<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>         MEI 2006
ADVIES RDA 2006/03
                  MOGELIJKHEDEN TOT
                  VERSOEPELING VAN HET
                  VERBOD OP HET HERGEBRUIK
                  VAN DIERLIJKE EIWITTEN
                  ADVIES AAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN
                  VOEDSELKWALITEIT INZAKE HET IN TE NEMEN
                  STANDPUNT TEN AANZIEN VAN DE MOGELIJKHEID TOT
                  HET VERSOEPELEN VAN HET VERBOD OP HET
                  HERGEBRUIK VAN DIERLIJKE EIWITTEN: HAALBAARHEID,
                  ACCEPTATIE EN WENSELIJKHEID
                                                                 -1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>0</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>                 SAMENSTELLING VAN DE RAAD
•  prof. dr. C.J.G. Wensing, voorzitter Raad voor Dierenaangelegenheden
•  A. Achterkamp
•  ir. M.J.B. Jansen                    bezoekadres:
•  drs. S.B.M. Jongerius                Laan van Nieuw Oost Indië 131-133
•  J.Th. de Jongh                       2593 BM Den Haag
•  ir. B.J. Odink
•  ir. C.A.C.J. Oomen                   postadres:
•  dr. ir. H. Paul                      Postbus 90428
•  prof. dr. A. Pijpers                 2509 LK Den Haag
•  ir. J.C.M. van Rijsingen
•  drs. T. de Ruijter                   telefoon 070 3785266
•  S.J. Schenk                          fax 070 3786336
•  prof. dr. F.J. van Sluijs            email info@rda.nl
•  H.W.A. Swinkels
•  drs. P.A. Thijsse
•  drs. H. van Veen
•  prof. dr. J.H.M. Verheijden
•  ir. ing. A.J. Vermuë
•  drs. P. van der Wal
Secretaris: dr. drs. I.D. de Wolf
                                                                          1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>2</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>         INHOUDSOPGAVE
Advies ................................................................................................................................................................... 7
Onderbouwing van het advies............................................................................................................................11
1.    Inleiding ......................................................................................................................................................11
2.    BSE en vCJD-situatie in Nederland en Europa .........................................................................................16
3.    Regelgeving en risicobeheersing bij de destructie van dierlijk eiwit ..........................................................18
4.    Risicobeoordeling van schadelijke agentia in dierlijke (bij)producten .......................................................27
5.    Risicobeoordeling voor het optreden van BSE ..........................................................................................37
6.    Risicobeoordeling voor het optreden van vCJD ........................................................................................43
7.    Milieuaspecten van vernietiging van dierlijk eiwit ......................................................................................45
8.    Ethische aspecten van hergebruik van dierlijke eiwit ...............................................................................49
Literatuurlijst .......................................................................................................................................................55
Bijlagen ...............................................................................................................................................................59
1.    Bijproducten waarvoor op korte termijn andere toepassingen, met name in de non-food, gewenst zijn ..59
2.    Beschrijving van de categorieën dierlijke bijproducten (Dierlijke Bijproducten verordening
      2002/1774/EU) ...........................................................................................................................................60
3.    Excerpt Destructiewet en Regeling aanwijzing gespecificeerd hoog-risico-materiaal ..............................67
4.    Verordening 1774/2002 EU .......................................................................................................................70
5.    Verordening 999/2001 EU .........................................................................................................................72
6.    Rekenschema voor R0 berekening bij toestaan herkauwer diermeel in veevoer (worst case) .................82
7.    Samenstelling van de werkgroep...............................................................................................................83
                                                                                                                                                                           3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>4</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>        ADVIES
Op verzoek van de directie Voedselkwaliteit en         de kans op het optreden van vCJD als gevolg hier-
Diergezondheid van het ministerie van Landbouw,        van als uiterst gering.
Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) heeft de Raad
voor    Dierenaangelegenheden      (hierna:    Raad)   De Raad is van mening dat beperkte herintroductie
geïnventariseerd of versoepeling van het verbod op     van verwerkte dierlijke eiwitten (diermeel) met het
het gebruik van dierlijke eiwitten in voeders voor     oog op de bedreiging van de dier- en volksgezond-
landbouwhuisdieren (‘feedban’) haalbaar en accep-      heid verantwoord is. Voor dit doel wordt zoge-
tabel of juist ongewenst is. De nadruk ligt hierbij op naamd categorie 3 materiaal (bijproducten afkom-
voedselveiligheid. Ook ethische, sociale, milieu- en   stig van gezonde dieren die zijn goedgekeurd voor
duurzaamheidsaspecten worden hierbij betrokken.        humane consumptie) van varkens en pluimvee
                                                       gebruikt. Hiermee worden tevens andere (biolo-
De Raad constateert dat het aantal klinisch            gische en chemische) risico’s vermeden. Op basis
verdachte dieren op boviene spongiforme encefalo-      van risicoanalyses zou zelfs diermeel van herkau-
pathie (BSE) en BSE-positieve dieren in Nederland      wers weer hergebruikt kunnen worden. Echter, om
sterk afneemt evenals in de meeste andere landen       elk risico van kruisbesmetting in de keten te voor-
binnen Europa. Het aantal gevallen van variant         komen en een nulrisico voor de consument te kun-
Creutzfeldt-Jakob Disease (vCJD) bij de mens           nen benaderen, vindt de Raad dat vooralsnog
neemt in de UK en andere landen ook duidelijk af.      alléén gekozen dient te worden voor herintroductie
In tegenstelling tot de aanvankelijk verwachte 1.3     van varkens- en pluimveediermeel. Ondanks het
miljoen gevallen van vCJD (1998) gaan recentere        feit dat Transmissible Spongiform Encephalopathy
prognoses in de UK uit van nog slechts 80 nieuwe       (TSE) bij varkens en pluimvee niet wetenschappe-
gevallen tot 2040. De huidige BSE-prevalentie in       lijk is aangetoond, vindt de Raad vanuit het voor-
Nederland ligt inmiddels op een erg laag niveau en     zorgsprincipe, maar ook op ethische gronden, dat
de BSE-maatregelen blijken zeer effectief te zijn.     de species-to-species ban (zogenaamde anti-
De Raad acht daarom de humane blootstelling en         kannibalisme bepaling)     gehandhaafd     dient te
                                                       blijven.
                                                                                                         5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>De borging van het correct toepassen van diermeel      Met betrekking tot de ethische aspecten merkt de
en daarmee de handhaafbaarheid, is primair gele-       Raad op dat er geen wetenschappelijk onderzoek
gen in de Diervoederhygiëneverordening die per 1       bekend is op het gebied van ethiek in relatie tot de
januari 2006 van kracht wordt met de daaruit           toepassing van dierlijk eiwit in de dierlijke produc-
voortvloeiende      HACCP(-achtige)    kwaliteitsyste- tie.
men. De controleerbaarheid op het juist gebruik
van dierlijk eiwit zal sterk afhankelijk zijn van de   De Raad constateert dat, in relatie tot maat-
transparantie in andere landen en binnen de            schappelijke en economische aspecten, er grote
diervoedersector in Nederland. De verwachting is       hoeveelheden hoogwaardig dierlijk eiwit als poten-
dat een betrouwbare soortspecifieke testmethode        tiële voedingsbron worden vernietigd. De kosten
op de aanwezigheid van dierlijk eiwit in het eind-     voor de EU bedroegen in 2001 jaarlijks € 5.2 mil-
product binnenkort beschikbaar komt. In combina-       jard en voor Nederland ruim € 320 miljoen. Als
tie met de genoemde kwaliteitssystemen kan,            vervanging voor dit, op zich waardevolle, dierlijke
volgens de Raad, handhaving effectief plaats-          product wordt plantaardig (soja)eiwit gebruikt met
vinden. Deze testmethode dient na het beschikbaar      een lagere biologische waarde, hetgeen toenemen-
komen direct ingezet te worden. De Raad tekent         de import uit met name Zuid-Amerika tot gevolg
daarbij aan dat, ondanks het feit dat deze test-       heeft. Dit veroorzaakt schade voor het milieu (ont-
methode momenteel nog niet beschikbaar is, de          bossing Amazone en extra mineralenbelasting in
huidige regelgeving en controle al dusdanig ge-        Europa). De Raad meent dat ook omwille van het
borgd is, dat ook nu de kans op misbruik zeer klein    milieu en ter voorkoming van kapitaalvernietiging
is en dat er geen risico voor de volksgezondheid is.   beperkte herintroductie dient te worden nage-
Immers, alle specifiek risicomateriaal (SRM) wordt     streefd.
reeds verwijderd en alle runderen ouder dan 24
maanden worden gecontroleerd. Overigens blijft         De Raad komt daarmee tot de volgende suggesties
ook als de testmethode beschikbaar is het risico       en aanbevelingen:
van misbruik bestaan. Tenslotte meent de Raad          •    Herintroductie van diermeel van varkens en
dat eventuele besluiten over beperkte herintroduc-          pluimvee is verantwoord en veilig;
tie van dierlijk eiwit overeen moeten komen met de     •    Er dient alleen gebruik gemaakt te worden van
besluiten van de EU om elke twijfel in de markt te          categorie 3 materiaal;
voorkomen.
6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>•  De species-to-species ban dient vooralsnog
  gehandhaafd te blijven;
•  Alle maatregelen dienen overeen te komen
  met de besluiten van de EU;
•  Indien een betrouwbare testmethode, die dier-
  lijk (runder)eiwit in diervoeding kan aantonen,
  beschikbaar komt, dient deze zo snel mogelijk
  ingezet te worden bij de controle in de keten.
                                                  7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>8</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>        ONDERBOUWING VAN HET ADVIES
1. INLEIDING                                              1.2. Boviene Spongiforme Encefalopathie
                                                               en variant Creutzfeldt-Jakob Disease
    1.1. Vraagstelling
                                                     BSE
Voor de bestrijding van Boviene Spongiforme          BSE is de afkorting van Boviene Spongiforme
Encefalopathie (BSE, een Transmissible Spongi-       Encephalopathie, een sponsachtige degeneratieve
form Encephalopathy (TSE), die de ziekte variant     aandoening van de hersenen met als gevolg
Creutzfeldt-Jakob Disease (vCJD) bij de mens kan     gedragsveranderingen en bewegingsstoornissen.
veroorzaken, heeft de Europese Unie een uitge-       Vandaar de naam “gekke koeienziekte”. BSE is
breid en zeer streng maatregelenpakket ingesteld,    een nog betrekkelijk jonge ziekte. In 1986 werd de
die goede resultaten heeft laten zien. De Europese   aandoening voor het eerst geconstateerd bij
Commissie overweegt daarom al geruime tijd een       runderen in Groot-Brittannië. In 1997 is in Neder-
versoepeling van het voederverbod van diermeel.      land het eerste BSE-geval geconstateerd.
Dat betekent dat vervoedering van dierlijk eiwit
misschien weer mogelijk wordt.                       vCJD
                                                     Creutzfeldt-Jakob Disease (CJD) bij de mens en
Hierna wordt geïnventariseerd of versoepelingen      BSE bij runderen behoren tot de zogenaamde
van het verbod op het gebruik van dierlijke eiwitten overdraagbare     spongiforme     encefalopathieën
in voeders voor landbouwhuisdieren (‘feedban’)       (TSE's), ook prionziekten genoemd. De eerste
haalbaar en acceptabel of juist ongewenst zijn.      benaming verwijst naar de twee hoofdkenmerken
                                                     van deze aandoeningen: sponsachtige letsels in de
                                                     grijze hersenstof en overdraagbaarheid op dieren
                                                     bij experimenteel onderzoek. Prionziekte verwijst
                                                     naar de aanwezigheid van prionen in de hersenen
                                                     van besmette dieren. Prionen zijn een abnormale
                                                                                                      9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>vorm van een eiwit, het ‘prionproteïne’ (PrP)         gende categorieën onderscheiden (bijlage 1).
genoemd. Deze steeds fataal verlopende ziekten
tasten zowel dieren als mensen aan. De schapen-       Categorie 1 materiaal
ziekte scrapie, die al in de 18e eeuw bekend was,     Categorie 1 materiaal, het vroegere specifiek
is ook een vorm van TSE. Creutzfeldt-Jakob            risicomateriaal (SRM), bestaat uit materiaal dat
disease is een ongeneeslijke ziekte die overal ter    (o.a.) een TSE-risico kan vormen. Het dierlijk mate-
wereld voorkomt. In 1996 werd in Groot-Brittannië     riaal dat hiertoe behoort is afhankelijk van de leef-
een variant vorm van CJD beschreven. Deze             tijd (ouder dan 12 of 30 maanden) en diersoort
variant blijkt veroorzaakt te zijn door de consumptie (rund en overige herkauwers). In ieder geval beho-
van, met BSE besmette, vleesproducten.                ren de schedel (inclusief ogen en hersenen), het
                                                      ruggenmerg en de tonsillen hiertoe, alsmede de
    1.3. Definities                                   kadavers van BSE-positieve dieren en de meege-
                                                      ruimde dieren. Het wordt definitief verwijderd uit de
Dierlijke bijproducten                                voedselketen, vooral door verbranding. Daarnaast
Bij de slacht van landbouwhuisdieren wordt een        vallen hier onder andere ook producten onder
groot deel van het karkas niet gebruikt voor huma-    afkomstig van dieren die verboden stoffen of resi-
ne consumptie. Er blijft een percentage zogenaam-     duen toegediend kregen en dierlijke materiaal dat
de dierlijke bijproducten over ter grootte van 32%    wordt opgevangen bij de behandeling van afval-
(kip) tot 48% (schaap en geit).                       water van categorie 1-verwerkingsbedrijven en
In de Destructiewet (1957) worden verschillende       andere bedrijfsruimten waar gespecificeerd risico-
categorieën afvallen gedefinieerd. Deze krijgen elk   materiaal wordt verwijderd (bijlage 2).
een aparte bestemming, zodat voorkomen wordt
dat deze, niet voor menselijke of dierlijke consump-  Categorie 2 materiaal
tie geschikt bevonden, afvallen toch weer in de       Categorie 2 materiaal is een intermediaire klasse
voedselketen terecht kunnen komen (kanalisatie).      wat betreft de veronderstelde potentiële dier- en
Sinds 1 mei 2003 is in Nederland de Dierlijke Bij-    volksgezondheidsrisico’s en is meer gericht op het
producten Verordening 2002/1774 EU van kracht         risico van dierziekten. Hiertoe behoren kadavers
geworden (deze staat boven de huidige, nog niet       van natuurlijk gestorven dieren, alles wat niet tot
ingetrokken, Destructiewet). Diverse termen en        categorie 1 en 3 behoort en veegsel, darminhoud
definities zijn hierin veranderd en er worden de vol- en mest uit slachthuizen. Categorie 2 materiaal
10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>komt per definitie niet in de voedselketen terecht,   tine van niet-herkauwers te voeren aan niet-
maar kan technisch toegepast worden, zoals ver-       herkauwers, gelatine van niet-herkauwers aan
branding, uitrijden als mest, composteren, oleo-      herkauwers en bloedproducten en bloedmeel van
chemie of storten na destructiebehandeling.           niet-herkauwers aan vissen.
Categorie 3 materiaal                                 Het tijdelijke verbod is niet van toepassing op
Categorie 3 materiaal is de lichtste klasse. Het zijn voeders voor nertsen en voeders voor gezel-
bijproducten afkomstig van gezonde dieren die zijn    schapsdieren, zoals honden.
goedgekeurd voor humane consumptie, maar (bv.
vanwege economische redenen) niet hiervoor            Diermeel
bestemd zijn of materiaal dat niet geschikt is voor   Diermeel bestaat voornamelijk uit dierlijk eiwit,
humane     consumptie    (huiden,   hoeven,   hoorn,  thans uitsluitend afkomstig van categorie 3 dierlijke
varkensborstels,     veren,     bloed    van    niet- bijproducten volgens de Dierlijke Bijproducten
herkauwers). Categorie 3 materiaal is toegestaan      Verordening EU 2002/1774. Het wordt in gecertifi-
voor alle bovengenoemde bestemmingen alsmede          ceerde bedrijven verkregen door het verhitten,
voor gebruik in huisdier- of pelsdiervoeders en als   drogen en malen van deze bijproducten. Het betreft
grondstof voor technische producten.                  dus materiaal afkomstig van dieren die goed-
                                                      gekeurd zijn voor humane consumptie. In geval
Uitzonderingen                                        van herkauwers is bovendien het risicomateriaal
Volgens Verordening 2001/999/EC is het toege-         (SRM) verwijderd en vernietigd. Al naar de belang-
staan om gelatine van niet-herkauwers voor ge-        rijkste bron verschillen de benamingen van deze
coate additieven, melk(producten) en ei(producten)    diermelen, bijvoorbeeld verenmeel, bloedmeel,
te   voederen    aan   alle   diersoorten.  Vismeel,  vismeel enz. Voor een overzicht hiervan zie bijlage
dicalciumfosfaat en gehydrolyseerde eiwitten van      2. Diermeel bestaat uit hoogwaardig eiwit (hoge
vis, veren, huiden en vellen mogen onder bepaalde     biologische waarde) dat geschikt is voor gebruik in
voorwaarden      worden      gevoerd     aan    niet- diervoeding. Ook in voeding voor herkauwers, waar
herkauwers.                                           de micro-organismen in de pens zorgdragen voor
                                                      de afbraak.
Verordening 2003/1234/EC staat toe om gehydro-
lyseerde eiwitten, di- en tricalciumfosfaat en gela-
                                                                                                         11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>   1.4. Geschiedenis van het gebruik van                dieren is dus veilig. Het onderscheid tussen
          diermeel in veevoer in Nederland en de        diermeel afkomstig van herkauwers en dat van
          EU ter preventie van TSE/BSE                  overig vee is echter (nog) niet mogelijk. Dit
                                                        bemoeilijkt een effectieve controle op het ver-
•    In 1989 werd het verboden om diermeel van          bod op gebruik van diermeel afkomstig van
    herkauwers te gebruiken in voer voor herkau-        runderen en het is nog steeds één van der
    wers;                                               redenen voor een algeheel verbod op het
•    In 1994 werd dit verbod uitgebreid tot het ge-     gebruik van diermeel.
    bruik van diermeel van zoogdieren in voer voor
    herkauwers;                                        1.5. Verdere maatregelen ter preventie van
•    Vanaf 1996 mocht geen diermeel meer geïm-                 TSE/BSE
    porteerd worden uit Groot-Brittannië, vanwege
    de BSE-epidemie die daar plaatsvond;            Binnen de EU zijn maatregelen van kracht is om te
•    Vanaf het voorjaar van 1999 geldt in Neder-    voorkomen dat BSE zich verder kan verspreiden
    land een zogenaamde 'nultolerantie' voor dier-  en mogelijk mensen kan besmetten met vCJD.
    meel in voer voor rundvee. Dat betekent dat     •    Uit alle runderen, ouder dan 2 jaar, die
    varkens- en pluimveevoer niet meer op dezelf-       geslacht worden ten behoeve van menselijke
    de productielijnen als rundveevoer geprodu-         consumptie wordt het zogenaamde Specifiek
    ceerd mogen worden. Dit was tot dan wel             Risicomateriaal (SRM) verwijderd en vernie-
    gebruikelijk;                                       tigd. De kans dat een consument daardoor be-
•    Om het verbod op het gebruik van diermeel in       smet materiaal eet, wordt daarmee minimaal;
    voer voor herkauwers te kunnen waarborgen       •    Alle geslachte runderen die ouder zijn dan 30
    werd vanaf december 2000 in al het veevoer          maanden worden getest op BSE. Indien er
    het gebruik van diermeel verboden. Op dit           sprake is van een noodslachting (in geval van
    verbod zijn enkele uitzonderingen van toepas-       niet-besmettelijke ziekten) geldt een minimum
    sing. Zo mag bijvoorbeeld vismeel wel gebruikt      leeftijd van 24 maanden. Alle dieren die posi-
    worden in voer voor varkens, pluimvee en vis-       tief bevonden worden op BSE worden verwij-
    sen. Wetenschappelijk zijn er geen aanwijzin-       derd en vernietigd. Het standaard testen van
    gen dat BSE voorkomt in varkens of pluimvee.        jongere dieren is niet zinvol, aangezien BSE
    Het gebruik van diermeel afkomstig van deze         nog niet aantoonbaar is in het dier.
12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>   40000
   35000
   30000
   25000
   20000
   15000
   10000
                                                                                                            1311
     5000
                727                                                                                                781    445    173    82
         0
                <1988   1988   1989   1990   1991   1992   1993   1994   1995   1996   1997   1998   1999   2000   2001   2002   2003   2004
Figuur 1. Klinische BSE gevallen uit passieve surveillance in Groot Brittannië
(Data: http://www.defra.gov.uk/animalh/bse/statistics/weeklystats.html. Figuur: L. Heres)
Deze maatregelen beogen hetzelfde effect, te                               De regels voor importvlees buiten de Europese
weten het voorkomen dat prionen in de voedsel-                             Unie zijn dezelfde als binnen de EU, inclusief
keten terechtkomen. Echter, ze hebben een dus-                             slachttechnieken en feedban (Verordening EC
danige overlap, dat de meerwaarde van de sneltest                          999/2001). Alleen landen waar de kans op BSE
ten opzichte van het verwijderen van SRM twijfel-                          zeer onwaarschijnlijk is volgens de Scientific
achtig is en met twee keer zo hoge kosten gepaard                          Steering Committee, kunnen vrijgesteld worden
gaan om dezelfde garantie te kunnen geven. Het                             van importvoorschriften [1].
testen van runderen zou daarom alleen ingezet
moeten worden als monitoringsinstrument (Bene-
dictus 2004).
                                                                                                                                               13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>Land                                     2001             2002                 2003                2004
Portugal                                137,88            107,8               137,19              93,87
GB                                      232,76           228,24               122,44              67,80
Ierland                                  61,80            88,39                57,81               43,3
Spanje                                   24,23            37,95                46,31               38,9
Zwitserland                               49,1            27,93                24,86               3,75
Frankrijk                                 19,7            20,96                12,01               4,74
Nederland                                10,25            13,19                10,86               3,40
België                                   28,22            25,75                10,54               7,88
Italië                                    14,1             10,6                9,86                2,35
Duitsland                                19,97            17,02                8,71                10,9
Denemarken                                6,77             3,35                2,39                1,30
Luxemburg                                   0             14,54                  0                  --
Tabel 1.BSE-incidentie (klinische + surveillance) in verschillende Europese landen sinds de actieve
surveillance per miljoen runderen ouder dan 24 maanden.
