<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>             Fokken met recreatiedieren
 deel 2: konijnen, knaagdieren, hoenders, sierduiven
                        Den Haag
                        Juni 2002
                       RDA 2002/02
Rapfok2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>                     Fokken met recreatiedieren
 deel 2: konijnen, knaagdieren, hoenders, sierduiven
                                      Den Haag
                                       Juni 2002
                                     RDA 2002/02
Rapport van de Werkgroep fokken met recreatiedieren
van de Raad voor dierenaangelegenheden
Postbus 90428
2509 LK Den Haag
Telefoon: 070-3785266
Fax: 070-3786336
E-mail: info@rda.nl
Rapfok2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Inhoudsopgave (nog aanpassen)
1.     Fokken met recreatiedieren                                            1
1.1.   Inleiding                                                             1
1.2.   Afbakening                                                            1
1.3.   De verschillende onderdelen van het rapport                           2
1.3.1. Model voor de gradering en rubricering van schadelijke
       erfelijke kenmerken bij recreatiedieren                               2
1.3.2. Groslijst van schadelijke erfelijke kenmerken                         2
1.3.3. Beschrijving, typering en weging van de in de groslijst genoemde
       schadelijke erfelijke kenmerken                                       3
1.3.4. Mogelijke maatregelen                                                 3
2.     Groslijst van schadelijke erfelijke kenmerken                         5
2.1.   Groslijst: konijnen                                                   5
2.2.   Groslijst: knaagdieren                                                7
2.3.   Groslijst: hoenders                                                   7
2.4.   Groslijst: sierduiven                                                 8
3.     Weging                                                                11
4.     Mogelijke maatregelen                                                 13
4.1.   Inleiding                                                             13
4.2.   Overzicht van mogelijke maatregelen                                   14
4.2.1. Suggesties voor specifieke maatregelen                                14
4.2.2. Suggesties voor algemene maatregelen                                  15
4.3.   Selectie van mogelijke maatregelen                                    16
4.3.1. Diagnostische mogelijkheden                                           16
4.3.2. De weging van erfelijke aspecten                                      17
4.3.3. De effectiviteit van maatregelen in relatie tot de localiseerbaarheid
       van het kenmerk                                                       17
4.3.4. Mogelijkheden om met fokken een verbetering te bereiken               18
4.3.5. Organisatiegraad van de fokkers                                       18
4.3.6. Draagvlak                                                             18
4.4.   Checklist                                                             19
4.4.1. Inleiding                                                             19
4.4.2. Voorbeeld van een checklist voor de selectie van maatregelen          19
Rapfok2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>1.      Fokken met recreatiedieren
        Deel 2: konijnen, knaagdieren, hoenders, sierduiven
1.1.    Inleiding
Artikel 55 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (GWWD) biedt de mogelijkheid
regels te stellen met betrekking tot het fokken met dieren. Tijdens het debat in de Tweede
Kamer op 12 december 1995 over de verdere invulling van de GWWD heeft de Tweede
Kamer aangedrongen op regelgeving op het gebied van recreatiedieren in plaats van zelfregu-
lering. De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV) heeft de Tweede Kamer
in zijn brief van 12 juni 1996 laten weten in de komende periode een aanzet te geven tot het
opstellen van een algemene maatregel van bestuur waarin regels worden gesteld met
betrekking tot het fokken van recreatiedieren, gebaseerd op artikel 55 GWWD.
Het Ministerie van LNV heeft de Raad voor dierenaangelegenheden (RDA) gevraagd in dit
kader een rapport op te stellen. Dit rapport zou de volgende onderdelen moeten bevatten:
• criteria om welzijnsbeperkingen te kunnen vaststellen
• groslijst van schadelijke erfelijke kenmerken
• informatie over kenmerken in de groslijst
• prioriteitsvolgorde bij de groslijst
• mogelijke maatregelen ter bestrijding van de problemen.
Voor de voorbereiding van het rapport werd door de Afdeling welzijnsvraagstukken van de
RDA een Werkgroep fokken met recreatiedieren ingesteld, bestaande uit de volgende perso-
nen:
− Prof.Dr. J. Bouw, deskundige
− Mw.Drs. J.H.C. Brooymans, Stichting voor Gezelschapsdieren
− Mw.Drs. H.R. Chalmers Hoynck van Papendrecht, Koninklijke Nederlandse Maatschappij
   voor Diergeneeskunde
− Mw.Ir. M. de Jong, Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren
− Mw.Ir. L.A.M. Kuijpers, Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
− Drs.Ing. W.J. Netto, Universiteit Utrecht, Interfacultair Centrum Welzijn Dieren
− Prof.Dr. B.A. van Oost, Faculteit der Diergeneeskunde, Vakgroep Geneeskunde van
   Gezelschapsdieren
− Mr. H.G. van Waveren, Raad voor dierenaangelegenheden (voorzitter)
1.2.    Afbakening
De problematiek van het fokken met recreatiedieren is omvangrijk, divers en complex.
Daarom is gekozen voor een tweetal inperkingen:
− fokproblematiek betreft schadelijke erfelijke kenmerken
− recreatiedieren betreft honden, katten, konijnen, knaagdieren, vissen, vogels en paarden.
Het eerste rapport Fokken met recreatiedieren van juni 1998 behandelt de problematiek van
het fokken met rashonden en raskatten. In deel 2 betreft het konijnen, knaagdieren, hoenders
en sierduiven.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>De ontwikkelde methodiek van aanpak is in principe voor alle genoemde diersoorten toepas-
baar.
1.3.    De verschillende onderdelen van het rapport
1.3.1. Model voor de gradering en rubricering van schadelijke erfelijke kenmerken bij
        recreatiedieren
Bij zeer verschillende soorten en rassen recreatiedieren, die worden gefokt, wordt schade aan
de dieren veroorzaakt door (extreme) exterieurkenmerken, aandoeningen en ziekten. Het is
moeilijk deze schade zonder systematiek op een objectieve wijze te beoordelen. Voor het on-
derbouwen van maatregelen tegen het fokken met dieren met mogelijke schadelijke erfelijke
kenmerken is een objectieve beoordeling van de uiteenlopende kenmerken bij verschillende
soorten en rassen nodig. Als beslissingsondersteunend systeem is een weegmodel een goed
hulpmiddel om bij een veelheid van ongelijksoortige potentieel schadelijke kenmerken tot een
zo veel mogelijk objectief oordeel te komen.
Op verzoek van de Werkgroep is dan ook door het Werkgroeplid W.J. Netto een weegmodel
ontwikkeld. De daarbij gevolgde werkwijze van regelmatige en intensieve bespreking van het
weegmodel gedurende de ontwikkeling heeft er in geresulteerd dat de Werkgroep meent dat
het weegmodel een goed instrument is om zo objectief mogelijk vast te stellen wanneer een
kenmerk schade veroorzaakt en wat de ernst van de schade is.
1.3.2. Groslijst van schadelijke erfelijke kenmerken
Het aantal schadelijke erfelijke kenmerken bij de diverse diersoorten recreatiedieren is groot.
Een groslijst die al deze kenmerken zou bevatten zou niet functioneel zijn.
Gekozen is dan ook voor een werkwijze die resulteerde in een lijst met erfelijke schadelijke
kenmerken die gezien hun ernst en mate van voorkomen voor een aanpak in aanmerking
komen.
Deze lijst is in een aantal stappen ontwikkeld. De Werkgroep heeft zich gebaseerd op eigen
expertise, contacten met deskundigen en vertegenwoordigers van liefhebbersorganisaties en
op relevante literatuur.
De groslijst van schadelijke erfelijke kenmerken die onderdeel is van dit rapport bevat die
kenmerken die met gebruikmaking van het weegmodel een zo hoge weegscore krijgen dat zij
vallen onder de categorie “urgent maatregelen nemen”. Gezien deze urgentiescore is afgezien
van een prioritering. Op grond van de aspecten ernst en omvang van de schade is voor alle
genoemde kenmerken aanpak urgent. Om zicht te krijgen op de weg die kan worden
bewandeld om een bestrijdingsplan op te stellen en voor de inschatting van de tijd die nodig
zal zijn om effect te sorteren zijn nog andere aspecten van belang. Deze komen in het gedeelte
‘Mogelijke maatregelen’ aan de orde.
