<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Het Besluit van 25 januari 1996, Stb. 139, houdende aanwijzing van en regelen omtrent
toegestane ingrepen bij dieren (Ingrepenbesluit).
Met betrekking tot bovenstaand Besluit vraagt de Raad voor dierenaangelegenheden Uw
aandacht in verband met het aflopen van overgangstermijnen.
Voor een aantal verboden ingrepen is in artikel 4 van het Ingrepenbesluit bepaald dat zij als
niet-verboden ingrepen zijn aangemerkt voor de duur van een tijdvak van vijf jaar vanaf het
tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit (1 september 1996), derhalve tot 1 september
2001.*
Voor enkele andere ingrepen geldt ook een overgangstermijn van vijf jaar, maar deze is
verlengd tot vijftien jaar, voor zover deze ingrepen worden verricht bij dieren die worden
gehouden in een huisvestingssysteem waarvan de gebruiker kan aantonen dat het op
1 september 2001 reeds bestond en nadien niet is herbouwd of verbouwd.*
Aangezien van verschillende zijden bij de Raad signalen binnenkwamen, dat voor een aantal
van de tot 1 september 2001 respectievelijk 2011 als niet-verboden aangemerkte ingrepen de
verwachting bestaat dat het verbod van die ingreep per genoemde datum ongewenst is om
redenen van met name welzijnsaantasting van de betreffende dieren, heeft de Raad de
Werkgroep Ingrepenbesluit ingesteld.**
Deze Werkgroep kreeg de opdracht de problematiek in kaart te brengen en aan te geven of het
aanbeveling verdient het Ingrepenbesluit te wijzigen en zo ja voor welke ingrepen. Deze
aanbevelingen dienden zo goed mogelijk te worden voorzien van een onderbouwing en van
de voorwaarden die aan een wijziging van het Ingrepenbesluit verbonden moeten worden.
De Werkgroep heeft zich laten leiden door welzijnsoverwegingen: indien door het achterwege
laten van een ingreep er, gegeven de gebruikte productiesystemen, welzijnsproblemen
ontstaan, is een wijziging van het Ingrepenbesluit in overweging genomen. De uiteindelijke
aanbevelingen van de Werkgroep waren gebaseerd op een welzijnsafweging: als de
ingeschatte welzijnsaantasting bij het toepassen van de ingreep geringer is dan de aantasting
van het welzijn die ontstaat bij het achterwege laten van de ingreep, dient het Ingrepenbesluit
te worden aangepast.
De Raad voor dierenaangelegenheden heeft de aanbevelingen van de Werkgroep als volgt
overgenomen.
*
  zie bijlage 1
**
   zie bijlage 2
00rd332/19-12-00
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>                                                 2
De Raad is uitdrukkelijk van oordeel dat alle ingrepen die door het Ingrepenbesluit tijdelijk
zijn toegestaan, uiteindelijk moeten worden verboden. Alleen dan mag tot uitstel van het
feitelijke verbod tot het uitvoeren van enkele ingrepen besloten worden, indien dwingende,
heldere inspanningsverplichtingen worden vastgelegd om de problematiek binnen afzienbare
termijn op te lossen.
De Raad meent dan ook dat:
1. voor die ingrepen, waarvoor uitstel van het verbod wordt aanbevolen, met spoed
   onderzoek dient te worden opgezet, dat duidelijkheid moet verschaffen over de vraag
   wanneer en via welke inspanningen de problematiek zal zijn opgelost. De sector dient op
   zich te nemen binnen vier jaar onderzoeksgegevens ter tafel te brengen, op grond waarvan
   de Minister een definitief besluit kan nemen.
2. indien na vier jaar geen perspectief op een oplossing kan worden geboden, de betreffende
   ingreep na verloop van de verlengde overgangstermijn moet worden verboden.
3. de overgangstermijn van vijf jaar voor die ingrepen, waarvoor uitstel van het verbod wordt
   aanbevolen, eenmalig verlengd moet worden met vijf jaar.
