<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>  Advies over de huisvestings- en
verzorgingsnormen van kalkoenen
               Den Haag
             augustus 2000
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>                        Advies over de huisvestings- en
                     verzorgingsnormen van kalkoenen
                                           Den Haag
                                         augustus 2000
Rapport van de Werkgroep kalkoenhouderij
van de Raad voor dierenaangelegenheden
Postbus 90428
2509 LK Den Haag
Telefoon: 070-3785266
Fax: 070-3814246
e-mail: j.f.dijkstra@rda.agro.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>                                              3
Inhoudsopgave
1.      Inleiding                                                            pag.   5
2.      Algemene kenmerken                                                          7
3.      Huisvesting en verzorging                                                   9
3.1.    Algemeen                                                                    9
3.2.    Bezettingsgraad, uitval en selectie                                         9
3.2.1.  Bezettingsgraad                                                             9
3.2.2.  Uitval en selectie                                                          11
3.3.    Strooisel                                                                   12
3.4.    Stalklimaat                                                                 12
3.5.    Licht                                                                       13
3.6.    Voer- en watervoorziening                                                   13
3.7.    Ingrepen                                                                    13
3.8.    Laden en transport                                                          13
4.      Gezondheid                                                                  14
4.1.    Fokproduct                                                                  14
4.2.    Ziekenboeg                                                                  15
5.      Onderzoek                                                                   16
Bijlagen:
1.      Adviesaanvraag
2.      Samenstelling Werkgroep kalkoenhouderij
3.      Uitleg en uitgangspunten FAWC-formule
De Startnotitie kalkoenhouderij, Jo Voet, Expertisecentrum Landbouw, Ede, maart 1999, is
een losse bijlage, behorende bij dit advies.
00rd139/29-08-00
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>                 4
00rd139/29-08-00
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>                                                         5
Advies over de huisvestings- en verzorgingsnormen van kalkoenen
1. Inleiding
Op 24 september 1998 verzocht de Directeur Landbouw van het Ministerie van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij aan de Raad voor dierenaangelegenheden (RDA) om een streefbeeld
op te stellen voor de kalkoenhouderij op het primaire bedrijf (bijlage 1).
Met het oog hierop werd de Werkgroep kalkoenhouderij (samenstelling zie bijlage 2)
ingesteld. Voordat deze Werkgroep met haar werkzaamheden aanving is door het Bureau van
de Raad aan het Informatie- en Kenniscentrum Landbouw verzocht een startnotitie op te
stellen, die als basisdocument zou kunnen dienen voor het overleg in de Werkgroep. De
concept-startnotitie is in een aantal vergaderingen van de Werkgroep besproken, waarna hij
kon dienen als basisdocument voor de werkzaamheden van de Werkgroep1) (losse bijlage).
De Werkgroep heeft ervoor gekozen om de resultaten van haar overleg niet in een streefbeeld
vast te leggen, maar in een advies voor vijf jaar. Dit advies dient gezien te worden als een
realistisch compromis tussen het betrokken bedrijfsleven en de Dierenbescherming om
enerzijds het welzijn van de dieren te verbeteren en eventuele welzijnsbedreigende
ontwikkelingen te voorkomen en anderzijds de bedrijfsmatige kalkoenhouderij in ons land in
stand te houden.
Het advies betreft de houderij van vleeskalkoenen en van vermeerderingskalkoenen.
Voorzover voor vermeerderingskalkoenen de situatie afwijkt van die voor de vleeskalkoenen
wordt daaraan apart aandacht geschonken.
Aan de orde komen het bedrijfsmatig houden van kalkoenen en het vangen en laden van de
dieren.
Het instrumentarium waarmee het advies gerealiseerd kan worden bestaat zowel uit wettelijke
maatregelen als niet-wettelijke maatregelen, zoals onderzoek en voorlichting.
In het advies wordt een afweging gemaakt tussen meerdere aspecten. Naast welzijn en
gezondheid behoren hiertoe ook de economische aspecten. De bedrijfseconomische
consequenties voortvloeiend uit verschillende bezettingsdichtheden zijn zo goed mogelijk in
kaart gebracht2) .
Uitgangspunt voor dit advies is dat chronische stress symptomen, zoals gestoord gedrag,
orgaan- en weefselbeschadigingen, verhoogde ziektegevoeligheid, angst- en pijnuitingen en
verminderde vitaliteit, niet structureel dienen voor te komen.
Soorteigen gedrag, zoals vleugels uitslaan, lopen, exploreren en foerageren, dient ongestoord
mogelijk te zijn.
Bij het opstellen van het advies is gebleken dat specifieke kennis over het gedrag van
kalkoenen op diverse punten onvoldoende is. De kalkoenhouderij in Nederland is geen grote
bedrijfstak. Het beschikbare onderzoeksmateriaal is dan ook beperkt. Buitenlands
praktijkonderzoek is niet zonder meer bruikbaar voor de Nederlandse situatie, gezien de
verschillen in huisvesting en type dieren.