Uitdrukkelijk wijst de Werkgroep erop dat de groslijst aangeeft welke schadelijke kenmerken
thans als eerste een aanpak zouden moeten krijgen, maar dat zeker niet gesproken kan worden
over een statische situatie.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>1.3.3. Beschrijving, typering en weging van de in de groslijst genoemde schadelijke
        erfelijke kenmerken
Van de in de groslijst opgenomen kenmerken is een korte beschrijving en typering gegeven
als basisinformatie ten behoeve van de weging van het kenmerk. Van zeker niet alle kenmer-
ken is de erfelijke aanleg precies bekend. Wel is zeker dat het in alle gevallen een erfelijk
kenmerk betreft.
1.3.4. Mogelijke maatregelen
Het onderdeel “Mogelijke maatregelen” geeft weer aan welke maatregelen gedacht kan wor-
den om schadelijke erfelijke kenmerken bij recreatiedieren terug te dringen, en op welke
wijze een keuze van maatregelen gemaakt zou kunnen worden. Bij het selecteren van
maatregelen spelen diverse aspecten een rol. Deze worden eveneens aangeduid. Een gewicht-
stoekenning van deze aspecten heeft de Werkgroep achterwege gelaten. Dit betreft in
belangrijke mate een beleidskwestie. Wel presenteert de Werkgroep een checklist die tot een
eerste selectie van mogelijke maatregelen kan leiden. Deze checklist moet gezien worden als
een voorbeeld van een mogelijke aanpak. Hij geeft aan hoe in principe stapsgewijs een
afweging is te maken. De complexiteit en variatie in de problematiek van erfelijke schadelijke
kenmerken vereisen een zorgvuldig en op het specifieke probleem gericht gebruik van deze
checklist.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>Groslijst van schadelijke erfelijke kenmerken
Bijgewerkt op grond van bespreking in Werkgroep op 11 oktober 1999
Invulling van de typering moet nog gebeuren. De weegscore bevat nog een aantal vraagte-
kens
Bijgewerkt op grond van opmerkingen van mevrouw Chalmers Hoynck van Papendrecht op
15 juni 2000: zie cursieve tekst
In dit hoofdstuk worden per diersoort die schadelijke erfelijke kenmerken aangegeven die,
met gebruikmaking van het weegmodel, een zo hoge weegscore kregen dat zij vallen onder de
categorie ‘urgent maatregelen nemen’.
Groslijst konijnen
1.        Overmatig lange oren bij Engelse hangoren
Bij deze, in verhouding tot de lichaamslengte zeer lange oren is het risico voor beschadiging
van de oren vergroot en worden de dieren beperkt in hun natuurlijke voortbeweging.
Erfelijke aanleg
Levensverwachting
Waarneembaarheid
Frequentie
Pijnlijkheid/hinder
Integriteit
Tijdstip van ontstaan
Weegscore                       WAS: 12 (akkoord; chronische discomfort)
                                GAS: 0
                                IAS: 20 (akkoord)
                                (bij regelmatige verwonding zou WAS 16 zijn, zie echter informatie
                                Nederlandse Konijnen Bond d.d. 24-02-00)
2.        Overmatige dwerggroei bij kleurdwergen en pooltjes *
Bij deze rassen komen bij de zeer kleine dieren geboorteproblemen voor.
NB: minimum gewicht stellen
Erfelijke aanleg
Levensverwachting
Waarneembaarheid
Frequentie
Pijnlijkheid/hinder
Integriteit
Tijdstip van ontstaan
Weegscore                       WAS: 12 (akkoord; aantasting soortspecifiek gedrag: geboorte)
                                GAS: 20 (akkoord)
                                IAS: 20?
*
  Het gaat hier om de homozygote toestand, zoals bij kleurslag konijnen, roankleurige cavia’s, kortbenige en
staartloze hoenders en sierduiven en duiven met almond tekening. Vanwege (sub)letaliteit: GAS = 20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>3.        Olifantstanden als gevolg van een afwijkende kaakstructuur
Olifantstanden als gevolg van een afwijkende kaakstructuur komen incidenteel voor bij
konijnen van verschillende rassen. Meestal is daarbij sprake van doorgegroeide hoektanden
van de onderkaak. De gevolgen zijn beschadiging van het mondslijmvlies en problemen met
de voedselopname.
Erfelijke aanleg
Levensverwachting
Waarneembaarheid
Frequentie
Pijnlijkheid/hinder
Integriteit
Tijdstip van ontstaan
Weegscore                     WAS: 12 (akkoord; angstig, chronische discomfort)
                              GAS: 20 (akkoord; kan niet eten en sterft)
                              IAS: 0
4.        Afwijkingen aan het geslachtsapparaat
Voorstel: schrappen, wordt niet genoemd in Fehlentwicklungen in der Haustierzucht en
evenmin in Gutachten zur Auslegung von § 11b des Tierschutzgesetzes in der Fassung vom
17.2.1993. Zie ook discussie in Werkgroep 11 oktober 1999.
GAS = 20 (euthanasie)
IAS = 20 (kunnen zich niet voortplanten)
5.        Epilepsie
Epilepsie (vallende ziekte) komt af en toe voor bij leucistisch witte konijnen (witte konijnen
met blauwe ogen). Het betreft de rassen witte wener, blauwoogpool en hulstlander. Evenals
bij hond en kat en ook bij de mens wordt epilepsie als een ernstige gezondheidsstoornis
aangemerkt. De levensduur wordt bekort.
Bij leucistisch witte honden en katten kan met enig succes tegen de daarbij optredende
stoornissen in de ontwikkeling van het zenuwstelsel geselecteerd worden.
Erfelijke aanleg
Levensverwachting
Waarneembaarheid
Frequentie
Pijnlijkheid/hinder
Integriteit
Tijdstip van ontstaan
Weegscore                     WAS: 12 (akkoord)
                              GAS: 20 (GAS = 16)
                              IAS: ?
                              (Zie brief NKB, komt epilepsie weinig of niet voor?)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>6.        Kleurslag bij ‘tekeningkonijnen’ *
De rassen Lotharinger, Papillon en Rijnlander worden tot de tekeningkonijnen gerekend,
omdat zij grotere of kleinere pigmentvlekken in een verder witte vacht vertonen.
Als dieren van deze rassen onderling gepaard worden, ontstaan ¼ eenkleurige, ½ gewenste en
¼ bijna witte dieren. De bijna witte dieren zijn verminderd levensvatbaar. Ze blijven achter in
gewicht en sterven bij niet optimale verzorging.
Er is sprake van verminderde vitaliteit.
Opmerking: Het probleem kan vermeden worden door alleen eenkleurigen met normaal
getekende dieren te paren. Bij die paring vertoont de helft van de nakomelingen het gewenste
kleurpatroon en is de andere helft eenkleurig.
Erfelijke aanleg
Levensverwachting
Waarneembaarheid
Frequentie
Pijnlijkheid/hinder
Integriteit
Tijdstip van ontstaan
Weegscore                       WAS: 12
                                GAS: 20               (scores akkoord, in homozygote toestand)
                                IAS: ?
7.        Overgevoeligheid voor schurft
Schrappen? Ja.
*
  Het gaat hier om de homozygote toestand, zoals bij kleurslag konijnen, roankleurige cavia’s, kortbenige en
staartloze hoenders en sierduiven en duiven met almond tekening. Vanwege (sub)letaliteit: GAS = 20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>Groslijst knaagdieren
1.        Roanfactor bij cavia’s *
Bij de roanfactor bij cavia’s (ook wel schimmelfactor genoemd) bevinden zich over het
gehele lichaam witte haren tussen de normaal gepigmenteerde.
Evenals bij tekeningkonijnen ontstaan bij onderling gepaarde roankleurige cavia’s bijna witte
dieren, die verminderd levensvatbaar zijn. Kan leiden tot een aantal aandoeningen, zoals
blindheid, doofheid, microphthalmus, skeletafwijkingen. Het probleem kan vermeden worden
door roankleurige met normaal gepigmenteerde dieren te paren.
Erfelijke aanleg
Levensverwachting
Waarneembaarheid
Frequentie
Pijnlijkheid/hinder
Integriteit
Tijdstip van ontstaan
Weegscore                       WAS: 12
                                GAS: 20 (akkoord, in homozygote toestand; verminderd levensvatbaar)
                                IAS: ?
2.        Naakte muizen/ratten
??
