<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Tweede Kamer der Staten-Generaal
                                                                                           2
Vergaderjaar 2003–2004
28 286                 Dierenwelzijn
Nr. 5                  BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN
                       VOEDSELKWALITEIT
                       Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
                       ’s-Gravenhage, 20 januari 2004
                       Onlangs heb ik van de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) een
                       advies ontvangen getiteld «Negatief- en positieflijst voor zoogdieren en
                       vogels ter invulling van artikel 33 van de Gezondheid- en welzijnswet voor
                       dieren».
                       Ik wil daar graag een reactie op geven. In de brief van 20 november 2003
                       (86-03-LNV) verzoekt de vaste commissie van LNV mij ook om een reactie,
                       en vraagt mij daarbij aan te geven óf en zo ja, hoe ik de aanbevelingen
                       van de RDA ga overnemen.
                       Advies RDA
                       Op 4 november jl. heeft de RDA zijn door mij gevraagde advies gepubli-
                       ceerd. In dit advies geeft de Raad aan welke zoogdieren en vogels naar
                       zijn mening niet resp. wel gehouden kunnen worden als huisdier. De Raad
                       heeft bij het opstellen van de lijsten gelet op de gezondheid en het welzijn
                       van de diersoorten. De Raad heeft geen rekening gehouden met de CITES-
                       wetgeving, noch met de mogelijkheid dat bepaalde diersoorten voor de
                       mens gevaarlijk kunnen zijn, of dat er faunavervalsing zou kunnen
                       optreden indien bepaalde soorten gehouden worden als huisdier.
                       Hier volgen enkele elementen uit het advies.
                       • De Raad kondigt aan dat voor de dieren op de positieflijst houderij-
                           voorschriften zullen moeten worden ontwikkeld.
                       • Voor de dieren die niet gehouden kunnen worden, stelt de Raad een
                           overgangsperiode voor, met een nader vorm te geven uitsterfbeleid.
                       • Tevens stelt de Raad voor om een erkenningmogelijkheid te creëren
                           voor houders van dieren die op de negatieflijst staan. Zij moeten
                           aantonen dat zij omstandigheden hebben geschapen, waarbij de te
                           houden diersoort geen onaanvaardbare gezondheid- of welzijns-
                           problemen heeft.
                       • Voor de overheid wordt een rol voorgesteld onder andere bij het
                           opnemen van de lijsten van diersoorten in een AMvB. Die AMvB zou
KST73782
0304tkkst28286-5
ISSN 0921 - 7371
Sdu Uitgevers
’s-Gravenhage 2004     Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 28 286, nr. 5                         1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>     regelmatig aangepast moeten worden. De Raad denkt daarbij aan een
     frequentie van twee jaar.
•    Ook vindt de Raad dat de overheid toezicht moet hebben op de wijze
     waarop het veld de handhaving van de AMvB uitwerkt, en op de
     erkenningprocedure voor houders van dieren die in principe niet
     gehouden mogen worden.
De Raad geeft aan dat zijn advies een eerste stap is, en roept de sector en
het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op om de
precieze rol van de sector en de verdere invulling van welzijnsaspecten te
bespreken. Ten aanzien van de rolverdeling bij de handhaving, stelt de
Raad voor dat partijen in het veld een belangrijke rol kunnen spelen bij de
uitvoering; de overheid moet toezicht houden op de controle op de na-
leving door de sector.
Beleid dierenwelzijn
In mijn brief van 20 oktober jl. heb ik mijn beleid ten aanzien van het
dierenwelzijn uiteengezet (kamerstuk 28 286, nr. 4). Ik heb daar aange-
geven te streven naar welzijnsregels die in Europees verband worden
afgesproken (het zgn. level-playing-field). Binnen die context streef ik naar
een zo hoog mogelijk dierenwelzijn. Daarnaast wil het kabinet meer
verantwoordelijkheid leggen bij de samenleving en met name bij de
houders van de dieren zelf, en heeft het als doelstelling om de administra-
tieve lasten zoveel mogelijk te beperken.