4. tenminste eenmaal per jaar de stand van zaken en de voortgang geëvalueerd moet worden
   door betrokken organisaties (in elk geval bedrijfsleven en Dierenbescherming), bij
   voorkeur binnen RDA-verband.
5. de betrokken pluimveeorganisaties actief invloed moeten uitoefenen op hun buitenlandse
   afnemers ten behoeve van het Nederlandse standpunt.
6. de overheid en de maatschappelijke organisaties inspanningen dienen te verrichten op het
   gebied van Europese wetgeving en andere Europese maatregelen.
Uitgaande van deze standpunten, heeft de Raad alle ingrepen die op grond van het
Ingrepenbesluit zijn aangewezen als niet-verboden ingrepen tot 1 september 2001 dan wel 1
september 2011 de revue laten passeren.
De Raad oordeelt als volgt:
1. Het leewieken van vogels, voorzover het vogels betreft die in een grote groep loslopend
     op de grond worden gehouden.
     Bij landbouwhuisdieren komt leewieken niet of nauwelijks meer voor. Voorzover
     leewieken nog wordt toegepast op voor de hobby gehouden vogels, vogels in parken, in
     kinderboerderijen en in dierentuinen, is wellicht kortwieken een goed alternatief. De Raad
     meent dat het Ingrepenbesluit niet gewijzigd moet worden.
2. Het verwijderen van een deel van de binnenste of de achterste tenen bij mannelijke
     kippen en mannelijke kalkoenen bestemd voor de fokkerij.
     Deze ingreep vindt niet plaats bij mannelijke kalkoenen, aangezien daar KI wordt
     toegepast. Bij fok- en vermeerderingshanen van legkippenrassen kan een verbod tot het
     uitvoeren van deze ingreep ingaan per 1 september 2001.
     Deze ingreep vindt plaats bij fok- en vermeerderingshanen van vleeskuikenrassen. Indien
     de ingreep achterwege wordt gelaten, worden bij de hennen ernstige beschadigingen
     toegebracht bij het treden door de hanen.
     De Raad oordeelt dat de welzijnsaantasting ten gevolge van het uitvoeren van de ingreep
     is “te verkiezen” boven de welzijnsaantasting van de hennen ingeval van een feitelijke
     verbod, mits:
     - de ingreep beperkt wordt tot uitsluitend de achterste teen;
00rd332/19-12-00
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>                                                3
    - de ingreep binnen 24 uur na het uitkomen wordt uitgevoerd; en
    - de ingreep beperkt blijft tot fok- en vermeerderingshanen van vleeskuikenrassen.
    De Raad meent dat het zinvol is om te onderzoeken of het om welzijnsredenen gewenst
    en technisch uitvoerbaar is de ingreep te beperken tot het laatste kootje of de nagel van de
    achterste teen.
3. Het verwijderen van sporen bij mannelijke kippen bestemd voor de fokkerij.
    De Raad is van oordeel dat het om redenen van welzijn van de dieren (de hennen krijgen
    ernstige beschadigingen door het treden door de hanen indien de sporen niet zijn
    verwijderd) wenselijk is deze ingreep nog toe te staan, echter uitsluitend voor fok- en
    vermeerderingshanen van vleeskuikenrassen. De ingreep betreft het verwijderen van de
    gehele spoor, dus niet slechts het hoornachtige gedeelte. Indien alleen het hoornachtige
    gedeelte verwijderd wordt groeit de spoor weer aan. Het herhaald knippen is
    welzijnsbelastend voor de hanen en niet zonder risico voor de pluimveehouder.
4. Het aanbrengen van een gladde roestvrijstalen neusring bij varkens die in de buitenlucht
    op zachte gronden gehouden worden.
    Deze ingreep komt alleen voor bij de scharrelvarkenshouderij en de biologische
    varkenshouderij. Voor beide sectoren van de varkenshouderij geldt dat het feitelijk van
    kracht worden van het verbod op de ingreep per 1 september 2001 aanvaardbaar is.
