<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Fokken met recreatiedieren
       Den Haag
        juni 2002
      RDA 2002/03
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>                              Fokken met recreatiedieren
                                      Den Haag
                                       juni 2002
                                     RDA 2002/03
Rapport van de Werkgroep fokken met recreatiedieren
van de Raad voor dierenaangelegenheden
Postbus 90428
2509 LK Den Haag
Telefoon: 070-3785266
Fax: 070-3786336
e-mail: info@rda.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>                                               1
Inhoudsopgave
       Inhoudsopgave                                                                  1
       Voorwoord                                                                      3
1.     Inleiding                                                                      5
2.     Werkwijze, opbouw van het rapport                                              7
2.1.   Model voor de gradering en rubricering van schadelijke erfelijke kenmerken bij
       recreatiedieren                                                                7
2.2.   Ontwikkeling van lijsten met schadelijke erfelijke kenmerken                   7
2.3.   Beschrijving en typering van de in de lijsten genoemde schadelijke, erfelijke
       kenmerken                                                                      8
2.4.   Mogelijke maatregelen                                                          9
3.     Weging                                                                         11
3.1.   Wegingsmethode                                                                 11
3.2.   De werkwijze van de weging in de praktijk                                      13
3.3.   Procedure voor prioritering                                                    16
3.4.   Bijgestelde werkwijze voor prioritering                                        16
4.     Mogelijke maatregelen                                                          19
4.1.   Inleiding                                                                      19
4.2.   Overzicht van mogelijke maatregelen                                            19
4.2.1. Suggesties voor specifieke maatregelen                                         20
4.2.2. Suggesties voor algemene maatregelen                                           21
4.3.   Selectie van mogelijke maatregelen                                             22
4.3.1. Diagnostische mogelijkheden                                                    22
4.3.2. De weging van de erfelijke aspecten                                            23
4.3.3. De effectiviteit van maatregelen in relatie tot de lokaliseerbaarheid van het
       kenmerk                                                                        23
4.3.4. Mogelijkheden om met fokken een verbetering te bereiken                        24
4.3.5. Organisatiegraad van de fokkers                                                24
4.3.6. Draagvlak                                                                      24
4.4.   Checklist                                                                      25
4.4.1. Inleiding                                                                      25
4.4.2. Voorbeeld van een checklist voor de selectie van maatregelen                   25
5.     Schadelijke erfelijke kenmerken bij honden                                     29
6.     Schadelijke erfelijke kenmerken bij katten                                     45
7.     Schadelijke erfelijke kenmerken bij konijnen en knaagdieren                    51
8.     Schadelijke erfelijke kenmerken bij paarden                                    53
9.     Schadelijke erfelijke kenmerken bij sierhoenders                               ..
10.    Schadelijke erfelijke kenmerken bij sierduiven                                 ..
11.    Schadelijke erfelijke kenmerken bij siervogels                                 ..
12.    Schadelijke erfelijke kenmerken bij vissen                                     ..
Bijlage 1. W.J. Netto. De ontwikkeling van een model voor de gradering en rubricering
            van schadelijke erfelijke kenmerken bij recreatiedieren (1998) + addendum
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>2</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>                                                3
Voorwoord
In juni 1998 verscheen het rapport fokken met recreatiedieren van de Werkgroep fokken met
recreatiedieren van de Raad voor dierenaangelegenheden (RDA).
De belangrijkste reden om nu een nieuwe versie van dit rapport uit te brengen is dat het
rapport van juni 1998 zich beperkt tot de fokproblematiek bij honden en katten. Thans is
hieraan toegevoegd de problematiek van de schadelijke erfelijke kenmerken bij konijnen,
knaagdieren, sierhoenders, sierduiven, sier-/volièrevogels, vissen en paarden.
Bovendien zijn, naar aanleiding van contacten met de betrokken liefhebbersorganisaties over
het rapport van juni 1998 en voortgaand overleg in de Werkgroep, een aantal aanvullingen en
correcties aangebracht. In dit nieuwe rapport worden, anders dan het geval is in het rapport
van 1998, de scores van zowel de aantasting van het welzijn, de gezondheid als de integriteit
aangegeven. De Werkgroep komt hiermee tegemoet aan de door het veld geuite wens om
meer inzicht te krijgen in de werkwijze van de Werkgroep.
Nieuw is een nadere toelichting en uitwerking van de wijze waarop de integriteitsaantasting
in een score wordt uitgedrukt. Dit is in een addendum toegevoegd aan het rapport “De
ontwikkeling van een model voor de gradering en rubricering van schadelijke erfelijke
kenmerken bij recreatiedieren”, van W. J. Netto, mei 1998.
De Werkgroep heeft geconstateerd, dat de problematiek van het fokken met honden en katten
volop in de belangstelling staat. Het is verheugend dat inmiddels op verschillende fronten
initiatieven zijn ontplooid en nog verder worden ontwikkeld en ingevuld om de schade die de
dieren ondervinden door (extreme) exterieurkenmerken, aandoeningen en ziekten terug te
dringen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>4</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>                                                  5
1.      Inleiding
Artikel 55 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (GWWD) biedt de mogelijkheid
regels te stellen met betrekking tot het fokken met dieren. Tijdens het debat in de Tweede
Kamer op 12 december 1995 over de verdere invulling van de GWWD heeft de Tweede
Kamer aangedrongen op regelgeving op het gebied van recreatiedieren in plaats van zelfregu-
lering. De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV) heeft de Tweede Kamer
in zijn brief van 12 juni 1996 laten weten in de komende periode een aanzet te geven tot het
opstellen van een Algemene Maatregel van Bestuur waarin regels worden gesteld met
betrekking tot het fokken van recreatiedieren, gebaseerd op artikel 55 GWWD.
Het Ministerie van LNV heeft de RDA gevraagd in dit kader een rapport op te stellen. Dit
rapport zou de volgende onderdelen moeten bevatten:
• criteria om welzijnsbeperkingen te kunnen vaststellen
• groslijst van schadelijke erfelijke kenmerken
• informatie over kenmerken in de groslijst
• prioriteitsvolgorde bij de groslijst
• mogelijke maatregelen ter bestrijding van de problemen.
Het rapport is opgesteld door de door de Afdeling welzijnsvraagstukken van de RDA
ingestelde Werkgroep fokken met recreatiedieren, die als volgt is samengesteld:
− Prof.Dr. J. Bouw, deskundige op het gebied van gezelschapsdieren
− Mw.Drs. J.H.C. Brooymans, Platform Verantwoord Huisdierenbezit (vanaf maart 1999)
− Mw.Drs. H.R. Chalmers Hoynck van Papendrecht, Koninklijke Nederlandse Maatschappij
   voor Diergeneeskunde
− Mw.Ir. M. de Jong, Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren
− Mw.Ir. L.A.M. Kuijpers, Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
− Drs.Ing. W.J. Netto, Universiteit Utrecht, Faculteit Biologie, deskundige op het gebied van
   welzijn van dieren
− Prof.Dr. B.A. van Oost, Universiteit Utrecht, Faculteit der Diergeneeskunde, Vakgroep
   Geneeskunde van Gezelschapsdieren, deskundige op het gebied van erfelijkheid van dieren
− Mw.Drs. C. Torenbeek, Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren, vanaf
   23 maart 1999
− Mr. H.G. van Waveren, Raad voor dierenaangelegenheden (voorzitter)
Voordat in de volgende hoofdstukken de vijf door het Ministerie van LNV gevraagde
onderdelen aan bod komen wil de Werkgroep enkele kanttekeningen plaatsen.
Aan het rapport fokken met recreatiedieren ligt geen uitgebreide, grondige literatuurstudie ten
grondslag. Evenmin lag het op de weg van de Werkgroep om zelf onderzoek uit de (laten)
voeren. Gewerkt is op basis van de eigen expertise binnen de Werkgroep. Daarnaast zijn
diverse eerstelijnspractici, klinisch specialisten en enkele andere ter zake deskundigen
geconsulteerd en is er contact geweest met diverse representanten van betrokken liefhebbers-
organisaties.
De problematiek van het fokken met recreatiedieren is omvangrijk, divers en complex. De
Werkgroep heeft een aantal inperkingen van deze problematiek aangebracht waardoor deze
naar haar oordeel beter hanteerbaar wordt en effectiever aangepakt kan worden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>                                                 6
De problematiek is beperkt tot schade aan dieren, veroorzaakt door (extreme) exterieurken-
merken, aandoeningen en ziekten: schadelijke erfelijke kenmerken.
Het aantal soorten dieren die als recreatiedier worden gehouden is bijzonder groot. Gekozen
is voor de beperking tot die diersoorten, waar de fokproblematiek zich in het algemeen het
sterkst voordoet: rasdieren van honden, katten, konijnen, knaagdieren, sierhoenders, sierdui-
ven, sier-/volièrevogels, vissen en paarden.
Het aantal schadelijke erfelijke kenmerken alleen al bij honden en katten loopt in de vele
honderdtallen. Een groslijst die al deze kenmerken zou bevatten is niet of nauwelijks te
produceren en zou ook niet functioneel zijn. De Werkgroep heeft zich beperkt tot die
schadelijke erfelijke kenmerken, die op grond van de door haar toegepaste weegmethode zo
ernstig werden bevonden, dat zij als urgent werden aangemerkt. Binnen deze groep van
urgente schadelijke erfelijke kenmerken is een verdeling aangebracht in kenmerken met eerste
prioriteit en kenmerken met tweede prioriteit. Naar het oordeel van de Werkgroep zullen de
kenmerken met het predikaat eerste prioriteit als eerste voor een aanpak in aanmerking
moeten komen. Overigens wil de Werkgroep met klem benadrukken, dat, op grond van het
uitgangspunt dat het ongewenst is dat recreatiedieren in hun welzijn, gezondheid en/of
integriteit worden aangetast door erfelijke gebreken, ook minder urgente kenmerken
teruggedrongen moeten worden.
Tenslotte wijst de Werkgroep er nog op dat het onderdeel “mogelijke maatregelen” zich,
zoals de titel ook aangeeft, beperkt tot het aangeven van maatregelen waaraan gedacht kan
worden om de fokproblematiek terug te dringen. Gezien de complexiteit en variatie in de
problematiek is op geen enkele wijze een koppeling gemaakt tussen maatregelen, schadelijke
erfelijke kenmerken en diersoorten of -rassen. Een checklist is toegevoegd als suggestie hoe
in principe stapsgewijs een selectie van mogelijke maatregelen is te maken.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>                                                       7
2.      Werkwijze, opbouw van het rapport
2.1.     Model voor de gradering en rubricering van schadelijke erfelijke kenmerken bij
         recreatiedieren
Bij zeer verschillende soorten en rassen recreatiedieren, die worden gefokt, wordt schade aan
de dieren veroorzaakt door (extreme) exterieurkenmerken, aandoeningen en ziekten. Het is
moeilijk deze schade zonder systematiek op een objectieve wijze te beoordelen. Voor het on-
derbouwen van maatregelen tegen het fokken met dieren met mogelijke schadelijke erfelijke
kenmerken is een objectieve beoordeling van de uiteenlopende kenmerken bij verschillende
soorten en rassen nodig. Als beslissingsondersteunend systeem is een weegmodel een goed
hulpmiddel om bij een veelheid van ongelijksoortige potentieel schadelijke erfelijke kenmer-
ken tot een zo veel mogelijk objectief oordeel te komen.
Op verzoek van de Werkgroep is dan ook door het Werkgroeplid W.J. Netto een weegmodel
ontwikkeld. De daarbij gevolgde werkwijze van regelmatige en intensieve bespreking van het
weegmodel gedurende de ontwikkeling heeft er in geresulteerd dat de Werkgroep meent dat
het weegmodel een goed instrument is om zo objectief mogelijk vast te stellen wanneer een
kenmerk schade veroorzaakt en wat de ernst van de schade is. Urgentiebepaling van schade-
lijke erfelijke kenmerken vindt in dit rapport dan ook plaats met gebruikmaking van het
weegmodel.
2.2.     Ontwikkeling van lijsten met schadelijke erfelijke kenmerken
De lijsten met schadelijke erfelijke kenmerken zijn in een aantal stappen ontwikkeld.
De Werkgroep heeft voor de voor haar werk relevante diersoorten werklijsten van schadelijke
erfelijke kenmerken opgesteld, met als uitgangspunt dat het erfelijke kenmerken betreft die
ernstige schade veroorzaken. Daarbij is gebruik gemaakt van eigen expertise binnen de
Werkgroep, consultatie van eerstelijnspractici, klinisch specialisten en enkele andere terzake
deskundigen. Met representanten van de betrokken liefhebbersorganisaties is mondeling en
schriftelijk contact geweest. Onderzoek en uitgebreide literatuurstudies zijn niet verricht. Wel
heeft de Werkgroep een aantal voor haar werk relevante studies en publicaties benut. 1
Vervolgens zijn de schadelijke erfelijke kenmerken van de werklijsten van de Werkgroep
gewogen met behulp van het weegmodel. De lijsten met schadelijke erfelijke kenmerken bij
de verschillende recreatiediersoorten, die in dit rapport zijn opgenomen, bevatten die
kenmerken, die met gebruikmaking van het weegmodel een zo hoge weegscore kregen, dat zij
vallen in de categorie eerste of tweede prioriteit. Met name voor de kenmerken die behoren
tot de categorie eerste prioriteit geldt dat het treffen van maatregelen urgent is.
1
  Onder meer:    “Mooi, mooier, mooist; schadelijke raskenmerken bij honden” (LNV, 1988)
                 “Wie mooi moet zijn; schadelijke raskenmerken bij katten” (LNV, 1992)
                 “Tussenvoorstel” als reactie op de startnotitie Fokken recreatiedieren (LNV, 1994)
                 “Gutachten zur Auslegung des Tierschutzgesetzes (BML Sachverstandigengruppe,
                 Tierschutz und Heimtierzucht, 1997)
                 “Fehlentwicklungen in der Haustierzucht (Bartels, Wegner, Ferdinand Euke Verlag,
                 Stuttgart, 1998)
                 “Fokken, wat doen wij er zelf aan” (Stichting OverlegPlatform van de Nederlandse CatFancy,
                 1998)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>                                                 8
Uitdrukkelijk wijst de Werkgroep erop dat de lijsten aangeven welke kenmerken thans als
eerste een aanpak behoeven, maar dat zeker niet gesproken kan worden over een statische
situatie. Daarnaast verdienen ook nu niet als "urgent maatregelen nemen" aangemerkte
schadelijke erfelijke kenmerken aandacht.
2.3.    Beschrijving en typering van de in de lijsten genoemde schadelijke
        erfelijke kenmerken
Van de in de lijsten opgenomen kenmerken is een korte beschrijving van het kenmerk
opgenomen. Afhankelijk van de mate waarin daarover gegevens beschikbaar waren, is per
kenmerk vervolgens een typering gegeven van een aantal relevante aspecten. Veel schadelijke
erfelijke kenmerken zullen in verschillende gradaties voorkomen. De typering betreft steeds
een ernstige vorm van het kenmerk.