1)
   Startnotitie kalkoenhouderij, Jo Voet, Expertisecentrum Landbouw, Ede, maart 1999
2)
   Startnotitie kalkoenhouderij, Jo Voet, Expertisecentrum Landbouw, Ede, maart 1999, bijlagen 3, 4, 5
00rd139/29-08-00
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>                                               6
Bij de Raad van Europa is een richtlijn met aanbevelingen met betrekking tot het houden van
kalkoenen in een afrondende fase. Aangezien te verwachten is dat te zijner tijd een dergelijke
regeling in nationale regelgeving omgezet zal gaan worden, zijn bij het ontwikkelen van het
advies diverse punten in de discussie betrokken waarover in de Raad van Europa discussie
gaande is. In het advies wordt het accent vooral op die onderwerpen gelegd, waarover, naar
mag worden verondersteld, interpretatieverschillen zullen bestaan of die een meer concrete
invulling behoeven dan het geval is in de Europese richtlijn.
Het huidige fokproduct kent welzijns- en gezondheidsproblemen vanwege de ver
doorgevoerde selectie op groei, bevleesdheid en voerconversie. Aan een aantal van deze
problemen wordt in dit advies aandacht besteed, voorzover zij gerelateerd zijn aan
huisvesting en verzorging. Het is van het grootste belang dat de fokkerijorganisaties door alle
betrokkenen worden gestimuleerd om tot bijstelling van fokdoelen te komen. Het gegeven dat
de relatief kleine Nederlandse kalkoensector voor zijn fokproducten afhankelijk is van slechts
enkele mondiaal opererende commerciële fokkerijorganisaties, betekent dat hiertoe
gezamenlijke inzet vereist is. Een gedegen registratie van de problemen die het huidige
fokproduct kent mag daarbij niet ontbreken.
00rd139/29-08-00
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>                                                7
2. Algemene kenmerken
Vleeskalkoenen
In Nederland worden kalkoenen loslopend in stallen gehuisvest. Op de bodem is een laag
strooisel aangebracht.
De helft van de kalkoenen wordt gehouden in mechanisch geventileerde stallen. De andere
helft is ondergebracht in stallen met natuurlijke ventilatie, de zogenaamde daglichtstallen.
Kalkoenen zijn gevoelig voor grote temperatuurschommelingen, evenals voor te hoge
temperaturen. De zeer jonge dieren worden door middel van plaatselijke verwarming op de
juiste temperatuur gehouden.
Licht en lichtschema’s worden door de kalkoenhouder gebruikt om het gedrag van een koppel
te beïnvloeden.
Om kalkoenkuikens de eerste dagen te helpen bij het vinden van voer- en drinkbakken wordt
een hoge lichtintensiteit gegeven. Al snel wordt de intensiteit echter verlaagd om pikkerij en
kannibalisme tegen te gaan. Natuurlijk geventileerde stallen kennen een natuurlijke dag- en
nachtritme. In mechanisch geventileerde stallen wordt met kunstlicht een ritme nagebootst.
Kalkoenen zijn gevoelig voor een niet optimaal voedingspakket. De productieperiode is
onderverdeeld in fasen, waarbij in elke fase een op de behoefte afgestemd voer ter
beschikking wordt gesteld. De dieren worden ad libitum gevoerd.
Snavelbehandeling wordt voor de meeste bedrijven standaard uitgevoerd op de broederij. Op
een uiterst beperkt aantal bedrijven wordt deze behandeling achterwege gelaten. Daar wordt
echter een lichtsterkte gehanteerd van slechts circa twee Lux.
Andere ingrepen, zoals verwijderen van neuslellen, leewieken en verwijderen van een of meer
tenen, worden de laatste jaren in het geheel niet meer toegepast.
In de kalkoenhouderij worden hanen en hennen gescheiden gehouden, vanwege de verschillen
in groeicapaciteit. In de eerste vijf weken worden de dieren in één stal (met een gazen
tussenwand of een afscheiding met hekwerk) ondergebracht, zodat ook slechts één stal
verwarmd hoeft te worden.
Vanaf de zesde week hebben de dieren meer ruimte nodig. De hanen worden daarom naar een
andere stal overgebracht en de hennen krijgen de beschikking over de gehele stal waarin ze
als kuiken zijn geplaatst. De hanen worden gehouden tot een leeftijd van circa 21 weken. De
hennen worden eerder, namelijk op 16 à 17 weken leeftijd aan de slachterij geleverd. In de
"hennenstal" worden direct na reiniging en ontsmetting, nieuwe kuikens voor de volgende
productieronde geplaatst. Er is een tussenperiode van enkele dagen tot enkele weken, bepaald
door de integratie en/of slachterij (planning).
De gemiddelde bezettingsgraad bij hennen is 49 kg/m², bij hanen 61,5 kg/m², waarbij het
uitvalspercentage is meegerekend. Bezettingen van 54 kg/m² (hennen) en 80 kg/m² (hanen) en
nog hoger komen voor.
