<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                   JUNI 2006
          ADVIES RDA 2006/07
HOOGPRODUCTIEF MELKVEE: GRENZEN AAN DE GROEI?
                             ADVIES AAN DE MINISTER VAN LANDBOUW,
                             NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT INZAKE HET IN TE
                             NEMEN STANDPUNT TEN AANZIEN VAN DE
                             GEZONDHEID EN HET WELZIJN VAN
                             HOOGPRODUCTIEF MELKVEE
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>         SAMENSTELLING VAN DE RAAD
•  prof. dr. C.J.G. Wensing, voorzitter Raad voor Dierenaangelegenheden
•  A. Achterkamp
•  ir. M.J.B. Jansen                    bezoekadres:
•  drs. S.B.M. Jongerius                Laan van Nieuw Oost Indië 131-133
•  J.Th. de Jongh                       2593 BM Den Haag
•  P.J.J.M. Loonen?
•  ir. B.J. Odink                       postadres:
•  ir. C.A.J.C. Oomen                   Postbus 90428
•  dr. ir. H. Paul                      2509 LK Den Haag
•  prof. dr. A. Pijpers
•  drs. T. de Ruijter                   telefoon 070 3785266
•  S.J. Schenk                          fax 070 3786336
•  prof. dr. F.J. van Sluijs            email info@rda.nl
•  H.W.A. Swinkels
•  drs. P.A. Thijsse
•  drs. H. van Veen
•  prof. dr. J.H.M. Verheijden
•  ir. ing. A.J. Vermuë
•  drs. P. van der Wal
Secretaris: dr. drs. I.D. de Wolf
                                                                          1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>2</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>         INHOUDSOPGAVE
Advies ................................................................................................................................................................... 5
Onderbouwing van het advies.............................................................................................................................. 9
1.    Inleiding ........................................................................................................................................................ 9
2.    Hoogproductieve koeien: een historisch en bedrijfseconomisch perspectief ............................................11
3.    Wat zijn de gevolgen van selectie en fokken op een hoge productie voor de gezondheid en het
      welzijn van melkvee? .................................................................................................................................20
4.    Welke rol speelt het management van de melkveehouder?......................................................................27
5.    Met welke maatregelen kunnen negatieve gevolgen van het selectie- en fokbeleid en/of het
      management worden tegengegaan? .........................................................................................................31
6.    Zijn er (ethische) grenzen aan het fokken en managen op een hoge productie en zo ja, welke zijn dit?.36
Literatuurlijst .......................................................................................................................................................41
Bijlagen ...............................................................................................................................................................47
1.    Bedrijfseconomisch perspectief van de Nederlandse melkveehouderij ....................................................47
2.    Historische ontwikkeling van de Nederlandse melkveehouderij................................................................49
3.    Productiegegevens van de Nederlandse melkveehouderij .......................................................................51
4.    Samenstelling van de werkgroep...............................................................................................................52
5.    Overzicht van publicaties ...........................................................................................................................53
                                                                                                                                                                           3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>4</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>        ADVIES
De     Raad     voor   Dierenaangelegenheden       is per koe in 1975 nog 4.625 kg, terwijl deze in 2003
gevraagd advies uit te brengen over de gevolgen       was toegenomen tot 7.494 kg melk per koe. Deze
van selectie en fokken op een hoge productie voor     productiestijging is het resultaat van een samen-
de gezondheid en het welzijn van melkvee.             spel van een veranderd management en een
Daarnaast werd de Raad gevraagd zich uit te           verbeterde genetische aanleg van koeien. Beide
spreken over de grenzen van het selecteren en         factoren zijn voor ongeveer de helft van de produc-
fokken op een hoge productie. Uit wetenschap-         tiestijging verantwoordelijk.
pelijk onderzoek blijkt dat voor het realiseren van
een hoge melkproductie, naast de juiste genetische    Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat er een
aanleg van de koe, vooral de kwaliteit van het        ongunstig genotypisch verband bestaat tussen
management cruciaal is. Derhalve heeft de Raad        gezondheidskenmerken en incidentie van gezond-
besloten de vraagstelling te verbreden en ook         heidsproblemen enerzijds en het melkproductie-
management als onderdeel mee te nemen.                niveau anderzijds. Echter, op fenotypisch niveau
                                                      (d.w.z. de actuele gezondheid van koeien bij het
Het    bedrijfseconomisch    perspectief   van    de  gerealiseerde melkproductieniveau) zijn de nade-
melkveehouderij in Nederland staat onder druk.        len van een hoog melkproductieniveau voor de
Door het realiseren van schaalvergroting, het         gezondheid van melkkoeien niet eenduidig. Dikwijls
zoeken naar efficiëntere productiesystemen (waar-     kan er geen relatie tussen de hoogte van de
onder een hogere melkproductie per koe), het          melkproductie enerzijds en gezondheidskenmerken
overstappen      op  ecologische    en   biologische  en ziekte-incidentie anderzijds worden aangetoond.
melkveehouderij en het aanboren van aanvullende       Dit, vanwege het complexe samenspel van tal van
inkomstenbronnen proberen melkveehouders een          kenmerken, die een rol spelen bij het al dan niet
rendabele bedrijfsvoering te realiseren.              ontstaan van een ziekte en het al dan niet ver-
                                                      hogen van de productie. Ook het verschil in weten-
De stijging in melkproductie per koe is reeds enige   schappelijke vraagstellingen vormt een verklaring
decennia gaande. Zo bedroeg de melkproductie          voor het gebrek aan eenduidigheid. Zo kan de
                                                                                                        5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>relatie tussen melkproductie en gezondheids-        zonder (fysieke) belemmeringen 1 en met vertoning
kenmerken over bedrijven heen anders zijn dan       van het normale gedrag melk kan produceren.
over koeien binnen een bedrijf. Daarbij hebben ook  Primair betekent dit dat de verschillende type
managementkeuzen van de melkveehouder een           koeien, het management en de (toekomstige)
grote invloed op de mate waarin het genotype tot    randvoorwaarden op elkaar afgestemd dienen te
expressie komt. Vaak verbeteren management-         worden. Daarbij mag het overigens niet zo zijn dat
keuzes zowel de melkproductie als de gezondheid     dit in de praktijk eenzijdig wordt vertaald als het
van koeien. Ook het onderzochte ras heeft invloed   aanpassen van de koe aan het management en de
op de uitkomsten: bevindingen bij het ene ras       (toekomstige) randvoorwaarden. Anderzijds is het
hoeven niet altijd ook voor andere rassen te        niet realistisch uitsluitend het management en de
gelden. Eén en ander leidt er toe dat de uitkomsten (toekomstige) randvoorwaarden aan het type koe
van wetenschappelijk onderzoek over de fenoty-      aan te passen. Door de economische druk,
pische   relatie tussen melkproductieniveau en      kostprijs, schaal- en productievergroting en andere
gezondheid niet eenduidig zijn.                     randvoorwaarden, zoals mestwetgeving en medi-
                                                    cijngebruik, wordt het namelijk steeds moeilijker de
De Raad constateert dat de sector al veel initia-   omgeving met het dier te laten ‘meegroeien’.
tieven genomen heeft om de gezondheid en het        De Raad geeft tevens de voorkeur aan een
welzijn van (hoogproductief) melkvee te borgen. Zo  optimaal melkproductieniveau in plaats van een
wordt door informatievoorziening richting melkvee-  maximaal melkproductieniveau. Bij een optimaal
houders en bewustwording en acceptatie door         melkproductieniveau is een balans gevonden tus-
melkveehouders de selectie verbreed richting        sen de gezondheid en het welzijn van de melk-
gezondheidskenmerken.                               koeien enerzijds en (economische) randvoorwaar-
                                                    den anderzijds.
Wat betreft de grenzen aan het selecteren, fokken   De Raad spreekt zijn zorg uit over de mate van
en managen op een hoge productie, merkt de          individuele zorg die aan koeien geboden kan en
Raad het volgende op. De Raad is van mening dat     moet worden bij een stijgende melkproductie per
het verder verhogen van het melkproductieniveau     bedrijf door schaalvergroting. Het tot een ding
van de koe uitsluitend acceptabel is als de koe
                                                    1
                                                       Hier zijn begrippen als fysiologische balans,
                                                    gezondheid en robuustheid bij inbegrepen.
6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>maken (‘verdinglijking’) of industrialisatie van de          d.   Onderzoeken of bij de selectie tevens
koe acht hij ongewenst, is voor het imago van de                  rekening dient te worden gehouden met
sector   schadelijk     en     zal   leiden    tot   een          genotype x omgeving interactie (zie ook
maatschappelijk conflict. De Raad constateert                     punt 3);
daarnaast     dat     door     verdere     schaal-    en     e.   Het verbeteren van het management om
productievergroting weidegang voor de melkkoeien                  de eventuele verslechterde genetische
steeds meer onder druk komt te staan, maar wil er                 aanleg voor gezondheidsproblemen te
tevens op wijzen dat een deel van de melkvee-                     ondervangen, moet in beperkte mate wor-
houders er wel in slaagt schaal- en productie-                    den toegepast. Uitgangspunt dient een
vergroting te (blijven) combineren met weidegang.                 optimale melkproductie te zijn in plaats
Tenslotte constateert de Raad dat door schaal-                    van een maximale melkproductie. Voor-
vergroting de behoefte zal ontstaan aan extra                     komen dient te worden dat een spiraal
arbeidsinzet. De Raad is van mening dat bij het                   van steeds meer compenserende en
selecteren, de raskeuze en het fokken van dieren                  kostenverhogende maatregelen ontstaat.
ingespeeld moet worden op toekomstige trends.             3. Investeren door het bedrijfsleven en de over-
                                                             heid in meer onderzoek om 1) een beter
De Raad komt tot de volgende aanbevelingen:                  inzicht te krijgen in de gevolgen van selectie
1.   Het verbeteren van het selectie- en fokbeleid           en het fokken op een hoge melkproductie, 2)
     voor melkkoeien door:                                   de    gevolgen     hiervan  beter  te    kunnen
     a.   Het opnemen van gezondheidskenmer-                 voorspellen      door   een  beter   inzicht  in
          ken in de genetische selectie met een              onderliggende processen, maar vooral ook om
          voldoende gewicht om achteruitgang in              3) innovaties te ontwikkelen om in de fokkerij
          gezondheid en welzijn te voorkomen (i.e.           adequater om te kunnen gaan met de
          multi trait selectie in plaats van single trait    gezondheid en het welzijn van melkvee op
          selectie);                                         individueel en koppelniveau. In het onderzoek
     b.   Het instellen van een breed overleg over           dient het management van de veehouder en
          de Nederlandse fokdoelen;                          de    interactie   van   omgevingsfactoren   en
     c.   Aan de bewustwording en scholing van               houderijomstandigheden       met     genetische
          melkveehouders        op   dit  punt    nadere     factoren te worden meegenomen. Het uit-
          aandacht te schenken;                              gangspunt      dient   wederom   een    optimale
                                                                                                            7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>  selectie te zijn in plaats van een maximale
  melkproductie te zijn, waarbij de gezondheid
  en het welzijn van de melkkoeien leidend zijn.
8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>         ONDERBOUWING VAN HET ADVIES
1. INLEIDING
                                                    In het advies wordt dan ook ingegaan op de
De Dierenbescherming heeft de Raad voor Dieren-     volgende punten:
aangelegenheden (hierna: de Raad) gevraagd          •    Wat zijn de gevolgen van selectie en fokken
advies uit te brengen over de gevolgen van selectie      op een hoge melkproductie voor de gezond-
en fokken op een hoge melkproductie voor de              heid en het welzijn van melkvee?
gezondheid en het welzijn van melkvee. Daarnaast    •    Welke rol speelt het management?
vroeg de Dierenbescherming de Raad zich uit te      •    Met welke maatregelen kunnen negatieve
spreken over de (ethische) grenzen van het               gevolgen van het selectie- en fokbeleid en/of
selecteren op een hoge melkproductie. De Raad            het management worden tegengegaan?
werd verzocht concrete maatregelen en activiteiten  •    Zijn er (ethische) grenzen aan het selecteren,
te formuleren.                                           fokken en managen op een hoge productie en
                                                         zo ja, welke zijn dit?
Hoewel het effect van selectie onmiskenbaar is,
blijkt uit wetenschappelijk onderzoek dat voor het  Om de hierboven geformuleerde vragen beter te
realiseren van een hoge melkproductie, naast de     kunnen duiden, is het belangrijk om de oorsprong
juiste genetische aanleg van de koe, ook de         van de behoefte aan hoogproductief melkvee en de
kwaliteit van het management (in het bijzonder het  daaruit voortvloeiende problematiek te kennen
voermanagement) cruciaal is. De Raad heeft          (hoofdstuk 2). Vervolgens zullen de geformuleerde
derhalve besloten zich bij de beantwoording van     vragen beantwoord worden in de hoofdstukken 3
het vraagstuk niet te beperken tot het selectie- en tot en met 6.
fokproces, maar de vraagstelling te verbreden en
ook het management als onderdeel mee te nemen.