*
  Het gaat hier om de homozygote toestand, zoals bij kleurslag konijnen, roankleurige cavia’s, kortbenige en
staartloze hoenders en sierduiven en duiven met almond tekening. Vanwege (sub)letaliteit: GAS = 20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>Groslijst hoenders
1.        Overmatige bevedering van het hoofd
Overmatige bevedering van het hoofd kan bij enkele hoenderrassen, onder andere bij
kuifhoenders, voorkomen. Bij overmatige bevedering is het gezichtsvermogen bij deze dieren
beperkt.
Erfelijke aanleg
Levensverwachting
Waarneembaarheid
Frequentie
Pijnlijkheid/hinder
Integriteit
Tijdstip van ontstaan
Weegscore                       WAS: 12 (akkoord; chronische discomfort)
                                GAS: ?
                                IAS: ? (Bouw: nader onderzoek door ethologen of dit een probleem is)
2.        Overmatige voetbevedering
Overmatige voetbevedering komt bij een aantal rassen voor. Overmatige voetbevedering
hindert bij het lopen, gaat gepaard met foutieve stand van de tenen en/of het ontbreken van
een of meerdere nagels. Ontstekingen en foutieve stand van poten/tenen veroorzaken pijn, de
levensduur is enigszins beperkt en soorteigen functies als bijvoorbeeld scharrelen, worden
beperkt.
Erfelijke aanleg
Levensverwachting
Waarneembaarheid
Frequentie
Pijnlijkheid/hinder
Integriteit
Tijdstip van ontstaan
Weegscore                       WAS: 12 (akkoord; chronische discomfort)
                                GAS: 7 (akkoord)
                                IAS: 12 (akkoord)
3.        Overmatige kortbenigheid *
Kortbenigheid is bij enkele hoenderrassen een raskenmerk. Bij kortbenige hoenders, zoals
onder andere chabo’s, is bekend dat bij onderlinge paring van deze dieren een deel van de
nakomelingen verminderd levensvatbaar is en embryonaal (in het ei) afsterft. Deze embryona-
le sterfte kan evenals de verminderde levensvatbaarheid bij de tekeningkonijnen vermeden
worden door dieren met het raskenmerk te paren met dieren met een normale beenlengte.
(vervolg z.o.z.)
*
  Het gaat hier om de homozygote toestand, zoals bij kleurslag konijnen, roankleurige cavia’s, kortbenige en
staartloze hoenders en sierduiven en duiven met almond tekening. Vanwege (sub)letaliteit: GAS = 20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>Erfelijke aanleg
Levensverwachting
Waarneembaarheid
Frequentie
Pijnlijkheid/hinder
Integriteit
Tijdstip van ontstaan
Weegscore                   WAS: 7?
                            GAS: 20 (zie voetnoot)
                            IAS: 20
                            (volgens Fehlentwicklungenn in der Haustierzucht, blz. 27, is er sprake van
                            verhoogde embryonale sterfte)
4.        Zijdevederigheid
Zijdevederigheid is een raskenmerk van het Japanse zijdehoen. Door de afwijkende veerstruc-
tuur voelt het verenkleed zacht (zijdeachtig) aan. Deze bevedering kan hinderlijk zijn bij
dieren die buiten (in de regen) gehouden worden. Aan de thermoregulatie zijn volgens
deskundigen geen problemen verbonden.
Erfelijke aanleg
Levensverwachting
Waarneembaarheid
Frequentie
Pijnlijkheid/hinder
Integriteit
Tijdstip van ontstaan
Weegscore                   WAS: 7?
                            GAS: 7?
                            IAS: 0
Voorstel: schrappen. Mee eens.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>Groslijst sierduiven
1.        Wratvorming
Wratvorming rondom de ogen en de snavel is een raskenmerk voor duiven van de rasgroep
wratduiven. Deze kopversierselen kunnen rondom de ogen en de snavel uitgroeien tot
hinderlijke vormen.
Erfelijke aanleg
Levensverwachting
Waarneembaarheid
Frequentie
Pijnlijkheid/hinder
Integriteit
Tijdstip van ontstaan
Weegscore                       WAS: 20 (chronische distress: worden benauwd of hebben last van hun ogen)
                                GAS: 16
                                IAS:
2.        Extreem korte snavels
Extreem korte snavels komen onder andere bij meeuwrassen voor. Door de extreem korte
snavels kunnen deze duiven hun eigen jongen niet voederen. De fokkers lossen dit probleem
op door eitjes van meeuwtjes onder postduiven te leggen en door onder de meeuwtjes zelf
postduiveneitjes te leggen.
Erfelijke aanleg
Levensverwachting
Waarneembaarheid
Frequentie
Pijnlijkheid/hinder
Integriteit
Tijdstip van ontstaan
Weegscore                       WAS:
                                GAS:
                                IAS: 20 (akkoord; kunnen hun eigen jongen niet voederen)
3.        Almondfactor *
Almondfactor is een kleurfactor die bij een aantal rassen evenals het wit bij de tekeningkonij-
nen en bij bleu merle honden in fokzuivere vorm tot verminderde vitaliteit leidt.
Erfelijke aanleg
Levensverwachting
Waarneembaarheid
Frequentie
Pijnlijkheid/hinder
Integriteit
Tijdstip van ontstaan
Weegscore                       WAS:
                                GAS: 20 (in homozygote toestand; verminderde vitaliteit)
                                IAS:
*
  Het gaat hier om de homozygote toestand, zoals bij kleurslag konijnen, roankleurige cavia’s, kortbenige en
staartloze hoenders en sierduiven en duiven met almond tekening. Vanwege (sub)letaliteit: GAS = 20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>4.        Overmatige bevedering van het hoofd
Overmatige bevedering van het hoofd kan bij enkele duivenrassen voorkomen. Bij overmatige
bevedering is het gezichtsvermogen bij deze dieren beperkt.
Erfelijke aanleg
Levensverwachting
Waarneembaarheid
Frequentie
Pijnlijkheid/hinder
Integriteit
Tijdstip van ontstaan
Weegscore                   WAS: 12 (chronische discomfort)
                            GAS:
                            IAS: (Bouw: nader onderzoek)
5.        Overmatige voetbevedering
Overmatige voetbevedering kan bij een aantal rassen voorkomen. Duiven met veel voetbeve-
dering kunnen daardoor gehinderd worden bij het lopen.
Erfelijke aanleg
Levensverwachting
Waarneembaarheid
Frequentie
Pijnlijkheid/hinder
Integriteit
Tijdstip van ontstaan
Weegscore                   WAS: 12
                            GAS: 7
                            IAS: 12
6.        Sidderhals
Bij de Stargarder sidderhals is het frequent heen en weer slaan van de kop/hals een rasken-
merk. Dit heen en weer slaan van de kop en de hals maakt deel uit van het natuurlijke
baltsgedrag bij duiven. Bij de sidderhals is op dit gedrag geselecteerd, waardoor het extra
vaak en sterk optreedt. Ergste vorm.
Erfelijke aanleg
Levensverwachting
Waarneembaarheid
Frequentie
Pijnlijkheid/hinder
Integriteit
Tijdstip van ontstaan
Weegscore                   WAS: 16 (chronisch matig/ernstige distress)
                            GAS:
                            IAS:
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>7.        Overmatige kropvorming
Overmatige kropvorming (ballonvorming) komt in verschillende gradaties voor bij een aantal
kropperrassen. Evenals het sidderen maakt ook het opblazen van de krop deel uit van het
normale baltsgedrag. Het opblazen kan worden gestimuleerd in de aanwezigheid van andere
duiven of door de eigenaar zelf.
Duiven met extreme ballonvorming staan vaak op ragfijne beentjes en zijn genoodzaakt zich
voortdurend in te spannen om in balans te blijven en niet om te vallen.
Erfelijke aanleg
Levensverwachting
Waarneembaarheid
Frequentie
Pijnlijkheid/hinder
Integriteit
Tijdstip van ontstaan
Weegscore                    WAS: 7 (chronisch matig discomfort: evenwicht)
                             GAS:
                             IAS:
8.        Doodvallen bij tuimelaarduiven
Er zijn tuimelaarrassen die een bijzondere vlucht kunnen demonstreren. Die duiven vliegen in
een spiraalvorm omhoog, wenden zich dan om en komen daarna met grote snelheid, opnieuw
in een spiraalvorm, naar beneden. Vlakbij de grond gekomen wenden zij zich opnieuw om het
contact met de grond te vermijden. Voor die laatste wending is veel kracht nodig en als die
kracht ontbreekt slaan zij dood tegen de grond. Of het alleen een gebrek aan kracht is dan wel
of ook andere genetische factoren daarbij een rol spelen, wordt buiten beschouwing gelaten.
