<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>               JUNI 2006
    ADVIES RDA  2006/05
NATUURLIJK GEDRAG VAN VARKENS
                         ADVIES AAN DE MINISTER VAN LANDBOUW,
                         NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT INZAKE HET IN TE
                         NEMEN STANDPUNT TEN AANZIEN VAN
                         NATUURLIJK GEDRAG VAN VARKENS
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>         SAMENSTELLING VAN DE RAAD
•  prof. dr. C.J.G. Wensing, voorzitter Raad voor Dierenaangelegenheden
•  A. Achterkamp
•  ir. M.J.B. Jansen                    bezoekadres:
•  drs. S.B.M. Jongerius                Laan van Nieuw Oost Indië 131-133
•  J.Th. de Jongh                       2593 BM Den Haag
•  ir. B.J. Odink
•  ir. C.A.J.C. Oomen                   postadres:
•  mr. A. Oppers                        Postbus 90428
•  prof. dr. A. Pijpers                 2509 LK Den Haag
•  ir. J.C.M. van Rijsingen
•  drs. T. de Ruijter                   telefoon 070 3785266
•  S.J. Schenk                          fax 070 3786336
•  prof. dr. F.J. van Sluijs            email info@rda.nl
•  H.W.A. Swinkels
•  drs. P.A. Thijsse
•  drs. H.M. van Veen
•  prof. dr. J.H.M. Verheijden
•  ir. ing. A. Vermuë
•  drs. P. van der Wal
Secretaris: dr. drs. I.D. de Wolf
                                                                          1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>2</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>         INHOUDSOPGAVE
Advies ................................................................................................................................................................... 5
Onderbouwing van het advies.............................................................................................................................. 9
1.    Inleiding ........................................................................................................................................................ 9
2.    Aanpak ......................................................................................................................................................... 9
3.    Het perspectief tot het jaar 2026................................................................................................................10
      3.1.     Guste en dragende zeugen.............................................................................................................10
      3.2.     Kraamzeugen ..................................................................................................................................13
      3.3.     Kraambiggen ...................................................................................................................................14
      3.4.     Gespeende biggen ..........................................................................................................................15
      3.5.     Vleesvarkens ...................................................................................................................................16
Bijlagen ...............................................................................................................................................................19
1.    Het natuurlijk gedrag van varkens .............................................................................................................19
      1.       Het natuurlijk gedrag van varkens...................................................................................................19
      2.       Huisvestingssystemen varkens.......................................................................................................34
      3.       Verbeteringsmogelijkheden varkens ...............................................................................................52
2.    Samenstelling van de werkgroep 'Natuurlijk gedrag bij varkens'...............................................................56
3.    Overzicht van publicaties ...........................................................................................................................57
                                                                                                                                                                           3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>4</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>          ADVIES
Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedsel-      De nadruk in dit advies zal liggen op het streven
kwaliteit (LNV) heeft als richtinggevend perspectief om te komen tot verbeteringen van de uitvoering
voor het welzijnsbeleid het navolgende geformu-      van de belangrijkste gedragingen die nu, afhanke-
leerd: “Er wordt naar gestreefd om gehouden          lijk van huisvestingsysteem, beperkt of niet uitge-
dieren in een omgeving te laten leven waarin zij     voerd kunnen worden.
hun natuurlijk (soorteigen) gedrag kunnen verto-
nen.”                                                De hieronder voorgestelde aanbevelingen per
                                                     categorie varkens kunnen positieve dan wel nega-
Gelet op de mogelijkheid dat in dat kader huis-      tieve gevolgen hebben voor andere aspecten die
vestingssystemen aangepast moeten worden is          voor de varkenshouderij van belang zijn, zoals
door de Directie Landbouw van het Ministerie van     bijvoorbeeld de internationale concurrentiepositie,
LNV de vraag gesteld welke belemmeringen er          de ruimtelijke ordening, de diergezondheid, de
bestaan voor de varkens in de Nederlandse            voedselveiligheid, de arbeidsomstandigheden of
varkenshouderij om natuurlijk gedrag zoveel moge-    het milieu. De Raad adviseert om bij de verdere
lijk uit te kunnen voeren en hoe deze belemmerin-    uitwerking van de voorstellen die in dit advies wor-
gen opgelost kunnen worden binnen een tijdsbe-       den gedaan deze aspecten ook te onderzoeken en
stek van 20 jaar.                                    mee te wegen.
                                                     Al naar gelang de uitkomsten van deze afweging
De Raad is van mening dat in de hedendaagse          adviseert de Raad om, bijvoorbeeld bij een ver-
varkenshouderij natuurlijk gedrag niet volledig tot  slechtering van de concurrentiepositie van de
uitdrukking kan komen.                               Nederlandse varkenshouders, de discussie over de
                                                     toepassing    van   verschillende  instrumenten   in
De Raad voor Dierenaangelegenheden geeft in dit      Europees verband, met derde landen en in de
advies aan welke verbeteringen aangebracht en        WTO te gaan voeren (zie in dit verband ook RDA
gerealiseerd kunnen worden binnen het gevraagde      advies 2005/03).
tijdsbestek.
                                                                                                        5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>     1.   GUSTE EN DRACHTIGE ZEUGEN                     2.    KRAAMZEUGEN
Het belangrijkste natuurlijke gedrag dat guste en   De huidige hokken van kraamzeugen geven de
drachtige zeugen in de huidige systemen niet vol-   zeugen weinig tot geen mogelijkheden om het
doende uit kunnen voeren is het foerageergedrag.    voortplantingsgedrag en het onderhoudsgedrag,
Het niet voldoende kunnen uitvoeren van dit         daarvan met name het bewegingsgedrag, uit te
gedrag kan leiden tot het uitvoeren van afwijkend   voeren. De zeugen kunnen zich niet vrij bewegen,
gedrag. Daarnaast hangt het exploratiegedrag        zich niet omdraaien en het nestbouwgedrag niet
nauw samen met het foerageergedrag.                 uitvoeren. Daartegenover staat in positieve zin dat
De Raad adviseert om zeugen meer gelegenheid        in de huidige kraamhokken de kans op het dood-
te geven om het foerageergedrag, en daarmee het     liggen van de biggen wordt gereduceerd. In de
exploratiegedrag, uit te kunnen voeren. Dit kan     huidige kraamhokken is het waarschijnlijk niet of
gerealiseerd worden door het extra aanbieden van    nauwelijks mogelijk om veranderingen aan te bren-
geschikt materiaal, zoals extra ruwvoer of zaagsel. gen waardoor de zeugen de bovengenoemde
Uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek naar      gedragingen beter kunnen uitvoeren. De Raad
geschikte materialen kunnen hierbij richtinggevend  adviseert daarom voor de kraamzeugen nieuwe
zijn.                                               stalconcepten te ontwikkelen, waarbij er naar wordt
                                                    gestreefd dat zoveel mogelijk aan de onderstaande
Zieke dieren proberen zich soms wat af te zonde-    punten wordt voldaan. Deze punten zijn:
ren van de groep en hebben soms behoefte aan        1.   De zeugen kunnen zich draaien of het hok
een iets warmere omgeving. Voor het afzonderen           verlaten.
van zieke dieren zijn in het algemeen reeds prakti- 2.   Er is een dicht vloergedeelte waarop de dieren
sche oplossingen gevonden. De Raad beveelt de            kunnen liggen en een roostergedeelte om te
sector aan de ervaringen op dit gebied met elkaar        mesten.
te delen, zodat men kennis kan nemen van de         3.   Op het dichte vloergedeelte kan nestbouw-
gevonden oplossingen en deze algemeen kunnen             materiaal gegeven worden.
worden toegepast.                                   4.   Er worden maatregelen genomen om de kans
                                                         op het doodliggen van de biggen, met name in
                                                         de eerste vijf dagen na de geboorte, te
                                                         reduceren.
6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>    3.    KRAAMBIGGEN                                    4.    GESPEENDE BIGGEN
In de huidige vormen van huisvesting kunnen          In de huidige huisvestingssystemen ontvangen
kraambiggen beperkt het exploratie- en het speel-    gespeende biggen in het algemeen te weinig
gedrag en het gedrag behorend bij het vaststellen    prikkels om het exploratiegedrag voldoende uit te
van de onderlinge hiërarchie en het kunnen leren     voeren. Afhankelijk van de hok- of de groeps-
aangaan van sociale relaties uitvoeren.              grootte kan daarnaast het speel- of het sociaal
Om het exploratie- en het speelgedrag te stimu-      gedrag veelal minder goed uitgevoerd worden. De
leren is het belangrijk de kraambiggen te prikkelen. Raad adviseert om de groepen te laten bestaan uit
Dit kan door het aanbieden van speeltjes en ander    ongeveer tien tot dertig dieren per groep zodat ze
exploratiemateriaal. Het aanbieden van exploratie-   in de gelegenheid zijn het sociaal gedrag te kunnen
materiaal is in de huidige kraamhokken al wel        ontwikkelen. Daarnaast adviseert de Raad om de
mogelijk, maar gebeurt nog niet optimaal. De Raad    biggen meer afleidingsmateriaal, bijv. strooisel en
adviseert om, daar waar mogelijk, het gebruik van    verschillende speeltjes, in het hok aan te bieden
exploratiemateriaal te stimuleren.                   om zodoende het exploratie- en speelgedrag te
                                                     stimuleren. Praktijkonderzoek zal moeten uitmaken
Biggen bepalen in de kraamperiode hun onderlinge     in welke vorm en op welke wijze substraat en
hiërarchie en ontwikkelen in deze periode hun        afleiding- c.q. speelmateriaal het best kan worden
sociale gedrag. Dat beïnvloedt in belangrijke mate   gegeven.
hun sociale gedrag in de volgende levensfase.
Biggen moeten elkaar kunnen ontlopen en voor             5.    VLEESVARKENS
elkaar kunnen vluchten. Die ruimte is binnen de
huidige kraamhokken niet altijd aanwezig.            In het huidige huisvestingssysteem van vlees-
De Raad adviseert om, in combinatie met de nog te    varkens in kleine groepen met brijvoedering, kun-
ontwikkelen nieuwe kraamstal, ook te onderzoeken     nen het exploratiegedrag en het sociale gedrag niet
hoe meer ruimte aan de kraambiggen gegeven kan       goed uitgevoerd worden. In de systemen met
worden, zodat de biggen het sociale gedrag beter     droogvoerbakken kunnen vooral het sociale gedrag
kunnen ontwikkelen.                                  en het foerageergedrag beperkt worden uitge-
                                                     voerd.
                                                                                                       7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>De ontwikkeling van het sociale gedrag moet door
de varkens vooral in de kraamfase geleerd worden.
Als dit niet goed wordt aangeleerd kan het gebrek
aan sociale vaardigheden leiden tot agressie in de
mestfase. Varkens zullen in die situatie dan de
gelegenheid moeten hebben om te “vluchten”. Dit
kan alleen als er voldoende ruimte is. Met name
aan het eind van de mestfase kan die ruimte in de
onderhavige systemen te beperkt zijn. De Raad
adviseert om in bestaande en toekomstige huisves-
tingssystemen vleesvarkens meer vrije ruimte te
geven. Dit kan door vergroting van de oppervlakte
per dier of door combinatie van hokken waardoor
de dieren ruimte van elkaar kunnen “lenen”.
Praktijkonderzoek zal moeten aangeven welke
optie het meest realistisch is. Daarnaast adviseert
de Raad de vleesvarkenshouders om in hun
afspraken met fokkers extra te letten op de
ontwikkeling van het sociale gedrag.
Ten aanzien van het foerageer- en het exploratie-
gedrag geldt hetzelfde als is geadviseerd voor
guste en drachtige zeugen. Het lopende onderzoek
bij de Animal Sciences Group (ASG) van Wage-
ningen Universiteit en Researchcentrum (WUR) zal
ook     voor   vleesvarkens     informatie moeten
opleveren die kan leiden tot mogelijkheden om
beide gedragingen in voldoende mate te kunnen
uitvoeren.
8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>        ONDERBOUWING VAN HET ADVIES
1. INLEIDING                                          De Raad heeft besloten, gezien de mate van over-
                                                      lap, de vraag van de Dierenbescherming en van
In de nota `Houden van dieren` van het Ministerie     het Ministerie van LNV in één rapport uit te werken.
van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV)
wordt het richtinggevend perspectief voor het         De uitwerking vindt per diersoort plaats en
welzijnsbeleid als volgt geformuleerd: “Er wordt      resulteert in drie afzonderlijke adviezen, namelijk
naar gestreefd om gehouden dieren in een omge-        over 1) varkens, 2) melkvee en vleeskalveren en 3)
ving te laten leven waarin zij hun natuurlijk (soort- legkippen en vleeskuikens.
eigen) gedrag kunnen vertonen.”