Met het oog op het wegen van de aantasting van het welzijn door het schadelijke erfelijke
kenmerk is bij elk kenmerk de pijnlijkheid en/of hinder (voorzover dat diergeneeskundig kan
worden vastgesteld) getypeerd in een onderverdeling in:
• pijnlijk
• zeer pijnlijk
• hinderlijk/lastig
• zeer hinderlijk/zeer lastig
Daarnaast is op basis van het tijdstip van ontstaan onderverdeling aangebracht in:
• stoornissen die voor de geboorte ontstaan zijn
• stoornissen die direct na de geboorte ontstaan zijn
• ontwikkelingsstoornissen die gedurende het leven ontstaan
Voor de beoordeling van gezondheidsaantasting is de levensverwachting aangeduid,
onderverdeeld in:
• sterfte kort voor, tijdens of kort na de geboorte
• levensbedreigend op korte termijn (acute sterfte)
• levensbedreigend op lange termijn (chronische ziekten met dodelijke afloop)
• sterfte bij noodzakelijke euthanasie
• de vitaliteit is aangetast, maar dieren kunnen er oud mee worden
In de beschrijving en typering van de schadelijke erfelijke kenmerken is de aantasting van de
integriteit alleen aangegeven voorzover er sprake is van “rest-integriteitsaantasting” (zie
voor toelichting paragraaf 3.1).
Indien bij het scoren van de welzijns-, gezondheids- en/of integriteitaantasting de grensscore
voor eerste prioriteit niet wordt bereikt, wordt het ingeschatte aantal dieren dat schade onder-
vindt van het kenmerk bij het oordeel betrokken. In dat geval is daarover in de beschrijving
informatie gegeven.
Het rapport bevat uitsluitend schadelijke kenmerken waarvan vaststaat dat ze een erfelijke
basis hebben. Aangezien de wijze van vererving een belangrijk gegeven is voor het selecteren
van mogelijke maatregelen om het schadelijke erfelijke kenmerk terugdringen, bevat dit
rapport ook informatie over de erfelijke aanleg. Deze informatie is echter verre van compleet
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>                                               9
en is niet relevant voor het aanmerken van een schadelijk erfelijk kenmerk als eerste of
tweede prioriteit.
Ook voor de veelal bij een kenmerk aangegeven wijze waarop het kenmerk kan worden
waargenomen, geldt dat deze informatie alleen is toegevoegd, omdat de waarneembaarheid
van betekenis is bij de keuze van mogelijke maatregelen.
2.4.     Mogelijke maatregelen
Het onderdeel “Mogelijke maatregelen” geeft weer aan welke maatregelen gedacht kan wor-
den om schadelijke erfelijke kenmerken bij recreatiedieren terug te dringen, en op welke
wijze een keuze van maatregelen gemaakt zou kunnen worden. Bij het selecteren van
maatregelen spelen diverse aspecten een rol. Deze worden eveneens aangeduid. Een gewicht-
stoekenning van deze aspecten heeft de Werkgroep achterwege gelaten. Dit betreft in
belangrijke mate een beleidskwestie. Wel presenteert de Werkgroep een checklist die tot een
eerste selectie van mogelijke maatregelen kan leiden. Deze checklist moet gezien worden als
een voorbeeld van een mogelijke aanpak. Hij geeft aan hoe in principe stapsgewijs een
afweging is te maken. De complexiteit en variatie in de problematiek van erfelijke schadelijke
kenmerken vereisen een zorgvuldig en op het specifieke probleem gericht gebruik van deze
checklist.
In dit rapport is geen koppeling gemaakt van maatregelen met schadelijke kenmerken, en ook
dus niet met bepaalde diersoorten of -rassen. Bij het ontwikkelen van het onderdeel "moge-
lijke maatregelen" was de aandacht vooral gericht op honden en katten. Veel van de genoem-
de instrumenten zullen echter ook bij andere recreatiedieren, wellicht in aangepaste vorm,
bruikbaar zijn.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>10</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>                                                 11
3.       Weging
3.1.     Wegingsmethode
Al eerder is aangegeven dat de Werkgroep voor het bepalen van de schade die door fokken bij
recreatiedieren kan ontstaan gebruik heeft gemaakt van een weegmodel. Een volledige be-
schrijving van dit model is te vinden als bijlage 1 (W.J. Netto, De ontwikkeling van een
model voor de gradering en rubricering van schadelijke erfelijke kenmerken bij recreatiedie-
ren. (1998)).
Op deze plaats wordt volstaan met een overzicht van de wijze van scoren volgens het weeg-
model en de achtergronden van een aantal uitgangspunten.
Aan dieren wordt als uitgangspunt van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren een
intrinsieke waarde toegekend (GWWD; zie ook de toelichting op de wet en de mondelinge
behandeling van het wetsvoorstel in de Kamer). Op grond daarvan dient de integriteit van
dieren te worden gerespecteerd. De wet stelt daarom regels voor de gezondheid en het welzijn
van dieren en gaat daarbij uit van het “nee-tenzij”-beginsel.
Welzijn en gezondheid zijn complexe begrippen. In de wet is niet aangegeven wat onder deze
begrippen moet worden verstaan. Over het definiëren van deze begrippen bestaan meerdere
opvattingen, ook onder deskundigen. Voor de Werkgroep is het noodzakelijk invulling te
geven aan deze begrippen, wil men tot een zo objectief mogelijke beoordeling van de schade-
lijkheid van een kenmerk komen.
Bij deze invulling is gekozen voor een aantal omschrijvingen en typeringen die op sommige
punten afwijken van hetgeen in het dagelijks leven en binnen bepaalde disciplines gebruike-
lijk is.
Vanuit hun discipline gebruiken dierenartsen voor “schade” de kapstok "ziek" en definiëren
en typeren zij schade aan dieren, op historische gronden, vooral in termen van gezondheid en
ziekte. De dierenarts is vooral bij het dier betrokken indien het dier "ziek" is. Biologen, in het
bijzonder ethologen en gedragsbiologen, benaderen het functioneren van dieren als er sprake
is van storingen vooral in termen van welzijn. Dit vooral omdat er met het dier veel mis kan
zijn (bijv. in geval van distress en stress), zonder dat men kan spreken van "ziek" zijn. Wel is
er een relatie tussen beide, want overmatige stress kan tot ziek worden leiden. In veel
gevallen van schade aan recreatiedieren door fokken kan men niet spreken van “ziek zijn” in
de meest gebruikelijke betekenis van het woord.
Ook op andere terreinen van het gebruik van dieren heeft men ingezien dat het werken met
termen als ziek en gezond vaak niet bruikbaar of toereikend is (bijvoorbeeld bij proefdieren)
en spreekt men bijvoorbeeld over ongerief. Bij de invulling van dit begrip blijkt dat het vaak
gaat om aspecten van schade aan het dier toegebracht die ook wel worden samengevat onder
het kapstokbegrip “welzijn”. Daarbij speelt ook het begrip pijn een belangrijke rol. Bij proef-
dieren is de aantasting van het welzijn of het veroorzaken van pijn in het kader van een expe-
riment in verhouding tot de schade bij recreatiedieren relatief veelal van korte duur. Bij
recreatiedieren met schadelijke kenmerken gaat het vaak om pijn of aantasting van het welzijn
voor zeer lange perioden. Omdat dit meestal het geval is, is de duur van de schade niet als
aparte parameter in de beschouwing opgenomen. Wel wordt gecorrigeerd indien de schade
door een kenmerk duidelijk van kortere duur is. De schade door welzijnsaantasting kan ook
consequenties hebben voor de levensduur van een dier. Dit laatste aspect is niet goed onder de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>                                                 12
gangbare definities van welzijn te vangen. In die zin zijn de begrippen welzijn en gezondheid
zoals hier gedefinieerd elkaar aanvullende begrippen.
Voor het goede begrip is het nuttig op te merken dat bij de aantasting van het welzijn vooral
moet worden gedacht aan zaken waar het dier door lijdt of tenminste waar het dier last of
hinder van heeft. Een doof dier is in die optiek niet ziek maar een dier heeft er wel hinder van.
Bij een hartprobleem waar het dier geen hinder van heeft is er geen aantasting van welzijn,
maar het dier heeft wel een gezondheidsprobleem en men kan zeggen dat het dier ziek is. Dit
laatste kan er toe leiden dat het dier voortijdig dood gaat. Dat wordt bij gezondheid gescoord.
Alle vormen van pijn, (dis)stress, hinder, ongerief en aantasting van het soortspecifieke
gedrag worden ondergebracht onder het verzamelbegrip “welzijn”. Ook gevolgen van ziekten,
zoals pijn en disstress (bijv. als gevolg van jeuk) zijn dus in beschouwing genomen bij de
beoordeling van het welzijn. Er is gekozen voor het onderbrengen van al deze verschillende
vormen van welzijnsaantasting in drie in de praktijk hanteerbare klassen. Er is niet gedifferen-
tieerd tussen pijn en distress, beide zijn zeer ernstig. Ook tussen stress en angst is niet
gedifferentieerd. Angst kan leiden tot stress. In een ernstige vorm worden beide aangemerkt
als ernstige schade. De derde klasse binnen welzijn is een soort restcategorie met verschillen-
de vormen van welzijnsaantasting die ernstige tot matige schade veroorzaken. Voor het doel
van de Werkgroep is een verdere differentiatie niet zinvol.
Dan blijven voor de beoordeling van de gezondheid alleen die schadelijke kenmerken over
“waar het dier geen weet van heeft”, maar die wel leiden tot een voortijdig overlijden. Ook
kan de (daaraan voorafgaande) ziekte leiden tot een afname van de vitaliteit (“niet fit zijn”,
“vermoeid”, “lusteloos”, etc), zonder dat precies is aan te geven op welke wijze het welzijn
van het dier is aangetast. Ook dit is gescoord bij aantasting van de gezondheid. Voor een
uitvoeriger uiteenzetting en de definities van welzijn en gezondheid wordt verwezen naar
Bijlage 1.
Door de fokkerij kan de integriteit van dieren worden aangetast door verminderen van welzijn
en gezondheid. Daarmee is de kous nog niet af. De fokkerij kan ook resulteren in een
verandering in het dier waar het dier zich voor een groot deel aan kan aanpassen en dat er ook
niet toe leidt dat het dier voortijdig dood gaat. Doordat het dier zich aanpast is niet aanneme-
lijk te maken, op grond van objectief meetbare criteria, dat het dier lijdt en dat daarom het
welzijn volgens de gekozen definities is aangetast. Ook kan het zijn dat door het grote
aanpassingsvermogen van dieren het welzijn slechts in beperkte mate is aangetast. Een dier
dat doof geboren wordt weet niet beter en leert leven met deze handicap.
Duidelijk is echter dat het dier afwijkende mogelijkheden heeft van zijn "normale complete"
soortgenoot. Indien er dieren met dergelijke kenmerken worden gefokt is er ook sprake van
het niet respecteren van de intrinsieke waarde van het dier en van een aantasting van de inte-
griteit. Deze aantasting wordt in de literatuur ook wel ondergebracht onder de noemer de aan-
tasting van de “heelheid en de gaafheid”. Duidelijk zal zijn dat indien er sprake is van aantas-
ting van welzijn en gezondheid er ook sprake kan zijn van aantasting van de heelheid en de
gaafheid.
Indien de aantasting van “welzijn” en “gezondheid” bij de weging al worden gescoord kan
een beoordeling van de heelheid en de gaafheid die daarin nog niet tot uitdrukking is gebracht
worden opgevat als "rest-integriteitsaantasting". Dit betreft dan schade die men tot op zekere
hoogte wel concreet kan duiden, maar die niet goed is onder te brengen bij de gedefinieerde
begrippen welzijn en gezondheid. Voor deze rest-integriteitsaantasting zijn aanvullende defi-
nities opgesteld (zie het Addendum bij het Rapport van W.J.Netto in bijlage 1). Uit de daarin
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>                                                       13
gehanteerde definities voor “integriteit”, die in overleg met de Werkgroep zijn opgesteld,
blijkt dat de omschreven toestanden veelal zullen leiden tot aantasting van welzijn en gezond-
heid. Waar het mogelijk was is dat bij de weging daar al ondergebracht. Wat over blijft aan
schade is gescoord bij de complementerende parameter “(rest)-integriteit”.
De aantasting van de “rest-heelheid en de gaafheid”(“rest-integriteit”) is dus een volwaardige
completerende categorie om aspecten te scoren die, zonder de definities van de andere twee
categorieën - welzijn en gezondheid - geweld aan te doen, daar niet worden gescoord. Er is
echter wel degelijk sprake van een wezenlijke schade die het dier wordt toegebracht. Indien
het scoresysteem het terugdringen van doofheid niet als een urgente zaak zou typeren, schiet
het systeem te kort. Door de “rest-integriteit” te scoren als een complementaire score wordt
dit voorkomen. Bij de scoring is zoveel mogelijk voorkomen dat er een overlap optreedt bij
de scoring op de verschillende parameters. Indien bij de scores bij Integriteit staat: n.v.t., dan
is de Werkgroep van oordeel dat in de scores bij welzijn en gezondheid de totale aantasting
van de integriteit voldoende tot uitdrukking is gebracht. Een aparte score bij “rest-integriteit”
is dan niet meer nodig en mogelijk.
Weging van de schade krijgt pas betekenis indien aan de weging oordelen kunnen worden
gekoppeld. Daarvoor is het nodig normen of grenzen te formuleren. Deze normen worden
gerelateerd aan het doel van de weging. De gekozen waarden voor de scores sluiten aan bij dit
doel. De scores zijn arbitrair maar niet willekeurig. De scores en de grenswaarden (normen)
zijn zo gekozen dat zij bij ernstige schade het oordeel “eerste prioriteit” of “tweede prioriteit”
volgt. Voor kenmerken die behoren tot de categorie eerste prioriteit is het nemen van maat-
regelen het meest urgent. Of het model in alle gevallen goed functioneert moet uiteindelijk
door deskundigen worden gecontroleerd. Zij bepalen de uiteindelijke prioriteit. Waar de grens
voor maatregelen ligt wordt vervolgens bepaald door de beleidsmakers.
Naar aanleiding van discussies met het veld is er in afwijking van de eerste versie van het
rapport, en de daarin beschreven procedure, toe besloten om alle toegekende scores voor
welzijn, gezondheid en integriteit te vermelden en niet alleen de score die aanleiding geeft tot
plaatsing in de klasse van urgent maatregelen nemen.
3.2.      De werkwijze van de weging in de praktijk
In schema weergegeven worden successief de volgende aspecten gewogen:
                                                             Integriteitsaantasting
                          1) Aantasting “Welzijn”        2) Aantasting “Gezondheid” 3) Aantasting “Rest-
                                                                                        Heelheid en Gaafheid”
                                                                                        “Rest-Integriteit”
Belangrijkste kernkenmer- 1) lijden en hinder/ongerief   2) beperking vitaliteit en 3) overige gevolgen van
ken:                                                        levensduur                 afwijkende lichaams-
                                                                                       kenmerken
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>                                                        14
In het onderstaande schema wordt een verkort overzicht gegeven hoe de scores worden toegekend.
De drie categorieën welzijn, gezondheid en “integriteit” worden successief gescoord door voor een
kenmerk de volgende lijst met vragen langs te lopen. De volledige definities staan in bijlage 1, welzijn
pag. XX, gezondheid pag. XX, integriteit, Appendix, pag. XX.
Welzijnsaantastingscore (WAS):
Vraag: Is er chronisch/zeer langdurig 2 sprake van pijn/distress?
mate waarin dit optreedt :
ernstig/ redelijk ernstig score 20
matig/ gering                score 16
Vraag: Is er chronisch/zeer langdurig2 sprake van stress/angst?
mate waarin dit optreedt :
ernstig/ redelijk ernstig score 16
matig/ gering               score 12
Vraag: Is er chronisch/zeer langdurig2 sprake van discomfort/fysiologische stress/aantasting soortspeci-
fiek gedrag?
mate waarin dit optreedt :
ernstig/ redelijk ernstig score 12
matig/ gering                score 7
Gezondheidsaantastingscore (GAS):
Vraag: Is er sprake van de volgende situatie:
Het kenmerk is levensbedreigend en/of de levensduur is zeer ernstig verkort en/of de vitaliteit is zeer
ernstig aantast; meestal is het probleem niet behandelbaar en indien het probleem al (gedeeltelijk)
behandelbaar is kan dit uitsluitend door middel van een zeer ingrijpende operatie met secundaire
effecten voor welzijn en/of gezondheid; een dergelijke ingreep zal gezien de complexiteit meestal niet
plaatsvinden.