Omdat de bezettingsgraad in kg/m² het hoogst is op het moment van afleveren heeft de
discussie zich ook op de bezetting op dat moment gericht. Aflevering naar de slachterij kan
zich uitspreiden over enkele dagen. Dit heeft onder andere te maken met de logistiek van de
slachterij. Op het moment van afleveren zijn er gemiddeld 5,1 hennen per m² met een gewicht
van circa 9,6 kg. De hanen wegen dan gemiddeld 18,8 kg bij een bezetting van circa 3,3 per
m².
00rd139/29-08-00
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>                                                 8
Afwijkingen hiervan kunnen ontstaan door de logistiek van slachterijen, de zomer-
winterperioden, kwaliteit van de stal, kwaliteit van de ondernemer, exportproblemen en tot
slot het al of niet voorkomen van ziekten.
Verrijking van de leefomgeving is in onderzoek. Wanneer objecten als speeltouwtjes en hout-
of strobalen ter beschikking worden gesteld besteden de dieren daar wel tijd aan, maar een
positief effect op pikkerij was in de tot heden uitgevoerde onderzoeken nauwelijks zichtbaar.
Zitstokken ontbreken in de huidige kalkoenhouderij. Uit onderzoek is nog niet duidelijk of
aanwezigheid van zitstokken een bijdrage levert aan welzijn en gezondheid van de dieren.
In de kalkoenhouderij worden regelmatig bewegingsstoornissen, waaronder
gewrichtsgebreken, waargenomen. Deze stoornissen hebben een negatieve invloed op het
welzijn van het dier, maar tevens op het economische rendement. Zowel genetische,
voedings- als houderijfactoren, naast micro-organismen, spelen een rol bij het voorkomen van
bewegingsstoornissen.
De dieren worden voor het transport steeds vaker met behulp van mechanische laadsystemen
gevangen en geladen. Het transport vindt plaats in containers.
Vermeerderingskalkoenen
De houderij van vermeerderingskalkoenen wijkt op enkele punten af van de houderij van
vleeskalkoenen. Vermeerderingshanen zijn aanzienlijk zwaarder dan vermeerderingshennen.
Het eindgewicht van de hanen is circa 35 kg, van de hennen circa 12,5 kg. Om ernstige
beschadiging bij de hennen door veelvuldig treden door de veel zwaardere hanen te
voorkomen en met het oog op een betere selectie van de hanen wordt KI toegepast.
De snavelbehandeling, die op jonge leeftijd wordt uitgevoerd, wordt bij
vermeerderingshennen op een leeftijd van 26-30 weken herhaald vanwege hergroei van de
snavelpunt. Bij de vermeerderingshanen wordt per dier bekeken of een tweede behandeling
van de snavel noodzakelijk is.
De opfok van vermeerderingskalkoenen duurt ongeveer 29 weken. Tijdens deze opfok is de
bezetting bij de opzet van de hennen 4 à 4,5 dieren per m² en van de hanen 2 à 2,2 dieren per
m². Bij aflevering is de bezetting van hennen 3,7 à 4 dieren per m² en van hanen 1,3 à 1,6
dieren per m². Bij vermeerderingsdieren wordt streng geselecteerd tijdens de opfokperiode.
Uitgeselecteerde dieren worden tussentijds afgeleverd voor de slacht. Op de legbedrijven voor
de productie van broedeieren is gebruikelijk een bezetting van 2,2 à 2,3 hennen per m² en van
1,1 à 1,3 hanen per m².
00rd139/29-08-00
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>                                               9
3. Huisvesting en verzorging
3.1. Algemeen
De omstandigheden waaronder kalkoenen worden gehouden moeten zodanig zijn dat de
dieren de gelegenheid hebben om natuurlijke gedragingen als sociaal gedrag, lopen, rennen,
poetsen, stofbaden, rekken en strekken, mesten, eten en drinken uit te voeren. De
klimatologische omstandigheden moeten adequaat beheerst kunnen worden en optimale
gezondheid moet gewaarborgd zijn.
De belangrijkste huisvestings- en verzorgingsaspecten van de kalkoenhouderij die uit het
oogpunt van welzijn en gezondheid aandacht vragen worden hierna aan de orde gesteld.
Veelal dienen deze aspecten in onderlinge samenhang beschouwd te worden. Naast deze
aspecten is het van groot belang dat de dieren worden verzorgd door voldoende personen die
over de nodige vaardigheden, kennis en vakbekwaamheden beschikken. Tenminste tweemaal
per etmaal dienen de gezondheidstoestand van de dieren, de kwaliteit van het strooisel en het
functioneren van de technische voorzieningen (verlichting, ventilatie) gecontroleerd te
worden.
Bij het formuleren van maatregelen dient er rekening mee te worden gehouden dat
ontwikkelingen die positief zijn voor het welzijn of de gezondheid van de dieren of die, met
behoud van het gewenste welzijns- en gezondheidsniveau, bijdragen aan verbetering van het
milieu of de arbeidsomstandigheden, niet belemmerd worden.