                                                                                                      9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>                                      Ontwikkeling van het gemiddelde gezinsinkomen
                            60.000
                            50.000
     inkomen (in euro)
                            40.000
                            30.000
                            20.000
                            10.000
                                  0
                                        2001              2002              2003      2004
                                                                    jaar
Figuur 1. Ontwikkeling van het gemiddelde gezinsinkomen over de periode 2001-2004.
(Bron: LEI en CBS (2005). Land- en tuinbouwcijfers 2005.)
                                               Ontwikkeling van de rentabiliteit
                            100
                             90
                             80
                             70
            rentabiliteit
                             60
                             50
                             40
                             30
                             20
                             10
                              0
                                      2001               2002              2003       2004
                                                                   jaar
Figuur 2. Ontwikkeling van de rentabiliteit over de periode 2001-2004.
(Bron: LEI en CBS (2005). Land- en tuinbouwcijfers 2005.)
10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>                                Kosten en opbrengsten per 100 kg m elk in 2003
                       70
                       60
    bedrag (in euro)
                       50
                       40                                                                 kosten
                       30                                                                 opbrengst
                       20
                       10
                       0
                            tot 350.000     van 350.000 vanaf 650.000   gemiddeld
                                            tot 650.000
                                     grootte van het m elkquotum (in kg)
Figuur 3. Kosten en opbrengsten per 100 kg melk van melkveebedrijven in 2003.
(Bron: LEI en CBS (2005). Land- en tuinbouwcijfers 2005.)
2. HOOGPRODUCTIEVE KOEIEN: EEN HIS-                                     groot of groot melkveebedrijf (zie figuur 1). De
   TORISCH                      EN        BEDRIJFSECONOMISCH            rentabiliteit (d.w.z. de opbrengst per € 100,- kos-
   PERSPECTIEF                                                          ten) daalde van 89 tot 69 (zie figuur 2). In 2003 be-
                                                                        droegen de kosten per 100 kg melk gemiddeld €
In de afgelopen decennia zijn de marges voor                            52,58. Het effect van schaalvergroting is duidelijk
melkveehouderijen steeds kleiner geworden. Ter-                         zichtbaar: de gemiddelde kostprijs voor zuivere
wijl de kostprijs van 1 liter melk steeg, daalde de                     melkveebedrijven met een relatief klein quotum
opbrengstprijs van 1 liter melk (zie bijlage 1 voor                     bedroeg € 65,31 terwijl deze voor bedrijven met
meer informatie). In de periode 2001-2004 daalde                        een relatief groot quotum € 46,58 bedroeg (zie
het gemiddelde gezinsinkomen uit een zuiver melk-                       figuur 3). De belangrijkste kostenposten zijn arbeid
veebedrijf van € 51.000,- tot ca. € 34.000,-, waarbij                   (gemiddeld € 15,74), rente (gemiddeld € 8,84),
het gezinsinkomen uit een klein bedrijf aanzienlijk                     veevoer (gemiddeld € 6,92) en afschrijvingen
lager ligt dan het gezinsinkomen uit een middel-                        (gemiddeld € 5,11) (zie figuur 4a-4d). De gemid-
                                                                                                                           11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>                        Verdeling van de kostenposten in 2003
                              (quotum tot 350.000 kg melk)
                               overig
                                28%
                                                       arbeid
                                                        40%
                   afschrijvingen
                         7%
                               veevoer
                                 11%          rente
                                              14%
Figuur 4a. Verdeling van de kostenposten in 2003 bij een quotum tot 350.000 kg melk.
(Bron: LEI en CBS (2005). Land- en tuinbouwcijfers 2005.)
                        Verdeling van de kostenposten in 2003
                       (quotum van 350.000 tot 650.000 kg melk)
                              overig                 arbeid
                               30%                    30%
                     afschrijvingen
                          10%
                                                    rente
                                   veevoer          17%
                                     13%
Figuur 4b. Verdeling van de kostenposten in 2003 bij een quotum van 350.000-650.000 kg melk
(Bron: LEI en CBS (2005). Land- en tuinbouwcijfers 2005.)
12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>                      Verdeling van de kostenposten in 2003
                          (quotum vanaf 650.000 kg m elk)
                                                   arbeid
                               overig               25%
                                31%
                                                    rente
                      afschrijvingen
                                                     18%
                           11%         veevoer
                                          15%
Figuur 4c. Verdeling van de kostenposten in 2003 bij een quotum vanaf 650.000 kg melk
(Bron: LEI en CBS (2005). Land- en tuinbouwcijfers 2005.)
                      Verdeling van de kostenposten in 2003
                                      (gem iddeld)
                               overig               arbeid
                                30%                  30%
                     afschrijvingen
                         10%
                                                  rente
                                  veevoer          17%
                                   13%
Figuur 4d. Verdeling van de kostenposten (gemiddeld) in 2003.
(Bron: LEI en CBD (2005). Land- en tuinbouwcijfers 2005.)
                                                                                      13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>                                         Ontw ikkeling van de gem iddelde m elkproductie
                                                             per koe
                                        8000
                                        7000
     gemiddelde melkproductie per koe
                                        6000
                                        5000
                                        4000
                  (in kg)
                                        3000
                                        2000
                                        1000
                                          0
                                                 1975         1985          1995       2003
                                                                     jaar
Figuur 5. Stijging van de gemiddelde melkproductie per koe in de periode 1975-2003
(Bron: CBS en LEI (2005). Land- en tuinbouwcijfers 2005.)
14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>                                                Ontwikkeling van het aantal melk- en
                                                         kalfkoebedrijven
                                       100000
                                       90000
    aantal melk- en kalfkoebedrijven
                                       80000
                                       70000
                                       60000
                                       50000
                                       40000
                                       30000
                                       20000
                                       10000
                                           0
                                                   1975        1985          1995      2004
                                                                      jaar
Figuur 6. Daling van het aantal melk- en kalfkoebedrijven in de periode 1975-2004.
(Bron: CBS en LEI (2005). Land- en tuinbouwcijfers 2005.)
delde opbrengst per 100 kg melk was € 33,28 voor                                       bedrijven met een relatief groot quotum, was het
melk; overige opbrengsten bedroegen in 2003 ge-                                        netto-bedrijfsresultaat voor deze bedrijven aanzien-
middeld € 5,55 per 100 kg melk. De totale opbreng-                                     lijk negatiever en de rentabiliteit daarmee fors lager
sten waren voor de melkveebedrijven met een rela-                                      vergeleken met de grote melkveebedrijven (zie fi-
tief klein quotum hoger dan die voor melkvee-                                          guur 3) (1).
bedrijven met een relatief groot quotum. Echter,
doordat de kosten op de bedrijven met een relatief                                     Hoewel de sterk toegenomen melkproductie per
klein quotum aanzienlijk hoger lagen dan die op                                        koe, de afname van het aantal melkveebedrijven
                                                                                                                                          15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>                                                  Ontw ikkeling van het gem iddeld aantal koeien
                                                           per m elk- en kalfkoebedrijf
                                                 70
     aantal koeien per melk- en kalfkoebedrijf
                                                 60
                                                 50
                                                 40
                                                 30
                                                 20
                                                 10
                                                 0
                                                       1975         1985          1995        2004
                                                                           jaar
Figuur 7. Toename van het gemiddeld aantal koeien per melk- en kalfkoebedrijf in de periode 1975-2004.
(Bron: CBS en LEI (2005). Land- en tuinbouwcijfers 2005.)
en het toegenomen aantal koeien per bedrijf dik-                                             aantal afgenomen tot 24.332 (zie figuur 6). Het ge-
wijls aan de introductie van het melkquotum in                                               middeld aantal koeien per melk- en kalfkoebedrijf
1984 wordt toegeschreven (2), blijken deze trends                                            steeg van 24,2 in 1975 tot 60,5 in 2004 (zie figuur
al eerder te zijn ingezet (zie figuren 5 t/m 8 en bijla-                                     7). Het totale aantal melk- en kalfkoeien in Neder-
ge 2). Zo nam de melkproductie per koe toe van                                               land daalde van 2.218.000 in 1975 tot 1.471.000 in
4.625 kg in 1975 tot 7.494 kg melk per koe in 2003                                           2004 (zie figuur 8). De gemiddelde melkproductie
(zie figuur 5). In 1975 waren er nog 91.560 melk-                                            bedroeg 497.800 kg per bedrijf. De gemiddelde
en kalfkoebedrijven in Nederland. In 2004 was dit                                            melkproductie per koe bedroeg 7.640 kg, waarbij
16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>                                            Ontw ikkeling van het totaal aantal m elk- en
                                                            kalfkoeien
                                        2500000
                                        2000000
    totaal aantal melk- en kalfkoeien
                                        1500000
                                        1000000
                                        500000
                                             0
                                                    1975        1985          1995          2004
                                                                       jaar
Figuur 8. Afname van het totale aantal melk- en kalfkoeien in de periode 1975-2004.
(Bron: CBS en LEI (2005). Land- en tuinbouwcijfers 2005.)
de gemiddelde melkproductie per koe op melkvee-                                        der druk staat. De bedrijfstak als zodanig is zelfs
bedrijven met een groot quotum hoger was dan bij                                       verliesgevend. Door het optimaliseren van bedrijfs-
melkveebedrijven met een kleiner quotum (zie                                           processen, het realiseren van schaalvergroting
figuur 9) (1). Een overzicht van de productiegege-                                     (d.w.z. meer koeien per bedrijf), het zoeken naar
vens van het Nederlandse melkvee is opgenomen                                          efficiëntere productiesystemen (bijvoorbeeld een
in bijlage 3.                                                                          hogere melkproductie per koe en/of (het overstap-
                                                                                       pen op) een lage-kosten-systeem), het overstap-
Uit bovenstaande blijkt dat het bedrijfseconomisch                                     pen op ecologische en biologische melkveehoude-
perspectief van melkveehouders in Nederland on-                                        rij, het aanboren van aanvullende inkomstenbron-
                                                                                                                                       17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>                                                       Gem iddelde m elkproductie per koe in 2003
                                                8200
                                                8000
     gemiddelde melkproductie per koe (in kg)
                                                7800
                                                7600
                                                7400
                                                7200
                                                7000
                                                6800
                                                6600
                                                6400
                                                         tot 350.000   van 350.000     vanaf    gemiddeld
                                                                        tot 650.000   650.000
                                                                            quotum (in kg)
Figuur 9. Gemiddelde melkproductie per koe bij kleine, middelgrote en grote melkveehouderijen in 2003.
(Bron: LEI en CBS (2005). Land- en tuinbouwcijfers 2005.)
nen (zoals kinderopvang op de boerderij en kam-                                                 De Raad is van mening dat door meer samen te
peren bij de boer) en het verbreden van het aan-                                                werken in de keten er meer differentiatie kan
bod proberen melkveehouders die niet stoppen                                                    plaatsvinden en zuivelproducten beter verwaard
een rendabele bedrijfsvoering te realiseren. Deze                                               kunnen worden. Daarbij is het van belang de
oplossingsrichtingen, hoewel niet nieuw, worden                                                 onderlinge machtsverhoudingen in de keten te
bevestigd door de hiervoor geschetste en getals-                                                ((h)er)kennen: de melkveehouders hebben de
matig onderbouwde ontwikkelingen.                                                               minste ‘marktmacht’, terwijl de detailhandel en in
18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>iets mindere mate de zuivelindustrie veel ‘markt-     stijging is het resultaat van een samenspel van
macht’ hebben. Zij kunnen met productdifferentia-     veranderende houderijomstandigheden, zoals huis-
tie, in- en verkoopbeleid en marketing de markt       vesting, voeding, verzorging en diergeneeskundige
sterk beïnvloeden. Complicerende factor daarbij is    zorg,    en   management 2     enerzijds   en   een
dat zuivelproducten momenteel vooral op prijs wor-    verbeterde     genetische    aanleg    van    koeien
den vermarkt en slechts in beperkte mate op           anderzijds. Beide factoren zijn voor ongeveer de
aspecten, zoals kwaliteit, dierenwelzijn of gezond-   helft van de productiestijging verantwoordelijk (4).
heid. Door het vermarkten op prijs, wordt er relatief De totale jaarlijkse gemiddelde productieverhoging
weinig en soms zelfs niets op zuivel verdiend.        over de periode 1975-2003 is ongeveer 1,75%. De
Daardoor is er in de zuivelketen minder financiële    bijdrage van een verbeterd fokprogramma aan de
ruimte voor innovaties (3).                           potentiële verbetering van de winstgevendheid van
Minister Veerman heeft aangegeven dat de Neder-       een boer-derij bedraagt 41% (5).
landse sector niet de concurrentie met goedkopere
producenten uit derde landen moet willen aangaan      Inmiddels dienen zich tal van vragen aan. Komen
(zie ook het advies van de Raad over handels-         het welzijn en de gezondheid van het melkvee
liberalisering en globalisering, RDA 2005/03), maar   onder druk te staan door selectie op het       melk-
dat deze zich beter kan richten op de ontwikkeling    productieniveau? Of is melkvee alleen tot een hoge
van producten voor de high-end markt in de            melkproductie in staat omdat het gezond is? Waar
driehoek Londen-Parijs-Berlijn. In dit kader wil de   liggen de grenzen bezien vanuit een diergezond-
Raad ook wijzen op groeiende afzetmogelijkheden       heids-, dierenwelzijns- en ethisch perspectief? Op
in Midden en Oost Europa en Azië.                     welke wijze wil de Nederlandse maatschappij om-
De Raad wil tenslotte de kanttekening plaatsen dat    gaan met dieren en wat betekent dit voor de
het feit dat er melkveehouders stoppen met hun        veehouderij? En is een boer in staat om op een
bedrijf gunstig kan zijn voor het bedrijfseconomisch  verantwoorde wijze dieren te houden als hij streeft
perspectief voor de overblijvende melkveehouders      naar een hogere melkproductie door middel van
in Nederland.
