<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                       Fokkerij
                                &
        Voortplantingstechnieken
            Anima(l) sana in corpore sano
RDA 2010_02   Fokkerij & Voortplantingstechnieken 0
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Aanbiedingsbrief
Excellentie,
Het onderwerp fokkerij is niet nieuw op de politieke en maatschappelijke agenda. Vooral
misstanden roepen vaak indringende vragen – en beelden – op. Er is overigens dankzij
de fokkerij en dankzij het gebruik van voortplantingstechnieken ook veel goeds bereikt
voor mens én dier.
Bij het lezen van adviezen uit het verleden valt op dat deze veelal betrekking hebben op
het uitvoeringsniveau. In deze zienswijze heeft de Raad voor Dierenaangelegenheden
zich op een hoger abstractieniveau begeven. Door te beginnen bij het wezen van de
fokkerij – het door middel van selectieve voortplanting aanpassen van de eigenschappen
van toekomstige generaties dieren aan de wensen van de mens – komen de
onderliggende, ethische aspecten van de fokkerij in beeld.
Bij het fokken van dieren hebben we te maken met de belangen van de mens en de
belangen van het dier. Deze belangen gaan niet altijd gelijk op – en dan ontstaan
ethische vraagstukken. Op zich hoeft dat niet problematisch te zijn. Problemen ontstaan
echter wél wanneer de belangenafweging van mens en dier uit balans raakt. Wanneer
het welzijn en de gezondheid van dieren als gevolg van de fokkerij door de mensen
worden aangetast, voelt men dat er iets niet in de haak is.
Gewapend met dat besef is het mogelijk een duurzame, diersoortoverschrijdende aanpak
te vinden die maakt dat de fokkerij recht doet aan de belangen van mens en dier – en
die bovendien voor iedereen inzichtelijk maakt wélke belangen er met de fokkerij
gediend worden.
De Raad voor Dierenaangelegenheden bedoelt met deze zienswijze een constructieve
bijdrage te leveren aan het beleid ten aanzien van de fokkerij en het gebruik van
voortplantingstechnieken     bij     productiedieren,    hobbydieren,     paarden     en
gezelschapsdieren.
Met vriendelijke groet,
Prof. dr. H. (Henk) Vaarkamp
Voorzitter Raad voor Dierenaangelegenheden
Den Haag, 6 december 2010
RDA 2010_02              Fokkerij & Voortplantingstechnieken                           1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Inhoud
Leeswijzer ........................................................................................................... 3
II       Vraagstelling ............................................................................................. 8
   II.1    Hoofdvraag ............................................................................................ 8
   II.2    Aanpassing vraagstelling .......................................................................... 8
   II.3    Subvragen ............................................................................................. 8
III      Achtergronden ........................................................................................... 9
   III.1   Bij de adviesvraag................................................................................... 9
   III.2   Maatschappelijk ...................................................................................... 9
   III.3   Politiek .................................................................................................. 9
   III.4   Onderzoek en advies ............................................................................. 10
   III.5   Samenvattend: dilemma’s en kansen ....................................................... 11
IV       Definities ................................................................................................ 13
   IV.1    Fokkerij ............................................................................................... 13
   IV.2    Fokprogramma ..................................................................................... 13
   IV.4    Voortplantingstechnieken ....................................................................... 16
   IV.5    Genetische technieken ........................................................................... 18
V Ethische afweging ......................................................................................... 19
   V.1     Neveneffecten ...................................................................................... 19
   V.2     Ethiek ................................................................................................. 19
   V.3     Afwegingsmodel.................................................................................... 21
VI       Elementen voor het Afwegingsmodel ........................................................... 25
   VI.1    Meten van dierenwelzijn......................................................................... 25
   VI.2    Fokkerij en dierenwelzijn........................................................................ 25
VII      Conclusies & Aanbevelingen ....................................................................... 28
   VII.1 Kaderstelling ........................................................................................ 28
   VII.2 Actoren ............................................................................................... 28
   VII.3 Best Practices ....................................................................................... 29
   VII.4 Voor verbetering vatbaar ....................................................................... 30
   VII.5 Instrumenten ....................................................................................... 31
   VII.6 Aanbevelingen ...................................................................................... 33
Bijlage A     Fokkerij ............................................................................................ 37
   A.1     Natuurlijke en kunstmatige selectie ......................................................... 38
   A.2     Fokkerij ............................................................................................... 38
   A.3     Genetische aanleg en omgeving .............................................................. 38
   A.4     Opstellen en uitvoeren van een fokprogramma .......................................... 39
   A.5     Evaluatie van fokprogramma’s ................................................................ 42
   A.6     Beoordeling van fokprogramma’s ............................................................ 43
   A.7     Structuur van een populatie.................................................................... 44
Bijlage B     Fokkerij per sector/diersoort................................................................ 46
   B.1     Landbouwhuisdieren .............................................................................. 46
   B.2     Hobbydieren......................................................................................... 54
   B.3     Gezelschapsdieren................................................................................. 60
   B.4     Paarden ............................................................................................... 66
Bijlage C     Wetgeving ........................................................................................ 71
   C.1     Algemeen ............................................................................................ 71
   C.2     Nationale regelgeving ............................................................................ 72
   C.3     Europese regelgeving ............................................................................ 74
RDA 2010_02                    Fokkerij & Voortplantingstechnieken                                                     2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Leeswijzer
Deze zienswijze van de Raad voor Dierenaangelegenheden is een advies aan de minister
en staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw & Innovatie. Ze werd geschreven
op verzoek van minister Verburg van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. In
hoofdstuk II en III worden de adviesvraag en de achtergronden bij de adviesvraag
behandeld. Voor deze zienswijze over fokkerij en voortplantingstechnieken heeft de Raad
de fundamentele principes van de fokkerij geanalyseerd, die treft u – samen met de door
de Raad gehanteerde definities – aan in hoofdstuk IV en in bijlage A. Uit de analyse
wordt duidelijk dat er fundamentele ethische vragen met de fokkerij gemoeid zijn. Dit
leest u in de hoofdstukken V en VI. Om deze ethische vragen te kunnen hanteren
presenteert de Raad een afwegingsmodel, eveneens in hoofdstuk V. Tot besluit wordt in
hoofdstuk    VII   geduid    wie    welke    verantwoordelijkheden   heeft   inzake   de
fokkerijvraagstukken en op welke wijze de betrokkenen daar invulling aan zouden
moeten geven. Bijlage B is een quick scan van de fokkerij in de diverse
dierhouderijsectoren. Bijlage C is een overzicht van de vigerende publiekrechtelijke wet-
en regelgeving op het gebied van fokkerij en voortplantingstechnieken.
RDA 2010_02               Fokkerij & Voortplantingstechnieken                           3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>I       Samenvatting
Fokken is inherent aan het houden van dieren want de dierhouder bepaalt in meer of
mindere mate welke dieren nakomelingen produceren. Fokken is het door de mens
selecteren en met elkaar paren van dieren met als doel de eigenschappen van de
volgende generatie zodanig te veranderen, dat ze meer met het – door de mens –
gestelde fokdoel overeenkomen. Fokken komt (dus) ten goede aan mensen, maar niet
altijd aan de dieren. Daarmee roept fokken ethische vragen op. Het vraagt om een
afweging van belangen: belangen van mensen- en dierenwelzijn, belangen van klimaat,
biodiversiteit, voedselvoorziening, economie, kortom: duurzaamheid.
        Een voorbeeld van met de fokkerij samenhangende - en soms onderling
        conflicterende – belangen is in de agrosector het fokken op een hogere productie
        per dier, die kan leiden tot een lagere milieubelasting per kg voedsel en beter
        economisch rendement voor de veehouder, maar tegelijkertijd tot slechter
        dierenwelzijn. Bij paarden, hobbydieren en gezelschapsdieren is het milieueffect
        minder belangrijk en kan de economische component uiteenlopen van
        verwaarloosbaar tot aanzienlijk. Fokkerij gericht op het uiterlijk van
        gezelschapsdieren kan doorschieten waardoor het welzijn en de gezondheid van
        dieren wordt aangetast. Anderzijds kan fokkerij ook worden gebruikt om erfelijke
        gebreken terug te dringen.
Daar waar de belangenafweging doorschiet naar één kant – en daarmee als het ware uit
balans raakt – ontstaan problemen. De gevolgen van keuzes die in de fokkerij gemaakt
worden kunnen aanzienlijk zijn: voor de dieren, maar ook voor mens, milieu, etc.
Daarom is het van belang dat de dilemma’s die samenhangen met de fokkerij tot in de
basis geanalyseerd en vervolgens opgelost worden.
Voor alle diercategorieën geldt ook dat er deels als gevolg van de fokkerij een categorie
‘surplus’-dieren ontstaat: dieren die niet aan het gestelde fokdoel voldoen. Het lot van
deze dieren moet in de ethische afweging worden betrokken.
Bij fokken en vermeerderen worden regelmatig voortplantingstechnieken toegepast. Deze
technieken kunnen ten goede komen aan het dier. Door kunstmatige inseminatie (KI) is
bijvoorbeeld de verspreiding van een aantal seksueel overdraagbare aandoeningen bij
o.a. varkens en runderen drastisch afgenomen. Maar ze kunnen ook schadelijke effecten
hebben op ouderdieren of hun nakomelingen. Mannelijke meervallen worden bijvoorbeeld
gedood om hom te oogsten, en kloneren veroorzaakt afwijkingen bij nakomelingen. Ook
ten aanzien van het gebruik van voortplantingstechnieken moeten dus afwegingen
gemaakt worden. Deze zijn vaak nauw verbonden met de afwegingen ten aanzien van
fokprogramma’s, omdat voortplantingstechnieken daar vaak een belangrijke rol in
hebben.
Hoe wordt de belangenafweging gemaakt?
Het maken van ethische afwegingen in de omgang met dieren is niet nieuw, en er hoefde
daarom ook niet bij het nulpunt begonnen te worden. De Raad heeft een Afwegingsmodel
voor fokkerij en voortplantingstechnieken ontwikkeld, gebaseerd op de erkenning van de
intrinsieke waarde van het dier. Het is een doorontwikkeling van het toetsingskader dat
al langere tijd gebruikt wordt voor de beoordeling van biotechnologische handelingen met
dieren en bouwt voort op het Afwegingsmodel voor Dierbeleid dat de Raad in zijn
zienswijze Agenda voor het Dierbeleid presenteerde. In het Afwegingsmodel worden de
verschillende belangen gestructureerd en transparant tegen elkaar afgewogen.
Het Afwegingsmodel voor fokkerij en voortplantingstechnieken gaat uit van de volgende,
onderliggende ethische vraag: Hoe ver mag je gaan in het aanpassen van dieren aan
onze behoeften en belangen?
RDA 2010_02                Fokkerij & Voortplantingstechnieken                          4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Om deze onderliggende ethische vraag in de praktijk te kunnen hanteren bevat het
Afwegingsmodel een stappenplan met de volgende specifieke vragen:
1. Analyse van de status quo van de betreffende dierpopulatie en het aanvoeren van
    maatschappelijke, economische en alle andere argumenten waarom men tot een
    fokprogramma wenst over te gaan.
2. Wat wordt beoogd met het betreffende fokprogramma of de voortplantingstechniek
    en wat is het belang en de noodzaak ervan?
3. Hoe haalbaar is het geformuleerde fokdoel of het voortplantingsresultaat binnen tien
    jaar?
4. Zijn er reële alternatieven om het beoogde doel te bereiken?
5. Leidt het fokprogramma c.q. de voortplantingstechniek tot schade aan de gezondheid
    of het welzijn van de betrokken dieren, waaronder behalve ouderdieren steeds ook
    hun eventuele nakomelingen worden verstaan? Of draagt het wellicht bij tot
    verbetering van een bestaande slechte situatie op die gebieden?
6. Leidt het fokprogramma of de voortplantingstechniek tot aantasting van de integriteit
    van de betrokken dieren? Of draagt het wellicht bij tot verbetering van een bestaande
    slechte situatie op dat gebied?
7. Komt bij het fokprogramma of de voortplantingstechniek de volksgezondheid in het
    geding? Zo ja, hoe wordt die gewaarborgd?
8. Komt bij het fokprogramma of de voortplantingstechniek de biodiversiteit in het
    geding? Zo ja, hoe wordt die gewaarborgd?
De finale afweging van alle aspecten in het beantwoorden van de specifieke vragen moet
leiden tot een antwoord op de vraag: weegt het belang van het fokprogramma c.q. de
voortplantingstechniek op tegen de (mogelijke) schade?
Alleen het inzichtelijk maken van afwegingen is niet voldoende. Het gaat uiteindelijk om
de keuzes die volgen na het maken van deze afwegingen. Niet alle vragen in het
Afwegingsmodel zullen in alle gevallen even relevant lijken. De Raad is echter van
mening dat het van belang is deze vragen wél allemaal aan de orde te laten komen,
aangezien op deze wijze de verantwoordelijkheid van de direct betrokken mensen
gestalte kan krijgen. Het Afwegingsmodel is niet ‘in steen gehouwen’: aan de hand van
de ervaringen in de praktijk kan het desgewenst bijgesteld en/of aangevuld worden.
Wie maakt de afweging?
Het doel van de fokkerij wordt geformuleerd op het niveau van een populatie (groep
dieren die met elkaar kunnen paren). Maar om de gewenste veranderingen te realiseren,
worden keuzes gemaakt op het niveau van individuele dieren: welke dieren worden
aangewezen als ouderdier voor de volgende generatie, en welke dieren worden met
elkaar gepaard. De afwegingen in de fokkerij worden derhalve gemaakt de fokkers, de
overheid en de kopers:
•   De fokker is eerstverantwoordelijke voor het welzijn van zijn dier. Alleen fokkers die
    geen genetisch materiaal met andere fokkers uitwisselen kunnen volledig
    eigenstandig een fokbeleid maken. Alle andere fokkers zijn in meer of mindere mate
    afhankelijk van andere fokkers voor het maken van hun fokbeleid. Daarom moeten
    de afwegingen op het niveau van fokverbanden gemaakt worden.
•   De overheid stelt de minimumnormen voor het welzijn en de gezondheid van dieren
    in Nederland vast.
•   Kopers van dieren hebben een zeer directe invloed op de fokkerij, omdat zij de
    markvraag voor bepaalde soorten, rassen en typen dieren bepalen. De kopers van
    dieren zouden – uit hoofde van hun verantwoordelijkheid als toekomstige dierhouder
    – zich van tevoren moeten vergewissen van de welzijns- en gezondheidsaspecten van
    het dier dat zij willen gaan kopen. De fokkers en (weder)verkopers dienen op hun
    beurt de koper goed voor te lichten.
RDA 2010_02               Fokkerij & Voortplantingstechnieken                            5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>•   Kopers van dierlijke producten staan veel verder af van de fokkerij: het
    daadwerkelijke fokken van bijvoorbeeld varkens vindt helemaal aan het begin van de
    productieketen plaats, terwijl de koper van varkensvlees helemaal aan het einde van
    de keten staat. De keuzemogelijkheden van de koper worden overigens sterk bepaald
    door de retailers. Ook de informatieverstrekking vindt goeddeels via de retailers
    plaats, al vervullen ook non-gouvernementele organisaties in toenemende mate die
    rol. Idealiter zou de koper van dierlijke producten een goed geïnformeerde,
    weloverwogen keuze moeten maken uit een breed aanbod van producten.
Afweging vrijwillig of verplicht?
Deels zijn er belangen in het spel die de individuele fokker te boven gaan, zoals milieu en
biodiversiteit Het gaat ook om belangen die geen direct economisch voordeel opleveren,
zoals milieu en dierenwelzijn. Dat pleit voor een regulerende rol van de overheid.
Daar staat tegenover dat het in de productiedierfokkerij om multinationals kan gaan die
op wereldschaal opereren. De invloed die de Nederlandse overheid hier rechtstreeks op
kan uitoefenen is beperkt. In de gezelschapsdierenfokkerij gaat het deels om activiteiten
in de private kring, die zouden vragen om handhaving ‘tot achter de voordeur’. Datzelfde
geldt voor de fokkerij van hobbydieren, voor zover deze geschiedt buiten de erkende
stamboeken. Dat betekent dat de mogelijkheden voor rechtstreekse regelgeving en
handhaving door de overheid daar beperkt zijn.
De belangrijkste rol voor de overheid ligt in het stellen van kaders (bijvoorbeeld via het
Fokkerijbesluit), het scheppen van randvoorwaarden (zoals Identificatie & Registratie) en
het bevorderen van transparantie. Het doel zou moeten zijn om door middel van
onderscheidende borgingssystemen marktwerking in de fokkerij te bewerkstelligen. Hier
is een grote rol voor de private regulering in de diverse productieketens (in alle
dierhouderijsectoren) weggelegd.
Aanbevelingen
De aanbevelingen van de Raad leiden tot het volgende ideaalbeeld:
1. Het Afwegingsmodel voor fokkerij en voortplantingstechnieken speelt een centrale rol
    in het vaststellen van fokbeleid en het beoordelen van het gebruik van
    voortplantingstechnieken.
2. Fokkers wegen de verschillende belangen die samenhangen met de fokkerij op een
    transparante wijze tegen elkaar af volgens het Afwegingsmodel voor fokkerij en
    voortplantingstechnieken. Deze afweging heeft plaats op het niveau van de
    rasverenigingen en fokkerijorganisaties, omdat fokkerij per definitie een
    populatieaangelegenheid is.
3. Elke fokkerijorganisatie of rasvereniging maakt gebruik van een centraal meldpunt
    (voor prestaties, erfelijke gebreken etc.) ten behoeve van het centrale fokbeleid en
    monitoring. Identificatie en registratie van de fokdieren is daarvoor een
    randvoorwaarde.
4. Een paragraaf over fokkerij en voortplantingstechnieken, bij voorkeur onderbouwd
    met prestatie-indicatoren, is een vast onderdeel van de periodieke Maatschappelijke
    Dierenwelzijns-       en    Diergezondheidsrapportages      van     de    verschillende
    dierhouderijsectoren, waartoe de Raad in zijn zienswijze Verantwoord Houden al
    adviseerde.
5. Fokkers maken hun fokdoelstellingen aan hun afnemers kenbaar en geven aan op
    welke wijze zij handelen om deze fokdoelstellingen te bereiken.
6. Fokkers hebben een maatschappelijk aanvaardbare oplossing hoe om te gaan met
    ‘overtollige’, uitgeselecteerde dieren. Deze zijn immers inherent aan de fokkerij.
RDA 2010_02                 Fokkerij & Voortplantingstechnieken                           6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>7. De overheid creëert de noodzakelijke randvoorwaarden en wettelijke kaders voor
    Identificatie & Registratie van dieren en voor effectieve private borgingssystemen in
    de fokkerij en in de handel van levende dieren.
8. In het kader van het Fokkerijbesluit stelt de overheid voldoende effectieve eisen aan
    alle fokkerijorganisaties en stamboeken. Het Fokkerijbesluit zou daarom ook
    betrekking moeten hebben op pluimvee en gezelschapsdieren, te beginnen met
    honden en katten.
9. De Raad adviseert de overheid om te bewerkstelligen dat richtlijnen voor de fokkerij
    van alle diersoorten worden opgenomen in een Europese Dierenwelzijnswet. De Raad
    bedoelt hiermee overigens nadrukkelijk niet dat wet- en regelgeving ten aanzien van
    fokkerij uitsluitend op Europees niveau zou moeten plaatsvinden.
