede heeft als oorzaak te weinig opneembaar ijzer in het dieet van de kalveren. Van
ijzerdeficintie wordt gesproken als het haemoglobinegehalte lager dan 5,6 mmol/l ligt. Een normaal
haemoglobinegehalte is minstens 7 mmol/l. Bij kalveren die gehouden worden voor wit kalfsvlees
wordt met name in het laatste gedeelte van de groeiperiode gestreefd naar een haemoglobinegehalte
van 4,6 mmol/l. Dat betekent voor de kalveren, dat ze aan chronische bloedarmoede lijden, maar
gemiddeld nog net geen productieverlies tonen. Vanaf een haemoglobinegehalte van 4,3 mmol/l en
lager tonen de dieren verminderde eetlust, gewichtsverlies en een hogere incidentie van darm- en
longontstekingen (SVC, 1995).
Kalveren belikken zichzelf en andere kalveren soms overmatig veel. Dit kan de reeds genoemde
haarbalontwikkeling tot gevolg hebben (Fraser en Broom, 1990).
Respiratieproblemen zijn de meest voorkomende gezondheidsproblemen bij kalveren (Rougoor et al.,
1994b). Een goede controle van de longen bij slacht of sectie kan meer inzicht geven in de problema-
tiek.
- uitwendige beschadigingen: Elk dier dient regelmatig op uitwendige beschadigingen gecontroleerd
   en gescoord te worden, waarbij gelet dient te worden op wonden, littekens, zwellingen,
                                                    46
                                                    TT
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>                                                                                           9 Vleeskalveren
   kreupelheden, of andere bevindingen en de conditie van haarkleed. Gedragsobservaties zijn
   noodzakelijk om inzicht te krijgen in hoe en wanneer bepaalde beschadigingen ontstaan.
9.4 Verlaagde productie
- groei: Door de dieren regelmatig individueel te wegen kan de groei per dier in gaten worden
   gehouden.
- voeropname: Deze parameter kan over het algemeen per dier gemeten worden, omdat kalveren
   meestal individueel melk wordt gevoerd. Bij groepsvoedering kan het per groep worden gemeten.
De Wilt (1985) komt in zijn onderzoek uit op een gemiddelde groei van ongeveer 1200 g/dag over 20
weken met een voederconversie van ongeveer 1,50. Smits en Ham (1988) kwamen op een groei uit
van 1050 g/dag met een voederconversie van 1,8. Het IKC (1993b) geeft streefgetallen voor gewicht,
groei en voederconversie (zie tabel 9.1).
9.5 Verhoogde ziektegevoeligheid
- medicijnen: Massamedicatie is gebruikelijk in de vleeskalversector (Rougoor et al., 1994b). De
   veterinaire kosten zijn in groepshuisvesting 20% hoger dan in individuele huisvesting (SVC, 1995).
   Bepaalde antibiotica worden standaard door het melkpoeder verwerkt vanwege de
   groeibevorderende eigenschappen (IKC, 1993b). Ook worden veel medicijnen gebruikt tegen
   luchtweginfecties (Rougoor et al., 1994b). Alle gebruikte medicijnen dienen naar aard en omvang
   genoteerd te worden (zie hoofdstuk 3).
- ziekte-incidenties: De dieren die ziek worden tijdens het onderzoek moeten geregistreerd worden.
   Tevens moet indien mogelijk genoteerd worden aan welke ziekte of aandoening het dier lijdt of
   anders welke symptomen het dier vertoont.
De meest voorkomende ziekten bij kalveren zijn diarree, luchtwegaandoeningen, maagwand-
beschadigingen, bloedarmoede en navelinfecties (SVC, 1995). De kwaliteit van het stalklimaat is met
name bij luchtwegaandoeningen een belangrijke factor dat meespeelt. Van de meeste aandoeningen
is weinig bekend hoeveel ze daadwerkelijk in de praktijk voorkomen (Rougoor et al., 1994b).
9.6 Verlaagde vitaliteit
- sterfte en afvoer: Genoteerd dient te worden welke dieren sterven of afgevoerd worden en om
   welke reden. Bij onduidelijkheid over de doodsoorzaak dient sectie te worden verricht.
De mortaliteit hangt van veel factoren af. In Nederland ligt de mortaliteit zowel in groepshuisvesting
als in individuele huisvesting op 2,9% (SVC, 1995). Smits en Ham (1988) vonden een
sterftepercentage van 3,4% in individuele huisvesting en 4,2% in groepshuisvesting.
                                                   47
                                                   UU
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>                                                                                                 9 Vleeskalveren
Tabel 9.1: Streefgetallen van gewicht, groei en voederconversie bij afleveringsgewicht van 240 kg in relatie tot de
leeftijd voor een zwartbont stierkalf (bron: IKC, 1993b).
         Leeftijdstraject                Gewicht                     Groei                 Voederconversie
            (weken)                        (kg)                     (g/dag)              (kg poeder/kg groei)
             opzet                          40                          -                          -
               0-8                          85                        800                        1,2
              8-18                         165                       1050                        1,7
             19-27                         240                       1200                        2,4
              0-27                         240                       1050                        1,85
9.7 Angstuitingen
Voor het meten van angstuitingen zie paragraaf 3.5.
9.8 Samenvattend
Hieronder wordt het voorgaande samengevat, waarbij een onderverdeling is gemaakt in
onvoorwaardelijke en voorwaardelijke parameters. Onvoorwaardelijke parameters zijn de parameters
die in elk onderzoek geregistreerd moeten worden. Voorwaardelijke parameters hoeven alleen
geregistreerd te worden indien het onderzoek ingrijpt op een aspect dat gerelateerd is aan die
parameter(s). De parameters in beide groepen zijn in willekeurige volgorde gerangschikt.
Onvoorwaardelijke parameters:
- gedragswaarnemingen voor het vastleggen van stereotypieën, gestoord zuiggedrag, gestoord
   verzorgingsgedrag en angst;
- uitwendige beschadigingen;
- locomotiestoornissen;
- slachtbevindingen;
- steekproefsgewijs bepalen van het haemoglobinegehalte van het bloed aan het eind van de
   mestperiode;
- groei;
- medicijngebruik;
- ziekte-incidenties;
- gegevens over het stalklimaat;
- mortaliteit plus oorzaak.
Voorwaardelijke parameters:
- voer- en wateropname;
- steekproefsgewijs gegevens met betrekking tot maagwandlaesies en haarballen;
- gedragswaarnemingen voor inzicht in ruimtegebruik, activiteit, sociale interacties, exploratie,
   lichaamsverzorging en rust;
                                                          48
                                                          VV
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>                                                         9 Vleeskalveren
- specifieke metingen van angstuitingen (hartslag e.d.).
                                                 49
                                                WW
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>                                                                                            10 Legkippen
10 Legkippen10 Legkippen
De legkippenhouderij kent verschillende soorten houderijen. Legbatterijen komen in Nederland het
meest voor, maar daarnaast zijn er ook grondhuisvestingsystemen, volièresystemen, en systemen
met uitloop. In de batterijhuisvesting komen de welzijns- en gezondheidsproblemen voort uit een
tekort aan bewegingsruimte, het ontbreken van zitstokken, van stofbadmogelijkheden en van
legnesten. In de grondhuisvestings- en volièresystemen en systemen met uitloop komen ze voort uit
de groepsgrootte en het feit dat de dieren meer met hun eigen mest in aanraking komen.
Enkele kenmerken die niet systeemspecifiek zijn, maar wel voor welzijnsproblemen kunnen zorgen
zijn: de hoge populatiedichtheid zowel landelijk als per bedrijf waardoor een hoge infectiedruk bestaat
(dit blijkt ook uit het intensieve entschema dat gehanteerd wordt), de grote afhankelijkheid van
automatisering, die aanleiding kan zijn tot welzijnsproblemen wanneer ze niet functioneren, en de
controle van de grote aantallen dieren die per bedrijf gehouden worden.
10.1 Aandachtspunten voor de legkippenhouderij
Aandachtspunten betreffende de houderij en huisvesting van legkippen, die van belang zijn voor het
welzijn van de kippen, zijn:
- ruimte: De hoeveelheid ruimte die een kip nodig heeft om normaal te kunnen functioneren is
   moeilijk te bepalen, omdat deze afhangt van de structuur en de kwaliteit van de ruimte, de
   groepsgrootte, het ras, en de activiteit (Keeling, 1995). Volgens de huidige Nederlandse wetgeving
   moeten legkippen een minimaal bewegingsoppervlak van 450 cm2 hebben. Dawkins en Hardie
   (1989) vonden bij Ross Brown hennen van gemiddeld 2,02 kg, dat voor het gedrag 'slaan met
   vleugels' gemiddeld de meeste ruimte nodig was en wel 1876 cm2 (spreiding 1085-2606 cm2). Over
   het algemeen is gebleken dat meer ruimte leidt tot minder abnormaal gedrag (Blokhuis en Metz,
   1992). Voldoende ruimte is noodzakelijk om poten, vleugels en nek te kunnen strekken (Appleby
   en Hughes, 1991).
- legnest: Ondanks de hoge productie van eieren is niet veel veranderd aan de originele
   eigenschappen voor nestplaatsselectie en eileggedrag. Eén legnest per 4 of 5 hennen is
   noodzakelijk om dit gedrag normaal te laten verlopen (Fölsch en Vestergaard, 1981). Hebben
   kippen geen of te weinig legnesten tot hun beschikking dan uit zich dit in gestoord gedrag, extra
   verhogingen van de hartslag en extra stijging van bepaalde hormoonspiegels in het bloed die
   duiden op stress (corticosteroïden) (Blokhuis, 1994). Ter voorkoming van buitennesteieren is het
   van belang, dat opfokhennen al gewend zijn aan de aanwezigheid van legnesten en dat voldoende,
   geschikte legnesten aanwezig zijn (Appleby et al., 1992; Freire et al., 1996).
- strooisel: Leghennen geven de voorkeur aan strooisel vloeren boven draadroostervloeren
   (Dawkins, 1981; 1982). Strooisel geeft de mogelijkheid tot het vervullen van twee belangrijke
   behoeften van de kip, namelijk fourageren en stofbaden. In een semi-natuurlijke omgeving was het
   gemiddelde percentage van de observatietijd dat de leghennen pikten en scharrelden 47,9%
   (Savory et al., 1978). Bij het ontbreken van strooisel is het stofbadgedrag gestoord en kunnen de
   hennen hun veren niet goed verzorgen. Dit wordt gezien als een welzijnsprobleem (Van Liere,
   1991; Appleby en Hughes, 1991). Daarnaast is het soort strooisel voor het stofbaden van belang.
                                                     50
                                                     XX
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>                                                                                             10 Legkippen
  Gebleken is dat turfmolm en zand het beste functioneren en de voorkeur genieten van de kippen
  boven houtkrullen (Van Liere, 1991).
- zitstokken: Kippen hebben zitstokken nodig om op hun soortspecifieke manier te kunnen rusten
  (SIV, 1986). Als de mogelijkheid geboden wordt maken ze dan ook veelvuldig gebruik van
  zitstokken (Blokhuis, 1984). Zitstokken kunnen een belangrijke functie vervullen voor een stabielere
  sociale orde. Ze kunnen dienen als vluchtplaats, met name als deze op verschillende hoogtes
  zitten (Kuit et al., 1989). De aanwezigheid van zitstokken resulteert in sterkere botten die minder
  snel breken tijdens hanteren of transport (Hughes en Appleby, 1990; Nørgaard-Nielsen, 1990).
  Over het algemeen wordt per hen een zitstoklengte van minimaal 15 cm geëist (zie bijvoorbeeld de
  PPE-Verordening scharreleieren en de regelgeving met betrekking tot volière-eieren), al kan dit wel
  eens aan de krappe kant zijn; Freeman (1983) vond dat een gemiddelde hybride-hen 21,3 cm
  breed is. Een houten zitstok van minimaal 5 cm x 5 cm met afgeronde hoeken wordt gezien als
  meest optimaal (Tauson et al., 1992).
- licht: Omtrent de effecten van (dag)licht op de productie is veel onderzoek verricht, maar
  betreffende de effecten op het welzijn van kippen is weinig bekend. Licht met een sterkte van 5 tot
  10 lux en een duur van minstens 10 uur is essentieel voor de productie van eieren. Een hogere
  lichtintensiteit wordt over het algemeen niet gegeven om verenpikken te voorkomen (Appleby et al.,
  1992). Via leerexperimenten zijn aanwijzingen gevonden dat leghennen een normale tl-buis (100-
  120 Hz) ervaren als een flikkerende lichtbron (Nuboer et al., 1992), maar er zijn geen aanwijzingen,
  dat dit als aversief wordt ervaren (Widowski et al., 1992; Duncan et al., 1991). Daglicht geeft geen
  kwaliteitsproblemen, maar de intensiteit en duur is moeilijk of niet te reguleren. Manser (1994) ad-
  viseert op basis van literatuur een minimale lichtintensiteit van 20 lux voor al het pluimvee.
  Naast de intensiteit is ook de duur en ritme van belang. Een lichtregime van maximaal 16 uur licht
  en minimaal 8 uur donker verdient de voorkeur.
- wateropname: Een onbeperkte watergift verdient de voorkeur en is ook gebruikelijk in de gangbare
  praktijk van de legkippenhouderij.
- voeropname: Voldoende eetruimte per kip en een ongestoorde voeropname zonder beperkingen
  voorkomt agressie en onrust.
10.2 Abnormaal gedrag
- stereotypieën: Gedragswaarnemingen zijn noodzakelijk om inzicht te krijgen of de hennen
  stereotypieën (frequentie en duur) vertonen. Bij leghennen kan bijvoorbeeld stereotyp gedrag
  worden waargenomen als ze een ei willen leggen maar er geen legnest aanwezig is. Ze lopen dan
  steeds herhalend heen en weer (Wood-Gush en Gilbert, 1968; Brantas, 1980). Meijsser en Hughes
  (1989) vonden bovendien dat hennen afwijkend gedrag vertoonden als er wel een legnest
  aanwezig was, maar dat ze daar niet in konden door concurrentie van andere hennen die het nest
  bezetten.
- gestoord stofbad- en scharrelgedrag: Hennen die geen mogelijkheden hebben om te stofbaden in
  strooisel proberen dit gedrag uit te oefenen in de voergoot, op de kale bodem of op een hokgenoot
  (Vestergaard, 1982; Martin, 1987). De conditie van de veren van kippen die niet kunnen stofbaden
  is slecht (Van Rooijen, 1989), want stofbaden reguleert de hoeveelheid vetten in de veren en houdt
                                                   51
                                                   YY
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>                                                                                            10 Legkippen
  de structuur van de veren in een goede conditie (Van Liere en Bokma, 1987). Voor protocollen
  betreffende stofbadgedrag zie Van Liere (1991).
  Kippen vertonen ook 'vacuüm' scharrelgedrag indien ze gehuisvest zijn op roosters en geen
  toegang hebben tot strooisel. Ze maken dan functieloze scharrelbewegingen op de roosters.
- gakelen: Een kip kan kakelen, maar ook gakelen. Dit laatste geluid laten ze horen onder andere
  vóór het leggen van een ei, wanneer de toegang tot een nest is ontzegd. In geval kippen in
  batterijen zijn gehuisvest gakelen ze drie keer intenser en langer van duur dan in grondhuisvesting
  (Schenk et al., 1984). Gakelen wordt gezien als een teken van frustratie en bij veel-vuldig optreden
  als een teken van gestoord welzijn (Wiepkema et al., 1993). Geluidswaarnemingen dienen gedaan
  te worden om metingen te verrichten aan de duur en frequentie van optreden van gakelen.
- gestoord pikgedrag: In huisvestingssystemen zonder strooisel treedt het verenpikken op als een
  vorm van omgericht bodempikken of wel voedselzoekgedrag, hoewel verenpikken ook in systemen
  met strooisel voorkomt (Blokhuis en Arkes, 1984; Blokhuis, 1986). Verenpikken staat bekend als
  een groot welzijnsprobleem, omdat het beschadigingen aan de veren en verwondingen
  veroorzaakt. Hennen met bloedende wonden, meestal op de rug, vormen zelf een pikobject en
  kunnen dood worden gepikt (kannibalisme). Kannibalisme kan ook een gevolg zijn van cloacapik-
  ken (Blokhuis en Van der Haar, 1992). Fraser en Broom (1990) menen, dat verenpikken meer
  optreedt na het voeren en na het leggen van een ei. Het komt vaker voor als beperkt wordt
  gevoerd, als gepelleteerd voer wordt verstrekt, als het lichtniveau hoog is, als er sprake is van
  stofbaddeprivatie of als de vloer uit draadgaas bestaat. Verenpikken zorgt in vrijwel alle soorten
  huisvestingssystemen regelmatig voor problemen. Gedragswaarnemingen zijn noodzakelijk om
  inzicht te krijgen in de frequentie ervan. Daarnaast moeten regelmatig steekproefsgewijs een
  aantal kippen gecontroleerd worden op beschadigingen (zie hieronder).
- hysterie: In groepshuisvesting, waarbij grote groepen in een ruimte gehouden worden, kan als
  gevolg van een onverwachte gebeurtenis synchroon vluchtgedrag ontstaan (hysterie). Dit leidt
  soms tot een opeenhoping van alle dieren in één van de uiteinden van de stal, waardoor
  vertrappingen en verstikkingen kunnen optreden. Als gevolg van hysterie kunnen voeropname en
  eiproductie dalen. Hysterie kan over het algemeen voorkomen worden door een goed
  vakmanschap van de verzorger (namelijk door voorspelbaar en rustig te werken). De gevolgen van
  een hysterie kunnen gereduceerd worden door barrières in de stal aan te brengen, waardoor de
  dieren eerder moeten stoppen met verder vluchten en ophoping aan één kant wordt voorkomen.
  Indien hysterie optreedt is dit een teken van een ondeskundige dierverzorging (Fraser en Broom,
  1990).
10.3 Orgaanbeschadigingen
- uitwendige beschadigingen: Beschadigingen kunnen worden waargenomen aan bijvoorbeeld
  verenkleed, huid, lellen en klauwen. Regelmatig moet steekproefsgewijs een aantal individuen
  beoordeeld worden op beschadigingen of verwondingen en conditie van het verenpak. Onder-
  scheid moet worden gemaakt betreffende de ernst en plaats van bevinding(en).
                                                   52
                                                   ZZ
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>                                                                                              10 Legkippen
Bij vrijwel alle legkippen zijn de snavels gekapt ter voorkoming van het verenpikken. Desondanks
komen beschadigingen aan de veren en huid als gevolg van verenpikken in alle systemen voor.
Batterijkippen hebben over het algemeen een groter verenverlies en verenschade dan kippen in
andere systemen (Appleby en Hughes, 1991).
Bij kippen in een batterij dient gelet te worden op klauwaandoeningen. Als hennen niet kunnen
scharrelen slijten hun nagels onvoldoende af, waardoor extreem lange nagels kunnen ontstaan die in
de bodem kunnen blijven haken of zelfs kunnen breken. Dit kan voor een groot deel voorkómen
worden door een strip van een soort schuurpapier onder de voerbak te plaatsen. De kippen maken
tijdens het eten uit de voerbak scharrelbewegingen, waardoor ze langs de strip strijken en zo
automatisch hun nagels slijten (Tauson, 1986). Door altijd op draadgaas te zitten en te staan kunnen
zwellingen en ontstekingen ontstaan aan de klauwen en poten. Door de hennen een zitstok te geven
kunnen al veel problemen voorkomen worden. Zitstokken worden intensief gebruikt en hebben een
positief effect op de klauwconditie en beendersterkte (Appleby en Hughes, 1991).
- inwendige beschadigingen: De meest voorkomende inwendige beschadigingen zijn botbreuken.
    Deze ontstaan bij vluchtreacties in de kooi of bij het hanteren en transporteren en zijn een gevolg
    van zwakke botten veroorzaakt door de voorafgaande te krappe huisvesting. Botbreuken kunnen
    gekenschetst worden als bijzonder pijnlijk en zijn daarmee een ernstige welzijnsaantasting.
    Gegevens over het aantal botbreuken na de slacht of bij sectie dienen te worden vastgelegd.
    Daarnaast kunnen allerlei pathologische gegevens worden verzameld ten tijde van de slacht.
    Daarbij dient gelet te worden op het eilegapparaat, lever en maag-darmkanaal.
Het aantal botbreuken hangt sterk af van de sterkte van de botten, de manier waarop de hennen
gehanteerd worden en de inrichting van het huisvestingssysteem. Batterijkippen hebben een
verminderde sterkte van de botten van 45% ten opzichte van scharrelkippen (Nørgaard-Nielsen,
1990). Hughes en Appleby (1990) vonden, dat alleen al het toevoegen van een zitstok in de
batterijkooi tot 19% sterkere botten kan leiden. Gregory en Wilkins (1989) vonden dat na het
verwijderen van leghennen uit de batterijkooien bij 24% botbreuken kon worden geconstateerd.
Appleby en Hughes (1991) noemen percentages van 30 tot 50% van leghennen met botbreuken bij
hanteren en transporteren.
Zwakke botten zijn extra kwetsbaar in situaties waar een kip weinig ruimte heeft. Bij schrik- en
vluchtreacties proberen de dieren vliegend weg te komen. Ze slaan met hun vleugels tegen de tralies
van de kooien of tegen hokgenoten waardoor beschadigingen kunnen ontstaan. Wokac (1989) vond
bij 29,6% van de onderzochte batterijhennen geheelde breuken, vaak meer dan één per kip, meestal
in schouders en vleugels. Gregory et al. (1990) vonden echter bij 5% van de kippen in een legbatterij
oude breuken. Gregory et al. (1991) melden 5% oude botbreuken bij kippen in een etagesysteem en
14% bij kippen in een zogeheten "perchery" aan het einde van de legperiode. Het bleek dat de
inrichting van de stal een belangrijke factor is voor het aantal breuken.
10.4 Verlaagde productie
- eiproductie: De eiproductie per dag dient bijgehouden te worden. Een afwijking van het verwachte
    aantal eieren per dag kan duiden op ziekte of een technische storing. Voor elk ras of hybride lijn
    bestaat een verwachte productiecurve (aantal hennen dat in productie is) en verwachte curve voor
                                                     53
                                                    AAA
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>                                                                                             10 Legkippen
   het gemiddelde eigewicht (Appleby et al., 1992). Met deze getallen wordt niet direct inzicht
   gekregen in welzijnsstoringen op individueel niveau.
- voer- en wateropname: Dagelijks dient de voer- en wateropname gemeten en genoteerd worden.
   Een afwijking van de verwachte voer- wateropname per dag kan duiden op een ziekte of
   technische storing. Met deze getallen wordt evenmin direct inzicht gekregen in welzijnsstoringen op
   individueel niveau.
De hoeveelheid voer die per hen per dag nodig is hangt af van een drietal factoren:
1) verspilling, die voor een groot deel veroorzaakt wordt door het ontwerp van de trog;
2) energetische aspecten zoals omgevingstemperatuur, activiteit, conditie van het verenkleed en
     lichaamsgewicht;
3) voedingswaarde van het voer.
Voor ISA Brown medium leghennen wordt gesteld, dat de dagelijkse voeropname ongeveer 120
g/dag in batterijkooien, 125 g/dag in volière systemen, 130 g/dag in scharrelstallen, 140 g plus 50 g
gras bij kippen met uitloop moet zijn (Appleby et al., 1992).
Per dag drinkt een hen onder normale omgevingstemperaturen ongeveer 150-200 ml per dag
(Appleby et al., 1992).
10.5 Verhoogde ziektegevoeligheid
- medicijnen: In de leghennensector worden, ongeacht het houderijsysteem, medicijnen en entingen
   in principe niet toegepast als de dieren in productie zijn vanwege het gevaar op residuen in de
   eieren. Voor die tijd, tijdens de opfok, krijgen ze een heel scala aan entingen meestal volgens de
   entschema's van de Gezondheidsdiensten.
- ziekte-incidenties: De dieren die ziek worden tijdens het onderzoek moeten geregistreerd worden.
   Genoteerd moet worden, indien mogelijk, aan welke ziekte of aandoening het dier lijdt of anders
   welke symptomen het dier vertoont en hoe lang de ziekte duurt.
Bij systemen waar de hennen in contact komen met hun eigen mest is het besmettingsgevaar op
inwendige parasieten zoals wormen en Eimeriae verhoogd. Uitwendige parasieten zoals bloedluizen
komen in die houderijsystemen ook vaker voor. De kwaliteit van het stalklimaat is ook een belangrijke
factor als het gaat om gezondheid, met name in verband met respiratieproblemen.
Als drie meest voorkomende gezondheidsproblemen worden genoemd aandoeningen aan ,
legapparaat, bewegingsapparaat, luchtwegen en maag-darmkanaal (Rougoor et al., 1994a).
10.6 Verlaagde vitaliteit
- sterfte en afvoer: Genoteerd dient te worden het aantal dieren dat sterft en om welke reden. Bij
   onduidelijkheid over de doodsoorzaak dient sectie te worden verricht. Als de hennen afgevoerd
   worden, omdat ze uit productie worden genomen, moeten slachtgegevens verzameld worden.
                                                      54
                                                     BBB
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>                                                                                            10 Legkippen
In de praktijk zijn de sterftepercentages voor de batterij en voor de alternatieve systemen ongeveer
gelijk, mits er geen kannibalisme optreedt. Appleby en Hughes (1991) noemen enkele getallen: een
ISA Brown lijn over de weken 20-44 kende een sterfte van 1,4% in een volièresysteem en 2,5% in
een batterijsysteem. In een andere volièresysteem was de sterfte in twee ronden van 20-72 weken
5,7% respectievelijk 3,3%. Bij een vergelijking van een scharrelsysteem met een batterijsysteem
waren de sterftepercentages over verschillende rondes tussen de 1-3% respectievelijk 2-3%. Echter
bij het optreden van kannibalisme kan het sterftepercentage oplopen tot 25%.
                                                   55
                                                  CCC
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>                                                                                            10 Legkippen
10.7 Angstuitingen
- reactie op mensen (zie ook paragraaf 3.5): Een voorbeeld van een test is het plaatsen van dieren in
  een nieuwe omgeving. Bij kuikens is in zo'n situatie gebleken, dat wanneer ze opgegroeid waren in
  een arme omgeving, veel minder liepen en pikten naar voer dan wanneer ze opgegroeid waren in
  een verrijkte omgeving (Jones, 1982). Witte Leghorns in een batterijkooi toonden bij blootstelling
  aan een 'novel object' een duidelijke angstreactie, terwijl dezelfde soort kippen in groepen
  gehuisvest dit niet lieten zien (Hughes en Black, 1974).
10.8 Samenvattend
Hieronder wordt het voorgaande samengevat, waarbij een onderverdeling is gemaakt in
onvoorwaardelijke en voorwaardelijke parameters. Onvoorwaardelijke parameters zijn de parameters
die in elk onderzoek geregistreerd moeten worden. Voorwaardelijke parameters hoeven alleen
geregistreerd te worden indien het onderzoek ingrijpt op een aspect dat gerelateerd is aan die
parameter(s). De parameters in beide groepen zijn in willekeurige volgorde gerangschikt.
Onvoorwaardelijke parameters:
- gedragswaarnemingen voor het vastleggen van stereotypieën, verenpikken en angst;
- uitwendige beschadigingen, inclusief die het gevolg zijn van snavelkappen;
- locomotiestoornissen;
- eiproductie;
- ziekte-incidenties;
- gegevens over het stalklimaat;
- mortaliteit plus oorzaak, afvoer plus reden.
Voorwaardelijke parameters:
- voer- en wateropname;
- gedragswaarnemingen voor het vastleggen van stofbaden, scharrelen en nestelen;
- slachtbevindingen;
- na slacht steekproefsgewijs data verzamelen betreffende botbreuken;
- specifiek metingen van frustratie-uitingen (gakelen).
                                                  56
                                                 DDD
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>                                                                                              11 Vleeskuikens
11 Vleeskuikens11 Vleeskuikens
De grootste welzijns- en gezondheidsproblemen voor de vleeskuikens zijn een gevolg van de zeer
ver doorgevoerde selectie op groeisnelheid, bevleesheid en voerconversie, en van het hanteren en
transporteren voor de slacht.
11.1 Aandachtspunten voor de vleeskuikenhouderij
Aandachtspunten voor de vleeskuikenhouderij in verband met welzijn zijn:
- water- en voeropname: Een onbeperkte water- en voergift is gebruikelijk in de praktijk en verdient
   ook de voorkeur. Een ongestoorde water- en voedselopname zonder beperkingen voorkomt
   agressie en onrust.
- ruimte: Vleeskuikens hebben net als kippen de ruimte nodig om poten, vleugels, hals en andere
   lichaamsdelen te kunnen strekken (zie hoofdstuk 10). Vleeskuikens lopen minder en zitten meer
   dan leghenkuikens van dezelfde leeftijd. Dat ze niet helemaal stil zitten blijkt uit het feit ze op een
   leeftijd van vier weken gemiddeld een oppervlak van 120-170 m2 per dier per week gebruiken. Op
   een leeftijd van zes weken is dit afgenomen tot gemiddeld 80-135 m2 per dier per week (Blokhuis,
   1995). Vleeskuikens worden over het algemeen gehouden in zeer grote groepen (10 000-20 000
   dieren), waarbij de populatiedichtheid ongeveer 22 dieren/m2 is. In het begin hebben ze nog
   genoeg ruimte maar aan het eind van de mestperiode is de stal vrijwel volledig bezet met kuikens.
   Van het effect van deze opeenhoping van dieren is niet veel bekend (Fraser en Broom, 1990).
   Controle van individuele dieren is in dit soort situaties niet mogelijk.
- strooisel: Strooisel geeft de mogelijkheid tot het vervullen van twee belangrijke behoeften van de
   kip, namelijk stofbaden en fourageren (zie ook hoofdstuk 10). Vleeskuikens scharrelen echter
   minder dan leghenkuikens. Stofbaden wordt niet of slechts zeer beperkt waargenomen. Dit in
   overeenstemming met kuikens van leghennen (Blokhuis, 1995).
- zitstokken: Zitstokken zijn niet gebruikelijk in de gangbare vleeskuikenhouderij. Hoewel kuikens van
   vleesrassen al op een leeftijd van 5 dagen gaan zitten op zitstokken als ze beschikbaar zijn en na
   vier weken het zitstokgedrag goed is ontwikkeld (Hughes en Elson, 1977). Het is niet bekend in
   hoeverre de voordelen van de zitstok (normaal rustgedrag, sterkere botten), zoals die gelden bij
   legkippen, ook van toepassing zijn op vleeskuikens, maar aangenomen mag worden dat zitstokken
   ook voor vleeskuikens een belangrijke functie kunnen vervullen. Immers van vleeskuikens is
   bekend dat ze zwakke botten hebben door de snelle groei. Zitstokken zouden bijv. een preventieve
   werking kunnen hebben op het vóórkomen van brandblaren (zie hieronder).
- licht: Omtrent de effecten van (dag)licht op het welzijn van vleeskuikens is weinig bekend.
   Vleeskuikens krijgen in de gangbare praktijk of 23 uur kunstlicht 1 uur donker of intermitterend 2
   uur licht, 1 uur donker. Lichtperiodes van 23 uur of langer kunnen stress geven, terwijl
   intermitterend licht verhoogde onrust teweeg brengt (Manser, 1994). In het hoofdstuk over de
   legkippenhouderij is al ingegaan op het gezichtsvermogen van de kip.
11.2 Abnormaal gedrag
- extreme eetlust: Door een extreem doorgevoerde selectie op groeisnelheid en lage voerconversie
   kunnen vleeskuikens in zes weken uitgroeien tot een slachtrijp dier. Deze extreme selectie heeft tot
                                                      57
                                                     EEE
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>                                                                                            11 Vleeskuikens
   problemen geleid (zie hieronder). Van elk dood kuiken dient een eenduidige doodsoorzaak
   geconstateerd en genoteerd te worden. In geval van onduidelijkheid moet altijd sectie worden
   verricht.
Vleeskuikens kunnen momenteel in 42-45 dagen van een begingewicht van ongeveer 50 g uitgroeien
tot een gewicht van ongeveer 2200 g (Appleby et al., 1992), terwijl de benodigde hoeveelheid voer
om een kuiken 1800 g zwaar te laten worden daalde van 5850 g tot 3519 g in de periode 1950-1988
(Gyles, 1989). Ze zetten hierbij in zeer korte tijd veel eiwit en een beetje vet aan. Hiervoor is een
hoog stofwisselingsniveau vereist en behoeven de dieren relatief veel zuurstof. De rest van het dier,
en dan met name het hart en longen, groeit niet zo snel mee. Het kuiken is hierdoor beperkt in de
mogelijkheid tot verhoging van de zuurstofconsumptie en verdeling. De behoefte aan een hoog
zuurstofverbruik en de beperkte mogelijkheden tot verhoging van de zuurstofopname kan leiden tot
ernstige stoornissen in de stofwisseling met als gevolg bijvoorbeeld Ascites en Heart-Failure
Syndrome. Ook het verschijnsel dat goed groeiende kuikens zonder duidelijke oorzaak dood
neervallen (de zogenoemde doodgroeiers) heeft hier waarschijnlijk mee te maken (Blokhuis, 1995;
Scheele et al., 1991; Scheele, 1996). De ontwikkeling van het skelet blijft achter bij de snelle
spiergroei. Dit leidt tot afwijkende skeletgroei zoals dyschondroplasie, draaipoten en spondylolistesis
(Leenstra, 1991; Frankenhuis et al., 1989).
De oorzaken van de problematiek rond extreme eters worden gezocht in 'genetische beschadigingen'
van de hypothalamus die gekarakteriseerd kunnen worden door een falen van het verzadigingsme-
chanisme. Deze 'beschadigingen' zijn waarschijnlijk de oorzaak van de hoge voederopname op zo'n
jonge leeftijd (McCarthy en Siegel, 1983).
- Hysterie: In groepshuisvesting waarbij grote groepen in een ruimte gehouden worden kan als
   gevolg van een onverwachte gebeurtenis synchroon vluchtgedrag optreden (hysterie), waarbij door
   ophoping in een hoek, verdrukking en vertrapping doden kunnen vallen (zie verder hoofdstuk 10).
11.3 Orgaanbeschadigingen
- uitwendige beschadigingen: Regelmatig moet steekproefsgewijs een aantal individuen beoordeeld
   worden op beschadigingen of verwondingen en conditie van het verenkleed. Onderscheid moet
   worden gemaakt betreffende de ernst en plaats van bevinding(en). Beschadigingen kunnen worden