Achtereenvolgens komen aan de orde:
Bezettingsgraad, uitval en selectie
Strooisel
Stalklimaat
Licht
Voer- en watervoorziening
Ingrepen
Laden en transport
3.2. Bezettingsgraad, uitval en selectie
3.2.1. Bezettingsgraad
Vleeskalkoenen
De Werkgroep heeft geconstateerd dat er onvoldoende kennis voorhanden is om een
wetenschappelijk onderbouwde norm voor de bezettingsgraad op te stellen. Desondanks is zij
het eens over de wenselijkheid een verdere toename van de bezettingsgraad te blokkeren. Van
de zijde van de kalkoensector is uitgesproken dat, onder voorwaarden, een norm van 58,5
kg/m² voor hanen en 51 kg/m² voor hennen bespreekbaar is. De Dierenbescherming hanteert
vanuit welzijnsoogpunt als uitgangspunt voor de bezetting 25 kg/m² (hanen en hennen). Als
compromis heeft de Dierenbescherming 38,5 kg/m² genoemd, op basis van de Turkey Welfare
Code, en tenslotte "om erger te voorkomen" (verdere intensivering, uitblijven van regels met
00rd139/29-08-00
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>                                                     10
betrekking tot bezetting, en dergelijke), 53 kg/m² voor hanen en voor hennen 42 kg/m²
(gebaseerd op FAWC-formule minus 10%)1) .
In de berekeningen van zowel het bedrijfsleven als de Dierenbescherming is uitgegaan van de
nu gebruikelijke gewichten bij aflevering. Hanen worden na circa 21 weken afgeleverd op een
gewicht van ongeveer 18,8 kg en hennen wegen na ruim 16 weken circa 9,6 kg.
De Werkgroep is het uiteindelijk eens geworden over het terugbrengen van de maximaal
toegepaste bezettingsdichtheid van ruim 80 kg/m² voor hanen naar maximaal 57 kg/m² en van
54 kg/m² voor hennen naar maximaal 47 kg/m², gerelateerd aan de thans gebruikelijke
aflevergewichten, met daarbij een aantal randvoorwaarden. Het advies luidt dan ook als volgt:
Aanbevolen wordt de maximale bezettingdichtheid voor kalkoenen voor een periode van vijf
jaar vast te leggen op 57 kg/m² voor hanen en 47 kg/m² voor hennen.
Gedurende deze vijf jaren dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de
bezettingsgraad en de relatie tussen bezettingsgraad, gedrag, omgevingsverrijking en andere
welzijns- en gezondheidsaspecten. Zo spoedig mogelijk dienen concrete afspraken te worden
gemaakt over het type onderzoek en de financiering ervan.
Tijdig voor het verstrijken van de periode van vijf jaar dient een evaluatie plaats te vinden en
dient over de bezettingsgraad, mede aan de hand van de dan beschikbare wetenschappelijke
kennis en inzichten, een nieuw advies opgesteld te worden. Wanneer na vijf jaar blijkt dat er
nog niet voldoende bekend is over de relatie tussen bezettingsgraad, welzijn en andere
aspecten, of wanneer er te weinig is gedaan, dan staat de discussie over de bezettingsgraad
weer geheel open.
De Werkgroep heeft gesignaleerd dat er een relatie is tussen bezettingsgraad en andere, voor
het welzijn en de gezondheid, relevante elementen. Dit betreft onder meer uitval en selectie.
Geconstateerd mag worden dat er weinig betrouwbaar cijfermateriaal beschikbaar is over
uitval en vrijwel niets over selectie. Dit maakt het moeilijk een ijkpunt vast te stellen.
Teneinde inspanningen om het uitvals- en selectiepercentage omlaag te brengen mogelijk te
maken, wordt voorgesteld een verhoging van de maximale bezettingsdichtheid met maximaal:
2 kg/m² (standpunt kalkoensector)
1 kg/m²(standpunt Dierenbescherming)
toe te staan voor een regeling ter beperking van uitval en selectie binnen IKB-Kalkoen (zie
paragraaf 3.2.2 over uitval en selectie).
Verrijking van de leefomgeving van kalkoenen is in onderzoek. Alhoewel in dit onderzoek tot
nu toe geen gunstig effect op pikkerij is geconstateerd, kan wel gesteld worden dat de dieren
tijd besteden aan objecten in de leefomgeving. De Werkgroep is van mening dat introductie
van verrijking van de leefomgeving in de praktijk wenselijk is en stelt als
stimuleringsmaatregel voor een verhoging van de maximale bezettingsgraad met 1 kg/m² toe
te staan voor het, binnen IKB-Kalkoen concreter te omschrijven, toepassen van
omgevingsverrijkende elementen.