Doodvallen komt bij enkele tuimelaarrassen vaker voor dan bij andere, met name bij Turkse
Tuimelaars.
Erfelijke aanleg
Levensverwachting
Waarneembaarheid
Frequentie
Pijnlijkheid/hinder
Integriteit
Tijdstip van ontstaan
Weegscore                    WAS:
                             GAS: 20
                             IAS:
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>Groslijst vissen
1. Kleurafwijkingen
a. Albinisme (ontbreken van donker pigment, rode ogen)
b. Xanthisme of xanthorisme (overheersen van gele pigmenten)
c. Melanisme (overheersen van zwarte pigmenten)
d. Overheersen van rode en blauwe pigmenten hebben de verkorting van levensduur en
   verlaging van weerstand tegen ziekten tot gevolg.
Melanisme, xanthisme en overheersen van rode en blauwe pigmenten leiden frequent tot
ontstaan van kwaadaardige gezwellen.
Erfelijke aanleg
Levensverwachting         levensbedreigend op korte termijn
Waarneembaarheid          direct en voor iedereen zonder twijfel
Frequentie                veel voorkomend bij een of enkele rassen (5 tot 10%)
Pijnlijkheid/hinder
Integriteit
Tijdstip van ontstaan
Weegscore                 WAS:
                          GAS:
                          IAS:
2. Vinvormafwijkingen
Verlenging van vinnen, vooral van staart- en/of rugvin, verstoort het normale zwempatroon
en bemoeilijkt het bewaren van het evenwicht. Ontbreken van de rugvin heeft grote negatieve
invloed op het bewaren van het evenwicht. Verlenging van de aarsvin kan, wanneer deze het
gonopodium vormt, bevruchting belemmeren of onmogelijk maken.
Erfelijke aanleg
Levensverwachting
Waarneembaarheid          direct en voor iedereen zonder twijfel
Frequentie                veel voorkomend bij een of enkele rassen (5 tot 10%)
Pijnlijkheid/hinder       zeer hinderlijk/lastig
Integriteit               ja
Tijdstip van ontstaan     stoornissen die voor de geboorte ontstaan zijn
Weegscore                 WAS:
                          GAS:
                          IAS:
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>3. Verandering in lichaamsvorm en ogen
3.1. Verandering van kopvorm
Weefselwoekering op de kop, kan zich uitbreiden tot over de ogen, waardoor het gezichtsveld
sterk verkleind wordt. Bij de Leeuwenkop is de kop sterk verbreed. Het lichaam is verkort,
rond en plomp, (enkele) vinnen ontbreken of zijn verkort of zijn sterk verlengd (Leeuwenkop,
Oranda, Eiervis, Pompon). Het kweekras Pompon heeft weefselwoekeringen uit beide
neusgaten.
Deze kenmerken leiden tot gevoeligheid voor ziekten en verstoring van het evenwicht.
Erfelijke aanleg
Levensverwachting
Waarneembaarheid            direct en voor iedereen zonder twijfel
Frequentie                  veel voorkomend bij een of enkele rassen (5 tot 10%)
Pijnlijkheid/hinder         zeer hinderlijk/lastig
Integriteit                 ja
Tijdstip van ontstaan
Weegscore                   WAS:
                            GAS:
                            IAS:
3.2. Verandering van oogvorm
Afwijking van de normale vorm en positie van de ogen op de kop bij enkele kweekrassen van
de goudvis.
Bij de Telescoopoog zijn de ogen vergroot en puilen zijwaarts uit.
Bij de Blaasoog bevinden zich grote huidblazen, gevuld met lichaamsvocht, onder de ogen,
waardoor deze naar boven gedrukt worden.
Bij de Hemelkijker puilen de ogen uit en zijn naar boven gericht.
Alle drie de oogvormrassen zijn zwak, met een verkorte levensduur en verminderde weer-
stand tegen ziekten en ongunstige milieufactoren. Het gezichtsvermogen is sterk verminderd,
het blikveld is verminderd of afwezig. De ogen zijn zeer kwetsbaar en kunnen gemakkelijk
beschadigd worden.
Voedsel zoeken en voedselopname is zeer moeilijk, de gedrongen lichaamsvorm van deze
rassen geeft aanleiding tot problemen met de zwemblaas, waardoor het balanshouden
verstoord is.
Erfelijke aanleg
Levensverwachting
Waarneembaarheid            direct en voor iedereen zonder twijfel
Frequentie                  regelmatig voorkomend bij enkele rassen (1 tot 5%)
Pijnlijkheid/hinder         zeer hinderlijk/lastig
Integriteit                 ja
Tijdstip van ontstaan
Weegscore                   WAS:
                            GAS:
                            IAS:
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>Groslijst paarden
1. Verstoring normale locomotie
1.1. Podotrochleose
Botstoornis in het achter het hoefgewricht gelegen sesambeentje, waardoor chronische
kreupelheid ontstaat.
Erfelijke aanleg            polygeen
Levensverwachting           sterfte bij noodzakelijke euthanasie
Waarneembaarheid            met diagnostische hulpmiddelen aantoonbaar
Frequentie                  incidenteel voorkomend bij een of enkele rassen (bij het grootste Nederlandse
                            paardenras, het Nederlandse warmbloedpaard)
Pijnlijkheid/hinder         pijnlijk
Integriteit
Tijdstip van ontstaan       ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Weegscore                   WAS:
                            GAS:
                            IAS:
1.2. Sesamoiditis
Degeneratie sesambeenderen, leidend tot kreupelheid.
Erfelijke aanleg            polygeen
Levensverwachting           sterfte bij noodzakelijke euthanasie; of
                            vitaliteit is aangetast maar dieren kunnen er oud mee worden ????
Waarneembaarheid            met diagnostische hulpmiddelen aantoonbaar
Frequentie                  ?
Pijnlijkheid/hinder         pijnlijk
Integriteit
Tijdstip van ontstaan       ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Weegscore                   WAS:
                            GAS:
                            IAS:
1.3. Spat
Benige verdikking aan de hak die kreupelheid tot gevolg heeft.
Erfelijke aanleg            polygeen
Levensverwachting           vitaliteit is aangetast maar dieren kunnen er oud mee worden
Waarneembaarheid            direct en voor iedereen zonder twijfel
Frequentie                  incidenteel voorkomend bij een of enkele rassen
Pijnlijkheid/hinder         hinderlijk/lastig
Integriteit
Tijdstip van ontstaan       ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Weegscore                   WAS:
                            GAS:
                            IAS:
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>1.4. Osteochondritis dissecans
Verweking van bot en kraakbeen op de gewrichtsvlakken die aseptische necrose veroorzaakt.
Leidt tot kreupelheid.
Erfelijke aanleg           familiair?
Levensverwachting          sterfte bij noodzakelijke euthanasie; of
                           vitaliteit is aangetast maar dieren kunnen er oud mee worden ????
Waarneembaarheid           met diagnostische hulpmiddelen aantoonbaar
Frequentie                 ?
Pijnlijkheid/hinder        pijnlijk?
Integriteit
Tijdstip van ontstaan      ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat?
Weegscore                  WAS:
                           GAS:
                           IAS:
1.5. Patella luxatie
Dislocatie van de knieschijf.
Erfelijke aanleg           polygeen
Levensverwachting          vitaliteit is aangetast maar dieren kunnen er oud mee worden
Waarneembaarheid           direct en voor iedereen zonder twijfel
Frequentie                 incidenteel voorkomend bij een of enkele rassen
Pijnlijkheid/hinder        hinderlijk/lastig
Integriteit
Tijdstip van ontstaan      ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Weegscore                  WAS:
                           GAS:
                           IAS:
1.6. Gewrichtsankylose
Vergroeiing van de gewrichten in de achterhand. De dieren worden meestal aangeduid als
kreng.
Erfelijke aanleg           enkelvoudig recessief
Levensverwachting          levensbedreigend op korte termijn
Waarneembaarheid           direct en voor iedereen zonder twijfel
Frequentie                 incidenteel voorkomend bij een of enkele rassen (Shetland ponies)
Pijnlijkheid/hinder        zeer hinderlijk/lastig
Integriteit
Tijdstip van ontstaan      stoornis die voor de geboorte ontstaan is
Weegscore                  WAS:
                           GAS:
                           IAS:
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>2. Verstoring ademhaling
2.1. Cornage
Verstoring normale ademhaling, larynxparalyse.