   waargenomen aan bijvoorbeeld verenkleed, huid, lellen en klauwen. Gedragsobservaties zijn
   noodzakelijk om inzicht te krijgen in hoe, wanneer en onder welke omstandigheden de
   beschadigingen ontstaan.
Speciaal moet gelet worden op borst- en hakblaren. Vleeskuikens rusten veel. Verschillende
onderzoekers vonden dat ze ongeveer 75% van de dag liggend doorbrengen (Weeks et al., 1994).
Op het eind van de productiefase gaan ze steeds meer liggen. Problemen kunnen ontstaan doordat
zich brandblaren gaan ontwikkelen op de borst en hakken als gevolg van het vele liggen op het met
mest verzadigde strooisel. De mest en de afbraakproducten kunnen een aantasting van de huid
veroorzaken indien de dieren langere tijd op die mest gaan zitten (Fraser en Broom, 1990). Ectors
(1994) vermeldt dat in België 0,001-0,037% van de vleeskuikens post mortem in het slachthuis wordt
afgekeurd wegens geïnfecteerde borstblaren. Dat zijn de ernstige gevallen. De kuikens waarvan een
                                                      58
                                                     FFF
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>                                                                                           11 Vleeskuikens
klein deel of geringe tot matige aantastingen zijn te constateren worden niet afgekeurd, maar de
aangetaste delen worden weggesneden. Hierover zijn geen verdere gegevens bekend.
- inwendige beschadigingen: Bij de slacht moeten slacht- of sectiegegevens verzameld worden met
   betrekking tot inwendige beschadigingen. Een heel scala aan pathologische bevindingen kan
   daarbij worden vastgelegd (zie bijvoorbeeld hoofdstuk 4)
De meest voorkomende inwendige beschadigingen zijn botbreuken en symptomen van Heart Failure
Syndrome. Botbreuken ontstaan bij vleeskuikens met name tijdens het vangen van de slachtrijpe
dieren, het stoppen in kratten, het transporteren en tenslotte het uit de kratten halen en ophangen
aan de slachthaken. De grootte van de opening van het krat waar de dieren doorheen moeten als ze
in en uit het krat worden gehaald, is cruciaal voor het aantal beschadigingen.
Het Heart Failure Syndrome is een collectieve naam en omvat abnormaliteiten als hypertrofie van het
hart, vooral het rechter ventrikel, uitzetting van het hart en het hydropericardium, en oedematische
longen (Scheele et al., 1991).
11.4 Verlaagde productie
- groei: Door regelmatig steekproefsgewijs een aantal dieren te wegen kan enig inzicht worden
   verkregen over de gemiddelde groei van de dieren.
- voer- en wateropname: Een afwijking van de verwachte voer- wateropname per dag kan een
   aanwijzing zijn van gezondheids- of technische problemen. Deze parameter kan alleen per groep
   gemeten worden en zegt dus niets over de voer- en wateropname of het welzijn van een individu.
De voederconversie (op 1500 g) is momenteel 1,6 (Groot, 1994). Gerrits en Zeelen (1994) laten
gegevens zien dat de voederconversie over de hele mestperiode 1,74 is.
11.5 Verhoogde ziektegevoeligheid
- medicijnen: Voeders voor vleeskuikens bevatten standaard een anti-coccidiosemiddel
   (coccidiostaticum). Kort voor de slacht wordt hiermee gestopt in verband met de wachttijd voor
   coccidiostatica, opdat geen residuen in het vlees kunnen worden aangetroffen. Genoteerd dient te
   worden welke coccidiostatica en andere additieven in het voer zijn opgenomen. Daarnaast moeten
   uiteraard alle andere veterinaire behandelingen en verstrekte medicijnen genoteerd worden.
- ziekte-incidenties: De dieren die ziek worden tijdens het onderzoek moeten geregistreerd worden.
   Als individuele behandeling niet of moeilijk mogelijk is, moet bij grote groepen een inschatting
   gemaakt worden van het aantal dieren dat ziek is. Genoteerd moet worden indien mogelijk aan
   welke ziekte of aandoening het dier/de dieren lijdt/lijden of anders welke symptomen vertoond
   worden en hoe lang de ziekte duurt.
Veelvoorkomende gezondheidsproblemen hangen samen met de hoge groeisnelheid zoals Ascites,
Heart Failure Syndrome. Andere gezondheidsproblemen zoals Eimeriae besmettingen (coccidiose)
                                                     59
                                                    GGG
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>                                                                                          11 Vleeskuikens
en coli infecties hangen nauw samen met het feit dat de kuikens in aanraking komen met hun eigen
mest. Ten derde is het stalklimaat een belangrijke factor bij bijvoorbeeld luchtwegaandoeningen, die
samen met aandoeningen aan de luchtwegen, maag/darmkanaal en bewegingsapparaat het meest
optreden (Rougoor et al., 1994a).
11.6 Verlaagde vitaliteit
- sterfte: Genoteerd dient te worden het aantal dieren dat sterft en om welke reden. Bij
   onduidelijkheid omtrent de doodsoorzaak dient sectie te worden verricht.
In de huidige praktijk wordt een sterfte van 5% als normaal beschouwd terwijl 10 jaar geleden een
uitval van 2% al hoog werd bevonden (Leenstra, 1991). Door Gerrits en Zeelen (1994) wordt getoond
dat het uitvalspercentage in 1980 toch ook al 4,0% was. Tijdens het transport sterft zo'n 0,5-0,6% van
de dieren (Blokhuis, 1995; Ectors, 1994).
11.7 Angstuitingen
- reactie op mensen: Betreffende angst voor de mens is bij vleeskuikens een indruk te krijgen door
   door de stal te lopen en op de reacties van de dieren te letten (zie ook paragraaf 3.5).
11.8 Samenvattend
Hieronder wordt het voorgaande samengevat, waarbij een onderverdeling is gemaakt in
onvoorwaardelijke en voorwaardelijke parameters. Onvoorwaardelijke parameters zijn de parameters
die in elk onderzoek geregistreerd moeten worden. Voorwaardelijke parameters hoeven alleen
geregistreerd te worden indien het onderzoek ingrijpt op een aspect dat gerelateerd is aan die
parameter(s). De parameters in beide groepen zijn in willekeurige volgorde gerangschikt.
Onvoorwaardelijke parameters:
- gedragswaarnemingen voor het vastleggen van activiteit en angst;
- uitwendige beschadigingen;
- locomotiestoornissen;
- slachtbevindingen;
- groei;
- medicijngebruik;
- ziekte-incidenties;
- gegevens over het stalklimaat;
- mortaliteit plus oorzaak.
Voorwaardelijke parameters:
- voer- en wateropname;
- gedragswaarnemingen voor inzicht in stofbaden, scharrelen, ruimtegebruik, sociale interacties en
   rust;
- steekproefsgewijs gegevens verzamelen met betrekking tot hartaandoeningen en botbreuken.
                                                   60
                                                 HHH
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>                                                                                12 Vleeskuikenouderdieren
12 Vleeskuikenouderdieren12 Vleeskuikenouderdieren
In de traditionele vorm van vleeskuikenouderdierenhouderij komen geen welzijnsproblemen voor die
specifiek met de huisvesting samenhangen. De dieren beschikken over strooisel, legnesten en
hebben redelijke bewegingsvrijheid (Blokhuis, 1995). Een nieuwer houderijsysteem dat in opkomst is
voor de vleeskuikenouderdieren, de batterij, zorgt wel voor aanmerkelijke welzijnsproblemen, zie
hoofdstuk 10 voor de problematiek van batterijhuisvesting bij legkippen.
In de vleeskuikenouderdierenhouderij zijn de grootste welzijns- en gezondheidsproblemen net als bij
de vleeskuikens, een gevolg van de zeer ver doorgevoerde selectie op groeisnelheid, bevleesheid en
voerconversie (zie ook "Streefbeeld huisvesting en verzorging vleeskuikenouderdieren". RDA, 1996).
12.1 Aandachtspunten voor de vleeskuikenouderdierenhouderij
Hoewel niet veel onderzoek is gedaan aan vleeskuikenouderdieren kan met grote zekerheid gesteld
worden dat dezelfde aandachtspunten gelden voor vleeskuikenouderdieren als bij de leghennen. Een
punt dat extra de aandacht verdient zijn de mogelijkheden tot voer- en wateropname.
- voeropname: Door de zeer ver doorgevoerde selectie op groeisnelheid, bevleesheid en
   voerconversie hebben de ouderdieren een bijna onverzadigbare eetlust. Bij de ouderdieren is het
   probleem, dat de dieren voor een goede reproductie niet mogen vervetten. Echter door de 'selectie
   op eetlust' gebeurt dit zeer snel. Gevolg is dat de ouderdieren tijdens de opfok op een strikt
   rantsoen worden gezet (40% van hun ad lib opname), waarbij de dieren vrijwel continu honger
   hebben (Blokhuis, 1995). Savory et al. (1993) vonden dat dieren op een in de praktijk gebruikelijke
   voederbeperking bijna vier keer sterker gemotiveerd zijn om te eten (4 maal meer honger hebben)
   dan ad lib gevoerde dieren na 72 uur vasten. Dit heeft allerlei negatieve gevolgen zoals hieronder
   nader zal worden aangegeven. Tijdens de legperiode is de voerbeperking minder sterk (60-80%
   van ad lib opname), maar vormt nog steeds een probleem.
- wateropname: De waterverstrekking wordt soms beperkt, omdat de ouderdieren door de beperkte
   voedering geneigd zijn veel water te gaan drinken en er mee te gaan knoeien. Een beperkte
   watergift verdient echter niet de voorkeur vanuit welzijnsoogpunt (Blokhuis, 1995).
12.2 Abnormaal gedrag
- stereotypieën: Door een extreem doorgevoerde selectie op groeisnelheid en lage voerconversie
   moeten de vleeskuikenouderdieren op een strikt rantsoen worden gehouden opdat ze niet
   vervetten. Gevolg is dat de dieren abnormaal gedrag gaan vertonen met name in de vorm van
   orale stereotypieën. Nog niet volwassen vleeskuikenmoederdieren, die gehuisvest waren in
   grondhokken en beperkt gevoerd werden vertoonden stereotyp pikgedrag op drinkapparatuur en
   hokwanden. Ad lib gevoerde controledieren vertoonden dit gedrag niet. De beperkt gevoerde
   dieren besteedden veel minder tijd aan rustgedrag dan de controle dieren en het pikken naar de
   hokwanden nam toe met de leeftijd (Savory et al., 1992).
   Gedragswaarnemingen zijn noodzakelijk om de vorm en hoeveelheid (frequentie en duur) aan
   stereotypieën te meten, zie voor een protocol Savory et al., 1992).
                                                     61
                                                     III
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>                                                                                 12 Vleeskuikenouderdieren
- beschadigend gedrag: Verenpikken kan net als bij leghennen een probleem vormen (zie hoofdstuk
   10). Ook bij vleeskuikenouderdieren worden de snavels gekapt. Regelmatig dienen een aantal
   dieren nauwgezet gecontroleerd en gescoord worden op de mate van beschadiging van veren en
   huid (zie hieronder).
12.3 Orgaanbeschadigingen
- inwendige beschadigingen: Bij afvoer na de legperiode dienen slachtgegevens verzameld worden
   met betrekking tot inwendige beschadigingen. Indien mogelijk moet daarbij onderscheid gemaakt
   worden naar de ernst van de aandoening. Ook bij vleeskuikenouderdieren kan een heel scala aan
   pathologische gegevens verzameld worden.
- uitwendige beschadigingen: Beschadigingen kunnen worden waargenomen aan bijvoorbeeld
   verenkleed, huid, lellen en klauwen. Regelmatig moet steekproefsgewijs een aantal individuen
   beoordeeld en gescoord worden op beschadigingen, verwondingen en conditie van het verenkleed.
   Onderscheid moet worden gemaakt betreffende de ernst en plaats van bevinding(en).
Om beschadigingen van de hennen tijdens de paring te voorkomen worden veelal de buitenste
kootjes van de binnenste en achterste tenen van eendagshaantjes verwijderd. Dit heeft een positief
effect op het bevruchtingsresultaat. Ook worden bij de hanen de sporen verwijderd om ernstige
beschadigingen van de hennen te voorkomen. Bij zowel hanen als hennen worden de snavels
gekapt. Desondanks kunnen beschadigingen optreden aan het verenpak en huid met name op de rug
(Blokhuis, 1995).
12.4 Verlaagde reproductie
- eiproductie: Een afwijking van het verwachte aantal eieren per dag kan duiden op ziekte,
   reproductiestoornis of een technische storing. Voor elk ras of hybride lijn bestaat een verwachte
   productiecurve (aantal hennen dat in productie is) en verwachte curve voor het gemiddelde
   eigewicht (Appleby et al., 1992).
Een legperiode van vleeskuikenmoederdieren bedraagt ongeveer 40 weken, ongeveer van een
leeftijd van 24 tot 64 weken. Deze tijd is onder te verdelen in twee perioden. De eerste is vrij kort,
ongeveer tot 32 weken, maar is de topleg. Na de topleg volgt de tweede periode waarbij de
eierproductie een dalende lijn volgt (Wambeke, 1991).
- broedresultaat: De broeduitkomsten zeggen iets over het reproductiesucces. Zijn deze laag dan
   moet gezocht worden naar de oorzaak.
Bij vleeskuikenouderdieren op een grondhuisvestingssysteem daalt het bevruchtingspercentage in de
tweede helft van de legperiode soms te veel. Om deze daling tegen te gaan worden wel hanen
bijgeplaatst of vervangen. De oude hanen zijn in sommige gevallen te zwaar om nog goed de hennen
te kunnen treden en bevruchten (Blokhuis, 1995).
                                                    62
                                                    JJJ
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>                                                                                 12 Vleeskuikenouderdieren
12.5 Verhoogde ziektegevoeligheid
- medicijnen: Al het gebruik van medicijnen moet naar aard en omvang genoteerd worden.
- ziekte-incidenties: De dieren die ziek worden tijdens het onderzoek moeten geregistreerd worden.
   Bij grote groepen, als individuele behandeling niet of moeilijk mogelijk is, moet een inschatting
   gemaakt worden van het aantal dieren dat ziek is. Genoteerd moet worden, indien mogelijk, aan
   welke ziekte of aandoening het dier/de dieren lijdt/lijden of anders welke symptomen vertoond
   worden en hoe lang de ziekte duurt.
In een reeks van proeven van het praktijkonderzoek is op alle uitvallers (dood of ernstig ziek en
doodgemaakt) sectie verricht. Daaruit blijkt dat de meest voorkomende gezondheidsproblemen
arthritis (ontstekingen van gewrichten en pezen) en tumoren zijn. Daarnaast vormen hart-, circulatie-,
nier-, lever- en miltafwijkingen, en trauma een belangrijk deel van de doods-, of ziekteoorzaken (Van
der Haar, 1995). De kwaliteit van het stalklimaat is een belangrijke factor bij het voorkómen van
gezondheidsproblemen.
12.6 Verlaagde vitaliteit
- sterfte en afvoer: Genoteerd dient te worden het aantal dieren dat sterft of afgevoerd wordt en om
   welke reden. Bij onduidelijkheid omtrent de doodsoorzaak dient sectie te worden verricht.
In de praktijk valt ongeveer 10% van de hennen en 35% van de hanen uit. In een reeks proeven van
het praktijkonderzoek waren de percentages lager namelijk voor de hennen gemiddeld 6,5%
(spreiding 4,3-10,9%) en voor de hanen gemiddeld 24,8% (spreiding 16,1-34,9%) (Van der Haar,
1995).
12.7 Angstuitingen
- reactie op mensen: Bij vleeskuikenouderdieren kan net als bij de vleeskuikens een indruk van de
   angst voor de mens verkregen worden door door de stal te lopen en op de reactie van de dieren te
   letten. Ontstaat onrust, dan kan er sprake zijn van angst (zie ook paragraaf 3.5).
12.8 Samenvattend
Hieronder wordt het voorgaande samengevat, waarbij een onderverdeling is gemaakt in
onvoorwaardelijke en voorwaardelijke parameters. Onvoorwaardelijke parameters zijn de parameters
die in elk onderzoek geregistreerd moeten worden. Voorwaardelijke parameters hoeven alleen
geregistreerd te worden indien het onderzoek ingrijpt op een aspect dat gerelateerd is aan die
parameter(s). De parameters in beide groepen zijn in willekeurige volgorde gerangschikt.
Onvoorwaardelijke parameters:
- gedragswaarnemingen voor het vastleggen van stereotypieën, verenpikken en angst;
- uitwendige beschadigingen, inclusief die het gevolg zijn van ingrepen;
                                                    63
                                                   KKK
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>                                                                          12 Vleeskuikenouderdieren
- locomotiestoornissen;
- medicijngebruik;
- ziekte-incidenties;
- eiproductie;
- voeropname;
- gegevens over het stalklimaat;
- mortaliteit plus oorzaak, afvoer plus reden.
Voorwaardelijke parameters:
- wateropname;
- slachtbevindingen;
- broedresultaten;
- gedragswaarnemingen voor inzicht in stofbaden, scharrelen, ruimtegebruik, activiteit, sociale
  interacties en rust.
                                               64
                                               LLL
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>                                                                                            14 Kalkoenen
13 Kalkoenen13 Kalkoenen
De grootste welzijnsproblemen in de kalkoenenhouderij zijn een gevolg van de slechte kwaliteit van
het strooisel, de ver doorgevoerde selectie op groeisnelheid, bevleesheid en voerconversie, en het
hanteren en transporteren van de grote, zware dieren voor de slacht (Blokhuis, 1995).
In dit hoofdstuk wordt zowel de kalkoenenfokkerij (vermeerdering) als -mesterij behandeld.
13.1 Aandachtspunten voor de kalkoenenhouderij
Aandachtspunten betreffende de houderij en huisvesting van kalkoenen die van belang zijn voor het
welzijn, zijn:
- ruimte: Kalkoenen zijn van nature echte loopvogels. In uiterste nood kunnen ze ook een eindje
   vliegen. In de praktijk worden fokhanen gehouden in groepen van 20-30 dieren; de fokhennen in
   afdelingen met ongeveer 400 dieren (Blokhuis, 1995). Clayton et al. (1985) melden dat fokhanen
   meestal individueel of in groepen van 10 worden gehouden met een hokoppervlak van ongeveer 1
   m2/dier. De fokhennen worden soms in kooien gehouden. Ze hebben dan een kooioppervlak van
   0,7 x 0,7 m. De hoogte van de kooi is vooraan 0,7 m. De bodem loopt naar achter op met een
   helling van 10o, waardoor achterin de kooi de hoogte minder is dan 0,7 m. De kooihuisvesting moet
   gezien worden als ongewenst in verband met de geringe bewegingsvrijheid, de afwezigheid van
   strooisel en legnest en de veelvoorkomende pootproblemen.
   Bij vleeskalkoenen wordt in Nederland meestal het twee-leeftijdensysteem toegepast. Alle
   kalkoenen worden tot een leeftijd van 4 à 6 weken in één stal opgefokt, de mannetjes en vrouwtjes
   wel gescheiden. Daarna worden de hanen overgeplaatst naar een andere stal en krijgen de
   hennen de hele ruimte. Per m2 worden zo'n 3,0-3,7 hanen gehouden, hennen worden met een
   dichtheid van 5,0-5,6 per m2 gehouden (Blokhuis, 1995). Een cyclus duurt ongeveer 20 weken
   (IKC, 1994).
- legnest: Van nature broedt de kalkoen op de grond meestal op een beschutte plek. Bij het verlaten
   van het nest dekt ze de eieren af met bladeren (Hale et al., 1969). In grondhuisvesting hebben de
   fokhennen de beschikking over legnesten met een grootte van ongeveer 0,46 m x 0,6 m x 0,5 m (l
   x b x h). Een klepje voor de ingang, dat dichtgaat zodra er een hen inzit, wordt geadviseerd. Voor
   elke vijf hennen dient één legnest aanwezig te zijn. In de kooihuisvesting hebben ze geen beschik-
   king over legnesten (Clayton et al., 1985).
- strooisel: De snavel is bij de kalkoen het belangrijkste instrument bij exploreren en fourageren. Dit
   wordt ondersteund door scharrelbewegingen met de poten. Bij gedomesticeerde kalkoenen wordt
   scharrelgedrag nauwelijks waargenomen (Hale et al., 1969). De kwaliteit van het strooisel in de
   praktijk is hierdoor een groot probleem. Regelmatig bijstrooien, als ook een lagere
   bezettingsdichtheid (2,5 hanen per m2), helpt de kwaliteit op peil te houden (Ketelaars, 1992).
   Stofbaden wordt bij wilde kalkoenen regelmatig gezien. In hoeverre dit ook bij de gedomesticeerde
   kalkoen voorkomt is niet duidelijk. Wel is bekend dat kalkoenen stofbadgedrag vertonen zonder dat
   ze strooisel tot hun beschikking hebben. Indien het stofbaden dezelfde functie heeft als bij kippen -
   en dat lijkt heel aannemelijk - is de beschikbaarheid over strooisel in ieder geval noodzakelijk.
- zitstokken: Wilde kalkoenen slapen in bomen. De kuikens doen dat na 4 tot 5 weken ook. Tot die
   tijd slapen ze op de grond onder de vleugels van de moeder (Hale et al., 1969; Blokhuis, 1995). In
                                                    65
                                                  MMM
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>                                                                                            14 Kalkoenen
   hoeverre de gedomesticeerde kalkoen voorkeur heeft om te rusten op een stok is niet duidelijk. In
   de praktijk zijn geen zitstokken in de stal aanwezig.
- licht: Kalkoenkuikens kunnen de eerste dagen slecht zien. In de praktijk krijgen ze daarom de
   eerste dagen een hoge lichtintensiteit zodat ze voer en water gemakkelijk kunnen vinden. Na een
   paar dagen moet die intensiteit snel omlaag om pikkerij te voorkomen. Vleeskalkoenen wordt 14-16
   uur licht gegeven, soms ook continu (IKC, 1994). Fokhanen krijgen in de praktijk meestal een
   lichtintensiteit van 5 tot 10 lux gedurende 12-14 uren, maar soms ook 30 lux net als bij de
   fokhennen. Een lichtintensiteit van 20-50 lux stimuleert de zaadproductie bij hanen. Hennen
   hebben minimaal 10 uur licht nodig om eieren te kunnen produceren (Clayton et al., 1985).
- wateropname: Een onbeperkte watergift verdient de voorkeur en is ook gebruikelijk in de gangbare
   praktijk van de kalkoenenhouderij.
- voeropname: De kalkoen is van nature een alleseter (Hale et al., 1969), maar in de praktijk is het
   rantsoen eenzijdig. Voldoende eetruimte per kalkoen en een ongestoorde voeropname zonder
   beperkingen voorkomt agressie en onrust. Fokhanen worden soms beperkt gevoerd om te
   voorkomen dat de dieren te zwaar worden (Blokhuis, 1995). Wat daarvan de gevolgen voor het
   welzijn zijn is niet duidelijk.
13.2 Abnormaal gedrag
- verenpikken: Verenpikken is het meest voorkomende abnormale gedrag bij kalkoenen (Hale et al.,
   1969). Gedragswaarnemingen zijn noodzakelijk om inzicht te krijgen in hoeverre (frequentie en
   duur) dit voorkomt en op welke plekken ze elkaar pikken.
In de praktijk wordt de grootste schade aan de dieren voorkomen door het snavelkappen. Indien de
snavels niet gekapt worden ontstaan snel grote problemen met pikkerij. De mortaliteit kan dan hoog
oplopen (Clayton et al., 1985). Het noodzakelijke snavelkappen is een teken dat de huidige houderij
van kalkoenen niet voldoet aan de eisen van de kalkoen. Hale et al. (1969) melden dat in het
algemeen gesteld kan worden dat gepelleteerd voer met een hoog energiegehalte en laag
vezelgehalte weliswaar de beste productieresultaten geeft, maar ook het meeste verenpikken en
kannibalisme. Daarnaast zijn nog veel meer factoren van invloed zoals ook in hoofdstuk 10 is
aangegeven.
Agonistische gedrag, ter bepaling van de rangorde, wordt bij groepen jonge kalkoenen vooral gezien
op een leeftijd van 3 tot 5 maanden. Groepen met alleen vrouwelijke dieren hebben een stabielere
rangorde dan groepen met alleen mannelijke dieren (Hale et al., 1969).
13.3 Orgaanbeschadigingen
- inwendige beschadigingen: Bij sterfte of afvoer moeten sectie- of slachtgegevens verzameld
   worden met betrekking tot inwendige beschadigingen. Indien mogelijk moet onderscheid gemaakt
   worden naar de ernst van de aandoening.
- uitwendige beschadigingen: Beschadigingen kunnen worden waargenomen aan bijvoorbeeld
   verenkleed, huid, lellen en klauwen. Regelmatig moet steekproefsgewijs een aantal individuen
                                                    66
                                                   NNN
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>                                                                                           14 Kalkoenen
   beoordeeld en gescoord worden op beschadigingen, verwondingen en conditie van het verenkleed.
   Onderscheid moet worden gemaakt betreffende de ernst en de plaats van bevinding(en).
Met name borstblaren, borstpukkels en pootproblemen veroorzaakt door een slechte kwaliteit van het
strooisel, komen veel voor (Clayton et al., 1985; Blokhuis, 1995). Gegevens hierover moeten
nauwkeurig worden vastgelegd. Beschadigingen aan het verenkleed als gevolg van verenpikken
komen ook regelmatig voor. Daarbij moet wel in acht worden genomen dat de mate waarin de nek
kaal is gepikt een teken is van hoe hoog zijn/haar positie is in de rangorde. Hoe meer nekveren des
te hoger in rang (Hale et al., 1969). Daarnaast komen beschadigingen voor als gevolg van menselijk
ingrijpen. Bij fokkalkoenen worden de snavels gekapt op een leeftijd van ongeveer één week. Op een
leeftijd van 26-30 weken worden de fokhennen een tweede keer gekapt. Bij de fokhanen wordt dit per
individu bekeken. Bij vleeskalkoenen wordt op één dag leeftijd met een laser een gaatje in de snavel
gebrand, waarna de snavelpunt na één tot twee weken afvalt. Bij fokkalkoenen wordt op één dag
leeftijd de neuslel verwijderd (afgeknepen tussen duim en wijsvinger). Bij vermeerderingshanen wordt
op één dag leeftijd een deel van de achterste teen verwijderd voor identificatie doeleinden (Blokhuis,
1995). Wat de gevolgen van deze ingrepen zijn is vrijwel niet bekend.
13.4 Verlaagde (re)productie
- groei en voeropname: Deze parameters kunnen bij individuele huisvesting per dier gemeten
   worden. Bij groepshuisvesting wordt de voeropname per groep gemeten. De groei kan door
   steekproefsgewijs een aantal dieren te wegen vastgelegd worden. Ook is het mogelijk om een
   automatische weger in de stal te plaatsen. Dit is een weegschaal waar de dieren zelf op moeten
   gaan staan en waarmee hun gewicht automatisch wordt vastgelegd. In de praktijk zijn daar goede
   resultaten mee bereikt (Bijleveld, 1996).
Per ras, maar vooral ook per type is er veel verschil in de groei en de hoeveelheid opgenomen voer.
Het Handboek voor de Pluimveehouderij (IKC, 1994) geeft enkele streefgetallen voor een zwaar type
(B.U.T.6). Op een leeftijd van 6 weken moeten hanen 187 g voer per dag opnemen en een gewicht
hebben van 2,4 kg. Op 16 weken moet dit 491 g per dag en 12,7 kg zijn en op 22 weken 663 g per
dag en 18,9 kg. Voor hennen gelden andere streefgetallen, namelijk op een leeftijd van 6 weken 155
g voeropname per dag en een gewicht van 2,0 kg en op een leeftijd van 16 weken 373 g voeropname
per dag en 9,3 kg zwaar. De voederconversie ligt gemiddeld op 2,8.
In Nederland worden het meest zware lijnen gehouden, waarbij de hanen afgemest worden tot een
gewicht van 18-20 kg (21 weken) en de hennen tot een gewicht van 10 kg (15 weken) (Blokhuis,
1995).
- reproductie: Het aantal eieren per dag kan iets zeggen over eventuele reproductieproblemen en
   dient dagelijks bijgehouden te worden.
Kalkoenen kunnen zo'n 40 tot 100 eieren in een legperiode van twintig weken produceren, afhankelijk
van het ras (Clayton et al., 1985).
- broeduitkomsten: Gegevens dienen verzameld te worden betreffende de broedresultaten.
                                                   67
                                                  OOO
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>                                                                                           14 Kalkoenen
In de gangbare kalkoenenhouderij is het gebruikelijk dat de fokhennen kunstmatig geïnsemineerd (KI)
worden. Dit is noodzakelijk, omdat bij het in Nederland algemeen gebruikte ras (British United Turkey
(BUT)) de fokhanen te groot en te zwaar (tot 35 kg) zijn ten opzichte van de hennen (tot 20 kg) om
een voldoende hoog bevruchtingspercentage te behalen (IKC, 1994). Met behulp van KI kan een
bevruchtingspercentage van 90-93% gehaald worden binnen een legperiode van 20 weken (Clayton
et al., 1985; Ziggers, 1996). Het uitkomstpercentage is ongeveer 85% van de ingelegde eieren
(Ziggers, 1996)
13.5 Verhoogde ziektegevoeligheid
- medicijnen: Alle gegevens met betrekking tot medicijnen dienen naar aard en omvang vastgelegd
   te worden zoals in hoofdstuk 3 is aangegeven.
- ziekte-incidenties: De dieren die ziek worden tijdens het onderzoek moeten geregistreerd worden.
   Tevens moet genoteerd worden, indien mogelijk, aan welke ziekte of aandoening het dier lijdt of
   anders welke symptomen het dier vertoont en hoe lang de ziekte duurt.
Bij kalkoenen is sprake van drie belangrijke groepen gezondheidsproblemen. De eerste groep is op
het gebied van de ademhalingsorganen; het kan gaan om virussen (TRT, Adeno en NCD) en
bacteriën (ORT, E-coli, mycoplasmata en Pasteurella). Een goed stalklimaat is bij deze groep een
belangrijke factor ter voorkoming van problemen. De tweede groep betreft spijsverteringsproblemen;
hier is sprake van virussen (Corona), bacteriën (Clostridium) en protozoa (Coccidioses en Blackhead)
met symptomen als darmontstekingen en diarree. De derde groep betreft het bewegingsapparaat:
botziekten (Arthritis) en spierziekten (Anonymus, 1996). Hoe vaak elk van de ziekten voorkomen is
niet bekend.
13.6 Verlaagde vitaliteit
- sterfte en afvoer: Genoteerd dient te worden welke dieren sterven of afgevoerd worden en om
   welke reden. In geval van sterfte moet bij onduidelijkheid over de doodsoorzaak sectie worden
   verricht.
De mortaliteit in de praktijk bij vleeshennen is ongeveer 5%, bij de vleeshanen ongeveer 8-12%, bij
een mestperiode van respectievelijk ongeveer 15 en 21 weken (Blokhuis, 1995).
13.7 Angstuitingen
Bij kalkoenen kan een indruk van de angst voor de mens verkregen worden door door de stal te lopen
en op de reactie van de dieren te letten. Ontstaat onrust, dan kan er sprake zijn van angst (zie ook
paragraaf 3.5).
13.8 Samenvattend
                                                    68
                                                   PPP
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>                                                                                         14 Kalkoenen
Hieronder wordt het voorgaande samengevat, waarbij een onderverdeling is gemaakt in
onvoorwaardelijke en voorwaardelijke parameters. Onvoorwaardelijke parameters zijn de parameters
die in elk onderzoek geregistreerd moeten worden. Voorwaardelijke parameters hoeven alleen
geregistreerd te worden indien het onderzoek ingrijpt op een aspect dat gerelateerd is aan die
parameter(s). De parameters in beide groepen zijn in willekeurige volgorde gerangschikt.
Onvoorwaardelijke parameters:
- gedragswaarnemingen voor het vastleggen van verenpikken en angst;
- uitwendige beschadigingen, inclusief beschadigingen door ingrepen;
- locomotiestoornissen;
- medicijngebruik;
- ziekte-incidenties;
- slachtbevindingen;
- eiproductie (fokdieren), groei (mestdieren);
- gegevens over het stalklimaat;
- mortaliteit plus oorzaak, afvoer plus reden.
Voorwaardelijke parameters:
- voer- en wateropname;
- broedresultaten;
- gedragswaarnemingen voor inzicht in stofbaden, scharrelen, ruimtegebruik, activiteit, sociale
  interacties en rust.
                                                 69
                                               QQQ
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>    14 Kalkoenen
 70
RRR
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>                                                                                                 14 Eenden
14 Eenden14 Eenden
Gedomesticeerde eenden worden voor twee productiedoelen gehouden, namelijk eieren en vlees.
Voor beide doelen bestaan speciale rassen. In Nederland is momenteel alleen nog de vleeseenden-
houderij een tak van enige betekenis. In dit hoofdstuk gaat het alleen over deze tak.
De eendenhouderij zit in Nederland momenteel in een lastige situatie. Het was tot nu toe gebruikelijk
om eenden buiten vet te mesten. In verband met mest- en milieuwetgeving is dit vanaf 1 januari 1998
niet meer toegestaan. De vleeseendenhouderij zal dan naar binnen moeten. Het probleem is dat juist
in de binnenhuisvesting veel welzijnsproblemen voorkomen. Dit komt doordat de dieren geen open
water hebben en gehouden worden in een prikkelarme omgeving, vooral als geen strooisel aanwezig
is.
14.1 Aandachtspunten voor de eendenhouderij
Bij watervogels in het algemeen wordt weinig onderzoek verricht met betrekking tot welzijn (Blokhuis,
1995). Aandachtspunten betreffende de houderij en huisvesting van eenden, die van belang zijn voor
het welzijn, zijn:
- ruimte: De eend is van nature een goede loper, zwemmer en vlieger. Echter de gedomesticeerde
    rassen voor productiedoeleinden zijn zwaarder gebouwd en lopen daardoor moeilijker en kunnen
    vaak niet meer goed vliegen (McKinney, 1969). In de traditionele vleeseendenhouderij worden de
    kuikens de eerste tien dagen binnen gehouden. Daarna krijgen ze de beschikking over een uitloop.
    Op drie weken leeftijd worden ze overgeplaatst naar een open veld. De bezetting is dan 2000 tot
    3000 eenden per hectare. Buiten mesten van eenden gebeurt in de maanden maart tot november.
    Een deel van de vleeseenden in Nederland wordt reeds binnen gehouden. Daar worden ze
    meestal in drie fases afgemest. De eerste fase, de opfok, duurt van 0 tot 3 weken, waarbij 17
    eenden per m2 worden gehouden. De tweede fase duurt van 3 tot 5,5 weken, waarbij 11 eenden
    per m2 worden gehouden. De derde fase duurt van 5,5 tot 7 weken, waarbij 5,3 eenden per m2
    worden gehouden (IKC, 1994).
- vloeruitvoering: Eenden zijn watervogels, maar ze zijn van nature ook gewend om behoorlijke
    afstanden te lopen tijdens het fourageren op het land. In de buitenhuisvesting lopen de eenden op
    gras of zand. Bij binnenhuisvesting lopen ze op stro, op gedeeltelijk stro gedeeltelijk rooster, of op
    een volledige roostervloer (geplastificeerd draadrooster). De volledige roostervloer moet worden