10. De koper kan aan de hand van een keur- of kenmerk, danwel aan de hand van een
    (stamboek)certificaat zien dat de dieren – of dierlijke producten die hij koopt uit een
    verantwoorde, geborgde fokkerij afkomstig zijn. Op deze manier ontstaat er in de
    markt een meerwaarde voor verantwoorde fokkerij.
11. Omdat de keten produceert wat de koper vraagt, maakt de koper een bewuste
    afweging over zijn aankopen. Dit geldt evenzeer voor het kopen van levende dieren
    als voor het kopen van dierlijke producten. De eindverkopers verstrekken de koper
    voldoende, objectieve informatie en bieden hem een voldoende breed keuzepalet.
12. Dierenartsen en andere betrokken beroepsgroepen zetten hun kennis en kunde in om
    bij te dragen aan een verantwoorde fokkerij. Zij doen dit op het niveau van hun
    beroepsorganisatie onder andere door een actieve inbreng in het politieke en
    maatschappelijke debat. Als individu informeren zij dierhouders, aspirant kopers en
    overheid over relevante aspecten van de fokkerij en vanzelfsprekend dragen zij niet
    bij aan fokkerijpraktijken die het welzijn en de gezondheid van dieren schaden.
13. Om de praktische bruikbaarheid en de effectiviteit van het Afwegingsmodel voor
    fokkerij en voortplantingstechnieken te toetsen en te optimaliseren, richten de
    overheid, de wetenschap, de betrokken beroeps- en maatschappelijke organisaties en
    de fokkers gezamenlijk een aantal zogenaamde proefpolders in, verdeeld over een
    aantal dierhouderijsectoren.
RDA 2010_02                Fokkerij & Voortplantingstechnieken                            7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>II       Vraagstelling
II.1     Hoofdvraag
Op 12 november 2009 legde de toenmalige minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit de RDA het volgende vraagstuk voor (brief VDC 09.2219/LA): Wat zijn
de ontwikkelingen in de fokkerij van landbouw- en gezelschapsdieren, welke invloed
hebben deze ontwikkelingen op de gezondheid en het welzijn van landbouwhuisdieren en
gezelschapsdieren, sluiten de ontwikkelingen aan bij de maatschappelijke verwachting en
de ambitie voor een duurzame veehouderij in 20231?
II.2     Aanpassing vraagstelling
Deze adviesvraag is in januari 2010 besproken op de plenaire brainstormsessie van de
RDA. Vervolgens heeft het RDA-team inventariserend onderzoek gedaan, bestaande uit
een literatuurstudie en expertinterviews met enkele raadsleden (sectordeskundigen). De
verzamelde informatie gaf aanleiding tot een overleg van de RDA-voorzitter met het
ministerie van LNV op hoog ambtelijk niveau, eind april 2010. Samen met LNV is de
adviesvraag heroverwogen, aangescherpt en is de oplevertermijn verlengd tot eind 2010.
Op verzoek van het Ministerie van LNV is de adviesvraag uitgebreid met een
inventarisatie van de ethische aspecten van voortplantingstechnieken bij dieren.
De onderliggende kennisvragen inzake de fokkerij (over de structuur van de fokkerij,
over de vigerende regelgeving en over de dierenwelzijns- en diergezondheidsproblemen
gerelateerd aan de selectie op erfelijke eigenschappen) lijken al grotendeels beantwoord.
Ook zijn er al veel aanbevelingen gedaan om tot verbeteringen te komen.
Daar waar er nog ‘witte vlekken’ op kennisgebied zijn zal de RDA deze duiden en, indien
mogelijk, invullen. Het vergelijken van de verschillende dierhouderijsectoren is nog niet
eerder structureel gedaan en kan een meerwaarde hebben: waarom kan de ene sector
een probleem wel succesvol aanpakken en wat moet er in andere sectoren veranderen
om dat ook te kunnen? Voor het duiden van de verschillende verantwoordelijkheden en
rollen zal de RDA- zienswijze Verantwoord Houden als leidraad dienen.
II.3     Subvragen
Bij deze adviesvraag heeft de minister van LNV de volgende subvragen geformuleerd:
1. Hoe is de sector georganiseerd? Wie zijn de belangrijkste spelers? Wie bepaalt de
     huidige fokrichting?
2. Wat zijn belangrijkste ontwikkelingen in de fokkerij die van invloed zijn op het welzijn
     en de gezondheid van dieren?
3. Wat is de vigerende nationale en internationale wet- en regelgeving?
4. Welke zorgen leven er bij de politiek en maatschappij over de fokkerij?
5. Wat zijn de belangrijkste welzijns- en diergezondheidsproblemen?
6. Wat zijn de belangrijkste ethische vraagstukken?
7. Hoe met deze zorgen om te gaan en door wie?
8. Wie is waarvoor verantwoordelijk? Is er een rol voor de overheid weggelegd? Zo ja,
     welke? Zo nee, waarom niet?
1
  In de brief van de minister van LNV aan de Tweede Kamer, datum 16 januari 2008 (28 973, nr. 18) staat de
volgende definitie: In 15 jaar moet de veehouderij in Nederland zich hebben ontwikkeld tot een in alle
opzichten duurzame veehouderij, met een breed draagvlak in de samenleving. De minister definieert een
duurzame veehouderij als een veehouderij die produceert met respect voor mens, dier en milieu waar ook ter
wereld.
RDA 2010_02                    Fokkerij & Voortplantingstechnieken                                       8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>III    Achtergronden
Dit hoofdstuk schetst de achtergronden van de adviesvraag, zonder te pretenderen een
volledig overzicht te geven van alles wat er de afgelopen decennia in de wetenschap, de
maatschappij en de politiek gezegd en geschreven is over de fokkerij. In elk geval wordt
wel duidelijk dat het hier om een vraagstuk met vele vertakkingen gaat.
III.1 Bij de adviesvraag
In de toelichting bij de adviesaanvraag van de minister wordt gesproken over de
maatschappelijke zorg over de welzijns- en gezondheidsproblemen van dieren als gevolg
van de fokkerij zoals biggensterfte, inteelt, doorgefokte dieren en de ethische vragen die
de fokkerij oproept zoals: Hoe ver mag je gaan met de productieverhoging? Is het fokken
van dikbilkoeien moreel aanvaardbaar als ze alleen per keizersnede kunnen worden
geboren? Mag je hoornloze koeien fokken? Ook in diverse onderzoeks- en
adviesrapporten die het afgelopen decennium zijn uitgekomen worden zorgen over de
ontwikkelingen in de fokkerij van dieren uitgesproken.
De adviesvraag refereert aan landbouw- en gezelschapsdieren. Voor de helderheid maakt
de Raad voor deze zienswijze een onderverdeling in vier diercategorieën, namelijk
productiedieren,    hobbydieren,     paarden    en    gezelschapsdieren.    Hoewel   deze
diercategorieën onderling zeer sterk uiteen lopen – en er ook vaak binnen een
diercategorie grote variaties bestaan – is de zienswijze van de Raad toepasbaar over de
hele breedte van de productiedier-, hobbydier-, paarden- en gezelschapsdierenhouderij
in Nederland. Deze zienswijze heeft geen betrekking op proefdieren.
III.2 Maatschappelijk
In 2007 heeft Bureau Ergo in opdracht van het Ministerie van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit een publieksenquête gehouden over opvattingen van burgers in
Nederland over dierenwelzijn. In dit onderzoek werd niet alleen gekeken naar welke
onderwerpen op het gebied van dierenwelzijn het belangrijkst gevonden worden, maar
ook hoe goed men (inhoudelijk) met de kwesties bekend is.
Bureau Ergo concludeerde dat 68 procent van de ondervraagden het fokken van honden
op uiterlijke kenmerken zorgwekkend vindt, terwijl 39 procent aangaf daadwerkelijk met
de kwestie bekend te zijn. Met het fokken van vleeskuikens op snelle groei zei 35 procent
op de hoogte te zijn, 62 procent vond dit zorgwekkend. Het doden van eendagskuikens in
de legsector werd door 50 procent van de respondenten zorgwekkend bevonden, hoewel
slechts 35 procent er al bekend mee was. De welzijnsproblemen rondom het fokken van
dikbilkoeien zijn niet echt bekend, slechts 14 procent van de respondenten gaf aan
hiervan op de hoogte zijn. Van de respondenten vond 49 procent het desgevraagd wel
een zorgwekkende toestand.
III.3 Politiek
Verschillende politici hebben zich onder meer middels Kamervragen uitgesproken over
fokkerijgerelateerde dilemma’s in de dierhouderij. In december 2008 heeft de heer Ormel
(CDA) Kamervragen gesteld over gesekst sperma voor Belgisch witblauwe runderen. De
vragen gingen over de eventuele bijdrage ervan aan het terugdringen van het hoge
percentage keizersneden binnen dit runderras en over de eventuele betekenis ervan voor
het behoud en duurzaam gebruik van de genetische diversiteit. Ook wilde Ormel weten of
er een ethische afweging was gemaakt over deze ontwikkeling. In een column die hij
naar aanleiding van deze Kamervragen schreef, stelde hij het algemene dilemma: ‘Hoe
ver moeten we gaan met de ontwikkelingen in de fokkerij?’ aan de orde.
In februari 2009 zijn er naar aanleiding van de Britse documentaire Pedigree Dogs
Exposed, Kamervragen gesteld door mevrouw Thieme (PvdD) over ‘dierenmishandeling’
in de rashondenfokkerij in Nederland.
RDA 2010_02               Fokkerij & Voortplantingstechnieken                            9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>III.4 Onderzoek en advies
In het onderzoeksprogramma van LNV/NWO uit januari 2008 Waardering van
dierenwelzijn2 wordt het fundamentele dilemma als volgt geformuleerd: “Gaan we uit van
het dier zoals het is, of mogen we het dier door fok aan het gestelde doel aanpassen? En
hoe beoordelen we in het laatste geval de aanvaardbaarheid van specifieke
aanpassingen?”
In het Verenigd Koninkrijk werd in 2004 een adviesrapport3 over de fokkerij van
productiedieren gepubliceerd. In 2006 volgde een rapport over de fokkerij van
gezelschapsdieren4.
De meest recente onderzoeksrapporten over fokkerij en dierenwelzijn zijn van de
Wageningen Universiteit over het fokken op karaktereigenschappen en van de European
Food Safety Authority (EFSA), over de invloed van genetische selectie op het welzijn van
vleeskuikens. Het aantal wetenschappelijke publicaties over de paardenfokkerij is
beperkt.
Ter illustratie: in het afgelopen decennium zijn er onder andere de volgende rapporten
met conclusies en aanbevelingen over de fokkerij in de verschillende diersectoren
gepubliceerd:
     •   Breeding amiable animals, Wageningen University and Research, 2010
     •   Scientific Opinion on the influence of genetic parameters on the welfare and the
         resistance to stress of commercial broilers, European Food Safety Authority, 2010
     •   Independent inquiry into dog breeding, Bateson, 2010
     •   Overwegingen voor de rashondenfokkerij in Nederland, Van Hagen, Raad van
         Beheer, 2008
     •   Identificatie      en      registratie       van     gezelschapsdieren,           Raad     voor
         Dierenaangelegenheden, 2008
     •   Geschiedenis en toekomst van het Gelders paard, Koninklijk Warmbloed
         Paardenstamboek Nederland, 2008
     •   Plan van Aanpak dierenwelzijn voor Paarden, Sectorraad Paarden, 2008
     •   Maatschappelijke aspecten van de intensieve veehouderij, Aequator, Ecorys,
         Witteveen +Bos, 2008
     •   A plea to implement robustness into a breeding goal: poultry as an example, Star
         et al., 2007
     •   Promoten van Nederlandse zeldzame rassen voor hobbydierhouders, Ministerie
         van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2007
     •   Gedeelde zorg – Actieplan, Forum Welzijn Gezelschapsdieren, 2006
     •   Rapportage handel en fokkerij- honden en katten, Forum Welzijn
         Gezelschapsdieren, 2006
     •   Hoogproductief         melkvee:        grenzen      aan       de      groei?,      Raad    voor
         Dierenaangelegenheden, 2006
     •   Sustainable farm animal breeding and reproduction, FABRE Technology Platform,
         2006
     •   Toekomst voor zeldzame landbouwhuisdierrassen, Ministerie van Landbouw,
         Natuur en Voedselkwaliteit, 2005
     •   Fokkerijbeleid voor raskatten, Gubbels, SIOK magazine, 2005
     •   Beleidsnotitie paardenhouderij, Sectorraad Paarden, 2004
     •   Fokken met recreatiedieren I en II, Raad voor Dierenaangelegenheden, 2002
2
  Hopster, H. en H. Komen (Eds.), 2008. Waardering van dierenwelzijn; naar een maatschappelijke
geaccepteerde en economische vitale dierhouderij. LNV/NWO Onderzoeksprogramma
3
  Farm Animal Welfare Council, 2004. FAWC Report on the Welfare Implications of Animal Breeding and
Breeding Technologies in Commercial Agriculture
4
  Companion Animal Welfare Council, 2006. Breeding and Welfare in Companion Animals
RDA 2010_02                    Fokkerij & Voortplantingstechnieken                                    10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>III.5 Samenvattend: dilemma’s en kansen
In adviesrapporten en maatschappelijke en politieke debatten zijn de afgelopen decennia
verschillende fokkerijgerelateerde dilemma’s geagendeerd. Daarbij gaat het vooral over
erfelijke gebreken, inteelt, overtypering, overtollige dieren, eenzijdige fokdoelen en een
onbalans tussen dierenwelzijn en andere belangen zoals economie en esthetiek. Ook het
probleem van de gebrekkige transparantie en sturing in de fokkerij van verschillende
diersoorten wordt herhaaldelijk genoemd. Tot slot wordt gesignaleerd dat fokkerij bij
diverse diersoorten impliceert dat er ongewenste nakomelingen worden geboren (ook wel
aangeduid als ‘surplusdieren’) waarvoor geen bestemming is in de vorm van diervoeder
of voedsel voor de mens. Deze dieren worden vernietigd.
           Voorbeelden van fokkerijgerelateerde welzijnsschade
Als gevolg van langdurige selectie op hoge producties bij melkkoeien is er sprake van een
toegenomen risico op stoornissen in uiergezondheid, locomotie en vruchtbaarheid als
neveneffecten van een te eenzijdige selectie op melkproductie-eigenschappen.
Bij op de productie van grote tomen en mager vlees geselecteerde varkens dreigen te
hoge biggensterfte5 en onvoldoende thermoregulatiecapaciteit op te treden.
Bij vleeskuikens heeft de eenzijdige selectie op snelle groei onder andere geleid tot
frequenter voorkomen van pootproblemen.
Overmatige kropvorming bij een aantal sierduivenrassen (de zogenaamde ballonkrop)
dwingt dieren ertoe zich voortdurend in te spannen om in balans te blijven en niet om te
vallen.
Bij bepaalde honden- en kattenrassen zorgt kortschedeligheid, gepaard aan een brede
schedel voor ademhalings- en geboorteproblemen.
Bij vissen hebben de zogenaamde oogvormrassen een verminderde vitaliteit en een
abnormaal korte levensverwachting. Ook zien ze slecht en zijn de ogen zeer kwetsbaar.
   Voorbeelden van fokkerijgerelateerde aantasting van integriteit
Vrijwel alle schadelijke (ras)kenmerken gaan in zekere zin gepaard met een aantasting
van de integriteit. Een goed voorbeeld daarvan is de open fontanel bij Chihuahua’s en
Yorkshire terriërs.
Knikstaarten bij honden en staartloosheid en haarloosheid bij honden en katten zijn
eveneens tekenen van aantasting van de integriteit. Hoewel niet altijd duidelijk is in
hoeverre staart- en haarloze dieren hun naaktheid zelf als probleem ervaren, komen van
onderlinge paringen van volledig staartloze katten ernstig misvormde, niet levensvatbare
kittens, een verschijnsel dat zich ook voordoet bij vouwoor (Scottish fold) katten.
Een aantasting van de integriteit die in zekere zin als welzijnsbevorderend gezien kan
worden is de ‘blinde kippen-foklijn’, waarvan de dieren in een groepshuisvesting
aanzienlijk minder pikgedrag vertonen.
5
  Thans > 10%, bron: Agrovision
RDA 2010_02                   Fokkerij & Voortplantingstechnieken                       11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>Er worden echter ook kansen gezien in de fokkerij. Zo leveren diverse fokkers (onder
andere in de gezelschapsdieren- en hobbydierenfokkerij) een bijdrage aan de
biodiversiteit door het in stand houden van zeldzame huisdierrassen en bedreigde
diersoorten.
Fokkerij levert tevens een bijdrage aan het efficiënter produceren van dierlijke producten
door gezonde dieren. Voor het realiseren van dit doel wordt het belang van selectie op
meerdere      kenmerken     (zgn.   multitrait-selectie)   algemeen    erkend.     Diverse
fokkerijorganisaties hebben fokwaarden voor ‘gezondheid, ‘welzijn’ en ‘duurzaamheid’
ontwikkeld en er wordt gestudeerd op de mogelijkheid om meer weerbare dieren –
dieren met een hogere weerstand tegen ziekten - te fokken. Onderzoek laat zien dat
fokkerij ook kan bijdragen aan het terugdringen van berengeur bij varkens waardoor
castreren van biggen in de nabije toekomst mogelijk overbodig wordt.
Ook de ontwikkeling van de kennis over het genoom van dieren biedt nieuwe kansen. De
mutaties die verantwoordelijk zijn voor een erfelijk gebrek kunnen sneller opgespoord
worden. Daardoor kunnen dragers van het erfelijk gebrek worden opgespoord en
uitgesloten van de fokkerij. Voor kenmerken die bepaald worden door meerdere genen
(het grootste deel van kenmerken) kan genomsiche informatie (merkers) worden
gebruikt voor het verbeteren van de fokwaardeschatting. Door toepassing van merkers
(aangeduid als Marker Assisted Selection of Genomic Selection, afhankelijk van het
aantal merkers dat wordt gebruikt) kan de nauwkeurigheid van de fokwaardeschatting
van jonge dieren aanzienlijk worden verhoogd.
De mogelijkheden tot het inzetten van gentechnologie (genetische modificatie) voor het
oplossen van ethische dilemma’s zoals het doden van eendagshaantjes worden
momenteel voorzichtig verkend. Het toepassen van genetische modificatie bij dieren
roept echter veel vragen op.
RDA 2010_02              Fokkerij & Voortplantingstechnieken                            12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>IV      Definities
Wanneer we praten over het fokken van dieren ontstaan er gemakkelijk
spraakverwarringen. Zo bedoelt de een met de term ‘fokken’ alleen het selecteren van
dieren met het doel genetische verandering te realiseren, terwijl een ander er ook het
‘maken van nakomelingen’ onder verstaat. Bij vissen, terrariumdieren en vogels spreekt
men overigens over kweken.
IV.1    Fokkerij
In deze zienswijze wordt met fokken bedoeld het door de mens selecteren en paren van
dieren met als doel om de eigenschappen van de volgende generatie zodanig te
veranderen, dat ze meer met het gestelde fokdoel overeenkomen.
Nauwkeuriger omschreven: fokken is het samenhangend beleid voor het produceren van
een volgende generatie dieren die voldoet aan een vooraf geformuleerd doel. Het
fokbeleid (doel en wijze van uitvoering) wordt geformuleerd door een groep fokkers
(stamboek of rasvereniging) en wordt uitgevoerd door individuele fokkers. Het doel van
het fokken is veelal het in stand houden van een populatie, desgewenst in combinatie
met het veranderen van de eigenschappen van die populatie door het selecteren en
paren van dieren.