    Van de zijde van de scharrelhouderij is gewezen op de noodzaak om een neusring aan te
    brengen bij agressieve zeugen. Aangenomen wordt dat dat in dat geval op veterinaire
    indicatie toegestaan kan worden.
5. Het ter voorkoming van melkzuigen aanbrengen van een gladde roestvrijstalen neusring
    bij runderen.
    De Raad is van oordeel dat zonder (grote) problemen het verbod tot het verrichten van
    deze ingreep in werking kan treden.
6. Het verwijderen van een deel van de staart bij schapen.
    Het couperen van staarten is in een groot deel van de schapenhouderij usance. Bij
    bepaalde rassen worden per definitie de staarten verwijderd. Van de zijde van de
    schapensector wordt gewezen op de veterinaire risico’s indien de staart niet gecoupeerd
    wordt (bevuild achterstel, myasis). Ook wordt gemeld dat de aanwezigheid van staarten
    bij ooien van sommige rassen als een wezenlijke belemmering voor het dekken wordt
    beschouwd (hiernaar wordt door de schapensector zelf onderzoek gedaan). De Raad is,
    mede op grond van hetgeen door de schapensector is ingebracht en voorgesteld, van
    oordeel dat er onvoldoende harde gegevens beschikbaar zijn om te adviseren het
    Ingrepenbesluit op dit punt te wijzigen. Op het moment dat uit onderzoek zou blijken dat
    er wel grote problemen ontstaan, acht de Raad het noodzakelijk om te bekijken of deze
    ingreep moet worden toegestaan.
7. Het verwijderen van een deel van de staart bij honden tot de leeftijd van vier dagen.
    Vanuit de organisaties op het gebied van de gezelschapsdieren zijn geen bezwaren
    vernomen tegen het van kracht worden van het verbod tot het uitvoeren van de ingreep.
    De Raad meent dat er geen zwaarwegende redenen zijn om het Ingrepenbesluit terzake te
    wijzigen.
00rd332/19-12-00
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>                                                 4
8. Het brandmerken van paarden.
    Voor paarden wordt een algehele Identificatie en Registratie ingevoerd. Zodra de algehele
    I&R-regeling is ingevoerd, is het verbod om paarden te brandmerken geen probleem
    meer. Invoering van de I&R-regeling vóór 1 september 2001 wordt nagestreefd.
9. Het aanbrengen van meer dan twee ingrepen ter identificatie van een dier.
    Zowel in de rundersector (melkvee) als in de varkenssector (fokvarkens) worden
    meerdere ingrepen ter identificatie van de dieren aangebracht.
    In de melkveehouderij wordt identificatie in de vorm van vriesbranden toegepast als
    managementmiddel, naast de twee oormerken waartoe de Europese I&R-regeling
    verplicht. Na 1 september 2001 is dit niet meer toegestaan. Verwacht wordt dat op de wat
    langere termijn een systeem van elektronische identificatie zal worden ingevoerd in de
    rundveehouderij. Dan kunnen de beide oormerken verdwijnen en is het vriesbranden niet
    een verboden ingreep. Door LTO is inmiddels ingezet op nader onderzoek naar mogelijke
    alternatieven. De Raad beveelt aan om nog vijf jaar naast de verplichte twee oormerken in
    de rundveehouderij als derde identificatie-ingreep vriesbranden toe te staan.
    Ook voor fokvarkens zullen zich problemen voordoen. Volgens de I&R-verordering
    varkens is het aanbrengen van een gebruiksmerk bij gespeende biggen en een slachtmerk
    voor afvoer naar slacht verplicht. De verordening is gebaseerd op een Europese richtlijn
    ter identificatie van dieren (92/102). Identificatie van varkens vindt plaats op
    bedrijfsniveau (UBN). Daarnaast worden fokvarkens getatoeëerd voor unieke identificatie
    op dierniveau in het stamboek. Deze individuele dieridentificatie is nodig voor
    inschrijving in het afstammingsregister dat (erkende) fokkerijgroeperingen/stamboeken
    moeten bijhouden.