    afgeraden in verband met veelvoorkomende pootproblemen en abnormaal gedrag (Blokhuis,
    1995).
- water: Water is van oorsprong een belangrijk element in het leefmilieu van de eend. Het wordt bij
    veel gedragingen gebruikt zoals fourageren, poetsen en paren. Open water is bovendien
    vermoedelijk van veel belang als vluchtplaats bij verstoring of onrust. Indien de dieren niet over
    schoon, open water kunnen beschikken leidt dit snel tot vervuiling van het verenkleed en
    abnormaal gedrag. Onder houderijomstandigheden kan open water hygiëneproblemen geven. Een-
    den drinken vrij veel water, waardoor hun mest erg nat is (Wyeld et al., 1980). Natte mest samen
    met knoeiwater en strooisel kan de bodem veranderen in een smeerboel, waardoor de dieren ook
    vies kunnen worden. In de praktijk wordt bij binnenhuisvesting ook wel drinknippels gebruikt om het
    waterknoeien te voorkomen (IKC, 1994). In principe is daarmee het water uit het leefmilieu van de
                                                     71
                                                    SSS
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>                                                                                               14 Eenden
   eend gehaald en dat heeft niet de voorkeur. Beter is het te zoeken naar een oplossing waar de
   dieren de beschikking over open water houden, maar niet de omgeving bevuilen.
- voeropname: Eenden onder houderijomstandigheden krijgen onbeperkt mengvoer verstrekt dat
   volledig aan de fysiologische behoefte voldoet. De eenden hebben niet de mogelijkheid om
   uitgebreid fourageergedrag uit te voeren bij gebrek aan zwemwater.
- lichaamsverzorging: Eenden besteden van nature vele keren per dag een paar minuten aan het
   verzorgen van de veren. Daarbij wordt water veelvuldig gebruikt om over zich heen te gooien en
   om de snavel in te dippen. Regelmatig worden de veren opnieuw ingevet met olie uit de stuitklier
   om ze waterafstotend en in conditie te houden (McKinney, 1969).
14.2 Abnormaal gedrag
- verentrekken en -snebberen: Het verentrekken en -snebberen vormt een groot probleem, met
   name in de binnenhuisvesting. Bij het verentrekken trekken de eenden bij elkaar de veren uit de
   huid. Het verensnebberen lijkt afgeleid van het snebberen tijdens fourageren, waarbij de snavel
   snel open en dicht wordt gedaan om het voedsel uit het water te filteren. Verensnebberen is
   waarschijnlijk een vorm van omgericht fourageergedrag (Blokhuis, 1995). Met name in de
   binnenhuisvesting op een volledig roostervloer wordt dit gedrag uitgevoerd op de veren en
   veroorzaakt daardoor beschadigingen. Factoren zoals hoge dichtheid, geen open water, gebruik
   van gepelleteerd voer, droog weer en ras, hebben invloed op het al dan niet optreden van dit
   gedrag. Gedragswaarnemingen zijn noodzakelijk om inzicht te krijgen in het optreden van dit soort
   gedrag.
14.3 Orgaanbeschadigingen
- inwendige beschadigingen: Bij sterfte of afvoer moeten sectie- of slachtgegevens verzameld
   worden met betrekking tot inwendige beschadigingen. Indien mogelijk moet onderscheid gemaakt
   worden naar de ernst van de aandoening.
- uitwendige beschadigingen: Beschadigingen kunnen worden waargenomen aan bijvoorbeeld
   verenkleed, snavel, huid en poten. Regelmatig moet steekproefsgewijs een aantal individuen
   beoordeeld en gescoord worden op beschadigingen, verwondingen en conditie van het verenkleed.
   Onderscheid moet worden gemaakt betreffende de ernst en de plaats van bevinding(en).
Pootproblemen komen bij binnenhuisvesting met veel roostervloer veel voor. Daarnaast dient met
name gelet te worden op verenverlies of wonden als gevolg van verentrekken. De conditie en
schoonheid van het verenkleed moet ook een punt van aandacht zijn. Een vuil verenkleed is een
teken dat de dieren zich niet goed kunnen poetsen (Blokhuis, 1995). Snavelkappen, waarbij op een
leeftijd van één week een klein deel (ongeveer 1 mm) van de bovensnavel wordt verwijderd (Wyeld et
al., 1980), is toegestaan bij eenden in binnenhuisvesting op een volledige roostervloer (tot 1
september 2006).
14.4 Verlaagde (re)productie
                                                   72
                                                  TTT
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>                                                                                               14 Eenden
- groei en voeropname: Deze parameters kunnen bij individuele huisvesting per dier gemeten
   worden. Bij groepshuisvesting wordt de voeropname per groep gemeten. De groei kan door
   steekproefsgewijs een aantal dieren te wegen vastgelegd worden. Ook is het mogelijk om een
   automatische weger in de stal te plaatsen. Uit de groei en de voeropname kan de voederconversie
   berekend worden.
Vleeseenden worden gemiddeld op een gewicht van 3,1 kg afgeleverd (KWIN, 1996). De
voederconversie is dan 2,8 (Gerrits en Zeelen, 1994). Het mesten gebeurt in 49 dagen. Bij
buitenhuisvesting duurt de mestperiode soms een week langer, afhankelijk van het weer en
temperatuur (Wyeld et al., 1980).
14.5 Verhoogde ziektegevoeligheid
- medicijnen: Al het gebruik van medicijnen moet naar aard en omvang genoteerd worden.
- ziekte-incidenties: De dieren die ziek worden tijdens het onderzoek moeten geregistreerd worden.
   Tevens moet genoteerd worden, indien mogelijk, aan welke ziekte of aandoening het dier lijdt of
   anders welke symptomen het dier vertoont en hoe lang de ziekte duurt.
De meeste gezondheidsproblemen zijn het gevolg van infecties met eendevirushepatitis, eendevirus
enteritis, E-coli, Salmonella en Pasteurella. Bij de binnenhuisvesting vormt de kwaliteit van het
stalklimaat een belangrijke factor ter voorkoming van luchtwegaandoeningen.
14.6 Verlaagde vitaliteit
- sterfte en afvoer: Genoteerd dient te worden welke dieren sterven of afgevoerd worden en om
   welke reden. In geval van sterfte moet bij onduidelijkheid over de doodsoorzaak sectie worden
   verricht.
De uitval onder praktijkomstandigheden bedroeg in de periode 1995-1996 4% (KWIN, 1996).
14.7 Angstuitingen
Bij eenden kan een indruk van de angst voor de mens verkregen worden door door de stal te lopen
en op de reactie van de dieren te letten. Ontstaat onrust, dan kan er sprake zijn van angst (zie ook
paragraaf 3.5).
14.8 Samenvattend
Hieronder wordt het voorgaande samengevat, waarbij een onderverdeling is gemaakt in
onvoorwaardelijke en voorwaardelijke parameters. Onvoorwaardelijke parameters zijn de parameters
die in elk onderzoek geregistreerd moeten worden. Voorwaardelijke parameters hoeven alleen
geregistreerd te worden indien het onderzoek ingrijpt op een aspect dat gerelateerd is aan die
parameter(s). De parameters in beide groepen zijn in willekeurige volgorde gerangschikt.
                                                     73
                                                   UUU
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>                                                                                             14 Eenden
Onvoorwaardelijke parameters:
- gedragswaarnemingen voor het vastleggen van verentrekken, verensnebberen en angst;
- uitwendige beschadigingen, indien van toepassing inclusief beschadigingen door ingrepen;
- locomotiestoornissen;
- slachtbevindingen;
- medicijngebruik;
- ziekte-incidenties;
- groei;
- gegevens over het stalklimaat;
- mortaliteit plus oorzaak.
Voorwaardelijke parameters:
- voer- en wateropname;
- gedragswaarnemingen voor inzicht in watergebruik, ruimtegebruik, activiteit, sociale interacties en
  rust.
                                               74
                                              VVV
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>                                                                                             15 Konijnen
15 Konijnen15 Konijnen
De grootste welzijnsproblemen in de bedrijfsmatige konijnenhouderij voor vleesproductie zijn een
gevolg van de grote beperkingen van het normale gedrag van konijnen in de kooihuisvesting zoals
weinig bewegingsruimte, een prikkelarme omgeving, in de meeste gevallen geen ruwvoer, een
ongeschikt vloeroppervlak en weinig sociaal contact. Daarnaast bestaat er een hoge infectie- en
productiedruk.
De konijnenfokkerij en -mesterij worden hier gezamenlijk behandeld. Waar nodig zal onderscheid
gemaakt worden.
15.1 Aandachtspunten voor de konijnenhouderij
Aandachtspunten betreffende de houderij en huisvesting voor konijnen die van belang zijn voor het
welzijn zijn (zie ook Stauffacher, 1992):
- vloeruitvoering: Konijnen zijn van nature gewend om op zanderige grond te leven. Daarin graven ze
  holen om in te slapen, te vluchten bij gevaar en om jongen in te krijgen. Een vloer waarin de dieren
  kunnen graven lijkt voorlopig praktisch niet realiseerbaar. Wel moet de vloer zoveel mogelijk
  geschikt zijn voor de dieren om op te lopen. Dat betekent dat deze bij voorkeur dicht en zacht moet
  zijn. De in de gangbare konijnenhouderij gebruikte draadgazen kooien voldoen niet aan deze
  eisen, waardoor veel poot- en voetzoolproblemen ontstaan bij de fokdieren (Blokhuis, 1995).
- ruimte en beweging: Konijnen hebben ruimte nodig om normaal te kunnen bewegen. In semi-
  natuurlijke omstandigheden zijn jonge konijnen gemiddeld 30% van de dag actief (Lehman, 1987).
  De draadgazen kooien zijn ongeveer 40 cm (l) x 50 cm (b) x 30 cm (h) groot en dit is onvoldoende
  om normaal beweeggedrag zoals huppelen en zekeren te kunnen uitvoeren. Een sprong maken
  kan evenmin (Lehman, 1987). Vleeskonijnen in draadgazen kooien zijn minder actief dan
  vleeskonijnen in een hok met stro (Metz, 1987).
  Bij konijnen kunnen verkrommingen in de rug optreden alsmede kan osteoporose van de rugge-
  wervels ontstaan als gevolg van te krappe huisvesting (Wieser; Drescher en Loeffler, beide
  geciteerd in De Jong, 1994). De dieren kunnen niet rechtop zitten of normaal voortbewegen. Ook
  het gebrek aan sociaal contact speelt bij rugaandoeningen een rol (De Jong, 1994).
- rustmogelijkheden: Als konijnen rusten verblijven ze van nature vrijwel altijd onder de grond of op
  een beschutte plek. Ze rusten en liggen ongeveer 60% van de dag. Bij gebrek aan een veilige,
  beschutte ligplek en schuil- of vluchtmogelijkheden worden konijnen zenuwachtig en schrikachtig
  van allerlei dingen (Lehman, 1987). Al zijn gedomesticeerde konijnen beduidend minder
  schrikachtig dan wilde konijnen, een beschutte plek blijft essentieel voor normaal rustgedrag, maar
  is in kooien niet voorhanden. Vleeskonijnen op draadgazen bodems rustten een groot deel van de
  tijd boven op elkaar. Verklaringen die hiervoor worden gegeven zijn de ongeschikte vloer,
  ontbreken van beschutting en te lage omgevingstemperatuur. Ook zaten de kooikonijnen meer
  tijdens rust dan de konijnen in strohokken (Metz, 1987).
- wateropname: Konijnen drinken circa 30 keer per dag een kleine hoeveelheid. Reiter (1993) vond
  een wateropname van 265 ml/dag bij vleeskonijnen van vijf weken oplopend tot 577 ml/dag bij
  vleeskonijnen van elf weken. Een onbeperkte watergift is gebruikelijk in de gangbare
  konijnenhouderij en verdient ook de voorkeur.
                                                   75
                                                 WWW
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>                                                                                               15 Konijnen
- voeropname: Een konijn heeft de behoefte om veel te knagen, grotendeels in verband met
  fourageren. In deze behoefte kan het best voorzien worden door de dieren ruwvoer in de vorm van
  hooi of stro te verstrekken (Sambraus, 1985). Dit is echter niet gebruikelijk in de gangbare
  konijnenhouderij. Wel krijgen ze meestal onbeperkt krachtvoer (Blokhuis, 1995). Onder semi-
  natuurlijke omstandigheden besteden jonge konijnen tweederde van de actieve tijd, dat is 20% van
  de totale tijd, aan het eten van brokken en gras (Lehman, 1987).
- sociaal contact: Het konijn is van nature een sociaal levend dier. Reuk en geuren vormen
  belangrijke communicatiemiddelen (Jolley, 1990). Ze leven in een groep van één tot enkele
  rammen en één tot vijf voedsters. Zo'n groep bezit een eigen holenstelsel dat ze verdedigen tegen
  niet-groepsleden als een territorium (De Jong, 1989). Huls et al. (1991) toonden aan dat konijnen
  die in twee aan elkaar gekoppelde kooien gehuisvest zijn en de keuze hebben wel of niet bij elkaar
  te verblijven, zich voor 80% van de tijd in dezelfde ruimte ophielden. Ook Held et al. (1995) toonden
  aan dat voedsters de voorkeur geven aan gezelschap van soortgenoten boven alleen zijn. Isolering
  van soortgenoten betekent voor konijnen een behoorlijke stressor.
- nestgelegenheid: Konijnen graven, als ze de mogelijkheid krijgen, ongeveer 14 dagen voor het
  werpen een werppijp. Dit bekleden ze met nestmateriaal. Eén dag tot enkele uren voor het werpen
  begint de voedster haren uit de borst te trekken voor een zachte, warme nestaankleding. In de
  konijnenhouderij krijgen de voedsters drie dagen voor het werpen een nestkast tot hun
  beschikking. Deze is weliswaar gevuld met strooisel, maar wordt feitelijk te laat aangebracht om
  het hele nestgedrag te kunnen uitvoeren (De Jong, 1994).
- huidverzorging: Konijnen moeten op hun achterpoten kunnen staan om zich te kunnen poetsen.
  Daarom moet de ruimte waarin ze zitten voldoende hoog zijn (De Jong, 1994). De gangbare kooien
  voldoen hier niet aan.
- licht: Het konijn is van nature een avond- en nachtactief dier, dat overdag voornamelijk onder de
  grond verblijft. Er is weinig bekend over de behoefte aan licht bij konijnen. Volledige duisternis is
  niet bevorderlijk voor een normale groei bij konijnen (Manser, 1994), maar wordt op sommige
  bedrijven toch toegepast (Blokhuis, 1995). Een verlengde daglengte kan positief werken op de
  reproductie en groei (Manser, 1994).
15.2 Abnormaal gedrag
- stereotypieën: Gedragswaarnemingen zijn noodzakelijk om inzicht te krijgen in het optreden
  (frequentie en duur) van stereotypieën.
De volgende gedragskenmerken zijn bij konijnen gekarakteriseerd als stereotypieën als ze tenminste
herhalend worden uitgevoerd:
  - bijten of kauwen aan nippel, spijlen, voederbak en gazen bodem;
  - likken aan nippel, spijlen, voederbak en gazen bodem;
  - krabben in een hoek op de bodem of tegen de zijkanten en krabben in de voederbak;
  - kauwen op haar;
  - snel cirkelen/rondjes rennen door de kooi, met daarbij soms tegen de kanten schoppend;
  - kopschudden/weven en verticale bewegingen maken met de neus tussen de kooispijlen;
  - met het hoofd duwen tegen de nippel en/of voederbak (Joint Working Group on Refinement,
     1993; Lehmann en Wieser, 1984; Brummer, 1986; Gunn en Morton, 1995).
                                                    76
                                                  XXX
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>                                                                                             15 Konijnen
Uit onderzoek aan konijnen in laboratoriumkooien is bekend dat konijnen in 6,3% (Podberscek et al.,
1991) en 11% (Gunn en Morton, 1995) van de waarnemingen stereotypieën vertoonden. Brummer
(1986) vond dat konijnen in kooihuisvesting veel meer aan de drinknippel likken dan konijnen in
alternatieve huisvestingssystemen (62,0 min/24 uur ten opzichte van 27,0 min/24 uur in individuele
huisvesting in houten hokken en stro en 8,0 min/24 uur in groepshuisvesting op 'Naturboden'). Hij
wijdt dit aan lik-stereotypieën.
- apathie: Gedragswaarnemingen zijn noodzakelijk om inzicht te krijgen in het optreden (frequentie
   en duur) van apathisch gedrag.
Apathie is een ernstige vorm van gestoord welzijn. De dieren reageren niet meer, of zwak op hun
omgeving. Gunn en Morton (1995) maken melding van dergelijk gedrag bij konijnen. Zij
classificeerden een kromme houding met de kop omlaag in een hoek als een niet-reactieve staat van
verveling (apathie). Dit werd in 3,8% van de observaties gezien.
- beschadigend gedrag: Gedragswaarnemingen zijn noodzakelijk om inzicht te krijgen in het
   optreden (frequentie en duur) van het haarplukken, pelsbijten, oorbijten en graven op elkaar.
   Tevens dienen sectiegegevens van gestorven dieren verzameld te worden met betrekking tot het al
   dan niet aanwezig zijn van haarballen.
Pelsbijten en haarplukken waarbij haren worden opgegeten is een gestoord gedrag. De haren hopen
zich op in de maag. Bij gezonde vlees- en laboratoriumkonijnen bedraagt de prevalentie van
haarballen in de maag ongeveer 15% (Fekete en Bokori, 1986; Mulder et al., 1992). Konijnen met
een haarbal hebben veelal een lagere voer- en wateropname en een verminderde vertering van het
voer (Fekete en Bokori, 1986). In een enkel geval leidt een haarbal tot obstructie en vervolgens tot
anorexie, leververvetting en ketose gevolgd door de dood (Wagner et al., 1974; Mulder et al., 1992).
In de gangbare konijnenhouderij worden de dieren meestal niet oud genoeg om dodelijke haarballen
in het maagdarmkanaal te ontwikkelen. Ze kunnen echter wel voor een slechtere productie zorgen.
Het geven van los hooi verminderd het pelsbijten en zorgt voor minder haar in het maagdarmkanaal
(Mulder et al., 1992).
Zowel oorbijten als graven op elkaar zijn beschadigende gedragingen die optreden in de
bedrijfsmatige konijnenhouderij, maar tot nu toe is er geen inzicht in hoeveel het voorkomt.
- gestoord moederlijk gedrag: Hiertoe worden gerekend: verwaarlozing van de jongen, onregelmatig
   zogen, vaak in het nest springen zonder de jongen te zogen, kannibalisme en een slecht nest
   bouwen (Verga et al., 1978). Door regelmatig nestcontroles uit te voeren en waarnemingen te doen
   aan de conditie en groei van de jongen kan inzicht worden verkregen in een eventuele verwaarlo-
   zing.
15.3 Orgaanbeschadigingen
                                                   77
                                                  YYY
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>                                                                                            15 Konijnen
- inwendige beschadigingen: Bij sterfte of afvoer moeten sectie- of slachtgegevens verzameld
   worden met betrekking tot inwendige beschadigingen. Indien mogelijk moet onderscheid gemaakt
   worden naar de ernst van de aandoening.
Als gevolg van te kleine huisvesting en geen normaal sociaal contact ontwikkelen konijnen
rugkrommingen en er kan osteoporose in de rugwervels ontstaan (Wieser; Drescher en Loeffler,
beide geciteerd in De Jong, 1994). Ook moeten gegevens verzameld worden met betrekking tot
haarballen, de longen, lever en maag-darmkanaal.
- uitwendige beschadigingen: Regelmatig moet elk individueel dier, of bij grote groepen
   steekproefsgewijs een aantal dieren, gecontroleerd en gescoord worden op huidbeschadigingen,
   verwondingen, littekens, zwellingen of andere opvallende verschijnselen en conditie van het
   haarkleed, waarbij vermeld moet worden de ernst en plaats van bevinding(en).
Vooral bij fokkonijnen komen veel voetzoolproblemen voor door het continu gehuisvest zijn op
draadgaasbodems. Factoren als draaddikte van de gaasbodem, beharing van de voetzolen, dikte van
de huid, nervositeit en lichaamsgewicht spelen een rol (De Jong, 1994). De dieren vertonen bij
beschadigde voetzolen locomotiestoornissen.
15.4 Verlaagde (re)productie
- groei: Door de vleeskonijnen regelmatig individueel te wegen kan de groei per dier in de gaten
   worden gehouden. Bij grote aantallen dieren kan steekproefsgewijs gemeten worden.
Lebas (1987) noemt een variatie van de groei bij vleeskonijnen van 20,7-36,0 g/dag, waarbij de vorm
(meel of brokken) waarin het voer gegeven wordt van belang is. Jensen en Jensen (1987) vonden
een groei van 37,1-40,0 g/dag bij vleeskonijnen.
- voeropname: Deze parameter kan bij individuele huisvesting per dier gemeten worden. Bij
   groepshuisvesting wordt dit per groep gemeten.
Lebas (1987) noemt een variatie van voederconversie van 2,62-3,70 op droge stof basis bij
vleeskonijnen. Ook hier is de invloed van de vorm, waarin het voer wordt verstrekt van belang.
- reproductie: Aan productiekengetallen als aantal worpen er jaar of aantal gespeende jongen per
   worp kunnen soms aanwijzingen ontleend worden van een aangetast welzijn.
De draagtijd van konijnen is 30-32 dagen. Na het werpen worden de voedsters binnen 0-11 dagen
(afhankelijk van het management) weer gedekt. De voedster draagt dus jongen, terwijl ze ook jongen
zoogt. De speenleeftijd ligt tussen de 28-35 dagen.
In Frankrijk ligt het drachtigheidspercentage gemiddeld op 85% (Vrillon, 1987). In Groot-Brittannië is
het aantal levend geboren per nest gemiddeld 8,8; het aantal grootgebrachte jongen per nest
gemiddeld 7,27; en het aantal nesten per voedster gemiddeld 6,56 (Parkin, 1987). Vrillon (1987) geeft
een overzicht van reproductiegetallen van een groot aantal Franse konijnenfokkers: 7,0-8,6 nesten
                                                  78
                                                 ZZZ
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>                                                                                             15 Konijnen
per voedster per jaar en 6,2-6,6 jongen gespeend per nest. In Nederland wordt een drachtig-
heidspercentage van 69% genoemd (Van Someren, 1989). In de praktijk wordt momenteel een
drachtigheidspercentage van 90% haalbaar geacht. In de praktijk worden zeven worpen per
gemiddeld aanwezige voedster geproduceerd met gemiddeld in totaal 46 gespeende jongen. Een
voedster werpt gemiddeld ongeveer 4 keer alvorens ze sterft of uitgeselecteerd wordt. De gemiddelde
worpgrootte ligt tussen de 8 en 12, afhankelijk van ras of hybride (KWIN, 1996).
15.5 Verhoogde ziektegevoeligheid
- medicijnen: Aan de meeste commerciële konijnenvoeders wordt een coccidiostaticum toegevoegd.
   Dit dient genoteerd te worden. Daarnaast moeten alle andere toevoegingen en medicijnen naar
   aard en omvang genoteerd worden.
- ziekte-incidenties: De dieren die ziek worden tijdens het onderzoek moeten geregistreerd worden.
   Tevens moet genoteerd worden, indien mogelijk, aan welke ziekte of aandoening het dier lijdt of
   anders welke symptomen het dier vertoont en hoe lang de ziekte duurt.
Maag-darmstoornissen, ademhalingsstoornissen en voetzoolbeschadigingen geven de grootste
problemen binnen de konijnenhouderij. Diarree, die etiologisch multifactorieel is, wordt door Peeters
(1987) als hoofdoorzaak bij uitval van gespeende konijnen genoemd. Ademhalingsstoornissen zijn
meestal het gevolg van een pasteurella-infectie in combinatie met een slecht stalklimaat.
15.6 Verlaagde vitaliteit
- sterfte en afvoer: Genoteerd dient te worden welke dieren sterven of afgevoerd worden en om
   welke reden. In geval van sterfte moet bij onduidelijkheid over de doodsoorzaak sectie worden
   verricht.
In de Nederlandse praktijk van de konijnenhouderij wordt een sterftepercentage van 55% per jaar
onder voedsters als normaal beschouwd. Daarnaast worden ook nog eens 90% van de voedsters
uitgeselecteerd (afgevoerd) wegens gezondheids-, reproductie-, voetzool of andere problemen.
De sterfte van jonge konijnen voor het spenen, met name in de eerste twee levensweken, is
gemiddeld 15%. De sterfte na het spenen bedraagt gemiddeld 10% (KWIN, 1996). Bij de
vleeskonijnen zijn het vooral de spijsverteringsstoornissen die de hoge sterfte veroorzaken (70-80%)
zowel voor als na het spenen. Bij voedsters is een veelvoorkomende sterfte oorzaak
ademhalingsstoornissen (40-60% van de gevallen) (De Jong, 1994). Parkin (1987) noemt een
gemiddelde mortaliteit van 19,04%. Vrillon (1987) noemt een mortaliteit van geboorte tot spenen van
21,0-23,6%. De mortaliteit van spenen tot verkoop bedraagt 12,3-18,1% (Vrillon, 1987).
15.7 Angstuitingen
Het konijn wordt wel een introvert dier genoemd. Het is moeilijk om aan een konijn snel goede
waarnemingen te doen met betrekking tot angst en welzijn. Dankzij een paar honderd jaar van
domesticatie en selectie zijn er nu rassen die rustiger en minder schrikachtig zijn dan de voorouders,
                                                   79
                                                 AAAA
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>                                                                                               15 Konijnen
maar ook het huidige gedomesticeerde konijn is nog steeds een alert dier dat snel wil vluchten bij
verstoringen. Voor het meten van angstuitingen zie paragraaf 3.5. Rondrennen door de kooi kan een
teken zijn van schrikachtigheid als ook veel gehurkt zitten, een alert rusthouding. Bij konijnen kan
bijvoorbeeld ook gekeken worden naar de reactie van een konijn op een hand, die in de kooi wordt
gestoken.
                                                  80
                                                BBBB
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>                                                                                           15 Konijnen
15.8 Samenvattend
Hieronder wordt het voorgaande samengevat, waarbij een onderverdeling is gemaakt in
onvoorwaardelijke en voorwaardelijke parameters. Onvoorwaardelijke parameters zijn de parameters
die in elk onderzoek geregistreerd moeten worden. Voorwaardelijke parameters hoeven alleen
geregistreerd te worden indien het onderzoek ingrijpt op een aspect dat gerelateerd is aan die
parameter(s). De parameters in beide groepen zijn in willekeurige volgorde gerangschikt.
Onvoorwaardelijke parameters:
- gedragswaarnemingen voor het vastleggen van bewegings- en knaagstereotypieën, van gestoord
  poetsgedrag, angst;
- uitwendige beschadigingen, met name pootaandoeningen bij fokdieren;
- locomotiestoornissen;
- medicijngebruik;
- ziekte-incidenties;
- slachtbevindingen;
- groei (vleeskonijnen);
- reproductiekengetallen;
- gegevens over het stalklimaat;
- mortaliteit plus oorzaak, waaronder kannibalistisch gedrag op jongen door moedervoedster; afvoer
  (uitselectie) plus reden.
Voorwaardelijke parameters:
- voer- en wateropname;
- gestoord moederlijk gedrag;
- gedragswaarnemingen voor inzicht in geschiktheid van de vloer, ruimtegebruik, activiteit, sociale
  interacties en rust;
- specifieke metingen van angstuitingen (hartslag e.d.).
                                                  81
                                                CCCC
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>                                                                                                  16 Nertsen
16 Nertsen16 Nertsen
De belangrijkste welzijnsproblemen in de nertsenhouderij zijn het optreden van stereotypieën en
beschadigend gedrag.
In dit hoofdstuk worden zowel de fokkerij als de mesterij (voor de pelsen) van Amerikaanse nertsen
behandeld. Deze twee takken zijn in Nederland onlosmakelijk met elkaar verbonden en tot nu toe
altijd op één bedrijf aanwezig.
Recent zijn twee rapporten (Wiepkema, 1994b; Spruijt et al., 1996) verschenen die een uitgebreide
analyse bevatten van de welzijnsproblematiek in de nertsenhouderij. Van deze twee rapporten wordt
hier gebruik gemaakt, aangevuld met extra informatie waar nodig.
Nertsen worden meestal in sheds (een soort open hutten) gehouden, maar soms ook in een stal.
16.1 Aandachtspunten voor de nertsenhouderij
Aandachtspunten betreffende de houderij en huisvesting voor nertsen, die van belang zijn voor het
welzijn, zijn:
- vloeruitvoering: In het rapport van Wiepkema en het rapport van Spruijt et al. wordt niet
   aangegeven wat de gevolgen zijn van de gaasbodems op het welzijn van de nerts. Bij konijnen en
   kippen, die langere tijd op gaasbodems leven is bekend dat ze nogal eens voetzoolproblemen
   hebben. Bij nertsen zijn echter nog nooit sporen van voetzoolbeschadigingen gevonden (De Jonge,
   schrift. med.).
- ruimte en beweging: Van nature leeft de nerts in een territorium van een aantal hectaren groot. De
   lengte van een territorium langs een rivier, beek, of zee kan 1 tot 5 km bedragen, waarbij de
   territoria van de teven meestal kleiner zijn dan die van de reuen. De grootte van het territorium is
   afhankelijk van het aantal prooidieren, de mogelijkheden om geschikte holen te vinden, de
   competitie met andere predatoren, en de mogelijke sociale instabiliteit van de populatie door
   vervolging/bejaging. Territoria liggen nooit ver van een waterkant, al kan een nerts ook goed leven
   zonder prooien uit het water. Binnen een territorium heeft de nerts favoriete fourageerplekken waar
   het ongeveer de helft van de actieve tijd doorbrengt. Dunstone (1993) toont maandelijkse grafieken
   waarin is te zien hoeveel een nerts (onderverdeeld naar sekse) rust, fourageert, trekt of actief is in
   het hol gedurende een etmaal. Daaruit blijkt dat grote verschillen bestaan tussen sekse en
   maanden (periode van de cyclus).
   Zowel de wilde nerts als de farmnerts zijn zo'n 2-4 uur per dag actief. De invulling van de actieve
   tijd verschilt uiteraard wel aanzienlijk. Dat dit een gevolg is van de kleine, prikkelarme huisvesting
   lijkt te worden bevestigd doordat nertsen in kooien (≈0,2 m2) bijna geen spelgedrag vertonen, terwijl
   ze dat wel veel doen in een ruim, verrijkt hok (20 m2) (Erlebach, 1994). In grotere of aan elkaar
   geschakelde kooien treedt ook spelgedrag op. In de praktijk leven de nertsen in kooien die 86 cm x
   20-25 cm x 40 cm (l x b x h) groot zijn (KWIN, 1996). Geadviseerd wordt om een kooigrootte van
   minimaal 85 cm x 30 cm x 45 cm (l x b x h) (= 0,255 m2) aan te houden.
- rust- en schuilgelegenheid: In het wild heeft de nerts altijd één of meer holen om te rusten en te
   schuilen. Een teef verzorgt daar ook haar jongen. Een oud konijnenhol, muskusrathol of holte
   onder boom of rots kan dienst doen als zodanig. Een hol heeft een diameter van ongeveer 20-35
                                                       82
                                                     DDDD
</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>                                                                                                   16 Nertsen
   cm en is bedekt met bijvoorbeeld droog gras, veren en haren (Dunstone, 1993). Nertsen zijn een
   groot deel van de dag inactief. Ze brengen die tijd grotendeels in het hol door. Dat nertsen een
   groot deel van de dag doorbrengen op een veilige plek, het hol, betekent dat de behoefte aan een
   veilige rust- en schuilmogelijkheid groot is. In de praktijk hebben de dieren altijd een nestbox,
   waarvan de groottes en ontwerpen kunnen verschillen.
-  wateropname: In het wild leeft een nerts altijd dicht bij een rivier, meer, beek, etc., waardoor het
   altijd de beschikking heeft over voldoende drinkwater (Dunstone, 1993). Het heeft de voorkeur dat
   nertsen onbeperkt water verstrekt krijgen, zoals ook gebruikelijk is in de praktijk (via drinknippels).
-  voeropname: De nerts jaagt in het wild op verschillende prooien zoals vis, gevogelte, knaagdieren,
   amfibieën en invertebraten, afhankelijk welke het makkelijkst te verschalken is (Dunstone, 1993). In
   praktijkomstandigheden hebben de nertsen geen mogelijkheid om te jagen, maar krijgen een
   afgewogen portie voer bestaande uit vis- en pluimveeslachtafvallen aangevuld met
   meelsupplement (KWIN, 1996).
-  sociaal contact: De nerts leeft van nature een deel van het jaar solitair, een ander deel niet. Tijdens
   de paartijd worden de teven een tijd samen met een reu gesignaleerd en daarna als ze jongen
   heeft enkele maanden met haar jongen (gedurende de zomer). De rest van het jaar leeft ze net als
   de reu solitair. Deze situatie geldt ook onder praktijkomstandigheden. Echter de nertsen hebben
   dan niet de mogelijkheid om een (groot) territorium te bezitten. Ze zitten dicht naast elkaar met een
   kleine individuele sociale afstand. Uit onderzoek is tot nu toe niet gebleken dat dit tot stress leidt
   (De Jonge, schrift. med.).
-  licht: De nerts is een dag-actief dier. In de praktijk worden de nertsen onder afdaken of in stallen
   gehouden. Onder beide omstandigheden hebben ze voldoende licht en een normaal dag- en
   nachtritme.
16.2 Abnormaal gedrag
- stereotypieën: Gedragswaarnemingen zijn noodzakelijk om inzicht te krijgen in het optreden
   (frequentie en duur) van stereotypieën. Daarnaast dienen bij nertsen hartslagmetingen te worden
   verricht, omdat de innerlijke kenmerken van onrustig gedrag niet altijd uiterlijk te zien zijn.
Nertsen kunnen meer of minder langdurig in hun kooien op en neer lopen/rennen, ronddraaien,
bewegingen met de kop rond de drinknippel maken e.d. Deze stereotypieën komen op alle farms voor
bij de fokdieren in de maanden dat ze alleen zitten. Dit gedrag wordt bij de meerderheid der dieren
gezien, waarbij wel gesteld moet worden dat de hoeveelheid stereotyp gedrag per dier sterk kan
variëren (0-20% van de tijd per etmaal). Deze stereotypieën treden voor een deel op kort voor de
voertijd (en kunnen dan als fourageergedrag worden beschouwd, dat inderdaad tot het verkrijgen van
voedsel leidt), ten dele echter los daarvan ('s nachts en in de vroege ochtend of na de voertijd). Deze
laatste groep stereotypieën wijst op een welzijnstoring. Stereotypieën treden meer op als geen
nestbox aanwezig is, als de dieren op rantsoen worden gezet, en als de dieren individueel zijn
gehuisvest.
16.3 Orgaanbeschadigingen
                                                      83
                                                    EEEE
</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 86 ======================================================================

