<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Het rapport "Evaluatie Besluit Biotechnologie bij Dieren" van november 1999 van het
Informatie- en Kennis-Centrum Landbouw (IKC-L) te Ede, dat de Directeur Veterinaire,
Voedings-, en Milieu-aangelegenheden bij schrijven van 6 december 1999 (kenmerk VVM
99.4486/SK) aan de Raad voor dierenaangelegenheden deed toekomen met het verzoek om
commentaar.
Omtrent dit evaluatierapport kan de Raad U het volgende mededelen.
De Raad is van oordeel, dat het Evaluatierapport gedegen informatie levert ten behoeve van
de discussie over de toelaatbaarheid (het rapport spreekt, naar de mening van de Raad ten
onrechte, over aanvaardbaarheid) van biotechnologische handelingen bij dieren. Hierbij dient
wel te worden aangetekend, dat de evaluatie met name betrekking heeft op de genetische
modificatie van dieren ten behoeve van onderzoek betreffende de gezondheid van de mens. De
reikwijdte van de conclusies is dan ook beperkt tot dit terrein van toepassing.
De Raad, zij het met uitzondering van de vertegenwoordigers van de Dierenbescherming, is
voorts van oordeel dat het Evaluatierapport door het IKC-L met de vereiste zorgvuldigheid en
objectiviteit is vervaardigd. Dit deel van de Raad komt op grond van de in het rapport
aangeleverde informatie tot de conclusie dat in ons land op zorgvuldige wijze met de
problematiek van biotechnologische handelingen bij dieren wordt omgegaan. In algemene zin
kan met alle hoofdconclusies van het rapport worden ingestemd.
De vertegenwoordigers van de Dierenbescherming menen, op grond van de ethische
afweging, zoals die binnen de Commissie Biotechnologie bij Dieren (CBD) plaatsvindt, dat er
geen sprake is van een "neen, tenzij"-beleid, maar van een "ja, mits"-beleid. Aangezien
duidelijke grenzen en wegingscriteria voor wat wel en wat niet toelaatbaar is ontbreken, is
volgens deze leden van de Raad slechts sprake van een persoonlijke afweging door de
verschillende CBD-leden en wordt niet duidelijk wat het oordeel is van de maatschappij. De
Dierenbescherming zou graag zien dat de CBD in sterkere mate de zorgen die met betrekking
tot biotechnologie bij dieren in de maatschappij leven in haar afwegingen betrekt.
De conclusie op pagina 21, tweede alinea, van het rapport, dat de meeste
onderzoeksinstellingen tekortschieten in de naleving van een aantal (voornamelijk
administratieve) voorschriften, die aan hun vergunning zijn verbonden, vervult de Raad met
zorg. Een dergelijke conclusie zou, naar de mening van de Raad, zeker ook in de
hoofdconclusies tot uiting moeten komen.
00rd19/09-02-00
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>                                                 2
Hoofdconclusie I, eerste gedachtenstreepje:
De Raad onderschrijft dat de morele positie van het dier ten opzichte van het
biotechnologische onderzoek in het kader van de volksgezondheid is verhelderd. Hieruit mag
echter niet geconcludeerd worden, dat over deze morele positie van het dier ook consensus
bestaat. Het evaluatierapport signaleert terecht dat de maatschappelijke organisaties een
andere visie op de morele positie van het dier hebben dan de CBD en LNV (pagina 23, vierde
alinea).
De Dierenbescherming constateert dat in alle geëvalueerde gevallen een mogelijk voordeel
voor de mens prevaleerde boven het zekere nadeel voor het dier. Volgens de
Dierenbescherming acht de CBD biotechnologische handelingen geboden als ze in het belang
van de mens zijn. Alleen als er volgens de CBD doorslaggevende ethische bezwaren zijn aan
de kant van het dier, kan van dit gebod worden afgeweken en wordt een negatief advies
gegeven, wat volgens de Dierenbescherming betekent dat de CBD feitelijk een "ja, mits"-
beleid toepast.
De Raad is van mening dat onvoldoende bekend is of en in hoeverre het betreffende
onderzoek reëel bijdraagt aan de verbetering van de volksgezondheid. Hij acht het daarom
wenselijk dat met enige regelmaat door de onderzoekers verslag wordt gedaan van de mate
waarin hun onderzoek dichter bij het beoogde doel is gekomen.