Het fokbeleid wordt praktisch vormgegeven in een fokprogramma. De uitvoering van een
fokprogramma is een samenspel tussen enerzijds de individuele fokkers en anderzijds
een stamboek, rasvereniging of fokkerijorganisatie. Daarnaast zijn er partijen bij
betrokken die diensten leveren zoals reproductietechnieken (kunstmatige inseminatie en
embryotransplantatie). De situatie en daarmee de rol van de verschillende partijen
verschilt sterk tussen diersoorten. In kader 1 worden de begrippen nader omschreven.
IV.2    Fokprogramma
Het doel van de fokkerij wordt geformuleerd op het niveau van populaties. Maar om de
gewenste veranderingen te realiseren, worden keuzes gemaakt op het niveau van
individuele dieren: welke dieren worden aangewezen als ouderdier voor de volgende
generatie, en welke dieren worden aan elkaar gepaard. Deze keuzes hebben behalve
voor de al dan niet geselecteerde dieren ook gevolgen voor de nakomelingen die geboren
worden. Een fokprogramma bestaat uit de volgende stappen:
1. Een analyse van de functies waarvoor en de omstandigheden waaronder dieren
    worden gehouden en de wensen van gebruikers: wat zijn de eisen die aan dieren
    worden gesteld gegeven de voor volgende generaties te verwachten
    omstandigheden?
2. Het op basis van die analyse bepalen van het fokdoel.
3. De genetische evaluatie van kandidaten voor selectie als ouderdier, oftewel de
    schatting van de fokwaarde van de dieren in de populatie.
4. De selectie op basis van de fokwaardeschatting van dieren als ouders voor de
    volgende generatie.
5. Het opstellen van een schema voor en uitvoeren van paringen.
In bijlage A worden deze stappen nader beschreven. De belangrijkste hier gehanteerde
begrippen worden kort beschreven in kader 2.
Reproductietechnieken kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan een fokprogramma.
Zo heeft KI bijgedragen aan de invoering van het nakomelingenonderzoek bij melkvee
waardoor fokwaarde van stierennauwkeurig geschat kan worden. Door toepassing van
embryotransplantatie kan de kans dat uit een bepaalde stiermoeder een stierkalf geboren
wordt, vergroot worden. Verder kan door toepassing van KI genetisch materiaal sneller in
een populatie worden verspreid. Anderzijds kan toepassing van KI leiden tot een
ongewenste beperking van het aantal vaderdieren waardoor het risico op inteelt
toeneemt.
RDA 2010_02               Fokkerij & Voortplantingstechnieken                        13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>                 Kader 1: Fokkers en samenwerkingsverbanden
 Een fokker is een individuele dierhouder die dieren selecteert en paart voor het
 produceren van nakomelingen. Dit kunnen individuele dierhouders met enkele dieren zijn,
 zoals over het algemeen in de honden- en paardenfokkerij het geval is. Fokkers kunnen
 echter ook grote, internationaal opererende bedrijven zijn, zoals Ross en ISA in de
 pluimveehouderij. Een fokker is in de meeste gevallen eigenaar van vrouwelijke dieren
 maar vaak niet van de mannelijke dieren. De fokker kiest uit mannelijke dieren die
 eigendom zijn van een ander (in het geval van natuurlijke dekking) of sperma (in het geval
 van kunstmatige inseminatie) afkomstig van mannelijke dieren van andere fokkers of een
 fokkerijorganisatie. Door selectie en gerichte paring van de vrouwelijke dieren streeft de
 fokker een verbetering van de eigen dieren na.
 Voor het veranderen van de populatie is het noodzaak dat fokkers samenwerken. Fokkers
 zijn veelal verenigd in fokverbanden zoals stamboeken, fokkerijorganisaties kwekers- en
 rasverenigingen. Deze samenwerkingsverbanden zijn noodzakelijk om fokkerijbeleid te
 kunnen maken en uitvoeren. Binnen de samenwerkingsverbanden worden afspraken
 gemaakt over de gewenste ontwikkeling van de populatie, de rol van de fokkers en de
 uitwisseling van genetisch materiaal.
 Bij melkkoeien spelen fokkerijorganisaties een belangrijke rol in selectie van stieren en
 daarmee de genetische verandering in de populatie. De fokkerijorganisatie selecteert uit de
 populatie stieren met een hoge genetische aanleg voor het fokdoel. De genetische aanleg
 van deze stieren wordt op basis van nakomelingenonderzoek vastgesteld. De beste dieren
 worden aangewezen als fokstier. Veehouders (fokkers) kunnen sperma van fokstieren van
 verschillende fokkerijorganisaties gebruiken op hun bedrijf. Een fokker kan daardoor de
 genetische aanleg van zijn veestapel veranderen. Daarnaast kan een fokker door de
 verkoop van vrouwelijke dieren maar vooral door de productie van een fokstier bijdragen
 aan de verbetering van de gehele populatie.
 Bij legkippen is de fokkerijorganisatie eigenaar van zowel de vrouwelijke als de
 mannelijke dieren van de zuivere lijnen. Het fokprogramma van deze organisatie is gericht
 op genetische verbetering van de zuivere lijnen. De fokkerijorganisatie is daarmee tevens
 de fokker. De fokkerijorganisatie verkoopt gekruiste hennen en hanen aan
 pluimveehouders (vermeerderaars). De pluimveehouder paart deze dieren voor de
 productie van nakomelingen die vervolgens gebruikt worden voor de productie van eieren
 of vlees. Volgens de eerdere definitie is deze pluimveehouder een fokker, er worden
 immers nakomelingen geproduceerd. De dieren van deze fokker dragen echter niet bij aan
 de genetische verandering van de populatie omdat die berust op selectie binnen de zuivere
 lijnen.
 Alleen fokkers die geen genetisch materiaal met andere fokkers uitwisselen – zoals de
 grote pluimveefokbedrijven – kunnen volledig eigenstandig een fokbeleid voeren. Alle
 andere fokkers zijn in meer of mindere mate afhankelijk van andere fokkers (lees het
 fokverband) voor het realiseren van hun fokbeleid. Zo bepaalt elke melkveehouder zelf
 door welke stieren hij zijn koeien laat bevruchten, maar wordt zijn stierkeuze beperkt door
 het assortiment dat de KI-organisaties aanbieden. Een ander voorbeeld is de hondenfokker
 die weliswaar zelf kan kiezen door welke reu hij zijn teef laat dekken, maar die daarin sterk
 afhankelijk is van het aanbod aan dekreuen door andere fokkers – en van de informatie die
 deze fokkers verstrekken.
RDA 2010_02              Fokkerij & Voortplantingstechnieken                            14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>                       Kader 2: Overzicht populatiestructuren
                    Gebruik       Open     Registratie    Registratie     Aantal    Gebruikte     Fokdoel
                    van           Stam-    van            van             fokkers   Reproductie   (5)
                    kruisingen    boek     afstamming     prestaties      (4)       technieken
   Melkvee                        ++                                                KI (95%) ET
                    +                      +++            +++             4 (2)                   +++
                                  (3)                                               (<1%)
   Vleesvee (8)
                    +             ++       ++             +               >100      KI            ++
   Legkippen                                                                        KI op
                    +++ (6)       + (3)    ++(1)          ++              1                       +++
                                                                                    fokbedrijf
   Vleeskippen/                                                                     KI op
                    +++ (6)       + (3)    ++ (1)         ++              1/0                     +++
   kalkoenen                                                                        fokbedrijf
   Varkens
                    +++ (6)       + (3)    ++(1)          ++              2         KI            +++
   Hobbydieren
                    +             +        +              +               >1000                   ++
   Paarden
                    +             +        +++            ++              >100      KI            ++
   Honden
                    0 (7)         +        +                              >100                    +
   Katten
                    0 (7)         +        +                              >100                    +
   0        = niet
   +        = matig/incidenteel
   ++       = veel/regelmatig
   +++      = structureel
   (1) Registratie van afstamming en prestaties bij dieren in zuivere lijn en in mindere mate bij
       kruisingsdieren
   (2) Fokkerijorganisaties zijn eigenaar van stieren waarvan sperma beschikbaar wordt gesteld aan
       veehouders. Melkkoeien zijn eigendom van veehouders.
   (3) Veehouders kunnen ook materiaal betrekken van organisaties uit het buitenland
   (4) In Nederland gevestigd en betrokken fokker. Bij melkvee en varkens heeft dit aantal betrekking op
       eigenaars van mannelijk fokmateriaal. Het aantal eigenaars van vrouwelijk fokmateriaal is veel
       groter.
   (5) Is er sprake van een helder omschreven fokdoel voor de populatie? 0 = nauwelijks, +++ = zeer
       duidelijk.
   (6) Bij varkens en pluimvee worden dieren uit verschillende lijnen systematisch gekruist voor de
       productie van dieren op productiebedrijven. Bij andere diersoorten wordt kruising op incidentele
       schaal toegepast.
   (7) Hier is uitgegaan van rasverenigingen waarin het gebruik van kruising met andere rassen is
       uitgesloten.
   (8) Het grootste deel van het fokmateriaal in Nederland is afkomstig uit het buitenland (vooral door
       import van sperma)
RDA 2010_02                   Fokkerij & Voortplantingstechnieken                                         15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>IV.4                Voortplantingstechnieken
IV.4.1 Overzicht voortplantingstechnieken
Bij   het    fokken    en    vermeerderen      van     dieren   worden    verschillende
voortplantingstechnieken gebruikt. In hoofdstuk VI zullen we nader ingaan op de wijze
waarop het gebruik daarvan kan worden beoordeeld. Kader 3 geeft weer welke
voortplantingstechnieken in Nederland bij welke diersoorten worden toegepast.
Voor de ethische afweging van het gebruik van een voortplantingstechniek bij een
diersoort is het nodig om te weten hoeveel ongerief de betreffende techniek voor het dier
veroorzaakt, of ze het natuurlijke gedrag van het dier belemmert en of ze de integriteit
van het dier aantast. Dit geldt natuurlijk primair voor het ouderdier, maar is ook relevant
voor de nakomelingen.
                          Kader 3: Voortplantingstechnieken in Nederland
                      Techniek                  R         S/G        V          K/K        A (1)       P          H           K
                      Kunstmatige
    VOORTPLANTING
                      Inseminatie               +++       +          +++        +++        +           ++         +           —
                      Embryo Transplantatie
                                                +         X          +          —                      —          —           —
                      + IVF
                      Embryo Transplantatie
                                                ++        X          +          —                      +          —           —
                      + superovulatie
                      Kloneren
                                                X         X          X          X          X           X          X           X
    SELECTIE
                      Sperma sexen
                                                +         +          -          —                      ?          +           —
                      Marker Assisted
                                                ++        +          ++         ++                     +          +           —
                      Selection
                      Oestrus-Synchronisatie
                                                +         +          +++        —?         +           +          —           —
    ONDERSTEUNING
                      Partusinductie
                                                +         +          +++        —                      —          +           +
                      Ovum Pick-up
                      (OPU)
                                                +         ?          +          —                      +          —           —
                      Spermavangen
                                                +++       +          +++        +++        +           ++         +           —
                      Elektro-ejaculatie
                                                X         X          X          X          X           X          X           X
   R = rund                                     A = aquacultuur                                    Gebruik
   S/G = schaap/geit                            P = paard                       +          incidenteel ?                 onbekend
   V = varken                                   H = hond                        ++              matig  —              niet gebruikt
   K/K = kip/kalkoen
                                                K = kat                         +++ routinematig             X    in NL verboden
   (1): Dit overzicht beperkt zich tot de meest voorkomende voortplantingstechnieken, die bij meerdere diersoorten in Nederland worden
   toegepast. De Raad is zich er van bewust dat in de aquacultuur ook andere, specifieke voortplantingstechnieken gebruikt worden.
IV.4.2 Aanvullende opmerkingen
Bij het maken van ethische afwegingen met betrekking tot voortplantingstechnieken gaat
het soms om meer dan alleen de eventuele welzijns- en integriteitsaantasting.
Afhankelijk van de techniek zijn ook de hieronder genoemde aspecten van belang.
a. Kunstmatige Inseminatie(KI)
KI is in het midden van de vorige eeuw ontwikkeld als techniek om dekinfecties (SOA’s)
tegen te gaan, en is in dat opzicht zeer effectief gebleken. Doordat er zowel binnen
bedrijven als interlokaal en internationaal veel minder dierverplaatsingen nodig zijn,
wordt ook de verspreiding van andere besmettelijke aandoeningen tegengegaan.
RDA 2010_02                                Fokkerij & Voortplantingstechnieken                                                           16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>Door middel van KI kan één vaderdier een veel grotere invloed op een populatie hebben
dan bij natuurlijke dekking. Daardoor heeft KI veel betekend voor de verbetering van de
genetische aanleg van landbouwhuisdieren. Maar tegelijkertijd vergroot grootschalig
gebruik van één dier ook de kans op inteelt in een populatie.
In de vleeskippenfokkerij wordt zowel KI als natuurlijke paring toegepast. In de
kalkoenenfokkerij is KI inmiddels onontbeerlijk, omdat de hanen zo groot en zwaar zijn
dat zij de hennen bij een natuurlijke dekking ernstig zouden beschadigen.
b. Spermavangen
Door middel van een pseudocoïtus (door het dekken in een kunstschede bij rund, paard,
varken en konijn, of door een handmatig opgewekte ejaculatie bij pluimvee en hond) kan
sperma worden verkregen. Deze techniek is noodzakelijk voor KI, In Vitro Fertilisatie
(IVF) en het sexen van sperma.
Bij meervallen wordt voor het winnen van sperma (hom) het mannelijke dier opgeofferd,
dat wil zeggen: gedood.
c. Sperma sexen
Bij zoogdieren bepaalt het vaderdier het geslacht van de nakomelingen. Door middel van
diverse scheidingtechnieken is het mogelijk om met een redelijke zekerheid sperma te
selecteren dat mannelijke of vrouwelijke nakomelingen zal verwekken. Het sexen van
sperma leidt tot een verlies van 60-70 procent van de vruchtbare spermacellen. Het
succespercentage kan oplopen tot 90 procent. De vruchtbaarheid van het gesexte
sperma is iets minder dan van ongeselecteerd sperma.
Bij vogels is het sexen van sperma niet mogelijk: daar bepaalt het moederdier het
geslacht van de nakomelingen.
d. Kloneren
Een kloon is een genetisch identieke kopie van een individu. De techniek is op beperkte
schaal toegepast in het buitenland bij schapen, paarden, koeien en honden. De
bekendste kloon is het schaap Dolly. In Frankrijk is met succes een gecastreerde hengst,
die uitzonderlijk goed presteerde in de sport, gekloond. De voordelen van klonen bij
landbouwhuisdieren lijken vooralsnog beperkt.
Kloneren leidt tot significant hogere aantallen foetale misvormingen en abortussen.
Wanneer klonen op zeer grote schaal wordt toegepast kan dit leiden tot een genetisch
uniforme populatie. Een genetisch bepaalde gevoeligheid voor een ziekteverwekker is
dan bijvoorbeeld niet meer weg te fokken.
Daarnaast verlaagt kloneren de drempel voor de toepassing van genetische modificatie.
Op dit moment is genetische modificatie nog te experimenteel om bij de fokkerij een rol
te spelen, maar de combinatie van genetische modificatie en klonen wordt als
veelbelovend gezien voor de productie van specifieke medicijnen. Voor gebruik binnen de
dierlijke productie zijn niet alleen de technische maar ook de ethische bezwaren die aan
deze technieken kleven nog veel te groot. In Nederland is het maken van klonen
verboden.
e. Partusinductie
Door het toedienen van bepaalde hormonen kan de partus (geboorte) in gang worden
gezet. Dit gebeurt in de laatste dagen van de dracht, als de vrucht voldragen is. Het
eerder opwekken van de partus heet abortus. Abortus en partusinductie kunnen op
medische gronden geïndiceerd zijn, maar kunnen ook voor bedrijfsmatige doeleinden
worden ingezet. Zo worden in Nederland in de zeugenhouderij planningssystemen
gebruikt waarbinnen routinematige partusinductie plaatsvindt. De benodigde
hormooninjecties mogen zowel door de dierenarts als door de veehouder worden
toegediend (kanalisatiestatus UDA).
RDA 2010_02                Fokkerij & Voortplantingstechnieken                        17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>IV.5    Genetische technieken
De afgelopen jaren is het gebruik van Marker Assisted Selection (MAS) – ook wel
Genomic Selection (GS) genoemd – enorm toegenomen. Bij deze techniek wordt een
statistisch verband gelegd tussen bepaalde ‘merkers’ op het genoom en genetische
aanleg voor eigenschappen. In een beperkt aantal gevallen is een causaal verband
aangetoond tussen merker en eigenschap. In de meeste gevallen is die causale relatie
echter (nog) niet vastgesteld.
Door toepassing van MAS of GS kan de fokwaarde van dieren op jongere leeftijd en
nauwkeuriger worden geschat. Bij melkvee moest altijd worden gewacht tot de prestaties
van nakomelingen van een jonge stier gemeten waren eer hij als fokstier inzetbaar was.
Dat was een proces van jaren, maar dankzij GS kunnen stieren nu al op eenjarige leeftijd
beoordeeld worden. De nauwkeurigheid van de schatting van de fokwaarde op basis van
merkers (GS-fokwaarde) is weliswaar kleiner dan die van een fokwaardeschatting op
basis van nakomelingenonderzoek, maar het tijdsvoordeel weegt daar gemakkelijk
tegenop – met GS is de gewenste informatie wel drie jaar sneller beschikbaar. Door
gericht ‘voorselecteren’ met behulp van GS kan er ook gerichter, en dus efficiënter,
gefokt worden voor nakomelingenonderzoek.
Merkers kunnen ook gebruikt worden om de op het oog volkomen normale dragers van
monogenetische) erfelijke gebreken op te sporen. Ze kunnen daarna uitgeselecteerd
worden, of uitsluitend gepaard worden aan niet-dragers. Op die manier brengen zij op
zijn slechtst nieuwe dragers voort, geen lijders. Het grote voordeel is dat hun deelname
aan het reproductieproces de inteelt in de populatie helpt beperken.
RDA 2010_02              Fokkerij & Voortplantingstechnieken                          18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>  V       Ethische afweging
In de fokkerij doen we iets met dieren in het belang van mensen. We selecteren dieren
om hen – al dan niet met gebruikmaking van bepaalde technieken – een volgende
generatie te laten voortbrengen die beter past bij een doel dat wij mensen hebben
gesteld.
V.1       Neveneffecten
Genetisch gesproken selecteren we bepaalde genen ten koste van andere waardoor ‘de
aard van het beestje’ over generaties heen (soms drastisch) wordt bijgestuurd. Dat is
soms wel maar lang niet altijd in het belang van de betreffende dieren, getuige enkele
voorbeelden van (ongewenste) effecten op diergedrag en adaptatiefysiologie, zoals:
•    Moderne leghennen die minder broeds worden
•    Hoogproductieve Holstein-koeien die bronstgedrag slecht laten zien
•    Meer zwakke biggen en sterfte bij een eenzijdige selectie op worpgrootte bij varkens
•    Vleeskuiken-ouderdieren die tijdens de opfok honger hebben
•    Engelse buldoggen die d.m.v. KI verwekt en d.m.v. keizersnede geboren moeten
     worden
•    Inteelttoenames boven de 1 procent per generatie bij sommige zeldzame rassen ten
     gevolge van fokkerij met kleine, gesloten populaties.