<pre>                                                                                                 16 Nertsen
- inwendige beschadigingen: Bij sterfte moeten sectiegegevens verzameld worden met betrekking
   tot inwendige beschadigingen. Bij het pelzen van de dieren moeten steekproefsgewijs dieren nader
   onderzocht worden op inwendige beschadigingen. Indien mogelijk moet onderscheid gemaakt
   worden naar de ernst van de aandoening.
Bij wilde nertsen kunnen endoparasieten voor inwendige beschadigingen zorgen (Dunstone, 1993).
Bij farmnertsen zijn tot nu toe geen inwendige beschadigingen gevonden.
- uitwendige beschadigingen: Regelmatig moet elk individueel dier, of bij grote groepen
   steekproefsgewijs een aantal dieren, gecontroleerd en gescoord worden op huidbeschadigingen,
   verwondingen, littekens, zwellingen of andere opvallende verschijnselen en conditie van de pels,
   waarbij vermeld moet worden de ernst en plaats van bevinding(en).
In de nertsenhouderij komen veel nertsen voor met meer of minder opvallende beschadigingen van
de pels of staartpunt: incidentie is 10-20%. Deze beschadigingen lijken de dieren bij zichzelf aan te
brengen en duiden als zodanig op een welzijnsstoring. Gedragswaarnemingen zijn noodzakelijk voor
een goed inzicht in het voorkomen van dit soort gedrag. Spenen op 11 weken in plaats van in de
praktijk gebruikelijke 7-8 weken vermindert het aantal gevallen tot 1-2% (De Jonge, schrift. med).
Hoewel zeldzaam, kunnen bij het paren verwondingen ontstaan als gevolg van het hardhandige
paringsritueel bij nertsen. De reu bijt de teef in de nek om haar te fixeren. De teef verzet zich hier
soms heftig tegen met als gevolg beschadigingen. Een vluchtplek voor de teef zou dit soort
agressieve, gedwongen paringen misschien kunnen voorkomen.
16.4 Verlaagde (re)productie
- groei: Door de nertsen regelmatig individueel te wegen kan de groei per dier in de gaten worden
   gehouden. Bij grote aantallen dieren kan steekproefsgewijs gemeten worden.
In het wild levende volwassen mannetjes wegen gemiddeld ongeveer 1,2 kg (spreiding 780-1805),
volwassen vrouwtjes gemiddeld 0,6 kg (spreiding 450-810). Het gewicht kan echter aanzienlijk
fluctueren in de loop van een jaarcyclus (Dunstone, 1993).
Pasgeboren jonge nertsen wegen ongeveer 5 g en groeien gedurende de eerste maand uit tot een
gewicht van 100 g. In de praktijk is na ongeveer 21 dagen een sekse-verschil te meten in de groei, de
mannetjes groeien harder dan de vrouwtjes (Dunstone, 1993).
- voeropname: Deze parameter kan bij individuele huisvesting per dier gemeten worden. Bij
   groepshuisvesting wordt dit per groep gemeten.
Een fokteef heeft, samen met haar nageslacht, ongeveer 190-210 kg voer per jaar nodig (KWIN,
1996); op basis van droge stof is dit 60-70 kg (De Jonge, schrift. med.).
- reproductie: Aan reproductiekengetallen als aantal/percentage guste dieren na dekken, aan-
   tal/percentage dieren dat niet tot paring komt, worpgrootte, en aantal gespeende jongen kunnen
                                                      84
                                                    FFFF
</pre>