    Het blikken van biggen op jonge leeftijd (vlak na geboorte, ver voor het spenen) vormt
    geen alternatief vanwege de relatief grote gebruiksmerken (zwaar) en het hoge
    verliespercentage (uitscheuren) dat daarmee gepaard gaat. Verkleinen van het blik is
    eveneens geen alternatief, omdat bij het ouder worden van de dieren het blik zal uitvallen.
    Immers, bij de groei van de biggen naar volwassen dieren wordt ook het gat in het oor,
    veroorzaakt door het merken, groter.
    Een combinatie van het bedrijfsnummer en individueel diernummer als tatoeage
    aanbrengen vraagt (te) veel posities. Daarnaast zal voor die fokdieren die later de
    bestemming vleesvarken (uitgeselecteerd) hebben en fokvarkens met bestemming export
    alsnog het I&R-gebruiksmerk moeten worden ingebracht. Het aanbrengen van een
    gebruiksmerk is tevens verplicht bij het onleesbaar worden van de tatoeage.
    De Raad stelt voor toe te staan: 3 ingrepen voor fokvarkens ter identificatie.
    Net als in de rundersector worden ook in de varkenssector proeven gedaan met
    transponders in oormerken. De inschatting voor de langere termijn is dat deze vorm van
    identificatie - gedeeltelijk - kan worden ingevoerd in Nederland. Dit kan als consequentie
    hebben dat het slachtmerk voor afvoer naar slacht niet langer hoeft te worden gebruikt,
    omdat het transponderdeel in het gebruiksoormerk slachthuisbestendig is, in tegenstelling
    tot het gebruiksmerk zelf. Dit heeft als consequentie dat met slechts één ingreep ter
    identificatie voor (fok)varkens kan worden volstaan. In deze geschetste situatie is het
    gebruik van de tatoeage bij jonge fokdieren de tweede ingreep.
    Import:
    Deze fokvarkens zijn in het land van herkomst voorzien van identificatie (tatoeage). Voor
    verdere registratie in Nederland (en eventuele tracering ten behoeve van dierziekten) is
    deze identificatie voor I&R-doeleinden veelal niet bruikbaar, hetgeen “opgelost” wordt
    door het aanbrengen van een Nederlands gebruiksmerk. Dit voorkomt tevens dat volgens
00rd332/19-12-00
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>                                                5
    de I&R-verordering niet-geïdentificeerde dieren in Nederland aanwezig kunnen zijn.
    Immers, ieder varken moet voorzien zijn van een gebruiksmerk. Bij afvoer naar slacht
    volgt een derde ingreep ter identificatie.
    Het voorstel van de Raad is om voor geïmporteerde fokvarkens slechts twee ingrepen in
    Nederland ter Nederlandse identificatie toe te staan.
    Indien bij andere diersoorten dan runderen en varkens ook een wettelijke verplichting
    wordt opgelegd om twee oormerken aan te brengen, moeten de consequenties daarvan
    goed bekeken worden.
10. Het verkorten van de boven- en ondersnavel van kippen en kalkoenen.
    Voor een aantal vormen van kippenhouderij en voor de gehele kalkoenhouderij is naar het
    oordeel van de Raad de aantasting van het welzijn van de dieren als gevolg van het niet
    mogen verkorten van de boven- en ondersnavel (leidend tot pikkerij en kannibalisme)
    ernstiger dan de welzijnsaantasting veroorzaakt door deze ingreep. De ingreep dient wel
    op de minst welzijnsbelastende wijze te worden uitgevoerd, rekening houdend met de
    leeftijd waarop de ingreep plaatsvindt en de methode. De vormen van houderij waar de
    ingreep nog uitgevoerd zou moeten kunnen worden zijn samen te vatten in
    grondhuisvestingssystemen. In deze relatief welzijnsvriendelijke huisvestingssystemen
    komt pikkerij en kannibalisme op grote schaal voor indien geen snavelbehandeling is
    toegepast.
    Voor dieren, gehouden in legbatterijen en verrijkte kooien, dient naar het oordeel van de
    Raad de ingreep overeenkomstig het bepaalde in het Ingrepenbesluit verboden te worden.