Door de kalkoensector is er op gewezen dat de kalkoenhouder op enkele factoren in de
houderij slechts beperkte invloed heeft, mede vanwege de sterke ketengebondenheid. Zo kan
het gebeuren dat de slachtdatum door de slachterij met enkele dagen wordt verschoven. De
groei van het koppel kan beduidend afwijken van voorgaande koppels, zowel in positieve als
1)
   Uitleg en uitgangspunten FAWC-formule: zie bijlage 3
00rd139/29-08-00
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>                                               11
in negatieve zin. Ook kan het gemiddeld op een bedrijf gebruikelijke uitvals- en
selectiepercentage afwijken. Als gevolg van betere broedresultaten wordt soms een hoger
aantal kuikens door de broederij geleverd dan was overeengekomen. Het doden van deze
gezonde kuikens wordt als niet wenselijk beschouwd.
De sector is van oordeel dat met deze praktijksituaties enigermate rekening moet worden
gehouden en dat overschrijding van de geadviseerde maximale bezettingsdichtheid (57 kg/m²
voor hanen en 47 kg/m² voor hennen) met ten hoogste 2% als gevolg van factoren die
aantoonbaar buiten de directe invloedssfeer van de kalkoenhouder zijn opgetreden en mits dit
zich incidenteel per bedrijf voordoet, beschouwd moet worden als vallende binnen de gestelde
normen.
De Dierenbescherming wijst dit standpunt van de sector over een incidentele hogere
bezettingsdichtheid wegens logistieke problemen buiten de veehouder om (dus latere
slachtdatum of het aanleveren van meer kuikens) af. Het maken van een dergelijke
uitzondering stimuleert het blijven werken op het scherp van de snede van een hoge
bezettingsdichtheid. Er kan beter naar gestreefd worden minder kuikens te laten aanleveren.
Als het echt uit de hand dreigt te lopen moet er desnoods maar uitgeladen worden.
3.2.2. Uitval en selectie
De uitval dient in IKB-Kalkoen gecertificeerd te worden. Tot uitval wordt gerekend de dieren
die dood van het bedrijf worden afgevoerd en ter destructie worden aangeboden. Een nadere
uitwerking hiervan dient in te houden dat de uitval in een sluitende registratie wordt
bijgehouden. Er dient een streefwaarde opgenomen te worden die gelijk is aan het gemiddelde
van de 25% beste bedrijven. De regeling is er op gericht binnen vijf jaar de gemiddelde uitval
naar de streefwaarde te brengen. De gemiddelde uitval wordt berekend over de uitval van vijf
koppels met dien verstande dat, met het oog op ziekten of calamiteiten, het koppel met de
hoogste uitval buiten beschouwing mag worden gelaten.
Bij koppels waarvan de uitval hoger is dan de gemiddelde uitval van de 25% slechtste
bedrijven dient een aannemelijke verklaring voor deze hoge uitval gegeven te worden.
Bij bedrijven waarvan de gemiddelde uitval structureel hoger is dan de streefwaarde dient de
bedrijfsinrichting en het management doorgelicht te worden. Hieruit kan een plan voor
aanpassing van het bedrijf of de bedrijfsvoering volgen.
Voor bedrijven waarvan de gemiddelde uitval structureel hoger is dan de gemiddelde uitval
van de 25% slechtste bedrijven dient een onafhankelijk onderzoek naar de oorzaak van deze
hoge uitval te worden uitgevoerd. Uit dit onderzoek zal een bindend advies voor aanpassing
van het bedrijf volgen.
Het behalen van de streefwaarde (verlaging van de uitval) dient gestimuleerd te worden. Voor
bedrijven waar de gemiddelde uitval lager is dan de streefwaarde (met als gevolg meer
dieren) zou daarom het toestaan van een hogere bezettingsgraad een logisch gevolg zijn.
Voor de nadere uitwerking hiervan wordt een gestaffelde toekenning van een hogere
bezetting van maximaal 2 kg/m² (kalkoensector) / 1 kg/m² (Dierenbescherming) aanbevolen.
In onderzoek dient nagegaan te worden in hoeverre entingen effect hebben op de uitval en in
hoeverre aanpassing van entingen de uitval kan terugbrengen.
Indien mogelijk dient er een vergelijking gemaakt te worden van uitvalspercentages en andere
relevante kenmerken van de in Nederland verkrijgbare commerciële rassen. Als de verschillen
aanzienlijk en aantoonbaar zijn kan er een keurmerk geïntroduceerd worden.
Bij ontvangst van een koppel ontvangt de kalkoenhouder een "paspoort" waarin relevante
gegevens zijn opgenomen over de dieren, alsmede over de afstamming van de dieren. De
00rd139/29-08-00
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>                                                 12
kalkoenhouder levert dit paspoort, aangevuld met relevante gegevens over het koppel op zijn
bedrijf, mee met aflevering van de dieren.
In de regeling worden uitgeselecteerde dieren buiten beschouwing gelaten omdat hierover
geen gegevens beschikbaar zijn. Wel dient de selectie apart geregistreerd te worden. Op
termijn is voor selectie eenzelfde regeling als voor uitval denkbaar. Voor dit moment komt
het uitselecteren van dieren meer tegemoet aan het welzijn van de dieren.