Deze voorbeelden maken duidelijk dat fokkerij ethische vragen oproept, vooral als we
naar de betreffende dieren kijken. Een bijkomend vraagstuk is wat er gebeurt met die
dieren die niet voldoen aan de gestelde fokdoelen: de zogenaamde surplusdieren.
Op bepaalde concrete voorbeelden en op sommige voortplantingstechnieken wordt
verderop nader ingegaan, maar eerst wil de Raad enkele meer algemene en principiële
overwegingen aanreiken in het licht waarvan concrete kwesties beoordeeld kunnen
worden.
V.2       Ethiek
Sinds mensenheugenis worden dieren gebruikt in het belang van de mens. Dat is een
gegeven in onze cultuur maar het betekent wel dat de belangen van dieren kunnen
botsen met belangen van mensen. Het is eveneens een gegeven in onze cultuur dat we
de belangen van de mens stellen boven die van het dier, in elk geval als het gaat om
gezondheid en welzijn6.
In onze culturele context gaat deze zienswijze dus over de vraag wanneer en waarvoor
wij dieren mogen gebruiken, en tot welke prijs. Anders gezegd en toegespitst op de
fokkerij luidt de fundamentele ethische vraag: Hoe ver mag je gaan in het aanpassen van
dieren aan onze behoeften en belangen?
V.2.1 Intrinsieke waarde
De rechtvaardiging voor deze vraag ligt in het feit dat wij er ons in onze cultuur meer en
meer bewust van zijn geworden dat een dier niet alleen maar een nutswaarde heeft maar
ook een intrinsieke waarde, dat wil zeggen een eigen waarde afgezien van een mogelijk
nut voor de mens. Dat besef heeft vooral sinds de 19e eeuw langzaam maar zeker post
gevat in steeds bredere lagen van de samenleving, in belangrijke mate onder invloed van
dierenbeschermingsbewegingen. Uiteindelijk is het in vele Westerse landen vertaald in
beleid. In Nederland heeft dit proces in 1981 geleid tot de nota Rijksoverheid en
dierenbescherming, waarin de intrinsieke waarde van het dier tot uitgangspunt van
beleid werd gemaakt. Dat heeft daarna verder gestalte gekregen in de Wet op de
Dierproeven, in de Gezondheid- en Welzijnswet bij Dieren (GWWD) en in de Flora- en
faunawet.
6
  In zijn zienswijze Agenda voor het Dierbeleid (2010) gaat de Raad dieper in op de drie onderliggende,
ethische vragen aangaande de dierhouderij in Nederland.
RDA 2010_02                    Fokkerij & Voortplantingstechnieken                                      19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>V.2.2 Duurzaamheid
Een tweede uitgangspunt van overheidsbeleid dat in dit verband genoemd dient te
worden is duurzaamheid. Het begrip ‘duurzaamheid’ (sustainability) is in de
internationale en nationale discussie een steeds belangrijker rol gaan spelen sinds het
werd geïntroduceerd in 1987 in het VN rapport Our Common Future van de Commissie
Brundtland. Heel globaal gesproken gaat het er daarbij om dat de behoeftebevrediging
van heden niet ten koste mag gaan van de mogelijkheid van toekomstige generaties om
in hun behoeften te voorzien. Dit wordt meestal geoperationaliseerd door het zoeken van
de balans tussen People, Planet en Profit. Het uitgangspunt voor het Nederlandse
overheidsbeleid is ‘integrale duurzaamheid’: een van de doelstellingen is dat de
veehouderij in 2023 in zijn geheel integraal duurzaam dient te zijn. Daarbij wordt
duurzaamheid gedefinieerd als “produceren met respect voor mens, dier en milieu (dus
inclusief dierenwelzijn)”.
V.2.3 Biodiversiteit
Duurzaamheid gaat hand in hand met het begrip biodiversiteit, waarmee zowel de
verscheidenheid van plant- en diersoorten en van ecosystemen wordt bedoeld, alsmede
het beschermen en behouden daarvan. Dat biodiversiteit in nauw verband staat met
duurzaamheid blijkt uit het Biodiversiteitsverdrag van Rio de Janeiro uit 1992. Uiteraard
strekken deze beleidsbepalende begrippen zich verder uit dan alleen tot de omgang met
dieren, maar ze zijn zeker ook daarop van toepassing.
Met biodiversiteit wordt meestal het behoud van de soortenrijkdom bedoeld. Daarnaast
betreft het ook de genetische variatie binnen een soort zoals die tot uitdrukking komt in
rassen en genetische variatie binnen rassen. Natuurlijke selectie en domesticatie hebben
geleid tot een breed scala aan diersoorten en rassen binnen die soorten, elk aangepast
aan de specifieke omstandigheden van zijn omgeving. Door natuurlijke selectie sterven
onvoldoende aangepaste soorten ook uit. Omdat de omstandigheden kunnen veranderen
is het van belang dat op wereldschaal een variatie aan soorten – en daarmee een variatie
aan genetische eigenschappen – blijft bestaan, zodat de natuurlijke selectie de
diersoorten kan blijven aanpassen aan de omstandigheden.
Inteelt, het verwekken van nakomelingen door het paren van aan elkaar verwante
ouderdieren, zorgt voor verarming van de genetische variatie binnen het ras – en
uiteindelijk ook binnen het individu. Voor fokkerij – de kunstmatige selectie – is
genetische variatie binnen een ras noodzakelijk: zonder variatie valt er niks meer te
selecteren, niks meer te veranderen. Inteelt wordt in de fokkerij ook doelbewust ingezet
om bepaalde genetische eigenschappen te ‘verankeren’ in het genoom. Vaker echter is
fokbeleid gericht op het beperken van de inteelttoename door het uitsluiten van paringen
van nauw verwante dieren.
V.2.4 Morele verantwoordelijkheid
Een vierde uitgangspunt is dat betrokken fokkers, voortplantingsdeskundigen,
bestuurders, ketenpartijen en kopers op hun (morele) verantwoordelijkheid mogen
worden aangesproken. In zijn zienswijze Verantwoord Houden (2009) gaat de Raad
uitgebreid in op de verdeling van de rollen en verantwoordelijkheden van dierhouders,
overheid en alle andere betrokken partijen ten aanzien van het welzijn en de gezondheid
van gehouden dieren. De Raad stelt daarin onder andere dat diegene die
verantwoordelijkheid draagt voor het welzijn van een dier, daarover ook verantwoording
moet afleggen.
De in Verantwoord Houden geschetste verantwoordelijkheidsverdeling vormt de basis
voor de aanbevelingen in hoofdstuk VII van deze zienswijze.
RDA 2010_02                Fokkerij & Voortplantingstechnieken                         20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>V.2.5 Principes
In het verlengde van deze vier uitgangspunten zijn in de context van fokkerij en
voortplantingstechnologie enkele (andere) principes uit de bio-ethiek van belang. Zij zijn
afgeleid uit de humane bio-ethiek7 maar worden mutatis mutandis ook gebruikt in andere
contexten waar levende organismen in het geding zijn8. Het gaat dan om (1) het oeroude
niet-schaden principe (primum non nocere), (2) weldoen (i.c. goede zorg bieden) en (3)
respect voor soortspecifiek gedrag (de eigenheid van het dier).
Om het ideaal van de dierethiek te benoemen zou (uiteraard weer mutatis mutandis)
gebruik gemaakt kunnen worden van de klassieke formulering van het ideaalbeeld van
de mens: Anima sana in corpore sano (een gezonde geest in een gezond lichaam).
V.3       Afwegingsmodel
Uitgaande van de erkenning van de intrinsieke waarde van het dier en het belang van
duurzaamheid en biodiversiteit, in het licht van de zojuist genoemde principes en gelet
op de verantwoordelijkheden van o.a. fokkers, consumenten en overheid is het evident
dat er in de fokkerij ethische afwegingen gemaakt moeten worden. Ook de in hoofdstuk
III genoemde dilemma’s en kansen laten dat duidelijk zien. De vraag is dan hoe een
dergelijk proces van afweging in de praktijk handen en voeten kan krijgen.
Nu is het maken van ethische afwegingen in de omgang met dieren niet nieuw, zodat
niet bij het nulpunt begonnen hoeft te worden. Al in 1992 werd in het kader van de
GWWD de Voorlopige commissie ethische toetsing genetische modificatie van dieren in
het leven geroepen, die zich vooral heeft gebogen over de vragen rond de stier
Herman9In 1997 volgde de Commissie Biotechnologie bij Dieren (CBD). Deze commissie
kreeg onder meer als taak de minister van LNV van advies te dienen bij het verlenen van
een vergunning voor biotechnologische handelingen bij dieren. Zij diende na te gaan of
deze handelingen geen onaanvaardbare gevolgen zouden hebben voor de gezondheid en
het welzijn van de betrokken dieren en of er tegen deze handelingen anderszins ethische
bezwaren bestonden.
Ten behoeve van de werkzaamheden van de CBD is door enkele ethici in 1996                                    het
rapport Het toetsen van biotechnologische handelingen bij dieren geschreven. In                              dat
rapport wordt een beoordelingskader in vijf stappen ontworpen. Dat is, met                                   wat
bijstellingen en aanscherpingen, door de CBD als toetsingskader gebruikt bij                                 het
beoordelen van de vergunningaanvragen op het terrein van biotechnologie bij dieren.
Mede omwille van de consistentie van beleid is de Raad nagegaan in hoeverre dit
toetsingskader van dienst kan zijn bij het ontwerpen van een Afwegingsmodel bij
ethische en maatschappelijke kwesties in de fokkerij. Overigens dient hierbij van het
begin af aan duidelijk te zijn dat er in de fokkerij geen sprake is van een ‘nee, tenzij-
beleid’ maar veeleer van een ‘ja, mits-beleid’, behalve als het gaat om biotechnologische
handelingen.
De ruggengraat van de ethische toetsing van een (onderzoeks-)voorstel waarbij
biotechnologische handelingen worden verricht bestaat voor de CBD uit vijf stappen:
     1. Wat is het belang van het betreffende onderzoek? Is dat substantieel of triviaal?
          Het doel heiligt weliswaar niet de middelen maar het is wel een cruciaal aspect
          van een ethische afweging.
7
  Beauchamp, T.L. & Childress, J.F., Principles of Biomedical Ethics. Oxford (Oxford University Press), 2001
8
  Zie bijv. Mepham, B., ‘Ethical Analysis of Food Biotechnologies: An Evaluative Framework’. In: B. Mepham
(ed.), Food Ethics. London (Routledge) 1996, pp. 101-119
9
  Officieel betrof het het onderzoeksvoorstel ‘Weefselspecifieke expressie van genen in de melkklier van
genetisch gemodificeerde runderen’ dat deel uitmaakte van een onderzoekproject dat werd uitgevoerd in een
samenwerkingsverband tussen Gene Pharming Europe B.V. en het Instituut voor Veeteeltkundig Onderzoek van
de Dienst Landbouwkundig Onderzoek (IVO-DLO).
RDA 2010_02                      Fokkerij & Voortplantingstechnieken                                          21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>     2. Zijn er reële alternatieven voor biotechnologische handelingen om dit doel te
         bereiken? Deze vraag is natuurlijk relevant in het kader van het ‘nee, tenzij-
         beleid’ met betrekking tot genetische modificatie, maar ook met het oog op de
         zogenaamde drie ‘V’s’ bij diergebruik: Vervanging, Verfijning en Vermindering.
     3. Wat is de te verwachten schade aan de gezondheid en het welzijn van de
         betreffende dieren? Deze vraag vloeit rechtstreeks voort uit de passage in de
         GWWD die stelt dat er geen vergunning verleend mag worden als er sprake is van
         onaanvaardbare schade voor gezondheid en welzijn, maar strikt ethisch
         gesproken vloeit zij voort uit de principes niet-schaden en weldoen.
     4. In hoeverre wordt de integriteit van de betreffende dieren aangetast? Over de
         betekenis en toepasbaarheid van deze toetssteen is in de CBD vaak diepgaand
         gediscussieerd. Dat heeft geleid tot een operationalisering ervan in termen van
         effecten van de biotechnologische handelingen op uiterlijk, gedrag,
         zelfredzaamheid en vatbaarheid voor ziekten of aandoeningen van de betreffende
         dieren.
     5. Finale afweging: Weegt, na de beantwoording van de eerste vier vragen, het
         belang van het onderzoek op tegen de schade die aan de betrokken dieren wordt
         toegebracht?
Als dit toetsingskader zou worden ‘vertaald’ in een afwegingsmodel voor de fokkerij
ontstaat het volgende beeld:
     1. Wat is het doel van het betreffende fokprogramma10 en wat is het belang ervan?
         Daarbij zou ook de vraag naar de noodzaak moeten worden meegenomen.
     2. Zijn er reële alternatieven voor fokken om de gestelde doelen te bereiken?
     3. Leidt het fokprogramma tot schade aan de gezondheid en het welzijn van de
         betrokken dieren, waaronder zowel ouderdieren als eventuele nakomelingen
         begrepen worden?
     4. Leidt het fokprogramma tot aantasting van de integriteit van dieren en zo ja, in
         welke mate?
     5. Finale afweging: Weegt, na de beantwoording van de eerste vier vragen, het
         belang van het fokprogramma op tegen de schade aan de betrokken dieren?
Voor de afweging van de wenselijkheid en toelaatbaarheid van (bepaalde)
voortplantingstechnieken bij dieren komt een vergelijkbaar afwegingsmodel uit de bus:
     1. Wat is het belang van de betreffende voortplantingstechniek en van het daarmee
         beoogde resultaat? Ook hier zou de vraag naar de noodzaak gesteld dienen te
         worden.
     2. Zijn er reële alternatieven om hetzelfde voortplantingsresultaat te bereiken?
     3. Leidt het gebruik van deze voortplantingstechniek tot schade aan gezondheid en
         welzijn van de betrokken dieren, waaronder zowel ouderdieren als eventuele
         nakomelingen begrepen worden?
     4. Leidt het gebruik van deze voortplantingstechniek tot aantasting van de integriteit
         van dieren?
     5. Finale afweging: Weegt, na de beantwoording van deze vier vragen, het belang
         van het gebruik van deze voortplantingstechniek op tegen de schade aan de
         betrokken dieren?
Omdat het gebruik van kunstmatige voortplantingstechnieken onlosmakelijk verbonden is
met het fokken van dieren, kunnen beide afwegingsmodellen geïntegreerd worden tot
één Afwegingsmodel voor fokkerij en voortplantingstechnieken. De Raad spreekt
overigens over een Afwegingsmodel, omdat het doel is dit in te zetten voor de
afwegingen die o.a. de fokkers zelf zullen maken, daar waar het toetsingskader van de
CBD nadrukkelijk bedoeld was voor een toetsing door een derde partij (de CBD).
Na de vertaalslag dient te worden gekeken of er toetsstenen ontbreken en of een
dergelijk afwegingsmodel werkbaar is in de fokkerij en bij het inzetten van bepaalde
voortplantingstechnieken. De vraag naar de werkbaarheid is eigenlijk alleen in de praktijk
te beantwoorden maar in het licht van de ervaringen van de CBD is een positief antwoord
10
   Ook te vertalen als: de fokdoelstelling en de wijze waarop men beoogt deze te bereiken.
RDA 2010_02                     Fokkerij & Voortplantingstechnieken                        22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>vooralsnog waarschijnlijk. Gelet op wat er momenteel gaande is in de fokkerij en de
voortplantingstechnologie kunnen de vragen van het toetsingskader als relevant
beschouwd worden.
Wat betreft het mogelijk ontbreken van toetsstenen meent de Raad dat vier elementen
moeten worden toegevoegd.
Ten eerste ontbreekt de vraag naar de haalbaarheid van het beoogde fokdoel c.q. de
voortplantingstechniek, waarbij in het bijzonder de tijdsfactor en de alternatieven worden
meegenomen. Deze vraag wordt als stappen 2 en 3 in het afwegingsmodel geïntegreerd:
     2. Hoe haalbaar is het beoogde fokdoel c.q. het voortplantingsresultaat, binnen een
         redelijke termijn van bijvoorbeeld tien jaar?
     3. Zijn er reële alternatieven om dit fokdoel c.q. dit voortplantingsresultaat te
         bereiken?
Ten tweede hoort ook het aspect van de volksgezondheid in het beoordelingskader thuis,
al zou de beoordeling daarvan ook aan de Voedsel en Waren Autoriteit (nVWA) gelaten
kunnen worden. Voorlopig voegt de Raad deze stap aan het Afwegingsmodel toe, al zal
hij lang niet altijd van toepassing zijn.
Ten derde dient ook het effect op de biodiversiteit als specifieke factor meegewogen te
worden. Daarbij gaat het niet alleen om biodiversiteit op het niveau van de dierpopulatie,
dat wil zeggen het behoud van voldoende genetische variatie binnen de populatie, maar
ook op ecologisch niveau, waarmee het behoud van voldoende soortenvariatie bedoeld
wordt.
Ten slotte dient elke afweging in de fokkerij te beginnen met een analyse van de
uitgangssituatie. Deze analyse is van belang voor de beantwoording van de vraag of er
wel of niet tot een fokprogramma mag danwel moet worden overgegaan. Met andere
woorden: Geeft de status quo binnen een bepaalde dierpopulatie aanleiding tot het
opzetten van een fokprogramma? In dat verband dienen ook de maatschappelijke en
economische context aan de orde te komen. Een ethische afweging, zoals hier bedoeld
vindt immers niet plaats in het luchtledige. Vaak zijn grote belangen in het geding. Het is
van essentieel belang daarover transparant te zijn.
In zijn zienswijze Agenda voor het Dierbeleid schets de Raad een Afwegingsmodel voor
Dierbeleid, om op een transparante en consistente wijze afwegingen in diergerelateerde
vraagstukken te kunnen maken. Wanneer we dit toepassen op de vraagstukken op het
gebied van de fokkerij en het toepassen van voortplantingstechnieken bij dieren komen
we tot het geïntegreerde Afwegingsmodel voor de dierfokkerij en de
voortplantingstechnologie bij dieren zoals weergegeven op pagina 25.
Niet alle vragen in het Afwegingsmodel zullen altijd even relevant lijken. De Raad is van
mening dat het wel van belang is alle vragen aan de orde te laten komen in de
afwegingen die gemaakt worden, aangezien op deze wijze volledig en consistent inzicht
in de verantwoordelijkheid van alle betrokkenen verkregen wordt.
Alleen het maken van afwegingen is natuurlijk niet voldoende. De afwegingen moeten
altijd bezien worden in het licht van de onderliggende doelstellingen. In hoofdstuk VII
duidt de Raad welke doelstellingen dat moeten zijn. Bovendien moet een afweging ook
daadwerkelijk leiden tot handelen – en niet slechts beperkt blijven tot een ‘verplichte
oefening’.
Met het Afwegingsmodel beoogt de Raad een omslag in cultuur en handelen. Om deze
omslag te realiseren is het essentieel dat het Afwegingsmodel aansluit op de praktijk. Er
ligt ligt er een uitdaging om con amore met het Afwegingsmodel aan het werk te gaan.
Alleen zo kan de werkbaarheid van dit Afwegingsmodel getoetst worden en kan het op
basis van de praktijk waar nodig bijgesteld en aangevuld worden. De Raad adviseert om
hiermee te beginnen in zogenaamde proefpolders, door de diverse betrokken partijen
voor een aantal diersoorten in te richten.
RDA 2010_02                 Fokkerij & Voortplantingstechnieken                         23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>        ‘Ethische afweging’                                 Fundamentele morele vraag
  Fokkerij & Voortplantingstechnieken
                                                            Hoe ver mag je gaan in het
                                                            aanpassen van dieren aan
         Gebaseerd op:                                      onze behoeften en belangen?