(Bron: http://www.oie.int/eng/info/en_esbincidence.htm)
2. BSE EN vCJD-SITUATIE IN NEDERLAND EN                      2.2. Incidentie van BSE bij runderen in
     EUROPA                                                        Nederland tot 2005
     2.1. Incidentie van BSE in Europa tot 2005         Het aantal gevallen van het totaal aantal BSE-
                                                        positieve dieren in Nederland neemt ook duidelijk
Het voorkomen van boviene spongiforme encefalo-         af (figuur 2). De toename in 2001 is het gevolg van
pathie (BSE) neemt in Nederland en de meeste            de start van het actief testen van runderen. De
landen van Europa af, met uitzondering van              afname die zichtbaar wordt in 2004 is te verklaren
Duitsland en enkele nieuwe EU-lidstaten. Naast          door de preventieve maatregelen die zijn genomen
Groot-Brittannië (GB) (figuur 1 en tabel 1) is de       eind jaren negentig. De geboortepiek van BSE-
incidentie in Ierland, Spanje en Portugal nog erg       gevallen ligt in 1996, waarschijnlijk ten gevolge van
hoog.                                                   uit GB ingevoerd besmet beendermeel (vlak voor
                                                        de importstop). De daling daarna is het gevolg van
14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>         25
         20           slacht
                      destructie
         15
aantal                klinisch
         10
          5
          0
              1997    1998         1999   2000       2001   2002       2003    2004     2005
                                                     jaar
Figuur 2. Aantal BSE-gevallen in Nederland per jaar (t/m oktober 2005, L. Heres)
het effect van verbeterde destructieprocessen,              gaan stijgen ten gevolge van de genomen maat-
importstop diermeel en het verwijderen van SRM-             regelen.
materiaal. Er is in Nederland één geval gedetec-
teerd dat geboren is in januari 2000, na de invoe-             2.3. Incidentie    van   variant      Creutzfeldt-
ring van de nultolerantie van dierlijk eiwit in de voe-                Jakob Disease (vCJD) tot 2005
ders voor herkauwers in april 1999 (figuur 3 en
tabel 2).                                                   Het aantal gevallen van vCJD in Groot Brittannië
De leeftijden van de runderen waarbij BSE werd              neemt af (figuur 5). Elders in de wereld zijn
aangetroffen staan weergegeven in figuur 4.                 sporadische gevallen gemeld (tabel 3).
Driekwart van de dieren was tussen de 4 en 7 jaar
oud. De gemiddelde leeftijd waarop BSE in Neder-
land optreedt ligt daarom rond de 6.4 jaar (de
incubatietijd wordt geschat rond de 5 jaar). De
verwachting is dat deze gemiddelde leeftijd zal
                                                                                                              15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>       35
       30                                                                                                    2005
       25                                                                                                    2004
                                                                                                             2003
       20                                                                                                    2002
       15                                                                                                    2001
       10                                                                                                    voor 2001
        5
        0
                1988   1989   1990   1991   1992   1993   1994   1995     1996   1997   1998   1999   2000   2001    2002
                                                          geboortejaar
Figuur 3. Geboortejaar van de 78 BSE-koeien in Nederland in de verschillende jaren van de actieve en
passieve surveillance
(Bron: BSE in Nederland. Rapport CIDC Lelystad, L. Heres e.a., oktober 2005 (update))
3. REGELGEVING EN RISICOBEHEERSING BIJ                                  3.2. Destructiewet
     DE DESTRUCTIE VAN DIERLIJK EIWIT
                                                                 In de wet worden verschillende categorieën van
     3.1. Inleiding                                              afvallen gedefinieerd. Deze krijgen elk een aparte
                                                                 bestemming, zodat voorkomen wordt dat de niet
Jaarlijks produceren de dierhouderij en de visserij              voor menselijke of dierlijke consumptie geschikt
in Nederland samen alleen al ongeveer 1,5 miljoen                bevonden afvallen toch weer in de voedselketen
ton dierlijke bijproducten en ruim honderdduizend                terecht kunnen komen (kanalisatie). De ‘lichtste’
ton kadavers. Om de dier- en volksgezondheid                     categorie is Laag Risico Materiaal (LRM) en deze
hierbij te waarborgen, is in 1957 de Destructiewet               mag in speciale, vergunningplichtige bedrijven
van kracht geworden.                                             worden be- en verwerkt tot diervoeder (o.a.
                                                                 petfood). De daaropvolgende, zwaardere categorie
                                                                 is het Hoog Risico Materiaal (HRM) en deze mag
16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>Jaar               Categorie                         Aantal dieren         Aantal dieren BSE-positief
2001               Klinische verdenking                     97                          6
                   Kadavers                               31.056                        3
                   Slachtdieren                          467.928                       11
                   Totaal                                499.081                       20
2002               Klinische verdenking                     40                          2
                   Kadavers                               50.753                        8
                   Slachtdieren                          510.405                       14
                   Totaal                                561.198                       24
2003               Klinische verdenking                     25                          2
                   Kadavers                               50.992                        5
                   Slachtdieren                          457.680                       12
                   Totaal                                506.325                       19
2004               Klinische verdenking                     19                          0
                   Kadavers                               50.443                        1
                   Slachtdieren                          487.353                        5
                   Totaal                                537.815                        6
Tabel 2. Aantal geteste dieren in verschillende categorieën en de uitslagen
(Bron: BSE in Nederland. Rapport CIDC Lelystad, L. Heres e.a., april 2005)
uitsluitend via destructoren (de facto Rendac          Oorspronkelijk is deze categorie in verband met de
vestiging in Son, Brabant) met een zeer intensieve,    BSE-problematiek in het leven geroepen en betrof
nauwkeurig     omschreven,       warmtebehandeling     het specifieke afvallen van runderen en schapen
worden omgewerkt tot nuttige producten. De             waarvan vermoed werd dat deze het allergevaar-
allerzwaarste categorie afvallen wordt Specifiek       lijkst waren in verband met verdere overdracht en
Risico Materiaal (SRM) genoemd. Deze mag               verspreiding. Thans is deze categorie zeer sterk
uitsluitend worden vernietigd (door verbranding).      uitgebreid op grond van vooral ethische overwe-
                                                                                                       17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>Figuur 4. Leeftijden van de BSE-koeien in Nederland t/m 2004 (L. Heres)
gingen. In tijden van nood, zoals bij een massale     kanalisatiegedachte, het mengsel automatisch de
uitbraak van een besmettelijke dierziekte, mogen,     zwaarste categorie. Het is uiteraard verboden
onder strikte regie van de overheid, kadavers ook     LRM, HRM en SRM materialen niet aan te bieden
onschadelijk worden gemaakt door begraving of         of aan verwerking te onttrekken, c.q. een andere
verbranding.                                          bestemming te geven dan die wettelijk is voor-
                                                      geschreven.
Bij vermenging van de verschillende categorieën       Een excerpt van de Destructiewet en de Regeling
van afvallen wordt, als logisch gevolg van de         aanwijzing gespecificeerd hoog-risico-materiaal
18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>              30
              25
              20
     aantal   15
              10
              5
              0
                   1994   1995    1996    1997    1998     1999    2000   2001   2002   2003    2004   2005
                                                                  jaar
Figuur 5. Aantal gevallen van variant Creutzfeldt-Jakob Disease in Groot-Brittannië
(Bron: http://www.dh.gov.uk/policyandguidance/healthandsocialcaretopics/cjd/cjdgeneralinformation/cjdgeneralarticle/fs/en,
figuur: L. Heres)
2000, gewijzigd bij ministeriële regeling van 26                    naleving van de destructiewetgeving op slachte-
maart 2001, is te vinden als bijlage 2.                             rijen en uitsnijderijen etc. een integraal onderdeel
                                                                    van het VWA-KvW takenpakket. Bij de destruc-
Toezicht op de naleving van de regelgeving                          toren van de Rendac en in de winkels en horeca
geschiedt door de Voedsel en Waren Autoriteit en                    wordt voornamelijk toezicht gehouden door de
de    Algemene       Inspectiedienst     (AID)   van     het        VWA en bij de primaire bedrijven door de AID, zij
Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedsel-                         het dat de regelmatige controle van de eigenlijke
kwaliteit (LNV). Door de logischerwijs nauwe                        procesvoering bij de destructoren van de Rendac
verwevenheid        met   de     Vleeskeuringswet,       de         ook door de VWA-RVV gedaan wordt. Met name
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en de                       de AID en de VWA-RVV onderzoeken overtre-
Landbouwwet (o.a. keuring pluimvee), én omdat de                    dingen van de regels op basis van steekproeven,
kwantitatief belangrijkste afvalstromen in deze                     dan wel na meldingen of klachten van derden,
fasen ontstaan, is het dagelijks toezicht op de                     zoals omwonenden.
                                                                                                                       19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>                                                            hiervan….);
  Land                       Aantal         Jaar      2.    De onopzettelijke of opzettelijke bezoede-
                                                            ling/vermenging van partijen LRM materialen
  GB                          155
                                                            door of met enig materiaal dat (HRM) SRM is.
  Frankrijk                    11                     De consequentie van het misgaan van de kanalisa-
                                                      tie is, dat SRM-materiaal terug kan komen in de
  Ierland                      2            2004      voedselketen. De onopzettelijke of opzettelijke
                                                      herbestemming van partijen SRM (inclusief de met
  Canada                       1                      SRM bezoedelde partijen LRM) tot LRM zorgt
                                                      ervoor dat dit materiaal kan worden gebruikt als
  Italië                       1            2002      grondstof voor diervoeders. Ook kan LRM en/of
                                                      SRM zelfs als grondstof voor menselijk voedsel
  USA                          1                      gaan     dienen.   Voorbeelden    hiervan  zijn  het
                                                      uitslachten van een kadaver of een ongekeurd,
  Hong Kong                    1
                                                      (illegaal) in    nood  gedood dier     en  het zelf
                                                      consumeren of doorverkopen van het hiervan
  Japan                        1            2005
                                                      afkomstige vlees, het verwerken van ongeschikt
                                                      verklaarde (LRM) slachtafvallen in allerlei vlees-
  Nederland                    1            2005
                                                      bereidingen (zoals worstdeeg) en het verkopen
Tabel 3. Aantal gevallen van variant Creutzfeldt-
Jakob Disease wereldwijd                              en/of verwerken van bedorven verklaard (oorspron-
                                                      kelijk goedgekeurd) vlees of vleesproducten.
Wat betreft de kanalisatie van de kadaver- en
afvalstromen naar enerzijds totale vernietiging van   Door fouten in de logistiek kunnen hele bakken
SRM door verbranding en anderzijds een veilige        SRM en LRM materialen worden verwisseld, c.q.
LRM-verwerking door de diervoederindustrie zijn       kunnen      hele   bakken   met    LRM    materialen
de volgende twee ‘algemene kritische punten’ aan      bezoedeld worden door toevoeging van meer of
te wijzen:                                            minder SRM materialen. Hierdoor moeten de
1.     Het opzettelijk niet aanbieden van kadavers of gecontamineerde bakken met LRM materialen ook
       SRM-materialen       door    eigenaren/houders tot SRM worden bestempeld. Door koelfouten bij
       (dumpen, begraven of anderszins ‘wegwerken’    de bewaring en/of te lange bewaring kan bederf
20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>van karkassen, slachtbijproducten en LRM materia-     gorie 3 is de lichtste klasse en vergelijkbaar met
len optreden, waardoor ook deze tot SRM moeten        het vroegere LRM. Categorie 1 en 2 materiaal
worden bestempeld.                                    moet een dusdanige bestemming krijgen dat deze
                                                      niet meer terug kan komen in de voedselketen,
    3.3. Bijproductenverordening                      zoals bijvoorbeeld (mede) verbranding (categorie
                                                      1), compostering (categorie 2) of de oleochemische
Sedert 1 mei 2003 is ook in Nederland de Dierlijke    industrie (categorie 2). Door het nog steeds in de
Bijproducten    Verordening    2002/1774   EU   van   EU van kracht zijnde totaalverbod op het gebruik
kracht geworden (zie bijlage 4). Deze Verordening     van diermelen/dierlijke eiwitten in voeders voor
is in feite een samenvoeging van de Destructie        productiedieren, komen eigenlijk alleen nog de
Richtlijn 90/667/EU en de Bezemrichtlijn 92/118/EU    bijproducten uit categorie 3 in aanmerking om
en superponeert als het ware de regels van de         verwerkt te worden tot/in diervoeders voor gezel-
huidige,   nog    niet  ingetrokken,  Destructiewet.  schapsdieren en pelsdieren.
Vergeleken met de vorige rapportage zijn hierdoor
enige zaken veranderd, vooral wat betreft de              3.4. Specifieke regelgeving voor het ge-
gebruikte termen en definities. De kanalisatie-                 bruik van dierlijke eiwitten in vee-
gedachte     staat   ook   in  de  nieuwe   Dierlijke           voeders
Bijproducten Verordening centraal. Het verschil
met de oudere regelgeving is, dat in de nieuwe        Het huidige verbod om dierlijk eiwit aan her-
Verordening (weer) onderscheid wordt gemaakt          kauwers te voeren is opgenomen in de TSE-
tussen drie categorieën bijproducten, waarvoor ook    Verordening 999/2001 EU, art. 7 en bijlage IV en
per categorie bepaalde verwerkingsmogelijkheden       houdt in dat het verboden is van zoogdieren
gelden. Deze categorieën vervangen de in de           afkomstige eiwitten aan herkauwers te vervoede-
huidige destructiewet gehanteerde tweedeling in       ren en verwerkte dierlijke eiwitten, van herkauwers
Specifiek Risico Materiaal (SRM) en Laag Risico       afkomstige gelatine, bloedproducten en di- en tri-
Materiaal (LRM). Het vroegere SRM is thans            calciumfosfaat van dierlijke oorsprong (en dier-
onderdeel van het categorie 1 materiaal, de           voeders die deze dierlijke eiwitten bevatten) te
zwaarste klasse. Categorie 2 materiaal is een         vervoederen aan landbouwhuisdieren, met uitzon-
intermediaire klasse wat betreft de veronderstelde    dering van pelsdieren (zie bijlage 5). Aan niet-
potentiële dier- en volksgezondheidsrisico’s. Cate-   herkauwers mogen vismeel, gehydrolyseerde eiwit-
                                                                                                       21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>                       Verwerkte       Vismeel, gehydr.        Melk(producten),        Bloedproducten en
                        dierlijke       eiwitten, di- en    ei(producten) en niet-           bloedmeel
                        eiwitten       tricalciumfosfaat      herkauwergelatine
 Herkauwers                    X                  X                Toegestaan                      X
 Niet-herkauwers               X             Toegestaan            Toegestaan                      X
 Vissen                        X             Toegestaan            Toegestaan                  Toegestaan
Tabel 4. Uitwerking van de regelgeving voor het gebruik van dierlijke eiwitten in veevouders
ten afkomstig van huiden van niet-herkauwers en              3.5. Ketencontrole [3]
herkauwers en dicalciumfosfaat en tricalcium-
fosfaat wel worden gebruikt onder specifieke voor-       Op dit moment vindt reeds kanalisatie van grond-
waarden. Verder mogen aan herkauwers melk,               stoffen plaats. In combinatie met controle van
melkproducten en colostrum, eieren en eiproducten        documenten, het veterinaire toezicht in de verschil-
en     van   niet-herkauwers     afkomstige    gelatine  lende stadia van de productieketen en de aan de
worden vervoederd. Aan vissen mogen bloed-               bedrijven gestelde HACCP-eisen is een basis
producten en bloedmeel van niet-herkauwers               aanwezig voor een herintroductie op een verant-
worden vervoederd. Door het (bijna) totaalverbod         woorde manier. Echter een definitief sluitende
op de vervoedering van dierlijke eiwitten, zijn de       controleerbaarheid is pas mogelijk indien aan twee
nadere beperkingen van de Dierlijke bijproducten-        aanvullende eisen kan worden voldaan.
verordening EG (nr.) 1774/2002, in het bijzonder         Het gaat daarbij enerzijds om de invulling van de
het verbod op de intraspecies recycling van              eis om categorie 1 en 2 grondstoffen (zijnde de
dierlijke eiwitten, nog niet aan de orde. Voor vissen    grondstoffen die om ethische redenen of redenen
is het verbod op intraspecies recycling inmiddels        van volksgezondheid niet als diervoederingrediënt
nader bepaald, waardoor vissen wel vismeel               kunnen worden hergebruikt) dermate te onder-
vervoederd mogen krijgen. In tabel 4 is dit              scheiden (door kleur of anderszins), dat zij door de
ingewikkelde verbod nader uitgewerkt.                    hele keten herkenbaar en eenvoudig controleer-
                                                         baar blijven als ongeschikt.
In het voorjaar 2005 stelt de Commissie opnieuw          De mogelijkheid hiertoe wordt op korte termijn
voor om bijlage IV van Vo. 999/2001/EU te                voorzien. Op verzoek van het EU-onderzoeks-
wijzigen. In figuur 6 staan de voorstellen tot wijzi-    bureau JRC worden de hiervoor reeds geschikt
ging schematisch weergegeven.                            bevonden markeringsmogelijkheden definitief ge-
22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>                          Voer voor landbouwhuisdieren
                          Herkauwers      Andere       Vis          Huisdieren
1. Bloedproducten van
niet-herkauwers
                                                                                           Verboden
2. Gehydrolyseerde
eiwitten van huiden van
herkauwers en weefsel
van niet herkauwers                                                                        Voorgestelde wijziging
                                                                                           opheffing verbod
3.Knollen/bieten of
diervoeders die deze
producten bevatten en
die botmateriaal
bevatten
                                                                                           Toegestaan
Figuur 6. Voorstellen van de Europese Commissie tot wijziging van bijlage IV van Vo. 999/2001/EU
valideerd. Naar verwachting zal op korte termijn          om te kunnen controleren of herkauwereiwitten in
nieuwe wetgeving worden opgesteld waarin de               voeders voor herkauwers kunnen worden aange-
gevalideerde markeringsmogelijkheden als ver-             troffen. Controle op het gebruik van dierlijke eiwit-
plichtend   worden     opgelegd.   Dat   brengt    de     ten in het algemeen in herkauwervoeders wordt nu
controleerbaarheid een belangrijk stuk dichterbij.        reeds    middels  microscopie    gedaan.    Species-
                                                          detectiemethoden zijn op dit moment nog niet
Anderzijds wordt de controleerbaarheid definitief         voorhanden,     maar   in   vergaande    staat   van
sluitend geacht indien een zogenaamde species-            ontwikkeling. Een betrouwbare methode voor het
detectiemethode voorhanden is. Aan de hand van            vaststellen van herkauwereiwitten is wel binnen
deze species-detectie kan worden vastgesteld              handbereik en validatietesten zullen begin 2006
welke diersoorten in het eindproduct zijn verwerkt.       plaatsvinden. De beschikbaarheid van andere dier-
Specifiek in relatie tot de beheersing en bestrijding     soortspecifieke testen is slechts relevant in relatie
van BSE is het hier in de eerste plaats van belang        tot de species-to-species beperking, die eveneens
                                                                                                            23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>in EU-verordening 1774/2002 is opgenomen. De          •    Visuele controle door op de hele keten op
intra-species-barrière heeft naast het voorzorg-           markering/kleuring van niet geschikte grond-
principe ook een ethische grondslag. De contro-            stoffen;
leerbaarheid van de species-to-species barrière       •    Documentencontrole door de hele keten;
kan dan ook via andere, aanvullende controle-         •    Speciescontrole;
mechanismen       zoals   kanalisatie,  documenten-
controle en veterinaire controle worden beheerst.     Er zijn dus vele elkaar overlappende en aan-
Zelfs zonder aanvulling van een markertest is hier    vullende controlemechanisme binnen de keten
een voldoende waarborgniveau met betrekking tot       aanwezig en er wordt uitgegaan van een aantal
de volks- en diergezondheid.                          controlemomenten, namelijk:
                                                      A:   Vrijkomen van voor consumptie geschikte,
Onderstaand overzicht geeft schematisch aan                maar niet bestemde, dierlijke bijproducten:
welke controle-elementen in de keten voorhanden            •     Veterinaire controle op het productie-
zijn en op welke momenten deze worden ingezet.                   proces en de scheiding van grondstoffen
Daarbij is geanticipeerd op de beschikbaarheid van               naar geschikt/ongeschikt voor verwer-
twee additionele controle-mechanismen die op dit                 king;
moment nog in definitieve ontwikkeling zijn, te            •     Zelfregulering bij bedrijven door HACCP/
weten     de   markers    en    de  species-detectie-            ISO-systemen;
methoden.                                                  •     Ongeschikt maken van niet geschikte
De verschillende controlemechanismen bestaan                     grondstoffen door markering/kleuring en
uit:                                                             verplichte afvoering ter vernietiging daar-
•     Veterinaire controle in alle schakels van de               van ;
     keten;                                                •     Documentencontrole.
•     Veterinaire controle op de scheiding van        B:   Transport van grondstoffen naar het verwer-
     grondstoffen naar geschikt/ongeschikt voor            kingsbedrijf:
     verwerking;                                           •     Zelfregulering via HACCP;
•     Zelfregulering bij bedrijven door HACCP/ISO-         •     Visuele    controle    op    gemarkeerde/
     systemen;                                                   gekleurde grondstoffen;
•     Ongeschikt maken van niet geschikte grond-           •     Documentencontrole.
     stoffen door markering/kleuring;                 C:   Aankomst op het verwerkingsbedrijf:
24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>      •     Veterinaire controle op het verwerkings-   4. RISICOBEOORDELING VAN SCHADELIJKE
            bedrijf;                                        AGENTIA IN DIERLIJKE (BIJ)PRODUCTEN
      •     Zelfregulering op het verwerkingsbedrijf
            door HACCP/ISO/GMP;                             4.1. Inleiding
      •     Documentencontrole;
      •     Visuele controle op het verwerkingsbedrijf Voor een eventuele herintroductie van verwerkte
            op gemarkeerde/gekleurde grondstoffen;     dierlijke bijproducten in voeders voor productie-
      •     Toepassing van de hoogste processing-      dieren is een risicobeoordeling uitgevoerd met het
            standaarden.                               oog op de dier- en volksgezondheid met bijzondere
D:    Vertrek van het verwerkingsbedrijf en/of trans-  aandacht voor de TSE’s. Eerst is een algemene
      port naar veevoederbedrijf:                      risicobeoordeling uitgevoerd. Dit om aan te geven
      •     Markertest op het eindproduct;             in welk kader BSE geplaatst moet worden in de
      •     Species test op het eindproduct;           totale gevaar- en risicosetting van vooral de zoöno-
      •     Documentencontrole;                        tische agentia. Daarna is gekeken naar de à-priori
      •     Transport via GMP.                         kansen dat dierlijke bijproducten worden (kruis)ge-
E:    Aankomst op veevoederbedrijf:                    contamineerd met prionenhoudend materiaal. De in
      •     Markertest;                                dit hoofdstuk gebruikte gegevens en berekeningen
      •     Species test;                              komen uit drie onderzoeken die in 2001 en 2003
      •     Documentencontrole;                        zijn uitgevoerd in opdracht van de ministeries van
      •     Veterinaire controle.                      LNV en VWS [1, 2, 3]. Voor nadere details wordt
                                                       dan ook nadrukkelijk verwezen naar de hiervan
Om een verantwoorde herintroductie van dierlijke       gemaakte rapportages.
eiwitten mogelijk te maken dient te worden uitge-
gaan van de beschikking over geschikte markers              4.2. Het ontstaan van gevaren voor de
voor categorie 1 en 2 materiaal en een test-                     volksgezondheid in slachtbijproduc-
methode die de aanwezigheid van specifiek                        ten
rundermateriaal in het eindproduct kan vaststellen.
