<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Telefoon: 070-3785266
                                                                ‘s-Gravenhage, 16 december 1997
  Het Draaiboek BSE, dat de Directeur MKG op 26 juni 1997 voor overleg aan de Raad deed
  toekomen.
  Betreffende bovengenoemd draaiboek kan de Raad voor dierenaangelegenheden U het
  volgende mededelen.
  Allereerst wenst de Raad op te merken, dat hij U op 24 juni jl. een notitie heeft toegezonden
  betreffende de Draaiboeken Mond- en Klauwzeer (MKZ) en Newcastle disease en aviaire
  influenza. De Raad heeft tot zijn genoegen geconstateerd dat het onderhavige Draaiboek BSE
  veel beter op de huidige stand van zaken is toegesneden dan de twee eerder besproken
  draaiboeken. Toch staan in bovengenoemde notitie van 24 juni jl. een aantal op- en
  aanmerkingen die ook direct toepasbaar zijn op het thans voorliggende Draaiboek BSE. De
  Raad wenst deze op- en aanmerkingen nogmaals nadrukkelijk onder Uw aandacht te brengen.
  De Raad heeft verder de indruk dat er in het thans aan de orde zijnde draaiboek van wordt
  uitgegaan dat BSE een “andersoortige” ziekte is dan andere besmettelijke dierziekten, zoals
  bijvoorbeeld MKZ en varkenspest, en dat dus ook een ander soort draaiboek nodig is. De
  Raad onderschrijft dit onderscheid niet. Alle draaiboeken zouden, voor wat betreft de opzet,
  hetzelfde moeten zijn en daarbij zou het draaiboek voor BSE geen uitzondering moeten
  vormen. Teveel wordt er in het Draaiboek BSE van uitgegaan dat BSE in Nederland een
  randverschijnsel is, terwijl de Raad van oordeel is dat juist in een draaiboek met de ernstigste
  situatie rekening dient te worden gehouden. Zo zal het draaiboek veel duidelijker dan thans
  gebeurt dienen aan te geven wat er bij een massale uitbraak dient te gebeuren. Hoe staat het
  dan met de destructie- en laboratoriumcapaciteit? Ook zal het bij een massale uitbraak niet
  meer mogelijk zijn, juist vanwege capaciteitsproblemen, om gehele bedrijven te ruimen. Het
  draaiboek zal ook aan moeten geven hoe in dat geval gehandeld dient te worden.
  Specifiek voor BSE is, dat het grote risico’s voor de volksgezondheid met zich meebrengt. De
  Raad realiseert zich dat het draaiboek zich richt op de bestrijding van de ziekte bij het
  rundvee, maar acht het desalniettemin gewenst dat tenminste een verwijzing wordt
  opgenomen naar de maatregelen, die op het gebied van de volksgezondheid worden getroffen.
  Dit zou bijvoorbeeld in de Management-samenvatting of in een aparte bijlage kunnen
  geschieden.
  97rd236/16-12-97
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>                                                 2
Naar de mening van de Raad wordt in het draaiboek onvoldoende aangegeven wanneer sprake
is van een rund met hersenverschijnselen (paragraaf 3), en wat het onderzoek van een
dergelijk rund (paragrafen 4 en 4.1) moet omvatten. Daarnaast wordt kennelijk onvoldoende
duidelijk dat alle runderen met hersenverschijnselen direct moeten worden gemeld als zijnde
BSE-verdacht. Als uit het bovengenoemde onderzoek blijkt dat BSE kan worden uitgesloten,
kan de verdacht-status worden opgeheven, maar de melding moet dan al zijn geschied. Op dit
moment worden ongeveer 50 BSE-verdachte runderen per jaar gemeld. Het OIE beschuldigt
Nederland van onderrapportage, omdat statistisch kan worden aangetoond dat ongeveer 350
gevallen per jaar zouden moeten voorkomen.
Indien bij een rund op een bepaald bedrijf BSE is vastgesteld, zal er een epidemiologisch
onderzoek gestart worden naar eventuele andere runderen die besmet zouden kunnen zijn met
BSE. De Raad constateert dat in het draaiboek over dat traceringsonderzoek eigenlijk niets is
opgenomen. Omdat van tevoren vast zou moeten staan hoe, bijvoorbeeld op
herkomstbedrijven van het rund of op bedrijven waar voer uit dezelfde partij gevoerd is,
onderzocht wordt of er runderen met BSE aanwezig zijn, zou de Raad graag zien dat in het
draaiboek het protocol wordt opgenomen van dat epidemiologische onderzoek.