   Maatschappelijke moraal
   Breed gedragen en gebaseerd op:                       Specifieke vragen:
   •   Intuïtie (bijv. dierenwelzijn
       zorgwekkend)                                      1. Analyse van de status quo van de
   •   Principes (bijv. dierenwelzijn moreel                betreffende dierpopulatie en het
       belangrijk)                                          aanvoeren van maatschappelijke,
   •   Feiten (bijv. erfelijke gebreken)                    economische en alle andere argumenten
                                                            waarom men tot een fokprogramma
                                                            wenst over te gaan.
         en                                              2. Wat wordt beoogd met het voorgestelde
                                                            fokprogramma of de
                                                            voortplantingstechniek en wat is het
   Wetenschappelijke kennis                                 belang en de noodzaak ervan?
                                                         3. Hoe haalbaar is het betreffende
   (relevant and actueel)
                                                            fokprogramma of het
                                                            voortplantingsresultaat binnen tien jaar?
   •   dierenwelzijn,
         interests are incl.weighed                      4. Zijn er reële alternatieven om het
       diergezondheid                                       beoogde doel te bereiken?
                                                         5. Leidt het fokprogramma of de
   •   erfelijkheid
                                                            voortplantingstechniek tot schade aan de
   •   reproductie                                          gezondheid of het welzijn van de
   •   fokprogramma’s                                       betrokken dieren, waaronder behalve
   •   mens-dier relatie                                    ouderdieren steeds ook hun eventuele
                                                            nakomelingen worden verstaan? Of draagt
   •   dier vs. omgeving
                                                            het wellicht bij tot verbetering van de
   •   ethiek (intrinsieke waarde,                          bestaande situatie op die gebieden?
       integriteit)                                      6. Leidt het fokprogramma of de
                                                            voortplantingstechniek tot aantasting van
                                                            de integriteit van de betrokken dieren? Of
         worden de belangen afgewogen.                      draagt het wellicht bij tot verbetering van
                                                            de bestaande situatie op dat gebied?
                                                         7. Komt bij het fokprogramma c.q. de
                                                            voortplantingstechniek de
                                                            volksgezondheid in het geding? Zo ja, hoe
                                                            wordt die gewaarborgd?
                                                         8. Komt bij het fokprogramma of de
                                                            voortplantingstechniek de biodiversiteit in
                                                            het geding? Zo ja, hoe wordt die
                                                            gewaarborgd?
 De finale afweging van alle aspecten in het beantwoorden van de specifieke vragen
 moet leiden tot een antwoord op de vraag: weegt het belang van het fokprogramma
 c.q. de voortplantingstechniek op tegen de (mogelijke) schade?
RDA 2010_02                     Fokkerij & Voortplantingstechnieken                                     24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>VI       Elementen voor het Afwegingsmodel
In het afwegingsmodel worden welzijn, gezondheid en integriteit van het dier tegen
andere belangen afgewogen. Ten behoeve van die weging is het nodig om die begrippen
voldoende nauwkeurig te duiden.
VI.1     Meten van dierenwelzijn
Een dier verkeert in een goede staat van welzijn als het in staat is zich aan zijn
levensomstandigheden aan te passen en een toestand bereikt die het als positief
ervaart11.
Het uitsluitend sturen op levensomstandigheden (vierkante meters per dier,
spleetbreedtes, verlichtingsnormen, rantsoenen etc.) garandeert niet dat een dier zijn
toestand als positief zal ervaren. Dieren met verschillende erfelijke eigenschappen, al dan
niet onder uiteenlopende condities ontwikkeld en grootgebracht, zullen immers onder
dezelfde levensomstandigheden niet vanzelfsprekend hetzelfde welzijn ervaren.
Individuen, rassen en lijnen kunnen sterk verschillen in de eisen die zij aan de omgeving
stellen en in de manier waarop zij zich aan hun omgeving aanpassen. Zo zal een
Siberische Husky het bij zeer warm weer aanmerkelijk ongemakkelijker hebben dan een
Rhodesian Ridgeback.
Claims over het welzijn van dieren dienen om voorgaande redenen dan ook gebaseerd te
zijn op signalen, kenmerken en gedragingen van het dier zelf (de output van het dier) en
niet uitsluitend te zijn ontleend aan aspecten van de houderijomstandigheden (de input).
Onderzoek en beleid zijn zich daarvan bewust en richten zich steeds minder op van
input- of designvariabelen, ten faveure van output- of prestatie-indicatoren. Het
Europese Welfare Quality-project bedoelt een grote stap in deze richting te
bewerkstelligen.
Bij het vaststellen van prestatie-indicatoren is het overigens van belang dat prestaties
niet uitsluitend gemeten worden in termen van het ontbreken van welzijnsschade, maar
dat het repertoire ook positieve elementen van soortspecifiek gedrag bevat die voor het
dier bijdragen aan een goede staat van welzijn.
VI.2     Fokkerij en dierenwelzijn
Bij het vaststellen van fokkerijgerelateerde prestatie-indicatoren voor het welzijn van
dieren kan op basis van verschillen in onzekerheid/betrouwbaarheid onderstaande
indeling worden gemaakt:
     1) Schadelijke morfologische en functionele erfelijke afwijkingen;
     2) Risico’s op welzijnsschade als gevolg van overtypering en/of éénzijdige selectie;
     3) Risico’s op welzijnsschade als gevolg van verschillen tussen selectieomgeving en
         gebruiksomgeving;
     4) Afbreuk aan de integriteit van het dier.
Prestatie-indicatoren voor dierenwelzijn zijn globaal in te delen in de onderstaande drie
categorieën:
     1) Indicatoren voor fysieke gezondheid en vitaliteit;
     2) Indicatoren voor gedrag en mentale gezondheid;
     3) Indicatoren voor integriteit.
VI.2.1 Indicatoren voor vitaliteit en fysieke gezondheid
Het is ondoenlijk om zonder in abstracties te vervallen generieke indicatoren vast te
stellen voor gezondheid, pijn en functiestoornissen voor het enorme, rijkgeschakeerde
palet aan diersoorten, rassen en foklijnen. Per diersoort, ras of kruisingsproduct is dit
gemakkelijker, ook al zal het accent dan veelal liggen op de stoornissen als pendant van
gezondheid. Vanwege de veelheid aan verschillende stoornissen (zie voor voorbeelden
hoofdstuk III, paragraaf III.5) is er een mozaïek van maatwerkindicatoren nodig,
toegespitst op specifieke kenmerken van zeer uiteenlopende fokproducten.
11
   “Dierenwelzijn” – De diergeneeskundige positie, prof. dr. F. Ohl, prof. dr. L. J. Hellebrekers, Tijdschrift voor
Diergeneeskunde, deel 134, aflevering 18, 15 september 2009
RDA 2010_02                    Fokkerij & Voortplantingstechnieken                                                25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>VI.2.2 Indicatoren voor soorteigen gedrag en mentale gezondheid
Dieren zijn gedurende miljoenen jaren geëvolueerd tot organismen die door natuurlijke
selectie zijn toegerust met gedrag dat hen gegeven hun natuurlijke leefomgeving het
best in staat stelt om erfelijke eigenschappen aan toekomstige generaties door te geven.
Domesticatie bestaat in dat licht bezien nog slechts een oogwenk. Hoewel moderne
fokkerijtechnieken uiterst doelmatig zijn gebleken in het verbeteren van de
fokdoelkenmerken van dieren, wordt de kans dat de aanleg voor (soorteigen)
gedragsbehoeften in de basis is veranderd echter klein geacht12. Waar veranderingen
worden waargenomen betreft het eerder verschillen in expressie.
Iedere indeling in gedragscategorieën is arbitrair. Desondanks is een bruikbare indeling
die van Tembrock13 waarbij de gedragsbehoeften van dieren zich als volgt laten indelen:
      1)  Basisbehoeften, noodzakelijk voor overleven;
      2)  Specifieke, door de morfologie en fysiologie bepaalde behoeften;
      3)  Behoeften die hun oorsprong vinden in individuele eigenschappen;
      4)  Aangeleerde, van andere individuen overgenomen behoeften.
Met betrekking tot deze behoeften introduceerde Tembrock (naar eerder werk van Von
Üxküll, 1926) de zogenaamde functiekringen. Dieren reageren met gedrag op externe of
interne prikkels, beïnvloeden daarmee de omgeving of interne processen en oefenen
daarmee invloed uit op deze prikkels. Daarmee is de cirkel rond. Indien deze
functiekringen ontregeld raken of worden gefrustreerd, ontstaat afwijkend gedrag
(onder- of overexpressie, stereotiep gedrag, beschadigend gedrag), gericht op het dier
zelf, op de omgeving of op soortgenoten. Dergelijk afwijkend gedrag wordt beschouwd
als prestatie-indicator voor (tekort aan) mentale gezondheid14 en ook hier ligt het accent
gemakkelijker op het terugdringen van het negatieve in plaats van het bevorderen van
het positieve.
       Voorbeelden van prestatie-indicatoren voor het welzijn van
                                               vleeskuikens
     Op de boerderij: sterfte, voederconversie, groeisnelheid, voedsel- en
     wateropname, hijgen en vleugelspreiden, rillen, kreupelheid en loopscore,
     ruimtelijke spreiding van de vogels, angst (ontwijkgedrag, reacties op nieuw
     object), stofbadgedrag, kwalitatieve gedragsbeoordeling.
     Op het slachthuis: dood bij aankomst, pre-stun shock en fladderen aan de
     slachtlijn, klinische ziektebeelden zoals ascites, sterke vermagering, uitdroging,
     hepatitis, pericarditis, abcessen, sepsis, vleugelbeschadigingen en -kneuzingen,
     gebroken ledematen, dislocatie van heupen en andere gewrichten,
     karkaskwaliteit.
     Op boerderij en slachthuis: contactdermatitis (voetzooldermatitis,
     brandhakken, borstblaren of -branden), veerconditie en -reinheid,
     huidbeschadigingen en verwondingen, oogconditie.
Gehouden dieren zijn veelal sociale dieren die in groepen dienen te worden gehouden.
Dit stelt eisen aan sociaal gedrag, zowel tegenover soortgenoten als tegenover de mens,
aan exploratie- en spelgedrag, aan verzorgingsgedrag en aan maternaal en seksueel
gedrag. Ook hierbij geldt dat de keuze voor prestatie-indicatoren om maatwerk per
diersoort vraagt.
12
   Zie bijvoorbeeld The behaviour of pigs in a semi-natural environment, Stolba A, Wood-Gush D.G.M. Animal
Production 48, 419-425, 1989 en The Laboratory Rat: A Natural History, www.ratlife.org
13
   Grundriß der Verhaltenswissenschaften. Eine Einfuhrung in die allgemeine Biologie des Verhaltens, Tembrock,
G. , 1980. Fischer Verlag, Jena.
14
   Towards a general psychobiological theory of emotions, Panksepp, J., 1982. Behavioral and Brain Sciences,
5, pp 407-422
RDA 2010_02                     Fokkerij & Voortplantingstechnieken                                        26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>VI.2.3 Indicatoren voor integriteit
Wanneer in een dier essentiële eigenschappen van de diersoort zijn verdwenen, is de
integriteit van dat dier aangetast15. Vrijwel alle schadelijke kenmerken gaan in zekere zin
gepaard met een aantasting van de integriteit. Er zijn overigens ook aantastingen van de
integriteit denkbaar die niet direct tot verminderd welzijn van dieren zelf leiden, zoals
blindheid bij kippen gecultiveerd in een specifieke foklijn omdat deze dieren minder
verenpikgedrag vertonen.
VI.2.4 Weging
Welzijnsaantastingen laten zich wegen naar het product van prevalentie x aantallen x
ernst x duur. Deze benadering is ook gekozen in de door LNV uitgebrachte
ongeriefanalyses16.
Het RDA-advies Fokken met recreatiedieren (RDA 2002/03) en het daar aan ten
grondslag liggende model voor de beschrijving, typering en weging van welzijnsrisico’s17
kent vergelijkbare uitgangspunten en vormt een interessante basis om schadelijke
erfelijke kenmerken als volgt te typeren en te wegen:
     1) Erfelijke aanleg (recessief, dominant, familiair, polygeen)
     2) Levensverwachting (sterfte rond geboorte, levensbedreigend op korte termijn,
          chronische aandoeningen met dodelijke afloop, sterfte bij noodzakelijke
          euthanasie, niet levensbedreigende aantasting van vitaliteit)
     3) Waarneembaarheid (direct en betrouwbaar waarneembaar, met diagnostische
          hulpmiddelen aantoonbaar, graduele en niet duidelijk gedefinieerde stoornissen)
     4) Prevalentie (hoog > 10%, matig 5-10%, beperkt 1-5%, laag 0,1-1%, zeer laag <
          0,1%)
     5) Pijnlijkheid en/of hinder (zeer pijnlijk, zeer hinderlijk/lastig, pijnlijk,
          hinderlijk/lastig)
     6) Integriteit (aangetast, niet aangetast)
     7) Tijdstip van ontstaan (voor de geboorte, direct na de geboorte, gedurende het
          leven)
In de ontwikkelde prioriteringsprocedure worden grenswaardes voor de aantastingscores
voor welzijn, gezondheid en integriteit bepaald, met een schatting van de mate van
voorkomen. Op basis van de gecombineerde scores wordt de mate van urgentie voor
(fokkerij)maatregelen bepaald. Het RDA-advies Fokken met recreatiedieren bevat
overzichten van deze scores per diersoort en per ras.
Het Welfare Quality programma heeft naast parameters voor fysieke gezondheid,
vitaliteit en integriteit, ook indicatoren voor gedragsaspecten – en daarmee voor mentale
gezondheid – ontwikkeld.
Bij de systematische beoordeling van welzijnsrisico’s, zoals die bijvoorbeeld in
toenemende mate door de EFSA wordt gedaan18, komen vergelijkbare elementen te pas.
Risicobeoordeling is een systematisch, wetenschappelijk gefundeerd proces, om de kans
op blootstelling aan een gevaar, en de omvang van de effecten van deze blootstelling in
te schatten. Een gevaar voor dierenwelzijn kan worden gedefinieerd als een factor met
de potentie om een negatief effect op het welzijn van dieren te veroorzaken. Risico is een
functie van de kans dat het gevaar werkelijkheid wordt, en de intensiteit en de duur van
de gevolgen daarvan.
15
   Ethics of farm animal breeding, Sandøe et al, 2006. Journal of Agricultural and Environmental Ethics, 19:37–
46.
16
   Ongerief bij rundvee, varkens, pluimvee, nertsen en paarden: inventarisatie en prioritering en mogelijke
oplossingsrichtingen, Leenstra et al., Animal Sciences Group van Wageningen UR, Lelystad, 2007.
17
   Fokken met recreatiedieren, Netto, W.J., 1998.
18
   Scientific Opinion on the influence of genetic parameters on the welfare and the resistance to stress of
commercial broilers, EFSA, 2010.
RDA 2010_02                     Fokkerij & Voortplantingstechnieken                                          27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>VII     Conclusies & Aanbevelingen
In hoofdstuk III heeft de Raad geconstateerd dat het fokken met dieren vragen oproept:
vragen over de mogelijkheden van de fokkerij voor het bereiken van
duurzaamheiddoeleinden en vragen over de dierenwelzijndilemma’s die samenhangen
met fokkerij en voortplantingstechnieken. In hoofdstuk V heeft de Raad geconstateerd
dat het om een ethisch vraagstuk gaat en is het Afwegingsmodel voor fokkerij en
voortplantingstechnieken gepresenteerd als instrument om de vraagstukken over fokkerij
en voortplantingstechnieken gestructureerd te kunnen behandelen.
In dit hoofdstuk duidt de Raad allereerst de kaders voor de fokkerij. Na een beschrijving
van de wijze waarop de verschillende partijen bij de fokkerij betrokken zijn, identificeert
de Raad de voor verbetering vatbare punten. Om tot oplossingen te komen worden
vervolgens best practices geformuleerd en instrumenten aangereikt. Het hoofdstuk sluit
af met de aanbevelingen: hoe moeten de betrokken partijen werken aan het oplossen
van de geconstateerde knelpunten?
VII.1 Kaderstelling
De Raad is van mening dat de fokkerij binnen de volgende kaders zou moeten
plaatsvinden:
•    Behoud   van   vitaliteit en fysieke gezondheid
•    Behoud   van   soorteigen gedrag en mentale gezondheid
•    Behoud   van   integriteit
•    Behoud   van   genetische diversiteit
VII.2 Actoren
Wie heeft welke invloed op het fokken van dieren? Als eerste natuurlijk de fokker zelf. Als
dierhouder is hij de eerstverantwoordelijke voor het welzijn en de gezondheid van zijn
dieren19. Wanneer de fokker lid is van een rasvereniging of stamboek, dan heeft hij zich
te houden aan de daar geldende reglementen. Doordat de rasverenigingen en
stamboeken zo de ‘speelruimte’ van de fokker beïnvloeden, zijn zij medeverantwoordelijk
voor het welzijn van de dieren die binnen hun ras of stamboek worden gefokt. Hetzelfde
geldt voor de ketenpartijen13: vrijwel alle (producten) van landbouwhuisdieren, alsmede
een groot deel van de gezelschapsdieren wordt via een handelaar, wederverkoper of
retailer en niet rechtstreeks bij de fokker gekocht. De overheid is een belangrijke partij,
omdat zij eindverantwoordelijk is voor de kwaliteit van het leven van dieren in
Nederland13. Omdat productieketens ten principale produceren wat de koper vraagt,
speelt de consument – diegene die een dier of dierlijke producten koopt – een cruciale,
sturende rol. Het is echter de vraag in hoeverre de consument in staat en genegen is
deze rol te vervullen.
VII.2.1           Fokkers
De Raad constateert dat er grote verschillen zijn tussen de rollen van de fokkers in de
verschillende         dierhouderijsectoren.         Zo      zijn      fokkerijorganisaties in de
productiedierhouderij, en in het bijzonder in de varkens- en pluimveehouderij, grote
internationaal opererende bedrijven die een zeer belangrijke rol spelen en is de rol van
individuele dierhouders daar beperkt. In de gezelschapsdierenfokkerij zijn de fokkers
veelal individuele dierhouders. De melkveehouderij kan gekenmerkt worden als een
hybride vorm, met enkele grote fokkerijorganisaties die de stieren bezitten en individuele
melkveehouders die ieder voor hun eigen bedrijf een eigen fokbeleid bepalen. De
paarden- en hobbydierhouderij kenmerken zich door verschillende gradaties van
organisatie en professionaliteit, al naar gelang ras en diersoort.
Ook de invloed van de stamboeken varieert sterk. Zo hebben het Friese
paardenstamboek (KFPS) en het KWPN-stamboek zeer veel invloed op de wijze waarop
er met de dieren binnen het stamboek gefokt wordt, terwijl de Raad van Beheer op
19
   De Raad gaat in zijn zienswijze Verantwoord Houden (2009) uitgebreid in op de rollen en
verantwoordelijkheden ten aanzien van het welzijn van gehouden dieren.
RDA 2010_02                     Fokkerij & Voortplantingstechnieken                           28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>Kynologisch gebied (RvB) al herhaaldelijk vergeefs heeft geprobeerd een centraal beleid
voor de hondenfokkerij op te zetten. In de kattenfokkerij en in sommige
hobbydiersectoren is nauwelijks sprake van centrale regie, laat staan dat deze een
verplichtend karakter heeft.