Beide zijn op dit moment in vergaande ontwikkeling     Een contaminatie met, in aanleg voor de dier- of
en kunnen de deur voor de herintroductie van dier-     volksgezondheid     gevaarlijke,   microbiële   en/of
lijke eiwitten in diervoeders definitief openen.       chemische agentia zoals milieucontaminanten, bio-
                                                                                                         25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>Dier gestorven of gedood vanwege:
honger/dorst (verwaarlozing of voeder/drenkfouten); gebreksziekten (rantsoen of beweidingsfouten);
ongeluk/trauma; postoperatieve complicaties; verwenteling (schapen); gecompliceerde partus (al of niet
gevolgd door/in combinatie met foetale sterfte en endometritis); lebmaagdislocaties; ileus/koliek; neoplasieën;
acute of chronische infecties; vergiftigingen (incl. door voederfouten t.a.v. micronutriënten, zoals koper,
zoutgehalten, nitrietgehalten etc.) en/of vergiftigingen door opname van toxische stoffen/elementen via het
rantsoen (planten, schimmeltoxinen, xenobiotische stoffen etc.); blikseminslag.
Potentieel in kadavers, slachtdieren, karkassen, vlees, slachtbijproducten, en afvallen aanwezig:
virussen, prionen, bacteriën, mycoplasmata, rickettsiae, parasieten, residuen van therapeutica (incl. anti
endo- en ectoparasitica, ongediertebestrijdingmiddelen), milieucontaminanten, herbi- en pesticiden, bij bederf:
rottingsproducten met een toxische werking (zoals biogene aminen en nitrosoaminen, ammoniak etc.) en/of
bacteriële toxinen (zoals botulisme toxine).
Tabel 5. Oorzaken van het ontstaan van kadavers en de potentieel aanwezige gevaren in dieren en
dierlijke producten
contaminanten (schimmeltoxinen) of diergenees-             veiligheid en kwaliteit van het geproduceerde vlees
middelen, kan plaatshebben tijdens de opfok op             en de vrijkomende slachtbijproducten. Uitgezon-
het boerenbedrijf, tijdens het transport van de            derd    hierbij   zijn   natuurlijk   een    accidentele
dieren naar een veemarkt of slachterij en/of tijdens       contaminatie met omgevingsvuil of allerlei proces-
het verdere proces van de slacht en verwerking tot         technische      hulpstoffen,     zoals   reinigings-  &
consumeerbare producten. Tabel 5 geeft een                 desinfectiemiddelen of vloeistoffen uit leidingen van
(globaal) overzicht van de mogelijke soorten van           bijvoorbeeld koelsystemen. De massale kruisconta-
gevaren die bij kadavers, slachtdieren, vlees en de        minaties van dieren, karkassen, eetbare en oneet-
vrijkomende afvallen/bijproducten kunnen voorko-           bare bijproducten (LRM & SRM gelijk), uitgesneden
men.                                                       delen en consumentklare eenheden met allerlei
                                                           (entero)pathogenen        tijdens   het  transport,  de
Van alle schakels in de keten waar risico’s voor de        wachttijd in de stallen van het slachthuis en tijdens
dier- en volksgezondheid kunnen worden geïntro-            de slacht en verdere verwerking, zijn vrijwel zonder
duceerd, is de boerderijfase zonder twijfel de             uitzondering     het   uiteindelijke   gevolg   van  de
belangrijkste. In de latere schakels zal een               toestand in de boerderijfase.
‘natuurlijke’ contaminatie met micro-organismen en
milieucontaminanten vanuit de omgeving door-
gaans een vrijwel onmeetbaar effect hebben op de
26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>     4.3. Risicobeoordeling      van  categorie     1 bij maximaal ongeveer 3% van de dieren met wat
          materialen, niet zijnde SRM, en van de      uitgebreider klinische verschijnselen (slachtcate-
          categorie 2 en 3 materialen                 gorie 3 dieren). Bij dieren met ante-mortem nog
                                                      ernstiger afwijkingen, de zogenaamde slachtcate-
Milieucontaminanten, verboden stoffen en toxische     gorie 4 dieren, kunnen bij ongeveer 10% van de
stoffen                                               individuen nog residuen van antibiotica worden
In het algemeen is de kans op (hoge) gehalten aan     aangetoond. Van de ernstig algemeen zieke dieren
milieucontaminanten of verboden stoffen in slacht-    (slachtcategorie 5) en de in nood gedode dieren
dieren en de daarvan afkomstige bijproducten          (slachtcategorie 6) zal ongeveer 20%-40% antibio-
klein. Dat wil zeggen, in de orde van promilles of    ticaresiduen bevatten. Bij vooral de laatste twee
nog kleiner.                                          categorieën kunnen/zullen de eventuele gestelde
Acute of subacute vergiftigingen zijn eveneens        maximale     residulimieten   (MRL’s)     ruimschoots
zeldzaam; geschat maximaal 1% van de niet-            worden overschreden. Van de totale aanvoer aan
infectieuze doodsoorzaken bij vee. Voor het           slachtdieren maken de slachtcategorie 4, 5 en 6
merendeel betreft het in die gevallen zaken als       dieren samen ongeveer 0,5% uit. De slachtcatego-
nitraatvergiftiging (vooral herkauwers), koperver-    rie 2 dieren maken circa 0,7% van de totale aan-
giftiging (vooral schapen) of zoutvergiftigingen.     voer uit en de slachtcategorie 3 dieren ongeveer
Tijdens de ante- en post-mortem keuring, of anders    0,5%. Alleen de slachtcategorie 1 en slachtcate-
tijdens het verdere bewerkingsproces, zullen dit      gorie 2 dieren mogen in een EU-erkend slachthuis
soort intoxicaties snel ontdekt worden, onder ande-   geslacht worden. De andere slachtcategorieën
re vanwege de vaak sterk afwijkende geur en kleur.    moeten op een bijzondere slachtplaats worden
De kans op ‘doorslippen’ van deze gevallen moet       geslacht.
dan ook als bijzonder klein beschouwd worden.
                                                      Overigens zullen de gehalten aan antibioticum-
Residuen van antibiotica en een aantal andere         residuen in het vlees en de bijproducten van
therapeutica                                          positieve dieren, zeker gezien de kleine kans op
Residuen van antibiotica kan men bij ongeveer         herhaalde blootstelling, in de praktijk eigenlijk nooit
0,2% van de ter slacht aangeboden dieren met          kunnen leiden tot het induceren van meetbare
geen tot enige, geringe klinische (lokale) verschijn- resistentie bij de residente darmflora van de aan dit
selen aantreffen (slachtcategorie 1 en 2 dieren) en   residuhoudend vlees (of bijproduct) blootgestelde
                                                                                                          27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>consumenten. Ook de eventueel toxische of              der om dodelijk getroffen te worden door de
allergische reacties van consumenten op de             bliksem is ongeveer 1 op 5 miljoen.
aanwezige antibioticumresiduen zijn een relatief
gering    risico.  Residuen     van   de   toegepaste  Bij ongeveer 75% van het afgevoerde wrakke vee
diergeneesmiddelen, niet in het minst door de          wordt de wachttijd van die diergeneesmiddelen,
wettelijke voorschriften omtrent hun toelating,        waar bij de uitgebreide keuring niet op wordt onder-
kanalisatie en het gebruik, zijn een in het algemeen   zocht, waarschijnlijk niet altijd goed geëerbiedigd.
vele malen kleiner risico voor de gezondheid van       Voorbeelden van zulke stoffen zijn analgetica,
de consument dan de aanwezigheid van zoöno-            lokaal anesthetica en analgetische niet-steroïde
tische    pathogenen      op/in   de   producten    en antiflogistica. Derhalve kan geconcludeerd worden,
bijproducten. Zo is de huidige jaarlijkse waarschijn-  dat bij door ernstige ziekte afgevoerd of in nood
lijkheid op een ongewenste lichamelijke reactie bij    gedood vee (slachtcategorie 4, 5 en 6) de kans op
een willekeurige Nederlandse consument door            een residu positief dier betrekkelijk groot is.
blootstelling aan tetracyclinen via de consumptie
van varkensvleesproducten en bijproducten ten          Dieren uit slachtcategorie 4, 5 en 6 kunnen echter
hoogste 1 op 33 miljoen. De bijbehorende waar-         nog wel degelijk geheel of gedeeltelijk goed-
schijnlijkheid dientengevolge te overlijden wordt      gekeurd worden voor humane consumptie en dus
geschat      op   maximaal     1   op   133   miljoen. goedgekeurd vlees en dierlijke bijproducten van
Daartegenover staat de jaarlijkse waarschijnlijkheid   categorie 3 opleveren, terwijl ze dus eigenlijk wel
van 1 op 1600 met betrekking tot het oplopen van       degelijk residuen van bijvoorbeeld diergenees-
een     voedselinfectie    met   Salmonella   via  de  middelen kunnen/zullen herbergen.
consumptie van varkensvlees (en producten). De
bijbehorende waarschijnlijkheid om dientengevolge      Derhalve is, gezien de relatief geringe omvang van
te overlijden is geschat tussen 1 op 600.000 -         deze stroom van afwijkende dieren en de relatief
800.000. In Nederland wordt voor de toepassing         grote kans op residu-positiviteit, het uit het oogpunt
van kankerverwekkende verbindingen een extra           van voedselkwaliteit en voedselveiligheid (en het
jaarlijks overlijdensrisico voor de algehele populatie voorzorgsprincipe) sterk het overwegen waard om
van ten hoogste 1 op 1 miljoen nog net acceptabel      de dieren in de slachtcategorie 4, 5 of 6 per
geacht. Ter verdere vergelijking: de jaarlijkse        definitie ongeschikt voor menselijke of dierlijke
waarschijnlijkheid voor een willekeurige Nederlan-     consumptie te verklaren.
28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>Zoönose                                         Belangrijkste reservoirs            Absolute score Relatief
Colibacillose (VTEC: E. coli O157:H7))          rund, geit, schaap                       2304        100
Salmonellose (Salmonella spp.)                  alle dieren                              2112         92
Campylobacteriose (Campylobacter spp.)          vogels, varkens, e.v.a.                  1584         69
Larva Migrans syndroom                          door honden en katten
(Toxacara canis, Toxocara cati)                 besmette grond/zandbak                   1584         69
Leptospirose (L. interrogans)                   o.a. ongedierte                          1296         56
Psittacose/ornithose (Chlamydophila psitacci
  & C. abortus)                                 vogels/EAE: geit, schaap                 1056         46
Q fever (Coxiella burnetti)                     rund, geit, schaap                        792         34
                                                door katten besmette grond/zandbak,
Toxoplasmose (Toxoplasma gondii), oöcysten      schaap, geit, rund                        792         34
Cryptosporidiose (Cryptosporidium parvum)       rund, geit, schaap                       756          33
Colibacillose (ETEC)                            alle dieren                               704         31
Yersiniose
(Yersinis enterocolitica & pseudotuberculosis)  vogels, varken                            704         31
Paratuberculose
(Mycobacterium paratuberculosis)                rund, geit, schaap                        336         15
Kattenkrabziekte (Bartonella henselae)          kat                                       336         15
Listeriose (Listeria monocytogenes)             rund, geit, schaap                       264          11
Tuberculose (Mycobacterium avium)               vogels, varken                            240         10
Caseous lymfadenitis
(Corynebacterium pseudotuberculosis)            geit, schaap                              224         10
Staphylococcose (Staphylococcus aureus)         vogels, herkauwers                        168         7
BSE                                             rund                                      150         7
Tuberculose (Mycobacterium bovis)               herkauwers, mensen                        138         6
Ecthyma (parapoxvirus)                          schaap, geit                              112         5
Schimmels
(Trichophyton spp., Microsporum spp.)           alle dieren                               108         5
Pasteurellose (P. multocida)                    konijn, hond, kat                          72         3
Capnocytophagose (Capnocytophaga canimorsus) hond, kat                                     48         2
Tabel 6. Rangordebepaling van zoönosen in Nederland naar de mate van risico voor de
volksgezondheid 1 bij directe/indirecte contacten met (levende of dode) dieren en/of faeces, urine,
speeksel, wondvocht, rauwe melk, rauw vlees etc. [1]
1
   Risico voor de bevolking als geheel en niet specifiek gericht op beroepsrisico’s voor veehouders,
dierenartsen, RVV-medewerkers, slachters en slagers. Deze risico’s liggen, door de grotere frequentie, duur
en intensiteit van de contacten, in het algemeen 5-10 maal hoger, maar veranderen de rangorde niet.
                                                                                                         29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>Zoönotische agentia                                 veterinaire     volksgezondheidsrisico’s       betreft.
De zoönosen die in Nederland thans als van          Bijvoorbeeld de aan/afwezigheid van Salmonella
betekenis moeten worden gezien, staan vermeld in    spp., Campylobacter spp., residuen van dier-
tabel 6. Hierbij is het risico voor de humane       geneesmiddelen of milieucontaminanten. Reden
gezondheid gedefinieerd als het product van de      hiervoor is natuurlijk dat deze ‘moderne’ gevaren
(semi kwantitatieve) kans op besmetting en de       simpelweg worden gemist bij de ante en post
ernst van de gevolgen van zo een infectie: Risico = mortem     keuring,   omdat    ze    geen   zichtbare
P (besmetting) x ‘ernst’ van de gevolgen in termen  (ziekte)verschijnselen of pathologisch-anatomische
van (levensbedreigende) acute en chronische         afwijkingen te zien geven. Om deze ‘moderne‘
ziekte, lokaal of gegeneraliseerd.                  gevaren te beheersen is een geheel ander, totaal
                                                    geïntegreerd veiligheids- en kwaliteitszorgsysteem
Er bestaat een circa 40% kans dat een slachtdier    nodig.
met pathologisch anatomische afwijkingen aan een
niet-infectieuze aandoening leidt. Van de reste-    Wat betreft de aanwezigheid van gevaren voor de
rende 60% infectieuze aandoeningen is ongeveer      (dier- en) volksgezondheid is categorie 3 materiaal
15% een zoönose en de rest een primaire dier-       in werkelijkheid derhalve net zo gevaarlijk of
pathogeen. Ongeveer 20% van het aandeel zoöno-      ongevaarlijk als categorie 1 of 2 materiaal. In ieder
sen is een infectie met een zoönose die van         geval in die situaties waar het niet gaat om
serieuzere betekenis voor de volksgezondheid is.    contaminatie van partijen categorie 1 materiaal met
Bijvoorbeeld Salmonella spp. of E. coli. Kortom,    de ’klassieke’ SRM-weefsels en organen van
ongeveer 2% van alle bij de postmortem keuring      runderen of schapen, of met afvallen van dieren
geconstateerde/te constateren infectieuze aandoe-   waar men op grond van voorkennis of op basis van
ningen bij productiedieren wordt veroorzaakt door   de waargenomen verschijnselen kan aannemen
een zoönotisch agens van serieuzer betekenis voor   dat deze in hoge mate gecontamineerd zijn met
de volksgezondheid.                                 ongewenste substanties of agentia. Kortom, als
                                                    daar geen sprake van is, wordt de volks- en
De huidige ante en post mortem keuring is om een    diergezondheid niet wezenlijk extra geschaad door
groot aantal redenen niet in staat de veiligheid en contaminatie    van   categorie   3   materiaal   met
kwaliteit van vlees en slachtbijproducten te garan- categorie 1 of 2 materiaal. Er is in die gevallen dus
deren waar het onze zogenaamde ‘moderne’            meer sprake van een handhavingsrisico, dan van
30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>een feitelijk volksgezondheid- of diergezondheid-    kan de volksgezondheid in principe in gevaar
risico. Zeker ook als men het risicoreducerings-     brengen. Gevaar is hierbij overigens nadrukkelijk
effect van 133° C, gedurende 20 min bij 3 barr erbij gedefinieerd als potentieel risico. Contaminatie met
betrekt.                                             SRM zegt namelijk niets over de daadwerkelijke
                                                     mate van risico voor de volks- en diergezondheid in
     4.4. Risicobeoordeling     van    categorie   1 de zin van het aantal te verwachten nieuwe prion-
            materiaal, zijnde SRM                    infecties. Dat is afhankelijk van de waarschijnlijk-
                                                     heid dat het betreffende SRM materiaal ook daad-
Tot de ‘klassieke’ SRM-afvallen behoren die          werkelijk prionen bevat en of mensen of dieren de
organen en weefsels van runderen en schapen          prionen uiteindelijk ook onveranderd (en in vol-
waar, in geval van een prionziekte, 95-99% van de    doende mate) opnemen.
totale lichaamslast aan prionen in geconcentreerd
is. Dit zijn voornamelijk de meer centrale delen van De incidentie van BSE in Nederland in 2001-2003
het zenuwstelsel (hersenen, ruggenmerg, ogen) en     was volgens OIE berekening 10-13 gevallen per
de sterk met het afweersysteem samenhangende         jaar per miljoen levende runderen van meer dan 2
organen/weefsels, zoals de tonsillen, de thymus      jaar oud. Het Scientific Steering Committee van de
(zwezerik) en de milt en de dunne darm (Peyerse      EU acht de geboortecohorten van voor 1998 als
platen). De nieuwe Bijprodukten verordening heeft    cohorten die het meeste risico op besmetting
het oorspronkelijke voorzorgsprincipe met betrek-    hebben gelopen (sterk afnemend vanaf 1996) en
king tot prionziekten en risicoklassen daarnaast     vanaf 1999 wordt het risico verwaarloosbaar klein
ook wat uitgebreid tot onder andere residuen en      geacht.
contaminanten. Ook heeft de nieuwe regelgeving
nadrukkelijk de meer ethische en esthetische         De geboortecohorten 1990 t/m 1998 zullen thans
componenten van het hergebruik van dierlijke         nog enkele duizenden tot tienduizenden dieren
afvallen en producten als grondstof voor dier-       betreffen, waarbij te verwachten is dat in de
voeders erbij betrokken.                             komende jaren in deze groep van dieren 1,
                                                     misschien 2 gevallen zullen optreden. Tabel 7 is in
Contaminatie van categorie 3 materiaal (of kar-      2001 gemaakt op basis van theoretisch geschatte
kassen) in runder- en schapenslachterijen met de     aantallen (geslachte) dieren uit de (theoretische)
klassieke SRM-weefsels en organen (categorie 1),     geboortecohorten 1990 tot en met 1998. De jaren
                                                                                                       31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>                    Waarva n                                                Ged etecteerd
                                   Totaal       Waarva n      Ges chat       aantal BSE      Kan s op SRM
        Totaal uit     uit        geslacht         uit       aantal BSE        gev all en         met
 Jaar 199 0-20 02 199 0-19 98    199 0-20 02   199 0-19 98    gev all en                       pri onen*
 200 1 1.46 1.61 0 1.01 0.38 1    438.483       303.114         35**              20**          1/13.00 0
 200 2 1.47 4.35 6  707.267       442.307       212.180          24                24           1/18.00 0
 200 3 1.48 3.27 8  495.087       444.984       148.526          17                19           1/26.00 0
 200 4 1.48 9.52 4  346.561       446.857       103.968          12                 6           1/37.00 0
 200 5 1.04 2.66 7  242.592       312.800        72.7 78          8                1 1)         1/55.00 0
 200 6   729.867    169.815       218.960        50.9 44          6                             1/75.00 0
 200 7   510.907    118.870       153.272        35.6 61          4                            1/11 0.00 0
 200 8   357.635     83.2 09      107.290        24.9 63          3                            1/15 3.00 0
 200 9   250.344     58.2 46       74.8 58       17.2 29          2                            1/22 0.00 0
 201 0   175.486     41.0 17       52.4 99       12.1 58          1                            1/44 0.00 0
 201 1   122.987     28.8 59       36.8 08        8.57 0          1                            1/44 0.00 0
 201 2    86.1 79    20.2 90       25.8 01        6.03 4          1                            1/44 0.00 0
 201 3    60.3 78    14.2 56       18.0 82        4.24 5          0                               nihil
Tabel 7. Schatting van de aantallen dieren > 30 maanden en het te verwachten aantal gevallen van
BSE bij de theoretische geboortecohorten 1990 t/m 2002 op basis van een conservatief model [2, 3]
1) t/m september 2005, *) zie tekst, **) MKZ-jaar, zodat vermoed kan worden dat veel positieve dieren in het
kader van de bestrijding geruimd zijn
2001 t/m 2013 zullen een steeds afnemend aantal            Kansen dat een BSE-positief dier en positieve
gevallen van BSE te zien geven. Deze model-                materialen de slachtlijn inkomen
schattingen blijken achteraf steeds conservatief te        Indien wordt aangenomen dat alle positieve dieren
zijn geweest.                                              afgevoerd worden naar het slachthuis en dat de
                                                           ante mortem keuring niet tot ontdekking van deze
                                                           gevallen leidt, zal met het conservatieve model
                                                           geschat, bij een jaarlijks aantal van rond de
32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>440.000 geslachte melkrunderen van meer dan 30         1/375.000 is.
maanden oud, de à priori kans dat prionen-
houdende dieren (en dus SRM materialen) het            In onderzochte gevallen bleken de uit categorie 3
slachtproces in komen gestadig afnemen van circa       en SRM bestaande mengpartijen door de bedrijven
1/26.000   slachtingen    in  2003    tot    1/440.000 zelf overigens steeds al aangeboden te worden als
slachtingen in de jaren 2010 t/m 2012. Gezien het      SRM en niet als categorie 3. Indien dit inderdaad
daadwerkelijke verloop van de prevalentie kan          altijd het geval is, wordt daarmee het uiteindelijke
waarschijnlijk al eerder dan vanaf 2013 de kans op     risico voor de dier- en volksgezondheid vrijwel nihil.
een BSE-positief dier dat de slachtlijn in kan komen   Zeker indien men erbij betrekt dat in het geval de
nagenoeg als nihil worden beschouwd, maar daar         verplichte BSE-sneltest een positieve uitslag ople-
wordt in de volgende berekeningen nog geen             vert, alle bijproducten van die dag worden geblok-
rekening mee gehouden.                                 keerd en tot SRM worden bestempeld én dat het
                                                       nog steeds verboden is om categorie 1, 2 of 3
Kansen op vermenging van categorie 3 materiaal         materialen te verwerken tot voeders of voeder-
met prionen houdend SRM                                componenten voor landbouwhuisdieren.
In ruwweg 1/5 van de (onderzochte) slachthuizen
werden/worden fouten met betrekking tot de             Onvoldoende verwijderd ruggenmerg en kansen op
winning   en    kanalisatie  van   SRM        gemaakt. doorslippen van positieve dieren en daarvan
Aangenomen dat alle bedrijven in Nederland op          afkomstige bijproducten
enig moment zulke fouten kunnen/zullen maken,          Eind 2001 werd bij circa 4% van de onderzochte
kan de à priori kans op contaminatie van een partij    slachterijen het ruggenmerg nog onvoldoende
categorie 3 materiaal met prionenhoudend SRM           verwijderd. Begin 2001 bleek bij circa 4/120 (3,3%)
(categorie 1) op circa 1/5 van de in de laatste        bezochte bedrijven dat karkassen soms per
kolom van tabel 7 berekende kansen worden              ongeluk werden afgestempeld als zijnde goedge-
gesteld. Voor het jaar 2006 zou dit, onder de          keurd zonder dat de uitslag van de sneltest al
aanname dat alle positieve dieren ter slacht           bekend was. In 1 van die 4 gevallen werden de
worden aangeboden en niet bij de ante mortem           karkassen van dieren die ouder waren dan 30
keuring   worden     uitgezeefd  etc.,    bijvoorbeeld maanden bovendien niet goed apart gehouden.
inhouden dat de kans op een dergelijke contamina-      Onder de aanname dat alle BSE-positieve dieren
tie per uitgevoerde slachting hoogstens circa          ook geslacht worden (zie hiervoor) en de aanname
                                                                                                         33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>dat het niet goed apart houden ook in alle gevallen     woon’ vlees lijkt buitengewoon onwaarschijnlijk.
leidt tot ‘doorslippen’, kan op basis hiervan grof      Alleen al het uiterlijk/de hoedanigheid van de SRM-
geschat worden dat bijvoorbeeld in 2006:                materialen maakt verwarring met ‘gewoon vlees’
                                                        bijna onmogelijk. Dit nog los van het feit dat, als het
A)   De à priori kans dat bij een karkas, waarvan       goed is, de SRM-materialen opvallend gekleurd
     het ruggenmerg onvoldoende is verwijderd, dit      worden. Voor het jaar 2006 kan de à priori kans dat
     ruggenmerg       ook    daadwerkelijk   prionen-   een bak, of enkele bakken kruisgecontamineerd
     houdend zal zijn, per uitgevoerde slachting ten    zouden worden met prionenhoudend dripvocht uit
     hoogste      circa    1    op   1.875.000       is de SRM, onder dezelfde aannames als hiervoor
     (1/75.000*1/25).                                   ook steeds gedaan, grof geschat worden als
                                                        hoogstens 1 op 7.500.000 (1/75.000*1/100).