Zoals hiervoor reeds werd aangegeven is de            2
                                                         Hierna wordt uitsluitend over management ge-
gemiddelde melkproductie per koe in de periode        sproken; de Raad is van mening dat houderijom-
                                                      standigheden in zeer belangrijke mate een uitvloei-
1975-2003 fors gestegen (1). Deze productie-          sel zijn van gemaakte managementkeuzes.
                                                                                                        19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>selectie en schaalvergroting? Een aantal van deze     pisch 4 niveau. In paragraaf 3.3. wordt vervolgens
vragen wordt hieronder beantwoord.                    ingegaan op de relatie tussen het melkproductie-
                                                      niveau en andere gezondheids- en welzijnsaspec-
3. WAT ZIJN DE GEVOLGEN VAN SELECTIE                  ten. De Raad merkt nadrukkelijk op dat het gepre-
     EN FOKKEN OP EEN HOGE PRODUCTIE                  senteerde overzicht van wetenschappelijk onder-
     VOOR DE GEZONDHEID EN HET WELZIJN                zoek in de volgende paragrafen niet uitputtend is.
     VAN MELKVEE?
                                                          3.1. Genotypisch verband tussen inciden-
De Raad constateert dat in de Nederlandse maat-                  tie van gezondheidsproblemen en het
schappij het beeld bestaat dat een hoge melkpro-                 melkproductieniveau
ductie vrijwel zeker moet leiden tot gezondheids-
en welzijnsproblemen bij de koe. Onderzoek ver-       Fysiologie
schaft inzicht in de gevolgen van een hoog melk-      Er bestaat een genotypisch verband tussen selec-
productieniveau voor de gezondheid en het welzijn     tie   op    het   melkproductieniveau  en   diverse
van de koeien. Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat  fysiologische parameters. Bekend is bijvoorbeeld
hoogproductieve koeien weliswaar harde werkers        dat selectie op een hoger melkproductieniveau de
zijn, maar dat zij tevens veerkrachtig zijn en minder duur en diepte van de negatieve energiebalans
melk gaan geven als de omstandigheden hen             vergroot (7-9). De verwachting is dat dit negatieve
daartoe dwingen (6).                                  gevolgen      heeft voor  allerlei gezondheidsken-
                                                      merken, waaronder        vruchtbaarheidskenmerken
In de volgende paragrafen wordt uitgebreider inge-    (4). Niet van alle gevolgen is de relevantie
gaan op de belangrijkste wetenschappelijke bevin-     voldoende bekend, maar wel is duidelijk dat de
dingen wat betreft de relatie tussen het melkpro-     “transition cow” steeds meer zorg behoeft (9).
ductieniveau en de gezondheid en het welzijn van      Voorts komt uit Amerikaans onderzoek naar voren
de melkkoeien. In paragraaf 3.1. wordt gekeken op     dat een groep hoogproductief melkvee 9% meer
             3
genotypisch    niveau, in paragraaf 3.2 op fenoty-    stofwisselingsproblemen had dan melkvee uit de
3
  Genotype: de erfelijke informatie over een bepaal-
                                                      4
de eigenschap van een organisme zoals dat in het        Fenotype: de externe manifestatie van de eigen-
DNA van dit organisme is vastgelegd.                  schappen van een organisme.
20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>controlegroep (verschil in melkproductie: 600 kg)       onderscheid worden gemaakt in klinische masti-
(10).                                                   tiden en subklinische mastitiden. Mastitis staat op
                                                        de eerste plaats van de ranglijst met economische
Weerstand en immunologie                                schade veroorzakende ziekten (13). Een hoog
Selectie voor een hoger melkproductieniveau             melkproductieniveau wordt door genetici en diverse
resulteert in het algemeen in een verhoogd risico       andere wetenschappers in verband gebracht met
op gezondheidsproblemen. De genetische corre-           een stijging van de incidentie van klinische mastitis
latie ligt in het algemeen tussen 0.1 en 0.6. Niet      (14-16). In een Amerikaans experiment waarin een
voor elk ziektekenmerk bestaat er een correlatie        controlegroep vaarzen vergeleken werd met een
met de genetische aanleg. Immunologische para-          groep hoogproductieve vaarzen (+ 600 kg melk ten
meters lijken (vooralsnog) niet beïnvloed te worden     opzichte van de controlegroep) bleek dat in de
door selectie op het melkproductieniveau (4).           hoogproductieve groep 14% meer mastitisgevallen
                                                        rond het afkalven voorkwamen en dat het aantal
Uieroedeem                                              dieren met uierontsteking tijdens de lactatie met
Uieroedeem beperkt zich in het algemeen tot de          2% toenam (10). Berekend is dat, wanneer de
uier, de ventrale thorax- en abdomenwand, maar          genetische aanleg voor melkproductie stijgt met
ook de vulva en dijen kunnen er bij betrokken zijn.     132 kg per koe per jaar, de incidentie van mastitis
De oorzaak van uieroedeem is niet bekend. Fac-          met 0.4 geval per 100 koeien toeneemt (4). Echter,
toren als erfelijkheid, voerregime, circulatoire afwij- in onderzoek van Dohoo en Martin (1984) kon een
kingen en zoutgehalte in het voer worden als            relatie tussen een hoog melkproductieniveau en
mogelijke oorzaken genoemd (11). De genoty-             mastitis op dierniveau niet worden aangetoond
pische relatie tussen het melkproductieniveau en        (17).   Andere    onderzoekers    vonden    ook  op
uieroedeem is onduidelijk. Gröhn et al. (1989) von-     bedrijfsniveau geen relatie (18).
den meer uieroedeem in kudden van hoogpro-
ductieve dieren (12).                                   Klauw- en beenproblemen
                                                        Bij vrijwel alle dieren die langdurig worden opge-
Mastitis                                                stald, wordt, ongeacht hun melkproductieniveau,
Mastitis, ofwel uierontsteking, is een multifactoriële  een hoge prevalentie van (sub)klinische klauw-
aandoening, waarbij bacteriën, schimmels en             afwijkingen geconstateerd. De prevalentie kan op-
gisten een belangrijke rol spelen. Er kan een           lopen tot 90% (19). De economische schade door
                                                                                                         21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>klauwproblemen staat op de derde plaats van de       In wetenschappelijk onderzoek is aangetoond dat
ranglijst van ziekten die economische schade ver-    er een negatief verband bestaat tussen vrucht-
oorzaken. De economische schade wordt veroor-        baarheid en reproductie enerzijds en selectie op
zaakt door een teruglopende melkproductie, extra     het melkproductieniveau anderzijds (5 en 6 (re-
kosten in de vorm van dierenartsrekeningen en        views), 22, 23). Ook de tussenkalftijd neemt toe:
extra arbeid, verlenging van de tussenkalftijd door  als de genetische aanleg voor melkproductie stijgt
een verminderde oestrusexpressie en -detectie en     met 132 kg per koe per jaar, neemt de tussen-
vroegtijdige afvoer (13, 20). Naast gezondheids-     kalftijd toe met 0.6 dag per jaar (4) (zie voor een
schade ondervinden melkkoeien met klauw- en          review Dillon et al. (2005) en Pryce en Veerkamp
beengebreken in ligboxenstallen structurele belem-   (2001) (5, 6).
meringen bij het bezoeken van voer-, lig- en melk-   De verminderde vruchtbaarheid van hoogproductief
plaatsen    waardoor   het  risico  op   secundaire  melkvee, zoals deze door verschillende onder-
gezondheidsproblemen toeneemt.                       zoekers is gevonden (5, 6, 22, 23), zou het gevolg
Uit onderzoek van Groen et al. (1994) kwam een       kunnen zijn van een verslechtering van de nega-
genetische correlatie van +0.26 tussen het melk-     tieve energiebalans (23). Een andere verklaring is
productieniveau en klauw- en beengebreken naar       dat de genen die melkproductie stimuleren in de
voren (21). In ander onderzoek is berekend dat,      buurt van de genen die de vruchtbaarheid beper-
wanneer de genetische aanleg voor melkproductie      ken liggen (24) of dat er sprake is van pleiotropie:
stijgt met 132 kg per koe per jaar, er sprake is van één gen beïnvloedt meerdere kenmerken, namelijk
een toename van het aantal beengebreken met 0.2      vruchtbaarheid en melkopbrengst (23).
geval per 100 koeien (4).                            Een langere tussenkalftijd hoeft overigens niet het
                                                     gevolg te zijn van een genetische aanleg voor een
Reproductiestoornissen en tussenkalftijd             hoge melkproductie. In een aantal gevallen kiezen
De reproductie kan op verschillende manieren door    melkveehouders er bewust voor om de tussen-
verschillende factoren worden beïnvloed. Repro-      kalftijd op te laten lopen om de koe meer tijd voor
ductiestoornissen kunnen worden geduid met ver-      herstel te geven. Een langere tussenkalftijd is in
schillende parameters, bijvoorbeeld oestrusdetectie  dat geval een managementkeuze (25).
en tussenkalftijd. Reproductiestoornissen staan op   De correlaties tussen vruchtbaarheid en melkpro-
de tweede plaats als het gaat om economische         ductie zijn overigens dermate laag dat er van natu-
schade door ziekten (13).                            re veel koeien zijn die een hoge melkproductie met
22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>een goede vruchtbaarheid kunnen combineren          verband tussen het optreden van melkziekte en de
(22).                                               hoogte van de melkproductie in de er aan vooraf-
                                                    gaande lactatie (30).
    3.2. Fenotypisch verband tussen de inci-
          dentie van gezondheidsproblemen en        Kopziekte
          het melkproductieniveau                   Kopziekte, ook bekend als hypomagnesaemie,
                                                    weidetetanie of reistetanie, wordt gekenmerkt door
Melkziekte                                          een verminderde opname van magnesium uit het
Melkziekte, ook wel bekend als paresis puerperalis, maagdarmkanaal, waardoor het magnesiumgehal-
kalfziekte, moerziekte, melkkoorts, milk fever of   te in het bloed daalt (26). Over kopziekte in relatie
hypocalcaemie, wordt gekenmerkt door een te laag    tot het melkproductiehoogte is weinig bekend.
calciumgehalte in het bloed. De ziekte kan ont-     Vooralsnog    lijkt het  er   op   dat  een   hoger
staan door een te grote afgifte van calcium aan de  melkproductieniveau niet gepaard gaat met een
uier en een te lage opname uit de botten en de      grotere kans op kopziekte (12, 31). Theoretisch
darmen (26).                                        gezien behoort een relatie evenwel tot de moge-
De fenotypische relatie tussen melkziekte en het    lijkheden: een hogere melkproductie gaat samen
melkproductieniveau is niet eenduidig. Gröhn et al. met een hoger magnesiumgebruik. Een volwassen
(1989) vonden zowel op individueel als op koppel-   koe heeft geen noemswaardige reservevoorraad
niveau bij Finse Ayrshires een positieve correlatie magnesium in het lichaam (13).
tussen het melkproductieniveau en melkziekte (12).