====================================================================== Einde pagina 86 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 87 ======================================================================

<pre>                                                                                             16 Nertsen
    soms aanwijzingen ontleend worden van een aangetast welzijn. Deze parameters dienen dan ook
    genoteerd te worden.
In de praktijk komen 3-4% van de eerste jaars teven en 1-2% van de oudere teven niet tot paren. Bij
de eerste jaars teven blijft echter ongeveer 10% van deze dieren gust, bij de oudere teven is dit
ongeveer 4%. Daarbij bestaan grote verschillen tussen bedrijven, duidend op verschil in
vakmanschap van de nertsenhouder.
De reproductieproblemen zijn klein ten opzichte van allerlei andere takken van veehouderij. Dit kan
waarschijnlijk verklaard worden doordat de teven gedekt worden, in de van nature normale dektijd
(maart) en ook maar één worp per jaar hoeven te produceren. Ze hebben hierdoor ruimschoots de
tijd om goed te herstellen van de zoogperiode.
De worpgrootte is bij farmnertsen zeer variabel en loopt van 1-14 jongen (en soms nog meer). Het
aantal gespeende jongen loopt van 4-6 dieren gemiddeld. In de periode 1995-1996 werden
gemiddeld 5,2 pelzen per teef per jaar afgeleverd (KWIN, 1996).
16.5 Verhoogde ziektegevoeligheid
- medicijnen: Alle gebruikte medicijnen dienen naar aard en omvang genoteerd te worden (zie
    hoofdstuk 3).
- ziekte-incidenties: De dieren die ziek worden tijdens het onderzoek moeten geregistreerd worden.
    Tevens moet genoteerd worden, indien mogelijk, aan welke ziekte of aandoening het dier lijdt of
    anders welke symptomen het dier vertoont en hoe lang de ziekte duurt.
Ernstige gezondheidsproblemen zijn bij de nerts zeldzaam. De dieren worden wel tegen drie tot vijf
ziektes gevaccineerd. Een ziekte waartegen niet gevaccineerd kan worden is Aleutian Disease (AD).
Dit wordt in de hand gehouden met zoveel mogelijk de seropositieve dieren uit de populatie te
verwijderen. Bloedanalyses zijn nodig om deze dieren op te sporen. Het in Nederland zeer incidenteel
voorkomende 'nursing sickness syndrome' is een ziekte als gevolg van uitputting en overbelasting.
Indien het optreedt, duidt dit op een ernstige welzijnsaantasting.
16.6 Verlaagde vitaliteit
- sterfte en afvoer: Genoteerd dient te worden welke dieren sterven of afgevoerd worden en om
    welke reden. In geval van sterfte moet bij onduidelijkheid over de doodsoorzaak sectie worden
    verricht.
De mortaliteit onder jonge nertsen is hoog, vooral bij kleine worpen en grote worpen. De optimale
worpgrootte is 7 jongen, de sterftekans is dan het geringst. Soms wordt tot 4% van jongen dood
geboren. De eerste levensdagen is de sterfte rond de 10%, vooral door lage geboortegewichten.
Dunstone (1993) noemt een uitval van 15-16% gedurende de eerste 11 dagen na geboorte.
Fokteven worden 3 tot 4 jaar aangehouden. Dunstone (1993) vermeldt een bereikte leeftijd van 8 jaar
van een eigen exemplaar.
                                                    85
                                                  GGGG
</pre>

