<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Op verzoek van de Afdeling welzijnsvraagstukken is de Werkgroep minimum welzijnseisen
bestrijdingscampagnes ingesteld (voor samenstelling zie bijlage 1). Taak van deze Werkgroep
was zich te buigen over de vraag welke minimale welzijnseisen vastgesteld kunnen worden die
tijdens bestrijdingscampagnes van bepaalde ziekten (varkenspest en mond- en klauwzeer) voor
de dieren gehandhaafd moeten worden. De taak was met andere woorden of normen kunnen
worden vastgesteld voor de maximaal te tolereren aantasting van dierenwelzijn bij
bestrijdingscampagnes. Gebleken is dat tijdens de bestrijding van dierziekten sommige dieren
in de knel komen en dat niet altijd snel genoeg wordt opgetreden.
Met betrekking tot deze vraag heeft de Werkgroep gemeend het welzijn aan de hand van de
volgende criteria te moeten beoordelen:
1. Beschikbare hokoppervlakte gerelateerd aan het gewicht van de dieren
2. Mogelijkheid tot het creëren van alternatieve huisvesting
3. Agressiviteit tussen de dieren onderling, gedragskenmerken, beschadigingen/gezondheid.
De Werkgroep doet met betrekking tot de hierna genoemde groepen dieren de volgende
aanbevelingen.
1. Vleeskalveren
De Werkgroep meent dat binnen deze groep gehouden dieren onderscheid dient te worden
gemaakt tussen individueel en in groepen gehouden kalveren. In de regel betekent het bereiken
van het eindgewicht (rond 240 kilogram) afvoer van het bedrijf om de dieren te laten slachten.
Indien dat bij de individueel gehouden dieren niet mogelijk is, kunnen vrij snel
welzijnsproblemen (niet meer kunnen liggen, problemen met de voeding en beengebreken)
ontstaan. De Werkgroep meent derhalve dat deze dieren dan ook bij het bereiken van dat
eindgewicht afgevoerd dienen te worden op grond van het feit dat dan een onaanvaardbare
welzijnsaantasting op gaat treden. De in het Kalverbesluit genoemde hokoppervlakten laten het
niet toe dat de dieren langer worden aangehouden.
Met betrekking tot de in groepen gehuisveste kalveren bestaat er iets meer speling omdat de
dieren daarbij gebruik kunnen maken van “elkaars ruimte”. De Werkgroep is van mening dat
deze dieren in het uiterste geval tot maximaal één maand (30 dagen) na het bereiken van dat
eindgewicht aangehouden kunnen worden. Daarna moeten ze onverwijld om welzijnsredenen
worden afgevoerd. In die maand dient nauwkeurig bekeken te worden of er geen ernstige
uitwendige beschadigingen bij de dieren optreden. Daarbij moet gedacht worden aan wonden,
littekens, zwellingen, kreupelheden, conditie van het haarkleed en eventuele andere
bevindingen. Indien sprake is van ernstige uitwendige beschadigingen dienen de kalveren
binnen drie dagen te worden afgevoerd. Om de groei in die maand te temporiseren is het
gewenst dat de dieren ruwvoer wordt verstrekt. Daarmee kan de groei vertraagd en de
verveling tegengegaan worden.
00rd321/14-11-00
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>                                                 2
2. Vleestieren
De Werkgroep is van mening dat de vleesstieren op een zodanige manier worden gehuisvest
dat er niet snel welzijnsproblemen zullen ontstaan indien de dieren niet aan het eind van de
afmestperiode afgevoerd kunnen worden. De hokcapaciteit is in de regel voldoende om die
problemen te voorkomen. Waarschijnlijk zijn er ook alternatieven voor het afvoeren van de
gehele groep, namelijk enkele dieren uit de groep halen en die elders huisvesten of ter
destructie afvoeren zodat voor de overige dieren meer ruimte ontstaat. Waar wel nadrukkelijk
naar gekeken dient te worden zijn uiterlijke beschadigingen. De dieren dienen gecontroleerd te
worden op verwondingen (met name aan de staart), littekens, zwellingen, kreupelheden en
verdikkingen van de kniegewrichten. Dieren waarbij deze uiterlijke beschadigingen
voorkomen, dienen binnen drie dagen te worden afgevoerd.
3. Melkgevend vee
De Werkgroep is van mening dat geen welzijnsproblemen te verwachten zijn indien de dieren
enige tijd niet naar buiten mogen of niet verplaatst mogen worden. Eventuele moeilijkheden
kunnen wel verwacht worden bij dieren die uitgeschaard zijn. Deze dieren mogen bij een
uitbraak bij MKZ echter niet meer worden vervoerd én moeten naar binnen. Aan beide
voorwaarden zal echter lang niet altijd voldaan kunnen worden. Deze dieren zullen derhalve op
grond van wettelijke vereisten als eerste worden afgevoerd.
4. Nuchtere kalveren
De Werkgroep is van mening dat geen welzijnsproblemen te verwachten zijn indien de dieren
enige tijd niet naar buiten mogen of niet verplaatst mogen worden. Binnen het bedrijf zal het
vrijwel altijd mogelijk zijn een opvang te creëren.