Voor Holstein Friesians kon dit verband door mid-   Downer syndroom
del van odds ratio berekeningen echter niet worden  Downer syndroom is de benaming voor een verza-
aangetoond (27). Bigras-Poulin et al. (1990)        meling van aandoeningen die allemaal als kenmerk
vonden een positieve correlatie tussen melkpro-     hebben dat een koe kort na de partus niet meer in
ductie en melkziekte (i.e. een grotere kans op      de benen komt. Dit syndroom treedt voornamelijk
melkziekte bij een hoger melkproductieniveau),      op als complicatie na een zware partus of na
maar concludeerden dat melkproductie weinig         melkziekte (32-34). Naar de incidentie van zoge-
voorspellende waarde heeft als wordt gekeken        naamde downers is vrijwel geen gedegen onder-
naar gezondheidsproblemen in de volgende lacta-     zoek gedaan. Verwacht mag worden dat, bij een
tie (28, 29). Velthuis et al. (1998) vonden geen    toegenomen incidentie van melkziekte of een toe-
                                                                                                      23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>name van het aantal gevallen van een zware           Lebmaagdislocaties
partus, de incidentie van downers zal toenemen.      Als gevolg van hypotonie van de lebmaagwand kan
De relatie tussen het melkproductieniveau ener-      een met gas gevulde dilatatie optreden van het
zijds en melkziekte en zwaarte van de partus an-     abomasum. Daardoor kan de lebmaag zich ver-
derzijds is echter onduidelijk (13).                 plaatsen en tussen pens en buikwand omhoog
                                                     kruipen. Er lijkt een causale relatie te bestaan met
Slepende melkziekte                                  structuurarme, krachtvoerrijke rantsoenen. Ook de
Synoniemen voor slepende melkziekte zijn ace-        ruimtelijke verandering in het abdomen na de
tonaemie, ketose, mania puerperalis, post partum     partus lijkt predisponerend te werken (13). De rela-
dyspepsie en hyperketonaemie. De ziekte wordt        tie tussen lebmaagdislocaties en een hoge melk-
gekenmerkt door een hoog gehalte aan keton-          productie is niet eenduidig: de resultaten uit onder-
lichamen in het bloed, een lage bloedsuikerspiegel   zoek zijn wisselend. Gröhn et al. (1989) toonden
en een stijging van de melkvet/eiwit ratio (26). Eén een verband aan bij Finse Ayrshires, maar uit
en ander is het gevolg van een negatieve ener-       ander onderzoek kwam geen relatie naar voren
giebalans en de hormoon-onafhankelijke opname        (17, 27) en leidde tot de conclusie dat hoogpro-
van glucose voor productie van melksuiker door de    ductieve koeien waarschijnlijk niet een grotere kans
uier (13). Klinische ketose gaat gepaard met een     op een lebmaagdislocatie hebben (31, 36). Vol-
verminderde melkproductie en een verhoogde kans      gens Arendzen (1998) is het door Gröhn et al.
op mastitis en cysteuze ovaria. Subklinische ketose  aangetoonde verband mogelijk gebaseerd op con-
kan gepaard gaan met zowel een hoge als een          founding 5 (13). Echter, het is niet vreemd te veron-
lage melkproductie en een verminderde fertiliteit.   derstellen dat er een relatie tussen het melkpro-
Het voorkomen van ketose wordt wel gerelateerd       ductieniveau en het voorkomen van lebmaagdislo-
aan een hoge melkproductie op het niveau van de      catie bestaat. Bekend is dat er een positief verband
gehele kudde (12, 31), maar de relatie tussen        bestaat tussen de incidentie van lebmaagdisloca-
ketose en melkproductie op het niveau van de
                                                     5
individuele koe is niet duidelijk (15). In sommige      Een confounder is een factor die gerelateerd is
                                                     aan de te onderzoeken risicofactoren of blootstel-
studies werd geen verband aangetoond (17, 27-29,     ling en aan de uitkomst. Een confounder kan een
                                                     verband tussen blootstelling en uitkomst verzwak-
35).
                                                     ken of versterken. Door confounding kan een ver-
                                                     band, dat in werkelijkheid afwezig is, worden ge-
                                                     suggereerd of kan een bestaand verband worden
                                                     ontkend.
24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>ties en de grootte van de koe. Daarnaast is bekend      driemaal daags: 10%, tweemaal daags: 21%) (35),
dat er een positieve relatie bestaat tussen de groot-   hoewel er ook onderzoek bekend is dat aangeeft
te van de koe en de hoogte van de melkproductie.        dat de mastitisincidentie juist toeneemt bij meer
                                                        dan tweemaal daags melken, zoals gebruikelijk is
Mastitis                                                bij het gebruik van een melkrobot. Een verminder-
Zoals in paragraaf 3.1. is beschreven staat masti-      de kwaliteit van het tepelkanaal (inclusief het slot-
tis, ofwel uierontsteking, op de eerste plaats van de   gat) zorgt voor onvoldoende bescherming en afslui-
ranglijst met economische schade veroorzakende          ting, waardoor de kans op uitliggen van melk toe-
ziekten. Het is een multifactoriële aandoening,         neemt. De kans op het binnendringen van mastitis-
waarbij bacteriën, schimmels en gisten een belang-      pathogenen wordt daardoor vergroot (13).
rijke rol spelen (13).
Schukken et al. (1990, 1991) toonden een verband        Reproductiestoornissen en tussenkalftijd
aan tussen melkproductie en mastitisincidentie op       Op dierniveau wordt niet altijd een negatief fenoty-
bedrijfsniveau aan (16, 37). Uit onderzoek van          pisch effect van een hoog melkproductieniveau op
Kornalijnslijper et al. (2003) blijkt dat de afweer van vruchtbaarheid gevonden (17, 27, 39, 40). Volgens
hoogproductieve melkkoeien tegen uierontsteking         Eicker et al. (1995) worden conceptie en insemi-
niet direct wordt aangetast door hun melkproductie.     natie in belangrijke mate beïnvloed door het ge-
Na infectie van 18 hoogproductieve koeien en 18         voerde beleid en de koe zelf en speelt melkpro-
laagproductieve koeien, die individueel gevoerd         ductie een zeer beperkte rol (41).
werden, met E. Coli., bleek het ziekteverloop van
de infectie voor beide groepen hetzelfde te zijn. De         3.3. Andere gezondheids- en welzijnsas-
verhoogde gevoeligheid voor mastitis van hoog-                    pecten
productieve koeien zoals deze in de praktijk en in
ander wetenschappelijk onderzoek is waargeno-           Goed welzijn begint natuurlijk met een goede ge-
men, is mogelijk het gevolg van factoren zoals het      zondheid. In de vorige paragrafen is daar uitge-
gehanteerde voermanagement of een verminderde           breid op ingegaan. Gezondheidsproblemen kunnen
kwaliteit van de tepelkanaal in hoogproductieve         daarbij leiden tot secundaire problemen. Bekend is
koeien (38). Dit laatste biedt een verklaring van de    bijvoorbeeld dat problemen met het bewegings-
door Meijer et al. (1995) gevonden lagere inciden-      apparaat bij koeien in loopstallen resulteren in
ties van mastitis bij vaker melken (meer dan            minder voeropname, minder bezoeken aan de
                                                                                                          25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>melkrobot en een ander sta-/ligpatroon, i.c. langer  gezondheidskenmerken en incidentie van gezond-
liggen en minder afwisseling tussen de ene en an-    heidsproblemen enerzijds en het melkproductie-
dere zijde (9).                                      niveau anderzijds. Echter, op fenotypisch niveau
                                                     (d.w.z. de actuele gezondheid van melkkoeien bij
Over een directe relatie tussen het melkproductie-   het gerealiseerde melkproductieniveau) is het ver-
niveau en het gedrag van melkkoeien is weinig be-    band tussen het melkproductieniveau en ziekte-
kend. Hoogproductieve koeien produceren vanwe-       incidentie niet eenduidig. Dikwijls bestaat er geen
ge hun verhoogde stofwisseling meer warmte dan       relatie tussen   de hoogte van de melkproductie
koeien met een lagere melkproductie. Daarbij komt    enerzijds en gezondheidskenmerken en ziekteinci-
dat hoogproductieve dieren vaak ook groter zijn en   dentie anderzijds. Dit, vanwege het complexe
dus relatief een kleiner huidoppervlak hebben,       samenspel van tal van kenmerken, die         een rol
waardoor ze warmte minder gemakkelijk kunnen         spelen bij het al dan niet ontstaan van een ziekte
afgeven. Het is niet precies bekend in welke mate    en het al dan niet verhogen van het melkproductie-
hoogproductieve koeien in ons gematigd klimaat       niveau. Het optreden van een ziekte heeft vaak
last hebben van hittestress. In een oriënterende     een verlagend effect op de hoogte van de melk-
studie, uitgevoerd in 1986, bleek bij middagtempe-   productie.
raturen boven 24 ºC de temperatuur van de avond-     Ook de wetenschappelijk verschillende invullingen
melk lineair toe te nemen met de melkgift (42).      van de gestelde vraag vormen een verklaring voor
                                                     het gebrek aan eenduidigheid. Zo kan de relatie
Onduidelijk is hoe een hoog melkproductieniveau      tussen de melkproductie en gezondheidskenmer-
van de koe zich verhoudt tot het uitoefenen van het  ken over bedrijven heen anders zijn dan over
natuurlijk gedrag. Een andere vraag die nadere       koeien binnen een bedrijf (43). Daarbij hebben ook
uitwerking behoeft is of de eventuele (fysieke) aan- managementkeuzen van de melkveehouder een
passing van de koe aan een hoog melkproductie-       grote invloed op de mate waarin het genotype tot
niveau kwalijk is (zie ook hoofdstuk 6).             expressie komt. Vaak verbeteren management-
                                                     keuzes zowel de melkproductie als de gezondheid
    3.4. Conclusie                                   van de koeien. Zo beïnvloedt de houding van de
                                                     melkveehouder ten aanzien van hygiëne de
Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat er een     incidentie van mastitis aanzienlijk (44), maar simul-
ongunstig genotypisch verband bestaat tussen         taan de melkproductie in positieve zin. Ook is het
26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>zeer   waarschijnlijk dat melkveehouders die met  fokbeleid (bijvoorbeeld het wegen van meerdere
hun koeien een hoge melkproductie realiseren, hun factoren binnen het selectieproces (multi trait se-
koeien anders managen dan melkveehouders die      lectie) in plaats van selectie op één factor (single
dit niveau niet realiseren. Daarnaast zijn bevin- trait selectie) in feite niets anders is dan een
dingen bij melkkoeien uit ouder onderzoek niet    ‘management tool’. Het selectie- en fokbeleid is
direct te vertalen naar de huidige melkkoeien.    daarmee, net als bijvoorbeeld het rantsoen en de
Koeien die in ouder onderzoek als hoogproductief  frequentie van melken, één van de middelen waar-
werden aangeduid, worden tegenwoordig dikwijls    mee de melkveehouder de melkproductie van zijn
in de groep ‘lage tot matige melkproductie’       koeien kan sturen. De Raad tekent daarbij wel aan
geplaatst (13). Tenslotte kunnen de onderzoeks-   dat het selectie- en fokbeleid, in tegenstelling tot
resultaten niet altijd geëxtrapoleerd worden: wat andere managementmiddelen, generaties lang
voor een bepaald ras geldt, hoeft niet voor alle  haar sporen nalaat (i.e. er is sprake van een lange
rassen te gelden.                                 termijn effect) en dat ongewenste effecten in die
                                                  zin moeilijker te repareren zijn.
Eén en ander leidt er toe dat de uitkomsten van
wetenschappelijk onderzoek over de fenotypisch    Eerder is reeds aangegeven dat voor het realiseren
relatie tussen het melkproductieniveau en de      van een hoge melkproductie met gezonde koeien,
gezondheid niet eenduidig zijn, maar dat op geno- naast de juiste genetische aanleg van de koe, ook
typisch niveau wel een verband kan worden aan-    de kwaliteit van het management cruciaal is. Het is
getoond tussen de incidentie van gezondheids-     lastig om effecten van management te onderschei-
problemen en het melkproductieniveau.             den van genetische effecten en er is relatief weinig
                                                  bekend is over interacties (4, 5 (review)). Uit onder-
4. WELKE ROL SPEELT HET MANAGEMENT                zoek blijkt echter dat de ziekte-incidentie vooral is
    VAN DE MELKVEEHOUDER?                         toe te schrijven aan de bedrijfsvoering (10).