                                                      2. AANPAK
Gelet op de mogelijkheid dat in dat kader huisves-
tingssystemen aangepast moeten worden is door         Tot dusver is relatief weinig onderzoek gedaan
de Directie Landbouw van het Ministerie van LNV       naar natuurlijk gedrag. De moeilijkheid is dat
de vraag gesteld welke belemmeringen er bestaan       onderzoek van natuurlijk gedrag in feite alleen kan
voor drie diersoorten in de Nederlandse veehou-       plaatsvinden onder omstandigheden waarbij er
derij om hun natuurlijk gedrag uit te kunnen voeren   geen belemmeringen voor het dier zijn om zijn
en hoe deze belemmeringen zoveel mogelijk opge-       natuurlijk gedrag uit te voeren. Dat onderzoek kan
lost kunnen worden binnen een tijdsbestek van 20      derhalve niet plaatsvinden onder de omstandig-
jaar.                                                 heden zoals wij die in de reguliere varkenshouderij
Daarnaast heeft de Dierenbescherming de Raad          in Nederland kennen.
voor Dierenaangelegenheden, hierna ‘de Raad’,         Op verzoek van de Raad heeft de Animal Sciences
gevraagd of hij een workshop kan organiseren over     Group (ASG) van Wageningen Universiteit en
natuurlijk gedrag.                                    Researchcentrum (WUR) in samenwerking met de
                                                      Universiteit Utrecht in het kader van dit advies een
                                                      inventarisatie gemaakt van het wetenschappelijk
                                                                                                         9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>onderzoek op dit gebied. Daarbij zijn zoveel           van de voorwaarden voor een goed welzijn van
mogelijk de aspecten die behoren tot het natuurlijk    een dier. Het natuurlijk gedrag is één van de ele-
gedrag beschreven (bijlage 1, hoofdstuk 1). Vervol-    menten die het welzijn van het dier bepalen. Het
gens is bekeken en beschreven welke huisves-           begrip “natuurlijk gedrag” is daarmee niet synoniem
tingssystemen in de sector het meest gebruikt          met het begrip “welzijn” (zie het kader op bladzijde
worden (bijlage 1, hoofdstuk 2). Op basis van deze     12).
wetenschappelijke informatie zijn door de werk-
groep de tabellen opgesteld waarin bij elke cate-      Ondanks het feit dat onze huidige varkens ver
gorie varkens is aangegeven welke aspecten van         afstaan van hun oorspronkelijke voorouders en
het natuurlijk gedrag de komende jaren het meest       sterk geselecteerd zijn op productie-eigenschap-
belangrijk worden geacht om tot een verbetering        pen, blijkt uit het beschikbare wetenschappelijk
daarvan te komen. In bijlage 1, hoofdstuk 3 is         onderzoek dat natuurlijke behoeften en gedragin-
tenslotte aangegeven welke oplossingsrichting,         gen in aanleg weinig zijn veranderd. Daarom is het
opgesteld op basis van wetenschappelijke informa-      mogelijk de resultaten van studies naar natuurlijk
tie, per aspect van het natuurlijk gedrag waar-        gedrag bij varkens die gehouden zijn onder min of
schijnlijk het meest effectief is om de uitvoering van meer natuurlijke omstandigheden te vertalen naar
dat gedragsaspect te verbeteren.                       onze huidige varkenshouderij.
3. HET PERSPECTIEF TOT HET JAAR 2026                   Hierna wordt per categorie varken aangegeven
                                                       welke verbeteringen om de natuurlijke gedragingen
In deze paragraaf worden de mogelijke oplossings-      uit te kunnen voeren de grootste prioriteit hebben.
richtingen besproken voor die aspecten van het
natuurlijk gedrag die op dit moment, afhankelijk van        3.1. Guste en dragende zeugen
huisvestingsysteem, beperkt of niet uitgevoerd kun-
nen worden. Oplossingsrichtingen voor deze ge-              3.1.1. Voerligboxsysteem met uitloop
dragingen hebben veelal tegelijkertijd een positief    De belangrijkste natuurlijke gedragingen die in dit
effect op de uitvoering van andere natuurlijke         huisvestingssysteem voor guste en dragende zeu-
gedragingen. Het kunnen uitvoeren van natuurlijk       gen beperkt uitgevoerd kunnen worden zijn het
gedrag is, naast het vrij zijn van bijvoorbeeld        foerageer- en, daarmee nauw samenhangend, het
ziekte, honger, dorst, pijn, angst en ongemak, één     exploratiegedrag en het ziektegerelateerd gedrag
10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>(zie tabel 1, blz. 38).                              kunnen worden.
In de natuur zijn de varkens een belangrijk deel
van de dag bezig met foerageren. In het huidige      De zeugen verblijven in de voerligbox in het
huisvestingssysteem krijgen de dieren één à twee     algemeen in een prikkelarme omgeving, hetgeen
keer per dag voedsel aangeboden. Nadat het           het exploratiegedrag niet stimuleert. Door middel
voedsel op is, is daarmee weliswaar de behoefte      van managementmaatregelen is dit te verbeteren.
aan nutriënten in belangrijke mate gestild, maar zal Naast het aanbieden van stro en voer is ook het
in veel gevallen de behoefte aan foerageergedrag     aanbieden van ander materiaal van belang om het
nog niet zijn bevredigd. Gedeeltelijk zullen de      exploratiegedrag te bevredigen. De Raad adviseert
zeugen hun foerageergedrag dan verplaatsen naar      om de varkens in het systeem regelmatig meer en,
het besnuffelen van en wroeten in de mest. Dit       indien mogelijk, afwisselend verschillend materiaal
moet echter worden gezien als een onnatuurlijke      te verstrekken.
vorm van compensatie om aan de behoefte aan          Omdat het exploratiegedrag sterk gerelateerd is
foerageren tegemoet te komen.                        aan het foerageergedrag acht de Raad het voor-
De Raad is van mening dat guste en dragende          alsnog niet nodig om naast de hierboven beschre-
zeugen voldoende mogelijkheden moeten hebben         ven oplossingsrichtingen ter verbetering van het
tot het uitvoeren van foerageergedrag. Dit kan door  foerageergedrag nog andere oplossingsrichtingen
de zeugen vaker toegang tot het voer te bieden.      te onderzoeken ter verbetering van het exploratie-
Ook een andere voersamenstelling kan de moge-        gedrag.
lijkheid tot foerageren verbeteren. Zo kan er ruw-
voer in de trog, bak of emmer worden verstrekt.      Als een zeug ziek is of een aandoening heeft, heeft
Ook kan zaagsel in een emmer worden aange-           het dier soms behoefte aan een aangepast micro-
boden. Daarnaast zouden maïs of zaagsel op het       klimaat. In de meeste gevallen betekent dit, dat de
dichte gedeelte van de vloer kunnen worden gege-     temperatuur in de onmiddellijke omgeving iets om-
ven. Dit vraagt echter ook aanpassingen van de       hoog moet en dat het klimaat zo constant mogelijk
vloer om te voorkomen dat alles snel in de mestput   moet zijn. Idealiter zou het dier afgezonderd moe-
verdwijnt. Op dit moment wordt door ASG onder-       ten worden in een ziekenboeg, omdat dan het
zoek gedaan naar welke soorten materialen ge-        microklimaat het best aangepast en gecontroleerd
schikt zijn in deze huisvestingssystemen en op       kan worden. Dit kan bij terugplaatsen van de zeug
welke wijze deze materialen praktisch aangeboden     in de groep echter leiden tot problemen, vanwege
                                                                                                      11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>Het natuurlijke gedrag van een dier is het resultaat van een evolutionair selectieproces waarin dieren overleven die
het best “aangepast” zijn (de meeste vruchtbare nakomelingen produceren). Dieren hebben zich daarbij zo
ontwikkeld dat hun gedrag nauwkeurig is afgestemd op de beperkingen en de mogelijkheden van hun omgeving.
In de in dit advies gekozen benadering van natuurlijk gedrag is bij gebrek aan wetenschappelijke gronden niet
gekozen voor het prioriteren van afzonderlijke gedragselementen uit het complexe natuurlijk gedragrepertoire van
varkens. Dit is eenvoudigweg onmogelijk. De motivatie van dieren om op een zeker moment gedurende een
bepaalde tijd specifiek gedrag uit te voeren hangt immers af van de mate van bevrediging van tal van behoeftes.
Een belangrijk deel van deze behoeftes is bij de geboorte in aanleg aanwezig. Doordat vanaf de geboorte
behoeftes worden bevredigd groeien behoeftes naar hogere bevredigingsniveaus en komen er tijdens de
ontwikkeling ook andere behoeftes voor in de plaats (spelgedrag wordt ingeruild voor seksueel en agonistisch
gedrag en zuiggedrag voor kauwen). Sommige delen van het “natuurlijke gedragsrepertoire” zijn echter zo
belangrijk voor de "evolutionaire fitness” van een soort, dat ze “intrinsiek belonend” zijn. Dat wil zeggen dat de
uitvoering van die gedragingen belangrijk (“belonend”) voor een dier is ongeacht de directe functionele
consequenties van die gedragingen. Omdat die gedragingen zo “belonend” zijn, zullen de dieren die gedragingen
onder allerlei omstandigheden willen blijven uitvoeren. Dieren ondervinden een slecht welzijn wanneer ze deze
gedragspatronen niet kunnen vertonen. Als substituut ontwikkelen dieren dan afwijkende gedragingen
(gedragspathologieën). Bij de meeste gedragingen is het echter zo, dat niet de uitvoering van het gedrag zelf
positieve of negatieve gevoelens oproept, maar dat vooral de consequenties van dat gedrag positieve of negatieve
gevoelens oproepen.
De vraag in welke mate aan de behoefte van dieren om natuurlijk gedrag te vertonen moet worden voldaan, heeft
naast een biologisch kader een duidelijk ethisch kader. Dat betekent dat gedragsdeskundigen weliswaar kunnen
aangeven welke behoeftes dieren van nature hebben en in welke vormen van houderij deze in hun expressie
worden belemmerd, maar de afweging tot op welk niveau wij dieren toestaan om specifieke behoeftes te
bevredigen een zorgvuldige afweging vraagt van de behoeftes van dieren ten opzichte van andere belangen.
Bron: Bijdrage onderzoekers WUR en Faculteit Diergeneeskunde Utrecht
12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>de rangorde die opnieuw vastgesteld moet worden.         dezelfde aanbevelingen.
In dat geval is het belangrijk dat er voldoende ruim-
te is om bij onderlinge agressie te kunnen vluchten      Wat betreft het afzonderen bij ziekte constateert de
of te ontwijken. Dit is in de huidige systemen           Raad dat het in dit huisvestingssysteem zonder
meestal niet mogelijk.                                   extra maatregelen niet mogelijk is om bij een aan-
In de huidige praktijk worden de zeugen bij ziekte       doening van één zeug deze, in de groep, af te
wel eens afgezonderd in hun voerligbox en weer           zonderen. Dat betekent in zo'n geval dat het dier uit
vrijgelaten als het probleem voorbij is. Dit leidt in de de groep moet worden gehaald, waardoor bij terug-
regel niet tot nieuwe rangordegevechten.                 plaatsing weer rangordegevechten ontstaan. Het in
Een belangrijk ander aspect is dat dikwijls niet één     het hok via schotten een afzonderlijke plaats creë-
individueel dier ziek is, maar dat er dan meerdere       ren waar het dier of de dieren tijdelijk apart worden
dieren in de groep ziek zijn. Dit bemoeilijkt niet       gehuisvest lijkt een goede methode.
alleen praktisch het individueel afzonderen van de
zieke dieren, het is dan ook minder zinvol.                  3.1.3. Groepshuisvesting met voerstation
De Raad vindt dat simpele aanpassingen zoals het                    op een dik strobed
plaatsen van schotten in de stal waar het dier of,       In dit huisvestingssysteem kunnen guste en
indien nodig, meerdere dieren kunnen worden              dragende zeugen veelal alleen het ziektegerela-
afgezonderd, goed kunnen bijdragen aan het               teerd gedrag beperkt uitvoeren (zie tabel 1, blz.
oplossen van dit probleem. Met een dergelijke aan-       38). Voor de mogelijke oplossingsrichting adviseert
passing kan ook het microklimaat enigszins worden        de Raad dezelfde oplossingsrichting als is beschre-
aangepast.                                               ven onder hoofdstuk 3.1.1.
     3.1.2. Groepshuisvesting met voerstation                3.2. Kraamzeugen
             op gedeeltelijk rooster
In dit huisvestingssysteem kunnen guste en               In de huidige kraamstallen kunnen kraamzeugen
dragende zeugen het foerageergedrag en het               het onderhoudsgedrag, met name het bewegings-
ziektegerelateerd gedrag veelal beperkt uitvoeren        gedrag, en het nestbouwgedrag, beperkt uitvoeren
(zie tabel 1, blz. 38). Ten aanzien van het foera-       (zie tabel 2, blz. 41). De vorm van het huidige
geergedrag      is dit  dezelfde    problematiek     als kraamhok is daarbij niet van belang.
beschreven in hoofdstuk 3.1.1. en gelden derhalve
                                                                                                            13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>Het huidige hokontwerp is een balans tussen             den om de kans op het doodliggen van de
enerzijds bewegingsvrijheid van de kraamzeug en         biggen, met name in de eerste vijf dagen na de
anderzijds het voorkomen van doodliggen van de          geboorte, te reduceren.
biggen door de zeug. De huidige uitvoering van de
kraamstal reduceert de kans dat biggen worden      Bij een andere opzet van een kraamhok zou
doodgelegen door de zeug.                          volgens sommigen een bevuilingprobleem kunnen
                                                   ontstaan en zal zeker de warmtebehoefte van de
Om in de kraamhokken het natuurlijk gedrag beter   zeugen groter worden. Varkens staan er echter om
te kunnen uitvoeren is aanpassing van de hokken    bekend dat ze in het algemeen hun ligplaats niet
gewenst, omdat de ruimte binnen de huidige         bevuilen, maar juist gescheiden plekken creëren
kraamhokken gering is. De Raad adviseert daarom    om te liggen en om te mesten. In de totale
voor kraamzeugen nieuwe stalconcepten te ontwik-   afweging zullen deze aspecten echter, zoals in de
kelen. Hierbij zal moeten worden getracht de posi- inleiding reeds is gemeld, mee moeten worden
tieve aspecten van de huidige systemen te behou-   genomen.
den, met name het voorkomen van het doodliggen
van de biggen, maar tegelijkertijd de gewenste          3.3. Kraambiggen
verbeteringen voor het kunnen uitvoeren van de
natuurlijke gedragingen van de zeug in te brengen  In de huidige kraamhokken kunnen de biggen voor-
in een systeem. Concreet betekent dit dat er naar  al het exploratie- en speelgedrag, het gedrag dat
wordt gestreefd dat zoveel mogelijk aan de onder-  hoort bij het aangaan van sociale relaties en het
staande punten kan worden voldaan. Deze punten     gedrag dat hoort bij het vaststellen van de onder-
zijn:                                              linge hiërarchie beperkt uitvoeren (zie tabel 2, blz.