Erfelijke aanleg            ?
Levensverwachting           ?
Waarneembaarheid            ?
Frequentie                  ?
Pijnlijkheid/hinder         ?
Integriteit
Tijdstip van ontstaan       ?
Weegscore                   WAS:
                            GAS:
                            IAS:
3. Verstoring bouw buikholte
3.1. Hernia umbilicalis
Navelbreuk.
Erfelijke aanleg            recessief
Levensverwachting           levensbedreigend op korte termijn
Waarneembaarheid            direct en voor iedereen zonder twijfel
Frequentie                  incidenteel voorkomend bij een of enkele rassen
Pijnlijkheid/hinder         hinderlijk/lastig
Integriteit
Tijdstip van ontstaan       stoornis die voor de geboorte ontstaan is of direct na de geboorte ontstaat
Weegscore                   WAS:
                            GAS:
                            IAS:
3.2. Hernia inguinalis en scrotalis
Lies-/zakbreuk.
Erfelijke aanleg            recessief
Levensverwachting           levensbedreigend op korte termijn
Waarneembaarheid            direct en voor iedereen zonder twijfel
Frequentie                  incidenteel voorkomend bij een of enkele rassen
Pijnlijkheid/hinder         “hinderlijk, soms ook pijnlijk”
Integriteit
Tijdstip van ontstaan       stoornis die direct na de geboorte ontstaan is
Weegscore                   WAS:
                            GAS:
                            IAS:
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>4. Verstoring centrale zenuwstelsel
4.1. Cerebellaire ataxie
Afwijking van de centrifigale of centripetale banen in het achterste gedeelte van de kleine
hersenen. Veroorzaakt storing van de bewegingscoördinatie.
Erfelijke aanleg           enkelvoudig recessief
Levensverwachting          sterfte kort voor, tijdens of kort na de geboorte
Waarneembaarheid           direct en voor iedereen zonder twijfel
Frequentie                 incidenteel voorkomend bij een of enkele rassen (Arabische volbloed)
Pijnlijkheid/hinder        zeer hinderlijk/lastig
Integriteit
Tijdstip van ontstaan      stoornis die voor de geboorte ontstaan is
Weegscore                  WAS:
                           GAS:
                           IAS:
5. Verstoring bouw ogen
5.1. Anophtalmie
Geen oogbol.
Erfelijke aanleg           enkelvoudig recessief
Levensverwachting          sterfte bij noodzakelijke euthanasie
Waarneembaarheid           direct en voor iedereen zonder twijfel
Frequentie                 incidenteel voorkomend bij een of enkele rassen
Pijnlijkheid/hinder        zeer hinderlijk/lastig
Integriteit
Tijdstip van ontstaan      stoornis die voor de geboorte ontstaan is
Weegscore                  WAS:
                           GAS:
                           IAS:
5.2. Microphtalmie
Kleine oogbol.
Erfelijke aanleg           enkelvoudig recessief
Levensverwachting          sterfte bij noodzakelijke euthanasie
Waarneembaarheid           direct en voor iedereen zonder twijfel
Frequentie                 incidenteel voorkomend bij een of enkele rassen
Pijnlijkheid/hinder        hinderlijk/lastig
Integriteit
Tijdstip van ontstaan      stoornis die voor de geboorte ontstaan is
Weegscore                  WAS:
                           GAS:
                           IAS:
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>5.3. Cataract
Juvenile cataract, op jonge leeftijd optredende vertroebeling van de ooglens.
Erfelijke aanleg            enkelvoudig recessief
Levensverwachting           sterfte bij noodzakelijke euthanasie
Waarneembaarheid            direct en voor iedereen zonder twijfel
Frequentie                  komt in Nederland nauwelijks voor ??
Pijnlijkheid/hinder         hinderlijk/lastig
Integriteit
Tijdstip van ontstaan       ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Weegscore                   WAS:
                            GAS:
                            IAS:
6. Verstoring bouw kaken
6.1. Brachygnatia
Overbeet (varkensmond) of onderbeet (snoekebek).
Erfelijke aanleg            ?
Levensverwachting           sterfte bij noodzakelijke euthanasie
Waarneembaarheid            direct en voor iedereen zonder twijfel
Frequentie                  ?
Pijnlijkheid/hinder         zeer hinderlijk/lastig
Integriteit
Tijdstip van ontstaan       stoornis die voor geboorte ontstaan is
Weegscore                   WAS:
                            GAS:
                            IAS:
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>3.      Weging
Voor elk genoemd kenmerk is de schade aan welzijn, gezondheid en integriteit gewogen. Ook
van een aantal niet op de groslijst voorkomende erfelijke schadelijke kenmerken is door de
Werkgroep deze schade gewogen. Het resultaat van die weging was dat de aantasting van de
schade werd ingeschat als niet hoog genoeg om ze thans op de lijst met kenmerken waar
urgent maatregelen voor moeten worden genomen te plaatsen. Dit betekent overigens niet, dat
andere, dan op de groslijst vermelde kenmerken, zonder meer acceptabel zijn. De lijst bevat
die kenmerken die als eerste een aanpak behoeven, gezien de ernst en/of de mate waarin ze
voorkomen. Uiteraard is het een positieve zaak indien liefhebbersverenigingen ook de niet op
de groslijst vermelde kenmerken die het dier schaden, terugdringen. Tenslotte wil de
Werkgroep er nog met nadruk op wijzen dat bij haar weging steeds is uitgegaan van een
ernstige vorm van het schadelijke kenmerk.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>4.       Mogelijke maatregelen
4.1.     Inleiding
Voor het terugdringen van schadelijke kenmerken bij recreatiedieren ontstaan door fokkerij
kunnen verschillende maatregelen worden overwogen. Veelal zal een aantal maatregelen ge-
combineerd moeten worden om effectief tot verbetering te kunnen leiden.
De structuur waarbinnen konijnen, hoenders en sierduiven gefokt worden is de Federatie voor
Kleindierenteelt (FK). Deze FK is een samenwerkingsverband van drie Bonden, de NKB
(konijnen), de NHDB (hoenders) en de NBS (sierduiven). Deze Bonden voeren elk hun eigen
beleid op het gebied van de fokkerij. Binnen deze Bonden functioneren speciaal-clubs die de
belangen van de afzonderlijke rassen of in enkele gevallen groepen van rassen behartigen.
Elke Bond heeft een eigen standaardcommissie die bepaalt wat er wel en niet in de standaards
van de rassen moet worden opgenomen en welke nieuwe rassen en kleurslagen voor erken-
ning in aanmerking komen. Ook deze standaardcommissies werken onder verantwoordelijk-
heid van de Bonden.
Naast het fokken binnen deze structuur worden konijnen, hoenders en sierduiven in aanzien-
lijke mate ook gefokt door mensen die niet zijn aangesloten bij een erkende fokkerijorganisa-
tie.
Naast suggesties voor specifieke maatregelen worden ook algemene maatregelen geformu-
leerd, gericht op het scheppen van een geschikte infrastructuur en een basis voor de specifieke
maatregelen.
Om te komen tot een pakket maatregelen en een traject gericht op een specifiek kenmerk zal
overleg met de liefhebberijorganisaties, dierenartsen (KNMvD) en wetenschappelijke
instellingen nodig zijn.
Duidelijk is dat indien er geen structurele maatregelen worden genomen, het terugdringen van
een beperkt aantal schadelijke kenmerken niet meer kan zijn dan symptoombestrijding. Hoe
belangrijk dit laatste ook is, er moeten ten aanzien van het fokken met recreatiedieren
veranderingen tot stand komen in de wijze waarop wordt gefokt. Ook binnen de sector leeft
dit besef bij verschillende geledingen. Voor enkele rassen en een aantal schadelijke kenmer-
ken worden serieuze stappen gezet om de situatie daadwerkelijk te verbeteren.