VII.2.2        Overheid
De invloed die de overheid op de fokkerij in de verschillende dierhouderijsectoren
uitoefent varieert sterk. Het valt te betwijfelen of de Nederlandse overheid rechtstreeks
invloed kan uitoefenen op de internationaal opererende fokkerijbedrijven in de
veehouderijsector.
Wanneer we de nationale wet- en regelgeving bekijken dan zien we dat deze vrijwel
uitsluitend betrekking heeft op landbouwhuisdieren (in de veehouderij en
hobbydiersector) en paarden. Het Honden- en kattenbesluit heeft uitsluitend betrekking
op bedrijfsmatige fokkers en de Europese overeenkomst ter bescherming van kleine
huisdieren(1988), met daarin enkele paragrafen over de gezelschapsdierenfokkerij, is
door Nederland wel getekend, maar nog niet geratificeerd.
VII.2.3        Consument
Tot slot de consument. Kopers van dieren hebben een zeer directe invloed op de fokkerij,
omdat zij de marktvraag voor bepaalde soorten, rassen en typen dieren bepalen.
Kopers van gezelschapsdieren geven aan dat zij de gezondheid van een dier een
belangrijk punt vinden. De vraag is echter in hoeverre kopers zich bewust zijn van het
voorkomen van erfelijke aandoeningen bij de diersoorten die zij kopen. Sinds kort heeft
het Landelijk Informatiecentrum Gezelschapsdieren (LICG) dergelijke informatie
opgenomen in hun zogeheten dierenbijsluiters.
We moeten ons ook afvragen of de kopers voldoende kennis hebben om te zien dat
bepaalde (uiterlijke) kenmerken het welzijn van het dier aantasten. En of ze, wanneer zij
zich daarvan inderdaad bewust zijn, genegen zijn zich af te vragen of hun plezier
opweegt tegen de aantasting van het welzijn van het dier.
Kopers van dierlijke producten staan veel verder af van de fokkerij: het daadwerkelijke
fokken van bijvoorbeeld varkens vindt helemaal aan het begin van de productieketen
plaats, terwijl de koper van varkensvlees helemaal aan het einde van de keten staat. De
keuzemogelijkheden van de koper worden sterk bepaald door de retailers. Ook de
informatieverstrekking vindt goeddeels via de retailers plaats, al vervullen ook non-
gouvernementele organisaties in toenemende mate die rol. Wat dat betreft zijn de
fokkerijgerelateerde vraagstukken onderdeel van het duurzaamheidbeleid van retailers
en voedingsmiddelenproducenten, in het kader waarvan eisen worden gesteld aan de
toeleveranciers.
VII.3 Best Practices
Successen uit het verleden bieden weliswaar geen garantie voor de toekomst, maar wel
de mogelijkheid om best practices te identificeren. Wanneer we kijken naar de
succesvolle wijze waarop het KWPN-stamboek bepaalde erfelijke gebreken bestrijdt en de
manier waarop het KFPS probeert de inteelt te beperken, dan zien we dat deze successen
mede te danken zijn aan de volgende randvoorwaarden:
•   De fokkers, het stamboek en de kopers zijn zich bewust van en hebben voldoende
    kennis over de problematiek van erfelijke gebreken en inteelt.
•   De meeste fokkers en het stamboek zijn bereid om de problematiek structureel aan
    te pakken.
•   Er is voor de kopers een duidelijke meerwaarde aan het kopen van een dier met
    stamboekpapieren.
•   Het is voor niet-willende fokkers niet mogelijk om erkende stamboekdieren buiten het
    stamboek te fokken, of om een eigen (parallel-)stamboek te beginnen.
Er is dus sprake van bewustzijn, kennis, de wil om te verbeteren, marktvraag en
voldoende regulering voor een zelfstandige aanpak.
RDA 2010_02                Fokkerij & Voortplantingstechnieken                         29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>VII.4 Voor verbetering vatbaar
In hoofdstuk III is een schets gegeven van de vraagstukken rondom het fokken van
dieren. In hoofdstuk IV staat beschreven hoe men komt tot een fokbeleid en zijn de
belangrijkste kenmerken van de fokkerij van de diverse diersoorten beschreven.
Hoofdstuk V en VI laten zien dat er afwegingen gemaakt worden – en op welke wijze dat
zou moeten gebeuren. De Raad wil dat wat er goed gaat in de fokkerij geenszins
negeren, maar zal in de volgende paragrafen vooral de verbeterpunten voor de fokkerij
in de verschillende diersectoren schetsen, om daar vervolgens zijn aanbevelingen op te
kunnen baseren.
VII.4.1         Paarden
Er gaat veel goed in de paardenfokkerij, maar is het fokbeleid in de paardensector
daarmee optimaal geregeld? De Raad constateert een aantal verbeterpunten. Zo is de
identificatie en registratie (I&R) van paarden in Nederland niet sluitend: binnen de
stamboeken veelal wel bij geboorte, maar daarbuiten en daarna nog niet. Er kan op die
manier een onzichtbare schaduwpopulatie ontstaan waarover geen gegevens bekend
zijn.
De selectie tegen bekende erfelijke gebreken is goed, al is het melden van een erfelijk
gebrek niet in alle gevallen sluitend geborgd (bijvoorbeeld het melden van kromme
benen bij Shetlanders). Ook het registreren van het optreden van erfelijke gebreken kan
transparanter.
Tot besluit prijst de Raad de transparantie ten aanzien van de fokdoelstellingen, maar
stelt hij vast dat de afweging die ten grondslag ligt aan de fokdoelstellingen
transparanter en systematischer kan, bij voorkeur aan de hand van het Afwegingsmodel
voor fokkerij en voortplantingstechnieken.
VII.4.2         Productiedieren
De informatievoorziening binnen de verschillende ketens in de productiedierhouderij is
over het algemeen zeer goed. Op het gebied van gezondheids- en welzijnsindicatoren is
er ruimte voor verbetering. De transparantie tegenover de buitenwereld varieert sterk.
Pas wanneer er voldoende helderheid is over afweging van dierenwelzijn, economie en
andere duurzaamheidaspecten en de vooruitgang met betrekking tot deze kenmerken
voor eenieder inzichtelijk is, kan de attitude van fokkers en veehouders beoordeeld
worden.
Consumenten zijn zich vaak nauwelijks bewust van wat er aan fokkerij in de
productiediersector gebeurt. Het is bovendien de vraag in hoeverre zij zich bewust zijn
van de rol die zij kunnen spelen in het beïnvloeden van de veehouderijsector, en in
hoeverre zij deze rol op zich willen nemen. NGO’s, als vertegenwoordigers van burgers
en consumenten nemen rol deels over.
Ook de tussenhandel en de retailers spelen een belangrijke rol: zij bepalen het
keuzepalet voor de consument. Dierenwelzijn kan voor de tussenhandel en retail een
imagobepalend onderwerp zijn, waarop campagnes over bijvoorbeeld het verdoofd
castreren van beerbiggen en over de ‘kiloknallers’ inspelen.
In de pluimvee- en varkenssector, en in mindere mate in de melkveesector is de fokkerij
in handen van grote, internationaal opererende organisaties (veelal bedrijven). De
invloed die daarop vanuit Nederland uitgeoefend kan worden is beperkt. Er is een
vrijwillige, internationale code voor de fokkerij (Code EFABAR), maar nog niet alle
fokkerijorganisaties hebben deze geïmplementeerd. Overigens stellen Sandøe et al in het
Ethics Report bij de Code EFABAR (2005) dat ‘niet-economische waarden’ zoals
dierenwelzijn, integriteit en biodiversiteit op andere manieren dan door middel van een
vrijwillige Code geregeld moeten worden.
RDA 2010_02                Fokkerij & Voortplantingstechnieken                       30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>VII.4.3        Hobbydieren
Wanneer we naar de fokkerij van hobbydieren kijken zien we een grote variatie in
bewustzijn en attitude van fokkers en in hun organisatiegraad via stamboeken. Het is
hierbij de kunst het goede te stimuleren en de uitwassen te bestrijden. De bijdrage die
sommige hobbydierfokkers bijvoorbeeld leveren aan het in stand houden van bijzondere
diersoorten en rassen – en daarmee aan de biodiversiteit – is lovenswaardig en verdient
navolging en ondersteuning.
De identificatie en registratie (I&R) van hobbydieren is verre van volledig. Dat impliceert
dat er alleen binnen populaties van door verenigingen en stamboeken geregistreerde
dieren zicht is op het voorkomen van erfelijke gebreken en inteelt. Bij te kleine
geregistreerde populaties moet overwogen worden of fokken binnen de populatie nog wel
verantwoord is in verband met het risico van een te grote inteelttoename per generatie.
Ook de hobbydierfokkerij kent het probleem van de ‘surplusdieren’: (jonge) dieren die
niet het gewenste uiterlijk hebben, worden gedood.
VII.4.4        Gezelschapsdieren
In de gezelschapsdierenfokkerij is de invloed van de kopers zeer direct: zij bepalen de
marktvraag voor bepaalde soorten, rassen en typen dieren. Kopers van
gezelschapsdieren vinden het belangrijk dat het gekochte dier gezond is (en blijft). De
meeste kopers beschikken echter niet over de expertise om dit aan het dier te kunnen
beoordelen. Daarnaast is er ook een markt voor dieren met buitenissige kenmerken,
waarvan niet altijd duidelijk is in hoeverre deze het welzijn aantasten – en waarvan soms
zelfs evident is dat ze het welzijn aantasten.
De informatieverstrekking over erfelijke gebreken of welzijnsaantastende kenmerken bij
gezelschapsdieren is gefragmenteerd en vrijblijvend. Het LICG heeft sinds kort dergelijke
informatie aan zijn dierenbijsluiters toegevoegd. Er geldt geen wettelijke informatieplicht
voor fokkers en (weder)verkopers. Voor de consument heeft een stamboom (ofwel een
binnen het stamboek gefokt dier) geen duidelijke, objectieve meerwaarde. Daardoor
bestaat er een (grote) markt voor gezelschapsdieren die onder onbekende,
ongecontroleerde condities gefokt worden.
Een documentaire zoals Pedigree Dogs Exposed (BBC, 2008) laat zien dat voor sommige
fokkers uiterlijke kenmerken belangrijker zijn dan het welzijn of de integriteit van het
dier. Wanneer bovendien dieren met extreme (overgetypeerde) raskenmerken de
tentoonstellingen winnen, worden deze fokkers in hun denkwijze bevestigd. Dit geldt
overigens niet alleen voor de hondenfokkerij. Een dergelijke documentaire draagt ook bij
aan het bewustwordingsproces en de attitudeverandering van kopers en fokkers van
gezelschapsdieren.
Een belangrijk punt bij de gezelschapsdierenfokkerij is het ontbreken van richtlijnen en
regulering door de overheid, zoals deze er wel is voor paarden en landbouwhuisdieren in
de vorm van het Fokkerijbesluit. Hierdoor is eenieder vrij om zelf een stamboek op te
richten, zonder dat daarbij van enige borging van diergezondheid en dierenwelzijn sprake
hoeft te zijn – en zonder dat er sprake is van enig toezicht. Centrale regie op het
fokbeleid lijkt daardoor bij voorbaat kansloos: de niet-willenden kunnen zich er
gemakkelijk aan onttrekken door een eigen stamboek te beginnen, buiten de reikwijdte
van het centrale fokbeleid.
Tot besluit moet opgemerkt worden dat een aanzienlijk deel van de gezelschapsdieren
(behoudens honden en katten) niet in Nederland worden gefokt. Daarmee vallen fokkers
van deze dieren buiten de rechtstreekse reikwijdte van de Nederlandse overheid.
VII.5 Instrumenten
De betrokken partijen kunnen op verschillende manieren invulling geven aan hun
verantwoordelijkheden om zo de geconstateerde verbeterpunten te realiseren. De in
paragraaf VII.3 genoemde best practices dienen daarbij als leidraad, evenals de
verdeling van rollen en verantwoordelijkheden zoals de Raad deze heeft geschetst in zijn
zienswijze Verantwoord Houden (2009). Daarvoor zijn de volgende instrumenten
beschikbaar.
RDA 2010_02                Fokkerij & Voortplantingstechnieken                           31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>VII.5.1         Afwegingsmodel
Hoewel niet alle stappen van het Afwegingsmodel even relevant zullen zijn voor de
fokkerij bij alle diersoorten, leidt het model tot gestructureerde en complete afwegingen
die bovendien voortborduren op de achtergronden van het huidige dierbeleid in
Nederland. Het expliciet maken van de afwegingen ten aanzien van de huidige situatie
van een ras/soort, de beoogde fokprogramma’s en de voortplantingstechnieken draagt
bovendien bij aan de bewustwording en de attitudeverandering van fokkers,
fokkerijorganisaties en consumenten.
VII.5.2         Gedragscodes
De fokkers en fokkerijorganisaties zijn eerstverantwoordelijk voor de gezondheid en het
welzijn van hun dieren. Zij dienen inzichtelijk te maken op welke wijze zij hun
verantwoordelijkheden nemen. Dat kan door het vastleggen van al dan niet vrijwillig door
individuele fokkers of fokkerijorganisaties te onderschrijven gedragscodes.
Een voorbeeld van een dergelijke code is de – vrijwillige – Code EFABAR voor de
landbouwhuisdierenfokkers. De Nederlandse Codex Landbouwhuisdieren houden zonder
winstoogmerk, alsmede de Code voor goed houderschap schapen en geiten bevatten ook
een (summiere) paragraaf over fokkerij.
Een centraal fokbeleid, zoals de Raad van Beheer probeert te bewerkstelligen in de
hondenfokkerij, is ook een manier om op brancheniveau te komen tot een gedragscode.
Wanneer een dergelijke gedragscode een waarborg vormt voor een verantwoorde
fokkerij, en daarmee voor gezonde dieren met een goed welzijn afkomstig uit deze
fokkerij, kan het voor de koper van een dier een meerwaarde hebben om een dier te
kopen dat gefokt is onder deze gedragscode.
Certificering in de beroepsmatige gezelschapsdierenbranche zou ook voorwaarden ten
aanzien van de fokkerij moeten bevatten. De private certificering met flankerend
overheidsbeleid die het honden- en kattenbesluit zou vervangen, had een belangrijk
instrument voor de borging van de beroepsmatige fokkerij en handel van
gezelschapsdieren moeten worden. Vooralsnog lijkt de samenwerking tussen overheid en
private partijen op dit gebied spaak te lopen.
VII.5.3         Transparantie
Diegene die verantwoordelijkheden ten opzichte van zijn dieren draagt, dient daarover
ook verantwoording af te leggen. In zijn zienswijze Verantwoord Houden adviseerde de
Raad al dat de dierhouders – in eerste instantie op sectorniveau – periodiek een
Maatschappelijke Dierenwelzijns- en Diergezondheidsrapportage moeten maken. Deze
rapportages kunnen ook een paragraaf over fokkerij bevatten.
Transparantie naar de maatschappij toe bevordert gewenst gedrag en maakt het
uitvoeren van ongewenst gedrag lastiger. Transparantie binnen de sector – bijvoorbeeld
door het verplicht melden en registreren van erfelijke gebreken - zorgt er voor dat
fokkerijbeleid beter en effectiever kan worden vormgegeven. Transparantie tegenover de
consument is noodzakelijk om er voor te zorgen dat de consument een bewuste keuze
kan maken, waarmee hij zijn sturende rol in de productieketen ook daadwerkelijk kan
waarmaken.
VII.5.4         Wet- en regelgeving
De overheid is eindverantwoordelijk voor de kwaliteit van leven van dieren in Nederland.
Dat houdt onder andere in dat de overheid minimumnormen voor dierenwelzijn en
diergezondheid vaststelt, en dat zij de randvoorwaarden vaststelt waarbinnen de
dierhouders (in dit geval de fokkers) invulling kunnen geven aan hun primaire
verantwoordelijkheid.
RDA 2010_02                Fokkerij & Voortplantingstechnieken                         32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>Wet- en regelgeving is slechts zo effectief als de bijbehorende handhaving. Daar waar op
voorhand te voorzien is dat handhaving geen haalbare kaart is zullen dus andere
instrumenten moeten worden ingezet. Een van die instrumenten is private certificering,
waarbij het toezicht van de overheid zich kan beperken tot de controle van het
certificeringsysteem en individueel (bij voorkeur geretribueerd) toezicht op de niet-
deelnemers.
De overheid heeft al kaderstellende regelgeving in de vorm van het Fokkerijbesluit.
Merkwaardig genoeg beperkt het Fokkerijbesluit zich tot landbouwhuisdieren en paarden,
en zijn de gezelschapsdieren evenals het hobbypluimvee daar niet aan onderworpen.
De overheid heeft ook regelgeving met betrekking tot de identificatie en registratie (I&R)
van landbouwhuisdieren en paarden. In de productiedierhouderij is I&R nagenoeg
sluitend, bij de hobbydieren en paarden al veel minder en bij de gezelschapsdieren zal
verplichte I&R in 2011 of 2012 vooralsnog alleen voor nieuwgeboren honden van kracht
worden.
I&R is een belangrijk voorwaardenscheppend instrument voor de bestrijding van erfelijke
gebreken in de fokkerij20: voor het verwerven van inzicht in een populatie, voor het
uitvoeren van een fokprogramma (fokwaardeschatting en beperking van inteelt) en
daarmee voor elke sturende maatregel in een stamboek of branche is een zo volledig
mogelijke identificatie en registratie een belangrijke randvoorwaarde.
VII.6 Aanbevelingen
Allereerst constateert de Raad dat er al veel gebeurt. Zo is er in internationaal verband
een vrijwillige gedragscode voor het fokken van productiedieren vastgesteld (de Code
EFABAR), zijn er in Nederland diverse paarden-, schapen- en geitenstamboeken zeer
actief in het terugdringen van erfelijke gebreken en het beheersen van inteelt en zijn er
in de hondenfokkerij al diverse pogingen gedaan om tot een centraal fokbeleid te komen.
Tegelijkertijd stelt de Raad vast dat er nog veel te verbeteren valt. De vragen over de
fokkerij zijn niet nieuw, en daar waar zaken nu al goed gaan kunnen ze nog beter. De
Raad doet daartoe dertien aanbevelingen, aan de fokkers, de overheid, de consumenten
en aan de andere betrokken partijen
VII.6.1          Algemeen
Het op een verantwoorde, duurzame wijze fokken en het verantwoord gebruiken van
voortplantingstechnieken vraagt om een duidelijkere, transparante afweging van
belangen.
1. Het Afwegingsmodel voor fokkerij en voortplantingstechnieken dient een centrale rol
     te spelen in het vaststellen van fokbeleid en het beoordelen van het gebruik van
     voortplantingstechnieken.
Met het vrijwillig inzetten van het Afwegingsmodel zijn we er echter nog niet. Onder
andere omdat dierenwelzijn (in een aantal gevallen) geen directe economische waarde
heeft, waardoor het te betwijfelen valt of het borgen van dierenwelzijn in de fokkerij
overgelaten kan worden aan marktwerking. Dat is zeker het geval wanneer er voor de
consument nog geen betrouwbare mogelijkheid is om te zien of een fokker daadwerkelijk
verantwoord fokt volgens het Afwegingsmodel.