Zo ja:                    score 20
Vraag: Is er sprake van de volgende situatie:
Het kenmerk heeft een ernstige invloed op vitaliteit en/of levensduur; bij aantreffen van het kenmerk is
een ingrijpende operatie nodig om de nadelige effecten door het kenmerk (grotendeels) te verhelpen.
Zo ja:                    score 16
Vraag: Is er sprake van de volgende situatie:
Het kenmerk heeft een matige invloed op vitaliteit en/of levensduur; bij het aantreffen van het
kenmerk is een eenvoudige operatie of ingreep noodzakelijk:
Zo ja:                    score 7
2
  Is er schade gedurende kortere perioden of slechts incidenteel een langere periode, dan wordt een weegscore
toegekend die 6 punten lager is dan in de tabel is aangegeven.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>                                                       15
Integriteitsaantasingscore (IAS):
Vraag: Is er sprake van de volgende situatie:
Het dier mist geheel of vrijwel geheel een zeer essentiële 3 soorteigen lichaams- en/of orgaanfunctie
of deze functies worden volledig of vrijwel volledig gestoord door de aanwezigheid van een ken-
merk en/of het dier is (daardoor) niet in staat één (of meerdere) basale gedragsfunctie(s) uit te voe-
ren en/of door de mens kan geen hulp worden geboden om het uitvoeren van een gedragsfunctie of
het functioneren van organen te verbeteren, ook al zou dit mogelijk worden na diergeneeskundig
ingrijpen.
Zo ja:                     score 20
Vraag: Is er sprake van de volgende situatie:
Het dier mist voor een aanzienlijk deel een soorteigen lichaams- en of orgaanfunctie of deze func-
ties worden ernstig gestoord door de aanwezigheid van een kenmerk en/of het dier is (daardoor)
slechts zeer ten dele in staat één (of meerdere) gedragsfunctie(s) uit te voeren en/of door de mens
kan eventueel deels hulp worden geboden om het uitvoeren van een gedragsfunctie of het functio-
neren van organen te verbeteren of te compenseren.
Zo ja:                     score 12
Is er sprake van:
Het dier mist deels een soorteigen lichaams- en of orgaanfunctie of deze functies worden in enige
mate gestoord door de aanwezigheid van een kenmerk en/of het dier is (daardoor) enige mate ge-
hinderd in het uitvoeren van een (of meerdere) basale gedragsfunctie(s)en/of door de mens kan hulp
worden geboden om het uitvoeren van een gedragsfunctie of het functioneren van organen te ver-
beteren of te compenseren.
Zo ja:                     score 7
N.B.
Kenmerken verschillen onderling sterk in aard. Van de hierboven genoemde combinatie van de drie
aspecten: het kunnen uitvoeren van soorteigen gedrag, het functioneren van soorteigen functie en
het zelfstandig kunnen functioneren (in gedomesticeerde omgeving) dient van de scores de best
passende te worden gekozen. Niet aan alle genoemde voorwaarden hoeft dan te worden voldaan,
daarom is de en/of formulering opgenomen.
3
  Essentiële soorteigen lichaams- en orgaanfuncties spelen een rol bij het voorzien in primaire ethologische
behoeften.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>                                                        16
Samenvatting van parameters en weegscores
WAS (welzijn)                  zeer ernstig     ernstig          matig           gering
Weegscore                            20 4          164             12               7
GAS (gezondheid)               zeer ernstig     ernstig          matig/gering
Weegscore                            204           164             7
                   5
IAS(integriteit)               zeer ernstig     ernstig          matig/gering
Weegscore                            204           12              7
MVS (mate van voorkomen score)                  zeer veel   veel redelijk aantal beperkt aantal klein aantal
Weegscore                                          20         16           10                3               1
3.3.      Procedure voor prioritering
Aan de toegekende scores dient betekenis te worden toegekend om te komen tot een priorite-
ring voor maatregelen. Dit houdt in dat er grenzen/normen moeten worden ontwikkeld.
Dergelijke normen zijn altijd arbitrair maar niet willekeurig (zie verder bijlage 1). De norm is
gerelateerd aan de ernst van de schade toegebracht aan het dier.
Naar aanleiding van opmerkingen uit het veld is voor het opstellen van een eindoordeel iets
afgeweken van de procedure beschreven in bijlage 1. In afwijking van de eerste versie van het
rapport heeft de Werkgroep gemeend verder te moeten gaan dan alleen het aangeven van de
meest urgente kenmerken. Daarom is de werkwijze gegeven in bijlage 1 verder uitgebreid.
Zie voor een beschrijving van de aangepaste werkwijze en een toelichting hierop het tweede
deel van het Addendum bij bijlage 1.
De werkwijze wordt hieronder kort weergegeven.
3.4.      Bijgestelde werkwijze voor prioritering
Stapsgewijs wordt de volgende werkwijze gevolgd om tot een prioritering te komen:
Stap 1
Ga na of:
          WAS groter of gelijk 16 à 1e prioriteit
          GAS groter of gelijk 16 à 1e prioriteit
          IAS groter of gelijk 20 à 1e prioriteit
4
  Bij deze weegscores wordt zonder sommering demet de scores bij andere parameters het kenmerk in de
categorie eerste prioriteit (urgent maatregelen nemen) geplaatst.
5
  Bij toepassing van de nieuwe definities voor verschillende vormen van aantasting van de integriteit, zoals
omschreven in het addendum, zal een hoge score voor IAS gepaard gaan met een score bij de andere parameters.
Daarom is er voor gekozen een IAS score 12 en lager niet zonder meer te laten leiden tot plaatsing van het
kenmerk in de categorie eerste prioriteit.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>                                                17
Bij de procedure voor de 1e prioritering wordt gekeken naar de schade op de drie parameters
waarop gescoord wordt. Bij deze beoordeling wordt geen rekening gehouden met het aantal
dieren dat het schadelijke kenmerk heeft. De schade wordt zo groot geacht dat ook indien
slechts een beperkt aantal dieren het kenmerk heeft er toch urgent maatregelen nodig zijn.
Bij een verdere prioritering doen zich een aantal problemen voor ten aanzien van de aspecten
van schade die bij de beoordeling moeten worden betrokken en de wijze waarop dit het beste
kan gebeuren. In ethische discussies wordt aan de orde gesteld of en op welke wijze men
rekening moet houden met het aantal dieren dat schade ondervindt. Een tweede thema dat in
die discussies aan de orde komt is of schade van verschillende aard een cumulatief effect
heeft. Het is hier niet de plek om op deze discussies verder in te gaan.
Om te komen tot de gevraagde prioritering wordt gekozen voor de volgende pragmatische en
werkwijze.
Indien er gescoord wordt op een van de scoringsgebieden, maar de grensscore voor 1e priori-
tering wordt niet bereikt dan wordt het ingeschatte aantal dieren dat schade ondervindt van
een kenmerk bij het oordeel betrokken. Praktisch is dit zo geoperationaliseerd dat geringe
schade die optreedt bij zeer veel dieren tot het oordeel 2e prioriteit leidt. Bij geringere schade
moet het aantal dieren groter zijn voor het plaatsen in de klasse 2e prioriteit. Om te komen tot
een oordeel worden de scores voor de schadeparameters en de score voor de ingeschatte mate
van voorkomen van het kenmerk (het aantal dieren dat er bij betrokken is) gesommeerd. Een
aparte weging is niet toegepast. De toekenning van het relatieve gewicht van de verschillende
aspecten is in de keuze van de scores tot uiting gebracht.
Vanuit theoretisch oogpunt kan men tegen deze werkwijze bedenkingen hebben. Bij het werk
van de Werkgroep gaat het om het komen van een oordeel op grond van het totaal aan nega-
tieve aspecten dat samenhangt met een kenmerk. Of men in dat geval een aantal oordelen in
woorden samen neemt en tot een slotoordeel verwerkt of dat dit gebeurt door het sommeren
van scores, maakt weinig verschil. Om praktische redenen is voor het sommeren van scores
gekozen. Ook indien schade door een kenmerk op meerdere gebieden een bepaalde grens
overschrijdt is voor het uitgangspunt gekozen dat het niet er toe doet hoeveel dieren erbij be-
trokken zijn.
Het is hierbij niet nodig om eerst na te gaan of er in het geval van schade uitsluitend bij één
dimensie, bijvoorbeeld WAS, in combinatie met MVS, voldaan wordt aan een grenswaarde
voor prioritering. Dit komt in de som tot uiting. Er wordt niet gedifferentieerd tussen één gro-
tere schade op een dimensie en meerdere kleinere bijdragen tot de schade op meerdere para-
meters. Er is één set van grenswaarden voor alle combinaties van schadescores voor de 1e en
2e prioriteit.
Stap 2
-       Indien WAS + GAS + IAS + MVS score > of gelijk 27 à 1e prioriteit
-       Indien WAS + GAS + IAS + MVS score < 27 en groter of gelijk aan 22 à 2e prioriteit
-       Indien WAS + GAS + IAS + MVS score < 22 à op een later moment prioritering
        en maatregelen bepalen
Toelichting op het vaststellen van de grenzen:
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>                                                18
De grenzen zijn zo gekozen dat:
a) een schade bij één van de parameters die juist niet tot plaatsing in de klasse van 1e prioriteit leidt
   tezamen met een score voor de mate van voorkomen voor “een zeer groot aantal dieren” (10%)
   wel in de klasse 1e prioriteit komt
b) bij geringere schade moet bij meerdere parameters gescoord zijn om tot een score voor een 1e
   prioriteit te komen en in de meeste gevallen zal dit dan ook een redelijk aantal dieren moeten
   betreffen; alleen indien er op WAS, GAS en IAS is gescoord kan dit ook tot een 1e prioriteit
   leiden
c) een 2e prioriteit wordt toegekend als er sprake is van geringere schade op alle parameters of
   geringere schade bij een of enkele parameters in combinatie van een relatief hoge score bij de
   mate van voorkomen.
Het gepresenteerde model is gebruikt voor de beoordeling van schadelijke erfelijke kenmerken
door de Werkgroep fokken met recreatiedieren. Uit de discussies in de Werkgroep is gebleken dat
het model een werkbare methode oplevert voor de beoordeling van schadelijke kenmerken bij deze
recreatiedieren in het kader van het bepalen van de urgentie van het nemen van maatregelen.
N.B. Na het verschijnen van de eerste versie van het rapport van de Werkgroep fokken met
recreatiedieren is verschenen het rapport “Grenzen en gradatie”(1999; Centrum voor Bio-ethiek
over de beoordeling van zeer ernstig ongerief bij dierexperimenten. Dit rapport volgt in hoofdlijnen
dezelfde gedachtegang als het rapport van de Werkgroep. Ook in de wijze van operationaliseren is
er grote overeenkomst (zie paragraaf 3; zie ook de samenvatting op p.p. 59-60).
In hoofdstuk 4 worden een aantal aspecten kort aangestipt die van belang zijn in verband met het
nemen van maatregelen om het optreden van een schadelijk kenmerk terug te dringen. Er wordt een
aanzet gegeven voor het ontwikkelen van een methode om de schadelijke kenmerken te “koppelen”
aan mogelijke maatregelen. Dit aspect moet nader worden uitgewerkt. Een overzicht van mogelijke
maatregelen is gegeven in hoofdstuk 4.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>                                                 19
4.      Mogelijke maatregelen
4.1.    Inleiding
Voor het terugdringen van schadelijke kenmerken bij recreatiedieren ontstaan door fokkerij
kunnen verschillende maatregelen worden overwogen. Veelal zal een aantal maatregelen ge-
combineerd moeten worden om effectief tot verbetering te kunnen leiden.
Anders dan bij onder andere landbouwhuisdieren en proefdieren is er bij recreatiedieren
slechts in enkele gevallen sprake van een duidelijke infrastructuur en een bestaande set van
(gedrags)regels in de houderij. Dit bemoeilijkt in sterke mate het formuleren van effectieve
maatregelen. Daarom worden naast suggesties voor specifieke maatregelen ook algemene
maatregelen geformuleerd, gericht op het scheppen van een geschikte infrastructuur en een
basis voor de specifieke maatregelen. De Werkgroep beseft dat het accent in dit rapport wat
betreft mogelijke maatregelen vooral ligt bij honden en katten, maar de voorstellen kunnen
ook dienen als uitgangspunt voor het terugdringen van schadelijke kenmerken bij andere
recreatiedieren.
Om te komen tot een pakket maatregelen en een traject gericht op een specifiek kenmerk zal
overleg met de liefhebberij-organisaties, dierenartsen (KNMvD) en wetenschappelijke instel-
lingen nodig zijn. Duidelijk is dat indien er geen structurele maatregelen worden genomen,
het terugdringen van een beperkt aantal schadelijke kenmerken niet meer kan zijn dan
symptoombestrijding. Hoe belangrijk dit laatste ook is, er moeten ten aanzien van het fokken
met recreatiedieren fundamentele veranderingen tot stand komen in de wijze waarop wordt
gefokt. Ook binnen de sector leeft dit besef bij verschillende geledingen.
Om het optreden van bestaande schadelijke kenmerken terug te dringen en ter preventie van
nieuwe schadelijke kenmerken zijn twee hoofdrichtingen van aanpak te onderscheiden: het
veranderen van de fokdoelen en het wijzigen van de fokmethoden die worden toegepast. In
concreto betekent dit dat:
1) de rasstandaard en het beoordelingssysteem (interpretatie van de rasstandaard) van rasdie-
   ren meer gericht moet worden op het voorkómen van schade aan welzijn, gezondheid en
   integriteit door een kenmerk
2) het gebruik van inteelt in de fokkerij - in combinatie met andere fokmaatregelen - terugge-
   drongen moet worden, waar mogelijk met behoud en waar nodig ter verbreding van de
   genetische variatie
Met een meer algemene fundamentele aanpak, waar mogelijk in samenwerking met de
betreffende liefhebberij-organisaties, moet het mogelijk zijn de schadelijke kenmerken bij
recreatiedieren in de toekomst terug te dringen.
4.2.    Overzicht van mogelijke maatregelen
De maatregelen zijn weliswaar enigszins toegespitst op honden en katten, maar zijn voor een
deel ook voor andere recreatiedieren bruikbaar.
Belangrijk bij de keuze van maatregelen is de oorzaak van het ontstaan van de schadelijke
effecten.
In verband met de oorzaak van de problemen kunnen de volgende klassen van schadelijke
kenmerken worden onderscheiden:
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>                                                20
1a. schadelijke erfelijke kenmerken die het directe gevolg zijn van de eisen geformuleerd in
     de rasstandaard of die voortvloeien uit de ruimte die de rasstandaard biedt voor overtype-
     ring; dit zijn gewenste kenmerken vanuit de fokkerij
1b. schadelijke erfelijke kenmerken die indirect met de rasstandaard samenhangen; dit zijn
     kenmerken met veelal ongewenste neveneffecten door eigenschappen die door de fokkerij
     worden nagestreefd of tenminste worden geaccepteerd
2. erfelijke ziekten die geen samenhang vertonen met de rasstandaard of waarvan die samen-
     hang onbekend is; dit zijn in de meeste gevallen ziekten en afwijkingen die mede het ge-
     volg zijn van de toegepaste fokmethode, maar die in alle gevallen als ongewenst worden
     beschouwd
Bij klasse 1 spelen één of meerdere raskenmerken (mede) een rol bij de schade die voor het
dier ontstaat. Dit betekent dat bij het formuleren van maatregelen mede naar de rasstandaard
(fokdoelen) zal moeten worden gekeken. Klasse 1 kan onderverdeeld worden op grond van
verschillen in de oorzaak van de schade Dit onderscheid kan een rol spelen bij het formuleren
van een aanpak.