B)   De à priori kans op het per ongeluk alreeds
     afstempelen van een karkas van een dier dat            4.5. Conclusies
     uiteindelijk toch BSE positief blijkt te zijn per
     uitgevoerde slachting ten hoogste circa 1 op       Indien het gaat om dierlijke producten afkomstig
     2.250.000 is (1/75.000*1/30).                      van (monogastrische) zoogdieren met slachtcate-
                                                        gorie 1, 2 en 3 zijn de daarvan afkomstige bijpro-
C)   De à priori kans dat een karkas van een reeds      ducten uit categorie 3 net zo veilig of onveilig als al
     afgestempeld, maar toch BSE-positief dier          het   voor   humane       consumptie   goedgekeurde
     door het niet goed apart houden ook nog            materiaal.
     ‘doorslipt’   per  uitgevoerde   slachting    ten
     hoogste     ongeveer    1  op     9.000.000     is Dankzij de gunstige BSE-situatie in Nederland is
     (1/75.000*1/30*1/4).                               het zo, dat de dierlijke producten afkomstig van
                                                        herkauwers met slachtcategorie 1, 2 en 3 en de
Kansen op kruiscontaminatie van vlees met               eveneens daarvan afkomstige bijproducten uit
prionen via dripvocht uit SRM                           categorie 3 slechts marginaal onveiliger zijn dan de
Mogelijk worden in 1% van de gevallen de bakken         producten en bijproducten van monogastrische
waarin ‘gewoon vlees’ wordt opgeslagen ook wel          zoogdieren.
eens gebruikt worden voor de (tijdelijke) opslag van
SRM. Dat dit SRM ook wordt afgevoerd als ‘ge-
34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>Dieren uit slachtcategorie 4, 5 en 6 zouden uit het       aantal gevallen, en dus het meten van het effect
oogpunt van voedselkwaliteit en veiligheid per            van maatregelen, zeer moeilijk tot onmogelijk. In
definitie ongeschikt voor menselijke of dierlijke         deze laatste situatie bevindt Europa zich voor wat
consumptie     moeten    worden      verklaard    (altijd betreft BSE.
kanaliseren als categorie 1 dierlijk bijproduct).
                                                          Diermeel/dierlijk eiwit van herkauwers in rundvee-
5. RISICOBEOORDELING VOOR HET OPTRE-                      voer is verboden met het oog op de preventie van
    DEN VAN BSE                                           infecties met BSE bij herkauwers. Om die reden is
                                                          diermeel/dierlijk eiwit van zoogdieren in rundvee-
    5.1. Inleiding                                        voer verboden met het oog op de controleer-
                                                          baarheid van het verbod op dierlijk eiwit van
De beheersing van BSE is gericht op het                   herkauwers in rundveevoeders. Later werd het
voorkomen van blootstelling van de consument aan          gebruik van diermeel/dierlijk eiwit van zoogdieren
BSE-infectiviteit. Alleen bij een omvang van een          in voeders voor landbouwhuisdieren verboden met
epidemie als in Groot-Brittannië is ook de bescher-       het oog op de controleerbaarheid en uitvoer-
ming van diergezondheid (herkauwers) een issue.           baarheid van het verbod op diermeel/dierlijk eiwit in
Het terugdringen van het aantal BSE gevallen anno         rundveevoeders. Dit laatste verbod draagt niet
2005 is dus gericht op de bescherming van de              primair bij aan de bescherming van consumenten
volksgezondheid.                                          tegen TSE’s en heeft zeker niet dat oogmerk
De epidemie is in het algemeen onder controle             (gehad). Het verbod van het gebruik van herkau-
wanneer het aantal nieuwe infecties per case (R0)         wer diermeel/dierlijke eiwitten voor landbouwhuis-
kleiner is dan 1.                                         dieren voorkomt wel dat geconsumeerde prionen
Door de lange incubatietijd van BSE gaat er               op het land worden verspreid en daardoor indirect
minimaal 5 jaar voorbij voordat het effect van maat-      tot blootstelling van herkauwers kunnen leiden. De
regelen zichtbaar wordt. Bij een hoog prevalente          kans infectie via deze route wordt verwaarloosbaar
ziekte is het meten van het effect van (een               geacht.
combinatie) van beheersmaatregelen relatief een-
voudig. Bij een laag prevalente ziekte die boven-
dien niet direct van dier op dier overdraagbaar is,
wordt het meten van een toe- of afname van het
                                                                                                            35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>    5.2. Epidemiologische gegevens                  Uit deze modelberekeningen blijkt dat een verbod
                                                    op het gebruik van dierlijk eiwit in voer voor
De BSE-prevalentie neemt in meeste EU landen af.    herkauwers, bij een effectieve verwijdering van
In Duitsland, in het verleden een belangrijk        SRM, voldoende zou zijn om de epidemie in de
importland voor diermeel, neemt de BSE-incidentie   loop van (vele jaren) te laten afnemen.
nog toe. Waarschijnlijk doordat tot 2000 het
bestaan van BSE in Duitsland werd ontkend en de     Uit een studie Heres et al. [3] blijkt dat alle BSE
beheersmaatregelen tot die tijd niet zijn geïmple-  gevallen in Nederland (t/m 2004) kunnen worden
menteerd. De BSE-toename in Oost-Europese           verklaard uit blootstelling aan diermeel door
landen, nieuwe EU-landen, is te verklaren door een  kruiscontaminatie. De mate van risico van het
verschuiving van de besmette exporten van           diermeel bleek tevens afhankelijk te zijn van de
diermeel, nadat de toepassing hiervan in de andere  import uit andere landen met een hogere incidentie
landen van Europa verboden werd. Tevens leidt       en geheel of gedeeltelijk milde destructieproces-
een verbeterde surveillance tot een frequenter      sen. Bovendien werd in enkele landen gedurende
vaststellen van aanwezige infecties.                langere tijd het SRM nog niet verwijderd. Ten
Inactivatie  tijdens destructieprocessen   is  niet tweede was er in Nederland interne recycling van
volledig maar geeft een reductie van 200 tot 1000-  infectiviteit via dier- en beendermeel geproduceerd
voud [5, 6] onder omstandigheden zoals door de      in het kanaal van dieren, goedgekeurd voor
EU vereist (133/20/3).                              humane consumptie, maar daarvoor niet bestemd
In een studie van De Koeijer et al. [2] zijn        (vetsmelterijen, gelatine). Dit kon gebeuren doordat
inschattingen van de waarde van R0 gemaakt in de    tot 1997 geen verplichte verwijdering van SRM
verschillende fases van de BSE-epidemie in GB.      plaatsvond      en    beendermelen    e.d.   bij   deze
De waarde van R0 was 14 in 1986 in UK (diermeel     verwerkende industrie niet onder druk werden
(categorie 1) voor rundveevoeders, de inactivatie   gesteriliseerd.
bij destructie was een factor 10). Het verbod op
diermeel van herkauwers (Ruminant MBM-ban) en           5.3. Dierlijk eiwit categorie 3
verwijdering van SRM reduceerde de R0 tot 0.1. De
totale ban van 1996 reduceerde de waarde van R0     Dierlijk eiwit van categorie 3 is relatief veilig omdat
tot 0.03. (Per 100 BSE gevallen 3 nieuwe BSE        specifiek risicomateriaal wordt verwijderd en omdat
gevallen).                                          de runderen niet aantoonbaar geïnfecteerd zijn.
36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>Echter, wanneer SRM uit een karkas verwijderd              van de positieve dieren was jonger dan 35
wordt kan dit nooit volledig gebeuren (99% bij             maanden);
volledige compliance), waardoor infectiviteit kan        •  De omvang van de BSE-surveillance staat ter
achterblijven. De infectiviteit is in het dier aanwezig    discussie, omdat geïnfecteerde dieren in de
voordat dit aantoonbaar is in de hersenen, dus er          toekomst mogelijk niet allemaal worden opge-
kunnen geïnfecteerde dieren verwerkt worden via            spoord. Ruim 50% van de dieren die gevon-
de stroom die goedgekeurd is voor humane                   den zijn in de stroom “healthy slaughter” in
consumptie. De mens is echter veel minder                  Nederland, vertoonden verschijnselen van
gevoelig voor besmetting met BSE dan het rund              BSE. Ook in Frankrijk is gerapporteerd dat
(speciesbarrière).                                         meerdere koeien achteraf gezien toch ver-
                                                           schijnselen van BSE vertoonden [1]. Wanneer
    5.4. Complicerende         factoren     bij  risico-   in de toekomst een beperkter deel van de
           inschatting                                     geslachte dieren wordt onderzocht zullen
                                                           misschien    niet  alle  geïnfecteerde    dieren
Momenteel worden in Europa op verschillende                worden opgespoord. Een verhoging van de
fronten discussies gevoerd over het afzwakken van          monitoringsleeftijd naar 48 maanden ligt in de
de hele set aan TSE-beheersmaatregelen. Deze               lijn der verwachting. Slechts een klein deel van
maatregelen hebben effect op de risico’s die               de geïnfecteerde runderen werd gevonden
worden voorkomen met de andere maatregelen.                beneden deze leeftijd;
Daarom kan de discussie over de herintroductie           •  Een andere vraag voor de toekomst is hoe de
van    diermeel   niet   los    worden     gezien    van   bestrijding van scrapie wordt voortgezet?
maatregelen ten aanzien van SRM-verwijdering,              Hoewel het een zeer uitzonderlijk fenomeen
cohort-ruimingen,    surveillance en scrapiebestrij-       zal zijn geweest, kan niet worden uitgesloten
ding. Aan de volgende afzwakking van maat-                 dat scrapie de oorzaak is voor het ontstaan
regelen moet voor de toekomst worden gedacht:              van BSE. Wanneer de bestrijding van scrapie
•    De SRM-leeftijd wordt mogelijk verhoogd naar          in de toekomst wordt losgelaten, moet voor de
     bijvoorbeeld 30 maanden (zie advies EFSA).            bestrijding van BSE rekening worden gehou-
     Daardoor is er een kleine toename van de              den met scrapie infectieusiteit in dierlijk eiwit
     kans dat zenuwweefsel van geïnfecteerde               van herkauwers. Bovendien wijst een recente
     dieren wordt verwerkt (EFSA rapport, 0.06%            publicatie op de mogelijke transmissie van
                                                                                                         37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>  Opti es                              Vo or d elen                         Ve reis ten
  Toest aa n van alle ver w erkte       - voor r un dv eev oe ders            - gesc heiden logistiek
  dierlijk eiwit v an niet -               goe d contro lee rbaar               m en gv oeri ndustri e 1
  her k auw ers, nul tole rant ie voor  - gro te besc herm ing                - uitsluit end to epassi ng cat 3
  dierlijk eiwit in h erk auw er        - gee n risico aanp assing              ru nd er m ateri aal in petf ood
  vo eders                                 scrapie aan run d                  - species ond ersche id end e test
                                                                                wenselijk
  Toest aa n van alle ver w erkte       - voor r un dv eev oe ders            - voork om en van versl eping op
  dierlijk eiwit, nulto lerant ie voor     goe d contro lee rbaar               gem eng de bedrijv en
  dierlijke eiwit in                                                          - gesc heiden logistiek
  her k auw ervo ed ers                                                         m en gv oeri ndustri e 1
  Toest aa n van dierlijke eiwit ten    - gee n risico ada ptat ie            - ve rbr an den cat 3 runder m ateri aal
  van niet herk au wers, 6%                scrapie aan run d                  - species ond ersche id end e test
  m aatr eg el                          - we inig logistie k e                  noo dza k elijk
                                           scheid in g                        - her k omst van dier m eel m oet zeker
                                           m en gv oeri ndustri e 1             ges teld wo rden
  Toest aa n van alle dierlijke         - we inig or ga nisatie nod ig        - voork om en dat d oor versl eping
  eiwitt en, 6% ma atr egel (te ru g    - opt im aal hergebruik                 ru nd er en in contact ko m en met
  naar 19 94, m aar lag e inci de ntie    (g ee n verspilli ng)                 sp oortjes runderdier me el
  in E U)                                                                     - her k omst van dier m eel m oet zeker
                                                                                ges teld wo rden
Tabel 8. Opties voor herintroductie van diermeel
1) Het argument over de scheiding van productie als voor- of nadeel vervalt grotendeels als vanwege het
verbod op intraspecies recycling in de hele keten de verwerkte dierlijke eiwitten van verschillende diersoorten
reeds gescheiden worden verwerkt en toegepast
scrapie onder schapen via mengvoer [4].                         aannames gedaan:
                                                                •   Bij destructie wordt een effectieve druk-
     5.5. Risico-inschatting                                        sterilisatie bij 133 °C gedurende 20 minuten
                                                                    toegepast;
Het verbod op het gebruik van dierlijk eiwit/dier-              •   Alle SRM komt in het diermeel terecht;
meel is, zoals hierboven beschreven, gericht op de              •   Al het diermeel wordt gebruikt voor de
preventie van nieuwe infecties. Uit door het CIDC                   productie van mengvoer voor niet-herkauwers;
uitgevoerde berekeningen blijkt dat de verwerking               •   In de mengvoerfabriek bestaat een batch uit
van één BSE-geval in diermeel tot gemiddeld 0.4                     slechts twee charges;
nieuwe BSE-koeien zal leiden als diermeel zou                   •   Na      elke    charge       met     diermeel   wordt
worden toegelaten voor de vervoedering aan                          rundveevoer gemaakt;
varkens en pluimvee. Hiervoor zijn verschillende                •   De versleping tijdens de productie is 14%;
38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>Stap                     Fouten tijdens kritisch proces      Mogelijke beheersmaatregel          Borging2
Verwijderen SRM          Onvolledige verwijdering            Visuele controle                    GMP/HACCP3
Verzamelen dierlijke     Onvolledige scheiding diersoorten 1 Gescheiden logistiek                GMP/HACCP
bijproducten                                                 Reiniging na transport              Certificering
Verwerking dierlijke     Onvolledige scheiding diersoorten   Gescheiden logistiek                GMP/HACCP
bijproducten             Onvoldoende inactivatie             133/20/3                            Meting T/t/druk
Tussenopslag             Vermenging verschillende stromen    Gescheiden logistiek                GMP/HACCP
grondstoffen             diermeel                            aankoop direct bij producent,       Certificering
(producent /             Vermenging diermeel met andere      geen tussenopslag
 handelaar)              grondstoffen
Transport                Vermenging tijdens transport        Gescheiden logistiek                GMP/HACCP
                         Contaminatie andere grondstoffen    Reiniging transport middelen        Certificering
Productie mengvoer       Vermenging andere grondstoffen      Gescheiden logistiek en             GMP/HACCP
                         tijdens opslag en productie         productielijnen Æ                   Certificering
                                                             Gescheiden mengvoerfabrieken
Transport                Versleping                          Gescheiden logistiek                GMP/HACCP
                                                                                                 Certificering
Boerderij                Versleping op het bedrijf           Geen dierlijke eiwitten op gemengde GMP/HACCP
                                                             bedrijven Æ beperking leveranciers  Certificering
                                                             mengvoer
Figuur 9. Kritische punten in de verwerking en vervoedering van dierlijke eiwitten
1) Herkauwer, varken of kip, 2) probleem bij de borging is de specificiteit van aanwezige testen voor het
onderscheid tussen dierlijke eiwitten, 3) GMP: Good Manufacturing Practice, HACCP: Hazard Analysis and
Critical Control Points
•     De mengvoerindustrie en de verwerkers van                Wanneer diermeel wel als grondstof in rundvee-
      dierlijke eiwitten houden zich verder wel aan            voeders wordt gebruikt zal dit niet per definitie tot
      de regels;                                               een groei van de BSE-epidemie leiden. Bij toevoe-
•     25% van de besmette kalveren worden                      ging van gemiddeld 5% diermeel zal dit gemiddeld
      uiteindelijk voldoende oud om BSE te krijgen.            de epidemie in standhouden (R0 = 1). In dat geval
De berekening is kort samengevat toegevoegd in                 zullen er af en toe grote uitbraken kunnen op-
bijlage 3. Onder deze veelal “worst-case” aanna-               treden.
mes zal zelfs de verwerking van categorie 1
materiaal gemiddeld geen aanleiding geven tot een              Hoewel in de berekening een worst-case scenario
toename van het aantal BSE-gevallen.                           is gebruikt, lijkt een verdere reductie van het
                                                               verspreidingsrisico wenselijk, waardoor de ge-
                                                                                                                 39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>schatte R0 duidelijk kleiner dan één wordt. Om de        5.6. Calamiteiten
R0 verder te reduceren lijkt het voor de hand
liggend om      alléén  gebruik van categorie     3  Er zijn calamiteiten denkbaar waarvan de incidentie
materiaal toe te staan waardoor het risico met       moeilijk is in te schatten, maar waarvan het optre-
globaal een factor 100 wordt gereduceerd (99%        den ernstig afbreuk zou doen aan de preventie van
verwijdering van SRM).      Een verdere vergroting   BSE. Bijvoorbeeld diermeel dat geproduceerd is in
van de zekerheid kan worden verkregen door te        een hoog-incidentie land, in tijden met een slechte
voorkomen dat runderen via voeders met verwerkt      destructie en dat ligt opgeslagen voor verbranding,
dierlijk eiwit in aanraking te komen. Enkele         zou geïntroduceerd kunnen worden in het veevoe-
scenario’s zijn hieronder verder uitgewerkt.         dersysteem als dierlijke eiwitten geschikt voor ver-
                                                     voedering aan dieren. Hiermee zou de kanalisatie
Een uitgebreide kwantitatieve risico-inschatting zal worden doorbroken. Ook zou illegale bijmenging
in 2006 binnen een project door CIDC-Lelystad        van dierlijk eiwit (herkauwers, afkomstig uit Europa,
worden uitgevoerd. De in bijlage 3 getoonde bere-    categorie 1) bij plantaardige voedercomponenten
keningen wijzen er echter op dat een enigszins       (raap, soja) kunnen plaatsvinden.
conservatieve herintroductie van verwerkt dierlijk
eiwit niet tot instandhouding van de epidemie zal        5.7. Twijfels over transparantie
leiden.
                                                     Wanneer dierlijk eiwit weer in diervoeding wordt
Bij herintroductie kan aan de opties, zoals vermeld  toegelaten zal de controleerbaarheid van het sys-
in tabel 8, worden gedacht. De BSE-epidemie zal      teem voor een deel sterk afhankelijk zijn van de
bij alle opties kleiner worden. De keuze zal meer    transparantie. Daaromtrent zijn wel enkele knel-
afhangen aan eisen die gesteld worden aan            punten:
controleerbaarheid en handhaafbaarheid.              •    Hoe transparant/traceerbaar is de handel in
                                                          dierlijk eiwit in de rest van de wereld?
In de door het CIDC uitgevoerde analyse zijn         •    Hoe      transparant/kwaliteitsbewust    zijn  alle
verschillende kritische punten in de verwerking en        actoren in de diervoederhandel?
vervoedering van dierlijke eiwitten en mogelijke     •    Hoe       transparant/kwaliteitsbewust    zijn  de
beheersmaatregelen geïdentificeerd (tabel 9).             verschillende mengvoerbedrijven?
40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>•     Hoe groot is de controleerbaarheid van het      in te bouwen is het aan te raden alléén materiaal
     gebruik van dierlijk eiwit?                      geschikt, maar niet bestemd, voor humane con-
Momenteel zijn er zeer veel actoren, veel grond-      sumptie hiervoor te gebruiken (categorie 3). Boven-
stoffen etc. Alleen een steekproef van de monsters    dien worden hierdoor andere risico’s (biologisch en
kan worden onderzocht. De controleerbaarheid zal      chemisch) gemeden (zie hoofdstuk 4). Rekening
dus sterk afhankelijk zijn van de transparantie van   houdend met of uitgaande van controleerbaarheid
werken van die actoren. Het produceren, transpor-     en beheersbaarheid dient vervolgens gekozen te
teren, verhandelen en toepassen van verwerkt          worden of verwerkte dierlijke eiwitten van herkau-
dierlijk eiwit zou alleen moeten worden toegelaten    wers wel mogen worden toegepast, en onder welke
voor bedrijven die een vergunning krijgen, nadat      voorwaarden dit kan. Minimaal zullen transparantie
voldaan is aan bepaalde eisen die de nodige           en tracering bij de producenten, handelaren en
transparantie waarborgen.                             verwerkers van dierlijk eiwit moeten worden
                                                      afgedwongen.
    5.8. Conclusie                                    Naast de epidemiologische ontwikkeling dienen
                                                      ook verschillende knelpunten en politieke ontwik-
Herintroductie van verwerkte dierlijke eiwitten lijkt kelingen die zijn geïdentificeerd kritisch te worden
met het oog op de bedreiging van de dier-             gevolgd.
gezondheid verantwoord 2 . Om veiligheidsmarges
                                                      6. RISICOBEOORDELING VOOR HET OPTRE-
2                                                         DEN VAN vCJD
   Deze conclusie is in overeenstemming met de
conclusies van een kwantitatieve risicobeoordeling
die onlangs door de EFSA is gepubliceerd. Opinion
of the BIOHAZ Panel on the “Quantitative risk             6.1. Inleiding
assessment of the animal BSE risk posed by meat
and bone meal with respect to the residual BSE
risk”. Adopted on 12-13 July, 2005 (Question N°       Hierna wordt kort ingegaan op factoren die een
EFSA-Q-2003-099): “….However, the risk calcula-
                                                      antwoord kunnen geven op de vraag wanneer het
tions for the most common and realistic scenario
for the EU15 – GBRIII country with reliable
surveillance and all SRM removed – indicated that
the risk would be substantially lower: for cattle     cattle population: 1 infected animal per 107 cattle
extensively fed MBM produced in this scenario         extensively fed 2-3 kg per day of compound feed
could be exposed to on average 1.2 x 10-7 Co          systematically contaminated with 0.1% bovine-
ID50 per animal year. Assuming a linear-dose          derived MBM…..”
response curve at very low dose, this would be
equivalent to a few animals per year in the EU
                                                                                                        41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>voorkomen van BSE een verwaarloosbaar risico         maatregelen zijn getroffen, geïnfecteerde BSE-
voor de volksgezondheid is.                          runderen tot minder BSE-gevallen zullen leiden
Het risico van BSE voor het veroorzaken van          dan in het verleden het geval was.
variant Creutzfeldt-Jakob Disease (vCJD) is afhan-   Het is tevens de moeite waard om de situatie in
kelijk van de infectieusiteit van BSE en de mate     Frankrijk te noemen. In Franktijk zijn relatief, in
van blootstelling aan BSE-infectiviteit              verhouding tot het aantal BSE gevallen, veel meer
De transmissible spongiform encephalopathies         patiënten met vCJD aangetoond dan in GB. Het is
(TSE’s, bijvoorbeeld BSE en scrapie) kennen een      aannemelijk gemaakt dat de meeste gevallen zijn
duidelijke species barrière. Ze slaan minder goed    toe te wijzen aan de export van BSE-besmet vlees
aan in een andere gastheer. Recente publicaties      uit GB. De blootstelling aan BSE van Franse
en epidemiologische gegevens geven ook voor de       origine is significant minder dan de blootstelling
rund-mens      barrière   steeds    meer    houvast. aan BSE-infectieusiteit van Britse origine [3].