5. Schapen
Bij met name die bedrijven die veel schapen hebben, kan de hokcapaciteit tijdens de
lammerperiode een groot probleem worden. De Werkgroep meent dat in een dergelijke periode
onderscheid gemaakt dient te worden tussen geschoren en niet-geschoren schapen.
De minimale eisen zijn:
Voor een geschoren schaap en twee lammeren een hokoppervlakte van 1,5 m2 en
een ongeschoren schaap en twee lammeren een hokoppervlakte van 2 m2.
Buiten een lammerperiode heeft een schaap een minimale hokoppervlakte nodig van 1 m2.
Als de lammeren tussen de twee en de vijf maanden oud zijn tellen twee lammeren samen voor
één schaap. Vanaf een leeftijd van vijf maanden telt één lam als één schaap.
Indien deze minimale hokoppervlakten door de schapenhouder niet gerealiseerd kunnen
worden ontstaan ernstige aantastingen van het welzijn van de dieren en dienen deze te worden
afgevoerd.
Verder dient rekening te worden gehouden met de lengte van de voederbak. Deze moet zo lang
zijn dat alle schapen op gezette tijden rustig kunnen eten.
6. Geiten
Ook hier worden met name problemen verwacht tijdens de lammerperiode, omdat normaal
gesproken de bokjes en de geitjes worden afgevoerd, terwijl ze nu moeten worden
aangehouden. De hokcapaciteit kan daardoor in het gedrang komen.
Tot een leeftijd van vijf maanden is een hokoppervlakte vereist van minimaal 0,5 m2 per dier.
Tussen de vijf en de twaalf maanden is een hokoppervlakte vereist van minimaal 0,75 m2 per
dier.
00rd321/14-11-00
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>                                                 3
Indien deze minimale hokoppervlakten door de geitenhouder niet gerealiseerd kunnen worden
ontstaan ernstige aantastingen van het welzijn van de dieren en dienen deze te worden
afgevoerd.
7. Vleesvarkens
Vanuit de ervaring die is opgedaan tijdens de bestrijding van de varkenspest die is uitgebroken
op 4 februari 1997 in Oost-Brabant is gebleken dat een bezetting van 1,5 maal de toegestane
bezetting volgens de normen van het Varkensbesluit 1994 nog net acceptabel is. Dit betekent
dat de beschikbare vloeroppervlakte voor de volgende categorieën vleesvarkens tenminste
bedraagt:
a. tot 45 kg: 0,30 m2
b. van 45 tot 75 kg: 0,5 m2
c. van 75 tot 110 kg: 0,6 m2
d. meer dan 110 kg: 0,7 m2
Als de bezetting nog groter wordt ontstaat een zeer urgente situatie waarbij de dieren
afgevoerd dienen te worden.
Hierbij moet ook gesteld worden dat er eerder moet worden ingegrepen indien er sprake is van
agressiviteit tussen de dieren onderling. Dit geldt voor alle genoemde diergroepen. Dit
probleem kan met name spelen bij dieren die biologisch/ecologisch gehouden worden en niet
gewend zijn aan de omstandigheden zoals die gelden voor varkens gehouden onder gangbare
omstandigheden. Er dient vooral gelet te worden op wonden, krassen, zwellingen,
kreupelheden, staart- en oorbijten.
8. Fokvarkens
A. Hoogdrachtige zeugen
   Hierbij zullen in de regel geen problemen ontstaan, behalve bij die bedrijven die
   hoogdrachtige zeugen afvoeren naar andere bedrijven, om daar de biggen te werpen. Die
   bedrijven hebben zelf geen enkele mogelijkheid om de zeugen te laten afbiggen. De enige
   mogelijkheid daar is om de hoogdrachtige zeug over te nemen ter doding/destructie. Dat
   verdient de voorkeur boven het laten afbiggen van de zeug en vervolgens de biggen over te
   nemen.
B. Dragende gelten
   Hiervoor geldt hetzelfde als bij hoogdrachtige zeugen, hoewel hier tot een bepaalde tijd (tot
   33 dagen dracht) de mogelijkheid bestaat om te aborteren.
   Ook hierbij is weer van belang te letten op de agressiviteit tussen de dieren onderling.
   Verder is het van belang dat gelten nog groeien. Daarvoor moeten de normen van de
   vleesvarkens (zie boven) worden gehanteerd.
C. Dekrijpe dieren
   In de regel zullen bij deze dieren bij een vervoersverbod geen problemen ontstaan. De
   dieren groeien niet meer. Wel is het van belang een fokverbod in te stellen voor deze
   dieren.
D. Dekberen
   Bij deze dieren zijn geen problemen te verwachten indien ze niet vervoerd mogen worden.
00rd321/14-11-00
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>                                             4
Bijlage 1
Samenstelling Werkgroep minimum welzijnseisen bestrijdingscampagnes:
Mw.Ir. M. de Jong, Dierenbescherming
Mr.Drs. H. Lommers, Raad voor dierenaangelegenheden (voorzitter)
Ir. G.F.V. van der Peet, Expertise Centrum LNV
Dr. W.G.P. Schouten, Wageningen Universiteit, Leerst. Veehouderij
J. Slingerland, rundveehouder
Drs. E. van der Sommen, Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees
Prof.Dr.Ir. M.J.M. Tielen,Gezondheidsdienst/Faculteit Diergeneeskunde
00rd321/14-11-00
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>