1. De zeugen kunnen zich draaien of het hok        41). Een gevarieerde omgeving kan het dier prikke-
     verlaten.                                     len en daarmee het uitoefenen van het speel- en
2. Er moet een dicht vloergedeelte komen waarop    het exploratiegedrag stimuleren.
     de dieren kunnen liggen en een roosterge-     Biggen bepalen de eerste drie á vier weken van de
     deelte om te mesten.                          kraamperiode hun onderlinge hiërarchie. Dit gaat
3. Op het dichte vloergedeelte zal nestbouwma-     gepaard met onderlinge agressie/competitie dat
     teriaal gegeven moeten kunnen worden.         zijn hoogtepunt na ongeveer 6 weken bereikt. Het
4. Er moeten maatregelen genomen kunnen wor-       is daarbij belangrijk dat de biggen de ruimte heb-
14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>ben om te vluchten. Die ruimte is binnen de huidige   Ook is de vrije ruimte in dit systeem soms te be-
kraamhokken te gering. Dit gebrek aan ruimte kan      perkt om het speelgedrag goed mogelijk te maken.
waarschijnlijk alleen worden opgelost door daar-      Dit kan opgelost worden door de ruimte per dier te
mee bij het ontwerpen van nieuwe kraamhokken          vergroten, dan wel door grotere groepen te maken
reeds rekening te houden.                             met dezelfde oppervlakte per dier.
Varkensfokkers zullen zich ervan bewust moeten
zijn dat deze fase in het leven van biggen van groot      3.4.2. Gespeende biggen in grote groepen
belang is voor het sociale gedrag dat ze in de        In de huidige hokken voor gespeende biggen in
mestfase vertonen.                                    grote groepen (30-120 biggen per hok) kunnen de
                                                      biggen vooral het exploratie-, het speelgedrag en
     3.4. Gespeende biggen                            het gedrag om te komen tot een goede sociale
                                                      rangorde beperkt uitvoeren (zie tabel 3, blz. 46).
     3.4.1. Gespeende biggen in kleine groepen        Onduidelijk is nog of er in groepen van 120 biggen
In de huidige hokken voor gespeende biggen in         subgroepen ontstaan, ieder met hun eigen hiërar-
groepen van 10-12 biggen per hok kunnen de big-       chie. Hiernaar wordt op dit moment door ASG
gen vooral het exploratie- en het speelgedrag be-     onderzoek gedaan. In ieder geval ontstaat er in
perkt uitvoeren (zie tabel 3, blz. 46).               deze grote groepen geen duidelijke dominantie
Om exploratie- en speelgedrag te stimuleren zijn      waardoor er blijvend onrust aanwezig is. De Raad
prikkels, zoals strooisel en speeltjes, en ruimte     adviseert om voor het vormen van een standvas-
nodig. In de huidige hokken zijn prikkels die tot ex- tige sociale rangorde een groepsgrootte van 10 tot
ploratie leiden veelal te weinig aanwezig. De oplos-  30 dieren aan te houden.
sing voor de geschetste tekortkomingen is het aan-
bieden van meer materiaal zoals strooisel of ander    Hoewel de ruimte waarin deze biggen gehouden
afleidingsmateriaal. Onderzoek zal moeten uitwij-     worden het uitvoeren van het exploratie- en speel-
zen in welke vorm en op welke wijze afleidings-       gedrag mogelijk maakt slaat dikwijls de verveling
c.q. speelmateriaal het best en veilig kan worden     toe door een gebrek aan variatie aan speeltjes.
aangeboden, zonder dat dit tot andere problemen       Voor het oplossen van deze problemen zijn dezelf-
leidt. Zo kan bijvoorbeeld substraat op een bolle     de oplossingsrichtingen als beschreven in hoofd-
vloer leiden tot verstopping van de mestput.          stuk 3.4.1 van toepassing.
                                                                                                      15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>     3.5. Vleesvarkens                               De Raad vindt dat via onderzoek zal moeten wor-
                                                     den gezocht naar een optimaal hok waarin boven-
     3.5.1. Kleine groepen met brijvoedering         genoemde eisen zijn verwerkt, maar waarin tevens
            aan de trog                              kan worden voorkomen dat extra stofvorming en
In dit systeem met 10-12 vleesvarkens per hok        bevuiling optreedt.
kunnen de varkens het exploratiegedrag en sociaal    Net zoals bij biggen is er relatief weinig variatie in
gedrag beperkt uitvoeren (zie tabel 4, blz. 50). Aan materiaal waardoor het exploratiegedrag niet vol-
het eind van de mestperiode hebben de varkens        doende kan worden uitgevoerd. Via management-
een beperkte bewegingsruimte waardoor ze bij         maatregelen, zoals het aanbieden van verschillen-
agressie moeilijk kunnen vluchten. Dit is met name   de materialen, kan het exploratiegedrag gestimu-
van belang bij niet-gecastreerde beren, omdat        leerd worden.
deze dieren regelmatig hun positie in de groep
willen vaststellen en daartoe onderlinge rangorde-   Varkens die in de kraamfase niet hebben geleerd
gevechten uitvoeren. Om deze situatie op te lossen   om te gaan met sociaal gedrag zullen in het alge-
adviseert de Raad om er voor te zorgen dat de        meen ook problemen hebben met het sociale ge-
dieren meer benutbare ruimte kunnen krijgen. Dit     drag in de mestfase. In de mestfase zijn er echter
kan door vergroting van de oppervlakte per varken    weinig mogelijkheden om hieraan nog iets te doen.
of door grotere groepen te maken met dezelfde        Vleesvarkenshouders die zelf geen biggen opfok-
oppervlakte per dier.                                ken zullen zich ervan bewust moeten zijn dat het
                                                     ontwikkelen van sociaal gedrag juist in de kraam-
Daarnaast zal voor dit staltype extra aandacht       fase erg belangrijk is. De Raad adviseert vleesvar-
moeten worden besteed aan de oppervlakte van de      kenshouders dan ook om in hun afspraken met
dichte vloer om te kunnen liggen. In dit staltype is fokkers extra te letten op dit aspect van het
een dicht vloeroppervlak van 70 % gewenst om de      natuurlijk gedrag.
dieren voldoende ligplaats op een dichte vloer te
geven. In de huidige stallen van dit type is het         3.5.2. Middelgrote groepen met twee
percentage dicht vloeroppervlak ongeveer 40 %.                   droogvoerbakken
Bij een hoger percentage dichte vloer is er, afhan-  In dit systeem zijn de mogelijkheden voor het uit-
kelijk van hoktype en seizoen, mogelijk wel meer     voeren van het foerageer- en het sociaal gedrag
stofvorming en bevuiling.                            beperkt (zie tabel 4, blz. 50). De problematiek van
16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>het foerageergedrag en de oplossingsrichtingen
komen grotendeels overeen met dat zoals beschre-
ven in hoofdstuk 3.1.1. betreffende guste en
dragende zeugen. Voor oplossingen voor het
sociale gedrag wordt verwezen naar hoofdstuk
3.5.1.
                                                 17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>18</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>        BIJLAGEN
                                                                1
1. HET NATUURLIJK GEDRAG VAN VARKENS
1. HET NATUURLIJK GEDRAG VAN VARKENS
    1.1. Domesticatie
De schattingen omtrent het tijdstip waarop het varken is gedomesticeerd, lopen uiteen van 5000 – 8000 jaar
voor Christus (Signoret et al., 1975; Bökönyi, 1974; Clutton-Brock, 1999). Er worden twee verschillende
‘populaties’ onderscheiden, nl. het Europese en de Aziatische varken (Sus scrofa en Sus indicus). Recente
genetische studies hebben sterke aanwijzingen opgeleverd dat beiden zich circa 500.000 jaar geleden
afzonderlijk hebben ontwikkeld en dat vanuit beide populaties onafhankelijk van elkaar een domesticatie-
proces heeft voltrokken, zo rond 7000 voor Christus (Giuffra et al., 2000). In totaal worden er wel 16
verschillende ondersoorten van het wilde zwijn onderscheiden. Een voorbeeld van een in Azië gedomesti-
ceerd varken is het Chinese Meishan. Beide populaties hebben zich onderling ook regelmatig gemengd en
hieruit zijn zo’n 200 rassen ontstaan. Het varken voldeed aan verschillende, voor de domesticatie gunstige
(gedrags)eigenschappen, zoals een sociale organisatie, weinig agressie onderling en ten opzichte van de
mens, eenvoudig tam te maken, het zijn alleseters en ze hebben een geringe gevoeligheid voor omgevings-
veranderingen (Price, 2002). Het varken werd uitsluitend voor het vlees gehouden en werd gevoed met afval
en oogstresten.
Kennis over het natuurlijke gedrag bij varkens ontlenen we aan studies naar het gedrag van wilde zwijnen
(Mauget, 1981), aan studies over verwilderde populaties van varkens waarbij de mens gedurende enkele
1
  De wetenschappelijke bijdrage is samengesteld door dr. ir. E.D. Ekkel (WUR, leerstoelgroep Ethologie &
Welzijn, mw. dr. ir. F.H. de Jonge (Universiteit Utrecht, Faculteit Diergeneeskunde, hoofdafdeling Dier,
Wetenschap en Maatschappij en WUR), dr. ir. H.A.M. Spoolder, ir. H.M. Vermeer, dr. M.B.M. Bracke (WUR-
ASG).
                                                                                                        19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>generaties niet of nauwelijks heeft ingegrepen (Frädrich 1974; Graves, 1984) of aan onderzoek naar het
gedrag van gedomesticeerde varkens die onder semi-natuurlijke omstandigheden worden gehouden en be-
studeerd (Jensen, 1988; Newberry en Wood-Gush, 1984; Stolba en Wood-Gush, 1989). Deze studies heb-
ben laten zien dat er geen fundamentele verschillen zijn tussen het wilde zwijn, verwilderde varkens en het
gedomesticeerde varken wat betreft de basisorganisatie van het gedrag. De hier volgende beschrijving over
natuurlijk gedrag bij varkens is grotendeels gebaseerd op deze bronnen, waarbij we, tenzij we het expliciet
vermelden, geen onderscheid maken tussen deze bronnen. Daarnaast ontlenen we kennis over natuurlijk
gedrag door gedomesticeerde varkens te bestuderen onder omstandigheden die tijdelijk zo min mogelijk
restricties aan het gedrag opleggen. Het voordeel van de laatste studies is dat het mogelijk wordt het gedrag
onder gecontroleerde omstandigheden te bestuderen. Een nadeel van deze studies is dat het “natuurlijk
gedrag” onder deze omstandigheden in meerdere of mindere mate beïnvloed kan worden door bijvoorbeeld
eerdere leerervaringen. In het laatste geval wordt expliciet naar de studies gerefereerd.
    1.2. Sociale structuur
De sociale structuur van varkens is een matriarchale structuur: de typische varkensrotte bestaat uit 2 tot 5,
vaak nauw verwante zeugen met hun nakomelingen, waaronder biggen uit de jongste worp en jong vol-
wassen nakomelingen uit eerdere worpen. De jong volwassen beren scheiden zich op een leeftijd van 7-8
maanden af in zogenaamde “bachelorgroepen” en vormen dan groepjes van 2 tot 3 dieren. De volwassen
beren (ouder dan 3 jaar) leven meestal solitair. Deze solitaire en nomadisch levende volwassen beren zorgen
voor een continue verspreiding van genetisch materiaal binnen de soort. In de voortplantingsperiode sluiten
de beren zich (tijdelijk) bij de rotte aan.
Binnen de familiegroep vormt zich een stabiele en lineaire dominantiehiërarchie die meestal in stand
gehouden wordt door actieve submissie van de dieren die lager in rang staan. Bij deze rang spelen sekse,
leeftijd en gewicht een belangrijke rol. De oudere en zwaardere varkens hebben een hogere rangorde,
waardoor zich een dominantiehiërarchie binnen de verschillende leeftijdsklassen vormt (zeugen, jaarlingen en
biggen). Het gedrag van de dieren binnen een familiegroep is in hoge mate gesynchroniseerd. Binnen de
familiegroepen is er weinig agressie, maar varkens die niet tot de vaste groep behoren worden zelden
getolereerd. Biggen spelen en interacteren vooral met hun toomgenoten en hun eigen moeder, al hebben ze
20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>ook contacten met biggen uit andere tomen. Sociale relaties tussen jonge dieren blijven vaak tot in volwas-
senheid bestaan (Newberry en Wood-Gush, 1986).
Hoewel een varkensrotte meestal gevormd wordt door 2 tot 3 zeugen met hun nakomelingen, kunnen ook
kleinere groepjes bestaan. Dit hangt waarschijnlijk nauw samen met de natuurlijke habitat van het varken,
namelijk half open, licht beboste terreinen. Kleine groepen hebben tot voordeel dat er minder voedsel-
concurrentie is en dat de kans op predatie wordt geminimaliseerd. Groepsvorming draagt bij aan wederzijdse
bescherming van de jongen.