De Raad dringt er op aan, dat in het draaiboek meer aandacht wordt geschonken aan de
communicatie met de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde. Op een
aantal plaatsen zou de KNMvD opgenomen moeten worden bij de te informeren instanties.
Evenzeer verdient de KNMvD vermeld te worden aan het eind van de vierde alinea van de
Management-samenvatting. In dit verband zou ook de informatie aan de praktizerende
dierenarts uitvoeriger moeten worden vastgelegd.
Na deze algemene opmerkingen meent de Raad nog de volgende meer specifieke
opmerkingen te moeten maken. Deze opmerkingen, alsook een groot aantal andere detail-
opmerkingen, zijn reeds besproken met de heer Van Wijk van de Directie MKG.
Op pagina 1 wordt de indruk gewekt dat niet het gehele bedrijf geruimd wordt indien BSE bij
een rund op dat bedrijf wordt vastgesteld. Indien het ruimingsbeleid ongewijzigd blijft (zoals
ook op pagina 1 gesteld), dan is dat niet juist.
Op pagina 2 zou in paragraaf 3 opgenomen dienen te worden dat de kringdirecteur de melding
dient door te geven aan de Veterinaire Hoofdinspecteur.
Op pagina 4 zou onder 4.3, derde opsommingsteken, de “slacht- en gebruikswaarde”
vervangen dienen te worden door “volledige gebruikswaarde”. In dit kader dienen er geen
misverstanden te ontstaan, zodat het rund zo snel mogelijk overgenomen kan worden.
Onder 4.4 dient aangegeven te worden dat, indien het noodzakelijk is het dier op het bedrijf te
doden, dat zou moeten gebeuren zonder de hersenen te beschadigen.
Onder 5.2 zou ook aangegeven moeten worden dat de Veterinaire Hoofdinspecteur op de
hoogte gebracht wordt. Daarnaast zou nog eens gekeken moeten worden of ook niet andere
partijen, zoals de practicus, de Gezondheidsdienst en de Productschappen op de hoogte
gesteld kunnen worden.
97rd236/16-12-97
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>                                                3
Onder 5.2, maatregel 3, kan beter gesproken worden van het “afvoeren” van alle verdachte
dieren dan van het “ruimen” van de dieren.
Onder 6 zou toegevoegd dienen te worden “de Veterinaire Hoofdinspecteur ziet toe op de
uitvoering van de maatregelen in relatie tot de volksgezondheid.”
Op pagina 6 zou onder 6.2 aangegeven dienen te worden wat de taakverdeling is tussen de
kringdirecteur en de regiodirecteur. Daarover dienen in tijden dat het rustig is afspraken
gemaakt te worden en niet in de hectische periode wanneer de massale dierziekte is
geconstateerd.
Op pagina 7 wordt onder 6.6 wel aangegeven dat dieren getaxeerd worden, maar wordt niets
gezegd over de taxatie van materialen. Op grond van die onzekerheid zouden
onduidelijkheden kunnen ontstaan.
Onder 6.7 is het beter om te spreken over “slachthal” in plaats van “slachtplaats”.
In paragraaf 6.7 wordt op diverse plaatsen aangegeven dat er (werk)afspraken gemaakt dienen
te worden. De Raad dringt er op aan met het maken van deze afspraken niet te wachten tot de
ziekte is uitgebroken, maar dat al bij voorbaat te doen en deze afspraken in het draaiboek vast
te leggen (eventueel in een bijlage).
Op pagina 8 wordt onder 6.8.1 aangegeven dat ontsmetting plaatsvindt met 1% natronloog.
Dat levert in de praktijk nogal wat problemen op. Beter is het om hier quaternaire
ammoniumbasen voor te schrijven. Dat levert in de praktijk minder weerstanden op.
Op pagina 9 wordt in onderdeel 7.1.1 en 7.1.2 de directeur MKG genoemd. Dat dient
veranderd te worden in de directeur RVV.
Onduidelijk is wat onder 7.2 bedoeld wordt met “relevante” directeuren en “relevant”
bedrijfsleven.
Op pagina 10 zou onder 9 ook aangegeven dienen te worden dat de Veterinaire
Hoofdinspecteur bij de handelingen betrokken is.
De voorzitter                                        De secretaris
Prof.Dr. S.G. van den Bergh                          Mr. H.G. van Waveren
97rd236/16-12-97
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>