====================================================================== Einde pagina 87 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 88 ======================================================================

<pre>     16 Nertsen
 86
HHHH
</pre>

====================================================================== Einde pagina 88 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 89 ======================================================================

<pre>                                                                                              16 Nertsen
16.7 Angstuitingen
De meeste nertsen op een nertsenfarm zijn bijzonder nieuwsgierig tegenover de mens. Echter er zijn
ook dieren die angstig reageren door zich terug te trekken of te gaan krijsen, of agressief reageren en
tot de aanval over gaan door te bijten. Gedragswaarnemingen en hartslagmetingen zijn noodzakelijk
om inzicht te krijgen in hoeverre de dieren inderdaad angstig zijn en hoeveel dat er zijn, waarbij de
benadering door de mens centraal moet staan. Gemeten kan bijvoorbeeld worden de reactie van een
nerts op een hand (met handschoen), die in de kooi wordt gestoken.
16.8 Samenvattend
Hieronder wordt het voorgaande samengevat, waarbij een onderverdeling is gemaakt in
onvoorwaardelijke en voorwaardelijke parameters. Onvoorwaardelijke parameters zijn de parameters
die in elk onderzoek geregistreerd moeten worden. Voorwaardelijke parameters hoeven alleen
geregistreerd te worden indien het onderzoek ingrijpt op een aspect dat gerelateerd is aan die
parameter(s). De parameters in beide groepen zijn in willekeurige volgorde gerangschikt.
Onvoorwaardelijke parameters:
- gedragswaarnemingen voor het vastleggen van stereotypieën en angst;
- uitwendige beschadigingen;
- locomotiestoornissen;
- medicijngebruik;
- na het pelzen steekproefsgewijs gegevens verzamelen met betrekking tot inwendige bescha-
   digingen;
- ziekte-incidenties;
- groei (jongen);
- reproductie (teven);
- gegevens over het stalklimaat (indien van toepassing);
- mortaliteit plus oorzaak, afvoer plus reden.
Voorwaardelijke parameters:
- voer- en wateropname;
- gedragswaarnemingen voor inzicht in geschiktheid van de vloer, ruimtegebruik, activiteit, sociale
   interacties en rust;
- specifieke metingen van angstuitingen (hartslag e.d.).
                                                   87
                                                   IIII
</pre>

====================================================================== Einde pagina 89 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 90 ======================================================================

<pre>     16 Nertsen
 88
JJJJ
</pre>

====================================================================== Einde pagina 90 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 91 ======================================================================

<pre>                                                                                      17 Streven naar welzijn
17 Streven naar welzijn17 Streven naar welzijn
Uit alle hoofdstukken blijkt dat de vijf vrijheden voor dieren, die in 1965 in het Brambell rapport
werden opgesteld nog steeds actueel, maar nog lang niet van kracht zijn in de meeste veehouderijen.
Webster et al. (geciteerd in Fraser en Broom, 1990) stelden deze vijf vrijheden opnieuw op in iets
genuanceerdere bewoordingen. Vertaald komen de vijf vrijheden op het volgende neer:
- Vrij zijn van honger, ondervoeding en dorst;
- Vrij zijn van fysiek en fysiologisch ongemak;
- Vrij zijn van pijn, verwonding en ziekte;
- Vrij zijn om het normale gedrag te kunnen uitvoeren;
- Vrij zijn van angst en chronische stress.
Deze vrijheden vertegenwoordigen een ideaalbeeld waarna gestreefd moet worden. De ondergrens
van wat in ieder geval voor de dieren aanwezig moet zijn, is, of wordt vastgelegd in de Gezondheids-
en Welzijnswet voor Dieren. Dit dient te gelden als het absolute minimum.
Uitgangspunt voor alle kwalitatief goede veehouderijsystemen moet zijn dat symptomen van
aangetast welzijn niet structureel mogen vóórkomen. Voor wat betreft gezondheidsproblemen, één
van de symptomen van een aangetast welzijn, is het reeds gewoon om te streven naar een minimum.
Deze lijn moet doorgetrokken worden naar de andere symptomen van aangetast welzijn. Ook voor
die moet gelden dat ze in principe niet mogen optreden, in ieder geval moet daar naar gestreefd
worden. Indien een symptoom toch optreedt is een verantwoording noodzakelijk.
De accepteerbaarheid van kleine welzijnsaantastingen hangt af van de belangen die er gelden op
andere gebieden zoals economische, milieutechnische, arbeidstechnische, enzovoorts. Echter deze
andere belangen moeten net als bij welzijn kwantificeerbare parameters aanleveren om een
evenwichtige overweging te kunnen maken.
Uit de vijf vrijheden en voorgaande hoofdstukken kunnen in het algemeen geldende uitgangspunten
gehaald worden, waarmee met betrekking tot de veehouderij een goed welzijn voor de dieren
gegarandeerd is. Bij de ontwikkeling van nieuwe huisvestingssystemen moet in principe van de
volgende uitgangspunten uitgegaan worden.
- Dieren zo veel bewegingsvrijheid geven dat ze normaal kunnen voortbewegen, gaan liggen, gaan
  staan, keren, rekken en strekken en voldoende individuele afstand kunnen houden ten opzichte
  van andere dieren.
- Dieren een geschikt vloeroppervlak geven.
- Dieren niet permanent fysiek van soortgenoten isoleren, tenzij solitair leven voor een bepaalde
  diercategorie normaal is.
- Dieren een veilige, beschutte plek of ruimte geven waar ze zich kunnen terugtrekken.
- Dieren voldoende voedsel verstrekken, zodat ze een fysiologische en/of mechanische verzadiging
  kunnen bewerkstelligen.
- Dieren voldoende water verstrekken.
- Dieren een geschikte lig-/rustplek (grootte, plek, vloeruitvoering, structuur) geven.
- Dieren die daaraan behoefte hebben manipuleerbaar materiaal geven.
- Dieren geen bewust fysiek letsel toebrengen.
- Dieren niet in zulk groot aantal bijeen houden dat ze niet meer individueel te controleren zijn.
                                                     89
                                                    KKKK
</pre>

====================================================================== Einde pagina 91 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 92 ======================================================================

<pre>                                                                                17 Streven naar welzijn
- Dieren het mogelijk maken om hun eigen thermoregulatie onder controle te hebben.
- Dieren het mogelijk maken hun eigen lichaam te verzorgen, tenzij dit voldoende gecompenseerd
   wordt door de verzorger.
- Dieren het mogelijk maken om normaal op te groeien, zonder dat sociaal, lichamelijk of anderszins
   gestoorde dieren ontstaan.
- Dieren in een omgeving te houden waarin ze geen lichamelijke of psychische storingen ontwik-
   kelen.
- Dieren in een omgeving te houden waarin ze niet ziek worden.
In principe zou voor al deze uitgangspunten een ja/tenzij principe moeten gelden. Zij vormen het
streven, tenzij vanuit andere belangen gekwantificeerde argumenten worden overlegd, die een
aanpassing van de uitgangspunten onvermijdelijk maakt. Door een ja/tenzij principe te gebruiken rust
in ieder geval een verantwoordingsplicht op het geval dat men wil afwijken van de uitgangspunten.
Een dergelijke insteek stimuleert een oplossingsrichting voor een beter dierenwelzijn die
fundamenteel van aard is en niet zoekt naar symptomatische oplossingen.
                                                  90
                                                LLLL
</pre>

====================================================================== Einde pagina 92 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 93 ======================================================================

<pre>                                                                                            Referenties
ReferentiesReferenties
Aherne, F.X., V. Danielsen en H.E. Nielsen, 1982, The effects of creep feeding on pre- and post-
 weaning pig performance, Acta Agriculturae Scandinavica, vol. 32, p. 155-160.
Andreae, V., J. Unshelm en D. Smidt, 1980, Handhabung von Kälbern in Gruppenhaltung,
  Aktuelle Arbeiten zur artgemässen Tierhaltung, KTBL, Darmstadt, 254, p. 89-96.
Anonymus, 1996, Gezondheidsproblemen met de ademhalingsorganen, de spijsvertering en het
  bewegingsapparaat, Pluimveehouderij, 21 juni 1996, 26e jaargang, p. 38.
Appleby, M.C. en B.O. Hughes, 1991, Welfare of laying hens, World's Poultry Science Journal, vol.
 47, p. 109-128.
Appleby, M.C., B.O. Hughes en H.A. Elson, 1992, Poultry Production Systems, Behaviour,
  Management and Welfare, CAB-International, Oxon, 238 p.
Appleby, M.C., en A.B. Lawrence, 1987, "Food restriction as a cause of stereotyped behaviour in
 tethered gilts", Animal Production, vol. 45, p. 103-110.
ARC, 1981, The nutrient requirements of pigs, Agricultural Research Council, 307 p.
Arey, D.S., 1991, Tail-biting in pigs, Farm Building Progress, vol. 105, p. 20-23.
Backus, G.B.C., S. Bokma, T.A. Gommers, R. de Koning, P.F.M.M. Roelofs en H.M. Vermeer, 1991,
 Bedrijfssystemen met voerligboxen, aanbindboxen en groepshuisvesting, Proefstation voor de
 Varkenshouderij, Rosmalen, Proefverslag nummer P 1.61, 72 p.
Baldock, N.M., en R.M. Sibly, 1990, Effect of management procedures on heart rate in sheep,
 Applied Animal Behaviour Science, vol. 28, p. 15-39.
Barnett, K.L., E.T. Kornegay, C.R. Risley, M.D. Lindemann en G.G. Schurig, 1989,
  Characterization of creep feed consumption and its subsequent effects on immune response,
 scouring index and performance of weanling pigs, Journal of Animal Science, vol. 67 (4), p. 2698-
 2708.
Baxter, S., 1984, "Intensive pig production, environmental, management and design", Granada
 Publishing, London, 588 p.
Baxter, M.R., 1990, Housing and the welfare of the growing-finishing pig, Farm Building Progress,
 vol. 101, p. 25-28.
Bergström, P.L. en D. Oostendorp, 1985, Het dikbilfenomeen bij het rund, Proefstation voor de
 Rundveehouderij, Schapenhouderij en Paardenhouderij, rapport nr. 98, Lelystad, 92 p.
Bijleveld, H., 1996, Automatisch wegen mogelijk, Pluimveehouderij, 21 juni 1996, 26e jaargang, p.
 28.
Blokhuis, H.J., 1984, Rest in poultry, Applied Animal Behaviour Science, vol. 12, p. 289-303.
Blokhuis, H.J., 1986, Feather pecking in poultry: its relation with ground pecking, Applied
  Animal Behaviour Science, vol. 16, p. 63-67.
Blokhuis, H.J., 1994, Intensive production units and welfare: domestic fowl, Revue Scientifique et
 Technique, Office International des Epizooties, vol. 13 (1), p. 67-78.
Blokhuis, H.J., 1995, Welzijnsproblematiek in een aantal veehouderijsectoren, NRLO-rapport nr.
  95/2, Nationale Raad voor Landbouwkundig Onderzoek, Den Haag, 93 p.
Blokhuis, H.J. en J.G. Arkes, 1984, Some observations on the development of featherpecking in
 poultry, Applied Animal Behaviour Science, vol. 12, p. 145-157.
Blokhuis, H.J. en J.W. van der Haar, 1992, Effects of pecking incentives during rearing on
  feather pecking of laying hens, British Poultry Science, vol. 33, p. 17-24.
Blokhuis, H.J. en J.H.M. Metz, 1992, Integration of animal welfare into housing systems for laying
 hens, Netherlands Journal of Agricultural Science, vol. 40, p. 327-337.
Bøe, K., 1991, The process of weaning in pigs: when the sow decides, Applied Animal Behaviour
 Science, vol. 30, p. 47-59.
Bøe, K., 1993, The effect of age at weaning and post-weaning environment on the behaviour of pigs,
 Acta Agriculturae Scandinavica, vol. 43, p. 173-180.
Bollwahn, W. en A. Burger, 1984, Beitrag zur pathogenetischen Bedeutung zootechnischer Eingriffe
 beim Ferkel, Der praktische Tierartz, vol. 12, p. 1086-1090.
Brambell, F.W.R., 1965, Report of the technical committee to enquire into the welfare of animals
 kept under intensive livestock husbandry systems, H.M.S.O., London.
Brantas, G.C., 1980, The pre-laying behaviour of laying hens in cages with and without laying nests,
 In: The laying hen and its environment (ed.: R. Moss), Martinus Nijhoff, Dordrecht, p. 227-234.
                                                   91
                                                 MMMM
</pre>