Voor het bestrijden van alle schadelijke kenmerken is een “infrastructuur” een vereiste.
Daarom worden suggesties gedaan voor mogelijke algemene maatregelen. Deze suggesties
zijn vooral gericht op de problemen bij honden en deels bij katten.
Een effectief terugdringen van ongewenste kenmerken is vaak alleen dan mogelijk indien een
aantal instrumenten in combinatie wordt aangewend.
4.2.1. Suggesties voor specifieke maatregelen
Specifieke maatregelen om het voorkomen (incidentie) van bepaalde schadelijke kenmerken
bij een soort of bij één of meerdere rassen van een soort terug te dringen. De keuze van maat-
regelen is afhankelijk van het kenmerk en de specifieke situatie binnen een ras.
A. Specifieke maatregelen die verband houden met schadelijke kenmerken veroorzaakt
door of samenhangend met de beschrijving in de rasstandaard (klasse 1)
A1. (bevorderen van het) aanpassen van de rasstandaard; indien dit nodig is in verband met
      gezondheid en welzijn van de rasstandaard afwijkende eisen formuleren voor de Neder-
      landse situatie
A2. rasstandaard verduidelijken om overtypering te voorkomen
A3. problematiek bespreken met keurmeesters (opleiding en instructie verbeteren met name
      op het gebied van kennis ten aanzien van de consequenties voor gezondheid en welzijn
      van beoordelingen; noodzaak van het certificeren ten aanzien van dit aspect bezien)
A4. Verrichten van onderzoek gericht op het beter preciseren/omschrijven van een schadelijk
      kenmerk
A5. de samenhang tussen het schadelijk kenmerk en de rasstandaard nader onderzoeken
A6. fokken met dieren van het ras verbieden
B. Specifieke maatregelen voor alle klassen schadelijke kenmerken (klassen 1 en 2)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>                                                21
B1. het scheppen van een basis om van een fokker te eisen dat deze zich op de hoogte stelt of
     een fokdier van een nader aan te geven ras geen lijder of drager is van een kenmerk dat
     voorkomt op de groslijst
B2. a. fokken met lijders van het kenmerk verbieden
     b. fokken met bekende dragers van het kenmerk verbieden
B3. tentoonstellingsverbod voor dieren die het kenmerk bezitten en bekende dragers
B4. niet in het stamboek opnemen van nakomelingen van dieren die het kenmerk bezitten en
     bekende dragers
B5. onvruchtbaar maken van dieren met een kenmerk (de mogelijkheden hiertoe dienen
     nader onderzocht te worden)
B6. stimuleren van onderzoek naar de genetisch aspecten van het schadelijke kenmerk (de
     erfelijke basis van het kenmerk, markertechnieken, ouder-nakomelingen onderzoek,
     onderzoek op het gebied van de populatiegenetica)
B7. stimuleren van onderzoek gericht op het beter diagnostiseren van een schadelijk kenmerk
B8. dieren zonder gezondheidsbewijs (verklaring vrij te zijn van het schadelijke kenmerk)
     ten aanzien van bepaalde kenmerken uitsluiten van tentoonstellingen en stamboekopna-
     me
B9. onderzoek naar het nader preciseren/omschrijven van het schadelijk kenmerk
B10.Plan van Aanpak met speciale fokmaatregelen laten opstellen door rasvereniging of
     groepering van fokkers met speciale foktechnische maatregelen
B11.Meldingsplicht; in een databank registreren; fokkerijbeleid aanpassen; meedoen aan
     tentoonstellingen alleen mogelijk onder voorwaarden (bijvoorbeeld overlegging uittrek-
     sel databank)
4.2.2. Suggesties voor algemene maatregelen
Algemene maatregelen, gericht op het scheppen van een geschikte infrastructuur en een basis
voor de specifieke maatregelen.
1. het inrichten van betrouwbare identificatie- en registratiesystemen
2. registratie van diagnoses aangaande erfelijk bepaalde kenmerken en daaruit voortvloeien-
    de ingrepen. Melding niet alleen door fokkers en eigenaren, maar ook door dierenartsen
    bepaalt de mate van betrouwbaarheid en in samenhang daarmee de effectiviteit van de
    overige maatregelen.
3. erkenning en regulering van stamboeken door de overheid op basis van overeenkomst
    waarin enerzijds de ‘erkende’ organisaties zich verbinden de problematiek serieus aan te
    pakken en anderzijds de overheid aan die organisaties een steun in de rug biedt om die
    opdracht uit te kunnen voeren, ook in geval van minder bereidwilligen
4. bevoegdheden reguleren voor organisaties, verantwoordelijk voor de stamboeken, om
    nakomelingen van ouders met bepaalde kenmerken uit te sluiten van opname in het stam-
    boek
5. bevoegdheden reguleren om dieren met nader aan te geven schadelijke kenmerken uit te
    sluiten van tentoonstellingen (dit betreft o.a. ook de rol van de dierenartsen hierin); hier-
    bij ook de gezondheidsverklaring - onder 6 - benutten
6. het instellen van een nader te preciseren gezondheidsverklaring (“verklaring vrij te zijn
    van bepaalde schadelijke kenmerken”) voor dieren waarmee gefokt wordt (bepalen van
    de rol van de verschillende partijen in dit proces, o.a. fokkers, rasverenigingen, dierenart-
    sen en organisaties verantwoordelijk voor de stamboeken)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>                                                22
7. het scheppen van een basis voor het terugdringen van inteelt, o.a. door het formuleren van
     inteeltlimieten (tijdelijke uitzonderingsmaatregelen voor probleemgevallen bij o.a. kleine
     populaties zullen wellicht moeten worden geformuleerd)
8. het scheppen van een basis voor het stellen van een maximum aan het aantal dekkingen
     per mannelijk fokdier en het maximum aantal worpen per moederdier (nakomelingen
     boven het maximum worden niet ingeschreven in het stamboek) om beperking van de
     genenpool tegen te gaan
9. het scheppen van mogelijkheden om indien noodzakelijk van een rasvereniging bepaalde
     maatregelen te eisen neergelegd in een Plan van Aanpak
10. een analyse van de mogelijkheden om de wet op de productaansprakelijkheid te gebrui-
     ken bij het fokken met dieren met nader aan te duiden schadelijke kenmerken
11. gerichte voorlichting aan verschillende partijen in het gehele proces van fokkers tot en
     met de kopers van de gefokte dieren
12. een wettelijk kader scheppen waarbinnen het mogelijk wordt het fokken met dieren van
     een bepaald ras te verbieden
13. een wettelijk kader scheppen op grond waarvan het verboden kan worden dieren van een
     bepaald ras in Nederland te houden, te verkopen, te verhandelen, te transporteren, etc..
4.3.     Selectie van mogelijke maatregelen
Bij het selecteren van eventuele maatregelen gericht op het terugdringen van schadelijke erfe-
lijke kenmerken spelen diverse aspecten een rol. De verschillende aspecten die mede de
mogelijkheden en de effectiviteit van maatregelen bepalen hangen nauw samen. De hieronder
genoemde aspecten zijn daarom niet onafhankelijk van elkaar en spelen in combinatie een rol.
Per schadelijk kenmerk kan in combinatie met de situatie in het specifieke geval (bij welke
soort en ras(sen)), aan de verschillende aspecten gewicht worden toegekend. Daarvoor is in
dit stadium van de ontwikkeling van de aanpak van de problematiek van schadelijke
raskenmerken bij recreatiedieren geen eenvoudige rationale te geven. Voor een belangrijk
deel betreft het hier ook beleidsbeslissingen die met name samenhangen met de mate van druk
die gewenst wordt geacht om verbeteringen te bereiken.
Het gaat om de volgende aspecten:
4.3.1. Diagnostische mogelijkheden
Een effectief terugdringen van een kenmerk staat of valt met een goede diagnose van de aan-
wezigheid van een kenmerk. Is het kenmerk ondubbelzinnig en met eenvoudige middelen te
diagnostiseren dan kunnen effectiever en sneller maatregelen worden genomen.
De noodzaak van specifieke diergeneeskundige kennis bij de detectie van lijders en dragers,
kan bestrijding complexer maken. In ieder geval zijn er meerdere partijen in de zaak
betrokken. In een aantal gevallen zal het beschikbaar zijn van een DNA-test voor een effectief
bestrijden een zeer gewenst diagnostisch instrument zijn.
Bij een aantal kenmerken zal het kenmerk eerst nader moeten worden gedefinieerd voordat
een effectieve bestrijding mogelijk is. Soms zullen eigenschappen van exterieurkenmerken
(afmetingen of onderlinge verhoudingen van afmetingen) nader moeten worden onderzocht
om aan te kunnen geven wanneer schadelijke effecten ontstaan. Het is dan niet op voorhand
duidelijk wanneer er sprake is van “een ernstige vorm” van het kenmerk, waarop de weging
van de schade is gebaseerd. Een dergelijke nadere precisering geldt voor een deel ook voor
ziekten.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>                                                23
4.3.2. De weging van de erfelijke aspecten
Kennis omtrent de erfelijke aspecten is in een afweging van belang om aan te kunnen geven
of selectie op korte termijn op genetische gronden in principe uitvoerbaar is. De wijze waarop
het kenmerk wordt overgedragen op de volgende generatie (monogeen, polygeen, etc.) is van
belang voor het opstellen van een “bestrijdingsplan”.
Indien in het weegmodel een kenmerk het predikaat “eerste prioriteit” krijgt en het is
duidelijk hoe daarop betrouwbaar zou kunnen worden geselecteerd, zou een kenmerk een ho-
gere prioriteit kunnen krijgen voor het nemen van maatregelen. Indien maatregelen wel urgent
gewenst zijn, maar er onduidelijkheid is hoe het kenmerk erfelijk wordt overgedragen, zou het
kenmerk een hoge prioriteit kunnen krijgen voor het uitvoeren van onderzoek.
Hierbij kan met name gedacht worden aan onderzoek naar DNA-markers voor het detecteren
van dragers van monogeen verervende ziekten, die op een andere wijze niet betrouwbaar zijn
te diagnostiseren.
Daarbij mag echter niet uit het oog worden verloren dat een “bestrijdingsplan” op basis van
de huidige kennis van de fokselectie ook mogelijk is. In dat verband is een goede registratie
van het kenmerk in verband met een ouder-nakomelingen analyse van belang.
Bij polygene vererving van het kenmerk is het minder eenvoudig om effectieve maatregelen
te formuleren. Vaak spelen omgevingsfactoren nadrukkelijk mede een rol. In dat geval gaat
het terugdringen van het kenmerk slechts zeer geleidelijk. Bij jarenlange selectie op dragers
van het kenmerk nivelleert de h2-waarde (de zogenaamde erfelijkheidsgraad). Het tempo van
het terugdringen van het kenmerk is dan nog slechts gering mogelijk of er is slechts sprake
van een in stand houden van de status quo. De selectiemaatregelen zullen in die gevallen
betrekking moeten hebben op met elkaar samenhangende, genetisch bepaalde kenmerken
(bijvoorbeeld het vermijden van snel groeiende, overmatig zware lichaamsbouwtypen met
gelijktijdig slechte bespiering etc.). Daarnaast moet ook nog rekening gehouden worden met
omgevingsfactoren bij het inschatten van de fokwaarde van dieren. Dit maakt dat selectie op
polygene factoren complex is en een goede deskundige begeleiding van een selectieplan zal
vergen. De aanpak van een polygeen kenmerk zal minder eenvoudig zijn en zal meer tijd
vergen.
4.3.3. De effectiviteit van maatregelen in relatie tot de lokaliseerbaarheid van het
         kenmerk
Voor de effectiviteit van een aanpak is de localiseerbaarheid van het probleem van groot be-
lang. Met localiseerbaarheid wordt hier bedoeld of duidelijk valt aan te geven bij welke
rassen of rasgroepen het schadelijk kenmerk voorkomt. Hiervoor kan mogelijk de in
uitvoering zijnde nulmeting worden gebruikt. Literatuuronderzoek kan een belangrijke
informatiebron zijn, zeker waar het gaat om een beschrijving van de problematiek in onze
buurlanden. In de internationale literatuur is bekend welke rassen in breder verband mogelijke
probleemrassen zijn voor bepaalde schadelijke kenmerken. Dit hoeft in de Nederlandse
situatie niet hetzelfde te zijn.
Daarnaast is een belangrijke ingang het gericht betrekken van rasverenigingen in de proble-
matiek. Zeker van problemen die al langer spelen is een goede rasvereniging op de hoogte.
De (internationale) organisatiegraad en de wijze waarop eventuele maatregelen geïmplemen-
teerd kunnen worden, kunnen de effectiviteit van te nemen maatregelen beïnvloeden. Indien
het heel eenvoudig is een maatregel door te voeren in de Nederlandse situatie kan dit de snel-
heid waarmee maatregelen effect sorteren sterk verhogen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>                                                 24
4.3.4. Mogelijkheden om met fokken een verbetering te bereiken
Voor het nemen van maatregelen is het van belang of er met een inzichtelijke en in de praktijk
te hanteren fokmethode verbetering in de situatie worden gebracht.
Een belangrijk aspect hierbij is de omvang van de populatie. Bij een kleine populatie kan het
zonder deskundige hulp niet verantwoord zijn om sterk op een kenmerk te selecteren. Er blij-
ven in dat geval te weinig voor de fok geschikte dieren over. In deze gevallen zal een aparte
set maatregelen moeten worden overwogen waarbij deskundige hulp vaak onontbeerlijk is.
In de afweging moet dus worden betrokken of door het eventueel toepassen van fokbeperken-
de maatregelen bij de aanwezigheid van een bepaald schadelijk kenmerk er in het ras andere
problemen kunnen ontstaan. Dit kan bijvoorbeeld door het gebruik van te weinig mannelijke
fokdieren voor de fok. Dit aspect moet bij het formuleren van maatregelen meegenomen
worden.
4.3.5. Organisatiegraad van de fokkers
Naast de localiseerbaarheid van het kenmerk speelt de organisatiegraad van de betrokken
fokkers binnen een ras een belangrijke rol. De aanwezigheid van een goede rasvereniging
(fokadviescommissie) die de belangen van fokkers kan behartigen en leiding kan geven aan
veranderingsprocessen, speelt een belangrijke rol bij het nemen van maatregelen. Bij een
goede organisatie zal het sneller mogelijk zijn effectieve maatregelen te nemen.
4.3.6. Draagvlak
De aanwezigheid van een draagvlak voor de bestrijding van een schadelijke kenmerk kan de
effectiviteit in grote mate bepalen. Belangrijk is daarom of er voor eventuele maatregelen
naar verwachting een draagvlak bij de betrokken rasvereniging(en)/fokkers aanwezig of te
realiseren is. In een aantal gevallen zal blijken dat een rasvereniging een bestaand probleem
binnen hun ras graag wil terugdringen en hulp daarbij zal toejuichen. Dit aspect kan de
prioriteit om maatregelen te nemen beïnvloeden.