Ten aanzien van gezelschapdieren heb ik in deze brief een verschil met
landbouwhuisdieren aangegeven: de handhaafbaarheid. Controle op het
dierenwelzijn bij gezelschapsdieren, die in privé-situaties worden
gehouden, is zeer lastig. En dit kabinet streeft ernaar om geen regels uit te
vaardigen die niet handhaafbaar zijn.
Reactie
De discussie over het houden van gezelschapsdieren en de daaraan vaak
gekoppelde discussie over de invulling van artikel 33 van de GWWD heeft
een lange historie. Ook vanuit uw Kamer is hier aandacht voor gevraagd.
Ik zie het advies van de RDA in dat opzicht dan ook als een doorbraak.
Vanuit een ontwikkelde set van criteria is voor zoogdieren en vogels een
lijst ontwikkeld van diersoorten die wel en niet gehouden kunnen worden
als gezelschapsdier, vanuit het beeld van gezondheid en welzijn. Voor het
eerst is er hierover een breedgedragen opvatting ontstaan.
De lijn die in het advies van de RDA wordt gekozen past echter niet binnen
de kaders van het kabinetsbeleid. Het neerleggen van een lijst van te
houden dieren in een AMvB past niet in het hierboven geschetste kader
voor het dierenwelzijnsbeleid, waarbij de verantwoordelijkheid bij de
houder van de dieren wordt gelegd.
Hier speelt daarnaast dat de controle op de gezondheid en het welzijn van
gezelschapsdieren niet goed kan plaatsvinden. Ook is de handhaving van
de voorwaarden die gesteld moeten worden aan het houden van dieren
die op de positieflijst staan, zoals door de RDA wordt voorgesteld (met
voorschriften per diersoort), onuitvoerbaar. De voorgestelde tweejaarlijkse
aanpassing van de gewenste AMvB past tenslotte ook niet in de kaders
van het beleid van het kabinet.
De invulling van art. 33 van de GWWD bij AmvB blijft wat mij betreft dan
ook achterwege.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 28 286, nr. 5                         2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Hoe verder?
Ik zie in het advies van de RDA wel een vraag vanuit de maatschappij om
op dit terrein stappen te zetten. Ik zie het advies als een aansporing voor
het veld om gezamenlijk te komen tot een beter welzijn voor de
gezelschapdieren. Daarvoor kan het veld diverse instrumenten inzetten. Ik
denk daarbij bijvoorbeeld aan het geven van voorlichting aan nieuwe
eigenaren, en aan het certificeren van dierenwinkels en importeurs.
Ook kunnen bijvoorbeeld door partijen in de sector afspraken gemaakt
worden dat bepaalde diersoorten niet geïmporteerd of verhandeld
worden. Dit komt ook tegemoet aan mijn opvatting dat de verantwoorde-
lijkheid voor de gezondheid en het welzijn van de dieren primair bij de
houder van het dier ligt.
Ik zal – waar mogelijk en nuttig – een bijdrage leveren aan de activiteiten
die het veld ontwikkelt. Te denken valt aan het meefinancieren van
voorlichtingsactiviteiten of het ondersteunen van onderzoek.
Dit laat overigens onverlet de verantwoordelijkheid die de overheid heeft
bij het optreden tegen excessen. Daarvoor zal en wil ik in de toekomst
aanspreekbaar blijven.
Om ervoor te zorgen dat de energie die op dit terrein bestaat niet verloren
gaat, wil ik nagaan op welke wijze ik het veld kan ondersteunen initia-
tieven te nemen. Daartoe zal ik dit voorjaar een conferentie organiseren,
waarin alle partijen afspraken kunnen maken over de wijze waarop de
gezondheid en het welzijn van gezelschapsdieren verbeterd en gewaar-
borgd kunnen worden. Er kunnen daar eveneens afspraken gemaakt
worden over het proces dat daarbij gevolgd moet worden.
Indien partijen met veelbelovende initiatieven komen zal ik die graag
faciliteren.
Dit past in het beeld dat ik voor me zie als het gaat om de invulling van de
verantwoordelijkheid van LNV op het terrein van welzijn van gezelschap-
dieren.
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
C. P. Veerman
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 28 286, nr. 5                         3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>