====================================================================== Einde pagina 93 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 94 ======================================================================

<pre>                                                                                               Referenties
Bruckner, C., 1986, Epizootiologische Untersuchungen in bayerischen Ferkelerzeugerbetrieben
 unter besonderer Berücksichtigung der Zahnsection und deren Folgen, dissertatie, Ludwig
 Maximilians-Universität, München, 154 p.
Brummer, H., 1986, Symptome des Wohlbefindens und des Unwohlseins beim Kaninchen unter
 besonderer Berücksichtigung der Ethopathien, In: Wege zur Beurteilung tiergerechter Haltung bei
 Labor-, Zoo- und Haustieren (ed.: K. Militzer), Verlag Paul Parey, Berlin, Hamburg, p. 44-53.
Clayton, G.A., R.E. Lake, C. Nixey, D.R. Jones, D.R. Charles, J.R. Hopkins, J.A. Binstead en R.
 Pickett, 1985, Turkey production: breeding and husbandry, Ministry of Agriculture, Fisheries and
 Food, ADAS, Reference book 242, London, 117 p.
Cronin, G.M., en P.R. Wiepkema, 1984, An analysis of stereotyped behaviour in tethered sows,
 Annales de Recherches Véterinaires, vol 15 (2), p. 263-270.
Dämmrich, K., 1987, Aetiology of disorders of skeletal structures, In: Cattle housing systems,
 lameness and behaviour (eds.: H.K. Wierenga en D.J. Peterse), Martinus Nijhoff, Dordrecht, p. 8-
 13.
Dantzer, R., 1990, The concept of social stress, In: Social stress in domestic animals (eds.: R. Zayan
 en R. Dantzer), Kluwer Academic Publishers, Dordrecht, p. 3-7.
Dawkins, M., 1981, Priorities in the cage size and flooring preferences of domestic hens, British
  Poultry Science, vol. 22, p. 255-263.
Dawkins, M.S., 1982, Elusive concept of preferred group size in domestic hens, Applied Animal
 Ethology, vol. 8, p. 365-375.
Dawkins, M. en S. Hardie, 1989, Space needs of laying hens, British Poultry Science, vol. 30, p. 413-
 416.
Dijkhuizen, A.A., 1989, Economic aspects of common health and fertility problems for the
  individual pig producer: an overview, The Veterinary Quarterly, vol. 11 (2), p. 116-124.
Duncan, I.J.H., en V. Molony (eds.), 1986, Agriculture, Assessing pain in farm animals, Report EUR
 9742 EN, Commission of the European Communities, 92 p.
Duncan, I.J.H., T.M. Widowski en L.J. Keeling, 1991, The effect of non traditional lighting on the
 behavior of domestic fowl, In: Applied animal behaviour: past present and future (eds.: M.C.
 Appleby, R.I. Horel, J.C. Petherick and S.M. Rutter), UFAW, Potters Bar, p. 69-70.
Dunstone, N., 1993, The mink, T & A D Poyser Ltd, London, 232 p.
Ectors, L.R., 1994, Pluimveeziekten zijn vaak bepalend voor het eindprodukt, Inleiding gehouden
 tijdens studiedag 'Sturen van de groei van vleeskuikens' van het LOS, VPLC, WPSA, WVPA, IPC-D
 te Horst, 2 nov. 1994.
Edwards, S.A., 1987, Development of behaviour in piglets, In: Agriculture, Welfare aspects of pig
 rearing (eds.: D. Marx, A. Grauvogl en D. Smidt), Report EUR 10776 EN, Commission of the
 European Communities, p. 70-80.
Ekkel, E.D., C.E.A. van Doorn, M.J.C. Hessing en M.J.M. Tielen, The specific-stress-free housing
 system has positive effects on productivity, health, and welfare of pigs, Journal of Animal Science,
 vol. 73, p. 1544-1551.
Elbers, A.R.W., 1991, The use of slaughterhouse information in monitoring systems for herd health
 control in pigs, proefschrift, Rijksuniversiteit Utrecht, 152 p.
Erlebach, S., 1994, Effects of environment on the behaviour of mink, Applied Animal Behaviour
  Science, vol. 40, p. 77.
Fekete, S., en J. Bokori, 1986, The effect of trichobezoars (hairballs) on the digestive     coefficients
 and fattening indices of rabbits, Journal of Applied Rabbit Research, vol. 9, p. 54-55.
Fölsch, D.W. en K. Vestergaard, 1981, Das Verhalten von Hühnern, Tierhaltung Band 12,
  Birkhäuser Verlag, Basel, 167 p.
Frankena, K., K.A.S. van Keulen, J.P. Noordhuizen, E.N. Noordhuizen-Stassen, J. Gundelach, D.J.
  de Jong en I. Saedt, 1991, Prevalence and risk indicators of digital laminitis in dairy breeding
 calves, In: Proceedings of the study meeting (eds.: H. Hogeveen en M. Nielen), Studievereniging
 voor veterinaire epidemiologie en economie, Utrecht, p. 41-52.
Frankenhuis, M.T., M.J.A. Nabuurs en P.H. Bool, 1989, Veterinaire zorg(en) en intensieve
  veehouderij, Tijdschrift voor Diergeneeskunde, jaargang 114, p. 1237-1249.
Fraser, D. ,1978, Observations on the behavioural development of suckling and early-weaned
  piglets during the first six weeks after birth, Animal Behaviour, vol. 26, p. 22-30.
Fraser, D., 1990, Behavioural perspectives on piglet survival, Journal of Reproduction and
  Fertility, vol. 40, p. 355-370.
                                                      92
                                                    NNNN
</pre>

====================================================================== Einde pagina 94 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 95 ======================================================================

<pre>                                                                                              Referenties
Fraser, D., J.F. Patience, P.A. Phillips en T. Tennessen, 1991, "Effect of straw on the behaviour of
 growing pigs", Applied Animal Behaviour Science, vol. 30, p. 307-318.
Fraser, A.F., en D.M. Broom, 1990, Farm animal behaviour and welfare, Baillière Tindall,
  London, 437 p.
Freeman, B.M., 1983, Floor space allowance for the caged domestic fowl, The Veterinary
  Record, vol. 112, p. 562-563.
Freire, R., M.C. Appleby en B.O. Hughes, 1996, Effects of nest quality and other cues for
  exploration on pre-laying behaviour, Applied Animal Behaviour Science, vol. 48, p. 37-46.
Friend, T.H., D.A. Knabe en T.D. Tanksley jr, 1983, Behaviour and performance of pigs grouped by
 three different methods at weaning, Journal of Animal Science, vol. 57, p. 1406-1411.
Gerrits, R. en H.H.M. Zeelen, 1994, De kwetsbaarheid van pluimvee, In: Het kwetsbare dier in de
 intensieve veehouderij, Dertiende rapport van de Studiecommissie Intensieve Veehouderij,
 Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren, Den Haag, p. 72-89.
Geudeke, M.J., 1992, De bruikbaarheid van slachthuisinformatie van zeugen voor de veterinair
 zoötechnische bedrijfsbegeleiding, proefsschrift, Rijksuniversiteit Utrecht, 154 p.
Graf, R., 1976, "Das visuelle Orientierungsvermögen der Schweine in Abhängigkeit von der
 Beleuchtungsstärke", I.V.O.-Rapport B-124, Zeist, 56 p.
Grauvogl, A., 1987, The significance of straw for the behaviour of piglets, In: Agriculture,
  Welfare aspects of pig rearing (eds.: D. Marx, A. Grauvogl en D. Smidt), Report EUR 10776 EN,
 Commission of the European Communities, p. 94-100.
Gregory, N.G. en L.J. Wilkins, 1989, Broken bones in domestic fowl: handling and processing
 damage in end-of-lay battery hens, British Poultry Science, vol. 30, p. 555-562.
Gregory, N.G., L.J. Wilkins, S.D. Eleperuma, A.J. Ballantyne en N.D. Overfield, 1990, Broken bones
 in domestic fowls: effects of husbandry system and stunning method in end-of-lay hens, British
 Poultry Science, vol. 31, p. 59-69.
Gregory, N.G. L.J. Wilkins, S.C. Kestin, C.G. Belyavin en D.M. Alvey, 1991, "Effect of husbandry
 system on broken bones and bone strength in hens", The Veterinary Record, vol. 128, p. 397-399.
Grommers, F.J., 1994, De kwetsbaarheid van varkens, In: Het kwetsbare dier in de intensieve
 veehouderij, Dertiende rapport van de Studiecommissie Intensieve Veehouderij, Nederlandse
 Vereniging tot Bescherming van Dieren, Den Haag, p. 22-35.
Groot, A., 1994, Selectie op groei: grenzeloos, begrensd of grensverleggend?, Inleiding gehouden
 tijdens studiedag 'Sturen van de groei van vleeskuikens' van het LOS, VPLC, WPSA, WVPA, IPC-D
 te Horst, 2 nov. 1994.
Gunn, D., en D.B. Morton, 1995, Inventory of the behaviour of New Zealand White rabbits in
 laboratory cages, Applied Animal Behaviour Science, vol. 45, p. 277-292.
Gyles, N.R., 1989, Poultry, people and progress, Poultry Science, vol. 68, p. 1-8.
Haar, J.W. van der, 1995, Uitval bij vleeskuikenouderdieren, Praktijkonderzoek Pluimveehouderij,
 95/2, p. 26-29.
Hale, E.B., W.M. Schleidt en M.W. Schein, 1969, The behaviour of turkeys, In: The behaviour of
 domestic animals (ed.: E.S.E. Hafez), Baillière Tindall & Cassell Ltd, London, p. 554-592.
Hartog, L.A. den, J. Huisman, P.A.J.H. Versteeg en F.X. Aherne, 1988, "Relevance of extra crude
  fibre in the diet for sows", World Review of Animal Production, vol. XXIV, no. 1, p. 21-25.
Held, S.D.E., R.J. Turner en R.J. Wootton, 1995, Choices of laboratory rabbitys for individual or
 group-housing, Applied Animal Behaviour Science, vol. 46, p. 81-91.
Hemsworth, P.H., en J.L. Barnett, 1987, Human-animal interactions, In: Farm Animal Behavior (ed.:
 E.O. Price), The Veterinary Clinics of North America, W.B. Saunders, Philadelphia, p. 339-356.
Hemsworth, P.H., J.L. Barnett en C. Hansen, 1981a, The influence of handling by humans on the
 behaviour, growth and corticosteroids in the juvenile female pig, Horm. Behav., vol. 15, p. 396-403.
Hemsworth, P.H., A. Brand en P.J. Willems, 1981b, The behavioural response of sows to the
 presence of human beings and their productivity, Livestock Production Science, vol. 8, p. 67-74.
Hemsworth, P.H., J.L. Barnett, C. Hansen en H.W. Gonyou, 1986b, The influence of early
  contact with humans on subsequent behavioural response of pigs to humans, Applied Animal
 Behaviour Science, vol. 15, p. 55-63.
Hemsworth, P.H., J.L. Barnett en C. Hansen, 1986b, The influence of handling by humans on the
 behaviour, reproduction and corticosteroids of male and female pigs, Applied Animal Behaviour
 Science, vol. 15, 303-314.
                                                   93
                                                 OOOO
</pre>

====================================================================== Einde pagina 95 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 96 ======================================================================

<pre>                                                                                               Referenties
Hopster, H., 1995, Effecten van huisvesting en verzorging op welzijn en gezondheid van
   runderen ouder dan 6 maanden, IVO-rapport B-405, Instituut voor Dierhouderij en Diergezondheid,
  Zeist, 152 p.
Hughes, B.O. en M.C. Appleby, 1990, Perch use plumage and foot condition and bone strength in
  caged hens, Applied Animal Behaviour Science, vol. 26, p. 294-295.
Hughes, B.O. en A.J. Black, 1974, The effect of environmental factors on activity, selected
   behaviour patterns and 'fear' of fowls in cages and pens, British Poultry Science, vol. 15, p. 375-
  380.
Hughes, B.O. en H.A. Elson, 1977, The use of perches by broilers in floor pens, British Poultry
  Science, vol. 18, p. 715-722.
Huls, W.L., D.L. Brooks en D. Bean-Knudsen, 1991, Response of adult new zealand white rabbits
   to enrichment objects and paired housing, Laboratory Animal Science, vol. 41, p. 609-611.
IKC, 1993a, Handboek voor de Varkenshouderij, Informatie en Kennis Centrum Veehouderij, Afdeling
  Varkenshouderij, Rosmalen, publikatie nr. 37, 362 p.
IKC, 1993b, Handboek voor de Rundveehouderij, Informatie en Kennis Centrum Veehouderij,
  Afdeling Rundvee-, Schapen-, en Paardenhouderij, Lelystad, publikatie nr. 35, 629 p.
IKC, 1994, Handboek voor de Pluimveehouderij, Informatie en Kennis Centrum Veehouderij, Afdeling
  Pluimveehouderij, Beekbergen, publikatie nr. 42, 246 p.
Jensen, P., 1993, Nest building in domestic sows: the role of external stimuli, Animal Behaviour, vol.
  45, p. 351-358.
Jensen, N.E. en J.F. Jensen, 1987, Use of alkali-treated straw in compound feed for rabbits,
  Agriculture, Rabbit production systems including welfare (ed.: T. Auxilia), Report EUR 10983 EN,
  Commission of the European Communities, Turijn, p. 41-55.
Joint Working Group on Refinement, 1993, Refinements in rabbit husbandry, Second report of the
  BVAAWF/FRAME/RSPCA/UFAW Joint working group on refinement, In: Laboratory Animals, vol.
  27, p. 301-329.
Jolley, P.D, 1990, Rabbit transport and its effects on meat quality, Applied Animal Behaviour
  Science, vol. 28, p. 119-134.
Jones, R.B., 1982, Effects of early environmental enrichment upon open field behavior and timidity in
  the domestic chick, Developmental Psychobiology, vol. 15, p. 105-111.
Jong, M. de, 1989, De rol die kennis van de natuurlijke levenswijze kan spelen bij het houden van
  konijnen, Biotechniek, vol. 28 (2), p. 27-29.
Jong, M. de, 1994, De kwetsbaarheid van konijnen, In: Het kwetsbare dier in de intensieve
  veehouderij, Dertiende rapport van de Studiecommissie Intensieve Veehouderij, Nederlandse
  Vereniging tot Bescherming van Dieren, Den Haag, p. 90-105.
Jonge, F.H. de, E.A.M. Bokkers, W.G.P. Schouten en F.A. Helmond, in druk, Rearing piglets in a
  poor environment: developmental aspects of social stress in pigs, Physiology and Behavior.
Kalverbesluit, 1994, Besluit van 7 juli 1994, houdende regelen ter zake van het houden en
   huisvesten van kalveren, Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren, Staatsblad van het Koninkrijk
  der Nederlanden, nr. 576.
Keeling, L., 1995, Spacing behaviour and an ethological approach to assessing optimum space
  allocations for groups of laying hens, Applied Animal Behaviour Science, vol. 44, p. 171-186.
Ketelaars , E.H., 1992, Historie van de Nederlandse Pluimveehouderij, Van kippenboer tot
   specialist, BDU, Barneveld, 270 p.
Ketelaar-de Lauwere, C.C. en A.C. Smits, 1989, Onderzoek naar de uit ethologisch oogpunt
  minimaal gewenste boxmaten voor vleeskalveren met een gewicht van 175 tot 300 kg, IMAG
  rapport 110, Instituut voor Mechanisatie Arbeid en Gebouwen, Wageningen, 116 p.
Knowles, T.G., 1990, The effect of housing system on the activity level and bone strength of laying
  hens, Applied Animal Behaviour Science, vol. 26, p. 290-291.
Knowles, T.G. en D.M. Broom, 1990, Limb bone strength and movement in laying hens from different
  housing systems, The Veterinary Record, vol. 126, p. 354-356.
Koning, R. de, 1986, De gezondheid van zeugen in groepshuisvesting, In: Onderzoek welzijn
  landbouwhuisdieren (eds.: H.K. Wierenga en A.A. Jongebreur), Pudoc Wageningen, p. 43-50.
Koning, R. de, 1985, On the well-being of dry sows, proefschrift Rijksuniversiteit Utrecht, 170 p.
Kooijman, J, H.K. Wierenga en P.R. Wiepkema, 1991, Development of abnormal oral behaviour in
  group-housed veal calves, In: New trends in veal calf production, Proc. of the International
                                                    94
                                                  PPPP
</pre>

====================================================================== Einde pagina 96 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 97 ======================================================================

<pre>                                                                                             Referenties
 Symposium on Veal Calf Production, Wageningen (eds. J.H.M. Metz en C.M. Groenestein), EAAP
 publication no. 52, Pudoc, Wageningen, p. 54-58.
Kuit, A.R., D.A. Ehlhardt en H.J. Blokhuis (eds.), 1989, Agriculture, Alternative improved housing
 systems for poultry, Commission of the European Communities, Report EUR 11711 EN, 163 p.
KWIN, 1996, Kwantitatieve Informatie Veehouderij 1995-1996, publikatie nr. 6-96, Informatie en
 Kennis Centrum Veehouderij, Ede, 293 p.
Lebas, F., 1987, Feeding conditions for top performances in the rabbit, Agriculture, Rabbit
  production systems including welfare (ed.: T. Auxilia), Report EUR 10983 EN, Commission of the
 European Communities, Turijn, p. 27-40.
Leenstra, F.R., 1991, Nieuwe perspectieven in de selectie van pluimvee in de ei- en vleessector, In:
 PHLO-cursus Recente ontwikkelingen in de pluimveehouderij.
Lehman, M., 1987, Interference of a restricted environment - as found in the battery cages - with
 normal behaviour of young fattening rabbits, Agriculture, Rabbit production systems including
 welfare (ed.: T. Auxilia), Report EUR 10983 EN, Commission of the European Communities, Turijn,
 p. 257-268.
Lehmann, M., en R. Wieser, 1984, Indikatoren für mangelnde Tiergerechtheit sowie
  Verhaltensstörungen bei Hauskaninchen, KTBL-Schrift, Darmstadt-Kranichstein, band 307, p. 96-
 107.
Liere, D.W. van, 1991, Function and organization of dustbathing in laying hens, dissertatie,
 Landbouwuniversiteit Wageningen, 123 p.
Liere, D.W. van, en S. Bokma, 1987, Short-term feather maintenance as a function of dust-
    bathing in laying hens, Applied Animal Behaviour Science, vol. 18, p. 197-204.
Madec, F., 1984, Urinary disorders in intensive pig herds, Pig News and Information, vol. 5, no. 2, p.
 89-93.
Makkink, C.A., 1993, Of piglets, dietary proteins, and pacreatic proteases, dissertatie,
    Landbouwuniversiteit Wageningen, 168 p.
Manser, C.E., 1994, The influence of factors associated with lighting on the welfare of farm animals,
 report of the Department of Clinical Veterinary Medicine, University of Cambridge, 48 p.
Marchant, J.N. en D.M. Broom, 1994, The effects of dry sow housing condition on bone strength
 and muscle conformation (abstract), Animal Production, vol. 58, p. 437-438.
Martin, G., 1987, Animal welfare in chicken management: obtaining knowledge and evaluating
    results, In: Ethical ethological and legal aspects of intensive farm animal management (eds.: E.
 van Loeper, G. Martin, J. Müller, A. Nabholz, G. van Putten, H.H. Sambraus, G.M. Teutsche, J.
 Troxler en B. Tschanz), Tierhaltung Band 18, Birkhäuser Verlag, Basel-Boston-Stuttgart, p. 49-82.
Marx, D., en R. Mertz, 1987, Behaviour of early weaned piglets in free-choice or forced situations,
 In: Agriculture, Welfare aspects of pig rearing (eds.: D. Marx, A. Grauvogl en D. Smidt), Report EUR
 10776 EN, Commission of the European Communities, p. 81-93.
Mason, G.J., 1991, Stereotypes: a critical review, Animal Behaviour, vol. 41, p. 1015-1037.
McCarthy, J.C. en P.B. Siegel, 1983, A review of genetical and physiological effects of selection in
 meat-type poultry, Animal Breeding abstracts, vol. 51 (2).
McKinney, F., 1969, The behaviour of ducks, In: The behaviour of domestic animals (ed.: E.S.E.
 Hafez, Baillière Tindall & Cassell Ltd, London, p. 593-626.
Meijsser, F.M. en B.O. Hughes, 1989, Comparative analysis of pre-laying behaviour in battery cages
 and in three alternative systems, British Poultry Science, vol. 30, p. 747-760.
Menke, C.A., 1996, Laufstallhaltung mit behornten Milchkühen, dissertation, ETH., Zürich.
Metz, J.H.M., 1987, The response of farm animals to humans, In: Agriculture, The role of the
    stockman in livestock production and management (ed.: M.F. Seabrook), CEC, Report EUR
 10982 EN, p. 23-37.
Metz, J.H.M., 1987, Behavioural problems of rabbits in cages, In: Agriculture, Rabbit production
    systems including welfare (ed.: T. Auxilia), Report EUR 10983 EN, Commission of the European
 Communities, Turijn, p. 221-230.
Metz, J.H.M. en H.W. Gonyou, 1990, Effect of age and housing conditions on the behavioural and
 haemolytic reaction of piglets to weaning, Applied Animal Behaviour Science, vol. 27, p. 299-309.
Morton, D.B. en P.H.M. Griffiths, 1985, Guidelines on the recognition of pain, distress and
    discomfort in experimental animals and an hypothesis for assessment, The Veterinary Record,
 vol. 116, p. 431-436.
                                                    95
                                                  QQQQ
</pre>

