<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                                                         1
Het maatregelenpakket Mond- en Klauwzeer, dat de Directeur VVM bij schrijven van
6 januari 2000 (kenmerk VVM/00.49/JB) voor overleg en commentaar aan de Raad voor
dierenaangelegenheden heeft toegezonden.
Betreffende dit maatregelenpakket kan de Raad voor dierenaangelegenheden u het volgende mededelen.
Allereerst merkt de Raad op dat hij het uitgangspunt van het maatregelenpakket onderschrijft, namelijk dat in de
eerste 72 uur alles op alles gezet dient te worden om de ziekte de baas te worden. In die 72 uur zal alles gedaan
moeten worden om zoveel mogelijk informatie op tafel te krijgen. Daartoe dient naar de mening van de Raad in
het draaiboek met grote precisie te worden vastgelegd door wie en op welk moment welke informatie wordt
verzameld, welke besluiten moeten worden genomen, etc. Ook niet-overheidsorganisaties zullen draaiboeken
moeten ontwikkelen voor die eerste 72 uur (KNMvD, GD, bedrijfsleven) en die verschillende draaiboeken
zullen op elkaar moeten zijn afgestemd. Hier ligt een mooie taak voor de aan te stellen kwaliteitsmanager,
waarover de Raad al in een eerdere notitie aanbevelingen deed.1
De Raad is een groot voorstander van een absolute stand-still voor alle dierenvervoer in Nederland gedurende de
eerste 72 uur. Er mag gedurende die periode geen enkel risico worden gelopen en er moeten geen
ontsnappingsmogelijkheden worden toegelaten. In principe moet alle vervoer van en naar de boerderij worden
stilgelegd, inclusief dat van veevoer [een voervoorraad van drie dagen zou verplicht aanwezig moeten zijn] en
destructiemateriaal. Gedurende die periode kunnen adequate maatregelen worden genomen voor de komende
periode. Anderzijds heeft de Raad begrip voor de problematiek van de pluimveehouderij, wanneer niet meer kan
worden afgevoerd naar de slachterij en geen aanvoer uit het buitenland kan plaatsvinden. De stand-still zal een
grote inbreuk maken op de productie in de hele keten. In Bijlage 2 van het maatregelenpakket (versie 22 april
1999) wordt vervoer van pluimvee naar het slachthuis buiten het 10-km gebied dan ook toegestaan, evenals het
vervoer van eendagskuikens van broederij naar bedrijf. De Raad zou in principe de absolute stand-still willen
handhaven, maar kan zich voorstellen dat de RVV in bijzondere gevallen een uitzondering kan maken onder
zeer strikte voorwaarden. Deze voorwaarden zouden bijvoorbeeld kunnen omvatten dat het transport 24 uur
tevoren wordt aangemeld. De Raad dringt er op aan dat in het draaiboek strikte protocollen worden opgenomen
betreffende deze uitzonderingsgevallen.
De KNMvD heeft zich uitgesproken voor het verplicht stellen van het aborteren van zeugen die zich in het
eerste derde deel van de dracht bevinden, op het moment dat een fokverbod en de zeer-jonge-biggen maatregel
van kracht worden. De Raad ondersteunt dit voorstel, dat er toe zal leiden dat het massaal doden van jonge
biggen zo spoedig mogelijk kan worden beeindigd. De maatregel vormt geen belastende ingreep voor zeug of
vrucht en onderzoek heeft uitgewezen dat de ingreep niet leidt tot een verstoring van de vruchtbaarheid.
Alhoewel dit niet wetenschappelijk onderbouwd kan worden, neemt de Raad aan dat het aborteren minder
maatschappelijke weerstand zal oproepen dan het euthanaseren van de jonge biggen, mits aan deze maatregel de
nodige aandacht wordt besteed in het communicatietraject dat in het maatregelenpakket wordt genoemd.. De
maatregel zal inderdaad beperkt moeten worden tot het eerste derde deel van de dracht, omdat daarná een
grotere mate van welzijnsaantasting van de zeug optreedt en bovendien de effectiviteit van de maatregel afneemt
(er blijven biggen “zitten”).
De voorgestelde maatregel roept nog wel een aantal vragen op die een nadere overweging behoeven. De
handeling moet volgens de geldende regelgeving worden uitgevoerd “op voorschrift van de dierenarts”. Als de
veehouder echter de handeling uitvoert, ontstaan controle-technische problemen! Is de handeling uitgevoerd? Is
1
  Notitie van de RDA dd 21 december 1999 betreffende het LNV-draaiboek Klassieke Varkenspest.
00rd51/27-04-00
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>                                                            2
de zeug al dan niet terecht behandeld? Het lijkt dan ook aan te bevelen de dierenarts er zoveel mogelijk bij te
betrekken. Er zal ook nagedacht moeten worden over de afvoer van de geaborteerde vruchten; deze komen
verspreid in de tijd te voorschijn. En voorts zal moeten worden nagegaan of Brussel bereid is in deze maatregel
mee te gaan.
Naar de mening van de raad kan de maatregel beperkt worden tot de zeugen en hoeft zij zich niet uit te strekken
tot koeien.
Op pagina 8 wordt in de tweede alinea gemeld dat tot noodvaccinatie zal worden overgegaan indien de situatie
uit de hand dreigt te lopen. In een eerdere notitie heeft de Raad reeds uitgesproken dat in het draaiboek heel
nauwkeurig de condities zullen moeten worden gespecificeerd, waarin tot noodvaccinatie wordt besloten.2 De
Raad dringt er dan ook opnieuw op aan om zich in “vredestijd” uitvoeriger en nauwkeuriger omtrent de criteria
voor het overgaan tot noodvaccinatie te beraden en de uitkomsten van dit beraad zorgvuldig in het draaiboek
vast te leggen.