Van belang is ook of de rasvereniging al een fokbeleid voert waarbij getracht wordt de dragers
van een schadelijk kenmerk uit te sluiten van de fok. In dat geval kan het ondersteunen van
dit beleid de effectiviteit van maatregelen en daarmee de prioriteit beïnvloeden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>                                               25
4.4.    Checklist
4.4.1. Inleiding
De Werkgroep wil op dit moment niet verder gaan dan het presenteren van een voorbeeld van
een checklist die tot een eerste selectie van mogelijke maatregelen kan leiden.
Er wordt vanuit gegaan dat alle door de werkgroep genoemde schadelijke kenmerken in de
groslijst een genetische basis hebben. Deze erfelijke aanleg is de oorzaak van een fysiologisch
of gedragsmatig afwijkend functioneren.
Voor het terugdringen van een schadelijk kenmerk is een zo goed mogelijke duiding van de
oorzaak van de schade van primair belang. De oorzaak van het ontstaan zal immers de eerste
aanwijzing geven voor een mogelijke aanpak van het terugdringen van de schade door het
kenmerk.
Een beknopte omschrijving van de schade die door een kenmerk ontstaat wordt gegeven in
het gedeelte ‘Beschrijving, typering en weging van schadelijke erfelijke kenmerken’. Uit deze
omschrijvingen is af te leiden waaruit de schade bestaat. De checklist sluit hierop aan. De
checklist geeft een voorbeeld van een mogelijke aanpak en dient nog nader te worden
gepreciseerd. In de checklist wordt verwezen naar de maatregelen zoals die hiervoor onder
het kopje ‘Overzicht van mogelijke maatregelen’ zijn opgenomen.
Met klem wijst de Werkgroep erop dat de checklist gezien moet worden als een voorbeeld van
een grove determineertabel om ordening aan te brengen. Hij wordt bijgevoegd om aan te
duiden hoe in principe stapsgewijs een afweging is te maken. De complexiteit en variatie in
de problematiek van erfelijke schadelijke kenmerken vereisen een zorgvuldige en op het
specifieke probleem gerichte werkwijze.
4.4.2. Voorbeeld van een checklist voor de selectie van maatregelen
Onderstaande checklist beoogt aan te geven hoe in principe systematisch tot een selectie
van mogelijke maatregelen gekomen kan worden.
N.B. Bij de aandoeningen gaat het steeds om de ernstigste vorm.
Vraag 1: Is er sprake van een uitwendig waarneembaar schadelijk kenmerk?
ja; verder bij vraag 2
neen; verder bij vraag 9
incidenteel; maatregel B11
Vraag 2: Wordt de schade direct veroorzaakt door een aspect of aspecten van het exterieur
omschreven in de rasstandaard die worden gezien als gewenste kenmerken?
ja; verder bij vraag 3
neen/gedeeltelijk/mogelijk; verder bij vraag 4
Vraag 3: Vormt het schadelijke kenmerk of een combinatie van schadelijke kenmerken een
vereist kenmerk van het ras?
ja; maatregelen A6 of eventueel A1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>                                                        26
neen; verder bij vraag 4
Vraag 4: Wordt de schade veroorzaakt door een aspect of aspecten van het exterieur omschre-
ven in de rasstandaard of door de wijze waarop de rasstandaard geïnterpreteerd wordt
(overtypering 6 )?
ja; maatregelen onder A1, A2, A3 , zo nodig A4 of A5, B2, B3 of B4 overwegen, nagaan of
B10 wenselijk is
neen; verder bij vraag 5.
Vraag 5: Wordt de schade (deels) indirect 7 veroorzaakt door een aspect of aspecten van het
exterieur omschreven in de rasstandaard?
ja; maatregelen A1, A2 verduidelijken om schadelijke bij effecten te voorkomen, A3 , zo
nodig A4, A5, B2 of B4 overwegen, nagaan of B10 wenselijk is
neen; verder bij vraag 6
Vraag 6: Wordt de schade indirect veroorzaakt doordat het kenmerk genetisch een samenhang
vertoont met een aspect of aspecten van het exterieur omschreven in de rasstandaard?
Ja; verder bij vraag 7
Neen; verder bij vraag 9
Vraag 7: Is de genetische samenhang tussen het exterieur kenmerk en het schadelijke kenmerk
bekend?
ja; verder bij vraag 8
neen; maatregelen B6
Vraag 8: Is het mogelijk het aspect (aspecten) van het exterieur dat (die) de schade (indirect)
veroorzaakt (veroorzaken) precies aan te geven?
ja ; A1, B2, B3, B4, B8
neen ; maatregelen B7
Vraag 9: Is er sprake van een schadelijk kenmerk dat geen samenhang vertoont met de
rasstandaard (of waarvan die samenhang geheel onbekend is) en/of waarvan de diagnose dat
het schadelijk kenmerk aanwezig is duidelijk te stellen is met behulp van (specifieke)
diergeneeskundige kennis of een specifieke (DNA) test?
ja ; verder bij vraag 10
neen/twijfelachtig; maatregelen B7
Vraag 10: Is het kenmerk te herkennen voor de geslachtsrijpe leeftijd?
ja ; verder bij vraag 11
neen ; maatregelen B7, B6 (indien de dieren niet voor de geslachtsrijpe leeftijd te herkennen
zijn zal ouder-nakomelingen (verwanten)onderzoek kunnen bijdragen tot het terugdringen van
het kenmerk), B2, B3 en B8
6
  Overtypering betreft extreme vormen van in de rasstandaard genoemde eigenschappen. Hierbij is ook aan de
orde een “onjuiste” interpretatie van de rasstandaard die kan ontstaan door de wijze waarop de standaard is
geformuleerd (soms is dit ook toe te schrijven aan de vertaling van de oorspronkelijke rasstandaard). Indien de
vraag met ja wordt beantwoord kan duidelijk worden aangegeven bij welk(e) ras(sen) het kenmerk voorkomt.
7
  Schadelijke erfelijke kenmerken die indirect met de rasstandaard samenhangen zijn kenmerken met ongewens-
te neveneffecten door eigenschappen die door de fokkerij worden nagestreefd of tenminste worden geaccep-
teerd.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>                                                27
Vraag 11: Is het kenmerk monogeen dominant overervend, duidelijk en voor de geslachtsrijpe
leeftijd te herkennen (diagnose door dierenarts al dan niet met behulp van specifieke test)?
 ja, de lijders zijn duidelijk te herkennen; maatregelen B1, B2, B3, B4, B8, in afhankelijkheid
van de mate van voorkomen B10, in bijzondere gevallen B5
neen; verder bij vraag 12
Vraag 12: Is het kenmerk monogeen dominant overervend, duidelijk maar eerst na de
geslachtsrijpe leeftijd te herkennen (diagnose door dierenarts al dan niet met behulp van
specifieke test)?
ja; maatregelen B7 (indien de dieren niet voor de geslachtsrijpe leeftijd te herkennen zijn zal
ouder-nakomelingen (verwanten)onderzoek kunnen bijdragen tot het terugdringen van het
kenmerk), B2, in afhankelijkheid van de mate van voorkomen B10
neen; verder bij vraag 13
Vraag 13: Is het kenmerk monogeen recessief overervend en zijn de homozygote lijders
duidelijk eenduidig en op vroege leeftijd te herkennen?
ja de lijders zijn duidelijk te herkennen; maatregelen B1, B2, B3, B4, B8; in extreme gevallen
B5 overwegen;
neen; verder bij vraag 14
Vraag 14: Is het kenmerk monogeen recessief overervend en zijn dragers duidelijk eenduidig
en op vroege leeftijd te herkennen met behulp van een DNA test?
ja de dragers zijn duidelijk te herkennen; maatregelen B1, B2, B3, B4, B8; in extreme
gevallen B5 overwegen
neen; verder bij vraag 15
Vraag 15: Is het kenmerk polygeen overervend, duidelijk eenduidig en voor de geslachtsrijpe
leeftijd te herkennen?
ja ; maatregelen B2, B3, B4, B6 en B8; in extreme gevallen B5 overwegen
neen; verder bij vraag 16
Vraag 16: Is het kenmerk polygeen overervend, duidelijk eenduidig en eerst na de geslachts-
rijpe leeftijd te herkennen?
ja ; ouder-nakomelingen onderzoek; maatregelen B2, B3, B4, B8; in extreme gevallen B5
overwegen
neen ; verder onderzoek naar diagnostische mogelijkheden nodig
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>28</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>                                                    29
5.       Schadelijke erfelijke kenmerken bij honden
1. Skeletafwijkingen
1.1. Abnormale proportionele dwerggroei
Proportionele dwerggroei wordt voor een aantal rassen, zoals Chihuahua’s en Yorkshire
terriers, als “normaal” beschouwd. In enkele rassen, zoals Duitse herders en Labradors, komt
daarnaast incidenteel abnormale dwerggroei voor als gevolg van een genetisch defect,
waarvan wordt aangenomen dat dit enkelvoudig recessief is. Deze dieren zijn verminderd
levensvatbaar.
Pijnlijkheid en/of hinder    .....
Tijdstip van ontstaan        voor de geboorte
Levensverwachting            sterfte kort voor, tijdens of kort na de geboorte
Weegscore                    WAS: 7 GAS: 20 IAS (rest): n.v.t.
                             1e prioriteit
Erfelijke aanleg             recessief
Waarneembaarheid             direct en voor iedereen zonder twijfel
1.2. Abnormale disproportionele dwerggroei
Disproportionele dwerggroei is een stoornis waarbij de lengte- en/of diktegroei van de botten
afwijkend zijn. Bij sommige rassen, zoals onder andere de Engelse en de Franse buldog en bij
de Teckel, wordt disproportionele dwerggroei als een “normaal” raskenmerk beschouwd. Als
bij andere rassen, zoals bijvoorbeeld bij Labradors, abnormale disproportionele dwerggroei
optreedt wordt dit als een genetisch bepaalde stoornis beschouwd. In dat geval is sprake van
verminderde levensvatbaarheid.
Pijnlijkheid en/of hinder    .....
Tijdstip van ontstaan        voor de geboorte
Levensverwachting            sterfte kort voor, tijdens of kort na de geboorte
Weegscore                    WAS: 7 GAS: 20 IAS (rest): n.v.t.
                             1e prioriteit
Erfelijke aanleg             familiair
Waarneembaarheid             direct en voor iedereen zonder twijfel
1.3. Hernia nucleus pulposis
Hernia nucleus pulposis wordt ook wel teckelverlamming genoemd en is een verscheuring
van een tussenwervelschijf in het midden van de rug die verlammingsverschijnselen en pijn
tot gevolg heeft. Hernia van de nucleus pulposis komt niet alleen voor bij Teckels, maar ook
bij andere rassen, zoals onder andere Welsh Corgi’s en Beagles.
Pijnlijkheid en/of hinder    pijnlijk
Tijdstip van ontstaan        ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Levensverwachting            de vitaliteit is aangetast, sterfte bij noodzakelijke euthanasie
Weegscore                    WAS: 20 GAS: 20 IAS (rest): n.v.t.
                             1e prioriteit
Erfelijke aanleg             polygeen
Waarneembaarheid             direct en voor iedereen zonder twijfel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>                                                  30
1.4. Congenitale hydrocephalus
Congenitale hydrocephalus wordt ook wel aangeduid als waterhoofd: een sterk vergroot
hoofd als gevolg van vochtophoping in de hersenholten. Komt bij enkele rassen incidenteel
voor. Pups die met een waterhoofd geboren worden zijn niet levensvatbaar.
Pijnlijkheid en/of hinder  .....
Tijdstip van ontstaan      voor de geboorte
Levensverwachting          sterfte kort voor, tijdens of na de geboorte
Weegscore                  WAS: 7 GAS: 20 IAS (rest): n.v.t.
                           1e prioriteit
Erfelijke aanleg           familiair
Waarneembaarheid           direct en voor iedereen zonder twijfel
1.5. Open fontanel
Open fontanel wil zeggen dat het schedeldak niet geheel gesloten is. Het komt vooral voor bij
dwergrassen, zoals Chihuahua’s en Yorkshire terriers. Bij de Chihuahua’s was het eerder een
raskenmerk. Een hond met een open fontanel is op dat gebied kwetsbaarder. De levensvat-
baarheid is daardoor aangetast. Er is sprake van aantasting van “rest integriteit”, want .....
Pijnlijkheid en/of hinder  .....
Tijdstip van ontstaan      voor de geboorte
Levensverwachting          de vitaliteit is aangetast, maar dieren kunnen er oud mee worden
Frequentie                 incidenteel voorkomend bij enkele rassen
Integriteit                aantasting van integriteit
Weegscore                  WAS: 7 GAS: 7 IAS (rest): 12 MVS: 1
                           2e prioriteit
Erfelijke aanleg           polygeen
Waarneembaarheid           direct en voor iedereen zonder twijfel
1.6. Ziekte van Calvé-Legg-Perthes
Deze ziekte is een aandoening aan de kop van het dijbeen die voorkomt bij onvolwassen en in
lichaamsbouw kleine honden en heeft botverval, artrose en pijn tot gevolg.
Pijnlijkheid en/of hinder  pijnlijk
Tijdstip van ontstaan      ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Levensverwachting          de vitaliteit is aangetast, maar dieren kunnen er oud mee worden
Weegscore                  WAS: 16 GAS: 16 IAS (rest): n.v.t.
                           1e prioriteit
Erfelijke aanleg           recessief
Waarneembaarheid           met diagnostische hulpmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>                                                  31
1.7. Osteochondritis dissecans
Osteochondritis dissecans is een ernstige vorm van osteochondrose, waarbij een losse
kraakbeenflap (disc), botveranderingen en een overvuld, pijnlijk gewricht ontstaan.
Pijnlijkheid en/of hinder  pijnlijk
Tijdstip van ontstaan      ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Levensverwachting          de vitaliteit is aangetast, maar dieren kunnen er oud mee worden
Weegscore                  WAS: 16 GAS: 16 IAS (rest): n.v.t.
                           1e prioriteit
Erfelijke aanleg           familiair
Waarneembaarheid           met diagnostische hulpmiddelen
1.8. Heupdysplasie (HD)
HD is een misvorming van het heupgewricht. HD is de meest voorkomende erfelijke stoornis
bij honden die vooral voorkomt bij grote, zwaargebouwde honden. HD kan pijn en bewe-
gingsstoornissen veroorzaken. De diagnose wordt radiologisch gesteld. Daarbij wordt de ernst
van de afwijking onderverdeeld in oplopende graden van ernst. Geringe afwijkingen
aangeduid met HD tc en HD +- veroorzaken meestal weinig hinder. Ernstige afwijkingen met
HD + en HD ++ kunnen veel pijn veroorzaken.
Pijnlijkheid en/of hinder  pijnlijk
Tijdstip van ontstaan      ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Levensverwachting          sterfte bij noodzakelijke euthanasie (in ernstige gevallen)
                           de vitaliteit is aangetast, maar dieren kunnen er oud mee worden
Weegscore                  WAS: 20 GAS: 16 IAS (rest): n.v.t.
                           1e prioriteit
Erfelijke aanleg           polygeen
Waarneembaarheid           met diagnostische hulpmiddelen
1.9. Elleboogdysplasie (ED)
ED is de naam voor een complex van gewrichtsstoornissen aan de elleboog, die vooral
voorkomt bij grote, zwaargebouwde honden en die pijn en bewegingsstoornissen tot gevolg
kan hebben. Deze diagnose wordt radiologisch gesteld en daarbij is een indeling in de graden
van de afwijking gemaakt die overeenkomt met die bij HD.