Om het optreden van bestaande schadelijke kenmerken terug te dringen en ter preventie van
nieuwe schadelijke kenmerken zijn twee hoofdrichtingen van aanpak te onderscheiden: het
veranderen van de fokdoelen en het wijzigen van de fokmethoden die worden toegepast. In
concreto betekent dit dat:
1) de rasstandaard en het beoordelingssysteem (interpretatie van de rasstandaard) van rasdie-
    ren meer gericht moet worden op het voorkómen van schade aan welzijn, gezondheid en
    integriteit door een kenmerk
2) het gebruik van inteelt in de fokkerij - in combinatie met andere fokmaatregelen - terugge-
    drongen moet worden, waar mogelijk met behoud en waar nodig ter verbreding van de
    genetische variatie
Met een meer algemene fundamentele aanpak, waar mogelijk in samenwerking met de
betreffende Bonden, kunnen de schadelijke kenmerken in de toekomst worden teruggedron-
gen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>4.2.     Overzicht van mogelijke maatregelen
Belangrijk bij de keuze van maatregelen is de oorzaak van het ontstaan van de schadelijke
effecten.
In verband met de oorzaak van de problemen kunnen de volgende klassen van schadelijke
kenmerken worden onderscheiden:
1a. schadelijke erfelijke kenmerken die het directe gevolg zijn van de eisen geformuleerd in
     de rasstandaard of die voortvloeien uit de ruimte die de rasstandaard biedt voor overtype-
     ring; dit zijn gewenste kenmerken vanuit de fokkerij
1b. schadelijke erfelijke kenmerken die indirect met de rasstandaard samenhangen; dit zijn
     kenmerken met veelal ongewenste neveneffecten door eigenschappen die door de fokkerij
     worden nagestreefd of tenminste worden geaccepteerd
2. erfelijke ziekten die geen samenhang vertonen met de rasstandaard of waarvan die samen-
     hang onbekend is; dit zijn in de meeste gevallen ziekten en afwijkingen die mede het ge-
     volg zijn van de toegepaste fokmethode, maar die in alle gevallen als ongewenst worden
     beschouwd
Bij klasse 1 spelen één of meerdere raskenmerken (mede) een rol bij de schade die voor het
dier ontstaat. Dit betekent dat bij het formuleren van maatregelen mede naar de rasstandaard
(fokdoelen) zal moeten worden gekeken. Klasse 1 kan onderverdeeld worden op grond van
verschillen in de oorzaak van de schade Dit onderscheid kan een rol spelen bij het formuleren
van een aanpak.
Voor het bestrijden van alle schadelijke kenmerken is een “infrastructuur” een vereiste.
Daarom worden suggesties gedaan voor mogelijke algemene maatregelen. Deze suggesties
zijn vooral gericht op de problemen bij honden en deels bij katten. Zijn zij ook voor konijnen,
knaagdieren, hoenders en sierduiven zinvol?
Een effectief terugdringen van ongewenste kenmerken is vaak alleen dan mogelijk indien een
aantal instrumenten in combinatie wordt aangewend.
4.2.1. Suggesties voor specifieke maatregelen
Specifieke maatregelen om het voorkomen (incidentie) van bepaalde schadelijke kenmerken
bij een soort of bij één of meerdere rassen van een soort terug te dringen. De keuze van maat-
regelen is afhankelijk van het kenmerk en de specifieke situatie binnen een ras.
A. Specifieke maatregelen die verband houden met schadelijke kenmerken veroorzaakt door
of samenhangend met de beschrijving in de rasstandaard (klasse 1)
A1. (bevorderen van het) aanpassen van de rasstandaard; indien dit nodig is in verband met
      gezondheid en welzijn van de rasstandaard afwijkende eisen formuleren voor de Neder-
      landse situatie
A2. rasstandaard verduidelijken om overtypering te voorkomen
A3. problematiek bespreken met keurmeesters (opleiding en instructie verbeteren met name
      op het gebied van kennis ten aanzien van de consequenties voor gezondheid en welzijn
      van beoordelingen; noodzaak van het certificeren ten aanzien van dit aspect bezien)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>A4. Verrichten van onderzoek gericht op het beter preciseren/omschrijven van een schadelijk
     kenmerk
A5. de samenhang tussen het schadelijk kenmerk en de rasstandaard nader onderzoeken
A6. fokken met dieren van het ras verbieden
B. Specifieke maatregelen voor alle klassen schadelijke kenmerken (klassen 1 en 2)
B1. het scheppen van een basis om van een fokker te eisen dat deze zich op de hoogte stelt of
     een fokdier van een nader aan te geven ras geen lijder of drager is van een kenmerk dat
     voorkomt op de groslijst
B2. fokken met lijders en bekende dragers van het kenmerk verbieden
B3. tentoonstellingsverbod voor dieren die het kenmerk bezitten en bekende dragers
B4. niet in het stamboek opnemen van nakomelingen van dieren die het kenmerk bezitten en
     bekende dragers
B5. onvruchtbaar maken van dieren met een kenmerk (de mogelijkheden hiertoe dienen
     nader onderzocht te worden)
B6. stimuleren van onderzoek naar de genetisch aspecten van het schadelijke kenmerk (de
     erfelijke basis van het kenmerk, markertechnieken, ouder-nakomelingen onderzoek,
     onderzoek op het gebied van de populatiegenetica)
B7. stimuleren van onderzoek gericht op het beter diagnostiseren van een schadelijk kenmerk
B8. dieren zonder gezondheidsbewijs (verklaring vrij te zijn van het schadelijke kenmerk)
     ten aanzien van bepaalde kenmerken uitsluiten van tentoonstellingen en stamboekopna-
     me
B9. onderzoek naar het nader preciseren/omschrijven van het schadelijk kenmerk
B10.Plan van Aanpak met speciale fokmaatregelen laten opstellen door rasvereniging of
     groepering van fokkers met speciale foktechnische maatregelen
4.2.2. Suggesties voor algemene maatregelen
Algemene maatregelen, gericht op het scheppen van een geschikte infrastructuur en een basis
voor de specifieke maatregelen.
1. het inrichten van betrouwbare identificatie- en registratiesystemen
2. registratie van diagnoses aangaande erfelijk bepaalde kenmerken en daaruit voortvloeien-
    de ingrepen. Melding niet alleen door fokkers en eigenaren, maar ook door dierenartsen
    bepaalt de mate van betrouwbaarheid en in samenhang daarmee de effectiviteit van de
    overige maatregelen.
3. erkenning en regulering van stamboeken door de overheid op basis van overeenkomst
    waarin enerzijds de ‘erkende’ organisaties zich verbinden de problematiek serieus aan te
    pakken en anderzijds de overheid aan die organisaties een steun in de rug biedt om die
    opdracht uit te kunnen voeren, ook in geval van minder bereidwilligen
4. bevoegdheden reguleren voor organisaties, verantwoordelijk voor de stamboeken, om
    nakomelingen van ouders met bepaalde kenmerken uit te sluiten van opname in het stam-
    boek
5. bevoegdheden reguleren om dieren met nader aan te geven schadelijke kenmerken uit te
    sluiten van tentoonstellingen (dit betreft o.a. ook de rol van de dierenartsen hierin); hier-
    bij ook de gezondheidsverklaring - onder 6 - benutten
6. het instellen van een nader te preciseren gezondheidsverklaring (“verklaring vrij te zijn
    van bepaalde schadelijke kenmerken”) voor dieren waarmee gefokt wordt (bepalen van
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>     de rol van de verschillende partijen in dit proces, o.a. fokkers, rasverenigingen, dierenart-
     sen en organisaties verantwoordelijk voor de stamboeken)
7.   het scheppen van een basis voor het terugdringen van inteelt, o.a. door het formuleren van
     inteeltlimieten (tijdelijke uitzonderingsmaatregelen voor probleemgevallen bij o.a. kleine
     populaties zullen wellicht moeten worden geformuleerd)
8.   het scheppen van een basis voor het stellen van een maximum aan het aantal dekkingen
     per mannelijk fokdier en het maximum aantal worpen per moederdier (nakomelingen
     boven het maximum worden niet ingeschreven in het stamboek) om beperking van de
     genenpool tegen te gaan
9.   het scheppen van mogelijkheden om indien noodzakelijk van een rasvereniging bepaalde
     maatregelen te eisen neergelegd in een Plan van Aanpak
10.  een analyse van de mogelijkheden om de wet op de productaansprakelijkheid te gebrui-
     ken bij het fokken met dieren met nader aan te duiden schadelijke kenmerken
11.  gerichte voorlichting aan verschillende partijen in het gehele proces van fokkers tot en
     met de kopers van de gefokte dieren
12.  een wettelijk kader scheppen waarbinnen het mogelijk wordt het fokken met dieren van
     een bepaald ras te verbieden
13.  een wettelijk kader scheppen op grond waarvan het verboden kan worden dieren van een
     bepaald ras in Nederland te houden, te verkopen, te verhandelen, te transporteren, etc..