Gedurende het voortplantingsseizoen voegt een beer zich bij de familiegroep. Deze beer is dan tijdelijk domi-
nant over alle andere dieren. Gedurende deze voortplantingsperiode houden de jaarlingen en jonge dieren
zich vooral aan de periferie van de groep op. Het is niet helemaal duidelijk hoe zich nieuwe familiegroepjes
vormen. Het is waarschijnlijk dat een zeug met haar jongen zich afscheidt van de groep, maar het is ook
mogelijk dat een groepje jaarlingen zich gezamenlijk afscheidt om een nieuwe familiegroep te vormen.
    1.3. Verspreiding
De fytostructuur van de omgeving bepaalt voor een groot deel de wijze waarop varkens een gebied gebrui-
ken: hoger gelegen, beboste delen worden eerder gebruikt voor rust en nestplaats, terwijl lagere, meer open
terreinen eerder gebruikt worden om te foerageren. Wilde of verwilderde varkens leven in zogenaamde
“home-ranges”, die, afhankelijk van de beschikbaarheid van voedsel, kunnen variëren van minder dan 100 ha
tot meer dan 2500 ha (Mauget, 1981). De “home-ranges” van verschillende rottes kunnen aanzienlijke overlap
vertonen. Dieren die tot een verschillende rotte behoren, zullen echter tenminste een afstand van 50 meter
bewaren. Varkens zijn dus intolerant ten opzichte van niet-groepsgenoten, maar ze zijn niet “territoriaal”: ze
tolereren wel andere dieren binnen hun “home-range”, maar niet binnen een straal van 50 meter.
Een rotte heeft een aantal vaste “rustplaatsen” binnen de “home-range”. Maar meestal is er één belangrijkste
rustplaats (het gemeenschappelijke nest), waarin de varkens gezamenlijk de nacht doorbrengen. Geschikte
bedding voor dit lignest wordt van enkele tientallen meters afstand verzameld. Het lignest wordt schoon ge-
houden doordat de varkens op een aparte plaats mesten. Deze mestplaats ligt meestal zo’n 5-15 meter van
het lignest vandaan. Wanneer onder semi-natuurlijke omstandigheden een vreemd varken aan een groep
wordt toegevoegd, zal zij gedurende tenminste een maand niet in het gemeenschappelijke lignest getolereerd
                                                                                                            21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>worden (Graves, 1984). Buiten het voortplantingsseizoen verspreiden beren zich over een gebied dat wel 6
maal groter is dan dat van de zeug.
Een varken is in principe een dagdier, maar ook wat betreft zijn dag-nachtritmes kan een varken zich goed
aanpassen aan de omstandigheden: in gebieden die druk door mensen bezocht worden zal een varken zijn
actieve periode naar de nacht verschuiven. Daarnaast wordt het dag-nacht ritme van een varken beïnvloed
door de temperatuur: varkens zijn namelijk nauwelijks in staat om te zweten en zullen een groot deel van hun
thermoregulatie door gedragsactiviteit moeten regelen (bijvoorbeeld meer activiteit gedurende de koelere
schemering). Het nemen van modderbaden heeft daarbij een dubbele functie: enerzijds om af te koelen,
anderzijds om parasieten kwijt te raken die in de modder opdrogen en vervolgens door het varken samen met
de modder worden verwijderd door tegen een boom te schuren.
    1.4. Sociaal gedrag
    1.4.1. Jonge dieren
Bij het wilde zwijn brengen zeugen in een nest (zie § 1.6) 4 tot 7 jongen ter wereld. Bij het moderne, gedo-
mesticeerde dier is dit gemiddeld 11, al kan dit wel oplopen tot 20 of meer. Tijdens het geboorteproces wor-
den de biggen wel besnuffeld door de zeug, maar niet gelikt of geholpen bij het ontdoen van de foetale
membranen. Op basis van geur en geluid herkennen de zeugen de eigen nakomelingen (Jensen en Redbo,
1987). Binnen enkele uren na de geboorte ontstaat een episodische melkafgifte met intervallen van ongeveer
een uur (Lewis en Hurnik 1985). Meteen na de geboorte kruipen de biggen vrijwel meteen naar één van de
tepels (Fraser en Broom, 1979). Onderling sociaal gedrag treedt dan al meteen op, namelijk omwille van de
beste tepels; er vinden frequent conflicten en gevechten plaats en na enige tijd is er sprake van een vaste
tepelrangorde, die fel wordt verdedigd (Hartsock et al., 1977; Fraser et al., 1979). Daarbij zijn de voorste
tepels over het algemeen iets “gunstiger” (geeft iets meer melk) dan de achterste (Dyck et al., 1987). Bij het
wilde zwijn vindt dit proces tot vorming van een tepelrangorde een stuk geleidelijker en minder agressief
plaats dan bij het varken. Nadat de tepelrangorde is vastgesteld, treedt agressie tussen jonge biggen en
biggen uit andere worpen nauwelijks meer op. De meeste (spel)interacties zullen plaatsvinden tussen de
biggen uit de eigen worp en tussen de biggen en hun eigen moeder. Tot een dag of 10 verblijft de zeug met
22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>haar biggen in of in de buurt van het nest; dit verstevigt de sociale band. Daarna keert de zeug met haar
biggen terug naar de familiegroep.
     1.4.2. Spel
Net als bij andere sociale diersoorten, is ook bij varkens spelgedrag van groot belang. Biggen beginnen te
spelen op dag 3-5 en dit spel neemt de meeste tijd in beslag rond dag 21-25 (Blackshaw et al., 1997). De
spelgedragingen van biggen kunnen worden onderscheiden in 1) locomotorisch spelgedrag (rennen, sprin-
gen), 2) object-gerelateerd spelgedrag (stro, takken, kiezels in de bek nemen en met de kop schudden) en 3)
sociaal spelgedrag (rough and tumble play, schijngevechten, elkaar achternajagen). Interacties tussen de
biggen beperken zich veelal tot dieren van eenzelfde toom en onderlinge banden die zo ontstaan zijn hecht
(Newberry en Wood-Gush, 1986). Uitwisseling van biggen van ene naar de ander toom komt in de natuur
voor, maar is uitzondering. De periode tussen 2 en 8 weken wordt wel de periode van “sociale integratie” van
biggen genoemd.
Voor alle sociale dieren wordt verondersteld dat spelgedrag essentieel is om vaardigheden te leren die zij in
volwassenheid moeten kunnen toepassen (Spinka en Newberry, 2000). Daarbij oefenen zij ook sociale vaar-
digheden die later in het leven noodzakelijk zijn om stabiele sociale relaties te ontwikkelen en in stand te
houden (Schouten, 1991; de Jonge et. al, 1996)
     1.4.3. Volwassen dier
Varkens zijn dieren die van nature in een groepsverband leven. Sociaal gedrag van volwassen dieren is er
dan ook op gericht om de sociale banden binnen een groep te versterken en daarbij agressie en onderlinge
competitie om schaarse goederen zoveel mogelijk te vermijden. Overte agressie wordt dan ook meestal effec-
tief voorkomen door een duidelijke onderlinge dominantiehiërarchie en actief submissief gedrag van de lager
geplaatste dieren ten opzichte van hoger geplaatste dieren (wijken) (Jensen, 1982). Sociale banden worden
versterkt door een hoge mate van synchronisatie van het gedrag, waarbij varkens ook slapen in een
gemeenschappelijk lignest. Daarnaast zijn er ook aanwijzingen voor voorkeursrelaties tussen individuele die-
ren, die tot uiting komen in een meer dan gemiddelde nabijheid van elkaar tijdens het slapen en foerageren
(Durrell et al., 2004).
Het agonistische gedragsrepertoire omvat die gedragingen welke samenhangen met sociale conflicten over
de onderlinge rangorde, conflicten over de beschikbare resources (voedsel, seksuele partners), of conflicten
                                                                                                          23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>tussen niet-groepsleden. De meeste agonistische gedragingen zijn niet agressief van aard, zoals dreigen,
imponeren, wegdraaien van de kop en ‘afdruipen’. Bij dieren die elkaar niet kennen kunnen dergelijke inlei-
dende conflicten uitdraaien op gevechten. Met name bij volwassen beren kunnen dit heftige gevechten zijn.
Het agonistisch gedrag van volwassen beren is uitvoerig beschreven door Hafez en Signoret (1969). De
confrontatie begint met snuffelen – vaak met geheven kop – en om elkaar heen draaien. Vaak gaat dit
gepaard met lage knorren en overmatige speekselproductie. Indien het conflict oploopt, staan de beren
schouder aan schouder, duwen intensief tegen elkaar en slaan met de kop – al dan niet met open bek – op
het andere dier. Af en toe worden ook naar poten of oren gebeten of naar de achterhand of de flank.
Dergelijke gevechten kunnen 30 – 60 minuten duren, maar meestal wordt het conflict al na 2-3 snelle en felle
aanvallen beslecht, zeker bij ervaren beren. De verliezer draait weg en slaat op de vlucht.
Gevechten bij zeugen zijn vergelijkbaar met die bij beren, maar ze gaan gepaard met minder speeksel-
productie en vanwege het ontbreken van slagtanden wordt er minder schade toegebracht aan het andere dier
(Signoret et al. 1975).
     1.5. Onderhoudsgedrag
     1.5.1. Voeropname
Varkens zijn echte omnivoren. Zij kunnen hun dieet dan ook aan een groot aantal omstandigheden aan-
passen. Wilde varkens eten vooral plantaardig materiaal (gras, wortels, knollen, zaden, fruit en bessen).
Daarnaast eten varkens ook dood of levend dierlijk materiaal, zoals wormen, insecten, muizen en kikkers
(Signoret et al., 1975). Maar varkens kunnen zelfs ook als predatoren op een prooi jagen: in Australië en
Nieuw Zeeland worden verwilderde varkens als een plaag beschouwd omdat ze op lammeren jagen. Wat
betreft het voeraanbod is een varken dus van nature uiterst flexibel. Varkens spenderen zo’n 6 – 7 uur per
dag aan foerageergedrag (Stolba en Wood-Gush, 1989). De wroetschijf van het varken is een gevoelig, maar
ook een erg sterk orgaan waarmee ze de grond op een kenmerkende manier omwoelt. Vooral in omnivoren is
het zoeken naar voedsel vaak sterk gekoppeld aan exploratie. Deze exploratie geeft immers informatie over
de plaatsen waar de diverse voeders eventueel in de toekomst in tijden van voedselschaarste te vinden zullen
zijn. Varkens vormen hierbij geen uitzondering: onder semi-natuurlijke omstandigheden, waarbij varkens
brokken krijgen gevoerd die in hun primaire voedingsbehoeften voorzien, zullen varkens (mede om te kunnen
24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>exploreren) toch nog 70% van hun actieve tijd spenderen aan wroeten, grazen en scharrelen (Jensen, 1988,
Jensen, 2002).
    1.5.2. Drinken
Over drinkgedrag onder (semi)natuurlijke omstandigheden zijn voor zover bekend geen gegevens beschik-
baar. Fraser en Broom (1990) noemen een waterbehoefte van 250 ml/kg voer bij vleesvarkens. Uit praktijk-
onderzoek bij zeugen in groepshuisvesting blijkt bij een onbeperkte wateropname een water-voerverhouding
van 2:1 (Vermeer, 2005, persoonlijke mededeling). Voerbeperking leidt in het algemeen tot een verhoging van
de wateropname, met polydipsia als stereotiepe ontaarding bij beperkt gevoerde zeugen (Fraser en Broom,
1990).
    1.5.3. Bewegen
Terwijl jonge biggen vlug en handig zijn en veelvuldig bewegen, bijvoorbeeld tijdens spel, zijn volwassen
varkens – met hun relatief zware romp – traag en weinig geschikt voor bewegingen op hoge snelheid. Echt
rennen doen ze zelden en slechts over enkele meters. Daarentegen kunnen ze lopen in een flink tempo over
lage afstanden volhouden. Het bewegen is over het algemeen gerelateerd aan het foerageergedrag binnen
het eigen territorium. Buiten de tijden dat de varkens foerageren, rusten ze gedurende vele uren in gemeen-
schappelijke lignesten. Bachelorgroepen en solitair levende beren leggen langere afstanden af, gerelateerd
aan de beschikbaarheid van voedsel en de hoedanigheid van het gebied (Fraser en Broom, 1997).
    1.5.4. Lichaamsverzorging
Varkens verzorgen hun huid door krabben met de poot, likken en schuren aan boomstammen, takken en
struiken. Daarnaast wordt de huid verzorgd door het nemen van een modderbad. Weliswaar heeft het nemen
van een modderbad vooral een thermoregulatieve functie, de modder draagt ook bij aan het verwijderen van
ectoparasieten (luizen en mijten). Tevens hebben de varkens door de modderkorst die hierdoor ontstaat een
betere bescherming tegen lastige vliegen en muggen. Vliegen en muggen worden ook bestreden met kleine
bewegingen, bijvoorbeeld met de kop, de oren en de staart, maar door de korte nek en korte staart is het
varken hier duidelijk in het nadeel en heeft de staart van het varken, in vergelijking met die van het rund,
slechts een zeer geringe functie.
                                                                                                         25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>     1.5.5. Mesten en urineren
In tegenstelling tot vele andere, in sociale groepen levende dieren, hebben de familiegroepen zeugen een
vaste mestplaats. Dit gedrag draagt bij aan het schoon houden van de gemeenschappelijke rustplaats. Jonge
biggen leren dit mest- en urineergedrag van de zeug. De mestplaats ligt meestal zo’n 5-15 meter van het lig-
nest vandaan. Tijdens het mesten staan de dieren enigszins gehurkt, zijn de oren plat en de ogen deels of ge-
heel gesloten. Zeugen urineren in vergelijkbare positie. Beren urineren zonder te hurken. Een beer urineert
met kleine straaltjes, daar waar de zeugen urineren in één lange straal.