Pijnlijkheid en/of hinder  pijnlijk
Tijdstip van ontstaan      ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Levensverwachting          sterfte bij noodzakelijke euthanasie (in ernstige gevallen)
                           de vitaliteit is aangetast, maar dieren kunnen er oud mee worden
Weegscore                  WAS: 20 GAS: 16 IAS (rest): n.v.t.
                           1e prioriteit
Erfelijke aanleg           polygeen
Waarneembaarheid           met diagnostische hulpmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>                                                    32
1.10. Wobbler syndroom
Het Wobbler syndroom is een vergroeiing van de wervellichamen van de hals, waardoor de
coördinatie verstoord raakt en waarvan een zwaaiende gang en verlammingsverschijnselen
het gevolg zijn.
Pijnlijkheid en/of hinder    hinderlijk/lastig
Tijdstip van ontstaan        ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Levensverwachting            de vitaliteit is aangetast, maar dieren kunnen er oud mee worden
Weegscore                    WAS: 16 GAS: 16 IAS (rest): n.v.t.
                             1e prioriteit
Erfelijke aanleg             familiair
Waarneembaarheid             met diagnostische hulpmiddelen
1.11. Brachycephalie
Brachycephalie betekent kortschedeligheid en gaat vaak samen met een brede schedel.
Belangrijke gevolgen daarvan kunnen zijn:
a. Een snurkende ademhaling en ademhalingsproblemen, slechte gezondheid.
b. Moeilijke geboorten als gevolg van een te brede schedel in relatie tot de ruimte in het
    bekken.
Er is sprake van integriteitsaantasting, soorteigen lichaamsfunctie ontbreekt en gedragsfunc-
ties kunnen slechts ten dele uitgevoerd worden en daar is menselijke hulp bij nodig.
Pijnlijkheid en/of hinder    zeer hinderlijk/lastig in geval van a
Tijdstip van ontstaan        ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Levensverwachting            de vitaliteit is aangetast, maar dieren kunnen er oud mee worden
Integriteit                  aantasting van integriteit
Weegscore                    WAS: 20 GAS: 20 IAS (rest): 12
                             1e prioriteit
Erfelijke aanleg             polygeen
Waarneembaarheid             direct en voor iedereen zonder twijfel
1.12. Open gehemelte
Open gehemelte komt af en toe bij honden van verschillende rassen voor en vertoont daarbij
een wisselend beeld. Soms is er sprake van een spleetje in het monddak, in ernstige gevallen
is het hele monddak tot en met de bovenkaak en de lip gespleten. In dat geval spreekt men
ook wel van hazelip-labium Leporium. Honden met een gespleten gehemelte zijn niet of
tenminste verminderd levensvatbaar.
Pijnlijkheid en/of hinder    hinderlijk/lastig
Tijdstip van ontstaan        voor de geboorte
Levensverwachting            sterfte kort voor de geboorte
                             sterfte bij noodzakelijke euthanasie
Weegscore                    WAS: 16 GAS: 20 IAS (rest): n.v.t.
                             1e prioriteit
Erfelijke aanleg             familiair
Waarneembaarheid             direct en voor iedereen zonder twijfel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>                                                    33
1.13. Afwijkende staartvormen
Afwijkende staartvormen, met name knikken in de staart, komen af en toe bij honden van
verschillende rassen voor. Verondersteld wordt dat knikken in de staart een indicatie zijn voor
afwijkingen in andere lichaamsdelen. Van de knikken zelf ondervinden de honden geen
hinder en de knikken worden ook niet behandeld.
Pijnlijkheid en/of hinder    .....
Tijdstip van ontstaan        voor de geboorte
Levensverwachting            de vitaliteit is aangetast, maar dieren kunnen er oud mee worden
Weegscore                    WAS: 16 GAS: 16 IAS (rest): n.v.t.
                             1e prioriteit
Erfelijke aanleg             familiair
Waarneembaarheid             met diagnostische hulpmiddelen
1.14. Staartloosheid
Staartloosheid is voor enkele hondenrassen een raskenmerk. Bij enkele rassen komt staart-
loosheid incidenteel voor. Integriteitaantasting, want .....
Pijnlijkheid en/of hinder    aantasting soortspecifiek gedrag
Tijdstip van ontstaan        voor de geboorte
Levensverwachting            de vitaliteit is aangetast, maar dieren kunnen er oud mee worden
Frequentie                   regelmatig voorkomend bij enkele rassen
Integriteit                  .....
Weegscore                    WAS: 7 GAS: 0 IAS (rest): 12 of 7 MVS: 3
                             2e prioriteit
Erfelijke aanleg             familiair
Waarneembaarheid             direct en voor iedereen zonder twijfel
1.15. Patella luxatie
Patella luxatie is het verschijnsel dat de knieschijf wordt gedisloceerd (van zijn plaats gaat).
Het komt vooral voor bij kleine hondjes, zoals Chihuahua’s en Kooikershondjes, maar ook bij
grotere honden, zoals onder andere Flatcoated Retrievers. Als de dislocatie vaak optreedt is
behandeling geïndiceerd. Als de knieschijf tengevolge hiervan vast blijft zitten zijn de dieren
ernstig beperkt in hun bewegingen. Integriteitaantasting, want .....
Pijnlijkheid en/of hinder    hinderlijk/lastig
Tijdstip van ontstaan        ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Levensverwachting            de vitaliteit is aangetast, maar dieren kunnen er oud mee worden
Frequentie                   regelmatig voorkomend bij enkele rassen
Integriteit                  .....
Weegscore                    WAS: 12 GAS: 7 IAS (rest): 12 MVS: 10
                             1e prioriteit
Erfelijke aanleg             familiair
Waarneembaarheid             met diagnostische hulpmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>                                                  34
1.16. Craniomandibulaire osteopathie
Craniomandibulaire osteopathie is een afwijking in de botgroei van de onderkaak, die onder
andere bij enkele kortbenige terrierrassen voorkomt en kauwproblemen en pijn kan veroorza-
ken.
Pijnlijkheid en/of hinder  pijnlijk
Tijdstip van ontstaan      voor de geboorte
Levensverwachting          de vitaliteit is aangetast, maar dieren kunnen er oud mee worden
Weegscore                  WAS: 16 GAS: 7 IAS (rest): n.v.t.
                           1e prioriteit
Erfelijke aanleg           polygeen
Waarneembaarheid           direct en voor iedereen zonder twijfel
2.   Ogen
2.1. Ectropion
Ectropion is het uitzakken van het onderste ooglid waardoor het oogslijmvlies zichtbaar
wordt. Het komt vooral voor bij honden die tot de brakken en de dogachtigen behoren.
Ontstekingen van het oogslijmvlies kunnen het gevolg zijn.
Pijnlijkheid en/of hinder  pijnlijk
Tijdstip van ontstaan      direct na de geboorte
Levensverwachting          de vitaliteit is aangetast, maar dieren kunnen er oud mee worden
Weegscore                  WAS: 16 GAS: 7 IAS (rest): n.v.t.
                           1e prioriteit
Erfelijke aanleg           polygeen
Waarneembaarheid           direct en voor iedereen zonder twijfel
2.2. Entropion
Entropion is het naar binnen gekruld zijn van een of beide oogleden waardoor oogharen de
oogbol kunnen irriteren.
Pijnlijkheid en/of hinder  zeer pijnlijk
Tijdstip van ontstaan      direct na de geboorte
Levensverwachting          de vitaliteit is aangetast, maar dieren kunnen er oud mee worden
Weegscore                  WAS: 20 GAS: 7 IAS (rest): n.v.t.
                           1e prioriteit
Erfelijke aanleg           polygeen
Waarneembaarheid           direct en voor iedereen zonder twijfel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>                                                    35
2.3. Progressieve retina atrofie (PRA)
PRA, ook wel eens aangeduid als nachtblindheid, is het verschijnsel waarbij het netvlies
atrofieert (verval van functie). PRA komt bij veel hondenrassen voor. Er zijn verschillende
vormen van PRA waarvan sommige op jonge en andere pas op latere leeftijd blindheid
veroorzaken. Bij sommige vormen is het gebrek enkelvoudig recessief, maar er komen ook
dominante vormen voor. De bestrijding dient daarom per ras plaats te vinden.
Pijnlijkheid en/of hinder    hinder
Tijdstip van ontstaan        ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Levensverwachting            sterfte bij noodzakelijke euthanasie
                             de vitaliteit is aangetast, maar dieren kunnen er oud mee worden
Integriteit                  aantasting van integriteit
Weegscore                    WAS: 12 GAS: 7 IAS (rest): 20
                             1e prioriteit
Erfelijke aanleg             recessief, dominant
Waarneembaarheid             met diagnostische hulpmiddelen
2.4. Cataract
Cataract is een vertroebeling van de ooglens waarvan verschillende vormen bekend zijn. Voor
cataract zijn vroege vormen (juveniel cataract) en later optredende vormen bekend. Cataract
komt bij veel hondenrassen voor en het kan op den duur verminderd gezichtsvermogen en
blindheid veroorzaken. Bij cataract is in de meeste gevallen sprake van een enkelvoudig
recessieve aanleg, maar hierbij zijn ook dominante vormen bekend. De bestrijding van
cataract dient daarom per ras plaats te vinden.
Pijnlijkheid en/of hinder    hinder
Tijdstip van ontstaan        ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Levensverwachting            de vitaliteit is aangetast, maar dieren kunnen er oud mee worden
Integriteit                  aantasting van integriteit
Weegscore                    WAS: 12 GAS: 7 IAS (rest): 20
                             1e prioriteit
Erfelijke aanleg             recessief, dominant
Waarneembaarheid             met diagnostische hulpmiddelen
2.5. Glaucoom
Glaucoom is een stoornis waarbij sprake is van verhoogde druk in de oogbol die zeer pijnlijk
kan zijn en tot blindheid kan leiden.
Pijnlijkheid en/of hinder    zeer pijnlijk
Tijdstip van ontstaan        ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Levensverwachting            sterfte bij noodzakelijke euthanasie
                             de vitaliteit is aangetast, maar dieren kunnen er oud mee worden
Frequentie                   regelmatig voorkomend bij enkele rassen
Integriteit                  aantasting van integriteit
Weegscore                    WAS: 20 GAS: 16 IAS (rest): 20
                             1e prioriteit
Erfelijke aanleg             polygeen
Waarneembaarheid             met diagnostische hulpmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>                                                     36
2.6. Lensluxatie
Lensluxatie is het gedeeltelijk loslaten van de lens waardoor visusstoornissen ontstaan. Kan
leiden tot blindheid. Lensluxatie kan glaucoom veroorzaken. Is zeer pijnlijk.
Pijnlijkheid en/of hinder     zeer pijnlijk
Tijdstip van ontstaan         ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Levensverwachting             de vitaliteit is aangetast, maar dieren kunnen er oud mee worden
Integriteit                   aantasting van integriteit
Weegscore                     WAS: 20 GAS: 16 IAS (rest): 20
                              1e prioriteit
Erfelijke aanleg              recessief
Waarneembaarheid              met diagnostische hulpmiddelen
2.7. Microphthalmos
Dit is het te klein blijven van de oogbol. Het dier is direct bij de geboorte blind. De vitaliteit
wordt negatief beïnvloed.
Pijnlijkheid en/of hinder     hinder
Tijdstip van ontstaan         voor de geboorte
Levensverwachting             de vitaliteit is aangetast, maar dieren kunnen er oud mee worden
Integriteit                   aantasting van integriteit
Weegscore                     WAS: 12 GAS: 7 IAS (rest): 20
                              1e prioriteit
Erfelijke aanleg              recessief
Waarneembaarheid              direct en voor iedereen zonder twijfel
2.8. Distichiasis
Bij distichiasis is sprake van extra oogharen die de oogbol kunnen irriteren en veel pijn
kunnen veroorzaken.
Pijnlijkheid en/of hinder     pijn/hinderlijk/lastig
Tijdstip van ontstaan         direct na de geboorte
Levensverwachting             de vitaliteit is aangetast, maar dieren kunnen er oud mee worden
Weegscore                     WAS: 20 GAS: 7 IAS (rest): n.v.t.
                              1e prioriteit
Erfelijke aanleg              polygeen
Waarneembaarheid              met diagnostische hulpmiddelen
2.9. Trichiasis
Bij Trichiasis staan de oogharen wel op een normale plaats, maar hebben daar een afwijkende
stand waardoor ze de oogbol kunnen irriteren. Het komt bij een aantal rassen voor en houdt
onder meer verband met plooivorming van de huid rondom de ogen.
Pijnlijkheid en/of hinder     hinderlijk/lastig
Tijdstip van ontstaan         direct na de geboorte
Levensverwachting             de vitaliteit is aangetast, maar dieren kunnen er oud mee worden
Frequentie                    incidenteel voorkomend bij enkele rassen
Weegscore                     WAS: 12 GAS: 7 IAS (rest): n.v.t. MVS: 3
                              2e prioriteit
Erfelijke aanleg              polygeen
Waarneembaarheid              met diagnostische hulpmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>                                                   37
2.10. Uitpuilende ogen
Uitpuilende ogen zijn voor sommige rassen, zoals onder andere Pekingezen, een raskenmerk.
Er is bij deze honden sprake van een verhoogd risico voor beschadiging van de oogbol en
zelfs voor het uit de kassen vallen van de ogen.
Pijnlijkheid en/of hinder   pijnlijk
Tijdstip van ontstaan       direct na de geboorte
Levensverwachting           de vitaliteit is aangetast, maar dieren kunnen er oud mee worden
Weegscore                   WAS: 16 GAS: 7 IAS (rest): n.v.t.
                            1e prioriteit
Erfelijke aanleg            polygeen
Waarneembaarheid            direct en voor iedereen zonder twijfel
2.11. Keratoconjunctivitis sicca
Keratoconjunctivitis betekent dat er droge ogen ontstaan omdat er onvoldoende traanvocht
wordt geproduceerd. Dit veroorzaakt pijn.
Pijnlijkheid en/of hinder   pijnlijk
Tijdstip van ontstaan       ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Levensverwachting           de vitaliteit is aangetast, maar dieren kunnen er oud mee worden
Weegscore                   WAS: 16 GAS: 7 IAS (rest): n.v.t.
                            1e prioriteit
Erfelijke aanleg            familiair
Waarneembaarheid            met diagnostische hulpmiddelen
3. Huid en haar
3.1. Intertrigo
Intertrigo betekent overmatige plooivorming van de huid. In de diepte van de plooien treedt
daarbij vochtophoping met daarop volgende ontsteking op. Voortdurende irritatie kan het
gevolg daarvan zijn. Bij sommige rassen is sprake van een plaatselijke plooivorming,
bijvoorbeeld onder of boven het oog. Er zijn ook rassen met plooivorming over het gehele
lichaam.
Pijnlijkheid en/of hinder   pijnlijk
Tijdstip van ontstaan       direct na de geboorte
Levensverwachting           de vitaliteit is aangetast, maar dieren kunnen er oud mee worden
Weegscore                   WAS: 20 GAS: 7 IAS (rest): n.v.t.
                            1e prioriteit
Erfelijke aanleg            polygeen
Waarneembaarheid            direct en voor iedereen zonder twijfel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>                                                    38
3.2. Haarloosheid
Haarloosheid is een raskenmerk van enkele hondenrassen. De Chinese en de Mexicaanse
naakthond zijn vrijwel geheel haarloos en missen ook vaak gebitselementen. Temperatuurre-
gulatie wordt negatief beïnvloed; de dieren zijn wat kwetsbaar.