VII.6.2          Fokkers
Alleen fokkers die geen genetisch materiaal met andere fokkers uitwisselen kunnen
volledig eigenstandig een fokbeleid voeren. Alle andere fokkers zijn in meer of mindere
mate afhankelijk van andere fokkers (lees het fokverband) voor het realiseren van hun
fokbeleid. Daarom zijn samenwerkingsverbanden noodzakelijk om fokkerijbeleid te
kunnen maken en uitvoeren. Binnen de samenwerkingsverbanden worden afspraken
20
   Zie RDA-zienswijze Identificatie en Registratie van gezelschapsdieren (2008)
RDA 2010_02                     Fokkerij & Voortplantingstechnieken                     33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>gemaakt over gewenste ontwikkeling van de populatie, de rol van de fokkers en de
uitwisseling van genetisch materiaal.
2. Fokkers dienen de verschillende belangen die samenhangen met de fokkerij op een
     transparante wijze tegen elkaar af te wegen volgens het Afwegingsmodel voor
     fokkerij en voortplantingstechnieken. Deze afweging moet op het niveau van de
     rasverenigingen en fokkerijorganisaties plaatsvinden, omdat fokkerij per definitie een
     populatieaangelegenheid is.
Het delen van informatie binnen een populatie is noodzakelijk om een volledig en
verantwoord fokbeleid te kunnen voeren. Deze informatie moet tot op het individuele dier
te herleiden zijn, zodat erfelijkheden op populatieniveau in kaart te brengen zijn.
3. Elke fokkerijorganisatie of rasvereniging dient gebruik te maken van een centraal
     meldpunt (voor prestaties, erfelijke gebreken etc.) ten behoeve van het centrale
     fokbeleid en monitoring van bijvoorbeeld inteelt en erfelijke gebreken. Identificatie en
     registratie van de dieren is daarvoor een randvoorwaarde.
Fokkers, fokkerijverbanden, stamboeken en ketenpartijen dienen transparant te maken
hoe zij hun afwegingen maken, hoe zij aan de vier speerpunten – behoud van vitaliteit en
fysieke gezondheid, behoud van soorteigen gedrag en mentale gezondheid, behoud van
integriteit, en behoud van genetische diversiteit – werken en in hoeverre deze
doelstellingen gehaald worden.
4. Een paragraaf over fokkerij en voortplantingstechnieken, bij voorkeur onderbouwd
     met prestatie-indicatoren voor het welzijn, de gezondheid en de integriteit van
     dieren, zou een verplicht onderdeel moeten zijn van de periodieke Maatschappelijke
     Dierenwelzijns-        en     Diergezondheidsrapportages     van   de     verschillende
     dierhouderijsectoren21.
Bovendien zouden rasverenigingen en fokkerijverbanden hun doelstellingen proactief
moeten communiceren naar potentiële kopers. Bij voorkeur worden de vier speerpunten
opgenomen in de fokkerijdoelstellingen. Daarmee wordt de stamboom of het
stamboekpredicaat een waarborg voor een gezond dier met een goed welzijn en krijgt de
koper de mogelijkheid om een bewuste keuze te maken. Op die manier krijgt
dierenwelzijn marktwaarde.
De Nederlandse veehouderij ligt momenteel onder een vergrootglas. Zij doet er daarom
goed aan om haar duurzaamheid te borgen door het Afwegingsmodel voor fokkerij en
voortplantingstechnieken op te nemen in private certificeringsystemen en in de – nu al in
de productiedierfokkerij gehanteerde – Code EFABAR.
5. Fokkers dienen hun fokdoelstellingen aan hun afnemers kenbaar te maken en dienen
     aan te geven op welke wijze zij handelen om deze fokdoelstellingen te bereiken.
Bij het fokken van dieren worden ook dieren geboren die niet voldoen aan het fokdoel.
Deze dieren worden uitgeselecteerd: er wordt niet mee verder gefokt.
6. Fokkers dienen een maatschappelijk aanvaardbare oplossing te hebben hoe om te
     gaan met ‘overtollige’, uitgeselecteerde dieren. Deze zijn immers inherent aan de
     fokkerij.
VII.6.3          Overheid
De overheid is de enige partij die de randvoorwaarden voor succesvol fokbeleid in de
diverse dierhouderijsectoren kan creëren. Deze randvoorwaarden omvatten onder andere
een verplichte identificatie en registratie van dieren (voor die diersoorten waar dat
technisch haalbaar en betaalbaar is), kaderstellende regels voor stamboeken en andere
fokkerijorganisaties (middels het Fokkerijbesluit) en het creëren van wettelijke
inkadering voor private certificeringsystemen (met toezicht op controle voor de
deelnemers en individueel, geretribueerd toezicht voor de niet-deelnemers).
21
   Zie RDA-zienswijze Verantwoord Houden (2009), actie 27
RDA 2010_02                   Fokkerij & Voortplantingstechnieken                          34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>7. De overheid dient de noodzakelijke randvoorwaarden en wettelijke kaders voor
    Identificatie & Registratie van dieren en voor effectieve private borgingssystemen in
    de fokkerij en in de handel van levende dieren te creëren.
De overheid heeft in de vorm van het Fokkerijbesluit een goed instrument in handen om
voorwaarden te stellen aan fokkerijorganisaties en stamboeken. Deze voorwaarden zijn
veelal van algemene aard, maar hebben een direct effect op de kwaliteit van de fokkerij.
Zo kunnen er eisen voor minimale populatiegrootte worden vastgesteld (van belang voor
de preventie van inteelt) en kunnen er eisen aan het fokbeleid gesteld worden. De
systematiek waarbij rasverenigingen uitsluitend via een door het Fokkerijbesluit
aangewezen instantie kunnen worden erkend, zorgt er voor dat niet-willende fokkers zich
niet meer aan een centraal fokbeleid kunnen onttrekken door zich te verenigen in een
alternatief stamboek.
De overheid zou ook de transparantie in de diverse dierhouderijsectoren moeten
bevorderen, onder andere door het verplicht stellen van periodieke Maatschappelijke
Dierenwelzijn- en Diergezondheidsrapportages. De Raad adviseerde dit al eerder in zijn
zienswijze Verantwoord Houden. Deze transparantie zou ook via het Fokkerijbesluit
verplicht kunnen worden.
8. In het kader van het Fokkerijbesluit dient de overheid voldoende effectieve eisen aan
    alle fokkerijorganisaties en stamboeken te stellen. Het Fokkerijbesluit zou derhalve
    ook betrekking moeten hebben op het pluimvee en de gezelschapsdieren, te beginnen
    met honden en katten.
In Europees verband zijn en worden regels gesteld op het gebied van de fokkerij van
productiedieren, inclusief paarden. Het Nederlandse Fokkerijbesluit is een uitvloeisel van
die regels. De Europese richtlijnen en verordeningen gaan vooral over diergezondheid.
De Raad acht het wenselijk dat de Europese regels zich uitbreiden tot dierenwelzijn en
tot de gezelschapsdieren.
9. De Raad adviseert de overheid om te bewerkstelligen dat richtlijnen voor de fokkerij
    van alle diersoorten worden opgenomen in een Europese Dierenwelzijnswet. De Raad
    bedoelt hiermee overigens nadrukkelijk niet dat wet- en regelgeving ten aan zien van
    fokkerij uitsluitend op Europees niveau zou moeten plaatsvinden.
VII.6.4         Koper en verkoper
Kopers van dieren hebben een zeer directe invloed op de fokkerij, omdat zij de
markvraag voor bepaalde soorten, rassen en typen dieren bepalen. De kopers van dieren
zouden zich – uit hoofde van hun verantwoordelijkheid als toekomstige dierhouder – van
tevoren moeten vergewissen van de welzijns- en gezondheidsaspecten van het dier dat
zij willen gaan kopen.
Kopers van dierlijke producten staan veel verder af van de fokkerij: het daadwerkelijke
fokken van bijvoorbeeld varkens vindt helemaal aan het begin van de productieketen
plaats, terwijl de koper van varkensvlees helemaal aan het einde van de keten staat. De
keuzemogelijkheden van de koper worden sterk bepaald door de retailers. Ook de
informatieverstrekking vindt goeddeels via de retailers plaats, al vervullen ook non-
gouvernementele organisaties in toenemende mate die rol. Idealiter zou de koper van
dierlijke producten een goed geïnformeerde, weloverwogen keuze moeten maken uit een
breed aanbod van producten.
Transparantie tegenover de consument is noodzakelijk om er voor te zorgen dat de
consument een bewuste keuze kan maken, waarmee hij zijn sturende rol in de
productieketen ook daadwerkelijk kan waarmaken.
10. De koper dient aan de hand van een keur- of kenmerk, danwel aan de hand van een
    (stamboek)certificaat te kunnen zien dat de dieren – of dierlijke producten die hij
    koopt uit een verantwoorde, geborgde fokkerij afkomstig zijn. Op deze manier
    ontstaat er in de markt een meerwaarde voor verantwoorde fokkerij.
11. Omdat de keten produceert wat de koper vraagt, dient de koper een bewuste
    afweging over zijn aankopen te maken. Dit geldt evenzeer voor het kopen van
RDA 2010_02                Fokkerij & Voortplantingstechnieken                          35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>     levende dieren als voor het kopen van dierlijke producten. De eindverkopers dienen
     de koper voldoende, objectieve informatie te verstrekken en hem een voldoende
     breed keuzepalet te bieden.
VII.6.5          Andere partijen
Dierenartsen en fokkerijondersteunende organisaties hebben op twee niveaus een rol.
Ten eerste op het niveau van de beroepsorganisaties. Deze zouden zich proactief moeten
uitspreken over misstanden in de fokkerij. Bovendien zouden zij met kennis en kunde
gevraagd en ongevraagd moeten bijdragen aan het verbeteren van het fokkerijbeleid in
de diverse dierhouderijsectoren.
De individuele dierenartspracticus, maar ook de inseminator, fokkerijvoorlichter en
dierenspeciaalzaakhouder hebben een voorlichtende taak jegens zowel fokkers als
dierhouders (kopers). De maatschappij verwacht bovendien dat men zich niet inlaat met
fokkerij en voortplantingtechnieken waarvan men op grond van zijn professionaliteit kan
weten dat deze het welzijn en de gezondheid van dieren onaanvaardbaar aantasten. Voor
het maken van een professionele afweging daarover zou het Afwegingsmodel voor
fokkerij en voortplantingstechnieken als leidraad moeten dienen.
In het kader van de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de dierenarts22 en in het
kader van de noodzakelijke transparantie in de dierhouderij23 zouden dierenartsen
bovendien alle relevante informatie op het gebied van dierenwelzijn en diergezondheid –
bijvoorbeeld inzake het voorkomen van erfelijke gebreken en routinematige keizersneden
– aan de overheid beschikbaar moeten stellen.
12. Dierenartsen en andere betrokken beroepsgroepen dienen hun kennis en kunde in te
     zetten om bij te dragen aan een verantwoorde fokkerij. Zij doen dit op het niveau van
     hun beroepsorganisaties onder andere door een actieve inbreng in het politieke en
     maatschappelijke debat. Als individu’s informeren zij dierhouder, (potentiële) koper
     en overheid over relevante aspecten van de fokkerij en vanzelfsprekend laten zij zich
     niet in met fokkerijpraktijken die het welzijn en de gezondheid van dieren schaden.
VII.6.6          Van theorie naar praktijk
Tot besluit ligt er een uitdaging om con amore met het Afwegingsmodel aan het werk te
gaan. Alleen zo kan de werkbaarheid van dit Afwegingsmodel getoetst worden en kan het
op basis van de praktijk waar nodig bijgesteld en aangevuld worden. De Raad adviseert
om hiermee te beginnen in zogenaamde proefpolders, door de diverse betrokken partijen
per diersoort in te richten.
13. Om de praktische bruikbaarheid en de effectiviteit van het Afwegingsmodel voor
     fokkerij en voortplantingstechnieken te toetsen en te optimaliseren, dienen de
     overheid, de wetenschap, de betrokken beroeps- en maatschappelijke organisaties en
     de fokkers gezamenlijk zogenaamde proefpolders in te richten, verdeeld over een
     aantal dierhouderijsectoren .
22
   Zie RDA-zienswijze Zichtbaar Beter (2009)
23
   Zie RDA-zienswijze Verantwoord Houden (2009)
RDA 2010_02                    Fokkerij & Voortplantingstechnieken                       36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>Bijlage A Fokkerij
Wanneer we praten over de fokkerij van dieren ontstaan er gemakkelijk
spraakverwarringen. Zo bedoelt de een met ‘fokken’ alleen het selecteren van de dieren
met het doel genetische verbetering te realiseren, terwijl een ander daarmee ook het
‘maken van nakomelingen – het vermeerderen – bedoelt.
In hoofdstuk IV van de zienswijze wordt kort geduid wat de Raad in deze zienswijze met
de verschillend termen bedoelt. In deze bijlage worden de definities verder uitgewerkt,
in een compleet overzicht van de essentiële wetenschappelijke achtergronden van het
fokken met dieren.
De belangrijkste begrippen worden kort beschreven in het onderstaande kader.
                                 Samenvattend: Begrippen.
  Het fokdoel is een omschrijving van het doel dat met de fokkerij wordt nagestreefd. Voor het
  operationaliseren van fokkerij moet het fokdoel in detail worden omschreven door aan te geven
  voor welke eigenschappen een verandering wordt nagestreefd en wat het relatieve belang
  (wegingsfactoren) is van een verandering in elk van deze eigenschappen.
  Fokwaardeschatting is een inschatting van de genetische aanleg van dieren in een populatie.
  Bij fokwaardeschatting wordt de informatie over kenmerken gemeten aan het dier en worden
  verwanten op een optimale manier gecombineerd. Voor fokwaardeschatting is het essentieel dat
  informatie over prestaties van dieren en verwantschap tussen dieren op een systematische
  manier wordt vastgelegd. De fokwaardeschattingen voor de afzonderlijke kenmerken kunnen op
  basis van de wegingsfactoren uit het fokdoel gecombineerd wordt tot een schatting voor een
  totaalindex.
  Onder inteelt verstaan we het paren van verwante dieren. Door inteelt neemt de genetische
  variatie in een populatie af. De mate van inteelt in een populatie kan worden bepaald op basis
  van verwantschap tussen dieren. De inteelttoename in een populatie is een functie van het
  aantal gebruikte ouderdieren. Een kleiner aantal meer verwante fokdieren leidt tot sterkere
  inteelttoename en daardoor een groter verlies aan genetische variatie.
  Met een erfelijk gebrek wordt een aandoening aangeduid die bepaald worden door één gen.
  Bij de meeste erfelijke gebreken treedt het afwijkende fenotype alleen op bij dieren die
  homozygoot zijn (mutante gen van zowel vader als moeder gekregen). Dieren die heterozygoot
  zijn (mutante gen van alleen vader of alleen moeder) worden aangeduid als drager.
  De kwantitatieve kenmerken, zoals groei en melkproductie, worden niet bepaald door één of
  enkele genen maar door een groot aantal genen. Daarnaast geldt dat deze kenmerken ook
  worden beïnvloed door factoren uit de omgeving (zoals voeding, klimaat en verzorging).
  Genetische correlatie meet de samenhang tussen de genetische aanleg voor twee
  kenmerken. Een negatieve genetische correlatie tussen melkproductie en vruchtbaarheid
  betekent bijvoorbeeld dat eenzijdig selectie op melkproductie zal leiden tot een afname in de
  genetische aanleg voor vruchtbaarheid. Deze ongewenste afname in vruchtbaarheid wordt
  aangeduid als neveneffect.
  Multiple-trait selectie is gericht op genetische verbetering in meerdere kenmerken. Door
  toepassing van multiple trait selectie is het bijvoorbeeld mogelijk om een genetische
  verbetering in melkproductie én vruchtbaarheid te realiseren. De verbetering in
  melkproductie is in dat geval lager dan in het geval van éénzijdige selectie op
  melkproductie.
RDA 2010_02                 Fokkerij & Voortplantingstechnieken                               37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>A.1      Natuurlijke en kunstmatige selectie
Natuurlijke selectie is er op gericht om de overlevingskansen van een soort te vergroten.
Bij natuurlijke selectie leveren dieren met gunstige eigenschappen (“passend in de
omgeving” ) de grootste bijdrage aan de volgende generatie.
Natuurlijke selectie draagt bij aan het vermogen van een soort om zich aan te passen en
heeft bijgedragen aan ontstaan van genetische diversiteit. Soorten die niet of
onvoldoende in staat waren te reageren op veranderingen in omgeving (habitat, klimaat)
zijn uitgestorven.
Kunstmatige selectie is het door de mens selecteren en paren van dieren met als doel om
de eigenschappen van de volgende generatie te veranderen. Kunstmatige selectie wordt
ook wel aangeduid als fokkerij.
A.2      Fokkerij
Fokkerij is het proces dat gericht is op het in stand houden van een populatie en
desgewenst veranderen van de eigenschappen van een populatie door het selecteren en
paren van dieren.
Bij landbouwhuisdieren is fokkerij over het algemeen gericht op behoud van genetische
diversiteit (beperking inteelt) en het verbeteren van de genetische aanleg voor productie,
gezondheid en welzijn (fokdoel). Bij gezelschapsdieren en hobbydieren ligt het accent bij
fokkerij meer op uiterlijk en minder op prestatie. De accenten die gelegd worden op
verschillende eigenschappen verschillen tussen groepen (productie, gezelschap, hobby)
maar ook binnen groepen tussen rassen en binnen rassen tussen rasverenigingen of
stamboeken.
Fokkerij is gericht op verandering van een populatie (groep dieren). Het doel van de
fokkerij kan worden omschreven als “door selectie ouderdieren voortbrengen van een
volgende generatie24 dieren die beter past25 onder verwachte omstandigheden26”. Om de
verandering van de populatie te realiseren worden keuzes gemaakt op het niveau van
individuele dieren: welke dieren worden aangewezen als ouderdier voor de volgende
generatie en welke dieren worden met elkaar gepaard. Deze keuzes hebben gevolgen
voor de nakomelingen die geboren worden. Een fokprogramma richt zich op de
eigenschappen (genetische aanleg ) van die groep.
A.3      Genetische aanleg en omgeving
De prestaties van dieren (productie, gedrag, gezondheid, atletisch vermogen) worden
bepaald door genetische aanleg, omgevingsfactoren (opgroeicondities, verzorging, voer,
klimaat) en bij landbouwhuisdieren de houderijomstandigheden. Moderne hybride rassen
zijn het resultaat van tientallen jaren van intensieve selectie op productie onder
geoptimaliseerde omstandigheden van houderij, voeding en verzorging van de dieren. De
markt wil de kwaliteiten van deze dieren onder geen beding verliezen, maar begint wel
steeds meer te vragen om dieren die ook onder meer extensieve en minder
geconditioneerde omstandigheden een hoge productie kunnen waarmaken. Tegelijkertijd
is er bij fokkerijorganisaties een toenemende aandacht voor en vraag naar kenmerken
van dieren die gebruikt kunnen worden voor selectie op welzijn en robuustheid. Deze
24
   Fokkerij is niet gericht op de huidige maar op de volgende generatie. Ouderdieren geven genetische aanleg
door aan de volgende generatie. Dit betekent dat selectie van ouderdieren gericht moet zijn op dieren met de
gewenste genetische aanleg.
25
   Generatie die beter dan de huidige generatie aansluit op wensen van eigenaars. Eigenschappen die worden
gebruikt om te bepalen welke dieren beter zijn hangt af van doel, omstandigheden en tijd (voorbeelden?).
26
   Niet de huidige omstandigheden maar de omstandigheden waaronder de toekomstige generatie dieren wordt
gehouden zijn van belang. Binnen afzienbare tijd mag geen snavelbehandeling van legkippen meer worden
toegepast. Dat betekent dat ouderdieren beoordeeld moeten worden op hun gedrag en prestaties met intacte
snavels.