     1.5.6. Slapen
Van alle landbouwhuisdieren slapen varkens het grootste deel van de dag. Het gezamenlijk rusten en slapen
in het nest kan 16 tot zelfs 19 uur van de dag beslaan. Soms worden voor dit rusten ook kleinere nesten
gebruikt elders in het gebied, maar ’s nachts wordt altijd teruggekeerd naar en gebruik gemaakt van hetzelfde
gemeenschappelijke nest. Circa 5 uur per dag is er sprake van dutten of soezen, zo’n 6 uur per dag van diepe
slaap en 1¾ uur van REM-slaap, verdeelt over gemiddeld ruim 30 korte periodes. Slaap bij varkens wordt
gekarakteriseerd door extreme spierontspanning. Jonge biggen slapen langer dan oudere en volwassen
dieren en het aandeel REM-slaap in de totale slaap is wat groter (Fraser en Broom, 1997).
     1.5.7. Exploratief gedrag
Zoals alle omnivoren, hebben varkens een sterke motivatie om te exploreren. Door exploratie blijft het varken
op de hoogte van potentiële voedselbronnen en van veranderingen en nieuwigheden in het leefgebied welke
mogelijk relevant kunnen zijn, bijvoorbeeld met oog op het verkrijgen van voedsel en derhalve op het over-
leven van het dier en de groep waar het deel van uitmaakt. Andere aspecten waarbij exploratie functioneel is,
zijn onder anderen bescherming, voorkomen van predatie en het vinden van een partner.
Veel van de dagelijkse activiteiten van het varken zijn gerelateerd aan exploratiegedrag. Dit hangt samen met
het feit dat exploratie nauw samenhangt met foerageergedrag. Exploratiegedrag is daarom vooral gericht op
de grond, welke door snuffelen, knabbelen en wroeten wordt onderzocht en zo veelvuldig overgaat in foera-
geergedrag (Fraser en Broom, 1997). Dat exploratiegedrag niet slechts functioneel is in relatie tot voedsel-
opname blijkt uit onderzoek waarin is aangetoond dat ook onbeperkt gevoerde en derhalve veelal verzadigde
dieren uren per dag besteden aan exploratiegedrag (de Leeuw en Ekkel, 2004)
26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>    1.5.8. Thermoregulatie
Fysiek is het varken slecht in staat tot thermoregulatie. Uiteraard vooral het gedomesticeerde varken, maar
ook het wilde zwijn wordt gehinderd door een dikke laag subcutaan vet. Verder heeft het varken vrijwel geen
zweetklieren; slechts enkele zijn gelokaliseerd op de snuit. Deze factoren dragen bij aan het ophopen van
warmte in het dier bij hoge omgevingstemperaturen. Bovendien maakt de geringe haarbedekking bij gedo-
mesticeerde varkens het dier ook nog eens extra gevoelig voor zonnestraling (Mount, 1968, 1979; zie ref.
Fraser en Broom, 1979). Naast het reguleren van de temperatuur middels de ademhaling, moeten varkens
het vooral hebben van gedragsresponsen, zoals het nemen van een water- of modderbad (ook wel zoelen
genoemd) en het opzoeken van de schaduw. Volgens Ingram (1965; zie Fraser en Broom) is het water of
modderbad uitermate effectief om hyperthermie te voorkomen. Voordeel van modder ten opzichte van water
is dat het na opdrogen een bescherming tegen zonnestraling biedt.
    1.6.    Voortplantingsgedrag
    1.6.1. Seksueel gedrag
Varkens in de houderij zijn ongeveer na 6 tot 7 maanden geslachtsrijp. Wilde zwijnen zijn echter pas na 1,5
jaar geslachtsrijp! Van nature hebben varkens een piek in de voortplantingstijd in de herfst, zodat de jonge
biggen die vroeg in de lente geboren worden, voldoende voedsel kunnen bemachtigen. Ook bij wilde zwijnen
vindt de voortplanting echter niet uitsluitend in de herfst plaats: seksuele activiteit kan zowel bij het wilde zwijn
als bij het productievarken in iedere periode van het jaar plaats vinden en bij de beschikbaarheid van grote
hoeveelheden voer (een goed mastjaar) zullen ook wilde zwijnen meer dan 2 maal per jaar werpen.
De gedomesticeerde zeug is ongeveer iedere 21 dagen gedurende 2 tot 4 dagen “berig”. In die tijd is ze zeer
gemotiveerd om de beer op te zoeken, waarbij zeugen individuele preferenties voor bepaalde beren kunnen
vertonen (de Jonge et. al., 1994). Wanneer ze maximaal receptief is, verdwijnt die preferentie en gaat ze
“staan” voor elke beer, waarbij zelfs de geur van de beer alleen al voldoende is om deze sta-respons op te
wekken. Het hoogtepunt van de expressie van deze bronst treedt enkele uren voor de eisprong op. Deze
vindt plaats op 2/3e deel van de gehele bronstperiode. De seksuele interactie tussen beer en zeug kent een
                                                                                                                  27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>proceptieve fase (voorbereidende fase) en een consumptieve fase (copulatie). De interactie is sterk gerituali-
seerd en elders in detail beschreven (zie Signoret, 1970).
    1.6.2. Maternaal gedrag
Gedomesticeerde varkens hebben een dracht van ongeveer 115 dagen. Een tot twee dagen voordat de zeug
afbigt, verlaat ze de familiegroep om een geschikte nestplaats te zoeken. Daarbij kan ze soms enkele kilo-
meters afleggen voordat ze de geschikte (beschutte) plek gevonden heeft. Het werpnest ligt echter tenminste
100 meter van het gemeenschappelijke lignest af. Vervolgens maakt ze een nest door eerst ruw en daarna
steeds fijner nestmateriaal naar haar nest toe te slepen (vaak over tientallen meters). Wanneer het nest is
afgebouwd schuift ze, vaak knielend, tussen het nestmateriaal dat de zeug soms geheel kan bedekken. Het
werpen begint meestal enkele uren nadat het nest is afgebouwd. Het werpen zelf neemt ongeveer 4-6 uur in
beslag onder semi-natuurlijke omstandigheden, en kan enkele uren langer duren onder meer commerciële
huisvestingscondities Een verhoogde motivatie om een nest te zoeken en te bouwen start ongeveer 24 uur
voor het werpen (Jensen en Redbo, 1987; Jensen, 1988).
Er zijn geen aanwijzingen dat het maternaal gedrag tussen gedomesticeerde varkens en wilde zwijnen ver-
schilt. In een studie waarin moederlijk gedrag van gedomesticeerde varkens en kruisingen tussen gedomesti-
ceerde varkens en wilde zwijnen werden onderzocht werden geen verschillen in nestbouwgedrag, moeder-
zorg en doodliggen van de biggen gevonden (Gustafsson et. al, 1999).
Gedurende de eerste dagen na de geboorte zoogt de zeug ongeveer ieder uur, waarbij een complexe inter-
actie tussen het gedrag (vocalisaties) van de zeug en haar jongen plaatsvindt. Al enkele dagen na de geboor-
te beginnen de biggen te exploreren en vaste voedseldeeltjes in de mond te nemen. Maar pas na 5 weken
begint de inname van vast voedsel enige betekenis te krijgen. Afhankelijk van de omstandigheden heeft de
zeug haar biggen vanaf ongeveer 12 weken op vast voer (Webster, 1994). Jensen rapporteert daarbij een
zeer geleidelijke spening die pas volledig voltooid is na 17 tot 20 weken (Jensen en Redbo, 1987; Jensen,
1988). Tot een dag of 10 verblijft de zeug met haar biggen in of in de buurt van het nest; dit verstevigt de
sociale band tussen moederzeug en jong. Daarna keert de zeug met haar biggen terug naar de familiegroep.
Vanaf dat moment worden de biggen opgenomen in de familiegroep en weliswaar in het begin sterk verde-
28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>digd door de zeug, maar naarmate de tijd verstrijkt, vinden frequente sociale interacties met andere leden van
de familiegroep plaats (Jensen, 1988; Jensen en Redbo, 1987).
     1.7. Perceptie en communicatie
Voor een varken is de reuk het belangrijkste zintuig. Daarna komt het gehoor en het zicht speelt relatief de
kleinste rol.
Varkens kunnen elkaar onderling onderscheiden aan de hand van de geur alleen (Adkins-Regan, 1977) en er
zijn aanwijzingen dat specifieke feromonen worden afgescheiden bij dieren die een submissieve positie inne-
men ten opzichte van anderen (McClone, 1985). Beren markeren de omgeving met geuren uit de voorpoot-
klieren (Mayer en Brisbin, 1986). Daarnaast scheiden zij met de urine en in het speeksel feromonen uit, die bij
gelten hormonale veranderingen teweeg brengen die de berigheid (Pearce at al., 1988) stimuleert en de cycli
van zeugen kan synchroniseren (Signoret, 1970). Ook kunnen feromonen bij berige zeugen de expressie van
de sta-reflexen stimuleren (Signoret 1970) en de cycli van zeugen synchroniseren (Mauget, 1981). De zeugen
op hun beurt geven via geursignalen in de urine aan dat ze in oestrus zijn (Fädrich, 1974).
Varkens gebruiken uiteenlopende geluiden om te communiceren (Fädrich, 1974; Graves, 1984). Zo uiten big-
gen vocalisaties om contact met de groep te houden, gevaar te signaleren of de zeug tot melkafgifte te stimu-
leren. De zeug geeft op haar beurt via vocalisaties de fase van het zogen aan. Ook in volwassen dieren wordt
uitgebreid via vocalisaties gecommuniceerd. Een voorbeeld is korte “waarschuwingsblaf” waarmee dieren
kunnen aangeven dat er gevaar dreigt. Deze “blaf” wordt dan door de overige leden overgenomen waarna de
dieren of “freezen” (bewegingloos blijven staan) of vluchten. Daarnaast kan je vocalisaties onderscheiden die
specifiek horen bij het wroeten en bij het elkaar begroeten.
Tenslotte is ook de lichaamstaal belangrijk voor het onderling communiceren van verschillen in gedragsinten-
ties (seksueel gedrag en agonistisch gedrag), maar ook in gemoedstoestanden. Zo kan je zien dat varkens
bang zijn wanneer ze hun oren in de nek hebben en dat ze lager in rang zijn dan een ander wanneer ze de
kop afbuigen (wijken) en de staart laten hangen. Algemeen wordt aangenomen dat een varken vrolijk is
wanneer het een krul in de staart heeft, maar daarvoor is, althans bij wilde zwijnen, geen evidentie: wilde
                                                                                                            29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>varkens hebben bijvoorbeeld helemaal nooit een krul in de staart. Toch zijn er aanwijzingen dat de stand van
de staart in gedomesticeerde varkens wel een emotionele toestand van het dier uitdrukt: Kleinbeck en
McGlone (1993) associëren bijvoorbeeld hangende staarten met ziekte in de groep en Johan Zonderland (pv
rapport) laat zien dat een hangende staart als voorspeller van naderend staartbijten kan worden gezien!
Hierbij blijft natuurlijk de vraag of het varken in de laatst genoemde gevallen wel een vorm van “natuurlijke”
communicatie met een ander varken heeft.
    1.8.      Referenties
De Jonge, F.H. en Goewie, E.A. (2000). In het belang van het dier. Over het welzijn van dieren in de
    veehouderij. Van Gorcum BV Assen, the Netherlands.
Frädrich H. (1974). A comparison of the behaviour of the Suidae. In The Behaviour of Ungulates and its
    Relation to Management, IUCN New Series, No. 24 Geist V, Walther F (eds), 133-143. International Union
    for Conservation of Nature and Natural Resources [IUCN], Morges, Suisse.
Jensen, P. (2002). Behaviour of pigs. In: Jensen (Ed) (2002). The ethology of Domestic Animals. An
    Introductory Text. CABI International, Wallingford, UK.
Gonyou, H.W. (2001). The social behaviour of pigs. In: Keeling, L.J. and Gonyou, H.W. (Eds) (2001). Social
    Behaviour in Farm Animals.CABI International, Wallingford, UK.
Webster J., (1994). Animal Welfare, a cool eye towards Eden.
Specifieke referenties
Adkins-Regan, E.O. (1979). Olfactory discrimination in pigs, using a go-nogo succesive discrimination trial
    procedure. Hormones and Behaviour.
Blackshaw, J.K., Swain, A.J., Blackshaw, A.W., Thomas, F.J.M. en Gillies, K.J. (1997). The development of
    playful behaviour in piglets from birth to weaning in three farrowing environments. Applied Animal
    Behaviour Science 55, 37-49.
Bökönyi, S. (1974). History of Domestic Mammals in Central and Eastern Europe. Akademiai Kiado,
    Budapest.
Clutton-Brock, J. (1999). A natural history of domesticated mammals. Cambridge University Press.
    Cambridge.
30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>De Jonge, F.H., Mekking, P., Abbott, K. en Wiepkema, P.R. (1993). Proceptive and receptive aspects of
   oestrous behaviour in gilts. Behavioural Processes 31 (1994) 157-166.
De Jonge, F.H., Bokkers, E.A.M., Schouten, W.G.P. en Helmons, F.A. (1996). Rearing piglets in a poor
   environment: Developmental aspects of social stress in pigs; Physiology and behaviour 60 (2), 389-396.