Desondanks blijft er door het relatief gering aantal Het aantal nieuwe gevallen per jaar van vCJD in
gevallen van vCJD onzekerheid bestaan.               Europa neemt af. Onzekerheid blijft bestaan over
                                                     secundaire infecties door bloedtransfusie [9] en
     6.2. vCJD in Europa                             infecties bij de populatie die heterozygoot of
                                                     homozygoot is voor valine op codon 129 van het
In Groot-Brittannië zijn bijna 200.000 gevallen van  prion eiwit [5, 10]. Als het eerste klinische geval in
klinische BSE geconstateerd. Als resultaat daarvan   deze populatie echter niet snel komt wordt een
zijn bijna 200 gevallen van vCJD opgetreden.         tweede golf van vCJD steeds onwaarschijnlijker.
Hieruit valt af te lijden dat er een factor 1000
verschil is in het aantal BSE en vCJD gevallen.      De dramatische voorspelling over het aantal te
Ook bij andere berekeningen wordt dit verschil       verwachten gevallen van vCJD heeft een rol
gevonden [4].                                        gespeeld bij de rigoureuze bestrijding van BSE in
De meeste mensen die vCJD hebben gekregen            Europa. In de loop van de jaren zijn de prognoses
zijn geïnfecteerd in een periode dat er geen of      echter ook weer drastisch bijgesteld. De eerste
minder maatregelen waren getroffen ter voorko-       modellen hadden te maken met veel meer
ming van vCJD, vooral omdat de relatie vCJD en       onzekerheid over het aantal geïnfecteerde mensen
BSE nog niet bekend was. Dat betekent ook dat in     per geïnfecteerd rund en de gemiddelde incubatie-
de huidige omstandigheden, waarin wel beheers-       tijd. Daardoor kwamen deze modelberekeningen in
42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>1998 en 2000 nog uit op maximaal 1.3 miljoen           tot één geval van vCJD leiden. De huidige BSE-
respectievelijk 136.000 gevallen van vCJD [6, 8].      prevalentie in Nederland ligt op dit lage niveau.
Recentere prognoses gaan in een worst-case             Bovendien worden alle BSE besmette runderen
scenario uit van maximaal 8000 nieuwe vCJD             verwijderd dus zal de humane blootstelling lager
gevallen. Het meest waarschijnlijke aantal is          zijn en dus tot nog minder gevallen van vCJD
volgens dit recentere model 80 nieuwe gevallen tot     leiden.
het jaar 2040 [7].                                     Op basis van de lage prevalentie van BSE in
                                                       Nederland heeft Benedictus berekend dat het
Door Comer and Huntley is nagegaan waar de             beleid zeer effectief is en een reductie wordt
blootstelling van mensen in GB uit heeft bestaan       bereikt van 99.99% van de BSE-infectiviteitsdruk
[2]. Uit deze publicatie blijkt dat de speciesbarrière op de voedselketen. Er wordt gesteld dat het risico
tussen rund en mens ongeveer een factor 4000 is.       op vCJD in Nederland ongeveer 100 keer zo klein
Volgens deze auteurs was de blootstelling van een      is als in het Verenigd Koninkrijk op het hoogtepunt
vol geïnfecteerd rund ongeveer 27 BoID50 (Bovine       van de epidemie [1]. In 10 jaar tijd zijn daar 147
Infectivity Dosis) terwijl dit 1900 was in het begin   gevallen opgetreden.
van de epidemie. Vooral seperatorvlees dat
verwerkt werd in worst, paté’s en hamburgers           7. MILIEUASPECTEN VAN VERNIETIGING VAN
bevatte de meeste infectieusiteit. Kopvlees en de          DIERLIJK EIWIT
“dorsal route ganglia” droegen respectievelijk 30%
en 25% bij.                                                7.1. Inleiding
     6.3. Berekening van de kans op vCJD               Het houden van dieren heeft tot gevolg dat er ook
                                                       bepaalde zaken worden geproduceerd die niet
Doorrekenend met de getallen uit deze publicatie       kunnen worden gebruikt als voedingsmiddel voor
zou een BSE-rund 27BoID50 /4000 = 0.006 human          de mens. Kadavers, mest en slachtbijproducten
ID50 opleveren, dus 0.003 kans op een geval van        zijn wat dat betreft de belangrijkste bijproducten
vCJD, of in 1 op de 300 gevallen leidt een geval       van de dierhouderij. Jaarlijks produceren de
van BSE tot een geval van vCJD. Nog anders             dierhouderij en de visserij in Nederland samen
gezegd, als per jaar 3 gevallen van BSE zouden         alleen al ongeveer 1,5 miljoen ton dierlijke
voorkomen zou dit in gemiddeld eens per 100 jaar       bijproducten en ruim honderdduizend ton kadavers.
                                                                                                        43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>In Europa gaat het om 16 miljoen ton dierlijke         dierlijke resten (botten en huiden) en gebruikt in de
bijproducten.                                          fotografische industrie, als capsules voor genees-
Naast de potentiële biologische en biochemische        middelen en voor verwerking in voedingsmiddelen
risico’s  zijn   er   ook  een    aantal   emotionele, (pudding, gebak en snoep, (sla)sauzen, soepen).
respectievelijk op levensovertuiging, ethiek en        Hergebruik van diermeel, dierlijke vetten en andere
esthetiek gebaseerde overwegingen die uiteindelijk     grondstoffen voor de diervoedselproductie neemt
bepalen op welke manier dierlijke bijproducten         ook een grote plaats in. Ook wordt een grondstof
verder nog verwerkt kunnen (mogen) worden.             voor porselein geproduceerd uit beenderen (z.g.n.
Vanwege de beleidsvoornemens van de Europese           bone china) en calcium voor diervoeders.
Commissie over voedselveiligheid, de ethiek en         Het terugwinnen van energie uit dierlijke resten is,
esthetiek van de dierlijke productie zullen deze       in vergelijking met plantaardige producten, een
argumenten in de nabije toekomst een nog groter        meer gecompliceerd proces, met ook meer (weinig
belang krijgen. Bij het ontstaan van afvallen, c.q.    bruikbare) restproducten. Indien vanwege sanitaire
bijproducten, moet een zo ecologisch verantwoord       redenen alle dierlijke bijproducten zouden moeten
mogelijk milieubeleid gericht zijn op het zo min       worden verbrand, hetgeen thans voor een deel in
mogelijk verspillen van vastgelegde zonne-energie.     verband met BSE gebeurt, dan betekent dit dat de
Daarom      kent    een   dergelijk  milieubeleid  de  verbrandingscapaciteit in Nederland moet worden
volgende prioriteitsvolgorde: preventie, hergebruik,   uitgebreid met ongeveer 25%. Thans wordt dit
verbranding met terugwinning van energie en            capaciteitsprobleem ten dele opgevangen door in
storten [1].                                           met kolen gestookte elektriciteitscentrales het
                                                       vlees-beendermeel mee te laten branden.
Preventie van verspilling van dierlijke bijproducten   Tenslotte zorgen bij storten afbrekende organis-
kan worden gerealiseerd door minder dieren te          men voor het omzetten van het dierlijke materiaal.
houden en door consumenten meer delen van het
dier op te laten eten. In de markt is echter voor          7.2. Dierenwelzijn
beide alternatieven een tegenovergesteld effect
waarneembaar. De verwerking van dierlijke bij-         Bij een toenemend gebruik van plantaardige
producten in Nederland is steeds gericht geweest       eitwitbronnen, met name sojaschroot, neemt het
op maximaal hergebruik, zoals geneesmiddelen en        aandeel potentieel fermentatief afbreekbare kool-
gelatine. Gelatine wordt gewonnen uit oneetbare        hydraten in het rantsoen toe. De fermentatie
44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>hiervan kan, afhankelijk van de samenstelling van     om die reden per definitie te worden nagestreefd.
de rest van het rantsoen, leiden tot negatieve        Alle andere toepassingen voor dierlijk eiwit kunnen
gevolgen voor de darmflora en de gezondheid van       deze waarde niet of in mindere mate toevoegen.
met name jonge dieren (biggen tot 10 weken            Een ander belangrijk uitgangspunt voor EPEA
leeftijd en kuikens tot 3 weken leeftijd). Ook draagt vormt het denken in gesloten cirkels. Het ver-
een hoger gehalte aan sojaschroot bij aan een         voederen van daarvoor geschikte slachtbijproduc-
verhoging van het kaliumgehalte van het voer (tot     ten, bijvoorbeeld andere dan die om redenen van
20% in vleeskuikenvoeders). Dit heeft een hogere      volksgezondheid uit de voedselketen dienen te
wateropname tot gevolg en resulteert in een           worden geweerd, vormt een “intelligente nutritio-
verhoogd risico van natte mest bij vleeskuikens en    nele cirkel” die volgens EPEA in stand gehouden
kalkoenen. Hierdoor neemt de infectiedruk in de       dient te worden. De feedban verstoort deze cirkel.
stal toe en wordt de kans vergroot op pootgebre-
ken, borstblaren en een verminderd welzijn door           7.4. Alternatieven voor dierlijk eiwit
een vochtig tot nat verenkleed [7].
                                                      Omdat     eiwit  een  noodzakelijke   voedingsbron
    7.3. EPEA onderzoek                               vormt, zal een plantaardige vervanger nodig zijn
                                                      als het verbod gehandhaafd blijft. Soja en koolzaad
Het      milieutechnisch        adviesbureau   EPEA   hebben een hoog eiwitgehalte en zijn daardoor de
(Hamburg) doet onderzoek naar de gevolgen voor        meest geschikte en voor de hand liggende plant-
mens en milieu van chemische, biologische en          aardige vervangers. Er zijn relatief wel meer soja-
biotechnologische processen. EPEA heeft ook           bonen nodig dan dierlijk eiwit en het zal een
gekeken naar de gevolgen van de ban op het            additionele chemische/technologische behandeling
gebruik van dierlijk eiwit [2].                       moeten ondergaan om de eiwitbestendigheid te
De constatering dat dierlijk eiwit een schaars en     vergroten. Om aan de wereldwijde vraag naar
noodzakelijk product is, vormt een belangrijk         plantaardige eiwitten te kunnen voldoen zullen de
startpunt voor EPEA. Vanuit ecologisch oogpunt is     landbouwgebieden voor de teelt van soja en kool-
het belangrijk om schaarse producten te gebruiken     zaad fors uitgebreid moeten worden. Dit heeft
en aan deze producten een zo hoog mogelijke           enorme negatieve ecologische en sociale neven-
waarde toe te kennen. Het gebruik van eiwit in        effecten.
diervoeders voegt de hoogste waarde toe en dient
                                                                                                       45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>Van de soja die in Europa wordt geconsumeerd,          rantsoen. Dit kan een negatieve invloed hebben op
komt 70 procent uit Brazilië. Momenteel wordt op       de stabiliteit van de darmflora en daarmee op de
13 miljoen hectare Braziliaanse grond sojabonen        darmgezondheid van m.n. jonge dieren (biggen tot
verbouwd, een gebied net zo groot als Grieken-         10 weken leeftijd en kuikens tot 3 weken leeftijd).
land. Wanneer eiwitten uit soja de plaats van de       Natte mest bij vleeskuikens en kalkoenen verhoogt
1.5 miljoen ton dierlijke eiwitten in Europa innemen,  de infectiedruk in stallen, vergroot de kans op
zal het Braziliaanse landbouwoppervlak met 12%         pootgebreken, borstblaren en kan leiden tot ver-
uitgebreid moeten worden om in de behoefte te          minderd welzijn. Indirect kan het leiden tot ver-
voorzien. Dat komt neer op 20.000 vierkante kilo-      minderde productiviteit [3, 4].
meter, een oppervlakte ter grootte van België. De
import van sojameel in Europa zal vervolgens met       EPEA concludeert in haar studie dan ook dat een
21% toenemen. Het Braziliaanse regenwoud is            ban op het gebruik van dierlijk eiwit een misken-
hierdoor in één keer een jaar ouder: jaarlijks wordt   ning is van de waarde van deze producten en dat
er 15.000 vierkante kilometer regenwoud gekapt.        deze waardevolle producten op het hoogste niveau
Door de kap voor de teelt van sojabonen zal dat        van waardetoevoeging moeten worden hergebruikt
één jaar verdubbelen.                                  en dat herintroductie, ook omwille van milieu, dient
Koolzaad is een andere potentiële eiwitvervanger       te worden nagestreefd. In Nederland moet jaarlijks
en wordt op ruim vier miljoen Europese hectares        circa 1 miljoen ton dierlijke bijproducten worden
verbouwd. Wanneer eiwit uit koolzaad dierlijk eiwit    vernietigd, wat nagenoeg alleen gebeurt door
zou vervangen, resulteert dat, met gebruik van de      middel van verbranding [5].
conventionele landbouwtechnieken, in 82% meer
landbouwgrond in Europa. De import van eiwitrijke           7.5. Economische effecten
grondstoffen uit het buitenland bovenop de ver-
branding en storting van dierlijk eiwit, vormen een    Het niet gebruiken van diermeel heeft voor veel
extra grote belasting van het milieu (niet-benutte     diervoeders tot een prijsverhoging geleid, onder
fosfor en stikstof) [2].                               andere door de vervanging door vismeel, voeder-
Door het vervangen van eiwit door andere grond-        fosfaten, fytase en synthetische aminozuren. Voor
stoffen (bv. vismeel, soja, voederfosfaten, fytase bij vleeskuiken- en leghennenvoer ligt deze prijsver-
varkens), neemt het aandeel potentieel fermenta-       hoging in de orde van grootte van 10% respectie-
tief afbreekbare koolhydraten en kalium toe in het     velijk 9% [8]. Voor varkensvoer zijn geen concrete
46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>Pluimvee                                  1,95E+08                           14,90%
Varkens                                   7,00E+08                           53,50%
Rundvee                                   3,05E+08                           23,31%
Kalveren                                  6,20E+07                           4,74%
Schapen                                   4,65E+07                           3,55%
Totaal                                    1,31E+09                           100,00%
Tabel 10. Aandeel per diersoort per jaar met betrekking tot dierlijke bijproducten in Nederland [9]
cijfers bekend, maar de verwachting is dat de             zou dat voor Nederland een economische schade
kostenstijgingen hier lager zijn dan voor pluimvee-       betekenen van minimaal € 320 miljoen.
voeders.
                                                          Op basis van de verdeling naar diersoort kan
De complete feedban van dierlijk eiwit leidt tot de       berekend worden wat de kosten of besparingen
volgende economische gevolgen in Europa [5]:              zijn bij wijziging van het beleid (zie tabel 10).
•      Waardevermindering van dierlijke bijproducten
      voor de veehouder inclusief de waarde van het       8. ETHISCHE ASPECTEN VAN HERGEBRUIK
                                                                                          3
      dierlijk eiwit voor de destructiesector: € 1.5 mil-      VAN DIERLIJKE EIWIT
      jard;
•      Kosten voor vervanging van dierlijk eiwit door          8.1. Inleiding
      andere (plantaardige) voedingsmiddelen: € 0.7
      miljard;                                            Het is duidelijk dat het hergebruik van dierlijke
•      Kosten voor verwijdering en vernietiging van       eiwitten in de voedselketen een reeks van ethische
      dierlijke bijproducten: € 3 miljard.                vragen oproept. Toch is er, voor zover bekend, tot
                                                          op heden geen systematisch onderzoek naar deze
In totaal bedroegen de kosten in de EU daarmee €
                                                          3
5.2 miljard in 2001. Op basis van de gegevens uit            Auteur: Prof. dr. Frans W.A. Brom, bijzondere
                                                          hoogleraar ethiek van de levenswetenschappen
2000 (16.2 miljoen ton dierlijke bijproducten in          vanwege het Wageningse Universiteitsfonds aan
Europa waarvan 1 miljoen ton in Nederland [6]),           Wageningen Universiteit (Frans.Brom@wur.nl);
                                                          redactionele bewerking: Bureau van de Raad voor
                                                          Dierenaangelegenheden
                                                                                                            47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>vragen uitgevoerd 4 . Het was ook niet mogelijk om    Dit terzijde schuiven miskent de diepere oorzaken
een dergelijk onderzoek ten behoeve van deze          en lagen achter de recente voedselcrises. Deze
notitie uit te voeren. Daarom is dit een kort en ten- diepere oorzaken hebben te maken met een
tatief overzicht van ethische vragen die door herge-  groeiende afstand tussen de wereld van voedsel-
bruik worden opgeroepen. Om tot een dergelijk         consumptie en de wereld van het voedselsysteem;
overzicht te komen (zie paragraaf 8.3) worden         een afstand die bovendien wordt versterkt door de
eerst     de     algemene     tendensen     uit    de voedselreclame waarin romantische en ambachte-
maatschappelijke discussie over voedsel geschetst     lijke beelden van voedselproductie centraal staan.
(zie paragraaf 8.2).                                  Consumenten hebben weinig kennis van moderne
                                                      voedselproductie en het denkkader van de moder-
                                                      ne voedselproductie staat ver af van het dagdage-
     8.2. Algemene      tendensen     in  de    maat- lijkse consumentendenkkader over voedsel.
           schappelijke discussie over voedsel        Naast de mentale en fysieke afstand tussen consu-
                                                      ment en de voedselproductie, spelen reële en
De maatschappelijke discussie over voedsel wordt      gepercipieerde negatieve effecten van het voedsel-
gekenmerkt door de aanwezigheid van stevige           systeem op dierenwelzijn, het milieu en ontwikke-
reacties, gevoeligheden en emoties. Voor sommi-       lingslanden een rol in het afnemen van vertrouwen
gen is dat een reden om een deel van de issues en     in voedselproductiesystemen. Bovendien leidt het
vragen die in die discussie naar voren komen als      nadenken over de verantwoordelijkheden ten aan-
ongefundeerd, irrationeel of niet-gerechtvaardigd     zien van deze negatieve effecten tot een herdefi-
terzijde te schuiven. Voedselcrises worden dan be-    niëring van de relatie tussen consument en burger.
schouwd als overreacties van een niet geïnfor-        Door actief verantwoordelijkheid voor het tegen-
meerd en overemotioneel publiek, dat misleid          gaan van deze negatieve effecten bij de consu-
wordt door actiegroepen met een specifieke maat-      ment/burger te leggen (een beter milieu begint bij
schappelijke agenda.                                  jezelf, de ‘dubbele moraal’ discussie), worden
                                                      vragen over de ontwikkelingsrichting van het voed-
                                                      selsysteem expliciet onderwerp van discussies in
4
  De auteur concludeert dit op basis van een ana-
                                                      de markt. Tegen deze achtergrond wordt consu-
lyse van zijn lopend onderzoek, een specifiek lite-
ratuuronderzoek en een informele consultatie van      mentengedrag een relevante factor in het beleids-
enkele relevante wetenschappers in Nederland, het
Verenigd Koninkrijk en Denemarken.
48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>matige denken over de toekomst van de landbouw       ethische vragen is, dat hierin altijd de discussie
en de voedselsector.                                 over de waardering en structurering van het
Als derde belangrijke ontwikkelingslijn kan de ver-  systeem als zodanig doorklinkt. Dit maakt een
anderende relatie tussen voeding en gezondheid       losse (vrijstaande) analyse van voedselethische
naar voren gebracht worden. Waren tot nog niet zo    casus onvoldoende adequaat; in de voedselethiek
lang geleden gebrek aan voeding en microbiolo-       zijn   problemen     alleen   in   een    fundamenteel
gische contaminatie van voedsel          belangrijke perspectief te begrijpen.
gezondheidsbedreigingen, thans lijkt de obesitas-    Ethische vragen in de voedselethiek worden
epidemie hier, maar ook wereldwijd, nieuwe           gekarakteriseerd door in ieder geval de volgende
voedingsgerelateerde gezondheidsproblemen naar       kenmerken:       fundering       en    grenzen     van
voren te brengen.                                    consumentenbescherming, externe effecten van
Tegen deze ontwikkelingen is het duidelijk dat       het voedingssysteem en de integriteit van het
opkomende voedselcrises niet meer gezien worden      voedselsysteem. Op elk zal hieronder nader
als incidentele mediahypes van slecht geïnfor-       worden ingaan.
meerde consumenten, maar als focuspunten waar
de    systeeminherente   spanningen    een    uitweg Fundering en grenzen van consumentenbescher-
zoeken. Een geïsoleerde analyse van deze crises      ming
doet dan ook geen recht aan hun systeeminherent      Bij de fundering en grenzen van consumenten-
karakter.                                            bescherming gaat het zowel om voedselveiligheid
                                                     als om de autonomie van de consument:
     8.3. Specificatie op basis van algemene         •    Ten aanzien van veiligheid gaat het wat betreft
           vragen en thema’s uit de voedsel-              het hergebruik van dierlijk eiwit          om de
           ethiek                                         waardering      van      de     wetenschappelijke
                                                          risicoinschatting,    de      vraag     naar   de
Tegen de achtergrond van de maatschappelijke              aanvaardbaarheid       van   het   risico  en  de
discussie    over  voedsel  ontwikkelt    zich   een      communicatie van het risico op een dusdanige
voedingsethiek. Deze kenmerkt zich door het               wijze dat consumenten geïnformeerd met de
stellen van voedselgerelateerde vragen in de              risico’s kunnen omgaan;
gebruikelijke   domeinen   van   de    ethiek.   Een •    Ten aanzien van de consumentenautonomie
belangrijk kenmerk van deze voedselgerelateerde           gaat het in het geval van hergebruik van
                                                                                                         49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>     dierlijk eiwit om de vraag of dit past in de          voedselveiligheidsgevolgen en economische
     voedingspatronen     van   consumenten,     hun       gevolgen zijn opgenomen;
     opvattingen over natuurlijkheid en of door       •    Ten aanzien van de sociaal-economische
     transparantie-   en   traceerbaarheidsystemen         gevolgen voor producenten (met name in
     consumenten in staat gesteld kunnen worden            afhankelijke posities) gaat het bij het vraagstuk
     tot het maken van daadwerkelijke eigen                hergebruik van dierlijke eiwitten met name om
     keuzes.                                               de vraag of dit past in de streefdoelen voor
                                                           een diervriendelijkere en duurzame landbouw
Externe effecten van de voedingsproductie                  die Nederland en de EU zeggen na te streven.