4.3.     Selectie van mogelijke maatregelen
Bij het selecteren van eventuele maatregelen gericht op het terugdringen van schadelijke erfe-
lijke kenmerken spelen diverse aspecten een rol. De verschillende aspecten die mede de
mogelijkheden en de effectiviteit van maatregelen bepalen hangen nauw samen. De hieronder
genoemde aspecten zijn daarom niet onafhankelijk van elkaar en spelen in combinatie een rol.
Per schadelijk kenmerk kan in combinatie met de situatie in het specifieke geval (bij welke
soort en ras(sen)), aan de verschillende aspecten gewicht worden toegekend. Daarvoor is in
dit stadium van de ontwikkeling van de aanpak van de problematiek van schadelijke
raskenmerken bij recreatiedieren geen eenvoudige rationale te geven. Voor een belangrijk
deel betreft het hier ook beleidsbeslissingen die met name samenhangen met de mate van druk
die gewenst wordt geacht om verbeteringen te bereiken.
Het gaat om de volgende aspecten:
4.3.1. Diagnostische mogelijkheden
Een effectief terugdringen van een kenmerk staat of valt met een goede diagnose van de aan-
wezigheid van een kenmerk. Is het kenmerk ondubbelzinnig en met eenvoudige middelen te
diagnostiseren dan kunnen effectiever en sneller maatregelen worden genomen.
De noodzaak van specifieke diergeneeskundige kennis bij de detectie van lijders en dragers,
kan bestrijding complexer maken. In ieder geval zijn er meerdere partijen in de zaak
betrokken. In een aantal gevallen zal het beschikbaar zijn van een DNA-test voor een effectief
bestrijden een zeer gewenst diagnostisch instrument zijn.
Bij een aantal kenmerken zal het kenmerk eerst nader moeten worden gedefinieerd voordat
een effectieve bestrijding mogelijk is. Soms zullen eigenschappen van exterieurkenmerken
(afmetingen of onderlinge verhoudingen van afmetingen) nader moeten worden onderzocht
om aan te kunnen geven wanneer schadelijke effecten ontstaan. Het is dan niet op voorhand
duidelijk wanneer er sprake is van “een ernstige vorm” van het kenmerk, waarop de weging
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>van de schade is gebaseerd. Een dergelijke nadere precisering geldt voor een deel ook voor
ziekten.
4.3.2. De weging van de erfelijke aspecten
Kennis omtrent de erfelijke aspecten is in een afweging van belang om aan te kunnen geven
of selectie op korte termijn op genetische gronden in principe uitvoerbaar is. De wijze waarop
het kenmerk wordt overgedragen op de volgende generatie (monogeen, polygeen, etc.) is van
belang voor het opstellen van een “bestrijdingsplan”.
Indien in het weegmodel een kenmerk het predikaat “urgent maatregelen nemen” krijgt en het
is duidelijk hoe daarop betrouwbaar zou kunnen worden geselecteerd, zou een kenmerk een
hogere prioriteit kunnen krijgen voor het nemen van maatregelen. Indien maatregelen wel
urgent gewenst zijn, maar er onduidelijkheid is hoe het kenmerk erfelijk wordt overgedragen,
zou het kenmerk een hoge prioriteit kunnen krijgen voor het uitvoeren van onderzoek.
Hierbij kan met name gedacht worden aan onderzoek naar DNA-markers voor het detecteren
van dragers van monogeen verervende ziekten, die op een andere wijze niet betrouwbaar zijn
te diagnostiseren.
Daarbij mag echter niet uit het oog worden verloren dat een “bestrijdingsplan” op basis van
de huidige kennis van de fokselectie ook mogelijk is. In dat verband is een goede registratie
van het kenmerk in verband met een ouder-nakomelingen analyse van belang.
Bij polygene vererving van het kenmerk is het minder eenvoudig om effectieve maatregelen
te formuleren. Vaak spelen omgevingsfactoren nadrukkelijk mede een rol. In dat geval gaat
het terugdringen van het kenmerk slechts zeer geleidelijk. Bij jarenlange selectie op dragers
van het kenmerk nivelleert de h2-waarde (de zogenaamde erfelijkheidsgraad). Het tempo van
het terugdringen van het kenmerk is dan nog slechts gering mogelijk of er is slechts sprake
van een in stand houden van de status quo. De selectiemaatregelen zullen in die gevallen
betrekking moeten hebben op met elkaar samenhangende, genetisch bepaalde kenmerken
(bijvoorbeeld het vermijden van snel groeiende, overmatig zware lichaamsbouwtypen met
gelijktijdig slechte bespiering etc.). Daarnaast moet ook nog rekening gehouden worden met
omgevingsfactoren bij het inschatten van de fokwaarde van dieren. Dit maakt dat selectie op
polygene factoren complex is en een goede deskundige begeleiding van een selectieplan zal
vergen. De aanpak van een polygeen kenmerk zal minder eenvoudig zijn en zal meer tijd
vergen.
4.3.3. De effectiviteit van maatregelen in relatie tot de localiseerbaarheid van het
         kenmerk
Voor de effectiviteit van een aanpak is de localiseerbaarheid van het probleem van groot be-
lang. Met localiseerbaarheid wordt hier bedoeld of duidelijk valt aan te geven bij welke
rassen of rasgroepen het schadelijk kenmerk voorkomt. Hiervoor kan mogelijk de in
uitvoering zijnde nulmeting worden gebruikt. Literatuuronderzoek kan een belangrijke
informatiebron zijn, zeker waar het gaat om een beschrijving van de problematiek in onze
buurlanden. In de internationale literatuur is bekend welke rassen in breder verband mogelijke
probleemrassen zijn voor bepaalde schadelijke kenmerken. Dit hoeft in de Nederlandse
situatie niet hetzelfde te zijn.
Daarnaast is een belangrijke ingang het gericht betrekken van liefhebbersverenigingen in de
problematiek. Zeker van problemen die al langer spelen is een goede vereniging op de hoogte.
De (internationale) organisatiegraad en de wijze waarop eventuele maatregelen geïmplemen-
teerd kunnen worden, kunnen de effectiviteit van te nemen maatregelen beïnvloeden. Indien
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>het heel eenvoudig is een maatregel door te voeren in de Nederlandse situatie kan dit de snel-
heid waarmee maatregelen effect sorteren sterk verhogen.
4.3.4. Mogelijkheden om met fokken een verbetering te bereiken
Voor het nemen van maatregelen is het van belang of er met een inzichtelijke en in de praktijk
te hanteren fokmethode verbetering in de situatie kan worden gebracht.
Een belangrijk aspect hierbij is de omvang van de populatie. Bij een kleine populatie kan het
zonder deskundige hulp niet verantwoord zijn om sterk op een kenmerk te selecteren. Er blij-
ven in dat geval te weinig voor de fok geschikte dieren over. In deze gevallen zal een aparte
set maatregelen moeten worden overwogen waarbij deskundige hulp vaak onontbeerlijk is.
In de afweging moet dus worden betrokken of door het eventueel toepassen van fokbeperken-
de maatregelen bij de aanwezigheid van een bepaald schadelijk kenmerk er in het ras andere
problemen kunnen ontstaan. Dit kan bijvoorbeeld door het gebruik van te weinig mannelijke
fokdieren voor de fok. Dit aspect moet bij het formuleren van maatregelen meegenomen
worden.
4.3.5. Organisatiegraad van de fokkers
Naast de localiseerbaarheid van het kenmerk speelt de organisatiegraad van de betrokken
fokkers binnen een ras een belangrijke rol. De aanwezigheid van een goede fokadviescom-
missie die de belangen van fokkers kan behartigen en leiding kan geven aan veranderingspro-
cessen, speelt een belangrijke rol bij het nemen van maatregelen. Bij een goede organisatie
zal het sneller mogelijk zijn effectieve maatregelen te nemen.
4.3.6. Draagvlak
De aanwezigheid van een draagvlak voor de bestrijding van een schadelijke kenmerk kan de
effectiviteit in grote mate bepalen. Belangrijk is daarom of er voor eventuele maatregelen
naar verwachting een draagvlak bij de betrokken vereniging(en)/fokkers aanwezig of te
realiseren is. In een aantal gevallen zal blijken dat een vereniging een bestaand probleem
binnen hun ras graag wil terugdringen en hulp daarbij zal toejuichen. Dit aspect kan de
prioriteit om maatregelen te nemen beïnvloeden.