Durrell, J.L., Sneddon, I.A., O’Connell, N.E. en Whitehead, H. (2004). Do pigs form preferential associations?
   Applied Animal Behaviour Science 89, 41-52.
Dyck, G.W., Swierstra, E.E., Mckay, R.M. en Mount, K. (1987). Effect of location of the teat suckled, breed
   and parity on piglet growth. Canadian Journal of Animal science 67, 929-939.
Fraser, A. en Broom, D. (1997). Farm animal behaviour and Welfare. CAB International.
Fraser, D. en Thomson, B.K. (1979). The teat order of suckling pigs. III. Relation to competition within litters.
   Journal of Agricultural Science 92, 257–261.
Fradrich, H. (1974). A comparison of behaviour in the Suidae. In: behaviour of ungulates and its relation to
   management. IUCN Publications, New series, no 6, pp 133-143.
Graves, H.B. (1984). Behaviour and ecology of wild and feral swine (Sus scrofa) Journal of Animal Science
   58, 482-492.
Giuffra, E., Kijas, J.M.H., Amarger, V., Carlberg, Ö., Jeon, J.-T. en Andersson, L. (2000). The origin of the
   domestic pig: independent domestication and subsequent introgression. Genetics 154, 1785-1791.
Gustafsson, M., Jensen, P., de Jonge, F.H. Illmann, G. en Spinka, M. (1999). Maternal behaviour of domestic
   sows and crosses between domestic sows and wild boar. Applied Animal Behaviour Science 65, 29-42.
Hafez, E.S.E. en Signoret, J.P. (1969). The behaviour of swine. IN: Behaviour of Domestic Animals, Hafez,
   E.S.E. (Ed.). 2nd Edition/ Baillière, Tindall & Cassell, London, UK.
Hartsock, T.G., Graves, H.B. en Baumgardt, B.R. (1977). Agonistic behaviour and the nursin order in suckling
   piglets: relationships with survival, growth and body composition. Journal of Animal Science 44, 320-330.
Jensen, P. (1982). An analyses of agonistic interaction patterns in group-housed dry sows - aggression
   regulation through an 'avoidance order'. Applied Animal Ethology 9, 47-61
Jensen, P. (1988). Maternal behaviour of Free-ranging Domestic Pigs I: results of a Three-year Study.
   Swedish University of Agricultural Sciences, Department of Animal Hygiene, Report 22, Skara.
Jensen, P. en Redbo, I., (1987). Behaviour during nest leaving in free-ranging domestic pigs. Applied Animal
   Behaviour Science 18, 355-362.
                                                                                                              31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>Kleinbeck, S. en McGlone, J.J. (1993). Pig tail posture: a measure of stress Texas Tech University of
    Agricultural Science, Technical Report No. T-5-327, pp. 47-48
Lewis, N. en Hurnik, J.F. (1985). The development of nursing behaviour in swine. Applied Animal Behaviour
    Science 14, 225-232.
Leeuw, J.A. de en Ekkel, E.D. (2004). Effects of feeding level and the presence of a foraging substrate on the
    behaviour and stress physiological response of individually housed gilts. Applied Animal Behaviour
    Science 86, 25.
Mauget, R. (1981). Behavioural and reproductive strategies in wild forms of Sus scrofa (European wild boar
    and feral pigs). In: Sybesma, W. (Ed). The welfare of pigs. Martinus Nijhoff, Brussels, pp 3-13.
Mayer, J.J. en Brisbin, I.L. Jr (1986). A note on the scent-marking behavior of two captive reared feral boars.
    Applied Animal Behaviour Science 16, 85-90.
Mc Glone, J.J. (1985). Olfactory cues and pig agonistic behavior: evidence for a submissive pheromone.
    Physiology and Behavior 34, 195-198.
Mount, L.E. (1968). The climatic physiology of the pig. London: Edward Arnold. 217 pp.
Mount, L.E. (1979). Adaptation to thermal environment London: Edward Arnold 333 pp.
Newberry, R.C. en Wood-Gush, D.G.M. (1986). Social relationships of piglets in a semi-natural environment.
    Animal Behaviour 34, 1311-1318.
Pearce, G.P., Hughes, P.E. en Booth, W.D. (1988). The involvement of boar submaxillary salivary gland
    secretions in boar-induced precocious puberty attainment in the gilt. Animal Reproduction Science 16 (2)
    125-134.
Price, E.O. (2002). Animal Domestication and Behavior. CAB International, Wallingford, UK. ISBN 0 85
    199597 7
Schouten, W.G.P. (1991). Effects of rearing on subsequent performence in pigs. Pig News Information 12,
    245-247.
Signoret, J.P. (1970). Reproductive behaviour in pigs. Journal of Reproduction and Fertility. Suppl. 11, 105-
    117.
Signoret, J.P., Baldwin, B.A., Fraser, D. en Hafez, E.S.E. (1975). The Behaviour of Swine. In: The Behaviour
    of Domestic Animals (3rd edition). Ed. E.S.E. Hafez. p.295-329. Baillibre Tindall, London.
Stolba, A. en Wood-Gush, D.G.M. (1989). The behaviour of pigs in a semi-natural environment. Animal
    Production 48, 419-425.
32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>Spînka, M., Newberry, R.C. en Bekoff, M. (2001). Mammalian Play: Training for the Unexpected Quarterly
   review of biology 76 (2), 141-168.
                                                                                                   33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>                                             2
2. HUISVESTINGSSYSTEMEN VARKENS
     2.1. Guste en drachtige zeugen
In Nederland leeft anno 2005 grofweg de helft van de drachtige zeugen in groepshuisvesting. In 2013 is
groepshuisvesting voor alle zeugen verplicht. Individuele huisvesting zal geleidelijk verdwijnen met een
laatste grote piek in 2012. Er zullen drie systeembeschrijving van groepshuisvesting volgen, waarvan de
eerste nog het meest op individuele huisvesting lijkt: voerligboxen met uitloop, groepshuisvesting met voersta-
tion op betonrooster en groepshuisvesting met voerstation op een dik strobed. Alle zeugen krijgen 2,25 m²
aan ruimte, waarvan 1,3 m² dichte vloer. Uitgangspunt is ook dat het klimaat naar behoefte geregeld wordt.
                                                            9m
                             13 m
Figuur 1. Plattegrond en foto van een afdeling voor 40 zeugen in voerligboxen met uitloop. De afdeling is met
behulp van twee hekken in drie hokken gedeeld; de donkere blokjes zijn drinkbakken.
2
 De wetenschappelijke bijdrage is samengesteld door dr. ir. E.D. Ekkel (WUR, leerstoelgroep Ethologie &
Welzijn), mw. dr. ir. F.H. de Jonge (Universiteit Utrecht, Faculteit Diergeneeskunde, hoofdafdeling Dier,
Wetenschap en Maatschappij en WUR), dr. ir. H.A.M. Spoolder, ir. H.M. Vermeer, dr. M.B.M. Bracke (WUR-
ASG, Lelystad).
34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>    2.1.1. Voerligboxen met uitloop
Zeugen in voerligboxen met uitloop hebben elk één voerligbox tot hun beschikking met 1,3 m² dichte vloer en
0,95 m² betonrooster tussen twee rijen boxen. De zeugen krijgen meestal tweemaal per dag circa 1,5 kg voer.
Tijdens het voeren staan ze opgesloten in de box door een hekje aan de achterzijde van de box. Als de
varkenshouder de dieren gecontroleerd heeft laat hij ze los en verlaten de meeste zeugen de box om te kijken
in de trog van de buurvrouw en op het rooster te mesten en te urineren.
Meestal liggen de zeugen in de boxen op de dichte vloer, alleen op warme dagen liggen ze ook op de natte
roostervloer tussen de boxen. Water is tijdens het voeren in de trog en daarbuiten onbeperkt in drinkbakjes
boven het rooster beschikbaar. Typische groepsgrootte: 10-20 zeugen. Dit systeem is op 20 tot 40% van de
bedrijven in gebruik.
    2.1.2. Groepshuisvesting met voerstation op betonrooster
Zeugen in een systeem met voerstations op een betonnen vloer krijgen eenmaal daags een individuele portie
voer in één van de voerstations (40-60 zeugen per station). Ze kunnen het voer verspreid over de dag
opnemen, maar eten het meestal in één keer op. De ligruimte bestaat uit een kale betonnen vloer met licht
afschot naar het rooster. De ligvakken bieden meestal plaats aan 4 tot 8 zeugen. De zeugen maken goed
gebruik van de ligruimte, hoewel er soms ook vuile ligvakken zijn omdat ze deze als mestplek gebruiken.
Water is onbeperkt via drinkbakken in de buurt van de uitgang van de voerstations beschikbaar. Typische
groepsgrootte is 100-250 zeugen. Dit systeem is op circa 20% van de bedrijven in gebruik.
                                                                                                          35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>        5,50m                                 23,50m
     training
        3 voer-
        stations
                                                                         12,00m
           drinkbakken
          separatie
Figuur 2. Plattegrond van een stal voor 150 drachtige zeugen op beton en voedering via voerstations.
     2.1.3.           Groepshuisvesting met voerstation op een dik strobed
Zeugen in een systeem van groepshuisvesting met voerstation op een dik strobed krijgen eenmaal daags een
individuele portie voer in één van de voerstations (40-60 zeugen per station). Ze kunnen het voer verspreid
over de dag opnemen, maar eten het meestal in één keer op. De ligruimte bestaat uit een groot ingestrooid
ligbed (ca 40 cm dik) met circa 100 zeugen per ligbed. De ruimte voor de voerstations is tevens mestruimte
en bestaat vaak uit een (natte) dichte vloer en soms uit betonroosters. Op warme zomerdagen kiezen de
zeugen massaal de koele mestruimte als ligplaats. Bij een tekort aan koele ruimte wordt de separatieruimte of
een stukje buitenruimte beschikbaar gesteld op warme zomerdagen. De stallen zijn meestal eenvoudig van
bouw met een hoog dak met lichtplaten en open zijgevels voor de toevoer van de verse lucht. De typische
groepsgrootte is 150 tot 300 zeugen. Dit systeem is op 10 tot 20% van alle bedrijven in gebruik.
36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>                                      afvoergang met separatie aan eind
4,0 m
        separatie                                                                     trai-
                                                      6 voerstations                  ning
                                                                                              4 putten van
6,0
                                                         drinkbakken                          1,5 m breed
                                                                                                3 strobedden van
                                                                                                                      afschot 1% ->
9,0
                                                                                              9 x 12 m (80 zeugen)
             12,0 m                       12,0 m                 4,0      4,0       4,0 m
                                                    openslaande deuren, 4 m breed
Figuur 3. Plattegrond van een strostal voor drachtige zeugen.
Figuur 4. Foto van een strostal voor drachtige zeugen.
Op de foto is de ligruimte links en de mestruimte met
voerstations en stro-opslag rechts.
                                                                                                                     37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>Tabel 1. Punten in het natuurlijk gedrag van guste en dragende zeugen per gangbaar houderijsysteem onder
gebruikelijk management waarvoor verbetering van de situatie het meest belangrijk is (•).
Opmerking: voor deze categorie systemen zijn sommige natuurlijke gedragingen niet van toepassing (nvt). De
niet ingevulde vlakjes geven aan dat deze gedragingen voldoende kunnen worden uitgevoerd of geen
prioriteit hebben om te verbeteren.
 Context/           Gedragscategorie       Gedragselement(en) op basis     Voerligbox     Voerstation  Voer-
 functie                                   waarvan de mate waarin          met uitloop    op           station
                                           natuurlijk gedrag kan worden                   gedeeltelijk op
                                           vertoond is/zijn gescoord                      rooster      strobed
 Onderhouds-        Eten                   Foerageren, variatie in               •             •
 gedrag                                    rantsoen
                    Drinken                Naar behoefte kunnen drinken
                    Bewegen                Ruimte om zich om te draaien
                                           en zich vrij te bewegen
                    Lichaamsverzorging     Schuren, krabben, likken
 Onderhouds-        Mesten en urineren     Mesten, urineren op aparte
 gedrag                                    plaats
                    Rusten en slapen       Gemeenschappelijk lignest
                    Thermoregulatie        Gedrag kunnen aanpassen
                                           aan omgevingstemperatuur
                                           (huddling, huid nat maken)
 Sociaal gedrag     Agressie/competitie    Duidelijke dominantie-
                                           hiërarchie, sociale relaties
                    Versterking groeps-    Familiegroepen
                    binding
                    Vluchten/schuilen      Vluchten
                    (voor soortgenoten
                    en voor predatoren)
                    Communicatie           Geur, auditieve signalen,
                                           lichaamstaal soortgenoten
                    Synchronisatie         Synchronisatie van gedrag
 Voortplantings-    Seksueel gedrag        Natuurlijk, geritualiseerd
 gedrag                                    paargedrag
                    Gedrag rond de         Isolatie, nestbouw                  nvt            nvt         nvt.
                    geboorte
                    Moederzorg gedrag      Geleidelijk spenen vanaf 16         nvt            nvt          nvt
                                           weken
 Exploratie en      Verkennen nieuwe       Exploratiegedrag                      •
 leren              prikkels
                    Spelen                                                     nvt            nvt          nvt
38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>  Context/          Gedragscategorie        Gedragselement(en) op basis   Voerligbox    Voerstation   Voer-
  functie                                   waarvan de mate waarin        met uitloop   op            station
                                            natuurlijk gedrag kan worden                gedeeltelijk  op
                                            vertoond is/zijn gescoord                   rooster       strobed
  Ziektegerela-     Afzonderen                                                               •              •
  teerd gedrag
                    Microklimaat aan-                                           •
                    passen
    2.2. Kraamzeugen
Na een drachtperiode van 3,5 maand komen hoogdrachtige zeugen ongeveer een week voor het werpen in
het kraamhok. In de gangbare varkenshouderij staan vrijwel alle zeugen in de kraamfase in een individuele
kraambox met daaromheen een hok van circa 4 m². Er volgen 2 systeembeschrijvingen: een kraamhok met
rechte opstelling en volledige roostervloer en een kraamhok met schuine opstelling en een halfroostervloer.