Bij de externe effecten van de voedingsproductie
gaat het niet alleen om de directe gevolgen voor      Integriteit van het voedingssysteem
het milieu, de gezondheid en het welzijn van de bij   Bij de integriteit van het voedingssysteem gaat het
het productieproces betrokken mensen en dieren,       in de eerste plaats om de vraag of bepaalde ont-
maar ook om de sociaal-economische gevolgen           wikkelingen passen in het streven naar een
voor producenten, waarbij de gevolgen voor            gerechtvaardigd      en   effectief  controlesysteem.
producenten in afhankelijke posities (zowel hier als  Daarnaast gaat het ook om de vraag of het sys-
in ontwikkelingslanden) een centrale rol spelen:      teem dusdanig transparant en betrouwbaar kan
•     Ten aanzien van de gevolgen voor milieu,        functioneren dat het een bijdrage levert aan het
     gezondheid en welzijn van betrokken mens en      vertrouwen in het voedingssysteem:
     dier gaat het om de vraag of deze gevolgen       •    Ten aanzien van een gerechtvaardigd en
     voldoende goed onderzocht zijn (bijvoorbeeld          effectief controlesysteem, is voor het herge-
     is de impact op dierenwelzijn bekend, is er een       bruik van dierlijke eiwitten een analyse van de
     milieu-effectrapportage?). Als er voldoende in-       voorwaarden       waaronder      dit   hergebruik
     zicht is in de gevolgen, komt de vraag op of          aanvaardbaar is en van de mogelijkheden om
     deze gevolgen voldoende zijn meegewogen in            deze voorwaarden effectief te implementeren
     de beslissing. Voor het hergebruik van dierlijke      noodzakelijk;
     eiwitten betekent dit dat het besluitvormings-   •    Ten aanzien van de transparantie en de
     proces zich niet kan beperken tot een een-            betrouwbaarheid      van    het  voedselsysteem
     voudige kosten-baten analyse waarin alleen            spelen ethische vragen als “Is dit een
                                                           voedingsysteem waarmee we consumenten
50
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>     daadwerkelijk durven te confronteren?” en       casus geplaatst dient te worden in een discussie
     “Past hergebruik van dierlijke eiwitten in het  over de streefbeelden van dierlijke productiesyste-
     beeld    dat  de   voedingssector    wenst   te men en over de uitlegbaarheid van deze productie-
     communiceren naar de samenleving?”. De          systemen     in de  leefwereld   van burgers en
     vraag wat hergebruik van dierlijke eiwitten     consumenten.
     betekent    voor  de   vertrouwensrelatie  met
     consumenten komt hierbij nadrukkelijk aan de         8.5. LNV-Consumentenplatform [1]
     orde.
                                                     Op 4 november 2005 sprak het LNV-Consumen-
    8.4. Tot slot                                    tenplatform over het thema ‘Diermeel, voer voor
                                                     discussie’. Eén van de vragen die het Platform was
Nader onderzoek naar voedselethische aspecten        voorgelegd luidde: “Welke voorwaarden zouden
van optimalisering en efficiency in voedselproductie gesteld moeten worden aan een eventuele afschaf-
is hard nodig. De voedselethiek beperkt zich thans   fing van het verbod?”. Er werden hier door de
tot het in kaart brengen van enkele veelzeggende     leden van het Consumentenplatform twee belang-
ontwikkelingen: er is onderzoek over dierenwelzijn,  rijke voorwaarden vastgesteld: het totaalverbod op
voedselsystemen als publieke goederen, maat-         het gebruik van rundermeel dient gehandhaafd te
schappelijke discussie over voeding en vertrouwen.   blijven   en   er mag    geen    sprake   zijn van
Recentelijk is onderzoek gestart naar boeren-        kannibalisme. Ter voorbereiding op de bijeenkomst
waarden, verantwoord consumeren en risicocom-        hebben de leden van het LNV-Consumentenplat-
municatie en ethiek. Elk van deze onderzoeken        form gebruik kunnen maken van o.a. de rapportage
laat zien dat een samenhangend paradigma en          over een opinieonderzoek onder ruim 500 Neder-
een gedeelde aanpak van voedselethische vragen       landers en een impressieverslag van panelge-
nog ver weg is. Dit leidt er toe dat bij de analyse  sprekken met consumenten. Er kan geconcludeerd
van concrete vraagstukken slechts enkele lijnen te   worden dat het ethische aspect kannibalisme een
trekken zijn.                                        belangrijke afweging is voor de (Nederlandse)
Het probleem van een ethische analyse van het        consument en dat handhaving van de species-to-
hergebruik van dierlijke eiwitten in de voeding-     species ban om aan dit bezwaar tegemoet te ko-
sector is dat een gerechtvaardigde beslissing niet   men geen enkel beletsel vormt.
alleen gaat over deze losse casus maar dat deze
                                                                                                     51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>52</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>        LITERATUURLIJST
Literatuurlijst hoofdstuk 1
1.   European Commission. Questions and answers on BSE.
     http://europa.eu.int/rapid/pressReleasesAction.do?reference=MEMO/03/3&format=HTML&aged=1&langu
     age=EN&guiLanguage=en
Literatuurlijst hoofdstuk 2
1.   Heres L, Elbers ARW, Schreuder BEC, Van Zijderveld FG. BSE in Nederland, een verklaring van de
     oorzaak en interpretatie van de risicofactoren. Rapport CIDC Lelystad, 2005.
Literatuurlijst bij hoofdstuk 3
1.   Berends BR. Strategische evaluatie van de risico’s voor de volksgezondheid van het niet aanmelden van
     Specfiek Risico-Materiaal (SRM) door veehouders. V&V-rapport H0102, 2001.
2.   Berends BR. Strategische evaluatie van de risico’s voor de volksgezondheid van het onzorgvuldig
     behandelen van categorie 1 en 2 dierlijke bijproducten door slachterijen en uitsnijderijen, V&V-rapport
     H0304, 2003.
3.   G. Beerendonk. Directeur Sonac Nederland. Schriftelijke mededeling, 2005.
Literatuurlijst bij hoofdstuk 4
1.   B.R. Berends. Kinderboerderijen in Nederland en de relevante veterinaire volksgezondheidsrisico’s.
     V&V-rapport H0101. Utrecht: Hoofdafdeling Volksgezondheid en Voedselveiligheid, Faculteit Dier-
     geneeskunde, Universiteit Utrecht, 2001a.
2.   B.R. Berends. Strategische evaluatie van de risico’s voor de volksgezondheid van het niet aanmelden
     van specifiek risicomateriaal (SRM) door veehouders. V&V-rapport H0102. Utrecht: Hoofdafdeling
     Volksgezondheid en Voedselveiligheid, Faculteit Diergeneeskunde, Universiteit Utrecht, 2001b.
                                                                                                         53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>3.   B.R. Berends. Strategische evaluatie van de risico’s voor de volksgezondheid van het onzorgvuldig
     behandelen van categorie 1 en 2 dierlijke bijproducten door slachterijen en uitsnijderijen. V&V-rapport
     H0304.     Utrecht: Hoofdafdeling Volksgezondheid en Voedselveiligheid, Faculteit Diergeneeskunde,
     Universiteit Utrecht, 2003.
Literatuur bij hoofdstuk 5
1.   Cazeau, G., C. Ducrot, et al. (2004). "Questionnaire analysis of BSE cases in France detected by active
     surveillance and the reasons for non-notification." Vet. Rec. 154(5): 133-6.
2.   De Koeijer, A., H. Heesterbeek, et al. (2004). "Quantifying BSE control by calculating the basic
     reproduction ratio R0 for the infection among cattle." J. Math. Biol. 48(1): 1-22.
3.   Heres, L., F. G. v. Zijderveld, et al. (2005). BSE in Nederland; Een verklaring van de oorzaak en
     interpretatie van de risicofactoren. Lelystad, CIDC-Lelystad: 57.
4.   Philippe, S., C. Ducrot, et al. (2005). "Sheep feed and scrapie, France." Emerg. Infect. Dis. 11(8): 1274-9.
5.   Schreuder, B. E., R. E. Geertsma, et al. (1998). "Studies on the efficacy of hyperbaric rendering
     procedures in inactivating bovine spongiform encephalopathy (BSE) and scrapie agents." Vet. Rec.
     142(18): 474-80.
6.   Taylor, D. M., S. L. Woodgate, et al. (1995). "Inactivation of the bovine spongiform encephalopathy agent
     by rendering procedures." Vet. Rec. 137(24): 605-10.
Literatuur bij hoofdstuk 6
1.   Benedictus A. Voorzorg & Voedselveiligheid. Kosteneffectiviteit van het Nederlandse BSE-beleid.
     Rapport Divisie Volksgezondheid en Voedselveiligheid, IRAS, Utrecht, 2004.
2.   Comer , P.J. and P.J. Huntley (2004). “Exposure of the human population to BSE infectivity over the
     course of the BSE epidemic in Great Britain and the impact of changes to the over Thirty Month Rule.” J.
     Risk Research 7, 523-543.
3.   Chadeau-Hyam, M. and A. Alperovitch (2005). "Risk of variant Creutzfeldt-Jakob disease in France." Int.
     J. Epidemiol. 34(1): 46-52.
                                                                                                              56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>4.   Cooper, J. D. and S. M. Bird (2003). "Predicting incidence of variant Creutzfeldt-Jakob disease from UK
     dietary exposure to bovine spongiform encephalopathy for the 1940 to 1969 and post-1969 birth
     cohorts." Int. J. Epidemiol. 32(5): 784-91.
5.   Ghani, A. C. (2003). "Commentary: Predicting the unpredictable: the future incidence of variant
     Creutzfeldt-Jakob disease." Int. J. Epidemiol. 32(5): 792-3.
6.   Ghani, A. C., N. M. Ferguson, et al. (2000). "Predicted vCJD mortality in Great Britain." Nature
     406(6796): 583-4.
7.   Ghani, A. C., N. M. Ferguson, et al. (2003). "Factors determining the pattern of the variant Creutzfeldt-
     Jakob disease (vCJD) epidemic in the UK." Proc. R. Soc. Lond. B. Biol. Sci. 270(1516): 689-98.
8.   Ghani, A. C., N. M. Ferguson, et al. (1998). "Epidemiological determinants of the pattern and magnitude
     of the vCJD epidemic in Great Britain." Proc. R. Soc. Lond. B. Biol. Sci. 265(1413): 2443-52.
9.   Llewelyn, C., P. Hewitt, et al. (2004). "Possible transmission of variant Creutzfeldt-Jakob disease by
     blood transfusion." Lancet 363(9407): 417-421.
10. Peden, A. H., M. W. Head, et al. (2004). "Preclinical vCJD after blood transfusion in a PRNP codon 129
     heterozygous patient." Lancet 364(9433): 527-9.
Literatuur bij hoofdstuk 7
1.   Berg M. van de, Berends BR, Doorn DCK van. Veterinaire Milieukunde, Universiteit Utrecht 2004.
2.   EPEA. Smoked meat has a whole new meaning. Impacts of the ban on meat and bone meal. Report
     EPEA Internationale Umweltforschung GmbH, 2002.
3.   Jongbloed AW, Kemme PA. Phosphorus supply to pigs without products of animal orign. Lohmann
     Information Intern. 2002; 27: 3-9.
4.   Pos J. Een kwantitatieve analyse van de gevolgen van het Europees diermeelverbod voor de
     Nederlandse pluimveesector. Afstudeerscriptie Diervoeding, Wageningen Universiteit, 2001.
5.   The European Commission. Use of processed animal proteins in animal feed. SANCO/1531/2001.
     Working document of the commission services.
6.   The European Commission. Commission services paper on the processing, disposal and uses of animal
     by-products in Member States, MEMO/01/378.
7.   Jongbloed AW, Kemme PA. Phosphorus supply to pigs without products of animal origin. Lohmann
     Information 2002; 27: 3-9.
                                                                                                           57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>8.   Pos J. Een kwantitatieve analyse van de gevolgen van het Europese diermeelverbod voor de
     Nederlandse pluimveesector. Afstudeerscriptie, Wageningen Universiteit, 2001.
9.   Beerendonk G. Directeur Sonac Nederland. Schriftelijke mededeling, 2005.
Literatuur bij hoofdstuk 8
1.   ‘Diermeel, voer voor discussie’. Verslag bijeenkomst LNV Consumentenplatform, Den Haag, 4 november
     2005.
                                                                                                     58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>         BIJLAGEN
1. BIJPRODUCTEN WAARVOOR OP KORTE TERMIJN ANDERE TOEPASSINGEN, MET NAME IN DE
    NON-FOOD, GEWENST ZIJN
Bijproduct of afval        Plant- Dier-  Ge-  Hoeveel-                   Samenstelling
                            aar-   lijk mengd    heid    Droge  Vet  Stik-  Eiwit   Kool-   Ve-   As
                            dig               (ton/jaar)  stof (g/kg  stof  (g/kg   hydra-  zels (g/kg
                                                          (%)   ds)  (g/kg   ds)      ten  (g/kg  ds)
                                                                      ds)            (g/kg  ds)
                                                                                      ds)
1. Diermeel LMR (vlees-              x         250.000     95   152    96    610       0     27   158
meel + pluimveemeel)
2. Verenmeel                         x          25.000     94   67    140    898       0     12   20
3. Harenmeel                         x           5.000     92   39    154    978       0          17
4. Bloedmeel                         x          20.000     92   13    153    973       0      8   22
5. Gelko                             x          50.000      8   300    85    540       0          125
6. Dierlijk vet SRM/HRM              x          17.000    99,5 1000                    0
(toekomst: cat. 1+ 2 mat.)
7. Putvetten                 x       x    x    150.000     20
8. Flotatieslibben                   x             ?       10                                     100
9. Gebruikt frituurvet                         130.000
10. Destillaat/tankbodems                 x        ?
11. Sorteerafval uien        x                  60.000
12.Zuiveringsslib, aërobe    x       x    x    500.000      5                                     350
zuivering
                                                                                           59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>2. BESCHRIJVING VAN DE CATEGORIEËN DIERLIJKE BIJPRODUCTEN (DIERLIJKE BIJPRODUCTEN
     VERORDENING 2002/1774/EU)
Categorie 1-materiaal (artikel 4)
1. Onder categorie 1-materiaal wordt verstaan dierlijke bijproducten die aan de onderstaande beschrijving
beantwoorden of materiaal dat dergelijke bijproducten bevat:
a) alle delen, met inbegrip van de huid, van de volgende dieren:
i) dieren die vermoedelijk met een TSE zijn besmet overeenkomstig Verordening (EG) nr. 999/2001 of waar-
bij de aanwezigheid van een TSE officieel is bevestigd;
ii) dieren die in het kader van TSE-uitroeiingsmaatregelen zijn gedood;
iii) andere dieren dan vee en wilde dieren, met name gezelschapsdieren, dieren in dierentuinen en circus-
dieren;
iv) proefdieren als gedefinieerd in artikel 2 van Richtlijn 86/609/EEG van de Raad van 24 november 1986
inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betref-
fende de bescherming van dieren die voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden worden
gebruikt;
v) wilde dieren waarvan wordt vermoed dat zij met op mens of dier overdraagbare ziekten zijn besmet;
b) i) gespecificeerd risicomateriaal, en ii) indien op het tijdstip van de verwijdering het gespecificeerd
risicomateriaal nog niet is weggenomen, hele kadavers die gespecificeerd risicomateriaal bevatten;
c) producten afkomstig van dieren die stoffen toegediend hebben gekregen die op grond van Richtlijn
96/22/EG verboden zijn, en producten van dierlijke oorsprong die residuen bevatten van de contaminanten en
andere in het milieu aanwezige stoffen zoals bedoeld in groep B, punt 3, van bijlage I van Richtlijn 96/23/EG
van de Raad van 29 april 1996 inzake controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen
daarvan in levende dieren en in producten daarvan en tot intrekking van de Richtlijnen 85/358/EEG en
86/469/EEG en de Beschikkingen 89/187/EEG en 91/664/EEG (3), indien dergelijke residuen het in de
communautaire wetgeving of, bij gebreke daarvan, in de nationale wetgeving toegestane niveau over-
schrijden;
d) al het dierlijke materiaal dat wordt opgevangen bij de behandeling van afvalwater van categorie 1-
                                                                                                           60
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>verwerkingsbedrijven en andere bedrijfsruimten waar gespecificeerd risicomateriaal wordt verwijderd, met
inbegrip van zeefresten, materialen afkomstig van ontzanding, mengsels van olie en vet, slib en materialen
verwijderd uit de afvoerleidingen van deze bedrijven, tenzij zulk materiaal geen gespecificeerd risicomateriaal
of delen daarvan bevat;
e) keukenafval en etensresten afkomstig van internationaal opererende middelen van vervoer;
f) mengsels van categorie 1-materiaal met categorie 2-materiaal of met categorie 3-materiaal dan wel met
materiaal van beide categorieën, daaronder begrepen materiaal dat bestemd is om in een categorie 1-
verwerkingsbedrijf te worden verwerkt.
2. Categorie 1-materiaal wordt zo spoedig mogelijk overeenkomstig artikel 7 verzameld, vervoerd en
geïdentificeerd en, tenzij in de artikelen 23 en 24 iets anders is voorgeschreven,
a) wordt rechtstreeks als afval verwijderd door verbranding in een verbrandingsinstallatie die overeenkomstig
artikel 12 is erkend;
b) wordt verwerkt in een overeenkomstig artikel 13 erkend verwerkingsbedrijf volgens een van de verwer-
kingsmethodes 1 tot en met 5 of, indien de bevoegde autoriteit zulks verlangt, volgens verwerkingsmethode 1,
in welk geval het daaruit resulterende materiaal blijvend wordt gemerkt, indien technisch mogelijk met een
geur, overeenkomstig bijlage VI, hoofdstuk I, en definitief als afval wordt verwijderd door verbranding of
medeverbranding in een verbrandingsof medeverbrandingsinstallatie die overeenkomstig artikel 12 is erkend;
c) wordt, met uitzondering van materiaal dat wordt bedoeld in lid 1, onder a), punt i) en punt ii), volgens
verwerkingsmethode 1 verwerkt in een verwerkingsbedrijf dat overeenkomstig artikel 13 is erkend, in welk
geval het daaruit resulterende materiaal blijvend wordt gemerkt, indien technisch mogelijk met een geur,
overeenkomstig Bijlage VI, hoofdstuk I en definitief als afval wordt verwijderd door begraving op een
stortplaats die overeenkomstig Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten
van de afvalstoffen (1) is erkend;
d) wordt, in het geval van keukenafval en etensresten zoals bedoeld in lid 1, punt e), door begraving als afval
verwijderd op een stortplaats die overeenkomstig Richtlijn 1999/31/EG erkend is; of
e) wordt, in het licht van de ontwikkelingen van de wetenschappelijke kennis, verwijderd volgens een andere
methode die, na raadpleging van het betrokken wetenschappelijke comité, volgens de in artikel 33, lid 2,
bedoelde procedure is goedgekeurd. Die methode kan een aanvulling vormen op, dan wel in de plaats komen
van, de in de punten a) tot en met d) bedoelde methodes.
                                                                                                            61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>Categorie 2-materiaal (artikel 5)
1. Onder categorie 2-materiaal wordt verstaan dierlijke bijproducten die aan de onderstaande beschrijving
beantwoorden of materiaal dat dergelijke bijproducten bevat:
a) mest en de inhoud van het maagdarmkanaal;
b) al het dierlijke materiaal dat wordt opgevangen bij de behandeling van afvalwater van andere slachthuizen
dan die welke onder artikel 4, lid 1, onder d), vallen, of van categorie 2-verwerkingsbedrijven, met inbegrip
van zeefresten, materialen afkomstig van ontzanding, mengsels van olie en vet, slib en materialen verwijderd
uit de afvoerleidingen van deze bedrijven;
c) producten van dierlijke oorsprong die residuen bevatten van diergeneesmiddelen en contaminanten zoals
bedoeld in groep B, punten 1 en 2, van bijlage I van Richtlijn 96/23/EG, indien dergelijke residuen het in de
communautaire wetgeving toegestane niveauoverschrijdend;
d) andere producten van dierlijke oorsprong dan categorie 1-materiaal, ingevoerd uit derde landen, die tijdens
de in de communautaire wetgeving voorgeschreven controle niet blijken te voldoen aan de veterinaire voor-
schriften voor invoer in de Gemeenschap, tenzij zij worden teruggezonden of tenzij de invoer ervan is toege-
staan onder beperkende voorwaarden die in communautaire wetgeving zijn vastgesteld;
e) andere dieren en delen van dieren dan bedoeld in artikel 4, die anders dan door slachting voor menselijke
consumptie sterven, met inbegrip van dieren die worden gedood om een epizoötie uit te roeien;
f) mengsels van categorie 2-materiaal met categorie 3-materiaal, daaronder begrepen materiaal dat bestemd
is om in een categorie 2-verwerkingsbedrijf te worden verwerkt; en
g) andere dierlijke bijproducten dan categorie 1-materiaal of categorie 3-materiaal.
2. Categorie 2-materiaal wordt zo spoedig mogelijk overeenkomstig artikel 7 verzameld, vervoerd en
geïdentificeerd en, tenzij in de artikelen 23 en 24 iets anders is voorgeschreven,
a) wordt rechtstreeks als afval verwijderd door verbranding in een verbrandingsinstallatie die overeenkomstig
artikel 12 is erkend;
b) wordt verwerkt in een verwerkingsbedrijf dat overeenkomstig artikel 13 is erkend, volgens de toepassing
van een van de verwerkingsmethoden 1 tot en met 5, of, indien de bevoegde autoriteit zulks verlangt, volgens
verwerkingsmethode 1, in welk geval het daaruit resulterende materiaal blijvend wordt gemerkt, indien
technisch mogelijk met een geur, overeenkomstig bijlage VI, hoofdstuk I, en:
                                                                                                            62
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>i) wordt rechtstreeks als afval verwijderd door verbranding of medeverbranding in een verbrandings- of
medeverbrandingsinstallatie die overeenkomstig artikel 12 is erkend;
ii) wordt, in het geval van gesmolten vet, verder verwerkt tot vetderivaten voor gebruik in biologische
meststoffen of bodemverbeteraars of voor ander technisch gebruik dan in cosmetische, farmaceutische en
medische producten in een categorie 2-oleochemisch bedrijf dat overeenkomstig artikel 14 is erkend;
c) wordt verwerkt in een verwerkingsbedrijf dat overeenkomstig artikel 13 is erkend, volgens verwerkings-
methode 1, in welk geval het daaruit resulterende materiaal blijvend wordt gemerkt, indien technisch mogelijk
met een geur, overeenkomstig bijlage VI, hoofdstuk I, en: i) wordt, in het geval van het daaruit resulterende
eiwitmateriaal, gebruikt als biologische meststof of als bodemverbeteraar overeenkomstig de eventuele voor-
schriften die na raadpleging van het betrokken wetenschappelijk comité volgens de in artikel 33, lid 2,
bedoelde procedure zijn vastgesteld;
ii) wordt verwerkt in een biogasinstallatie of composteerinstallatie die overeenkomstig artikel 15 is erkend, of
iii) wordt verwijderd door begraving als afval op een stortplaats die overeenkomstig Richtlijn 1999/31/EG
erkend is;
d) wordt, als het van vis afkomstig materiaal betreft, ingekuild of tot compost verwerkt overeenkomstig de
voorschriften die zijn vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 2, bedoelde procedure;
e) wordt, als het gaat om mest, de inhoud van het maagdarmkanaal gescheiden van het maagdarmkanaal,
melk en biest waarvan de bevoegde autoriteit niet denkt dat zij een ernstige overdraagbare ziekte kunnen
verspreiden:
i) onverwerkt gebruikt als grondstof in een biogasinstallatie of composteerinstallatie die overeenkomstig artikel
15 is erkend dan wel behandeld in een technisch bedrijf dat met het oog hierop is erkend overeenkomstig
artikel 18, of
ii) op het land uitgereden met inachtneming van deze verordening, of
iii) verwerkt in een biogasinstallatie of tot compost verwerkt overeenkomstig de voorschriften die zijn
vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 2, bedoelde procedure;
f) wordt, indien het hele kadavers of delen van wilde dieren betreft waarvan niet wordt vermoed dat zij met op
mens of dier overdraagbare ziekten zijn besmet, gebruikt voor de productie van jachttrofeeën in een technisch
bedrijf dat met het oog hierop is erkend overeenkomstig artikel 18; of
                                                                                                               63
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>g) wordt verwijderd volgens een andere methode, dan wel gebruikt op een andere manier, in
overeenstemming met de voorschriften die, na raadpleging van het betrokken wetenschappelijke comité,
volgens de in artikel 33, lid 2, bedoelde procedure zijn vastgesteld. Die methode of die manier
kan een aanvulling vormen op, dan wel in de plaats komen van, het bepaalde in de punten a) tot en met f).