Algemeen                                          In zijn notitie uit 1999 laat Veerkamp zien dat het
Alvorens in te gaan op de wijze waarop het        mogelijk is dat een goed management de proble-
management het selectie- en fokproces en de       men van selectie nivelleert (4). Negatieve effecten
gevolgen hiervan beïnvloedt, wenst de Raad op te  als gevolg van selectie en fokken op een hoog
merken dat de keuze voor een bepaald selectie- en melkproductieniveau worden dan alleen zichtbaar
                                                                                                     27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>onder suboptimale condities (43). Daarnaast kun-    Bij de keuze van het rantsoen dient er tevens reke-
nen veranderingen in management problemen ver-      ning mee te worden gehouden dat het bijvoeren
oorzaken die onafhankelijk zijn van de genetische   van energierijke producten kan leiden tot pensa-
aanleg (4).                                         cidose (pensverzuring). Een goed structuurrijk
                                                    basisrantsoen (kuil of gras) is essentieel; bijvoeren
Voermanagement                                      met energierijk voer dient met beleid te gebeuren.
Eén van de meest cruciale onderdelen van het
management is het voermanagement dat de             Het als lastig ervaren voermanagement van hoog-
melkveehouder hanteert voor zijn koeien. In een     productief melkvee wordt door veehouders regel-
experiment produceerden vaarzen met een ener-       matig gebruikt als argument om koeien langdurig of
gierijk rantsoen negen kilogram melk per dag meer   permanent op te stallen. Het langdurig of perma-
dan vaarzen met een sober rantsoen. Er werd         nent opstallen, en dus geen of een zeer beperkte
geen verschil gevonden in het percentage vet,       weidegang, heeft in de huidige ligboxenstallen een
maar wel in het percentage eiwit (energierijk rant- negatief effect op de klauwgezondheid en verhoogt
soen: 3.24%, sober rantsoen 2.98%) (4).             het risico van infectueuze aandoeningen en masti-
Belangrijke aspecten binnen de voeding en voer-     tis als gevolg van een verhoogde infectiedruk.
verstrekking zijn de beschikbaarheid van water, de  Daarnaast resulteert het in aandoeningen dan wel
drogestofopname en, in geval van menging, de        afwijkingen als gevolg van eigenschappen van de
menging tot een gelijkmatig rantsoen (11, 35, 45,   huisvesting (stalvloeren, ruimte etc.) en beperkte
46). De drogestofopname wordt beïnvloed door de     mogelijkheden tot locomotie en het uitoefenen van
kwaliteit van het ruwvoer en de smakelijkheid van   het natuurlijk gedrag. In het advies ‘Natuurlijk
het voer (47). Een ander belangrijk aandachtspunt   gedrag van melkvee en vleeskalveren’ (RDA
is de mineralen- en vitaminenhuishouding: een       2006/04)     wordt    nader     ingegaan     op    de
tekort aan mineralen en/of vitaminen leidt vaak tot mogelijkheden tot het uitoefenen van natuurlijk
een verminderde voeropname (47) en daarmee tot      gedrag      door     opgestald(e)    melkvee       en
een lagere melkproductie. Structuurarme, kracht-    vleeskalveren.
voerrijke rantsoenen lijken de kans op lebmaag-     De vruchtbaarheidsproblemen bij hoogproductief
dislocaties te vergroten (13). Hiermee dient bij de melkvee, zoals beschreven in het voorgaande
keuze van het rantsoen rekening te worden ge-       hoofdstuk, zijn mogelijk (mede) de resultante van
houden.                                             een beperkte beschikbaarheid van metabolische
28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>brandstof (23). Vanuit deze optiek bezien ligt het  koolstofdioxideproductie. Bij onvoldoende ventilatie
voor de hand om aan hoogproductief melkvee een      is de afvoer van warmte en koolstofdioxide en de
energierijk rantsoen te verstrekken. Echter, het is aanvoer van zuurstof onvoldoende. Dit resulteert in
zeer de vraag of een energierijk rantsoen de        een verminderde voeropname van met name
verminderde vruchtbaarheid van hoogproductief       hoogproductief melkvee. Tussen warmte en melk-
melkvee kan ondervangen. Onderzoek wijst uit dat    productie bestaat daarnaast een rechtstreeks ver-
de extra energie van een energierijk rantsoen ten   band: hogere temperaturen drukken de melkpro-
opzichte van een sober rantsoen vooral gebruikt     ductie (11, 32).
wordt voor een hogere melkproductie en niet om
de negatieve energiebalans te verbeteren (5, 23).   ‘Cow comfort’
Daarnaast bestaat het risico van pensacidose in     Voor koeien in ligboxenstallen is het comfort van
geval van bijvoeren met energierijke producten.     een ligbox 6 belangrijk. Een te krappe ligbox be-
                                                    lemmert het gaan staan en gaan liggen. Koeien zijn
Huisvesting                                         daardoor, als ze eenmaal liggen, minder geneigd
De huisvesting van het melkvee beïnvloedt de        om zich om te draaien en blijven dan langer op
melkproductie eveneens. Zo kunnen gladde en/of      dezelfde zijde liggen. Vooral als de boxvloer hard is
onregelmatige stalvloeren en loopruimtes resulte-   neemt daardoor het risico van dikke hakken en
ren in een hogere prevalentie en incidentie van     dikke knieën toe. Hoogproductieve koeien zijn gro-
klauwproblemen. Klauwproblemen kunnen op hun        ter en “bloter”, ontberen in die zin een “eigen
beurt leiden tot een verminderde voeropname en      matras”, en zijn daarmee gevoeliger voor het
tot daling in de melkproductie (13).                ontstaan van dikke hakken en dikke knieën. Van-
Ook het stalklimaat is van grote invloed op de      wege de grotere lichaamsmaten van hoogproduc-
melkproductie. Een slecht stalklimaat, dat wil zeg- tieve koeien is er een groter risico op belemmerin-
gen een hoog ammoniakgehalte, tocht, onvoldoen-     gen tijdens het gaan staan en gaan liggen. Vee-
de afvoer van warme lucht, een hoge luchtvochtig-   houders die hoogproductieve koeien houden, zul-
heid etc., vergroot de kans op aandoeningen die de
melkproductie zullen beïnvloeden. Voorts is be-
                                                    6
                                                       In de huidige situatie is er sprake van ligboxen.
kend dat een hogere melkproductie gepaard gaat
                                                    Gelet op de discussies over de melkveestal van de
met meer metabole activiteit en dus met een hoger   toekomst, is een ontwikkeling richting ligplaatsen
                                                    waarschijnlijk.
zuurstofgebruik, meer warmteproductie en meer
                                                                                                      29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>len bij de stalinrichting hier rekening mee moeten    beperkte mate worden toegepast. Uitgangspunt
houden.                                               dient een optimale melkproductie te zijn in plaats
                                                      van een maximale melkproductie (zie ook hoofd-
Melksysteem                                           stuk 6). Voorkomen dient te worden dat een spiraal
Het laatste managementaspect dat van invloed is       van steeds meer compenserende en kostenver-
op de gezondheid en het welzijn van het melkvee       hogende maatregelen ontstaat. De Raad wijst het
is de keuze voor het melksysteem. Net als voor        beeld waaraan dikwijls gerefereerd wordt, namelijk
‘gewoon’ melkvee zijn ook voor hoogproductief         dat van de hoogproductieve melkkoe als topspor-
melkvee     een    goede   melktechniek,   een  juist ter, dan ook af. Hij acht het onwenselijk dat een
afgestelde machine en aandacht voor hygiëne           situatie ontstaat waarbij de koe alleen gezond blijft
belangrijke aandachtspunten (13).                     als het management optimaal is, mede omdat een
                                                      optimaal management gegeven de ontwikkelingen
Conclusie                                             in de externe randvoorwaarden (arbeid, schaal-
Op basis van het bovenstaande concludeert de          vergroting etc.) niet realistisch is. Wel is de Raad
Raad dat management een factor is die het             van mening dat het management van hoogproduc-
gerealiseerde melkproductieniveau in hoge mate        tief melkvee aan een aantal basisvoorwaarden
kan beïnvloeden. Ook kunnen met een goed              dient te voldoen, te weten een gericht voer-
management mogelijke negatieve effecten op de         management, een adequate stalinrichting, het
gezondheid en het welzijn als gevolg van het          creëren van een goed stalklimaat en het treffen
selectie en fokken op een hoog melkproductie-         van maatregelen om de incidentie van mastitis te
niveau (ten dele) op koppelniveau worden onder-       verlagen. Voor het selectieproces zelf betekent het
vangen. Het is echter onmogelijk om te voorkomen      afwijzen van het beeld van de hoogproductieve
dat op individueel niveau koeien soms toch            melkkoe als topsporter en het streven naar een
gezondheids- en welzijnsproblemen zullen krijgen.     optimaal in plaats van maximaal melkproductie-
Deze problemen hoeven overigens niet noodzake-        niveau, om in de terminologie te blijven, een
lijkerwijs gerelateerd te zijn aan het melkproductie- selectie op dieren die goed kunnen presteren in de
niveau van deze koeien.                               breedtesport.
Het verbeteren van het management om de even-         De Raad merkt tenslotte op dat een goed
tuele verslechterde genetische aanleg voor ge-        management niet alleen voor hoogproductieve
zondheidsproblemen te ondervangen, moet in            koeien noodzakelijk is; ook melkvee met een
30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>minder hoog melkproductieniveau dient goed        op melkproductie, lijkt het verstandig om mogelijke
gemanaged te worden.                              negatieve trends te compenseren middels multi
                                                  trait selectie (4, 48, 49). Door deze multi trait selec-
5. MET WELKE MAATREGELEN KUNNEN NE-               tie vinden er geen veranderingen plaats in de
    GATIEVE GEVOLGEN VAN HET SELECTIE-            genetische aanleg voor de ziektekenmerken, waar-
    EN FOKBELEID EN/OF HET MANAGEMENT             door ze op het huidige niveau blijven, terwijl de
    WORDEN TEGENGEGAAN?                           genetische aanleg voor melkproductie met 118 kg
                                                  per koe per jaar kan blijven stijgen (bij single trait
Om verslechteringen in de gezondheid en het       selectie 132 kg per koe per jaar). Het gevolg van
welzijn van hoogproductief melkvee als gevolg van een dergelijk fokbeleid is dat dieren die meer melk
het selectie- en fokbeleid en/of het management   geven ten koste van andere relevante kenmerken
(ten dele) te ondervangen, zijn er 2 opties:      niet meer geselecteerd worden als fokdier (4). Het
1.   Het opnemen van gezondheidskenmerken in      is zelfs mogelijk om door een gericht selectiebeleid
     de genetische selectie met een voldoende ge- niet alleen te fokken op een hoge melkproductie,
     wicht om achteruitgang in de gezondheid en   maar ook de genetische aanleg voor deze andere
     het welzijn van koeien te voorkomen (multi   kenmerken te verbeteren. In dat geval zal de
     trait selectie) (48);                        aanleg voor melkproductie minder snel stijgen. Een
2.   Het verbeteren van het management zodat de   kritische kanttekening daarbij is dat het de vraag is
     eventuele verslechterde genetische aanleg    of de kenmerken die nu worden meegenomen wel
     voor gezondheid en welzijn wordt onder-      voldoende perspectief bieden. Wellicht zou het
     vangen.                                      beter       zijn     om      de     incidentie      van
De twee hierboven genoemde opties (die los van    gezondheidsproblemen mee te nemen in plaats
elkaar of in combinatie met elkaar kunnen worden  van indirecte maten, hoewel de meningen hierover
toegepast) worden hierna in de vorm van aanbe-    verdeeld zijn. Problemen daarbij zijn echter de
velingen nader uitgewerkt.                        registratie en de kosten daarvan.
    5.1. Veranderingen in het selectieproces      Multi trait selectie is overigens niet alleen vanuit de
                                                  optiek van diergezondheid en dierenwelzijn nastre-
Hoewel op korte termijn geen grote problemen      venswaardig. Ook vanuit een bedrijfseconomisch
verwacht mogen worden door uitsluitend selectie   perspectief is multi trait selectie een interessante
                                                                                                        31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>optie. Gezondheidskenmerken hebben namelijk          richting waarin indexen zich ontwikkelen verdient
een economische waarde: zo bedragen de kosten        aandacht. Dit kan gerealiseerd worden door het
voor behandeling en niet-geleverde melk bij een      instellen van een breed overleg over de Neder-
gemiddeld mastitisgeval € 82,- per koe per jaar      landse fokdoelen.
(50).