De verschillen tussen deze twee systemen zijn gering. Hokken met een Balance vloer kunnen vergeleken
worden met de rechte opstelling. Bij dit hoktype zakken de biggennesten naar beneden als de zeug gaat
staan. Dit moet het risico van doodliggen verkleinen.
                                                                                                        39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>     2.2.1. Kraamhok met rechte opstelling en volledige roostervloer
                    trog
                                    biggen-
                                     nest +
                                    vloerver
 2,50 m
                                    warming
                                            kraambox
                                            met apart
                                             rooster
                  controlegang
                    1,60 m
Figuur 5. Kraamhok met rechte opstelling en volledige roostervloer.
     2.2.2. Kraamhok met schuine opstelling en een halfroostervloer
Kraamhokken met schuine opstelling en een halfroostervloer zijn gemiddeld genomen ouder dan kraamhok-
ken met een volledige kunststof roostervloer. In de dichte vloer is vloerverwarming aanwezig en het biggen-
nest is voorzien van een warme biggenlamp. Iets meer dan de helft van de vloer is uitgevoerd in driekant
stalen rooster.
40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>                   1,90 m
 2,25 m
                                      biggen-
                                       nest +
                                      biggen-
                                        lamp
            trog
                   controlegang
Figuur 6. Plattegrond kraamhok met schuine opstelling.
Tabel 2. Punten in het natuurlijk gedrag van kraamzeugen per gangbaar houderijsysteem onder gebruikelijk
management waarvoor verbetering van de situatie het meest belangrijk is. (•).
Opmerking: Voor deze categorie systemen zijn sommige natuurlijke gedragingen niet van toepassing (nvt).
De niet ingevulde vlakjes geven aan dat deze gedragingen voldoende kunnen worden uitgevoerd of geen
prioriteit hebben om te verbeteren.
     Context/       Gedragscategorie       Gedragselement(en) op         Kraamhok     Kraamhok   Kraam-
     functie                               basis waarvan de mate         recht zeug   schuin     hok big-
                                           waarin natuurlijk gedrag                   zeug       gen
                                           kan worden vertoond is/zijn
                                           gescoord.
    Onderhouds-     Eten                   Foerageergedrag, variatie
    gedrag                                 in rantsoen
                    Drinken                Naar behoefte kunnen
                                           drinken
                    Bewegen                Ruimte om zich om te
                                           draaien en zich vrij te
                                                                                •        •
                                           bewegen
                    Lichaamsverzorging     Schuren, krabben, likken
                                                                                                       41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>   Context/       Gedragscategorie    Gedragselement(en) op      Kraamhok   Kraamhok Kraam-
   functie                            basis waarvan de mate      recht zeug schuin   hok big-
                                      waarin natuurlijk gedrag              zeug     gen
                                      kan worden vertoond
                                      is/zijn gescoord.
   Onderhouds-    Mesten en urineren  Mesten, urineren op
   gedrag                             aparte plaats
                  Rusten en slapen    Gemeenschappelijk lig-
                                      nest
                  Thermoregulatie     Gedrag kunnen aanpas-
                                      sen aan omgevingstem-
                                      peratuur (huddling, huid
                                      nat maken)
   Sociaal        Agressie/competitie Duidelijke dominantie-
   gedrag                             hiërarchie, sociale rela-
                                                                                        •
                                      ties
                  Versterking groeps- Familiegroepen
                  binding
                  Vluchten/schuilen   Vluchten
                  (voor soortgenoten
                  èn voor predatoren)
                  Communicatie        Geur, auditieve signalen,
                                      lichaamstaal soortgeno-
                                      ten
                  Synchronisatie      Synchronisatie van ge-
                                      drag
   Voortplantings Seksueel gedrag     Natuurlijk, geritualiseerd                       nvt
   gedrag                             paargedrag
                  Gedrag rond de      Isolatie, nestbouw                               nvt
                  geboorte
                                                                      •          •
                  Moederzorg gedrag   Geleidelijk spenen vanaf                         nvt
                                      16 weken
   Exploratie en  Verkennen van       Exploratiegedrag
   leren          nieuwe prikkels
                                                                                        •
                  Spelen                                             nvt        nvt
                                                                                        •
   Ziektegerelate Afzonderen
   erd gedrag     Microklimaat aan-
                  passen
42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>    2.3. Gespeende biggen
Gespeende biggen worden van 4 tot 10 weken leeftijd gehouden in aparte hokken. We beschrijven hier twee
systemen die sterk verschillen: kleine groepen met halfroostervloer en grote groepen met volledig rooster-
vloer. Het wettelijk vereiste minimale hokoppervlak was van 1998 tot 2004 0,4 m², maar is inmiddels weer 0,3
m². De vloer mag uit volledig rooster bestaan. Meestal wordt een hard kunststof rooster of metalen driekant
rooster gebruikt.
    2.3.1. Kleine groepen met halfroostervloer
Als biggen in kleine groepen worden gehouden, dan probeert de varkenshouder zoveel mogelijk om tomen bij
elkaar te houden. Mengen gebeurt met name als de aantallen of variatie in groei daar aanleiding toe geven.
De biggen krijgen onbeperkt voer uit een voerbak waar ze met minimaal 2 biggen tegelijk kunnen eten. Achter
in het hok bestaan de hokafscheidingen uit spijlen, zodat ze contact kunnen maken met de buren. In het hok
is afleidingsmateriaal in de vorm van een ketting aangebracht. Er zijn geen goede schattingen voorhanden,
maar minder dan de helft van de biggen wordt op deze manier gehouden.
                                                                                                          43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>              metalen
              driekant
              rooster
                bolle
2.90 m
             betonnen
             vloer met
            verwarming
             voerbak
              1.40 m
            controlegang
Figuur 7. Plattegrond van een hok voor 10 gespeende biggen, meestal afkomstig uit één toom.
         2.3.2. Grote groepen met volledig roostervloer
In de laatste 10 jaar is het een trend geworden om biggen na het spenen in grote groepen te houden. In
eerste instantie werden in bestaande stallen simpelweg de hokafscheidingen (deels) verwijderd, later werden
ook nieuwe stallen gebouwd. De groepsgrootte liep van 30 tot 120 biggen. Tegenwoordig lijkt de trend meer
tussen de 30 en 60 biggen te liggen. De biggen krijgen óf heel frequent aan een lange trog te eten, óf er zijn
per 10 biggen 2 eetplaatsen beschikbaar met onbeperkte voedering. Afleidingsmateriaal is aanwezig in de
vorm van een hangende ketting. De klimaatregeling is lastiger dan in kleine hokken. Het luchtstromings-
patroon wordt namelijk door het liggedrag van de biggen beïnvloed. Daarentegen hebben de biggen meer
mogelijkheden voor “huddling” onder koudere omstandigheden. Goede schattingen zijn niet voorhanden,
maar waarschijnlijk wordt meer dan de helft van de biggen op deze manier gehouden.
44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>                                      1,67
                                      1,60
                                             6,54 m
                                      1,60
                                      1,67 m
1,80               7,50 m
     Figuur 8. Plattegrond en foto van een grote groep gespeende biggen.
                                                                         45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>Tabel 3. Punten in het natuurlijk gedrag van gespeende biggen per gangbaar houderijsysteem onder gebrui-
kelijk management waarvoor verbetering van de situatie het meest belangrijk is (•).
Opmerking: Voor deze categorie systemen zijn sommige natuurlijke gedragingen niet van toepassing (nvt).
De niet-ingevulde vlakjes geven aan dat deze gedragingen voldoende kunnen worden uitgevoerd of geen
prioriteit hebben om te verbeteren.
 Context/functie         Gedragscategorie        Gedragselement(en) op basis        Big kleine Big grote
                                                 waarvan de mate waarin natuur-     groep      groep
                                                 lijk gedrag kan worden vertoond
                                                 is/zijn gescoord.
 Onderhouds-             Eten                    Foerageergedrag, variatie in rant-
 gedrag                                          soen
                         Drinken                 Naar behoefte kunnen drinken
                         Bewegen                 Ruimte om zich om te draaien en
                                                 zich vrij te bewegen
                         Lichaamsverzorging      Schuren, krabben, likken
                         Mesten en urineren      Mesten, urineren op aparte plaats
                         Rusten en slapen        Gemeenschappelijk lignest
                         Thermoregulatie         Gedrag kunnen aanpassen aan
                                                 omgevingstemperatuur (huddling,
                                                 huid nat maken)
 Sociaal gedrag          Agressie/competitie     Duidelijke dominantiehiërarchie,
                                                 sociale relaties
                                                                                                    •
                         Versterking groepsbin-  Familiegroepen
                         ding
                         Vluchten/schuilen (voor Vluchten
                         soortgenoten èn voor
                         predatoren)
                         Communicatie            Geur, auditieve signalen,
                                                 lichaamstaal soortgenoten
                         Synchronisatie          Synchronisatie van gedrag
 Voortplantings-         Seksueel gedrag         Natuurlijk, geritualiseerd paar-      nvt         nvt
 gedrag                                          gedrag
                         Gedrag rond de          Isolatie, nestbouw,                   nvt         nvt
                         geboorte
                         Moederzorg gedrag       Geleidelijk spenen vanaf 16 we-       nvt         nvt
                                                 ken
 Exploratie en leren     Verkennen van nieuwe    Exploratiegedrag
                         prikkels
                                                                                        •           •
                         Spelen
                                                                                        •           •
46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>  Context/functie       Gedragscategorie            Gedragselement(en) op basis           Big kleine  Big grote
                                                    waarvan de mate waarin natuur-          groep       groep
                                                    ijk gedrag kan worden vertoond
                                                    is/zijn gescoord.
  Ziektegerelateerd     Afzonderen
  gedrag
                        Microklimaat aanpas-
                        sen
    2.4. Vleesvarkens
Vleesvarkens worden traditioneel in groepen van 10 tot 12 dieren gehouden. De laatste jaren is er wel meer
interesse voor grote groepen, maar het lijkt erop dat deze trend niet doorzet. We zullen daarom twee syste-
men beschrijven die met name verschillen op basis van voersysteem, maar ook nog in groepsgrootte: een
kleine groep met brijvoedering aan de trog en een middelgrote groep met twee droogvoerbakken. Momenteel
moeten vleesvarkens minimaal 0,8 m² hokoppervlak hebben waarvan 40% uit dichte vloer bestaat. Tot 2013
is er een overgangstermijn voor hokken die nu nog 0,7 m² beschikbaar hebben, daarna moet elk vleesvarken
tussen 85 en 110 kg 1,0 m² hebben.
    2.4.1. Kleine groep met brijvoedering aan de trog
Vaak worden vleesvarkens in hokken van 10 tot 12 dieren gehouden. Op grotere bedrijven wordt er vaak brij-
voer verstrekt. Enkele malen per dag krijgen ze brij en ze moeten de trog eerst vrijwel leegeten voordat er een
nieuwe portie komt. De vloer bestaat uit een bolle betonnen vloer als ligruimte en zowel voor als achter in het
hok een strook betonroosters. Als afleidingsmateriaal hangt er een ketting in het hok. De hokafscheiding ter
hoogte van het achterste (grote) rooster bestaat uit spijlen en maakt contact met de varkens uit het buurhok
mogelijk.
                                                                                                             47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>              controlegang
                  rooster          0,75 m
                 bolle vloer         1,90 m
       trog
                      water         1,90 m
                rooster
                2,40 m
Figuur 9. Plattegrond van een hok voor 10 vleesvarkens met bijvoederen via een trog.
Naar schatting 60-80% van de vleesvarkens in Nederland wordt in hokken voor 10 tot 15 varkens gehouden.
Een deel daarvan krijgt brijvoer verstrekt. De brijbak (met droogvoer) is het meest gebruikt als voersysteem.
Het grootste verschil met de trog is dat het gedrag minder gesynchroniseerd is. De trog met brijvoer is hier als
voorbeeld gekozen.
     2.4.2. Middelgrote groep met twee droogvoerbakken
In het systeem met middelgrote groepen vleesvarkens heeft 24 varkens per hok en deze krijgen het voer via
twee droogvoerbakken verstrekt. Deze twee voerbakken zijn uit elkaar geplaatst, voor in het hok om de dieren
relatief rustig te laten eten en de vloer voor in het hok schoon te houden. De vloer is 3,36 m lang en heeft
afschot richting de roostervloer. Bij de roostervloer is een drinkbak gemonteerd voor onbeperkte wateropna-
me. De hokafscheidingen ter plaatse van het rooster bestaan uit spijlen en maken contact met de varkens in
48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>  het buurhok mogelijk. De klimaatregeling is gelijk aan de klimaatregeling in het systeem met de kleine groe-
  pen en de trogvoedering. Naar schatting 10 tot 30% van de vleesvarkens in Nederland wordt in groepen gro-
  ter dan 15 gehouden. Een deel daarvan wordt met droogvoerbakken gevoerd.
                                            1,65 m
                                            3,35
                                             1,0
                                            11,0 m
                                            3,35
                                            1,65
1,80                3 x 4,0
                    12,0 m
  Figuur 10. Plattegrond en foto van een afdeling voor groepen van 24 vleesvarkens met droogvoerbakken.