De Werkgroep hecht eraan nadrukkelijk te wijzen op de termijn van vijf jaar waarvoor het
advies geldt. Zij pleit ervoor dat de invulling van het advies, zowel in wetgeving als in IKB-
Kalkoen, direct na het uitbrengen van dit advies ter hand wordt genomen. Met het scheppen
van een wetgevend kader en een nadere uitwerking binnen IKB-Kalkoen wordt het
deelnemen aan ketenbeheersende systemen bevorderd. Tevens schept dit de mogelijkheid de
controles op naleving grotendeels binnen IKB-Kalkoen te doen plaatsvinden. Controle van
overheidswege kan derhalve gericht worden ingezet op die bedrijven die buiten het IKB-
systeem produceren.
Vermeerderingskalkoenen
Tijdens de opfok van vermeerderingskalkoenen bereiken de hanen een maximumgewicht van
35 kg en de hennen van 12,5 kg. De maximale bezettingsdichtheid tijdens opfok wordt
gesteld op 56 kg/m2 voor hanen en 49 kg/m2 voor hennen. Voor vermeerderingskalkoenen op
legbedrijven wordt de maximale bezettingsdichtheid, overeenkomstig de gangbare praktijk,
bepaald op 46 kg/m2 voor hanen en 29 kg/m2 voor hennen.
3.3. Strooisel
Het totale leefoppervlak, eventueel met uitzondering van het gedeelte direct onder de voer- en
watervoorzieningen, dient van strooisel voorzien te zijn.
De strooiselbedding dient van goede kwaliteit te zijn. Het strooisel dient los en rul gehouden
te worden en in een laag van voldoende dikte aanwezig te zijn, zodat de dieren stofbadgedrag
kunnen vertonen, de uitwerpselen goed worden geabsorbeerd en de isolerende werking tussen
de dieren en de cementen vloer wordt gewaarborgd. De kwaliteit van het strooisel dient
tweemaal per dag te worden gecontroleerd, mede vanwege de invloed die slecht strooisel kan
hebben op het ontstaan van borstblaren en pootproblemen. Te fijn strooisel heeft een
negatieve invloed op het welzijn van de kalkoenhouder en kan longafwijkingen veroorzaken
bij de kalkoenen.
3.4. Stalklimaat
Een juiste, op de leeftijd van de dieren afgestemde, temperatuur, luchtsnelheid, relatieve
vochtigheid, stofniveau en overige atmosferische omstandigheden zijn belangrijk voor
welzijn en gezondheid van de kalkoenen.
De luchtverversingscapaciteit bij mechanische ventilatie in de zomerperiode dient 4 m3
lucht/kg levend gewicht/uur te bedragen.
De staltemperatuur begint met 25º Celsius en wordt geleidelijk afgebouwd naar 14º Celsius.
Bij de opzet van de kuikens dient lokaal, onder de gaskap, een temperatuur van 38º Celsius
bereikt te worden.
Alarmering is een vereiste. Bij stroomuitval dient deze te blijven functioneren.
00rd139/29-08-00
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>                                                 13
Luchtvochtigheid 60-80 %. Maximale ammoniakconcentratie: 30 ppm. CO2-concentratie
maximaal 3.000 ppm.
Bij natuurlijke ventilatie zijn steunventilatoren gewenst.
Bij toepassing van mechanische ventilatie en bij mechanische ondersteuning van natuurlijke
ventilatie dient een noodstroomvoorziening aanwezig te zijn.
3.5. Licht
Een hoeveelheid licht van 20 Lux op dierniveau is noodzakelijk. Een lagere hoeveelheid licht
is tijdelijk toegestaan indien dit vanwege verenpikken en kannibalisme nodig is. Gedurende
de eerste periode na opzet van de kuikens, is een aanzienlijk hoger lichtniveau dan 20 Lux
vereist (± 100 Lux), om het vinden van voer en water te vergemakkelijken.
Per etmaal dient er een aaneengesloten rustperiode te zijn van 8 uren, waarin de stal vrijwel
donker is. Deze periode loopt gelijk aan het natuurlijk dag-nacht ritme. Een schemerperiode
van ca. ½ uur is wenselijk.
Een gelijkmatige verlichting is vereist, zodat op dierniveau overal evenveel Lux is. Bij
gebruik van TL-lampen worden hoogfrequente lampen aanbevolen. Het lichtniveau dient
regelbaar te zijn, zodat het als managementinstrument toegepast kan worden.
3.6. Voer- en watervoorziening
De dieren dienen ad libitum over voer en vers water te kunnen beschikken.
De voer- en watervoorzieningen moeten goed verspreid zijn over de stal.
3.7. Ingrepen
Kalkoenen pikken veelvuldig naar zichzelf en naar hun soortgenoten.
Snavelbehandeling wordt dan ook voor (vrijwel) alle bedrijven uitgevoerd. De enkele
bedrijven waar geen snavelbehandeling plaatsvindt houden de dieren bij een "lichtsterkte" van
circa 2 Lux.