                                                          5.2. Veranderingen in het management
De Raad beveelt aan om bij de selectie tevens in
enige mate rekening te houden met genotype x         De hoogproductieve melkkoe wordt dikwijls met
omgeving interactie. In het fokproces wordt dan      een topsporter vergeleken. Om topsport te kunnen
reeds rekening gehouden met het management-          bedrijven moeten de randvoorwaarden optimaal
systeem waarin het nageslacht zal worden ge-         zijn. Middels management moeten deze optimale
houden. De selectie is in dat geval gebaseerd op     randvoorwaarden gerealiseerd worden. De Raad
een selectie-index die productie en andere ken-      constateert     echter    dat,    gegeven     het
merken van economische waarde combineert (5,         bedrijfseconomische     perspectief     van    de
51). In deze selectie zou ook rekening gehouden      Nederlandse melkveehouderij, verbeteringen in het
kunnen worden met verwachte toekomstige ontwik-      management onder druk van de kostprijs staan.
kelingen binnen de melkveehouderij.                  Het verbeteren van het management om de
                                                     eventuele verslechterde genetische aanleg voor
Multi trait selectie wordt nu al veel toegepast door gezondheidsproblemen te ondervangen, zal daar-
melkveehouders, zowel in Nederland als wereld-       om slechts in beperkte mate kunnen toegepast. De
wijd. Een voorbeeld van multi trait selectie is de   Raad     acht  het,  mede    met    het  oog   op
duurzameprestatiesom (DPS). DPS is een totaal-       ontwikkelingen in de externe randvoorwaarden,
index, opgebouwd uit acht indexen en fokwaarden.     dan ook onwenselijk dat een situatie ontstaat
Hiermee kan de economische meerwaarde op             waarbij de koe alleen gezond blijft als het
basis van productie, gezondheid en duurzaamheid      management optimaal is. Uitgangspunt dient een
in euro’s worden uitgedrukt (50). De Raad            optimale melkproductie te zijn in plaats van een
adviseert de overheid en het bedrijfsleven (waar-    maximale melkproductie (zie ook hoofdstuk 6).
onder rundveeverbeteringsbedrijven) te investeren    Voorkomen dient te worden dat een spiraal van
in verdere bewustwording en scholing van melk-       steeds        meer       compenserende         en
veehouders op dit punt. Ook de aansturing van de     kostenverhogende maatregelen ontstaat. Daar-
32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>naast dient men voorzichtig te zijn met aanbeve-   onnatuurlijke    desynchronisatie   van  het  voer-
lingen: verbeteringen op de ene plaats kunnen el-  opnamegedrag. Of dit een negatief effect heeft op
ders soms een verslechtering betekenen.            de gezondheid of het welzijn van de koe is ondui-
                                                   delijk (9). Onderzoek hiernaar kan meer inzicht ver-
Voermanagement                                     schaffen.
Op het gebied van het managen van hoogproduc-      Er dient op te worden toegezien dat er voldoende
tief melkvee is een gericht voermanagement nodig.  water beschikbaarheid is. Daarnaast moet de kwa-
Idealiter wordt het voermanagement geïndividuali-  liteit van het rantsoen geoptimaliseerd worden: de
seerd. Daardoor kan de koe het voer tot zich ne-   drogestofopname moet voldoende zijn, het rant-
men als zij hier behoefte aan heeft en kan de      soen gelijkmatig gemengd en in balans zijn en de
samenstelling van het voer tot op zekere hoogte op mineralen- en vitaminenhuishouding van de koeien
maat worden aangeboden. Dit kan gerealiseerd       dient in orde te zijn (11, 35, 45-47). De drogestof-
worden indien de melkveehouder beschikt over       opname wordt beïnvloed door de kwaliteit van het
               7
een voerrobot , waarmee het voerproces geauto-     ruwvoer en de smakelijkheid van het voer. De
matiseerd wordt. Zodra een koe zich meldt bij de   smakelijkheid van het voer heeft een grotere
voerrobot, registreert de voerrobot welke koe het  invloed op de drogestofopname dan de kwaliteit
betreft, gaat na wat het dagrantsoen van deze koe  van het voer (47) en wordt beïnvloed door bijvoor-
is en hoeveel de koe die dag reeds gegeten heeft.  beeld conservering, het maaiseizoen en de even-
Op basis daarvan wordt de afgifte van voer gere-   tuele aanwezigheid van verontreiniging (11). Bij-
geld. Nadeel is dat de eetruimte bij een voerrobot voeren met energierijke producten als aanvulling
in het algemeen beperkt is. Toename in voercom-    op een goed structuurrijk basisrantsoen kan, mits
petitie heeft vooral consequenties voor de rang-   dit met beleid gebeurt. Teveel bijvoeren met ener-
lagere dieren die daardoor moeten eten op tijden   gierijke producten kan resulteren in pensacidose.
dat koeien normaliter rusten. Dat leidt tot een
                                                   Huisvesting
7
  Er is nog een tweede type voerrobot, waarbij het De huisvesting van hoogproductief melkvee ver-
systeem voorafingestelde rantsoenen mengt en
deze naar de desbetreffende groep koeien brengt.   dient veel aandacht, mede gegeven het feit dat
Een voordeel hiervan zou zijn dat een koppel
                                                   steeds meer melkvee langdurig opgestald wordt
koeien in meerdere groepen onderverdeeld kan
worden die, afhankelijk van hun lactatiestadium,   (zie ook hoofdstuk 4; in een ander advies zal de
gerichter gevoerd kunnen worden. Dit systeem
verkeert nog in de testfase.                       Raad hier nader op in gaan). Gladde, harde en/of
                                                                                                     33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>onregelmatige stalvloeren en loopruimtes dienen te   Bij warm weer dient de melkveehouder daarnaast
worden vermeden om klauwproblemen (zoveel als        extra aandacht te besteden aan de kalium-,
mogelijk) te voorkomen. Ook dient er voldoende       natrium- en magnesiumhuishouding van zijn (hoog-
eetruimte beschikbaar te zijn en moeten er comfor-   productief) melkvee en eventueel meer van deze
tabele ligboxen in de juiste maat en in voldoende    mineralen aan te bieden (13).
mate aanwezig zijn. Het aantal voer- en ligplaatsen
dient minimaal gelijk te zijn aan het aantal aan-    Managementmaatregelen met betrekking tot mas-
wezige koeien (52). Op deze manier wordt hoog-       titis
productief melkvee in de gelegenheid gesteld vol-    Om de kans op het optreden van mastitis, de
doende voer op te nemen en te verteren (11, 13,      belangrijkste economische schade veroorzakende
20, 32, 53). Overbezetting is niet wenselijk voor de ziekte, te verkleinen is weidegang (in verband met
gezondheid en het welzijn van het melkvee.           een lagere infectiedruk) belangrijk. Ook zijn een
                                                     goede melktechniek en –machine, een goede stal-
Vooral bij hoogproductief melkvee dient veel aan-    hygiëne, een adequate behandeling bij klinische
dacht te worden besteed aan de ventilatie van de     mastitis en een goede monitoring om subklinische
stal. Zoals in hoofdstuk 4 reeds werd aangegeven     infecties op te sporen belangrijk. De Raad merkt op
drukken een slecht klimaat en warmte de melkpro-     dat de laatst genoemde punten uiteraard ook in
ductie. Malestein (1991) adviseert dan ook om bij    geval van weidegang relevant zijn.
warm weer het hoogproductieve melkvee in een
goed geventileerde en geïsoleerde stal te huis-      Melkmanagement
vesten en het eventueel ’s nachts te laten grazen    De Raad doet geen aanbevelingen over het aantal
(47). Dit advies staat echter op gespannen voet      keer dat een hoogproductieve koe gemolken zou
met de recentelijk gemaakte afspraken tijdens de     moeten worden en de wijze waarop het melken zou
conferentie ‘Weidegang’ van 6 december 2005.         moeten plaatsvinden. De Raad is van mening dat
Tijdens deze conferentie is afgesproken dat          er nog te veel onduidelijkheden zijn om hierover
partijen vanuit hun mogelijkheden weidegang zo       uitspraken te kunnen doen. Het gebruik van een
veel mogelijk zullen stimuleren. Bij warm weer is    automatisch melksysteem bijvoorbeeld biedt ideali-
weidegang mogelijk, maar er dient wel beschutting    ter koeien de mogelijkheid om zelf te bepalen wan-
aanwezig te zijn.                                    neer zij gemolken willen worden en daarmee even-
                                                     tueel zelf hun uierophangbanden te ontlasten.
34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>Tegelijkertijd is bekend dat meer mastitis wordt          5.3. Onderzoek
gezien op bedrijven waar een automatisch melk-
systeem is en dat het melkvee vaak permanent         Om een beter inzicht te krijgen in de gevolgen van
opgestald wordt. Bovendien staat automatisch mel-    selectie en fokken op een hoog melkproductie-
ken het kuddegedrag in de weg. Of dit invloed        niveau, maar vooral ook om innovaties te ontwik-
heeft op het welzijn van de koe is niet bekend.      kelen om in de fokkerij adequater om te kunnen
Duidelijk is wel dat een goed functionerende melk-   gaan met de gezondheid en het welzijn van melk-
robot die koeien vanuit eigen beweging bezoeken      vee (individueel en koppel/bedrijfsniveau), advi-
voor de koe een grote mate van voorspelbaarheid      seert de Raad de overheid en het bedrijfsleven te
betekent. Daardoor is er in de regel meer rust in de investeren in meer onderzoek. In dit onderzoek
stal. Of een robot voor de koe voordelen heeft       dient ook de rol van houderijomstandigheden en
hangt erg af van de mate waarin de melkrobot door    omgevingsfactoren en hun interactie met gene-
de veehouder wordt benut om tekortkomingen in        tische factoren te worden meegenomen. Daarnaast
het management te verbeteren.                        moet (een deel van) het onderzoek gericht zijn op
Vanuit een welzijnsperspectief verdient het aan-     het verbeteren van het inzicht in de onderliggende
beveling om hoogproductief melkvee meer dan          processen, zodat de gevolgen van multi trait
twee maal daags te melken. Wat vanuit een            selectie beter voorspeld kunnen worden. Ook de
gezondheidsperspectief aanbeveling verdient is       ontwikkeling van de koe zelf onder invloed van
onduidelijk: de resultaten van onderzoek naar de     selectie op het melkproductieniveau is een punt
relatie tussen frequentie van melken en de masti-    van aandacht. Koeien worden groter en bloter en
tisincidentie spreken elkaar bijvoorbeeld tegen (zie de vraag is of daardoor niet risico’s kunnen
hoofdstuk 3.2) .                                     ontstaan met pezen, spieren en gewrichten zoals
Gegeven het grote aantal onduidelijkheden, is de     we die bijvoorbeeld ook vinden bij de grote
Raad van mening dat meer onderzoek nodig is          hondenrassen. Onderzoek hiernaar zou wenselijk
alvorens tot aanbevelingen op dit punt te kunnen     zijn.
komen.
                                                                                                     35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>6. ZIJN ER (ETHISCHE) GRENZEN AAN HET                aanleg voor hoge melkproducties (slechtere ener-
    FOKKEN EN MANAGEN OP EEN HOGE                    giebalans, uiergezondheid en vruchtbaarheid) als
    PRODUCTIE EN ZO JA, WELKE ZIJN DIT?              fenotypische hoge melkproducties (hoog metabo-
                                                     lisme en een meer negatieve energiebalans). De
    6.1. Grenzen aan de groei?                       vraag die daarbij gesteld kan worden is of het
                                                     wenselijk en ethisch is de grenzen van wat gene-
In algemene zin constateert de Raad dat in de loop   tisch of vanuit diergezondheidkundig oogpunt
der tijd een totaal andere koe is ontstaan. De       mogelijk is op te zoeken. Bij andere diersoorten is
relatief lage, dikkere koe zonder noemenswaardige    immers duidelijk gebleken dat een continue posi-
gezondheidsproblemen is verworden tot een hoog-      tieve selectie op productiekenmerken negatieve
benige, magere koe met een dusdanig groot uier       neveneffecten kan hebben. De selectie op een
dat normaal bewegen belemmert. Daarnaast is de       hoger lichaamsgewicht bij kalkoenen bijvoorbeeld
‘moderne’ koe gevoeliger voor tal van gezond-        resulteerde    niet alleen   in een   voortdurende
heidsproblemen, zoals klauw- en stofwisselings-      toename van het lichaamsgewicht, maar de man-
problemen, en moeten deze problemen met een          nelijke dieren werden zo zwaar dat natuurlijke
goed individueel management in de hand worden        voortplanting niet meer mogelijk is (49). Bij vlees-
gehouden. Of een dergelijke ontwikkeling accepta-    kuikens leidde de selectie op groei tot een onba-
bel is, hangt sterk af vanuit welke optiek naar deze lans in orgaan- en systeemfuncties. De Raad acht
ontwikkeling gekeken wordt.                          een dergelijke ontwikkeling ongewenst en waar-
                                                     schuwt voor de risico’s die de melkveesector loopt
Met betrekking tot het melkproductieniveau van       om in deze fuik te geraken. De Raad merkt daarbij
melkkoeien,     wijst  onderzoek   van   de   Animal op dat het verschil van de melkveehouderij ten
Sciences Group op de proefboerderij Nij Bosma uit    opzichte van bijvoorbeeld de pluimveehouderij is
dat een hogere melkproductie dan tot nu toe          dat individuele melkveehouders nog steeds verant-
gebruikelijk nog steeds te combineren is met een     woordelijk zijn voor het fokken van kalveren terwijl
goede diergezondheid (hoewel gezien het boven-       dat bij de pluimveesector veel meer in handen ligt
staande de vraag rijst wat verstaan wordt onder      van fokkerijorganisaties die jonge dieren aanleve-
een goede gezondheid en welk referentiepunt          ren.