====================================================================== Einde pagina 97 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 98 ======================================================================

<pre>                                                                                              Referenties
Mulder, A., A.E. Nieuwenkamp, J.G.P. van de Palen, G.H. van Rooijen en A.C. Beynen, Hooi als
 bijvoedering reduceert pelsbijten bij konijnen, Tijdschrift voor diergeneeskunde, deel 117, afl. 22, p.
 655-658.
Müller, J., A. Nabholz, G. van Putten en H.H. Sambraus; revised by J. Troxler, 1987, Animal
 protection regulations for pig management, In: Ethical, ethological and legal aspects of intensive
 farm animal management (eds.: E. von Loeper, G. Martin, J. Müller, A. Nabholz, G. van Putten, H.H.
 Sambraus, G.M. Teutsch, J. Troxler en B. Tschanz), Tierhaltung Band 18, Birkhäuser Verlag, Basel-
 Boston-Stuttgart, p. 83-148.
Nabuurs, M.J.A., 1991, Etiologische en pathogenetische aspecten van diarree bij biggen na het
 spenen, Tijdschrift voor Diergeneeskunde, vol. 116, 23, p. 1175-1182.
Noonan, G.J., J.S. Rand, J. Priest, J. Ainscow en J.K. Blackshaw, 1994, Behavioural observations of
 piglets undergoing taildocking, teeth clipping and ear notching, Applied Animal Behaviour Science,
 vol. 39, p. 203-213.
Noordhuizen-Stassen, E.N., H.Tj. Heeringa, K. Frankena en J.P.T.M. Noordhuizen, 1991,
    Voorkomen van klauwgebreken: een epidemiologische waarneming met betrekking tot klinische
 en subklinische kreupelheid bij melkvee, In: Locomotie apparaat rund, PAO-Diergeneeskunde,
 Utrecht.
Nørgaard-Nielsen, G., 1990, "Bone strength of laying hens kept in an alternative system,
    compared with hens in cages and on deep-litter", British Poultry Science, vol. 31, p. 81-89.
Nuboer, J.F.W., M.A.J.M. Coemans en J.J. Vos, 1992, Artificial lighting in poultry houses: do hens
 perceive the modulation of fluorescent lamps as flicker?, British Poultry Science, vol. 33, p. 123-133.
Pajor, E.A., D. Fraser en K.L. Kramer, 1991, Consumption of solid food by suckling pigs: individual
 variation and relation to weight gain, Applied Animal Behaviour Science, vol. 32, p. 139-155.
Parkin, R.J., 1987, The use of records to improve production effeciency on meat rabbit units, In:
    Agriculture, Rabbit production systems including welfare (ed.: T. Auxilia), Report EUR 10983 EN,
 Commission of the European Communities, Turijn, p. 21-26.
Passillé, A.M.B. de, J.H.M. Metz, P. Mekking en P.R. Wiepkema, 1992, Does drinking milk
    stimulate sucking in young calves?, Applied Animal Behaviour Science, vol. 34, p. 23-36.
Peeters, J.E., 1987, Etiology and pathology of diarrhoea in weanling rabbits, In: Agriculture, Rabbit
 production systems including welfare (ed.: T. Auxilia), Report EUR 10983 EN, Commission of the
 European Communities, Turijn, p. 127-137.
Petherick, C. en S. Baxter, 1982, Space requirements for pigs, Pig Farming (Supplement), vol. 30,
    p. 88+93.
Podberscek, A.L., J.K. Blackshaw en A.W. Beattie, 1991, The behaviour of group penned and
 individually caged laboratory rabbits, Applied Animal Behaviour Science, vol. 28, p. 353-363.
Prins, H., 1993, Ontwikkeling en toepassing van bedrijfsanalyse in de vleestierenhouderij door middel
 van bedrijfsvergelijking, Landbouw-Economisch Instituut, Den Haag, onderzoekverslag 109, 68 p.
Putten, G. van, 1968, Een onderzoek naar staartbijten bij mestvarkens, dissertatie, Universiteit van
 Amsterdam, Centrum voor Landbouwpublikatie en -documentatie, Wageningen, 67 p.
Putten, G. van, 1994, De kwetsbaarheid van varkens, In: Het kwetsbare dier in de intensieve
 veehouderij, Dertiende rapport van de Studiecommissie Intensieve Veehouderij, Nederlandse
 Vereniging tot Bescherming van Dieren, Den Haag, p. 36-53.
Putten, G. van, en J. Dammers, 1976, A comparative study of the well-beining of piglets reared
 conventionally and in cages, Applied Animal Ethology, vol. 2, p. 339-356.
Putten, G. van, en W.J. Elshof, 1978, Zusatzfütterung von Stroh an Mästkälber, Aktuelle Arbeiten zur
 artgemässen Tierhaltung, KTBL, Darmstadt, 233, p. 210-219.
RDA, 1996, Concept: Streefbeeld huisvesting en verzorging van runderen ouder dan zes
    maanden, 14 juni 1996, 26 p.
Redbo, I., 1990, Changes in duration and frequency of stereotypies and their adjoining behaviours
 in heifers, before, during and after the grazing period, Applied Animal Behaviour Science, vol. 26, p.
 57-67.
Redbo, I., 1992, The influence of restraint on the occurrence of oral stereotypies in dairy cows,
 Applied Animal Behaviour Science, vol. 35, p. 115-123.
Reiter, J., 1993, Tränkesysteme für Mastkaninchen, Deutsche Geflügelwirtschaft und
    Schweineproduktion, 45e jaargang, nr. 30, p. 14-17.
Rooijen, J. van, 1989, De kip als proefkonijn in het gedragsonderzoek, Centrum voor         Onderzoek
 en Voorlichting voor de Pluimveehouderij, Spelderholt uitgave nr. 524, 112 p.
                                                    96
                                                 RRRR
</pre>

====================================================================== Einde pagina 98 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 99 ======================================================================

<pre>                                                                                           Referenties
Rougoor, C.W., W.H.M. Baltussen, J.M. van Leeuwen en A.A. Dijkhuizen, 1994a,
    Diergezondheid en diergeneesmiddelengebruik in de varkens- en pluimveehouderij, Werkgroep
 Onderzoek Gezondheid Dieren, 67 p.
Rougoor, C.W., Y.H. Schukken, B.W. Zaalmink, J.M. van Leeuwen en A.A. Dijkhuizen, 1994b,
 Diergezondheid en diergeneesmiddelengebruik in de rundveehouderij, Werkgroep Onderzoek
 Gezondheid Dieren, 70 p.
Ruiterkamp, W.A., 1985, Het gedrag van mestvarkens in relatie tot huisvesting, proefschrift,
 Rijksuniversiteit Utrecht, 184 p.
Sainsbury, D.W.B., 1984, "Pig housing and welfare", Pig news and information, vol. 5 (4), p. 377-
 381.
Sambraus, H.H., 1985, Triebstau in Freßverhalten von Kaninchen, Zeitschrift für Tierzüchtung und
 Züchtungsbiologie, vol. 102, p. 73-79.
Sato, S., R. Nagamine en T. Kubo, 1994, Tongue-playing in tethered Japanese Black cattle:
  diurnal patterns, analysis of variance and behaviour sequennces, Applied Animal Behaviour
 Science, vol. 39, p. 39-47.
Savory, C.J., D.G.M. Wood-Gush en I.J.H. Duncan, 1978, Feeding behaviour in a population of
 domestic fowls in the wild, Applied Animal Ethology, vol. 4, p. 13-27.
Savory, C.J., E. Seawright en A. Watson, 1992, Stereotyped behaviour in broiler breeders in relation
 to husbandry and opioid receptor blockade, Applied Animal Behaviour Science, vol. 32, p. 349-360.
Savory, C.J., K. Maros en S.M. Rutter, 1993, Assessment of hunger in growing broiler breeders in
 relation to a commercial restricted feeding programme, Animal Welfare, vol. 2, p. 131-152.
Scheele, C.W., W. de Wit, M.T. Frankenhuis en P.F.G. Vereijken, 1991, Experimental factors evoking
 symptoms related tot ascitis, Poutry Science, vol. 70, p. 1069-1083.
Scheele, C.W., 1996, Ascites in chickens: oxygen consumption and requirement related to its
 occurence, dissertatie, Landbouwuniversiteit Wageningen, 167 p.
Schenk, P.M., F.M. Meysser en H.J.G.A.M. Limpens, 1984, Gakeln als Indicator für Frustration beim
 Legehennen, In: KTBL Schrift 299, Darmstadt.
Schouten, W.G.P., 1986, Rearing conditions and behaviour in pigs, dissertatie,
  Landbouwhogeschool Wageningen, 151 p.
Schouten, W.G.P., 1989, Het soorteigen gedrag van varkens als uitgangspunt voor een
  varkenshouderijsysteem, Biotechniek, vol. 28, p. 24-26.
Schouten, W.G.P, en P.R. Wiepkema, 1991, Coping styles of tethered sows, Behavioural
  Processes, vol. 25, p. 125-132.
Schrenk, H.J., 1981, Der Einfluss von Licht und Futtergabe auf den Tagesrhythmus der Aktivität von
 Ferkeln, Dissertatie, Universität Hohenheim, 75 p.
Seabrook, M.F., 1987, The role of the stockman in livestock productivity and management, In: The
 role of the stockman in livestock production and management (ed.: M.F. Seabrook), CEC, Report
 EUR 10982 EN, p. 39-51.
SIV, 1986, Alternatieven voor legbatterijen, Tiende rapport Studiecommissie Intensieve
  Veehouderij, Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren, Den Haag, 48 p.
Smits, A.C., en P.J.M. Ham, 1988, Praktijkonderzoek groepshuisvesting vleeskalveren, Instituut voor
 Mechanisatie, Arbeid en Gebouwen (IMAG), rapport 105, 40 p.
Smits, A.C., M. Plomp en S.A. Goedegebuure, 1995, Vergelijking van gedrag, produktie en
  gezondheid van vleesstieren gehouden op betonnen en op met rubber beklede roostervloeren,
 IMAG-DLO, Rapport nr. 94-26, Wageningen, 48 p.
Smits, M.C.J., 1991, Gezondheid en gedragsaspecten van melkvee in het milieuonderzoek, In:
 Welzijn en milieu, NRLO-rapport nr. 93/1, Verslag studiedag welzijn en milieu 31 oktober 1991, Den
 Haag, p. 57-64
Smolders, E.A.A., 1994, Vruchtbaarheid en produktie belangrijkste afvoerreden, Praktijkonderzoek,
 februari 1994, p. 20-22.
Someren, G.M. van, 1989, Resultaten in de konijnenhouderij: toelichting en adviezen voor
  verbeteringen, Centrum voor onderzoek en voorlichting voor de pluimveehouderij, Beekbergen,
 CADP-uitgave nr. 008.
Spruijt, B.M., H.J.M. Blom, W.J. Netto en C.M. Vinke, Het plan van aanpak ten behoeve van de
 verbetering van het welzijn van nertsen nader bekeken, Interfacultair Centrum Welzijn Dieren,
 rapport op verzoek van Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Direktie Milieu, Kwaliteit
 en Gezondheid, mei 1996, 16 p.
                                                  97
                                                 SSSS
</pre>

====================================================================== Einde pagina 99 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 100 ======================================================================

<pre>                                                                                             Referenties
Stauffacher, M., 1992, Group housing and enrichment cages for breeding, fattening and laboratory
 rabbits, Animal Welfare, vol. 1, p. 105-125.
Stolba, A., en D.G.M. Wood-Gush, 1989, "The behaviour of pigs in a semi-natural
  environment", Animal Production, vol. 48, p. 419-425.
SVC, 1995, Report on the Calf Welfare, Scientific Veterinary Committee, Animal Welfare Section
 (chairman: D.M. Broom), Commission of the European Communities, 120 p.
Tan, S.S.L., en D.M. Shackleton, 1990, Effect of mixing unfamiliar individuals and of azaperone on
 the social behaviour of finishing pigs, Applied Animal Behaviour Science, vol. 26, p. 157-168.
Tauson, R., 1986, Avoiding excessive growth of claws in caged laying hens, Acta Agriculturae
 Scandinavica, vol. 36, p. 95-106.
Tauson, R., L. Jansson en P. Abrahamsson, 1992, Studies on alternative keeping systems for laying
 hens in Sweden, Department of Animal Nutrition and Management, Swedish University of
 Agricultural Sciences, Uppsala, 19 p.
Terlouw, E.M.C., 1993, "Environmental and individual factors contributing to the occurence of
 stereotypes in female pigs (Sus scrofa)", dissertatie, Rijksuniversiteit Groningen, 179 p.
Tielen, M.J.M., 1987, Respiratory diseases in pigs: incidence, economic losses and prevention in the
 Netherlands, In: Energy metabolism in farm animals (eds.: M.W.A. Verstegen en A.M. Henken),
 Martinus Nijhoff, Dordrecht, p. 321-336.
Varkensbesluit, 1994, Besluit van 7 juli 1994, houdende regelen ter zake van het houden en
 huisvesten van varkens, Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren, Staatsblad van het Koninkrijk
 der Nederlanden, nr. 577.
Verga, M., V. Dell'Orto en C. Carenzi, 1978, A general review and survey of maternal behaviour in
 the rabbit, Applied Animal Ethology, vol. 4, p. 235-252.
Vestergaard, K., 1982, Dust-bathing in the domestic fowl-diurnal rhythm and dust deprivation,
 Applied Animal Ethology, vol. 8, p. 487-495.
Vieuille-Thomas, C., G. Le Pape en J.P. Signoret, 1995, Stereotypies in pregnant sows: indications
 of influence of the housing system on the patterns expressed by the animals, Applied Animal
 Behaviour Science, vol. 44, p. 19-27.
Vries, F.P.W. de, H.K. Wierenga en S.A. Goedegebuure, 1986, Een oriënterend onderzoek naar het
 voorkomen van afwijkingen aan het carpaalgewricht bij vleesstieren en naar het verband met de
 wijze van opstaan en gaan liggen, Instituut voor Veeteeltkundig Onderzoek "Schoonoord", I.V.O.-
 rapport B-278, 50 p.
Vrillon, J.L., 1987, Synthesis about rabbit house keeping, In: Agriculture, Rabbit production systems
 including welfare (ed.: T. Auxilia), Report EUR 10983 EN, Commission of the European
 Communities, Turijn, p. 57-68.
Wagner, J.L., D.B. Hackel en A.G. Samsell, 1974, Spontaneous deaths in rabbits resulting from
 gastric trichobezoars, Laboratory Animal Science, vol. 24, no. 5, p. 826-830.
Wambeke, F. van, 1991, Reproduktieproblematiek van slachtkuikenouderdiern, In: Recente
  ontwikkelingen in de pluimveehouderij, Stichting Post-Hoger Landbouwonderwijs, 12 p.
Webster, A.J.F., 1984, Calf husbandry, health and welfare, Granada Publishing Ltd., London, 202 p.
Weeks, C.A., C.J. Nicol, C.M. Sherwin en S.C. Kestin, 1994, comparison of the behaviour of
  broiler chickens in indoor and free-range environments, Animal Welfare, vol. 3, p. 179-192.
Wemelsfelder, F. en G. van Putten, 1985, Behaviour as a possible indicator for pain in piglets,
 Instituut voor Veeteeltkundig Onderzoek "Schoonoord", I.V.O.-report B-260, 61 p.
Widowski, T.M., L.J. Keeling en I.J.H. Duncan, 1992, The preferences of hens for compact
  fluorescent over incandescent lighting, Canadian Journal of Animal Science, vol. 72, p. 203-211.
Wiepkema, P.R., 1991, Ethologie en implicaties voor de toekomst van de pluimveehouderij, In:
 Recente ontwikkelingen in de pluimveehouderij, PHLO cursus.
Wiepkema, P.R., 1992, Over belasting van ons vee, Tijdschrift voor Diergeneeskunde, deel 117, afl.
 5, p. 141-145.
Wiepkema, P.R., W.G.P. Schouten en P. Koene, 1993. Biological aspects of animal welfare: new
 perspectives. Journal of Agricultural and Environmental Ethics, Vol. 6 Suppl. 2, p. 93-103.
Wiepkema, P.R., 1994a, Welzijn van dieren: een referentiekader, Discussienota, LNV-studiedag:
 "Draagvlak voor dierenwelzijn".
Wiepkema, P.R., 1994b, Advies omtrent het houden van nertsen, mei 1994, 8 p.
Wiepkema, P.R., K.K. van Hellemond, P. Roessingh en H. Romberg, 1987, Behaviour and
  abomasal damage in individual veal calves, Applied Animal Behaviour Science, vol. 18, p. 257-268.
                                                   98
                                                  TTTT
</pre>

====================================================================== Einde pagina 100 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 101 ======================================================================

<pre>                                                                                              Referenties
Wierenga, H.K., 1987, Behavioural problems in fattening bulls, In: Agriculture: Welfare aspects of
 housing systems for veal calves and fattening bulls (eds.: M.C. Schlichting en D. Smidt), Proc. CEC
 seminar, report EUR 10777 EN, Brussel, p. 105-122.
Wierenga, H.K., en D.J. Peterse (eds.), 1987, Cattle housing systems, lameness and behaviour,
 Current Topics in Veterinary Medicine and Animal Science, 40, Martinus Nijhoff, Dordrecht, 187 p.
Willeberg, P., 1993, Bovine somatotropin and clinical mastitis: epidemiological assessment of the
 welfare risk, Livestock Production Science, vol. 36, p. 55-66.
Wilt, J.G. de, 1985, Behaviour and welfare of veal calves in relation to husbandry systems,
  dissertatie, Landbouwhogeschool Wageningen, 138 p.
Wilt, F. van der, en H. Vermeer, 1994, Zeugen gezond houden in groepshuisvesting,
  Praktijkonderzoek Varkenshouderij, jaargang 8, nr 4, p. 15-17.
Wokac, R.M., 1989, Ökomorphologie von Hochleistungshennen- eine Untersuchung an Skeletten
 aus Batterie- und Bodenhaltung, In: Artgemässe Nutztierhaltung und ökologische orientierte
 Landwirtschaft (eds.: G. Martin en D.W. Fölsch), Tierhaltung Band 19, Birkhäuser Verlag, Basel, p.
 91-99.
Wood, P.D.P., G.F. Smith en M.F. Lisle, 1967, A survey of intersucking in dairy herds in England and
 Wales, The Veterinary Record, vol. 81, p. 396-398.
Wood-Gush, D.G.M. en A.B. Gilbert, 1968, Observations on the laying behaviour of hens in battery
 cages, British Poultry Science, vol. 10, p. 29-36.
Wyeld, H.R., H. Wyeld, C.M. Groom, C.M. Hann en E.A. Gibson, 1980, Ducks and Geese,
  Ministry of Agriculture and Food, ADAS, Reference book 70, Her Majesty's Stationery Office,
 London, 84 p.
Zeeb, K., C. Bock en B. Heinzler, 1990, Control of social stress by consideration of suitable social
  space, In: Social stress in domestic animals (eds.: R. Zayan en R. Dantzer), Kluwer Academic
 Publishers, Dordrecht, Boston, London, p. 275-281.
Ziggers, D., 1996, Nog maar net geopend en nu al aan de krappe kant, Pluimveehouderij, 21 juni
 1996, 26e jaargang, p. 20-21.
                                                    99
                                                 UUUU
</pre>

====================================================================== Einde pagina 101 =================================================================

<br><br>