Pijnlijkheid en/of hinder    hinder
Tijdstip van ontstaan        voor de geboorte
Levensverwachting            de vitaliteit is aangetast, maar dieren kunnen er oud mee worden
Frequentie                   veel voorkomend bij enkele kleine rassen
Integriteit                  aantasting van integriteit
Weegscore                    WAS: 7 GAS: 7 IAS (rest): 12 MVS: 1
                             2e prioriteit
Erfelijke aanleg             dominant
Waarneembaarheid             direct en voor iedereen zonder twijfel
3.3. Primaire atopie
Primaire atopie is een bij honden veel voorkomende huidaandoening die met veel jeuk
gepaard gaat. Honden met een witte vacht lijken gepredisponeerd te zijn, maar ook bij niet
witte rassen vormt het in een aantal gevallen een ernstig probleem. Er zijn goede redenen om
aan te nemen dat erfelijke factoren een rol spelen bij het optreden van primaire atopie.
Pijnlijkheid en/of hinder    zeer hinderlijk/lastig
Tijdstip van ontstaan        ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Levensverwachting            levensbedreigend op lange termijn
                             sterfte bij noodzakelijke euthanasie
Weegscore                    WAS: 20 GAS: 16 IAS (rest): n.v.t.
                             1e prioriteit
Erfelijke aanleg             familiair
Waarneembaarheid             met diagnostische hulpmiddelen
3.4. Leukistische doofheid
Leukistische doofheid is een erfelijk bepaald kenmerk dat gepaard gaat met een witte vacht en
met vaak geheel of gedeeltelijk blauwe ogen. Bij deze honden treedt regelmatig doofheid op.
Het verschijnsel is ook bij verschillende andere diersoorten bekend. Aangenomen wordt dat er
hierbij sprake is van een stoornis in de ontwikkeling van embryonale stamcellen waaruit
zowel pigmentcellen ontstaan alsook cellen die een rol spelen bij de perceptie van geluidstril-
lingen.
Pijnlijkheid en/of hinder    hinder
Tijdstip van ontstaan        voor de geboorte
Levensverwachting            sterfte bij noodzakelijke euthanasie
                             de vitaliteit is aangetast, maar dieren kunnen er oud mee worden
Integriteit                  aantasting van integriteit
Weegscore                    WAS: 12 GAS: 7 IAS (rest): 20
                             1e prioriteit
Erfelijke aanleg             recessief
Waarneembaarheid             direct en voor iedereen zonder twijfel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>                                                    39
3.5. Blauwe Dobermann syndroom
Het Blauwe Dobermann syndroom komt niet alleen voor bij Dobermanns, maar ook bij
honden van enkele andere rassen, zoals Chihuahua’s. Bij deze honden treden de problemen op
als het verdunningsgen D, dat verantwoordelijk is voor de verdunning van het pigment, in
homozygote toestand aanwezig is. De honden vertonen een plaatselijk verdikte en ontstoken
huid en ondervinden daarvan veel last en vaak ook pijn. Omdat homozygoty voor hetzelfde
verdunningsgen bij sommige andere rassen geen problemen geeft wordt aangenomen dat er
sprake kan zijn van additionele genetische factoren.
Pijnlijkheid en/of hinder    zeer hinderlijk/lastig
Tijdstip van ontstaan        ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Levensverwachting            levensbedreigend op lange termijn
                             sterfte bij noodzakelijke euthanasie
Weegscore                    WAS: 20 GAS: 16 IAS (rest): n.v.t.
                             1e prioriteit
Erfelijke aanleg             recessief (additieve genen)
Waarneembaarheid             direct en voor iedereen zonder twijfel
3.6. Blue Merle syndroom
Het Blue Merle syndroom is een kenmerk waarbij sprake is van een plaatselijke verbleking
van pigment. Heterozygote Blue Merles vertonen een plekgewijze verbleking van de vacht en
zijn bij de liefhebbers van diverse rassen geliefd om de fraaie kleur. De homozygoten zijn
bijna geheel wit en vertonen onder andere oogafwijkingen. Zij zijn sterk verminderd
levensvatbaar.
Pijnlijkheid en/of hinder    zeer pijnlijk
Tijdstip van ontstaan        voor de geboorte
Levensverwachting            sterfte kort voor, tijdens of kort na de geboorte
Weegscore                    WAS: 20 GAS: 20 IAS (rest): n.v.t.
                             1e prioriteit
Erfelijke aanleg             dominant
Waarneembaarheid             direct en voor iedereen zonder twijfel
3.7. Afwijkende gehoorgang
Afwijkende gehoorgang komt onder andere voor bij Amerikaanse spaniels. Bij deze honden
kan ook de binnenzijde van het oor dichtbehaard zijn waardoor oorontsteking ontstaat.
Pijnlijkheid en/of hinder    hinderlijk/pijnlijk
Tijdstip van ontstaan        ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Levensverwachting            de vitaliteit is aangetast, maar dieren kunnen er oud mee worden
Weegscore                    WAS: 16 GAS: 16 IAS (rest): n.v.t.
                             1e prioriteit
Erfelijke aanleg             polygeen
Waarneembaarheid             direct en voor iedereen zonder twijfel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>                                                   40
4. Hart / bloedvaten / bloed
4.1. Hemofilie
Hemofilie, die als bloederziekte bekend staat, komt vooral voor bij mannelijke individuen. Bij
de hond bestaan daarnaast verschillende andere vormen van hemofilie die door andere
gendefecten veroorzaakt worden. In sommige rassen treden ernstige vormen van hemofilie
op, in andere rassen komt een nauwelijks waarneembare vorm voor. Voor een van deze
vormen is een DNA-merker beschikbaar, voor andere nog niet. Hemofilie moet daarom per
ras bestreden worden.
Tijdstip van ontstaan       direct na de geboorte
Levensverwachting           levensbedreigend op lange termijn
                            de vitaliteit is aangetast
Frequentie                  regelmatig voorkomend bij enkele rassen
Weegscore                   WAS: 0 GAS: 16 IAS (rest): n.v.t.
                            1e prioriteit
Erfelijke aanleg            recessief
Waarneembaarheid            met diagnostische hulpmiddelen
4.2. Portosystemische shunt
Portosystemische shunt is een verzamelnaam voor ziekten, waarbij in sommige gevallen het
van de darm afkomstige bloed volledig om de lever naar het hart wordt vervoerd, terwijl in
andere gevallen sprake is van een gedeeltelijk afwijkende doorstroming van de lever van het
poortaderbloed. Het komt onder andere voor bij Cairn terriers en Ierse wolfshonden.
Pijnlijkheid en/of hinder   .....
Tijdstip van ontstaan       ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Levensverwachting           levensbedreigend op korte termijn
Weegscore                   WAS: 7 GAS: 20 IAS (rest): n.v.t.
                            1e prioriteit
Erfelijke aanleg            familiair
Waarneembaarheid            met diagnostische hulpmiddelen
4.3. Aortastenose
Aortastenose is een vernauwing van de direct uit het hart afkomstige hoofdslagader waardoor
functiestoornissen ontstaan.
Tijdstip van ontstaan       ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven staat
Levensverwachting           levensbedreigend op lange termijn
Weegscore                   WAS: 0 GAS: 20 IAS (rest): n.v.t.
                            1e prioriteit
Erfelijke aanleg            familiair
Waarneembaarheid            met diagnostische hulpmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>                                                41
4.4. Cardiomyopathie
Cardiomyopathie is een afwijking van de hartspier die onder andere bij Dobermanns en
Leonbergers is vastgesteld en die daarbij acute dood kan veroorzaken. De dieren hebben
ernstige discomfort (benauwdheid).
Pijnlijkheid en/of hinder  hinder (discomfort)
Tijdstip van ontstaan      ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Levensverwachting          levensbedreigend op korte termijn
Weegscore                  WAS: 12 GAS: 20 IAS (rest): n.v.t.
                           1e prioriteit
Erfelijke aanleg           familiair
Waarneembaarheid           met diagnostische hulpmiddelen
5. Overige aandoeningen bij honden
5.1. Overmatige agressie
Overmatige agressie komt bij verschillende rassen regelmatig voor en kan zodanige vormen
aannemen dat euthanasie moet worden toegepast. Er is sprake van stress.
Pijnlijkheid en/of hinder  hinder (stress)
Tijdstip van ontstaan      ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Levensverwachting          sterfte bij noodzakelijke euthanasie
Weegscore                  WAS: 12 GAS: 16 IAS (rest): n.v.t.
                           1e prioriteit
Erfelijke aanleg           familiair
Waarneembaarheid           direct en voor iedereen zonder twijfel
5.2. Overmatige angst
Overmatige angst komt bij verschillende rassen regelmatig voor en kan zodanige vormen
aannemen dat euthanasie moet worden toegepast. Er is sprake van ernstige distress.
Pijnlijkheid en/of hinder  hinder (distress)
Tijdstip van ontstaan      ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Levensverwachting          sterfte bij noodzakelijke euthanasie
Weegscore                  WAS: 20 GAS: 16 IAS (rest): n.v.t.
                           1e prioriteit
Erfelijke aanleg           familiair
Waarneembaarheid           direct en voor iedereen zonder twijfel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>                                                  42
5.3. Epilepsie
Epilepsie wordt onderverdeeld in een primaire en een secundaire vorm. Van de primaire vorm
wordt aangenomen dat ze erfelijk is en dat selectie daartegen resultaat oplevert. Bij ernstige
vormen van epilepsie kan euthanasie op jonge leeftijd noodzakelijk zijn. Er is sprake van
ernstige discomfort.
Pijnlijkheid en/of hinder  hinder (ernstige discomfort)
Tijdstip van ontstaan      ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Levensverwachting          sterfte bij noodzakelijke euthanasie
                           de vitaliteit is aangetast
Weegscore                  WAS: 12 GAS: 16 IAS (rest): n.v.t.
                           1e prioriteit
Erfelijke aanleg           recessief, familiair
5.4. Koperstapeling
Koperstapeling is een aandoening waarbij het uit de darmen opgenomen koper in de lever
wordt opgestapeld. De stapeling heeft op den duur een fatale afloop. Het is een enkelvoudig
recessief gebrek dat met DNA-onderzoek aantoonbaar is.
Pijnlijkheid en/of hinder  .....
Tijdstip van ontstaan      ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Levensverwachting          levensbedreigend op lange termijn
Weegscore                  WAS: 7 GAS: 16 IAS (rest): n.v.t.
                           1e prioriteit
Erfelijke aanleg           recessief
Waarneembaarheid           met diagnostische hulpmiddelen
5.5. Predispositie voor tumorvorming
Predispositie voor tumorvorming veroorzaakt pijn wanneer het dier tumoren heeft.
Pijnlijkheid en/of hinder  pijnlijk
Tijdstip van ontstaan      ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Levensverwachting          levensbedreigend op lange termijn
Weegscore                  WAS: 16 GAS: 16 IAS (rest): n.v.t.
                           1e prioriteit
Erfelijke aanleg           familiair
Waarneembaarheid           met diagnostische hulpmiddelen
5.6. Larynx paralyse
Larynx paralyse is een verlamming van het strottenhoofd waardoor slikproblemen en
benauwdheid ontstaan. In een deel van de gevallen is euthanasie noodzakelijk.
Pijnlijkheid en/of hinder  hinder
Tijdstip van ontstaan      ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Levensverwachting          levensbedreigend op lange termijn
Weegscore                  WAS: 16 GAS: 16 IAS (rest): n.v.t.
                           1e prioriteit
Erfelijke aanleg           dominant
Waarneembaarheid           met diagnostische hulpmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>                                                 43
5.7. Ectopische ureteren
Ectopische ureteren is een verzamelnaam voor gevallen waarbij sprake is van een afwijkende
ligging van de ureteren (de urinewegen die van de nier naar de blaas leiden). Als de ureteren
om de blaas heen lopen in plaats van er in uit te monden is bij teven sprake van “plasteven”.
Tijdstip van ontstaan       voor de geboorte
Levensverwachting           sterfte bij noodzakelijke euthanasie
Weegscore                   WAS: 0 GAS: 16 IAS (rest): n.v.t.
                            1e prioriteit
Erfelijke aanleg            familiair
Waarneembaarheid            met diagnostische hulpmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>44</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>                                                   45
6.       Schadelijke erfelijke kenmerken bij katten
1. Skeletafwijkingen
1.2. Abnormale disproportionele dwerggroei
Disproportionele dwerggroei is een stoornis waarbij de lengte- en/of diktegroei van de botten
afwijkend zijn. Bij sommige rassen wordt disproportionele dwerggroei als een “normaal”
raskenmerk beschouwd. Bij andere rassen treedt abnormale disproportionele dwerggroei op.
Dit wordt als een genetisch bepaalde stoornis beschouwd. In dat geval is sprake van vermin-
derde levensvatbaarheid.
Pijnlijkheid en/of hinder   .....
Tijdstip van ontstaan       voor de geboorte
Levensverwachting           sterfte kort voor, tijdens of kort na de geboorte
                            sterfte bij noodzakelijke euthanasie
Frequentie                  incidenteel voorkomend bij enkele rassen
Weegscore                   WAS: 7 GAS: 20 IAS (rest): n.v.t.
                            1e prioriteit
Erfelijke aanleg            familiair
Waarneembaarheid            direct en voor iedereen zonder twijfel
1.11. Brachycephalie
Brachycephalie betekent kortschedeligheid en gaat vaak samen met een brede schedel.
Belangrijke gevolgen daarvan zijn:
a. Een snurkende ademhaling en vaak ademhalingsproblemen, slechte gezondheid.
b. Moeilijke geboorten als gevolg van een te brede schedel in relatie tot de ruimte in het
   bekken.
Pijnlijkheid en/of hinder   zeer hinderlijk/lastig in geval van a
Tijdstip van ontstaan       ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Levensverwachting           de vitaliteit is aangetast, maar dieren kunnen er oud mee worden
Frequentie                  regelmatig voorkomend bij enkele rassen
Integriteit                 aantasting van integriteit
Weegscore                   WAS: 20 GAS: 20 IAS (rest): 12
                            1e prioriteit
Erfelijke aanleg            polygeen
Waarneembaarheid            direct en voor iedereen zonder twijfel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>                                                    46
1.14. Staartloosheid
Staartloosheid en variabele staartlengte is een raskenmerk voor Manxkatten. In sommige
gevallen is sprake van “rumpy’s en stumpy’s”. Manx katten zijn normaal levensvatbaar, maar
als volledig staartloze katten onderling gepaard worden is een deel van de kittens ernstig
misvormd en niet levensvatbaar. Bij paring met “rumpy’s en stumpy’s” zouden de risico’s
minder groot zijn.
Pijnlijkheid en/of hinder    .....
Tijdstip van ontstaan        voor de geboorte
Levensverwachting            sterfte kort voor, tijdens of kort na de geboorte
Integriteit                  aantasting van integriteit
Weegscore                    WAS: 7 GAS: 20 IAS (rest): 12
                             1e prioriteit
Erfelijke aanleg             dominant, met variabele expressie
Waarneembaarheid             direct en voor iedereen zonder twijfel
1.15. Patella luxatie
Patella luxatie is het verschijnsel dat de knieschijf wordt gedisloceerd (van zijn plaats gaat).
Bij enkele kattenrassen komt regelmatig Patella luxatie voor. Als de dislocatie vaak optreedt
is behandeling geïndiceerd. Als de knieschijf tengevolge hiervan vast blijft zitten zijn de
dieren ernstig beperkt in hun bewegingen.