Een oplossing voor de aangegeven problematiek is nog niet voorhanden. Aan deze
problematiek wordt aandacht besteed in de brede discussie in RDA-verband over het
Ingrepenbesluit.
3.8. Laden en transport
Het vangen en laden dient te geschieden door een professionele vang- en laadploeg. In IKB is
geregeld dat de vang- en laadploeg IKB-gecertificeerd moet zijn. De dieren mogen uitsluitend
in containers vervoerd worden.
00rd139/29-08-00
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>                                                14
4. Gezondheid
De meeste, zo niet alle, in hoofdstuk 3 (huisvesting en verzorging) opgenomen onderwerpen
zijn van belang niet alleen voor het welzijn van de dieren in de kalkoenhouderij, maar
eveneens voor de gezondheid.
Specifiek gericht op de diergezondheid verdienen nog de volgende onderwerpen aandacht.
4.1. Fokproduct
Het huidige fokproduct, geselecteerd op snelle groei, bevleesdheid en voerconversie kent een
aantal gezondheids- (en welzijns-) problemen die (mede) veroorzaakt worden door de
fokkerij.
• Bewegingsstoornissen, in het bijzonder pootafwijkingen
   De problematiek van bewegingsstoornissen in de kalkoenhouderij is aanzienlijk (zie
   bijlage 2 startnotitie). Het optreden van de stoornissen kan een gevolg zijn van meerdere
   factoren, waarbij moet worden gedacht aan fokkerij, voeding, bedrijfsmanagement en
   virale, bacteriële en parasitaire infecties.
   Een ernstige, veel voorkomende bewegingsstoornis die leidt tot loopproblemen is Tibiale
   Dischondroplasie (TD). TD heeft een genetische basis. Algemeen wordt gesteld dat er bij
   zwaardere rassen meer afwijkingen van spier- en skeletsystemen ontstaan.
• Activiteit
   Bepaalde zwaardere en snel groeiende rassen zijn minder actief dan minder zware, minder
   snel groeiende rassen. Bij minder activiteiten van de dieren is de kans op het ontstaan van
   pootafwijkingen groter.
• Verenpikken en kannibalisme
   De ongewenste gedragingen verenpikken en kannibalisme hebben waarschijnlijk
   gedeeltelijk een genetische basis.
• Snelle groei
   De ver doorgevoerde selectie op snelle groei kan ertoe leiden dat de longen en het hart de
   ontwikkeling niet kunnen bijhouden, met als gevolg dat ascites en ongebalanceerde groei
   kunnen optreden.
• Natuurlijke dekking
   De kalkoenhanen bij de commerciële rassen zijn zo zwaar, dat een natuurlijke dekking
   problematisch is, omdat de hennen dan te veel beschadigd worden. Daarom wordt
   standaard KI toegepast. De Dierenbescherming is weliswaar met betrekking tot de huidige
   rassen die bij de vermeerdering worden gehouden niet tegen KI, maar beschouwt KI als
   een ethisch probleem (ernstige aantasting van de intrinsieke waarde).
Bovengenoemde problematiek, met uitzondering van KI, is door managementmaatregelen
enigszins bij te sturen. Bijstelling van fokdoelen door gezamenlijke beïnvloeding van de
mondiaal opererende commerciële fokkerijorganisaties is noodzakelijk om deze problematiek
terug te dringen.
4.2. Ziekenboeg
00rd139/29-08-00
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>                                               15
Er dient een ruimte te zijn, waar de dieren gescheiden van de overige dieren gehouden kunnen
worden ingeval van ziekte en dergelijke. Deze ziekenboeg dient aparte voer- en
watervoorzieningen te hebben en per dier meer ruimte te bieden dan de overige stalruimte.
00rd139/29-08-00
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>                                                16
5. Onderzoek
De Werkgroep heeft moeten constateren, dat op meerdere voor het welzijn en de gezondheid
van kalkoenen in de Nederlandse kalkoenhouderij belangrijke onderdelen onvoldoende
wetenschappelijke kennis aanwezig is. Onderzoek is derhalve dringend gewenst alvorens een
streefbeeld te kunnen formuleren dat stoelt op breed gedragen kennis en inzicht. Om die reden
is het advies aangaande de maximaal toe te stane bezetting bewust gegeven met een
geldigheidsduur van vijf jaar. Dat er een relatie bestaat tussen beschikbare ruimte en welzijn
(en de gezondheid) van de dieren valt moeilijk te ontkennen. In meerderheid was men in de
Werkgroep van oordeel dat het welzijn van de dieren toeneemt, naarmate de
bezettingsdichtheid afneemt. Op wetenschappelijk onderzoek gefundeerde toelaatbare normen
voor de bezetting waren echter niet voorhanden. Dergelijk onderzoek, in samenhang met
onderzoek naar omgevingsverrijking, naar verenpikkerij en naar verlichting, verdient hoge
prioriteit.