gebruikt wordt). Wel bleken er specifieke gezond-    De Raad is van mening dat het verder verhogen
heidsrisico’s verbonden met zowel genotypische       van het melkproductieniveau van de koe uitsluitend
36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>acceptabel is als de koe zonder (fysieke) belem-        Wanneer het moment bereikt is dat een verdere
meringen 8 en met vertoning van het normale             stijging in het melkproductieniveau moet worden
gedrag melk kan produceren. De Raad geeft               afgewezen laat zich lastig op voorhand bepalen.
daarom de voorkeur aan een optimaal melkproduc-
tieniveau in plaats van een maximaal melkproduc-        Zoals reeds in hoofdstuk 2 werd aangegeven is
tieniveau. Bij een optimaal melkproductieniveau is      niet alleen de melkproductie per koe in de laatste
een balans gevonden tussen de gezondheid en het         decennia toegenomen. Ook het aantal melkkoeien
welzijn van de melkkoeien enerzijds en (econo-          per bedrijf is gestegen. De Raad spreekt haar zorg
mische) randvoorwaarden anderzijds. De Raad             uit over de mate van individuele zorg die aan de
acht het onwenselijk als melkkoeien voortdurend         koeien geboden kan en moet worden en over de
op de toppen van hun kunnen zitten, zoals bij een       waarde van de koe als individu (zie tevens oratie
maximaal melkproductieniveau het geval is. Primair      van De Cock Buning (2002), “De status van het
betekent het uitgangspunt van een optimaal melk-        dier”). De morele verplichtingen die wij naar dieren
productieniveau dat de verschillende type koeien,       toe voelen en hebben, en die zijn weerslag heeft in
het management en de (toekomstige) randvoor-            wetgeving, zijn afhankelijk van de status (waarde)
waarden op elkaar afgestemd dienen te worden            die wij dieren toekennen. Deze status is onder
(zie ook hoofdstuk 4). Daarbij mag het niet zo zijn     andere afhankelijk van de persoonlijke band die we
dat dit in de praktijk eenzijdig wordt vertaald als het met dieren hebben en van het aantal dieren. Terwijl
aanpassen van de koe aan het management en de           grote delen van de maatschappij dieren – en zeker
(toekomstige) randvoorwaarden. Anderzijds is het        koeien – een steeds hogere status toekennen, zal
niet realistisch uitsluitend het management en de       de status die veehouders aan hun koeien toe-
(toekomstige) randvoorwaarden aan het type koe          kennen bij grotere aantallen en minder persoonlijke
aan te passen. Door de economische druk,                aandacht juist dalen. Dat leidt onherroepelijk tot
kostprijs, schaalvergroting en andere randvoor-         een “maatschappelijk conflict” indien daar vanuit de
waarden, zoals mestwetgeving en medicijngebruik,        veehouderij niet goed op wordt ingesprongen en
wordt het namelijk steeds moeilijker de omgeving        dat is op zijn beurt schadelijk voor het imago van
met het dier te laten ‘meegroeien’.                     de sector. Het tot een ding maken (‘verdinglijking’)
                                                        of industrialisering van de koe zal door de
                                                        maatschappij niet worden geaccepteerd en wordt
8
   Hier zijn begrippen als fysiologische balans,
gezondheid en robuustheid bij inbegrepen.               door de Raad afgewezen.
                                                                                                          37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>De verwachting is voorts dat bij een vergaande       ontstaan omdat er in Nederland voldoende gekwa-
stijging van het melkproductieniveau van het indivi- lificeerd personeel beschikbaar is. De Raad con-
duele dier en toename van de koppelgrootte weide-    stateert echter ook dat in welvarende samenlevin-
gang voor de melkkoeien steeds verder onder druk     gen jongeren veelal niet bereid zijn om vies en vuil
komt te staan. Recentelijk heeft Minister Veerman    werk te verrichten. Het inhuren van voldoende
van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit echter      gekwalificeerd personeel betekent daarnaast een
aangegeven weidegang van melkvee te willen           grotere kostenpost voor arbeid. De Raad realiseert
bevorderen (uitkomst conferentie ‘Weidegang’ van     zich dat hierdoor de rentabiliteit van het melkvee-
6 december 2005). De Raad constateert dan ook        bedrijf verder onder druk kan komen te staan. Daar
dat een verhoging van de melkproductie en            waar mogelijk zou bij het selecteren, de raskeuze
weidegang op gespannen voet met elkaar staan.        en het fokken van dieren ingespeeld moet worden
Volledigheidshalve wil hij er op wijzen dat een deel op deze toekomstige trends.
van de melkveehouders er wel in slaagt schaal- en
productievergroting te (blijven) combineren met           6.2. Conclusie
weidegang. De Dierenbescherming pleit er voor
over     het    behoud     van    weidegang     een  De Raad is van mening dat het verder verhogen
maatschappelijke discussie te voeren.                van het melkproductieniveau van de koe uitsluitend
                                                     acceptabel is als de koe zonder (fysieke) belem-
Bij verder stijgende producties is tevens de ver-    meringen en met vertoning van het normale gedrag
wachting dat er aan koeien meer zorg zal moeten      melk kan produceren. De Raad geeft daarom de
worden geboden, met name in de periode rondom        voorkeur aan een optimale selectie en een opti-
het afkalven. Extra arbeidsinzet wordt dan nood-     maal melkproductieniveau in plaats van een maxi-
zakelijk om de gezondheid en het welzijn van het     maal melkproductieniveau. Het tot een ding maken
melkvee als groep en de koe als individu te borgen.  (‘verdinglijking’) of industrialisering van de melkkoe
Situaties zoals deze in de Verenigde Staten voor-    wordt door de Raad afgewezen. Hoewel het
komen, waar grote bedrijven zijn met duizenden       moment waarop een verdere stijging van het
melkkoeien en waar goedkope, niet vakbekwame         melkproductieniveau van de individuele koe (en de
arbeidskrachten worden ingehuurd, acht de Raad       totale melkproductie van het bedrijf) moet worden
ongewenst. De Raad is van mening dat een             afgewezen nog niet bereikt lijkt te zijn, waarschuwt
dergelijke situatie in Nederland ook niet hoeft te   de Raad voor een aantal knelpunten die zich bij
38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>een verdere verhoging van de melkproductie zullen
aandienen.
                                                  39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>40</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>       LITERATUURLIJST
1. LEI en CBS. Land- en tuinbouwcijfers 2005. Rapport PR.05.03.
2. Commissie Ethiek KNMvD (2005). Wat is uw mening over ‘weidegang en huisvesting van de melkkoe in
   Nederland’? Tijdschrift voor Diergeneeskunde, 130 (18), 569-571.
3. ir. B. van den Berg, persoonlijke mededeling, 13-2-2006.
4. Veerkamp, R.F. (1999). Notitie ten bate van LNV, ‘Ouwekerk problematiek’: Selectie voor melkproductie,
   gevolgen voor gezondheid, vruchtbaarheid en levensduur, en             energiebalans, welzijn en gedrag,
   fysiologie en immunologie. 29 april 1999.
5. Dillon, P., Berry, D.P., Evans, R.D., Buckley, F., Horan, B. (2006). Consequences of genetic selection for
   increased milk production in European seasonal pasture based systems of milk production. Livestock
   Sci., 99 (2-3), 141-158.
6. Pryce, J.E., Veerkamp, R.F. (2001). The incorporation of fertility indices in genetic improvement
   programmes. In: Siskin, M.G. (Ed.). Fertility in the high producing dairy cow. BSAS Occ. Publ. no. 26 (1),
   237-249.
7. Veerkamp, R.F. (1998). Selection for economic efficiency of dairy cattle using information on live-weight
   and feed intake: a review. J. Diary Sci., 81, 33-39.
8. Veerkamp, R.F., Koenen, E.P.C. (1999). Genetics of feed intake, live-weight, condition score and energy
   balance. BSAS Occas. Publ. Metab. Stress Diary Cows, 24, 63-73.
                                                                                                          41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>9.  dr. ing. H. Hopster, persoonlijke mededeling, 19-12-2005.
10. Veerkamp, R.F. (1999). Fokken op gezonde koe kan. Veeteelt, 16 (24), 1342-1344.
11. Brand, A., Noordhuizen, J.P.T.M., Schukken, Y.M. (1996). Herd health and production management in
    dairy practice. Wageningen Press.
12. Gröhn, Y.T., Erb, H.N. (1989). Epidemiology of metabolic disorders in dairy cattle: association among
    host characteristics, disease, and production. J. Dairy Sci., 72, 1876-1885.
13. Arendzen, I. (1998). Hoge melkproductie: een gezonde koe of niet? Vakgroep Bedrijfsdiergeneeskunde
    en Voortplanting, Faculteit Diergeneeskunde, Universiteit Utrecht.
14. Emanuelsson, U., Danell, B., Philipsson, J. (1988). Genetic parameters for clinical mastitis, somatic cell
    counts, milk production, estimated by multiple trait restricted maximum likelihood. J. Dairy Sci., 71, 467-
    476.
15. Shook, G.E. (1989). Selection for disease resistance. J. Dairy Sci., 72, 1349-1359.
16. Schukken, Y.H., Grommers, F.J., Van de Geer, D., Erb, H.N., Brand, A. (1990). Risk factors for clinical
    mastitis in herd with a low bulk milk somatic cell count. 1. Data and risk factors for all cases. J. Dairy Sci.,
    73, 3463-3471.
17. Dohoo, I.R., Martin, S.W. (1984). Disease, production and culling in Holstein-Friesian cows. III. Disease
    and production as determinants of disease. Preventive and production as determinants of disease. Prev.
    Vet. Med., 2, 671-690.
18. Barkema, H.W. (1998). Udder health on dairy farms, a longitudinal study. PhD thesis, Utrecht.
42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>19. Somers, J.G.C.J., Frankena, K., Noordhuizen-Stassen, E.N., Metz, J.H.M. (2003). Prevalence of claw
    disorders in Dutch dairy cows exposed to several floor systems. J. Dairy Sci., 86, 2082-2093.
20. Toussaint Raven, E. (1979). Klauwverzorging bij het rund. Heelkunde, Terra, Zutphen.
21. Groen, A.F., Hellinga, I., Oldenbroek, J.K. (1994). Genetic correlations of clinical mastitis and feet and
    legs problems with milk yield and type traits in Dutch Black and White dairy cattle. Netherl. J. Agric. Sci.,
    42, 371-378.
22. Veerkamp, R.F. (1999). Fokken op vruchtbare koe. Veeteelt, 16 (23), 1276-1278.
23. Veerkamp, R.F., Beerda, B., Van der Lende, T. (2003). Effects of genetic selection for milk yield on
    energy balance, levels of hormones, and metabolites in lactating catlle, and possible links to reduced
    fertility. Livestock Prod. Sci., 83, 257-275.
24. Falconer, D.S., Mackay, T.F.C. (1996). Introduction to quantitative genetics. 4th edition. Longman,
    Harlow, UK.
25. mw. ing. M. van Spijk, persoonlijke mededeling, 16-2-2006.
26. Commissie Onderzoek Minerale Voeding (COMV) (1996). Handleiding mineralenonderzoek bij rundvee
    in de praktijk. Centraal Veevoederbureau, 5e druk.
27. Gröhn, Y.T., Eicker, S.W., Herl, J.A. (1995). The association between previous 305-day milk yield and
    disease in New York State dairy cows. J. Dairy Sci., 78, 1693-1702.
28. Bigras-Poulin, M., Meek, A.H., Martin, S.W. (1990a). Interrelationships of health problems and age on
    milk production in selected Ontario Holstein cows. Prev. Vet. Med., 8, 3-13.
                                                                                                             43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>29. Bigras-Poulin, M., Meek, A.H., Martin, S.W. (1990b). Interrelationships among health problems and milk
    production from consecutive lactations in selected Ontario Holstein cows. Prev. Vet. Med., 8, 15-24.
30. Elthuis, A.G.J., Klerx, H.J., Hanekamp, W.J.A., Smolders, E.A.A. (1998). Risicofactoren voor
    stofwisselingsaandoeningen. Publicatie PR 127, Lelystad, januari 1998.
31. Erb, H.N., Gröhn, Y.T. (1988). Symposium: health problems in the periparturient cow; epidemiology of
    metabolic disorders in the periparturient dairy cow. J. Dairy Sci., 71, 2557-2571.