Pijnlijkheid en/of hinder    hinderlijk/lastig
Tijdstip van ontstaan        ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Levensverwachting            de vitaliteit is aangetast, maar dieren kunnen er oud mee worden
Frequentie                   incidenteel voorkomend bij meerdere rassen
Integriteit                  aantasting van integriteit
Weegscore                    WAS: 12 GAS: 7 IAS (rest): 12 MVS: 3
                             1e prioriteit
Erfelijke aanleg             familiair
Waarneembaarheid             direct en voor iedereen zonder twijfel
1.16. Kaakmisvormingen
Afwijking in de botgroei van de kaken.
Pijnlijkheid en/of hinder    hinderlijk/pijnlijk
Tijdstip van ontstaan        voor de geboorte
Levensverwachting            de vitaliteit is aangetast, maar dieren kunnen er oud mee worden
Weegscore                    WAS: 12 GAS: 16 IAS (rest): n.v.t.
                             1e prioriteit
Erfelijke aanleg             polygeen
Waarneembaarheid             direct en voor iedereen zonder twijfel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>                                                    47
1.17. Vouwoor (Scottish fold)
Vouwoor (Scottish fold) is een raskenmerk met negatieve nevenkenmerken. Onderlinge
paring van vouwoor katten levert kittens op waarvan een deel ernstig misvormd is.
Pijnlijkheid en/of hinder    .....
Tijdstip van ontstaan        voor de geboorte
Levensverwachting            sterfte kort voor, tijdens of kort na de geboorte
Weegscore                    WAS: 6 GAS: 20 IAS (rest): n.v.t.
                             1e prioriteit
Erfelijke aanleg             dominant
Waarneembaarheid             direct en voor iedereen zonder twijfel na enkele weken
2.   Ogen
2.3. Progressieve retina atrofie (PRA)
PRA, ook wel eens aangeduid als nachtblindheid, is het verschijnsel waarbij het netvlies
atrofieert (verval van functie). PRA komt bij veel kattenrassen voor. Er zijn verschillende
vormen van PRA waarvan sommige op jonge en andere pas op latere leeftijd blindheid
veroorzaken. Bij sommige vormen is het gebrek enkelvoudig recessief, maar er komen ook
dominante vormen voor. De bestrijding dient daarom per ras plaats te vinden.
Pijnlijkheid en/of hinder    hinder
Tijdstip van ontstaan        ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Levensverwachting            sterfte bij noodzakelijke euthanasie
                             de vitaliteit is aangetast, maar dieren kunnen er oud mee worden
Integriteit                  aantasting van integriteit
Weegscore                    WAS: 12 GAS: 7 IAS (rest): 20
                             1e prioriteit
Erfelijke aanleg             recessief, dominant
Waarneembaarheid             met diagnostische hulpmiddelen
3. Huid, haar en oren
3.2. Haarloosheid
Haarloosheid is een raskenmerk bij sphynxkatten. Aangenomen wordt dat dit een verliesmu-
tatie is. De vraag of sphynxkatten van hun haarloosheid hinder ondervinden als ze binnen
gehouden worden is nog niet bevredigend beantwoord.
Pijnlijkheid en/of hinder    .....
Tijdstip van ontstaan        voor de geboorte
Levensverwachting            de vitaliteit is aangetast, maar dieren kunnen er oud mee worden
Frequentie                   veel voorkomend bij één ras
Integriteit                  aantasting van integriteit
Weegscore                    WAS: 7 GAS: 7 IAS (rest): 12 MVS: 1 of 3?
                             1e of 2e prioriteit?
Erfelijke aanleg             recessief
Waarneembaarheid             direct en voor iedereen zonder twijfel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>                                                   48
3.4. Leukistische doofheid, doofheid bij witte katten
Leukistische doofheid komt vooral voor bij katten met een witte vacht en met blauwe ogen.
Bij odd-eyed katten (katten met een blauw en een gepigmenteerd oog) is sprake van kans op
doofheid. Aangenomen wordt dat er hierbij sprake is van een stoornis in de ontwikkeling van
embryonale stamcellen waaruit zowel pigmentcellen ontstaan alsook cellen die een rol spelen
bij de perceptie van geluidstrillingen.
Pijnlijkheid en/of hinder   hinder
Tijdstip van ontstaan       voor de geboorte, expressie na enkele weken
Levensverwachting           de vitaliteit is aangetast, maar dieren kunnen er oud mee worden
Integriteit                 aantasting van integriteit
Weegscore                   WAS: 12 GAS: 7 IAS (rest): 20
                            1e prioriteit
Erfelijke aanleg            recessief, met variabele expressie
Waarneembaarheid            direct en voor iedereen zonder twijfel
5. Overige aandoeningen bij katten
5.8. Gevoeligheid voor infectieziekten
Afwijkingen in het genencomplex dat verantwoordelijk is voor de immuniteit tegen infectie-
ziekten kunnen leiden tot verminderde of geen weerstand tegen infectieziekten, zoals onder
andere leukemie.
Pijnlijkheid en/of hinder   .....
Tijdstip van ontstaan       ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Levensverwachting           levensbedreigend op lange termijn
Weegscore                   WAS: 7 GAS: 16 IAS (rest): n.v.t.
                            1e prioriteit
Erfelijke aanleg            familiair
Waarneembaarheid            met diagnostische hulpmiddelen
5.9. Amyloidose
Amyloidose is een verzamelnaam voor stofwisselingsstoornissen die leiden tot eiwitneerslag
(amyloid). Bekende voorbeelden zijn amyloid in de nieren bij Abessijnen en in de lever bij
Siamezen.
Pijnlijkheid en/of hinder   hinder (discomfort)
Tijdstip van ontstaan       ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Levensverwachting           levensbedreigend op lange termijn
Weegscore                   WAS: 12 GAS: 20 IAS (rest): n.v.t.
                            1e prioriteit
Erfelijke aanleg            familiair
Waarneembaarheid            met diagnostische hulpmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>                                                   49
5.10. Spasticiteit
Cerebellaire ataxie wordt gekenmerkt door krampverschijnselen, vooral aan de achterpoten,
als gevolg van functieverval in het centrale zenuwstelsel. Het dier heeft ernstige distress.
Pijnlijkheid en/of hinder   zeer hinderlijk/lastig
Tijdstip van ontstaan       ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Levensverwachting           de vitaliteit is aangetast, levensbedreigend
Weegscore                   WAS: 20 GAS: 16 IAS (rest): n.v.t.
                            1e prioriteit
Erfelijke aanleg            recessief
Waarneembaarheid            directe en voor iedereen zonder twijfel
5.11. Cardiomyopathie
Een stoornis in de hartspier, die kan leiden tot sloomheid, verminderde eetlust, benauwdheid
en een verlamming van de achterhand.
Pijnlijkheid en/of hinder   zeer hinderlijk
Tijdstip van ontstaan       .....
Levensverwachting           de vitaliteit is aangetast, levensbedreigend
Weegscore                   WAS: 12 GAS: 16 IAS (rest): n.v.t.
                            1e prioriteit
Erfelijke aanleg            dominant
Waarneembaarheid            met diagnostische hulpmiddelen
5.12. Polycystic Kidney Disease
Polycystic Kidney Disease is een in de VS regelmatig, en in ons land in toenemende mate,
voorkomende stoornis waarbij cysten (blaasjes) in de nier ontstaan met als gevolg het
onvoldoende functioneren van de nieren. Daardoor treden vergiftigingsstoornissen op
(uremie) waarbij de dood als regel het gevolg is.
Pijnlijkheid en/of hinder   .....
Tijdstip van ontstaan       ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Levensverwachting           levensbedreigend op korte termijn
Weegscore                   WAS: 7 GAS: 20 IAS (rest): n.v.t.
                            1e prioriteit
Erfelijke aanleg            familiair
Waarneembaarheid            met diagnostische hulpmiddelen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>                                       50
7. Schadelijke erfelijke kenmerken bij konijnen en knaagdieren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>51</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>                                                   52
8.       Schadelijke erfelijke kenmerken bij paarden
Gedeeltelijk al ingevuld op grond van document groslijstpaard050900
1. Verstoring normale locomotie
1.1. Podotrochleose
Botstoornis in het achter het hoefgewricht gelegen sesambeentje, waardoor chronische
kreupelheid ontstaat.
Pijnlijkheid en/of hinder   pijnlijk
Tijdstip van ontstaan       ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Levensverwachting           sterfte bij noodzakelijke euthanasie
Frequentie                  incidenteel voorkomend bij een of enkele rassen (o.a. bij het in aantal
                            grootste Nederlandse paardenras, het Nederlandse warmbloedpaard)
Integriteit                 aantasting van integriteit
Weegscore                   WAS: 20 GAS: begint met 7, loopt uit op 14 en incidenteel naar 20
                            IAS (rest): 12
                            1e prioriteit
Erfelijke aanleg            polygeen
Waarneembaarheid            met diagnostische hulpmiddelen
1.2. Sesamoiditis
Degeneratie sesambeenderen, leidend tot kreupelheid.
Pijnlijkheid en/of hinder   pijnlijk (en minder tot ongeschikt voor gebruik)
Tijdstip van ontstaan       ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Levensverwachting           sterfte bij noodzakelijke euthanasie
                            de vitaliteit is aangetast, maar dieren kunnen er oud mee worden
Frequentie                  ?
Integriteit                 aantasting van integriteit
Weegscore                   WAS: 12-20 GAS: 14-20 IAS (rest): 12
                            1e prioriteit
Erfelijke aanleg            polygeen
Waarneembaarheid            met diagnostische hulpmiddelen
1.3. Spat
Benige verdikking aan de sprong die kreupelheid tot gevolg heeft.
Pijnlijkheid en/of hinder   hinderlijk/lastig (tot ongeschikt voor gebruik)
Tijdstip van ontstaan       ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Levensverwachting           de vitaliteit is aangetast, maar dieren kunnen er oud mee worden
Frequentie                  incidenteel voorkomend bij een of enkele rassen
Integriteit                 aantasting van integriteit
Weegscore                   WAS: 12-20 GAS: 14-20 IAS (rest): 12
                            1e prioriteit
Erfelijke aanleg            polygeen
Waarneembaarheid            direct en met diagnostische hulpmiddelen zonder twijfel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>                                                  53
1.4. Osteochondritis dissecans
Verweking van bot en kraakbeen op de gewrichtsvlakken die aseptische necrose veroorzaakt.
Leidt tot kreupelheid.
Pijnlijkheid en/of hinder  pijnlijk
Tijdstip van ontstaan      ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat?
Levensverwachting          sterfte bij noodzakelijke euthanasie
                           de vitaliteit is aangetast, maar dieren kunnen er oud mee worden
Frequentie                 ?
Integriteit                aantasting van integriteit
Weegscore                  WAS: 7/16, incidenteel 20 GAS: 14-20 IAS (rest): 12
                           1e prioriteit
Erfelijke aanleg           familiair
Waarneembaarheid           met diagnostische hulpmiddelen
1.5. Patella luxatie
Dislocatie van de knieschijf.
Pijnlijkheid en/of hinder  hinderlijk/lastig (incidenteel ongeschikt voor gebruik)
Tijdstip van ontstaan      ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
Levensverwachting          de vitaliteit is aangetast, maar dieren kunnen er oud mee worden
Frequentie                 incidenteel voorkomend bij een of andere rassen
Integriteit                aantasting van integriteit
Weegscore                  WAS: 12 GAS: 14 IAS (rest): 12
                           1e prioriteit
Erfelijke aanleg           polygeen
Waarneembaarheid           direct en voor iedereen zonder twijfel
1.6. Gewrichtsankylose
Vergroeiing van de gewrichten in de achterhand. De dieren worden meestal aangeduid als
kreng.
Pijnlijkheid en/of hinder  zeer hinderlijk/lastig (soms geboorteproblemen bij geboorte van
                           aangetast veulen)
Tijdstip van ontstaan      voor de geboorte
Levensverwachting          levensbedreigend op korte termijn
Frequentie                 incidenteel voorkomend bij een of enkele rassen (Shetland ponies)
Integriteit                aantasting van integriteit
Weegscore                  WAS: 20 GAS: 20 IAS (rest): 20
                           1e prioriteit
Erfelijke aanleg           enkelvoudig recessief
Waarneembaarheid           direct en voor iedereen zonder twijfel
2. Verstoring ademhaling
2.1. Cornage
Verstoring normale ademhaling, larynxparalyse.
Pijnlijkheid en/of hinder  mogelijk hinder; bij ernstiger vormen bij inspanning benauwdheid
Tijdstip van ontstaan      ontwikkelingsstoornis die gedurende het leven ontstaat
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>                                                 54
Levensverwachting           verminderd, eventueel operabel (“nuts” operatie)
Frequentie                  incidenteel
Integriteit
Weegscore                   WAS: ..... GAS: ..... IAS (rest): .....
Erfelijke aanleg
Waarneembaarheid
3. Verstoring bouw buikholte
3.1. Hernia umbilicalis
Navelbreuk.
Pijnlijkheid en/of hinder
Tijdstip van ontstaan
Levensverwachting
Frequentie
Integriteit
Weegscore                   WAS: ..... GAS: ..... IAS (rest): .....
Erfelijke aanleg
Waarneembaarheid
3.2. Hernia inguinalis en scrotalis
Lies-/zakbreuk.
Pijnlijkheid en/of hinder
Tijdstip van ontstaan
Levensverwachting
Frequentie
Integriteit
Weegscore                   WAS: ..... GAS: ..... IAS (rest): .....
Erfelijke aanleg
Waarneembaarheid
4. Verstoring centrale zenuwstelsel
4.1. Cerebellaire ataxie
Afwijking van de centrifigale of centripetale banen in het achterste gedeelte van de kleine
hersenen. Veroorzaakt storing van de bewegingscoördinatie.
Pijnlijkheid en/of hinder
Tijdstip van ontstaan
Levensverwachting
Frequentie
Integriteit
Weegscore                   WAS: ..... GAS: ..... IAS (rest): .....
Erfelijke aanleg
Waarneembaarheid
5. Verstoring bouw ogen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>                                                 55
5.1. Anophtalmie
Geen oogbol.
Pijnlijkheid en/of hinder
Tijdstip van ontstaan
Levensverwachting
Frequentie
Integriteit
Weegscore                   WAS: ..... GAS: ..... IAS (rest): .....
Erfelijke aanleg
Waarneembaarheid
5.2. Microphtalmie
Kleine oogbol.
Pijnlijkheid en/of hinder
Tijdstip van ontstaan
Levensverwachting
Frequentie
Integriteit
Weegscore                   WAS: ..... GAS: ..... IAS (rest): .....
Erfelijke aanleg
Waarneembaarheid
5.3. Cataract
Juvenile cataract, op jonge leeftijd optredende vertroebeling van de ooglens.
Pijnlijkheid en/of hinder
Tijdstip van ontstaan
Levensverwachting
Frequentie
Integriteit
Weegscore                   WAS: ..... GAS: ..... IAS (rest): .....
Erfelijke aanleg
Waarneembaarheid
6. Verstoring bouw kaken
6.1. Brachygnathia
Overbeet (varkensmond) of onderbeet (snoekebek).
Pijnlijkheid en/of hinder
Tijdstip van ontstaan
Levensverwachting
Frequentie
Integriteit
Weegscore                   WAS: ..... GAS: ..... IAS (rest): .....
Erfelijke aanleg
Waarneembaarheid
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>56</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>                                       57
9. Schadelijke erfelijke kenmerken bij sierhoenders
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>                                        58
10. Schadelijke erfelijke kenmerken bij sierduiven
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>                                        59
11. Schadelijke erfelijke kenmerken bij vissen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>                                               60
Pijnlijkheid en/of hinder
Tijdstip van ontstaan
Levensverwachting
Frequentie
Integriteit
Weegscore                 WAS: ..... GAS: ..... IAS (rest): .....
Erfelijke aanleg
Waarneembaarheid
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>