<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Verkenning van de toekomstperspectieven voor agroproductieparken in
Nederland (RDA 2004/06)
Op verzoek van de directeur Industrie en Handel van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
(LNV) heeft de Raad voor Dierenaangelegenheden de toekomstperspectieven voor agroproductieparken in
Nederland verkend. De Raad constateert daarbij het volgende.
De toekomst van de intensieve veehouderij in Nederland staat onder druk. De maatschappij stelt (steeds)
hoge(re) eisen aan de wijze waarop producten van dierlijke oorsprong worden geproduceerd. De zich
wijzigende maatschappelijke opinie op dit vlak zal zich steeds krachtiger manifesteren in de vorm van eisen
aan de professionele dierhouderij (1).
Uit het in 2003 door de minister van LNV georganiseerde debat Toekomst Intensieve Veehouderij blijkt dat de
intensieve veehouderij in Nederland wel een toekomst heeft, mits er een aantal grote veranderingen
plaatsvindt. Zo moeten de activiteiten worden ingebed in de gewenste landschappelijke en de vereiste natuur-
en milieukwaliteiten en moeten zij voldoen aan de eisen die de samenleving nu èn in de toekomst stelt aan de
omgang met dieren die voor productiedoeleinden gehouden worden (1). De Raad onderschrijft deze
constatering van de minister van LNV.
Een veelbesproken wijze waarop de intensieve veehouderij in Nederland zich in de toekomst zou kunnen
ontwikkelen is in de vorm van zogenaamde agroproductieparken, dat wil zeggen een verzameling agrarische
bedrijven met veel mens-/diercontacten op één plek geconcentreerd. In het (recente) verleden zijn er
verschillende ontwerpen gemaakt van dergelijke agroproductieparken. In veel van deze ontwerpen werden
veehouderij èn andere, aan de agrosector gerelateerde elementen samengebracht op één plaats.
Het eerste ontwerp van een agroproductiepark, beschreven in het rapport “Agroproductieparken:
perspectieven en dilemma’s”, werd met veel kritiek ontvangen (2). Eén van de belangrijkste kritiekpunten was
dat het ontwerp op tal van punten, waaronder diergezondheid en dierenwelzijn, onvoldoende was uitgewerkt
(3). Al snel werd in de volksmond gesproken over ‘varkensflats’; het idee van verdere industrialisatie van de
Nederlandse veehouderij (in dit geval specifiek de Nederlandse varkenshouderij), werd afgedaan als niet
serieus.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>In de loop van de tijd zijn er desondanks verschillende nieuwe ontwerpen van agroproductieparken
beschreven (zie onder andere literatuurreferenties 4-8). Ook voor deze ontwerpen geldt dat ze slechts op een
beperkt aantal punten zijn uitgewerkt en dat ze te weinig informatie bieden om over de (financiële)
haalbaarheid ervan zinvolle uitspraken te doen. De Raad is van mening dat geldige uitspraken over de
(financiële) haalbaarheid pas gedaan kunnen worden als alle relevante aspecten (zoals diergezondheid,
dierenwelzijn, milieu en ruimtelijke ordening) dusdanig gedetailleerd zijn uitgewerkt dat een financiële
doorrekening mogelijk is. Pas dan kunnen ook gefundeerde uitspraken gedaan worden over de mate waarin
aspecten, zoals dierenwelzijn, diergezondheid en milieu, gewaarborgd zijn in het betreffende ontwerp. Ter
illustratie: een ontwerp dat bijzonder welzijnsvriendelijk is, kan financieel niet haalbaar blijken; een ontwerp dat
financieel haalbaar is, kan vanuit een dierenwelzijnsperspectief echter onwenselijk blijken.
Los van de vraag of agroproductieparken financieel haalbaar zijn, constateert de Raad dat de ontwikkeling van
agroproductieparken op de korte tot middellange termijn onwaarschijnlijk en nu niet gewenst is. Het draagvlak
voor agroproductieparken is zeer beperkt: voor veel belanghebbenden wegen de mogelijke nadelen (zoals het
slechte imago van agroproductieparken, de bedreiging van het vrije ondernemerschap en het risico van zeer
grootschalige ruimingen bij een dierziekteuitbraak) vooralsnog zwaarder dan de voordelen (bijvoorbeeld meer
mogelijkheden om te investeren in milieu en dierenwelzijn en het sluiten van kringlopen). Bovendien staan tal
van praktische bezwaren de ontwikkeling van agroproductieparken op dit moment in de weg. Zo worden bij
veel ontwerpen verschillende schakels in de keten op één terrein geplaatst. Daarbij wordt, ten onrechte,
aangenomen dat de verschillende schakels zich vergelijkbaar ontwikkelen.
De Raad is van mening dat op de korte tot middellange termijn het stimuleren van vrijwillige, kleinschalige
clustering de voorkeur verdient boven de geforceerde ontwikkeling van agroproductieparken. Wellicht leidt
deze vrijwillige, kleinschalige clustering op de middellange tot lange termijn tot de ontwikkeling van
agroproductieparken, maar de Raad is in dezen van mening dat het beter is om hier via de weg van evolutie
dan via de weg van revolutie te komen.
Literatuurreferenties
1.    Brief van minister Veerman aan de Tweede Kamer met de bevindingen van het debat Toekomst
      Intensieve Veehouderij en de aanbevelingen voor de toekomst, 19 december 2003.
2.    De Wilt, J.G., Van Oosten, H.J., Sterrenberg, L. (2000). Agroproductieparken: perspectieven en
      dilemma’s. Den Haag: Innovatienetwerk Groene Ruimte en Agrocluster.
3.    Raad voor Dierenaangelegenheden (2001). Agroproductieparken. Advies RDA 20001/01.
4.    Van Eck, W., Groot, R., Hulsteijn, M.K., Smeets, P.J.A.M., Van Steekelenburg, M.G.M. (red.) (2002).
      Voorbeelden van agribusinessparken. Wageningen: Alterra, rapportnr. 594.
5.    Frijters, E. (2003). Farmtycoon: ontwerponderzoek naar een agribusinessclusterpark bij Venlo.
      Wageningen: Alterra, rapportnr. 722.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>6. Van Gendt, S., De Groot, G., Boendermaker, C. (2003). Globaal businessplan van een agro-center. Den
   Haag: Innovatienetwerk Groene Ruimte en Agrocluster, rapportnr. 03.2.029.
7. Broeze, J., Eijck, I.A.J.M., De Greef, K.H., Groot Koerkamp, P.W.G., Stegeman, J.A., De Wilt, J.G.
   (2003). Animal Care: diergezondheid en dierenwelzijn in ruimtelijke clusters. Den Haag: Innovatienetwerk
   Groene Ruimte en Agrocluster, rapportnr. 03.2.028.
8. Bethe, F., Broeze, J., Smeets, P.J.A.M., Van Steekelenburg, M.G.N. (2003). Drie ontwerpen van een
   agroproductiepark in de haven van Amsterdam: zoektocht naar de mogelijkheden van de inrichting van
   een agroproductiepark in het zeehavengebied Westpoort van Amsterdam. Den Haag: Innovatienetwerk
   Groene Ruimte en Agrocluster, rapportnr. 03.2.030.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>