32. Smith, B.P. (1990). Large animal internal medicine. The C.V. Mosby Company, St. Louis.
33. Merck (1991). Merck Veterinary Manual. 7th edition. Merck and Co., Inc., Rahway.
34. Vakgroep Inwendige ziekten en voeding der grote huisdieren (1986). Stofwisselingsziekten en
    endocriene ziekten der grote huisdieren. IN 30, Utrecht.
35. Meijer, R., Boxem, Tj., Subnel, B. (1995b). Bedrijfsvoering op 20 hoog productieve melkveebedrijven (3).
    Proefstation voor de Rundveehouderij, Schapenhouderij en Paardenhouderij (PR), Praktijkonderzoek, 8,
    nr. 2, 1-4.
36. Erb, H.N. (1987). Interrelationships among production and clinical disease in dairy cattle: a review.
    Canad. Vet. J., 28, 326-329.
37. Schukken, Y.H., Grommers, F.J., Van de Geer, D., Erb, H.N., Brand, A. (1991). Risk factors for clinical
    mastitis in herds with a low bulk milk somatic cell count. I. The data and risk for all cases. J. Dairy Sci.,
    74, 1123-1129.
38. Kornalijnslijper, E., Beerda, B., Daemen, I., Van der Werf, J., Van Werven, T., Niewold, T., Rutten, V.,
    Noordhuizen-Stassen, E.N. (2003). The effect of milk production level on host resistance of dairy cows,
    as assessed by the severity of experimental Escherichia coli mastitis. Vet. Res., 34, 721-736.
44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>39. Hillers, J.K., Senger, P.L., Darlington, R.L., Fleming, W.N. (1984). Effects of production, season, age of
    cow, days dry, and days in milk on conception to first service in large commercial dairy herds. J. Dairy
    Sci., 67, 861-867.
40. Jansen, J. (1987). Vruchtbaarheid in relatie tot productie bij melkvee. Tijdschrift voor Diergeneeskunde,
    112, 1114-1118.
41. Eicker, S.W., Gröhn, Y.T., Hertl, J.A. (1996). The association between cumulative milk yield and days
    open and days to first breeding in New York Holstein cows. J. Dairy Sci., 79 (2), 235-241.
42. Moreira da Silva, J.F., 1986. The influence of environmental and cow variables on body (milk)
    temperature of grazing dairy cows. Instituut voor Veeteeltkundig Onderzoek, VOS-nr. 188.
43. Windig, J.J., Calus, M.P.L., Veerkamp, R.F. (2005). Influence of herd environment on health and fertility
    and their relationship with milk production. J. Dairy Sci., 88, 335-347.
44. Barkema, H.W., Van der Ploeg, J.D., Schukken, Y.H., Lam, T., Benedictus, G., Brand, A. (1999).
    Management style and its association with bulk milk somatic cell count and incidence rate of clinical
    mastitis. J. Dairy Sci., 82, 1655-1663.
45. Meijer, R., Boxem, Tj., Subnel, B. (1994). Bedrijfsvoering op 20 hoog productieve melkveebedrijven (1).
    Proefstation voor de Rundveehouderij, Schapenhouderij en Paardenhouderij (PR), Praktijkonderzoek, 7,
    nr. 6, 12-15.
46. Meijer, R., Boxem, Tj., Subnel, B. (1995a). Bedrijfsvoering op 20 hoog productieve melkveebedrijven (2).
    Proefstation voor de Rundveehouderij, Schapenhouderij en Paardenhouderij (PR), Praktijkonderzoek, 8,
    nr. 1, 1-5.
47. Malestein, A. (1991). Praktische aspecten rond de voeding van rundvee. Diergeneeskundig
    Memorandum, 38, 3.
                                                                                                           45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>48. Philipsson, J., Banos, G., Arnason, T. (1994). Present and future uses of selection index methodology in
    dairy cattle. J. Dairy Sci., 77, 3252-3261.
49. Rauw, W.M., Kanis, E., Noordhuizen-Stassen, E.N., and Grommers, F.J. (1998). Undesirable side effects
    of selection for high production efficiency in farm animals: a review. Livestock Prod. Sci., 56 (1), 15-33.
50. www.cr-delta.nl.
51. Calus, M.P.L., Windig, J.J., Veerkamp, R.F. (2005). Associations among decriptors of herd management
    and phenotypic and genetic levels of health and fertility. J. Dairy Sci., 88, 2178-2189.
52. mw. prof. dr. E.N. Stassen, persoonlijke mededeling, 15-2-2006.
53. Logue, D.N., Offer, J.E., Kempson, S.A. (1993). Lameness in dairy cattle. Irish Vet. J., 46, 47-58.
46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>       BIJLAGEN
1.  BEDRIJFSECONOMISCH PERSPECTIEF VAN DE NEDERLANDSE MELKVEEHOUDERIJ
                         Melkquotum  Melkquotum         Melkquotum  Gemiddeld
                         -350.000 kg 350.000-650.000 kg >650.000 kg
Gezinsinkomen
          2001                                                      € 51.000
          2002                                                      € 43.000
          2003                                                      € 35.000
          2004 (raming)                                             € 34.000
Rentabiliteit
          2001                                                      89
          2002                                                      79
          2003                                                      73
          2004 (raming)                                             69
Gemiddelde kosten per    € 65,31     € 53,52            € 46,58     € 52,58
100 kg melk in 2003,
waarvan:
          Arbeid         € 25,53     € 15,98            € 11,81     € 15,74
          Rente          € 9,32      € 8,97             € 8,48      € 8,84
          Veevoer        € 7,46      € 6,83             € 6,83      € 6,92
          Afschrijvingen € 4,54      € 5,15             € 5,26      € 5,11
                                                                              47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>Gemiddelde opbrengsten € 40,29       € 38,78 € 38,36 € 38,83
per 100 kg melk in 2003,
waarvan:
         Melk              € 33,06   € 33,16 € 33,53 € 33,28
         Overig            € 7,23    € 5,62  € 4,83  € 5,55
Bron: Land- en tuinbouwcijfers 2005.
48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>2.  HISTORISCHE ONTWIKKELING VAN DE NEDERLANDSE MELKVEEHOUDERIJ
                                                     Gemiddeld
Melkproductie per koe
         1975                                        4.625 kg
         1985                                        5.330 kg
         1995                                        6.613 kg
         2003                                        7.494 kg
Melk- en kalfkoe-bedrijven
         1975                                        91.560
         1985                                        57.995
         1995                                        37.465
         2004                                        24.332
Gemiddeld aantal koeien per melk- en kalfkoe-bedrijf
         1975                                        24,2
         1985                                        40,8
         1995                                        45,6
         2004                                        60,5
                                                                49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>Totaal aantal melk- en kalfkoeien
         1975                        2.218.000
         1985                        2.367.000
         1995                        1.708.000
         2004                        1.471.000
Bron: Land- en tuinbouwcijfers 2005.
50
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>3.   PRODUCTIEGEGEVENS VAN DE NEDERLANDSE MELKVEEHOUDERIJ
IJkjaar 2003               Melkquotum  Melkquotum         Melkquotum  Gemiddeld
                           -350.000 kg 350.000-650.000 kg >650.000 kg
Zuivere melkvee-           4.920       9.060              3.580       17.560
bedrijven
Gebruiksmelkquotum         243.200 kg  481.900 kg         891.700 kg  498.600 kg
Melkproductie              239.500 kg  482.100 kg         892.300 kg  497.800 kg
Aantal melkkoeien per      33,7        64,4               109,9       65,1
bedrijf
Melkproductie per koe      7.100 kg    7.480 kg           8.120 kg    7.640 kg
Bron: Land- en tuinbouwcijfers 2005.
                                                                                 51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>4.   SAMENSTELLING VAN DE WERKGROEP
Het advies is voorbereid door een werkgroep bestaande uit:
•    ir. B. van den Berg, Dierenbescherming
•    dr. ing. H. Hopster, Animal Sciences Group - Wageningen UR
•    mw. ing. M. van Spijk, LTO Noord
•    mw. prof. dr. E.N. Stassen, Leerstoelgroep Dierlijke Productiesystemen - Wageningen UR
•    dr. ir. R.F. Veerkamp, Animal Sciences Group - Wageningen UR
•    drs. E.B. Visser, Groep Geneeskunde van het Rund - KNMvD
•    mw. dr. drs. I.D. de Wolf - Bureau van de Raad voor Dierenaangelegenheden
De werkgroep bedankt prof. dr. J.A.M. van Arendonk (Leerstoelgroep Fokkerij & Genetica – Wageningen UR)
en dr. ir. B. Beerda (Animal Sciences Group - Wageningen UR) voor hun waardevolle opmerkingen.
52
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>5.  OVERZICHT VAN PUBLICATIES
Onderstaand overzicht betreft de publicaties van de Raad vanaf 2003. Een overzicht van eerdere door de
Raad uitgebrachte adviezen kan worden opgevraagd bij het secretariaat van de Raad of is te vinden op
www.raadvoordierenaangelegenheden.nl.
PUBLICATIES IN 2006:
RDA 2006/01       Gedeelde zorg – Actieplan (publicatie Forum Welzijn Gezelschapsdieren)
RDA 2006/02       Gedeelde zorg – Feiten en cijfers (publicatie Forum Welzijn Gezelschapsdieren)
RDA 2006/03       Mogelijkheden tot versoepeling van het verbod op het hergebruik van dierlijke eiwitten
RDA 2006/04       Natuurlijk gedrag van melkvee en vleeskalveren
RDA 2006/05       Natuurlijk gedrag van varkens
RDA 2006/06       Natuurlijk gedrag van pluimvee
Jaarverslag 2005
PUBLICATIES IN 2005:
RDA 2005/01       De rol van wild bij de insleep en verspreiding van klassieke varkenspest en mond- en
                  klauwzeer in Nederland
RDA 2005/02       Immunosterilisatie als een alternatief voor de huidige wijze van castratie in de
                  varkenshouderij
RDA 2005/03       Maintaining or improving farm animal welfare in the light of increasing trade liberalisation
                  and globalisation: a contradiction in terms?
RDA 2005/04       Het houden van potentieel gevaarlijke diersoorten als gezelschapsdier
RDA 2005/05       Implicaties van de door EFSA geformuleerde opinie over het bedwelmen en doden van de
                  belangrijkste productiedieren voor richtlijn 93/119/EG en het Nederlandse standpunt ten
                  aanzien van deze richtlijn.
RDA 2005/06       I&R hobbydieren/definitie gezelschapsdieren
RDA 2005/07       De erkende dierenarts
                                                                                                            53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>RDA 2005/08       Advies over de wintersterfte 2004-2005 van grote grazers in de Oostvaardersplassen
RDA 2005/09       Inventarisatie van de stand van zaken met betrekking tot ingrepen bij pluimvee
Jaarverslag 2004
PUBLICATIES IN 2004:
RDA 2004/01       Dierziektebeleid met draagvlak – Advies over de bestrijding van zeer besmettelijke
                  dierziekten; deel 2 – Onderbouwing van het advies
RDA 2004/02       Herinrichting van het distributie- en kanalisatiesysteem van diergeneesmiddelen in
                  Nederland
RDA 2004/03       Negatief- en positieflijst voor vissen, reptielen en amfibieën ter invulling van artikel 33 van
                  de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
RDA 2004/04       Bestialiteit
RDA 2004/05       Strategieën om te komen tot een efficiëntere opsporing van besmettelijke, aangifteplichtige
                  dierziekten
RDA 2004/06       Verkenning van de toekomstperspectieven voor agroproductieparken in Nederland
Jaarverslag 2003
PUBLICATIES IN 2003:
RDA 2003/01       Advies omtrent dierziekten en zoönosen, waarvoor hobbymatig gehouden dieren vatbaar
                  zijn en als drager kunnen fungeren, die een bedreiging kunnen vormen voor de
                  gezondheid van mensen en bedrijfsmatig gehouden dieren en die in het kader van grote
                  bestrijdingscampagnes relevant zijn
RDA 2003/02       Wet- en regelgeving omtrent hobbydieren
RDA 2003/03       Mogelijke dierenwelzijnproblemen in de paardenhouderij
RDA 2003/04       Zorgen voor je paard
RDA 2003/05       Criteria voor dodingsmethoden voor paling en meerval
RDA 2003/06       Het doden van drachtige grote landbouwhuisdieren
54
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>RDA 2003/07      Negatief- en positieflijst voor zoogdieren en vogels ter invulling van artikel 33 van de
                 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
RDA 2003/08      Dierziektebeleid met draagvlak – Advies over de bestrijding van zeer besmettelijke
                 dierziekten; deel 1 – Advies
Jaarverslag 2002
                                                                                                       55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>