Van belang is ook of er al een fokbeleid wordt gevoerd waarbij getracht wordt de dragers van
een schadelijk kenmerk uit te sluiten van de fok. In dat geval kan het ondersteunen van dit
beleid de effectiviteit van maatregelen en daarmee de prioriteit beïnvloeden.
4.4.    Checklist
4.4.1. Inleiding
De Werkgroep wil op dit moment niet verder gaan dan het presenteren van een checklist die
tot een eerste selectie van mogelijke maatregelen kan leiden.
Er wordt vanuit gegaan dat alle door de werkgroep genoemde schadelijke kenmerken in de
groslijst een genetische basis hebben. Deze erfelijke aanleg is de oorzaak van een fysiologisch
of gedragsmatig afwijkend functioneren.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>Voor het terugdringen van een schadelijk kenmerk is een zo goed mogelijke duiding van de
oorzaak van de schade van primair belang. De oorzaak van het ontstaan zal immers de eerste
aanwijzing geven voor een mogelijke aanpak van het terugdringen van de schade door het
kenmerk.
Een beknopte omschrijving van de schade die door een kenmerk ontstaat wordt gegeven in
het gedeelte ‘Beschrijving, typering en weging van schadelijke erfelijke kenmerken’. Uit deze
omschrijvingen is af te leiden waaruit de schade bestaat. De checklist sluit hierop aan. De
checklist geeft een voorbeeld van een mogelijke aanpak en dient nog nader te worden
gepreciseerd. In de checklist wordt verwezen naar de maatregelen zoals die hiervoor onder
het kopje ‘Overzicht van mogelijke maatregelen’ zijn opgenomen.
Met klem wijst de Werkgroep erop dat de checklist gezien moet worden als een grove
determineertabel om ordening aan te brengen. Hij wordt bijgevoegd om aan te duiden hoe in
principe stapsgewijs een afweging is te maken. De complexiteit en variatie in de problematiek
van erfelijke schadelijke kenmerken vereisen een zorgvuldige en op het specifieke probleem
gerichte werkwijze.
4.4.2. Voorbeeld van een checklist voor de selectie van maatregelen
Onderstaande checklist beoogt aan te geven hoe in principe systematisch tot een selectie van
mogelijke maatregelen gekomen kan worden.
Vraag 1: Is er sprake van een kenmerk dat uitwendig waarneembare (door fokker en/of
dierenarts) schade veroorzaakt?
ja; verder bij vraag 2
neen; verder bij vraag 11
Vraag 2: Wordt de schade direct veroorzaakt door een aspect of aspecten van het exterieur
omschreven in de rasstandaard die worden gezien als gewenste kenmerken?
ja; verder bij vraag 3
neen/gedeeltelijk/mogelijk; verder bij vraag 4
Vraag 3: Vormt het schadelijke kenmerk of een combinatie van schadelijke kenmerken een
vereist kenmerk van het ras?
ja; maatregelen A6 of eventueel A1
neen; verder bij vraag 4
Vraag 4: Wordt de schade veroorzaakt door een aspect of aspecten van het exterieur omschre-
ven in de rasstandaard door de wijze waarop de rasstandaard geïnterpreteerd wordt (overtype-
ring*)?
ja; maatregelen onder A1, A2, A3 , zo nodig A4 of A5, B2 of B4 overwegen, nagaan of B10
wenselijk is
neen; verder bij vraag 5.
* Overtypering betreft extreme vormen van in de rasstandaard genoemde eigenschappen.
Hierbij is ook aan de orde een “onjuiste” interpretatie van de rasstandaard die kan ontstaan
door de wijze waarop de standaard is geformuleerd (soms is dit ook toe te schrijven aan de
vertaling van de oorspronkelijke rasstandaard). Indien de vraag met ja wordt beantwoord kan
duidelijk worden aangegeven bij welk(e) ras(sen) het kenmerk voorkomt.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>Vraag 5: Wordt de schade (deels) indirect* veroorzaakt door een aspect of aspecten van het
exterieur omschreven in de rasstandaard?
ja; maatregelen A1, A2 verduidelijken om schadelijke bij effecten te voorkomen, A3 , zo
nodig A4, A5, B2 of B4 overwegen, nagaan of B10 wenselijk is
neen; verder bij vraag 6
* Schadelijke erfelijke kenmerken die indirect met de rasstandaard samenhangen zijn
kenmerken met ongewenste neveneffecten door eigenschappen die door de fokkerij worden
nagestreefd of tenminste worden geaccepteerd.
Vraag 6: Wordt de schade indirect veroorzaakt doordat het kenmerk genetisch een samenhang
vertoont met een aspect of aspecten van het exterieur omschreven in de rasstandaard?
Ja; verder bij vraag 7
Neen; verder bij vraag 8
Vraag 7: Is de genetische samenhang tussen het exterieur kenmerk en het schadelijke kenmerk
bekend?
ja; verder bij vraag 8
neen; maatregelen B6
Vraag 8: Is het mogelijk het aspect (aspecten) van het exterieur dat (die) de schade (indirect)
veroorzaakt (veroorzaken) precies aan te geven?
ja ; A1, B2, B3, B4, B8
neen ; maatregelen B7
Vraag 9: Is er sprake van een schadelijk kenmerk dat geen samenhang vertoont met de
rasstandaard (of waarvan die samenhang geheel onbekend is) en waarvan de diagnose dat het
schadelijk kenmerk aanwezig is duidelijk te stellen is met behulp van (specifieke) diergenees-
kundige kennis of een specifieke (DNA) test?
ja ; verder bij vraag 10
neen/twijfelachtig; maatregelen B7
Vraag 10: Is het kenmerk te herkennen voor de geslachtsrijpe leeftijd?
ja ; verder bij vraag 11
neen ; maatregelen B7, B6 (indien de dieren niet voor de geslachtsrijpe leeftijd te herkennen
zijn zal ouder-nakomelingen (verwanten)onderzoek kunnen bijdragen tot het terugdringen van
het kenmerk), B2
Vraag 11: Is het kenmerk monogeen dominant overervend, duidelijk en voor de geslachtsrijpe
leeftijd te herkennen (diagnose door dierenarts al dan niet met behulp van specifieke test)?
 ja, de lijders zijn duidelijk te herkennen; maatregelen B1, B2, B3, B4, B8, in afhankelijkheid
van de mate van voorkomen B10, in bijzondere gevallen B5
neen; verder bij vraag 12
Vraag 12: Is het kenmerk monogeen dominant overervend, duidelijk maar eerst na de
geslachtsrijpe leeftijd te herkennen (diagnose door dierenarts al dan niet met behulp van
specifieke test)?
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>ja; maatregelen B7 (indien de dieren niet voor de geslachtsrijpe leeftijd te herkennen zijn zal
ouder-nakomelingen (verwanten)onderzoek kunnen bijdragen tot het terugdringen van het
kenmerk), B2, in afhankelijkheid van de mate van voorkomen B10
neen; verder bij vraag 13
Vraag 13: Is het kenmerk monogeen recessief overervend en zijn de homozygote lijders
duidelijk eenduidig en op vroege leeftijd te herkennen?
ja de dragers zijn duidelijk te herkennen; maatregelen B1, B2, B3, B4,B8; in extreme gevallen
B5 overwegen;
neen; verder bij vraag 14
Vraag 14: Is het kenmerk monogeen recessief overervend en zijn dragers duidelijk eenduidig
en op vroege leeftijd te herkennen met behulp van een DNA test?
ja de dragers zijn duidelijk te herkennen; maatregelen B1, B2, B3, B4, B8; in extreme
gevallen B5 overwegen
neen; verder bij vraag 15
Vraag 15: Is het kenmerk polygeen overervend, duidelijk eenduidig en voor de geslachtsrijpe
leeftijd te herkennen?
ja ; maatregelen B2, B3, B4, B8; in extreme gevallen B5 overwegen
neen;
Vraag 16: Is het kenmerk polygeen overervend, duidelijk eenduidig en eerst na de geslachts-
rijpe leeftijd te herkennen?
ja ; ouder-nakomelingen onderzoek; maatregelen B2, B3, B4, B8; in extreme gevallen B5
overwegen
neen ; verder onderzoek naar diagnostische mogelijkheden nodig
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>