                                                                                                           49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>Tabel 4. Punten in het natuurlijk gedrag van vleesvarkens per gangbaar houderijsysteem onder gebruikelijk
management waarvoor verbetering van de situatie het meest belangrijk is (•).
Opmerking: Voor deze categorie systemen zijn sommige natuurlijke gedragingen niet van toepassing (nvt).
De niet ingevulde vlakjes geven aan dat deze gedragingen voldoende kunnen worden uitgevoerd of geen
prioriteit hebben om te verbeteren.
   Context/functie    Gedragscategorie       Gedragselement(en) op        Vleesvarkens,  Vleesvarkens,
                                             basis waarvan de mate        kleine groep,  grote groep,
                                             waarin natuurlijk gedrag     brijvoedering  droogvoede-
                                             kan worden vertoond          aan de trog    ring
                                             is/zijn gescoord.
   Onderhouds-        Eten                   Foerageergedrag, variatie
   gedrag                                    in rantsoen
                                                                                                •
                      Drinken                Naar behoefte kunnen
                                             drinken
                      Bewegen                Ruimte om zich om te
                                             draaien en zich vrij te
                                             bewegen
                      Lichaamsverzorging     Schuren, krabben, likken
                      Mesten en urineren     Mesten, urineren op
                                             aparte plaats
                      Rusten en slapen       Gemeenschappelijk
                                             lignest
                      Thermoregulatie        Gedrag kunnen aanpas-
                                             sen aan omgevingstem-
                                             peratuur (huddling, huid
                                             nat maken)
   Sociaal gedrag     Agressie/competitie    Duidelijke dominantie-
                                             hierarchie, sociale rela-
                                                                                  •             •
                                             ties
                      Versterking groeps-    Familiegroepen
                      binding
                      Vluchten/schuilen      Vluchten
                      (voor soort-genoten
                                                                                  •             •
                      èn voor predatoren)
                      Communicatie           Geur, auditieve signalen,
                                             lichaamstaal soortgeno-
                                             ten
50
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>Context/functie Gedragscategorie  Gedragselement(en) op       Vleesvarkens, Vleesvarkens,
                                  basis waarvan de mate       kleine groep, grote groep,
                                  waarin natuurlijk gedrag    brijvoedering droogvoede-
                                  kan worden vertoond is/zijn aan de trog   ring
                                  gescoord.
Voortplantings- Synchronisatie    Synchronisatie van gedrag
gedrag
                Seksueel gedrag   Natuurlijk, geritualiseerd         nvt          nvt
                                  paargedrag
                Gedrag rond de    Isolatie, nestbouw                 nvt          nvt
                geboorte
                Moederzorg ge-    Geleidelijk spenen vanaf 16        nvt          nvt
                drag              weken
Exploratie en   Verkennen van     Exploratiegedrag
leren           nieuwe prikkels
                                                                      •
                Spelen
Ziektegerela-   Afzonderen
teerd gedrag
                Microklimaat aan-
                passen
                                                                                         51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>                                                   3
3. VERBETERINGSMOGELIJKHEDEN VARKENS
Tabel 5. Verbeteringsmogelijkheden voor het kunnen uitoefenen van het natuurlijk gedrag bij varkens.
Zie volgende pagina.
3
  De wetenschappelijke bijdrage is samengesteld door dr. ir. E.D. Ekkel (WUR, leerstoelgroep Ethologie &
Welzijn), mw. dr. ir. F.H. de Jonge (Universiteit Utrecht, Faculteit Diergeneeskunde, hoofdafdeling Dier,
Wetenschap en Maatschappij en WUR), dr. ir. H.A.M. Spoolder, ir. H.M. Vermeer, dr. M.B.M. Bracke (WUR-
ASG).
52
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>Context/functie     Gedragscategorie        Foera-   Meer    Meer     Speci-   Wijzi-   Lig- Varia- Grotere   Fami-   Afschei-
                                            geer     natuur- ruimte   fiek     ging     mat- tie in kraam-    lie     dings-
                                            sub-     lijk             schuur   hok-     ten   klima hokken    groe-   schot-
                                            straat   voed-            -sub-    vorm           at              pen     ten in
                                                     sel              straat                                          hok
     Onderhouds-                      Eten         -       1
            gedrag
                                   Drinken                 -
                                  Bewegen          1                -                 1     1              1
                      Lichaamsverzorging           1               1         -                     1                         1
                       Mesten en urineren          1               1                  -     1              1                 1
                         Rusten en slapen                          1                  1     -              1       1         1
                          Thermoregulatie                          1                               -
    Sociaal gedrag    Agressie/competitie          1       1       1         1        1                     -      1         1
                      Versterking groeps-          1               1                        1              1        -
                                   binding
                         Vluchten/schuilen                         1                  1                    1                  -
                            Communicatie                   1       1                                       1       1
                            Synchronisatie         1               1                        1              1       1
   Voortplantings-       Seksueel gedrag                                                                           1
            gedrag
                    Gedrag rond geboorte           1               1                                       1
                      Moederzorg gedrag            1               1                                       1       1
     Exploratie en Verkennen nieuwheid             1       1       1         1        1            1       1                 1
              leren
                                    Spelen         1       1       1                                       1       1         1
 Ziektegerelateerd             Afzonderen          1               1                  1                                      1
            gedrag
                     Microklimaat aanpas-                                                          1                         1
                                       sen
                                 Totaal per      11        5      14         2        6     4      3     11        7         8
                               verandering
                            Rangorde van          B                A                                      C                  E
                             verbeteringen
                                                                                                                      53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>Context/functie   Gedragscategorie        Dag-    Afschaf-   Beer bij Vrij     Later   Regelm Gevarieer Com-        Mobi-
                                          licht   fing    ad de       wer-     spe-    atig     de omge- parti-     liteit
                                                  libitum    zeug     pen      nen     veran-   ving       men-     tus-sen
                                                  voer-      huis-    zonder           derin-              tering   klima-
                                                  methode    vesten   kraam-           gen                          ten
                                                                      box
   Onderhouds-                      Eten                   1                         1
          gedrag
                                 Drinken
                                Bewegen                    1        1       1                 1         1                  1
                    Lichaamsverzorging                                      1
                     Mesten en urineren                    1                1                                     1
                       Rusten en slapen                    1                1                 1                   1
                        Thermoregulatie                                     1                                              1
  Sociaal gedrag    Agressie/competitie                             1                1                  1         1
                    Versterking groeps-         1          1        1       1        1                  1
                                 binding
                       Vluchten/schuilen                                                                          1
                          Communicatie          -                   1       1        1                  1
                          Synchronisatie        1          -        1                         1
 Voortplantings-       Seksueel gedrag          1                   -
          gedrag
                   Gedrag rond geboor-                                       -
                                       te
                    Moederzorg gedrag                                       1        -
   Exploratie en Verkennen nieuwheid                                1       1                 -         1
            leren
                                  Spelen                                             1        1         -
   Ziektegerela-             Afzonderen                                                                           -
    teerd gedrag
                  Microklimaat aanpas-                                                                            1        -
                                     sen
                               Totaal per       3          5        6       9        5        4         5         5        2
                             verandering
                          Rangorde van                                     D
                           verbeteringen
Toelichting op verbeteringstabel varkens
In de tabel zijn alle natuurlijke gedragingen van varkens weergegeven zoals die eerder in dit rapport zijn
beschreven. Bij de beoordeling van de houderijsystemen zijn verbeteringen voorgesteld. Hierna volgt een toe-
lichting op deze tabel, waarin staat aangegeven hoe deze tabel gelezen en geïnterpreteerd dient te worden.
54
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>Links staan alle gedragscategorieën, gerubriceerd op dezelfde wijze zoals dat eerder in dit rapport is gedaan.
Bovenaan staan voor elk van deze categorieën verbeteringen in de houderij aangegeven welke er toe bijdra-
gen dat het natuurlijk gedrag meer en beter kan worden uitgevoerd. Een voorbeeld: om meer te kunnen
bewegen (derde element uit de lijst van gedragscategorieën) is o.a. meer ruimte gewenst. In de kolommen
zijn diverse verbeteringen met betrekking tot ruimte gedefinieerd, o.a. meer ruimte. Vervolgens is in de kolom
onder deze verbetering meer ruimte aangegeven welke andere gedragscategorieën eveneens verbeteren. Zo
zal meer ruimte bijdragen aan meer mogelijkheden tot lichaamsverzorging, vlucht- en schuilgedrag, explora-
tiegedrag etc.
De liggende streepjes in de tabel geven aan welke verbetering expliciet bij een bepaalde gedragscategorie
hoort, dus de "logische" verbetering. Met een 1 is aangegeven welke andere gedragingen beter kunnen wor-
den uitgevoerd door de verbetering. Indien de correlatie negatief is, is dit aangegeven met een -1.
Onderaan is in de tabel het totaal aan verbeteringspunten opgeteld en is op basis hiervan een rangorde
opgesteld. Let wel: er is geen wegingsfactor per categorie aangegeven, alle categorieën zijn op dezelfde
wijze meegenomen in de totaalscore. Uiteraard zijn negatieve verbeterpunten afgetrokken.
                                                                                                            55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>2. SAMENSTELLING VAN DE WERKGROEP “NATUURLIJK GEDRAG BIJ VAR-
   KENS”
De werkgroep bestond uit:
•   dr. ir. E.D.Ekkel (WUR-ASG)
•   B. van den Berg (Dierenbescherming)
•   mw. drs. ing. J. Kossen (LNV)
•   mw. ir. M. van Huik (LTO)
•   W. van Gemert (NVV)
•   mw. ir. B.H. Smale (PVE)
•   M. Houben (LTO)
•   ir. S.J. Beukema (voorzitter, Bureau van de Raad voor Dierenaangelegenheden)
56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>3. OVERZICHT VAN PUBLICATIES
Onderstaand overzicht betreft de publicaties van de Raad vanaf 2002. Een overzicht van eerdere door de
Raad uitgebrachte adviezen kan worden opgevraagd bij het secretariaat van de Raad of is te vinden op
www.raadvoordierenaangelegenheden.nl.
PUBLICATIES IN 2006:
RDA 2006/01       Gedeelde zorg – Actieplan (publicatie Forum Welzijn Gezelschapsdieren)
RDA 2006/02       Gedeelde zorg - Feiten en cijfers (publicatie Forum Welzijn Gezelschapsdieren)
RDA 2006/03       Mogelijkheden tot versoepeling van het verbod op het hergebruik van dierlijke eiwitten
RDA.2006/04       Natuurlijk gedrag van melkvee en vleeskalveren
Jaarverslag 2005
PUBLICATIES IN 2005:
RDA 2005/01       De rol van wild bij de insleep en verspreiding van klassieke varkenspest en mond- en
                  klauwzeer in Nederland
RDA 2005/02       Immunosterilisatie als een alternatief voor de huidige wijze van castratie in de varkens-
                  houderij
RDA 2005/03       Maintaining or improving farm animal welfare in the light of increasing trade liberalisation
                  and globalisation: a contradiction in terms?
RDA 2005/04       Het houden van potentieel gevaarlijke diersoorten als gezelschapsdier
RDA 2005/05       Implicaties van de opinie van EFSA over het bedwelmen en doden van de belangrijkste
                  productiedieren voor Richtlijn 93/119/EG en het Nederlandse standpunt ten aanzien van
                  deze Richtlijn
RDA 2005/06       I&R hobbydieren/definitie gezelschapsdier
RDA 2005/07       De erkende dierenarts
RDA 2005/08       Advies over de wintersterfte 2004-2005 van grote grazers in de Oostvaardersplassen
RDA 2005/09       Inventarisatie van de stand van zaken met betrekking tot ingrepen bij pluimvee
                                                                                                            57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>Jaarverslag 2004
PUBLICATIES IN 2004:
RDA 2004/01       Dierziektebeleid met draagvlak – Advies over de bestrijding van zeer besmettelijke
                  dierziekten; deel 2 – Onderbouwing van het advies
RDA 2004/02       Herinrichting van het distributie- en kanalisatiesysteem van diergeneesmiddelen in Neder-
                  land
RDA 2004/03       Negatief- en positieflijst voor vissen, reptielen en amfibieën ter invulling van artikel 33 van
                  de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
RDA 2004/04       Bestialiteit
RDA 2004/05       Strategieën om te komen tot een efficiëntere opsporing van besmettelijke, aangifteplichtige
                  dierziekten
RDA 2004/06       Verkenning van de toekomstperspectieven voor agroproductieparken in Nederland
Jaarverslag 2003
PUBLICATIES IN 2003:
RDA 2003/01       Advies omtrent dierziekten en zoönosen, waarvoor hobbymatig gehouden dieren vatbaar
                  zijn en als drager kunnen fungeren, die een bedreiging kunnen vormen voor de
                  gezondheid van mensen en bedrijfsmatig gehouden dieren en die in het kader van grote
                  bestrijdingscampagnes relevant zijn
RDA 2003/02       Wet- en regelgeving omtrent hobbydieren
RDA 2003/03       Mogelijke dierenwelzijnproblemen in de paardenhouderij
RDA 2003/04       Zorgen voor je paard
RDA 2003/05       Criteria voor dodingmethoden voor paling en meerval
RDA 2003/06       Het doden van drachtige grote landbouwhuisdieren
RDA 2003/07       Negatief- en positieflijst voor zoogdieren en vogels ter invulling van artikel 33 van de
                  Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
RDA 2003/08       Dierziektebeleid met draagvlak – Advies over de bestrijding van zeer besmettelijke
                  dierziekten; deel 1 – Advies
58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>Jaarverslag 2002
                 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>