    De risico’s van pikkerij en kannibalisme zijn daar kleiner. De dieren zitten in kleine
    groepen, hetgeen snelle en grote verspreiding van pikkerij en kannibalisme beperkt en
    escalatie is eenvoudiger met managementmaatregelen zoals verlichting te remmen.
11. Het verwijderen van de kammen bij mannelijke kippen.
    Het verwijderen van de kammen van hanen voor (bruine en witte) legkippen is
    wereldwijd een standaardprocedure. Het gebeurt in alle gevallen door bij pas uitgekomen
    kuikens met een schaartje de nog zeer kleine kam grotendeels te verwijderen. Hierbij
    treedt geen zichtbare bloeding op. De ingreep voorkomt het volledig uitgroeien van de
    kam op latere leeftijd. Er treedt nog wel een geringe groei van de kam op.
    Er zijn twee redenen waarom deze ingreep wordt uitgevoerd:
    1. Het voorkomen van ernstige hinder en zware verwondingen op volwassen leeftijd bij
        onbehandelde hanen. Volwassen hanen lopen ernstige beschadigingen aan de kam op
        en kunnen niet drinken uit drinknippels. De kammen van de witte leghorn-hanen
        worden zelfs zo zwaar, dat ze de hanen ernstig hinderen in hun normale gedrag. Grote
        kammen, zeker als ze beschadigd zijn, zijn een gewild object voor pikkerij en
        kannibalisme. Hanen met een grote kam overleven vaak zelfs niet.
    2. Het op latere leeftijd onderscheid kunnen maken tussen hanen van lijnen die als vader
        worden ingezet en overige hanen die vanwege fouten bij het sexen ten onrechte als hen
        zijn aangezien.
     Het kunnen onderscheiden van sexfouten is op alle niveaus van fokkerij en
     vermeerdering een voorwaarde voor het fokzuiver houden van de gebruikte lijnen en
     kruisingen.
     Het niet fokzuiver houden van de vermeerderingsdieren zou tot gevolg hebben dat een
     deel van de uiteindelijke leghennen meer ingeteeld is, maar - wat ernstiger is - dat bij een
     significant percentage van de leghennen het geslacht bij uitkomst niet meer correct aan de
     bevedering kan worden vastgesteld. Dit zogenoemde veersexen is slechts mogelijk als
00rd332/19-12-00
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>                                                6
     zeer specifieke kruisingen tussen volledig zuiver gefokte lijnen worden uitgevoerd. Als
     de sexfouten op vermeerderingsniveau niet zouden worden verwijderd, zouden op het
     niveau van de leghennen in Nederland naar schatting meer dan een miljoen hanen moeten
     worden afgemaakt, omdat zij na het uitkomen ten onrechte voor hen zijn aangezien. Dit
     aantal ligt voor nafok van uit Nederland afgeleverd fokmateriaal nog hoger.
     De Raad beveelt aan om de ingreep nog toe te staan voor fok- en vermeerderingshanen
     van legrassen. Inwerkingtreden van het verbod om deze ingreep uit te voeren bij fok- en
     vermeerderingshanen van vleeskuikenrassen ontmoet geen bezwaren.
     Om het bezwaar op te heffen, dat hanen met kammen niet gebruik kunnen maken van
     drinknippels, verdient het aanbeveling om aanpassingen van deze drinkvoorziening in het
     onderzoek mee te nemen.
12. Het verwijderen van de neuslellen bij kalkoenen.
    Deze ingreep vindt niet plaats. Het van kracht worden van het verbod stuit derhalve op
    geen enkel probleem.
13. Het aanbrengen van een neuskapje bij fazanten.
    Het van kracht worden van het verbod van deze ingreep levert geen probleem op. De
    ingreep werd toegepast op fazanten die gehouden werden om uitgezet te worden ten
    behoeve van de jacht. Deze jachtvorm is verboden.
