<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                                                1
Het beleidsvoornemen diervoeder, dat de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en
Visserij op 21 januari 2000 aan de Tweede Kamer heeft doen toekomen.
Omtrent dit beleidsvoornemen wenst de Raad voor dierenaangelegenheden het volgende op te
merken. De Raad heeft in zijn overleg over het beleidsvoornemen tevens het Advies van de
Commissie Risicovolle Voedermiddelen (“Voedermiddelen en risico’s voor de consument
van dierlijke producten”) van november 1999 betrokken.
De Raad is van mening dat het een goede zaak is dat de verschillende onderdelen van het
productieproces van diervoeders nader zijn onderzocht en dat er regels worden gesteld. Er
zijn grote risico’s gelopen en het is een goede zaak dat deze worden beperkt. In het Advies
wordt in de Inleiding gesteld dat “volstrekte betrouwbaarheid” van dierlijke produkten als
onderdeel van het voedselpakket noodzakelijk is. De Raad is van mening dat dit streven naar
volstrekte betrouwbaarheid te ver gaat. De inspanningen om tot een dergelijke volstrekte
betrouwbaarheid te komen zullen van een dergelijke omvang moeten zijn, dat zij onevenredig
veel kosten met zich mee zullen brengen, zo het überhaupt al lukt. Het leven kent grotere
risico’s dan degene die men hier wenst uit te sluiten.
Verder meent de Raad dat zowel het Beleidsvoornemen als het Advies sterk gericht zijn op
toxicologische zaken, d.w.z. op verontreinigingen van diervoeders met stoffen die “giftig”
zijn voor de betreffende dieren. Er is echter veel minder aandacht voor het feit dat diervoeder
ook verontreinigd kan zijn met infectieuze agentia, d.w.z. met stoffen die risicovol zijn voor
de consumerende mens. De Raad meent dat dergelijke “infectieuze” verontreinigingen ook
voldoende aandacht moeten krijgen en dat, via een borgingssysteem, zoveel mogelijk
voorkomen dient te worden dat ze in diervoeders terechtkomen. Vooral met betrekking tot
pluimveevoer blijkt dat bepaalde doelstellingen, om het voer bijvoorbeeld vrij te houden van
Salmonella en Campylobacter, niet gehaald worden. Enerzijds is de beheersing van de
grondstoffen onvoldoende en anderzijds laat de informatie-overdracht tussen de schakels in
de produktieketen van pluimveevoeders te wensen over.
Met betrekking tot de te nemen maatregelen meent de Raad dat deze bij voorkeur in Europees
verband genomen zouden moeten worden. Bij de te formuleren uitgangspunten voor beleid op
dit gebied zou eveneens een wijdere discussie gevoerd dienen te worden omtrent het
vraagstuk welk voedsel gezond voor ons is. Dat kan niet eenvoudig vanuit Den Haag worden
vastgesteld. Het blijkt bovendien dat er binnen de Lid-Staten zeer verschillend over de
beantwoording van deze vraag wordt gedacht. Nederland is geen eiland en het gaat hier om
een economische activiteit.
In dat laatste kader zou ook eens naar de toedeling van de kosten gekeken moeten worden.
Het verbeteren van het imago van de produktieketen van dierlijke produkten voor de
00rd58/25-04-00
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>                                                 2
consument (waar diervoeders onderdeel van uitmaken) ondersteunt de Raad van harte. De
kosten van een dergelijke imagoverbetering dienen echter niet bij de producenten alleen
terecht te komen, maar in sommige gevallen ook verhaald te kunnen worden op de
consumenten en op de maatschappij. Uitgangspunt zou moeten zijn dat wie er baat bij heeft
de kosten draagt. Zo mogen diervoeders niet leiden tot dierziekten. Het zal vooral de primaire
sector zijn die daar baat bij heeft en daar zullen dan ook de kosten neergelegd kunnen worden.
Als het gaat om het verbeteren van het imago of zaken die te maken hebben met emoties -
zaken waarop het bedrijfsleven door middel van de produktiewijze weinig invloed uit kan
oefenen - dan lijkt het onredelijk de kosten daarvoor op de primaire sector of het bedrijfsleven
af te wentelen. Om tegemoet te komen aan deze “consumer concerns” zou in de laatste
schakel van de verkoop van voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong een vorm van
belasting geheven kunnen worden. Met de opbrengsten van die belasting zou het imago van
de genoemde voedingsmiddelen (voorzover ze te maken hebben met emoties) verbeterd
kunnen worden.
Controle-inspanningen dienen efficiënt en effectief te zijn. De overheid heeft niet het
alleenrecht op regelgeving en toezicht. Het bedrijfsleven heeft een eigen
verantwoordelijkheid, die het gelukkig ook neemt. Gelet op de internationale
concurrentiepositie is het van belang dat de inspanningen van het bedrijfsleven worden
ondersteund door gepast overheidsbeleid. Dat betekent dus toezicht op toezicht.
Tenslotte wenst de Raad nog enkele opmerkingen te maken over het voederen van swill. In
het algemeen acht hij het een goede zaak dat er in de dierhouderij zoiets bestaat als de
recycling van grondstoffen. Het gaat om het verwerken van afval dat nog een bepaalde
waarde heeft. Er moeten dan ook dringende redenen zijn om de recycling van bepaalde
producten af te wijzen, zeker als er goede en betrouwbare methodieken zijn om de veiligheid
te testen. Toch gebeurt dit op pagina 5 van het beleidsvoornemen met de “tweede categorie
grondstoffen”. Het gaat daarbij onder meer om mest, swill en resten van siergewassen. In
hoofdstuk 5 van het Beleidsvoornemen onder “Swill” wordt aangegeven dat uit analyses is
gebleken dat zowel bij een verbod op het voederen van swill als bij kanalisatie van de swill
“enig risico niet kan worden uitgesloten”. De Raad is echter van mening dat er bij een verbod
op het voederen van swill geen sprake is van “enig” risico, maar van een groot risico. Het
verbod is niet handhaafbaar, er wordt dus toch swill gevoerd en dat terwijl er eigenlijk geen
controle op wordt uitgevoerd. De Raad geeft dan ook in overweging om nog eens na te gaan
of het risico niet verminderd kan worden door het voederen van swill te kanaliseren en dus uit
het “illegale” circuit te halen.
Den Haag, 25 april 2000
00rd58/25-04-00
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>