Hoofdconclusie I, tweede gedachtenstreepje:
Deze conclusie wordt door de Raad onderschreven, voorzover het althans ontwikkelingen
betreft die kenbaar worden uit de behandeling van de ingediende vergunningaanvragen.
Hoofdconclusie I, derde gedachtenstreepje:
Ook de Raad is van mening dat de ethische toetsing een meerwaarde heeft ten opzichte van
een toetsing op de gevolgen voor de gezondheid en het welzijn van de dieren. Aan de
conclusie, dat vergunningaanvragers en maatschappelijke organisaties verschillen over de
waarde die aan het resultaat van de ethische toetsing gehecht kan worden, wil de Raad
toevoegen dat beide actorgroepen ook een verschillend oordeel hebben over de wijze waarop
de ethische toetsing plaatsvindt en over de wijze waarop de toetsingscriteria worden
toegepast.
Hoofdconclusie II, eerste gedachtenstreepje:
De Raad onderschrijft de conclusie dat de procedure, gekozen in het Besluit biotechnologie
bij dieren, eraan heeft bijgedragen dat er inzicht is ontstaan in de toelaatbaarheid van
biotechnologische handelingen bij dieren op onderzoeksinstellingen in Nederland betreffende
ethische aspecten en gevolgen voor gezondheid en welzijn van de dieren. De
Dierenbescherming merkt echter op dat, evenals dit voor hoofdconclusie I, eerste
gedachtenstreepje geldt, het inzicht zich beperkt tot de opvattingen van de leden van de CBD
en geen inzicht geeft in de in de maatschappij levende opvattingen.
Hoofdconclusie II, tweede gedachtenstreepje:
00rd19/09-02-00
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>                                               3
De Raad is het eens met deze conclusie.
Hoofdconclusie II, derde gedachtenstreepje:
In deze door de Raad onderschreven conclusie wordt gesignaleerd dat de respons uit de
maatschappij niet ruim was. Een mogelijke verklaring hiervoor ligt volgens de Raad in het
technische, veelal complexe karakter van de vergunningaanvragen.
Hoofdconclusie III, eerste gedachtenstreepje:
De Raad deelt de conclusie dat de toetsing van de vergunningaanvragen nog niet heeft geleid
tot gegevens die het verbieden van biotechnologische handelingen op grond van artikel 68
GWWD noodzakelijk maken, zij het dat het juister is om hier te spreken over categorieën van
biotechnologische handelingen. Het rapport maakt immers op pagina 15 melding van de niet-
toelaatbaarheid van bepaalde transplantatie-experimenten bij runderen.
Hoofdconclusie III, tweede gedachtenstreepje:
De Raad, met uitzondering van de Dierenbescherming, is het eens met de conclusie dat de
toetsing van de vergunningaanvragen aanknopingspunten biedt voor ontheffing van de
vergunningplicht voor bepaalde typen of programma's van onderzoek, waarin
biotechnologische handelingen worden verricht in het kader van de volksgezondheid. Daarbij
denkt de Raad aan biomedisch onderzoek aan met name ratten en muizen en lagere
diersoorten als C. elegans en fruitvliegen.
De Dierenbescherming kan deze conclusie niet onderschrijven, zulks op grond van de
hierboven reeds naar voren gebrachte argumenten.
De Raad wil tenslotte nog op de volgende punten wijzen:
• In het rapport wordt nergens gesproken over de samenhang met andere relevante
   regelgeving en met de toetsing door DEC's en de COGEM. Betere onderlinge afstemming
   en meer integrale toetsing zijn volgens de Raad wenselijk en mogelijk.
• Het rapport geeft geen inzicht in de eventuele consequenties voor de positie van de
   industrie. Wat betekent de praktijk tot heden voor de toekomst van het Nederlandse
   bedrijfsleven?
• Het Ministerie heeft, na de geslaagde notificatieprocedure van artikel 66, lid 1, sub d
   GWWD, aangegeven dat een definitief besluit hieromtrent genomen zou worden na de
   evaluatie. Het evaluatierapport schenkt aan dit punt echter geen aandacht en biedt dus geen
   enkel handvat voor een dergelijk besluit.
Den Haag, 9 februari 2000
00rd19/09-02-00
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>