De Raad heeft overwogen of de straal van 1 km rond het besmette bedrijf, waarbinnen preventief wordt
geruimd, vergroot zou moeten worden. Hij is echter geen voorstander van het “leegrijden” van een groter
gebied. Als bezwaren werden naar voren gebracht, dat er geen Brusselse vergoedingsregeling voor is, dat het
niet leidt tot een grotere veiligheid (dit is weliswaar alleen berekend voor KVP, maar is eveneens aannemelijk
voor MKZ) en dat een cirkel eigenlijk niet een relevant gebied vormt als rekening gehouden moet worden met
“pluimen” en windrichting.
De Raad constateert dat bij alle grootschalige uitbraken de destructiecapaciteit een belangrijke bottle-neck zal
blijken te zijn. Hij wil er dan ook nogmaals op aandringen dat hieromtrent afspraken worden gemaakt met de
buurlanden. Desnoods kan gegarandeerd worden dat alleen niet-verdachte dieren naar de buurlanden voor
destructie worden afgevoerd. Ook acht de Raad het mogelijk in vredestijd hierover afspraken te maken met
Brussel.
De Raad meent dat, zowel bij ruimen als bij destructie, prioriteit moet worden gegeven aan de varkens, omdat
daar de besmettingsrisico’s groter zijn en capaciteitsproblemen eerder zullen optreden. Hetzelfde geldt trouwens
ook indien besloten zou worden tot het vergroten van het gebied van preventief ruimen, genoemd in de vorige
paragraaf.
De Raad heeft er met genoegen kennis van genomen dat op LNV een notitie is opgesteld over het omgaan met
dieren die ten tijde van een uitbraak niet op de huiskavel staan. Het is dringend nodig desbetreffende
maatregelen in het draaiboek op te nemen. De Raad hoopt bij de verdere uitwerking van deze maatregelen
alsnog te worden betrokken. In het algemeen moeten deze dieren zo snel mogelijk onderdak worden gebracht,
omdat het gevaar bestaat van contact met reeën, die ziekteverwekkers met grote snelheid over grote afstanden
kunnen verplaatsen en die zich makkelijk mengen tussen groepen gevoelige dieren. Voor de dieren die in dit
kader gedestrueerd moeten worden (onderweg, op veemarkten, op verzamelplaatsen, binnen het 10-km gebied),
zal een vergoedingsregeling gemaakt en tevoren duidelijk bekend gemaakt moeten worden.
De Raad stemt eveneens in met het besluit van LNV om dieren in natuurgebieden, dierentuinen en safariparken
niet vrij te stellen van noodvaccinatie. De Raad zou hetzelfde willen bepleiten voor een zo groot mogelijk deel
van de hobbydieren.
De Raad wil zich nader beraden over de vraag of minimum welzijnseisen vastgesteld kunnen worden, die tijdens
bestrijdingscampagnes voor de betreffende dieren gehandhaaft moeten worden, oftewel of normen kunnen
worden vastgesteld voor maximaal te tolereren aantasting van dierenwelzijn. Dit zou bijvoorbeeld een steun in
de rug kunnen zijn voor een optredende Commissie van Toezicht. De Raad heeft een Werkgroep ingesteld om
zich hierover te buigen.
Voor het merken van gevaccineerde dieren, zoals voorgeschreven door de EU, zou de Raad zo nauw mogelijk
willen aansluiten bij bestaande, centrale, geautomatiseerde I&R systemen. Als merking van individuele dieren
vereist is, zou dit o.a. kunnen bestaan uit het verwijderen van een stukje uit de bestaande I&R- merktekens.
2
  Notitie van de RDA dd 24 juni 1997 betreffende de draaiboeken MKZ en NCD.
00rd51/27-04-00
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>                                                          3
In Brussel moet met kracht de discussie worden doorgezet over de afzet van vlees van gevaccineerde dieren. Bij
voorkeur zou dat ook moeten gebeuren met derde landen. Ook binnen Nederland blijkt het echter onmogelijk
vlees met een kruismerk af te zetten (ook al is er vrijwel geen vlees van ongeënte dieren verkrijgbaar!). De Raad
acht het niet onmogelijk dat in overleg met de retailers tot een oplossing kan worden gekomen. Uitgebreide
publieksvoorlichting is in dit verband minder belangrijk dan genoemd overleg met de retailers.
Aan de diagnostiek op het bedrijf dient in de nabije toekomst de grootst mogelijke aandacht te worden besteed.
Op dit moment kan een uitbraak al vier of vijf weken aan de gang zijn, alvorens de diagnose wordt gesteld.
Nieuwe methodieken moeten ontwikkeld worden om heel snel in het veld dierziekten te kunnen vaststellen. In
dit kader zou ook strikter de hand moeten worden gehouden aan de bestaande regelgeving waarmee een
praktikus, met de tuchtwet in de hand, uit zijn beroep kan worden gezet als hij onder deze omstandigheden
verkeerd handelt.
Uit het maatregelenpakket blijkt dat aan epidemiologen een belangrijke rol wordt toegekend, met name in de
besluitvorming in de eerste 72 uur. Naar de mening van de Raad dienen hierbij ook microbiologische
epidemiologen te worden betrokken en in het algemeen moeten er meer mensen bij worden betrokken die de
praktijk goed en van nabij kennen.
Den Haag, 25 april 2000
00rd51/27-04-00
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>