De Raad is, zoals hierboven aangegeven, van oordeel dat er voor een aantal ingrepen,
waarvoor het Ingrepenbesluit het verbod nog gedurende een beperkt aantal jaren "uitstelde",
geen of onvoldoende zwaarwegende redenen zijn om verder uitstel aan te bevelen.
Voor enkele andere ingrepen geldt dat de Raad aanbeveelt om de regelgeving zodanig te
wijzigen dat de desbetreffende ingreep onder nader te stellen regelen nog niet feitelijk
verboden wordt. Tot deze aanbeveling komt de Raad, omdat zij van oordeel is dat anders
sprake zou zijn van "het middel is ernstiger dan de kwaal". Aantasting van het welzijn van de
dieren ingeval van het desbetreffende feitelijke verbod wordt ernstiger beoordeeld, dan de
aantasting van het welzijn ingeval van continueren onder voorwaarden.
Daarnaast spelen ook economische argumenten een rol. Met name de Nederlandse
pluimveefokbedrijven zijn (voor een groot deel) afhankelijk van de buitenlandse vraag.
Verbod op het uitvoeren van ingrepen die de buitenlandse afnemers wel verlangen, betekent
volgens de betrokken sector het einde van haar bestaan in ons land. De Raad vreest dat in dat
geval de infrastructuur voor een meer welzijnsvriendelijke houderij in ons land verdwijnt.
Den Haag, 19 december 2000
00rd332/19-12-00
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Bijlage 1
Ingrepenbesluit
Voor een aantal verboden ingrepen is in artikel 4 van het Ingrepenbesluit bepaald dat zij als
niet-verboden ingrepen zijn aangemerkt voor de duur van een tijdvak van vijf jaar vanaf het
tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit (1 september 1996), derhalve tot 1 september
2001:
1. het leewieken van vogels, voorzover het vogels betreft die in een grote groep loslopend
     op de grond worden gehouden;
2. het verwijderen van een deel van de binnenste of de achterste tenen bij mannelijke kippen
     en mannelijke kalkoenen bestemd voor de fokkerij;
3. het verwijderen van sporen bij mannelijke kippen bestemd voor de fokkerij;
4. het aanbrengen van een gladde roestvrijstalen neusring bij varkens die in de buitenlucht
     op zachte gronden gehouden worden;
5. het ter voorkoming van melkzuigen aanbrengen van een gladde roestvrijstalen neusring
     bij runderen;
6. het verwijderen van een deel van de staart bij schapen;
7. het verwijderen van een deel van de staart bij honden tot de leeftijd van vier dagen;
8. het brandmerken van paarden;
9. het aanbrengen van meer dan twee ingrepen ter identificatie van een dier.
Voor de volgende ingrepen geldt ook een overgangstermijn van vijf jaar, maar deze is
verlengd tot vijftien jaar, voor zover deze ingrepen worden verricht bij dieren die worden
gehouden in een huisvestingssysteem waarvan de gebruiker kan aantonen dat het op 1
september 2001 reeds bestond en nadien niet is herbouwd of verbouwd:
10. het verkorten van de boven- en ondersnavel van kippen en kalkoenen;
11. het verwijderen van de kammen bij mannelijke kippen;
12. het verwijderen van de neuslellen bij kalkoenen;
13. het aanbrengen van een neuskapje bij fazanten.
00rd332/19-12-00
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>Bijlage 2
Samenstelling Werkgroep Ingrepenbesluit
De Werkgroep Ingrepenbesluit bestond uit:
Ir. H. Bekman, Productschappen Vee, Vlees en Eieren (PVE)
Dr. H.J. Blokhuis, Instituut voor Dierhouderij en Diergezondheid (ID-Lelystad)
Drs. W.G. van de Fliert, Land- en Tuinbouw Organisatie (LTO)
Mw.Ir. M. de Jong, Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren
Dr.Ir. M. Kool, Ministerie van LNV, Directie Landbouw
Ing. A. May, Nederlandse Organisatie van Pluimveehouders (NOP)
Mr. H.G. van Waveren, Raad voor dierenaangelegenheden (voorzitter)
00rd332/19-12-00
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>