In februari 2000 is een Europees onderzoek gestart naar het effect van fokkerij en houderij op
de ontwikkeling van locomotiestoornissen en specifiek tibiale dyschondroplasie. Hierin
participeren Duitsland, Engeland, Nederland (Praktijkonderzoek Pluimveehouderij “Het
Spelderholt”) en Zwitserland.
Om tot een optimale benutting van de beperkte middelen - de kalkoenhouderij is in ons land
een relatief kleine sector - te komen is het van groot belang dat het onderzoek plaatsvindt in
samenwerking met en na goede afstemming met andere landen. Ook met het oog op de
Europese discussie over regelgeving is een dergelijke internationale aanpak noodzakelijk.
00rd139/29-08-00
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>Samenstelling Werkgroep kalkoenhouderij
Drs. P.N.G.M. van Beek, Dierenarts
Ing. C.H. van der Bie, Nederlandse Organisatie van Pluimveehouders (lid werkgroep vanaf
15 november 1999)
Dr. H.J. Blokhuis, DLO-Instituut voor Dierhouderij en Diergezondheid
H.L.W. Jenniskens, Nederlandse Organisatie van Pluimveehouders, Kring
Kalkoenenhouders (lid werkgroep vanaf 28 juni 1999)
Mw.Ir. M. de Jong, Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren
Ing. A. May, Nederlandse Organisatie van Pluimveehouders (lid werkgroep tot 15
november 1999)
Mw. M.H. Remij-Verheijen, Nederlandse Organisatie van Pluimveehouders, Kring
Kalkoenenhouders (lid werkgroep t/m 28 juni 1999)
Dr.Ir. P.C.M. Simons, Praktijkonderzoek Pluimveehouderij Spelderholt (lid Werkgroep
vanaf 21 januari 1999)
Ir. C.M. Spek, Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Directie Landbouw
(lid Werkgroep tot 6 september 1999)
Ir. P.B. van Tilburg, Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Directie
Landbouw (lid Werkgroep vanaf 6 september 1999)
Ing. T. Veldkamp, Praktijkonderzoek Pluimveehouderij Spelderholt (lid Werkgroep tot
21 januari 1999)
Ir. M. Verbrugge, Plukon Poultry B.V.
Ing. J.A.H.H. Voet, Informatie en Kenniscentrum Landbouw
Mr. H.G. van Waveren, Raad voor dierenaangelegenheden (voorzitter)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>Uitleg en uitgangspunten FAWC-formule
De Farm Animal Welfare Council heeft een formule voor de bezettingsgraad van kalkoenen
opgesteld, waarbij uitgegaan wordt van het metabolische gewicht. Dit is een formule uit de
biologie die algemeen is ingeburgerd. Het principe van het metabolische gewicht is dat het
dier niet alleen in de breedte groeit, maar ook in de hoogte. Hierdoor kan bij een toenemend
gewicht van de dieren van een hogere bezettingsgraad worden uitgegaan, omdat het beslag op
de ruimte (oppervlakte) niet evenredig toeneemt met toename van het gewicht.
Formule FAWC:
A=k.W2/3 (A=benodigde ruimte in m², k=0,0459 en W=levend gewicht in kg)
(Bij kalkoenhanen leidt dit tot een maximale bezettingsgraad van 59,1 kg/m² bij het
eindgewicht van 20 kg)
De coëfficiënt “k” in de formule is op de volgende manier bepaald:
De Turkey Welfare Code (TWC) is als uitgangspunt genomen op het moment dat in de
Engelse situatie de bezetting het allerhoogste is. Dit is het geval wanneer de hanen 5,5 kg
zijn. In Engeland is dit het moment dat de eerste dieren verwijderd worden voor de slacht
(uitladen). In Engeland worden kalkoenen in een brede range van gewichten op de markt
gebracht: van 5 tot 20 kg. Wanneer de kalkoenen een gewicht van 5,5 kg hebben, zijn er
volgens dit uitgangspunt 7 dieren per m². Op een gewicht van 20 kg zijn er nog 3 dieren per
m². Dit wil zeggen dat er tussen door 4 dieren per m² zijn uitgeladen (= 57%). Dit is een
verschil met de Nederlandse situatie, waar niet wordt uitgeladen. Wat er in het begin van de
cyclus aan dieren wordt opgezet, is in principe hetzelfde als wat er aan het einde zit, met
aftrek van de tussentijdse uitval en selectie.
Bij het bepalen van de coëfficiënt “k” in de FAWC-formule, wordt de TWC als uitgangspunt
genomen wanneer de dieren bijna op 1/3 van het traject zitten. De TWC had als uitgangspunt
bezettingsgraad van 38,5 kg/m² aan het eind van het traject, dus wanneer de dieren geslacht
worden.
De FAWC heeft verder expliciet in haar rapport gesteld dat de formule (met eindbezetting
van 59,1 kg/m²) alleen acceptabel is bij goed management en goede klimaatbeheersing.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>