Categorie 3-materiaal (artikel 6)
1. Onder categorie 3-materiaal wordt verstaan dierlijke bijproducten die aan de onderstaande beschrijving
beantwoorden of materiaal dat dergelijke bijproducten bevat:
a) delen van geslachte dieren die overeenkomstig de communautaire wetgeving voor menselijke consumptie
geschikt zijn verklaard, maar die om commerciële redenen niet voor menselijke consumptie bestemd zijn;
b) delen van geslachte dieren, die voor menselijke consumptie ongeschikt zijn verklaard, maar die geen
symptomen van op mens of dier overdraagbare ziekten vertonen en die afkomstig zijn van karkassen die
overeenkomstig de communautaire wetgeving voor menselijke consumptie geschikt zijn verklaard;
c) huiden, hoeven en horens, varkenshaar en veren van dieren die worden geslacht in een slachthuis nadat
zij een keuring vóór het slachten hebben ondergaan waarbij zij geschikt zijn verklaard om voor menselijke
consumptie te worden geslacht overeenkomstig de communautaire wetgeving;
d) bloed verkregen van andere dieren dan herkauwers die worden geslacht in een slachthuis nadat zij een
keuring vóór het slachten hebben ondergaan waarbij zij geschikt zijn verklaard om voor menselijke consump-
tie te worden geslacht overeenkomstig de communautaire wetgeving;
e) dierlijke bijproducten verkregen bij de productie van voor menselijke consumptie bestemde producten,
waaronder ontvette beenderen en kanen;
f) andere voormalige voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong of voormalige voedingsmiddelen die produc-
ten van dierlijke oorsprong bevatten dan keukenafval en etensresten, die niet langer voor menselijke
consumptie bestemd zijn, zulks om commerciële redenen of ten gevolge van gebreken
bij de productie of bij de verpakking of andere gebreken die geen enkel gevaar voor mens of dier vormen;
g) rauwe melk afkomstig van dieren die geen klinische symptomen vertonen van een via dat product op mens
of dier overdraagbare ziekte;
h) op volle zee voor de productie van vismeel gevangen vis of andere zeedieren, met uitzondering van zee-
zoogdieren;
                                                                                                          64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>i) verse bijproducten van vis afkomstig van bedrijven die visproducten voor menselijke consumptie
vervaardigen;
j) eierschalen, bijproducten van broederijen en bijproducten van gebarsten eieren afkomstig van dieren die
geen klinische symptomen vertonen van een via dat product op mens of dier overdraagbare ziekte;
k) bloed, huiden, hoeven, veren, wol, hoorn, haar en bont afkomstig van dieren die geen klinische symptomen
vertonen van een via dat product op mens of dier overdraagbare ziekte; en
l) ander keukenafval en etensresten dan genoemd in artikel 4, lid 1, punt e).
2. Categorie 3-materiaal wordt zo spoedig mogelijk overeenkomstig artikel 7 verzameld, vervoerd en
geïdentificeerd, en, tenzij in de artikelen 23 en 24 anders is voorgeschreven,
a) wordt rechtstreeks als afval verwijderd door verbranding in een verbrandingsinstallatie die overeenkomstig
artikel 12 is erkend;
b) wordt verwerkt in een overeenkomstig artikel 13 erkend verwerkingsbedrijf, volgens een van de verwer-
kingsmethoden 1 tot en met 5, in welk geval het daaruit resulterende materiaal blijvend wordt gemerkt, indien
technisch mogelijk met een geur, overeenkomstig bijlage VI, hoofdstuk I, en als afval wordt verwijderd door
verbranding of medeverbranding in een verbrandings- of medeverbrandingsinstallatie die overeenkomstig
artikel 12 is erkend of wordt gestort op een stortplaats die overeenkomstig Richtlijn 1999/31/EG erkend is;
c) wordt verwerkt in een verwerkingsbedrijf dat overeenkomstig artikel 17 is erkend;
d) wordt verwerkt in een technisch bedrijf dat overeenkomstig artikel 18 is erkend;
e) wordt als grondstof gebruikt in een bedrijf voor de productie van voeder voor gezelschapsdieren dat
overeenkomstig artikel 18 is erkend;
f) wordt verwerkt in een biogasinstallatie of composteerinstallatie die overeenkomstig artikel 15 is erkend;
g) wordt, als het het in lid 1, onder l), bedoelde keukenafval en etensresten betreft, verwerkt in een biogas-
installatie of tot compost overeenkomstig de voorschriften die zijn vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 2,
bedoelde procedure, of, in afwachting van de vaststelling van die voorschriften, overeenkomstig de nationale
regelgeving;
h) wordt, als het materiaal afkomstig is van vis, ingekuild of tot compost verwerkt overeenkomstig de
voorschriften die zijn vastgesteld volgens de in artikel 33, lid 2, bedoelde procedure; of
i) wordt verwijderd volgens een andere methode, dan wel gebruikt op een andere manier, in overeenstem-
ming met de voorschriften die, na raadpleging van het betrokken wetenschappelijk comité, volgens de in
                                                                                                             65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>artikel 33, lid 2, bedoelde procedure zijn vastgesteld. Die methode of die manier kan een aanvulling vormen
op, dan wel in de plaats komen van, het bepaalde in de punten a) tot en met h).
                                                                                                         66
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>3. EXCERPT DESTRUCTIEWET EN REGELING AANWIJZING GESPECIFICEERD HOOG-RISICO-
     MATERIAAL
Destructiewet
Artikel 2, lid 1. Zie de Regeling aanwijzing-gespecificeerd-hoog-risicomateriaal 2000:
lid 3. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder laag-risico-
materiaal dierlijk afval van de in het eerste lid bedoelde dieren en vis, dat niet ingevolge het eerste lid als
hoog-risico-materiaal wordt aangemerkt, met dien verstande dat de ingevolge onderdeel d van dat lid daarvan
uitgezonderde produkten slechts als laag-risico-materiaal worden aangemerkt, voor zover deze worden
gebruikt bij de vervaardiging van ingrediënten van diervoeder.
lid 4. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde worden onder laag-risico-materiaal
tevens verstaan niet voor menselijke consumptie bestemde poten en koppen, uitsluitend afkomstig van
pluimvee waarbij noch bij de keuring voor het slachten overeenkomstig hoofdstuk VI van bijlage 1 bij Richtlijn
71/118/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 februari 1971 inzake gezond-
heidsvraagstukken op het gebied van de produktie en het in de handel brengen van vers vlees van pluimvee
(PbEG 1993, L 62), noch bij de keuring van het karkas na het slachten overeenkomstig hoofdstuk VIII van die
bijlage, klinische verschijnselen van op mens of dier overdraagbare ziekten zijn vastgesteld.
lid 6. Mengsels van hoog-risico-materiaal en laag-risico-materiaal worden voor de toepassing van het bij of
krachtens deze wet bepaalde aangemerkt als hoog-risico-materiaal.
lid 7. Bij regeling van Onze Minister kan als gespecificeerd hoog-risico-materiaal worden aangewezen:
a. slachtdieren, of delen daarvan;
b. dierlijk afval.
lid 8. Mengsels van hoog-risico-materiaal en gespecificeerd hoog-risico-materiaal, dan wel van laag-risico-
materiaal en gespecificeerd hoog-risico-materiaal worden aangemerkt als gespecificeerd hoog-risico-
materiaal.
Artikel 4
lid 1. Het is verboden destructiemateriaal aan verwerking te onttrekken.
                                                                                                            67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>lid 2. Het is verboden gespecificeerd hoog-risico-materiaal voor welk doel dan ook te gebruiken.
lid 3. Het is verboden destructiemateriaal, anders dan in een verwerkingbedrijf voor hoog- of voor laag-risico-
materiaal, te mengen met ander materiaal dan destructiemateriaal.
Regeling aanwijzing gespecificeerd hoog-risico materiaal 2000
Artikel 2, lid 1. Als gespecificeerd hoog-risico-materiaal als bedoeld in artikel 2, zevende lid, van de Destruc-
tiewet worden aangewezen:
a. dierlijk afval dat mogelijk is verontreinigd met dioxine;
b. hoog risicomateriaal als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a,b,c,d,e,f,h en i van de wet
c. de darmen vanaf het duodenum tot en met het rectum van runderen ongeacht hun leeftijd;
d. de schedel, met inbegrip van de hersenen en de ogen, de tonsillen en het ruggemerg van geslachte
runderen, schapen en geiten ouder dan één jaar, alsmede van geslachte schapen en geiten, waarbij één van
de blijvende snijtanden door het slijmvlies is gebroken;
e. de milt van geslachte schapen en geiten;
f. vlees van slachtdieren dat op grond van artikel 13, onder 1, onderdelen b of c, van het keuringsregulatief
1994 ongeschikt wordt verklaard voor menselijke en dierlijke consumptie;
g. alle delen die van een ter slachting aangeboden rund zijn verwijderd voordat de uitslag van het op grond
van artikel 14b van het Onderzoekingsregulatief 1994 verrichte steekproefsgewijs onderzoek bekend is;
h. dode honden en katten, voor zover niet onschadelijk gemaakt op een wijze als omschreven in artikel 30
van het Destructiebesluit;
i. het ileum van geslachte runderen ouder dan één jaar;
j. gestorven kweekvis;
k. de thymus, milt tonsillen en darmen van uit Frankrijk afkomstige in Nederland geslachte runderen,
ongeacht hun leeftijd;
l. de T-bonesteak van uit Frankrijk afkomstige in Nederland geslachte runderen ouder dan twaalf maanden;
m. op één of meer door het gemeentebestuur aangewezen plaatsen bijeengebrachte vogels die vermoedelijk
zijn gestorven ten gevolge van een intoxicatie door Clostridium botulinum;
n. op één of meer door het gemeentebestuur aangewezen plaatsen bijeengebrachte vissen die vermoedelijk
zijn gestorven ten gevolge van de vrieskou;
                                                                                                              68
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>o. kadavers van dierentuindieren, met uitzondering van dode dieren of delen van dode dieren die ter plekke
aan dierentuindieren ter vervoedering worden aangeboden en van die dode dieren of delen van dode dieren
die voor educatieve doeleinden worden gebruikt;
p. kadavers van circusdieren
q. kadavers van proefdieren;
r. vlees, gehakt, vleesbereidingen of vleesproducten afkomstig van runderen die in het Verenigd Koninkrijk
zijn geslacht en vóór 28 maart 1996 binnen Nederlands grondgebied zijn gebracht;
s. overige dierlijke producten als bedoeld in artikel 11.2, onderdeel f, l, onderscheidelijk m, van de Regeling
keuring en handel dierlijke producten afkomstig van runderen die in het Verenigd Koninkrijk zijn geslacht en in
de periode tussen 23 en 28 maart 1996 binnen Nederlands grondgebied zijn gebracht.
                                                                                                             69
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>4. VERORDENING 1774/2002 EU
Artikel 22 Beperkingen van het gebruik
1. Het hierna genoemde gebruik van dierlijke bijproducten en verwerkte producten is verboden:
a) het voederen van een diersoort met verwerkte dierlijke eiwitten die afkomstig zijn van karkassen of
gedeelten ervan van dieren van dezelfde soort;
b) het voederen van ander vee dan pelsdieren met keukenafval en etensresten of met voedermiddelen die
keukenafval en etensresten bevatten of daarvan afkomstig zijn; en
c) het gebruik op weiden van andere biologische meststoffen en bodemverbeteraars dan mest.
2. De uitvoeringsbepalingen van dit artikel, met inbegrip van bepalingen inzake controlemaatregelen, worden
vastgesteld volgens de procedure van artikel 33, lid 2. Volgens dezelfde procedure kunnen, na raadpleging
van het betrokken wetenschappelijke comité, afwijkingen van lid 1, onder a), worden toegestaan met
betrekking tot vis en pelsdieren.
Hoofdstuk V, Afwijkingen
Artikel 23 Afwijkingen met betrekking tot het gebruik van dierlijke bijproducten
1. De lidstaten kunnen, op voorwaarde dat toezicht wordt gehouden door de bevoegde autoriteiten,
toestemming verlenen om:
a) dierlijke bijproducten te gebruiken voor diagnose, onderwijs en onderzoek; en
b) dierlijke bijproducten te gebruiken voor taxidermie in technische bedrijven die hiertoe overeenkomstig
artikel 18 zijn erkend.
2. a) De lidstaten kunnen eveneens toestemming verlenen voor het gebruik van de onder b) genoemde
dierlijke bijproducten voor het voederen van de onder c) genoemde dieren, op voorwaarde dat er toezicht
wordt gehouden door de bevoegde autoriteiten en de in bijlage IX vastgestelde eisen worden nageleefd.
b) De onder a) bedoelde dierlijke bijproducten zijn:
i) categorie 2-materiaal dat afkomstig is van dieren die niet zijn gedood of gestorven in verband met de
aanwezigheid of vermoede aanwezigheid van een op mens of dier overdraagbare ziekte, en
ii) categorie 3-materiaal genoemd in artikel 6, lid 1, onder a) tot en met j), en, onder voorbehoud van artikel
22, in artikel 6, lid 1, onder l).
                                                                                                            70
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>c) De onder a) bedoelde dieren zijn:
i) dieren in dierentuinen,
ii) circusdieren,
iii) andere reptielen en roofvogels dan dieren in dierentuinen of circussen,
iv) pelsdieren,
v) wilde dieren waarvan het vlees niet voor menselijke consumptie bestemd is,
vi) honden in erkende kennels of honden voor de drijfjacht die deel uitmaken van een erkende jachthonden-
meute, en
vii) maden voor gebruik als visaas.
d) Bovendien mogen de lidstaten, onder toezicht van de bevoegde autoriteiten, het gebruik van het in artikel
4, lid 1, punt b), onder ii), bedoelde categorie 1-materiaal toestaan voor het voederen van met uitsterven
bedreigde of beschermde aasetende vogelsoorten overeenkomstig de volgens de procedure van artikel 33,
lid 2, vastgestelde voorschriften na raadpleging van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid.
3. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van:
a) het gebruik dat wordt gemaakt van de in lid 2 bedoelde afwijkingen; en
b) de controlemaatregelen die worden ingevoerd om te waarborgen dat de betrokken dierlijke bijproducten
uitsluitend worden gebruikt voor het toegestane doel.
4. Iedere lidstaat stelt een lijst samen van krachtens lid 2, letter c), onder iv), vi) en vii), gemachtigde en
geregistreerde gebruikers en verzamelcentra op zijn grondgebied. Iedere gebruiker en ieder verzamelcentrum
krijgt een officieel nummer met het oog op inspectie en om de oorsprong van de betrokken producten te
kunnen traceren. Het toezicht op de bedrijfsruimten van de in de vorige alinea genoemde gebruikers en
verzamelcentra wordt verricht door de bevoegde autoriteit, die te allen tijde vrije toegang heeft tot alle delen
van de ruimten,
teneinde de naleving van de bepalingen in lid 2 te waarborgen. Indien uit de inspectie blijkt dat niet aan die
bepalingen wordt voldaan, neemt de bevoegde autoriteit passende maatregelen.
5. Volgens de procedure van artikel 33, lid 2, kunnen uitvoeringsbepalingen inzake controlemaatregelen
worden vastgesteld.
                                                                                                              71
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>5. VERORDENING 999/2001 EU
Verbodsbepalingen in verband met diervoeding
Artikel 7
1. Het gebruik van van zoogdieren afkomstige eiwitten in de voeding van herkauwers is verboden.
2. Bovendien wordt het verbod van lid 1 tot dieren en producten van dierlĳke oorsprong volgens bĳlage IV,
punt 1, uitgebreid.
3. Van de in het eerste en tweede lid genoemde verboden zĳn uitgezonderd de in bĳlage IV, punt 2,
genoemde producten.
4. Lidstaten of gebieden daarvan van categorie 5 mogen geen diervoeders uitvoeren of opslaan die bestemd
zĳn voor landbouwhuisdieren en van zoogdieren afkomstige eiwitten bevatten, evenmin als diervoeders die
bestemd zĳn voor zoogdieren, met uitzondering van honden en katten, en van zoogdieren afkomstige
verwerkte dierlĳke eiwitten bevatten. Derde landen of gebieden daarvan van categorie 5 mogen naar de
Gemeenschap geen diervoeders uitvoeren die bestemd zĳn voor landbouwhuisdieren en van zoogdieren
afkomstige eiwitten bevatten, evenmin als diervoeders die bestemd zĳn voor zoogdieren, met uitzondering
van honden en katten, en van zoogdieren afkomstige verwerkte dierlĳke eiwitten bevatten.
5. De uitvoeringsbepalingen voor dit artikel, met name de voorschriften voor de voorkoming van
kruisbesmetting en voor de bemonsterings- en analysemethoden die nodig zĳn om de naleving van dit artikel
te controleren, worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 24, lid 2.
Bijlage IV Diervoeders
Uitbreiding van het verbod van artikel 7, lid 1
1. De verbodsbepalingen van artikel 7, lid 1, gelden ook voor het vervoederen:
a) aan landbouwhuisdieren, met uitzondering van vleesetende pelsdieren, van
   a) verwerkte dierlijke eiwitten;
   b) van herkauwers afkomstige gelatine;
   c) bloedproducten;
                                                                                                      72
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>    d) gehydrolyseerde eiwitten;
    e) dicalciumfosfaat en tricalciumfosfaat van dierlijke oorsprong;
    f) diervoeders die de onder a) tot en met e) genoemde producten bevatten;
b) aan herkauwers, van dierlijke eiwitten en diervoeders die dergelijke eiwitten bevatten.
2. I. Afwijkingen van de verbodsbepalingen van artikel 7, leden 1 en 2, en specifieke voorwaarden voor de
toepassing van die afwijkingen:
A. De verbodsbepalingen van artikel 7, leden 1 en 2, gelden niet voor:
a) het vervoederen aan niet-herkauwers van de onder i), ii) en iii) bedoelde eiwitten en van daarmee vervaar-
digde diervoeders, mits die eiwitten voorzover van toepassing zijn verwerkt overeenkomstig artikel 19 van
Verordening (EG) nr. 1774/2002:
i) vismeel, overeenkomstig de onder B vermelde voorwaarden;
ii) gehydrolyseerde eiwitten afkomstig van huiden van niet-herkauwers en herkauwers, overeenkomstig de
onder C vermelde voorwaarden;
iii) dicalciumfosfaat en tricalciumfosfaat, overeenkomstig de onder D vermelde voorwaarden;
b) het vervoederen aan herkauwers van de onder i), ii) en iii) bedoelde eiwitten en van daarmee vervaardigde
producten, mits die eiwitten voorzover van toepassing zijn verwerkt overeenkomstig artikel 19 van
Verordening (EG) nr. 1774/2002:
i) melk, melkproducten en colostrum;
ii) eieren en eiproducten;
iii) van niet-herkauwers afkomstige gelatine;
c) het vervoederen aan vissen van bloedproducten en bloedmeel afkomstig van niet-herkauwers, mits zij
voorzover van toepassing zijn verwerkt overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EG) nr. 1774/2002, en
van diervoeders die met dergelijke eiwitten zijn vervaardigd, overeenkomstig de onder E vermelde
voorwaarden.
B. Voorwaarden voor het gebruik van vismeel en vismeel bevattende diervoeders in de voeding van niet-
herkauwende landbouwhuisdieren, afgezien van vleesetende pelsdieren:
a) het vismeel wordt geproduceerd in verwerkingsbedrijven die uitsluitend van vis afgeleide producten
produceren en door de bevoegde autoriteit zijn erkend overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EG) nr.
1774/2002;
                                                                                                          73
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>b) alvorens in de Gemeenschap in het vrije verkeer te worden gebracht, wordt elke zending ingevoerd
vismeel geanalyseerd overeenkomstig Richtlijn 98/88/EG van de Commissie (*);
c) diervoeders die vismeel bevatten, worden geproduceerd in inrichtingen die geen voeder voor herkauwers
vervaardigen en door de bevoegde autoriteit zijn erkend.
In afwijking van die voorwaarde echter:
i) is specifieke toestemming voor de productie van volledige diervoeders uit vismeel bevattende diervoeders
niet vereist voor zelfmengende veehouders die:
- door de bevoegde autoriteit zijn geregistreerd;
- uitsluitend niet-herkauwers houden, en
- volledige diervoeders uitsluitend voor gebruik op hetzelfde bedrijf produceren, mits de vismeel bevattende
diervoeders die voor de productie worden gebruikt, minder dan 50 % ruwe eiwitten bevatten;
ii) mag door de bevoegde autoriteit toestemming worden verleend voor de productie van voeder voor
herkauwers in inrichtingen die ook diervoeders met vismeel voor andere diersoorten produceren, mits aan de
volgende voorwaarden wordt voldaan:
- voor herkauwers bestemde diervoeders, in bulk en verpakt, worden geproduceerd in faciliteiten die fysiek
gescheiden zijn van de faciliteiten waar vismeel bevattende diervoeders worden geproduceerd;
- de opslag, het vervoer en de verpakking van voor herkauwers bestemde diervoeders in bulk vinden plaats in
faciliteiten die fysiek gescheiden zijn van de overeenkomstige faciliteiten voor vismeel in bulk en vismeel
bevattende diervoeders in bulk;
- de administratie betreffende de aankopen en het gebruik van vismeel en de verkopen van diervoeders die
vismeel bevatten, wordt ten minste vijf jaar ter beschikking van de bevoegde autoriteit gehouden;
- er worden routinetests uitgevoerd op diervoeders die voor herkauwers zijn bestemd, teneinde te garanderen
dat er geen verboden eiwitten, met inbegrip van vismeel, in voorkomen;
d) op het etiket en het begeleidend document van diervoeders die vismeel bevatten, worden duidelijk de
woorden „Bevat vismeel, niet geschikt voor vervoedering aan herkauwers” vermeld;
e) diervoeders in bulk die vismeel bevatten, worden vervoerd in voertuigen die niet tegelijkertijd voeder voor
herkauwers vervoeren. Indien het voertuig vervolgens voor het vervoer van voeder voor herkauwers wordt
gebruikt, wordt het grondig gereinigd volgens een door de bevoegde autoriteit goedgekeurde
reinigingsprocedure om versleping te voorkomen;
                                                                                                            74
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>f) het gebruik en de opslag van vismeel bevattende diervoeders op bedrijven waar herkauwers worden
gehouden, zijn verboden. In afwijking van deze voorwaarde mag door de bevoegde autoriteit toestemming
worden verleend voor het gebruik en de opslag van diervoeders die vismeel bevatten, op bedrijven waar
herkauwers worden gehouden, mits zij zich ervan heeft vergewist dat er op het bedrijf maatregelen worden
genomen om te voorkomen dat diervoeders die vismeel bevatten, aan herkauwers worden vervoederd.
C. Voorwaarden voor het gebruik van gehydrolyseerde eiwitten afkomstig van niet-herkauwers of van huiden
van herkauwers, en van diervoeders die dergelijke eiwitten bevatten, in de voeding van niet-herkauwende
landbouwhuisdieren, met uitzondering van vleesetende pelsdieren:
a) de gehydrolyseerde eiwitten worden geproduceerd in verwerkingsbedrijven die door de bevoegde autoriteit
zijn erkend overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1774/2002;
b) diervoeders die gehydrolyseerde eiwitten bevatten, worden geproduceerd in inrichtingen die geen voeder
voor herkauwers vervaardigen en door de bevoegde autoriteit zijn erkend. In afwijking van die voorwaarde
echter:
i) is specifieke toestemming voor de productie van volledige diervoeders uit gehydrolyseerde eiwitten
bevattende diervoeders niet vereist voor zelfmengende veehouders die:
- door de bevoegde autoriteit zijn geregistreerd;
- uitsluitend niet-herkauwers houden, en
- volledige diervoeders uitsluitend voor gebruik op hetzelfde bedrijf produceren, mits
- de gehydrolyseerde eiwitten bevattende diervoeders die voor de productie worden gebruikt, minder dan 50
% ruwe eiwitten bevatten;
ii) mag door de bevoegde autoriteit toestemming worden verleend voor de productie van voeder voor
herkauwers in inrichtingen die ook diervoeders met gehydrolyseerde eiwitten voor andere diersoorten
produceren, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
- voor herkauwers bestemde diervoeders, in bulk en verpakt, worden geproduceerd in faciliteiten die fysiek
gescheiden zijn van de faciliteiten waar gehydrolyseerde eiwitten bevattende diervoeders worden
geproduceerd;
- de opslag, het vervoer en de verpakking van voor herkauwers bestemde diervoeders in bulk vinden plaats in
faciliteiten die fysiek gescheiden zijn van de overeenkomstige faciliteiten voor gehydrolyseerde eiwitten in
bulk en diervoeders in bulk die gehydrolyseerde eiwitten bevatten;
                                                                                                         75
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>- de administratie betreffende de aankopen en het gebruik van gehydrolyseerde eiwitten en de verkopen van
diervoeders die gehydrolyseerde eiwitten bevatten, wordt ten minste vijf jaar ter beschikking van de bevoegde
autoriteit gehouden;
c) op het etiket en het begeleidend document van diervoeders die gehydrolyseerde eiwitten bevatten, worden
duidelijk de woorden „Bevat gehydrolyseerde eiwitten - niet geschikt voor vervoedering aan herkauwers”
vermeld;
d) diervoeders in bulk die gehydrolyseerde eiwitten bevatten, worden vervoerd in voertuigen die niet
tegelijkertijd voeder voor herkauwers vervoeren. Indien het voertuig vervolgens voor het vervoer van voeder
voor herkauwers wordt gebruikt, wordt het grondig gereinigd volgens een door de bevoegde autoriteit
goedgekeurde reinigingsprocedure om versleping te voorkomen;
e) het gebruik en de opslag van gehydrolyseerde eiwitten bevattende diervoeders op bedrijven waar
herkauwers worden gehouden, zijn verboden. In afwijking van deze voorwaarde mag door de bevoegde
autoriteit toestemming worden verleend voor het gebruik en de opslag van diervoeders die gehydrolyseerde
eiwitten bevatten, op bedrijven waar herkauwers worden gehouden, mits zij zich ervan heeft vergewist dat er
op het bedrijf maatregelen worden genomen om te voorkomen dat diervoeders die gehydrolyseerde eiwitten
bevatten, aan herkauwers worden vervoederd.
D. Voorwaarden voor het gebruik van dicalciumfosfaat, tricalciumfosfaat en diervoeders die die producten
bevatten, in de voeding van niet-herkauwende landbouwhuisdieren met uitzondering van vleesetende
pelsdieren:
a) dicalciumfosfaat en tricalciumfosfaat worden geproduceerd in verwerkingsbedrijven die door de bevoegde
autoriteit zijn erkend overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1774/2002;
b) diervoeders die dicalciumfosfaat of tricalciumfosfaat bevatten, worden geproduceerd in inrichtingen die
geen voeder voor herkauwers vervaardigen en door de bevoegde autoriteit zijn erkend.
In afwijking van die voorwaarde echter:
i) is specifieke toestemming voor de productie van volledige diervoeders uit diervoeders die dicalciumfosfaat
of tricalciumfosfaat bevatten, niet vereist voor zelfmengende veehouders die:
- door de bevoegde autoriteit zijn geregistreerd;
- uitsluitend niet-herkauwers houden, en
- volledige diervoeders uitsluitend voor gebruik op hetzelfde bedrijf produceren, mits
                                                                                                           76
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>- de diervoeders met dicalciumfosfaat of tricalciumfosfaat die voor de productie worden gebruikt, minder dan
10 % totaal fosfor bevatten;
ii) mag door de bevoegde autoriteit toestemming worden verleend voor de productie van voeder voor
herkauwers in inrichtingen die ook diervoeders met dicalciumfosfaat of tricalciumfosfaat voor andere
diersoorten produceren, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
- voor herkauwers bestemde diervoeders, in bulk en verpakt, worden geproduceerd in faciliteiten die fysiek
gescheiden zijn van de faciliteiten waar dicalciumfosfaat of tricalciumfosfaat bevattende diervoeders worden
geproduceerd;
- de opslag, het vervoer en de verpakking van voor herkauwers bestemde diervoeders in bulk vinden plaats in
faciliteiten die fysiek gescheiden zijn van de overeenkomstige faciliteiten voor dicalciumfosfaat en
tricalciumfosfaat in bulk en diervoeders in bulk die dicalciumfosfaat en tricalciumfosfaat bevatten;
- de administratie betreffende de aankopen en het gebruik van dicalciumfosfaat en tricalciumfosfaat en de
verkopen van diervoeders die dicalciumfosfaat of tricalciumfosfaat bevatten, wordt ten minste vijf jaar ter
beschikking van de bevoegde autoriteiten gehouden;
c) op het etiket en het begeleidend document van diervoeders die dicalciumfosfaat of tricalciumfosfaat
bevatten, worden duidelijk de woorden „Bevat dicalciumfosfaat/tricalciumfosfaat van dierlijke oorsprong - niet
geschikt voor vervoedering aan herkauwers” vermeld;
d) diervoeders in bulk die dicalciumfosfaat of tricalciumfosfaat bevatten, worden vervoerd in voertuigen die
niet tegelijkertijd voeder voor herkauwers vervoeren. Indien het voertuig vervolgens voor het vervoer van
voeder voor herkauwers wordt gebruikt, moet het grondig worden gereinigd volgens een door de bevoegde
autoriteit goedgekeurde reinigingsprocedure om versleping te voorkomen;
e) het gebruik en de opslag van diervoeders die dicalciumfosfaat of tricalciumfosfaat bevatten, op bedrijven
waar herkauwers worden gehouden, zijn verboden. In afwijking van deze voorwaarde mag door de bevoegde
autoriteit toestemming worden verleend voor het gebruik en de opslag van diervoeders die dicalciumfosfaat of
tricalciumfosfaat bevatten, op bedrijven waar herkauwers worden gehouden, mits zij zich ervan heeft
vergewist dat er op het bedrijf maatregelen worden genomen om te voorkomen dat diervoeders die
dicalciumfosfaat of tricalciumfosfaat bevatten, aan herkauwers worden vervoederd.
E. Voorwaarden voor het gebruik van niet van herkauwers afkomstige bloedproducten, bloedmeel en
diervoeders die die producten bevatten, in de voeding van gekweekte vis:
                                                                                                           77
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>a) het bloed is afkomstig van door de Europese Unie erkende slachthuizen die geen herkauwers slachten en
als zodanig zijn geregistreerd, en wordt rechtstreeks naar het verwerkingsbedrijf vervoerd in voertuigen die
speciaal bestemd zijn voor het vervoer van bloed van niet-herkauwers. Indien het voertuig voor het vervoer
van bloed van herkauwers is gebruikt, wordt het vóór het vervoer van bloed van niet-herkauwers na reiniging
door de bevoegde autoriteit geïnspecteerd. In afwijking van deze voorwaarde mag door de bevoegde
autoriteit toestemming worden verleend voor het slachten van herkauwers in slachthuizen die bloed van niet-
herkauwers verzamelen met het oog op de productie van bloedmeel en bloedproducten voor gebruik in
visvoeder, indien die slachthuizen over een erkend controlesysteem beschikken. Dit controlesysteem bestaat
minimaal uit de volgende maatregelen:
- het slachten van niet-herkauwers gebeurt fysiek gescheiden van het slachten van herkauwers;
- de verzameling, de opslag, het vervoer en de verpakking van bloed van niet-herkauwers vinden plaats in
faciliteiten die fysiek gescheiden zijn van de overeenkomstige faciliteiten voor bloed van herkauwers;
- het bloed van niet-herkauwers wordt regelmatig bemonsterd en onderzocht op de aanwezigheid van eiwitten
van herkauwers;
b) de bloedproducten en het bloedmeel worden geproduceerd in een inrichting die uitsluitend bloed van niet-
herkauwers verwerkt en door de bevoegde autoriteit is erkend overeenkomstig artikel 17 van Verordening
(EG) nr. 1774/2002.
In afwijking van deze voorwaarde mag door de bevoegde autoriteit toestemming worden verleend voor de
productie van bloedproducten voor gebruik in visvoeder in inrichtingen die bloed van herkauwers verwerken
en die over een erkend controlesysteem beschikken om versleping te voorkomen. Dit controlesysteem
bestaat minimaal uit de volgende maatregelen:
- de verwerking van bloed van niet-herkauwers gebeurt in een gesloten systeem dat fysiek gescheiden is van
de verwerking van bloed van herkauwers;
- het vervoer, de opslag en de verpakking van de grondstoffen in bulk en eindproducten in bulk afkomstig van
niet-herkauwers vinden plaats in faciliteiten die fysiek gescheiden zijn van de overeenkomstige faciliteiten
voor grondstoffen in bulk en eindproducten in bulk afkomstig van herkauwers;
- de bloedproducten afkomstig van niet-herkauwers worden regelmatig bemonsterd en onderzocht op de
aanwezigheid van eiwitten van herkauwers;
                                                                                                          78
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>c) diervoeders die bloedproducten of bloedmeel bevatten, worden vervaardigd in inrichtingen voor de
productie van visvoeder die geen voeder voor andere landbouwhuisdieren, afgezien van vleesetende
pelsdieren, vervaardigen en door de bevoegde autoriteit zijn erkend;
d) op het etiket, het begeleidende handelsdocument of het gezondheidscertificaat, al naar het geval, van
diervoeders die bloedproducten of bloedmeel bevatten, worden duidelijk de woorden „Bevat bloedproducten
- mag alleen aan vis worden vervoederd” respectievelijk „Bevat bloedmeel - mag alleen aan vis worden
vervoederd” vermeld;
e) voertuigen die worden gebruikt voor het vervoer in bulk van visvoeders die bloedproducten of bloedmeel
bevatten, mogen niet worden gebruikt voor het vervoer van voeder voor andere landbouwhuisdieren, afgezien
van vleesetende pelsdieren, tenzij het voertuig na reiniging door de bevoegde autoriteit geïnspecteerd is;
f) het gebruik en de opslag van visvoeders die bloedproducten of bloedmeel bevatten op bedrijven waar
andere landbouwhuisdieren, afgezien van vleesetende pelsdieren, worden gehouden, zijn verboden.
3. II. Algemene uitvoeringsvoorwaarden:
A. Elke lidstaat stelt de andere lidstaten en de Commissie binnen 60 dagen na de inwerkingtreding van deze
verordening een bijgewerkte lijst ter beschikking van de door de Europese Unie erkende slachthuizen die
geen herkauwers slachten en als zodanig zijn geregistreerd, de erkende verwerkingsinrichtingen die
gehydrolyseerde eiwitten, dicalciumfosfaat, tricalciumfosfaat, vismeel, bloedproducten of bloedmeel
produceren, en de inrichtingen, met uitzondering van zelfmengende veehouders, die toestemming hebben om
diervoeders te produceren die genoemde producten bevatten, en aan de in deze verordening vervatte
voorwaarden voldoen. Elke wijziging van die lijst wordt onverwijld ter beschikking gesteld van de andere
lidstaten en de Commissie.
B. a) Verwerkte dierlijke eiwitten in bulk, met uitzondering van vismeel, en diervoeders in bulk die dergelijke
eiwitten bevatten, worden opgeslagen en vervoerd in speciaal daarvoor bestemde faciliteiten. De
opslagruimten en voertuigen mogen alleen voor andere doeleinden worden gebruikt nadat zij gereinigd en
door de bevoegde autoriteit geïnspecteerd zijn.
b) Vismeel in bulk, gehydrolyseerde eiwitten zoals bedoeld in deel I, punt A, onder a) ii), in bulk,
dicalciumfosfaat en tricalciumfosfaat zoals bedoeld in deel I, punt A, onder a) iii), in bulk, en bloedmeel en
bloedproducten zoals bedoeld in deel I, punt A, onder c), worden opgeslagen en vervoerd in speciaal
daarvoor bestemde opslagruimten respectievelijk vervoermiddelen.
c) In afwijking van het bepaalde onder b):
                                                                                                             79
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>i) mogen opslagruimten en voertuigen worden gebruikt voor de opslag respectievelijk het vervoer van
diervoeders die hetzelfde eiwit bevatten;
ii) mogen opslagruimten en voertuigen nadat zij gereinigd en door de bevoegde autoriteit geïnspecteerd zijn,
voor andere doeleinden worden gebruikt;
iii) mogen voertuigen die vismeel vervoeren, voor andere doeleinden worden gebruikt indien het bedrijf
beschikt over een door de bevoegde autoriteit erkend controlesysteem om versleping te voorkomen. Dit
controlesysteem bestaat minimaal uit de volgende maatregelen:
- een administratie van het vervoerde materiaal en de reiniging van het voertuig;
- regelmatige bemonstering en analyse van de vervoerde diervoeders op de aanwezigheid van vismeel.
De bevoegde autoriteit verricht frequente controles ter plaatse om na te gaan of het controleprogramma
correct wordt toegepast.
C. Diervoeders, met inbegrip van voeder voor gezelschapsdieren, die verwerkte dierlijke eiwitten, met
uitzondering van vismeel of bloedmeel afkomstig van niet-herkauwers, of bloedproducten afkomstig van
herkauwers, bevatten, mogen niet geproduceerd worden in inrichtingen die voeders voor landbouwhuisdieren,
afgezien van vleesetende pelsdieren, produceren. Voeder voor gezelschapsdieren en voor vleesetende pels-
dieren die vismeel, gehydrolyseerde eiwitten zoals bedoeld in deel I, punt A, onder a) ii), dicalciumfosfaat en
tricalciumfosfaat zoals bedoeld in deel I, punt A, onder a) iii), en bloedmeel en bloedproducten zoals bedoeld
in deel I, punt A, onder c), bevatten, wordt vervaardigd en vervoerd overeenkomstig het bepaalde in deel I,
punt B, onder c) en e), punt C, onder b) en d), punt D, onder b) en d), respectievelijk punt E, onder c) en e).
D. De uitvoer naar derde landen van van herkauwers afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten en van producten
die dergelijke dierlijke eiwitten bevatten, is verboden. De uitvoer van andere verwerkte dierlijke eiwitten en
bloedproducten en van producten die dergelijke eiwitten bevatten, is alleen toegestaan onder de volgende
voorwaarden:
- zij zijn bestemd voor gebruik dat niet krachtens artikel 7 is verboden;
- voorafgaande aan de uitvoer wordt een schriftelijke overeenkomst met het derde land gesloten, waarin het
derde land zich ertoe verbindt zich aan het eindgebruik te houden en de verwerkte dierlijke eiwitten,
bloedproducten en producten die dergelijke eiwitten bevatten, niet opnieuw uit te voeren voor gebruik dat
krachtens artikel 7 is verboden. De lidstaten die een dergelijke uitvoer toestaan, stellen de Commissie en de
overige lidstaten in het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid op de hoogte van alle
met het betrokken derde land overeengekomen voorwaarden, met het oog op de daadwerkelijke
                                                                                                                80
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>tenuitvoerlegging van deze verordening. De in dit punt vermelde maatregelen zijn niet van toepassing op
vismeel, mits aan de in punt B vermelde voorwaarden wordt voldaan, producten die dergelijk vismeel
bevatten en voeder voor gezelschapsdieren.
E. De bevoegde autoriteit zorgen in de hele productie- en distributieketen voor controles van de documenten
en fysieke controles, inclusief tests op diervoeders, overeenkomstig Richtlijn 95/53/EG van de Raad (**),
teneinde de naleving van die richtlijn en van deze verordening te waarborgen. Ingeval verboden dierlijke
eiwitten worden aangetroffen, is Richtlijn 95/53/EG van toepassing.
F. De bepalingen betreffende de productie en het gebruik van verwerkte dierlijke eiwitten van Verordening
(EG) nr. 1774/2002 zijn van toepassing op de onder deze bijlage vallende diervoeders.
                                                                                                         81
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>6. REKENSCHEMA VOOR R0 BEREKENING BIJ TOESTAAN HERKAUWER DIERMEEL IN VEEVOER
    (WORST CASE)
                                Parameter            Berekening     Aannames en Aannames en
                                                                    uitkomsten: uitkomsten:
                                                                    scenario 1  scenario 2
 Infectieus materiaal ID50 in   ID50                                (500-) 8000 (5-) 80
 een BSE besmet rund
 Reductie bij druksterilisatie  REDUC                               200 (-1000)
 Over na ‘destructie’           RESTID50             ID50/REDUC     40          0.4
 Productie van mengvoer in      GEMENGDPROD                         100%        100%
 gemengde fabrieken
 Hoeveel verwerkt ID50 in       VOERID50             RESTID50     x 40          0.4
 veevoer                                             GEMENGDPROD
 Batches       per     charge   BATCH_CHARGE                        2 (-20)
 versleping                     VERSLEPING                          (2-) 14%
 Compliance (best case)         COMPLIANCE                          100%
 Survival       tot       gem.  SURV_RUND                           25%
 incubatietijd
 Versleept naar rundveevoer     RUND_VOERID50        VOERID50     / 2.8 ID50    0.028 ID50
                                                     BATCH_CHARGE
                                                     x VERSLEPING
 R0                                                  RUNDVOERID50   0.35        0.0035
                                                     X SURV_RUND X
                                                     0.50
Scenario 1: toepassing van categorie 1 materiaal
Scenario 2: toepassing van alléén categorie 3 materiaal
                                                                                            82
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>7. SAMENSTELLING VAN DE WERKGROEP
De werkgroep die dit advies heeft voorbereid was als volgt samengesteld:
•   G. Beerendonk
•   B.R. Berends
•   L. Heres
•   P.A.M. Overgaauw, voorzitter
                                                                         83
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>8.  OVERZICHT VAN PUBLICATIES
Onderstaand overzicht betreft de publicaties van de Raad vanaf 2002. Een overzicht van eerdere door de
Raad uitgebrachte adviezen kan worden opgevraagd bij het secretariaat van de Raad of is te vinden op
www.raadvoordierenaangelegenheden.nl.
PUBLICATIES IN 2006:
RDA 2006/01      Gedeelde zorg – Actieplan (publicatie Forum Welzijn Gezelschapsdieren)
RDA 2006/02      Gedeelde zorg – Feiten en cijfers (publicatie Forum Welzijn Gezelschapsdieren)
PUBLICATIES IN 2005:
RDA 2005/01      De rol van wild bij de insleep en verspreiding van klassieke varkenspest en mond- en
                 klauwzeer in Nederland
RDA 2005/02      Immunosterilisatie als een alternatief voor de huidige wijze van castratie in de
                 varkenshouderij
RDA 2005/03      Maintaining or improving farm animal welfare in the light of increasing trade liberalisation
                 and globalisation: a contradiction in terms?
RDA 2005/04      Het houden van potentieel gevaarlijke diersoorten als gezelschapsdier
RDA 2005/05      Implicaties van de door EFSA geformuleerde opinie over het bedwelmen en doden van de
                 belangrijkste productiedieren voor richtlijn 93/119/EG en het Nederlandse standpunt ten
                 aanzien van deze richtlijn.
RDA 2005/06      I&R hobbydieren/definitie gezelschapsdieren
RDA 2005/07      De erkende dierenarts
RDA 2005/08      Advies over de wintersterfte 2004-2005 van grote grazers in de Oostvaardersplassen
RDA 2005/09      Inventarisatie van de stand van zaken met betrekking tot ingrepen bij pluimvee
Jaarverslag 2004
PUBLICATIES IN 2004:
                                                                                                           84
</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>RDA 2004/01      Dierziektebeleid met draagvlak – Advies over de bestrijding van zeer besmettelijke
                 dierziekten; deel 2 – Onderbouwing van het advies
RDA 2004/02      Herinrichting van het distributie- en kanalisatiesysteem van diergeneesmiddelen in
                 Nederland
RDA 2004/03      Negatief- en positieflijst voor vissen, reptielen en amfibieën ter invulling van artikel 33 van
                 de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
RDA 2004/04      Bestialiteit
RDA 2004/05      Strategieën om te komen tot een efficiëntere opsporing van besmettelijke, aangifteplichtige
                 dierziekten
RDA 2004/06      Verkenning van de toekomstperspectieven voor agroproductieparken in Nederland
Jaarverslag 2003
PUBLICATIES IN 2003:
RDA 2003/01      Advies omtrent dierziekten en zoönosen, waarvoor hobbymatig gehouden dieren vatbaar
                 zijn en als drager kunnen fungeren, die een bedreiging kunnen vormen voor de
                 gezondheid van mensen en bedrijfsmatig gehouden dieren en die in het kader van grote
                 bestrijdingscampagnes relevant zijn
RDA 2003/02      Wet- en regelgeving omtrent hobbydieren
RDA 2003/03      Mogelijke dierenwelzijnproblemen in de paardenhouderij
RDA 2003/04      Zorgen voor je paard
RDA 2003/05      Criteria voor dodingsmethoden voor paling en meerval
RDA 2003/06      Het doden van drachtige grote landbouwhuisdieren
RDA 2003/07      Negatief- en positieflijst voor zoogdieren en vogels ter invulling van artikel 33 van de
                 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
RDA 2003/08      Dierziektebeleid met draagvlak – Advies over de bestrijding van zeer besmettelijke
                 dierziekten; deel 1 – Advies
Jaarverslag 2002
                                                                                                              85
</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>