RDA 2010_02                       Fokkerij & Voortplantingstechnieken                                       38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>veranderde vraag komt met name uit West Europa, waar “scharrelhouderij” en
“biologische houderij” steeds populairder worden als praktische vertaling van het
maatschappelijk streven naar meer duurzaam produceren en maatschappelijk
verantwoord ondernemen. Men vraagt dus om robuuste dieren die gezond en zonder
afwijkingen goed kunnen functioneren in een grote verscheidenheid aan
productiesystemen, en die in staat zijn (indien ze daartoe de gelegenheid krijgen) om
zich probleemloos aan te passen aan wisselende houderijomstandigheden27.
Onderzoek binnen dit thema richt zich op grenzen aan productiviteit. Verhoging van
productiekenmerken door middel van selectie gaat steeds vaker ten koste van
reproductie, gezondheid en natuurlijk gedrag. De biologische relaties tussen deze
kenmerken en productie zijn slecht begrepen, en fokkerij organisaties hebben dringend
behoefte aan nieuwe inzichten en methoden die kunnen leiden tot meer evenwichtige
selectie methoden en de productie van robuuste dieren, zonder dat dit ten koste gaat
van dierenwelzijn.
A.4       Opstellen en uitvoeren van een fokprogramma
Het ontwikkelen en uitvoeren van een fokprogramma bestaat uit vijf stappen. Na een
aanvankelijke analyse van wensen en omstandigheden worden daaruit fokdoelen
afgeleid. Dan volgt het bepalen van de fokwaarde van dieren, waarop de eigenlijke
selectie van ouderdieren wordt gebaseerd. Tot slot worden de geselecteerde dieren
volgens een vooropgezet schema gepaard..
Analyse
De prestatie van dieren is een samenvatting van een scala aan kenmerken variërend van
het vermogen om te overleven, te produceren, weerstand te bieden aan infecties,
voedsel op te nemen en zich voort te planten. De omstandigheden waaronder dieren
gehouden worden zijn van invloed op de kenmerken die meegenomen moeten worden in
een fokprogramma. Bij landbouwhuisdieren hangt het belang van een kenmerk af van de
productieomstandigheden op het bedrijf en de verwachte marktomstandigheden. De
toekomstige omstandigheden moeten goed in kaart gebracht worden alvorens de
relevante kenmerken te identificeren en het relatieve belang van elk kenmerk te bepalen
(stap 2).
Fokdoel
Op basis van de uitkomsten van stap 1 wordt bepaald welke eigenschappen van een dier
bij selectie betrokken moeten worden. Daarnaast moet ook het relatieve belang van
kenmerken in het fokdoel worden bepaald.
Bij melkkoeien werd tot voor kort het belang van kenmerken afgeleid van de
winstfunctie. Voor alle kenmerken werd bepaald wat de verandering in winst was bij
verandering van kenmerk met één eenheid. Deze methode kan worden gehanteerd
wanneer er sprake is van bekende relaties tussen kenmerken en winstgevendheid en
verbetering van winstgevendheid het doel is. Toepassing van dit fokdoel resulteerde in
een ongewenste verslechtering van de vruchtbaarheid van koeien. Daarom is in 2008
overgestapt op een alternatieve methode voor het bepalen van belang van kenmerken in
fokdoel: gewenste vooruitgang (desired gains). Daarbij wordt belang (gewicht) afgeleid
van de gewenste vooruitgang in de verschillende kenmerken. Deze methode wordt ook
bij andere diersoorten toegepast.
In Box 1 worden de consequenties van verschillende fokdoelen geïllustreerd. Voor 3
verschillende fokdoelen wordt de gemiddelde genetische aanleg van de top-100 stieren
weergegeven. Hieruit blijkt dat door het gebruik van een gebalanceerd fokdoel het
mogelijk is om verbetering niet alleen op productie maar ook op functionele
eigenschappen te realiseren terwijl eenzijdig selectie op melkproductie resulteert in een
verslechtering van functionele eigenschappen.
27
   Uit: rapport Waardering Dierenwelzijn
RDA 2010_02                    Fokkerij & Voortplantingstechnieken                     39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>   Box 1: Illustratie van consequenties van gebruik van verschillende fokdoelen op de
   gemiddelde fokwaarde van de top-100 stieren ten opzichte van alle stieren geboren
   tussen 1996 en 2000. Voor levensduur, uiergezondheid en vruchtbaarheid geldt dat
   hogere waarde gunstig is. Hiervoor zijn de volgende fokdoelen gehanteerd:
   PROD=eenzijdig fokdoel gericht op productie-eigenschappen (melk, vet en eiwit)
   FUNC= eenzijdig fokdoel gericht op functionele eigenschappen (levensduur,
   uiergezondheid en vruchtbaarheid)
   COMB= gebalanceerd fokdoel gericht op vooruitgang in productie-eigenschappen en
   verbetering of handhaven van functionele eigenschappen (NVO22 in oorspronkelijke
   notitie).
    kenmerk           PROD      FUNC      COMB
    Kg Melk           559       -215      322
    Kg Vet            36        -16       21
    Kg Eiwit          27        -9        18
    Levensduur        -1.0      7.4       3.7
    Uiergezondheid -0.2         3.4       2.0
    Vruchtbaarheid -2.4         3.0       0.0
   Bron: Van Pelt, M. en J.A.M. van Arendonk, 2006. Onderzoek naar effecten van verschillende
   totaalindexen voor melkvee. Onderzoeksrapport Wageningen University, juni, 2006.
Fokwaardeschatting
Enkele kenmerken van een dier worden bepaald door één gen. Voorbeelden hiervan zijn
halothaangevoeligheid bij varkens, roodbont factor in Holstein-ras en scrapie-
gevoeligheid bij schapen, en erfelijke koperstapeling (ICT = inherited copper toxicosis)
bij de Bedlington Terriër. Veel van de aandoeningen die worden veroorzaakt door één
gen worden aangeduid als erfelijk gebrek. Bij de meeste erfelijke gebreken treedt het
afwijkende fenotype alleen op bij dieren die homozygoot zijn voor de mutatie (het
mutante gen van zowel vader als moeder gekregen). Dieren die heterozygoot zijn
(mutante gen van alleen vader of moeder gekregen) vertonen normaal fenotype en
worden aangeduid als drager. Om effectief tegen een erfelijk gebrek te kunnen
selecteren is het belangrijk om dragers op te sporen en deze dieren niet of zeer gericht in
te zetten. Met behulp van moleculaire technieken kan voor de meeste erfelijke gebreken
een test worden ontwikkeld waarmee dragers kunnen worden opgespoord. In de
varkensfokkerij is aan het eind van de vorige eeuw de halothaantest toegepast om met
succes een erfelijk gebrek – dat aanleiding gaf tot verhoogde stressgevoeligheid en
verminderde vleeskwaliteit – te elimineren. Diverse erfelijke gebreken worden overigens
door meerdere genen veroorzaakt.
De meeste kenmerken, zoals groei en melkproductie, worden niet bepaald door één of
enkele genen maar door een groot aantal genen. Daarnaast geldt dat het fenotype (de
waarneming van een kenmerk) voor deze zogeheten kwantitatieve kenmerken ook wordt
beïnvloed door omgevingsfactoren. Kwantitatieve kenmerken kunnen worden beschreven
door gemiddelde en variatie en een belangrijke vraag is welk deel van de variatie in een
populatie wordt veroorzaakt door genetische factoren en welk deel door
omgevingsfactoren. Zowel vanuit het oogpunt van evolutie als ook van fokprogramma’s
is de omvang van genetische variatie van groot belang omdat het bepalend is voor de
mate waarin kenmerken reageren op selectie. Om vergelijking tussen kenmerken en
populaties te bevorderen wordt de genetische variatie vaak uit gedrukt als fractie van de
fenotypische variatie, een parameter die wordt aangeduid als erfelijkheidsgraad. Ter
illustratie enkele voorbeelden van erfelijkheidsgraden: worpgrootte bij varkens 10%,
eiwitproductie melkkoeien 35% en vleeskwaliteit bij varkens 30%.
Naast de omvang van genetische variatie (erfelijkheidsgraad) is het belangrijk om inzicht
te hebben in mate waarin sprake is van neveneffecten. In Box 2 wordt dit nader
toegelicht en aangegeven dat genetische correlaties tussen kenmerken weergeeft in
welke mate er sprake is van neveneffecten.
RDA 2010_02                 Fokkerij & Voortplantingstechnieken                         40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>  Box 2: Neveneffecten:
  Eenzijdige selectie op productiviteit heeft nadelige gevolgen voor reproductie,
  gezondheid en natuurlijk gedrag. Om deze nadelen te voorkomen is het van groot
  belang om goed inzicht te hebben in de onderliggende biologische en genetische
  relaties tussen kenmerken, en in mechanismen die effecten van (selectie op) hoge
  producties op gezondheid en gedrag kunnen verklaren. Bij gezondheid en natuurlijk
  gedrag spelen neveneffecten en drempelwaarden een belangrijke rol. Als gevolg
  hiervan kunnen genetische relaties tussen productiviteit enerzijds en reproductie,
  gezondheid en natuurlijk gedrag anderzijds afhangen van de houderijomstandigheden.
  Genetische correlatie, is een gangbare manier om de verbanden tussen twee
  kenmerken te kwantificeren. Bijvoorbeeld de genetische correlatie tussen melkproductie
  en vruchtbaarheid (tussenkalftijd) bij melkvee is negatief. Dat betekent dat bij een
  eenzijdige selectie van koeien op melkproductie, de vruchtbaarheid van koeien zal
  afnemen. Echter door selectie op een combinatie van melkproductie en vruchtbaarheid
  (meer-kenmerken selectie) is het mogelijk om koeien te selecteren met zowel een
  verhoogde melkproductie als een verbeterde vruchtbaarheid.
Bij de keuze van ouderdieren kan geen gebruik gemaakt worden van de werkelijke
genetische aanleg en daarom moet volstaan worden met het gebruik van een schatting
daarvan, fokwaarde genoemd. De nauwkeurigheid waarmee de fokwaarde geschat kan
worden is van invloed op de hoogte van de genetische vooruitgang binnen een populatie.
Voor de fokwaardeschatting wordt op dit moment bij de meeste landbouwhuisdieren
gebruik gemaakt van het zogeheten diermodel. In het diermodel worden prestaties
gemeten aan alle dieren in een populatie en de afstammingsgegevens op een optimale
manier gecombineerd tot een schatting van de genetische aanleg van dieren. In de
fokwaardeschatting kan ook informatie van verschillende kenmerken worden
gecombineerd. Daarbij wordt gebruik gemaakt van schatting van genetische correlaties.
Ontwikkelingen in statistische methoden en computers hebben toepassing op grote
schaal mogelijk gemaakt.
Selectie
Selectie is gericht op verbetering van de genetische aanleg van de populatie voor het
fokdoel en behoud van genetische diversiteit.
Selectie van ouderdieren op basis van de geschatte fokwaarden leidt tot de hoogste
genetische aanleg in de daaropvolgende generatie (de nakomelingen). De respons op
langere termijn hangt af van de mate waarin genetische variatie behouden blijft.
Inteelt (afname van genetische variatie) is een functie van het aantal gebruikte
ouderdieren. Een kleiner aantal fokdieren leidt tot sterkere inteelttoename en sterker
verlies aan variatie. Op de langere termijn is er sprake van conflicterende effecten die om
een zorgvuldige afweging vragen. Bij een gegeven populatieomvang, is een verhoging
van de selectie-intensiteit slechts mogelijk door een verkleining van het aantal
ouderdieren met als gevolg een verhoging van de inteelttoename. Het gebruik van
familie-informatie ter verhoging van de nauwkeurigheid van selectie vergroot de kans op
selectie van familieleden binnen en over generaties en de variatie in familiegrootte,
opnieuw met als gevolg een toename van inteelt. Sinds kort is het mogelijk om
inteelttoename in populaties onder selectie goed te voorspellen. Een kernelement in deze
benadering vormt de voorspelling van de langetermijnbijdrage van een individu aan de
populatie. Door toepassing van de methode kan optimalisatie van fokprogramma’s
aanzienlijk worden verbeterd. Een hogere langtermijnrespons kan worden bereikt door in
het selectiecriterium minder nadruk te leggen op familie-informatie ten gunste van
informatie aan het dier zelf of nakomelingen.
De toename van inteelt in een populatie onder selectie kan worden beperkt door
procedures die voorkomen dat teveel verwante dieren ouder worden van de volgende
generatie, bv door het stellen van een maximum voor het aantal volle broetrs en zussen
dat kan worden ingezet voor de fokkerij of een maximum aantal inseminaties of
dekkingen door een dier. Een meer geavanceerde procedure is bv. De toepassing van
RDA 2010_02               Fokkerij & Voortplantingstechnieken                            41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>genetische contributiemethdoen. Deze methoden zijn erop gericht om de verwantschap
tussen de geselecteerde ouders en daarmee de verwachte inteelttoename in
nakomelingen te beperken. Deze methoden worden toegepast in fokprogramma’s voor
melkvee, varkens en pluimvee.
A.5     Evaluatie van fokprogramma’s
De genetische consequenties van een fokprogramma in een populatie kunnen worden
beoordeeld aan de hand van twee criteria, te weten de genetische verandering in
eigenschappen en het behoud van genetische diversiteit.
Genetische verandering
De genetische vooruitgang kan worden bepaald door analyse van gegevens van de
populatie over de tijd. Niet alle veranderingen van jaar op jaar zijn toe te schrijven aan
verandering in de genetische aanleg van de populatie, ook veranderingen in het milieu
(klimaat, voerkwaliteit) dragen bij aan die veranderingen. Door gebruik te maken van
afstammingsgegevens is het mogelijk om verandering in genetische aanleg en
verandering in milieu te kwantificeren. Bij ontbreken van afstammingsgegevens is het
lastig om omvang van de genetische verandering te kwantificeren. De verandering kan
voor het fokdoel als geheel maar ook voor alle onderliggende kenmerken worden
gekwantificeerd.
Genetische diversiteit
Het aantal ouderdieren – en hun onderlinge verwantschap – is van invloed op de
genetische diversiteit in de volgende generatie. Het gebruik van een klein aantal
ouderdieren leidt tot afname van genetische diversiteit, ook wel aangeduid als toename
van inteelt. Op basis van de analyse van afstamming (over meerdere generaties) kan de
inteelttoename worden gekwantificeerd. Over het algemeen wordt een toename van
inteelt met 1% per generatie als acceptabel gezien. Bij het ontbreken van
afstammingsgegevens kan DNA-analyse worden toegepast om een indruk te krijgen van
de genetische diversiteit binnen een ras. Deze informatie kan ook worden gebruikt bij de
selectie   van      ouderdieren   in   populaties    met   ontbrekende    of   onvolledige
afstammingsregistratie.
In het voorgaande is gesproken over inteelt op populatieniveau. De gemiddelde
inteeltcoëfficiënt van dieren geeft een beeld van de hoogte van inteelt in een populatie.
De gemiddelde inteeltcoëfficiënt wordt naast het fokbeleid ook bepaald door de kwaliteit
van de afstammingsregistratie. Zo neemt de hoogte van de inteeltcoëfficiënt van de
huidige generatie toe bij een toename van het aantal generaties waarover de
verwantschap kan worden getraceerd. Verder neemt de gemiddelde inteeltcoëfficiënt van
de huidige generatie toe wanneer de registratie van afstamming nu en in voorgaande
generaties completer is. Het is belangrijk om bij de vergelijking van populaties met deze
factoren rekening te houden. Een deel van de problemen kan worden voorkomen door te
kijken naar de inteelttoename in plaats van naar de absolute hoogte van de gemiddelde
inteeltcoëfficiënt.
Inteelt ontstaat door het paren van verwante dieren. Door toepassing van vader-dochter
paringen ontstaan nakomelingen met een inteeltcoëfficiënt van minimaal 25%. Het risico
op het optreden van erfelijke gebreken in deze nakomelingen is aanzienlijk verhoogd.
Beperking van inteelt in een populatie dient zich daarom ook te richten op beperking van
inteelttoename in de totale populatie en op het voorkomen van paring van nauw
verwante dieren.
RDA 2010_02                Fokkerij & Voortplantingstechnieken                          42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>A.6     Beoordeling van fokprogramma’s
De hoogte van de genetische vooruitgang en van de inteelttoename in een populatie
kunnen worden voorspeld op basis van genetische modellen. Dit is een belangrijk
hulpmiddel bij het ontwerpen en beoordelen van een fokprogramma.
De  hoogte van de genetische vooruitgang in een populatie per jaar is afhankelijk van:
•   de geselecteerde fractie
•   de nauwkeurigheid van schatting van de fokwaarde
•   de genetische spreiding in het fokdoel: deze hangt af van het belang van
    kenmerken en is een eigenschap van de populatie onder de gegeven
    omstandigheden.
•   Het generatie interval: de leeftijd van de ouders wanneer hun nakomelingen
    worden geboren.
Een fokkerijorganisatie heeft invloed op drie van deze parameters, te weten de
geselecteerde fractie, de nauwkeurigheid en het generatie-interval.
Door meer dieren in ogenschouw te nemen als selectiekandidaat voor de volgende
generatie kan de selectie-intensiteit worden verhoogd. Selectie-intensiteit kan ook
worden verhoogd door inzet van reproductietechnieken waardoor er minder dieren nodig
zijn voor productie van de volgende generatie.
De nauwkeurigheid van de fokwaarde hangt af van de hoeveelheid informatie (metingen
kenmerken) die beschikbaar is voor het schatten van de fokwaarde. Door toepassing van
nakomelingenonderzoek kan de nauwkeurigheid van de fokwaarde worden verhoogd. Dit
wordt veelvuldig toegepast bij melkvee. Daar wordt van een jonge stier een beperkt
aantal nakomelingen geproduceerd. Op basis van de informatie van de nakomelingen kan
de fokwaarde van de stier (inmiddels 6 jaar oud) nauwkeurig worden geschat. Op basis
van deze informatie worden stieren geselecteerd die op grote schaal worden gebruikt als
ouderdier.
Door toepassing van het nakomelingenonderzoek neemt de leeftijd waarop nakomelingen
geboren worden toe. Dit betekent dat het generatie-interval langer wordt. Toename van
het generatie-interval leidt tot een verlaging van de genetische vooruitgang per jaar. Dit
laatste illustreert ook de samenhang tussen de parameters die de genetische vooruitgang
bepalen.
Het optimaliseren van een fokprogramma betekent het vinden van de combinatie van
parameters (intensiteit, nauwkeurigheid en generatie interval) die resulteert in een
maximale vooruitgang in het fokdoel bij een gegeven toename in inteelt.
De parameters zijn te vertalen eigenschappen van de populatie, het aantal
selectiekandidaten (dieren die in aanmerking komen om geselecteerd te worden als
ouderdier), het aantal en de frequentie van gebruik van ouderdieren en de leeftijd van
gebruik van ouderdieren.
Voor wat betreft het fokdoel is het van belang aan hoeveel dieren (met bekende
afstamming) welke kenmerken worden gemeten. De dieren waar prestaties aan gemeten
worden zijn niet noodzakelijkerwijs dezelfde dieren die kandidaat zijn voor selectie.
De hoogte van de inteelttoename in de populatie kan worden voorspeld op basis van het
aantal ouders (vader- en moederdieren) in een populatie en de verwantschap tussen
deze dieren. In afwezigheid van selectie kan de inteelttoename worden bepaald op basis
van de effectieve populatieomvang, een functie van het aantal vader- en moederdieren.
In een populatie onder selectie – i.e. in de meeste populaties – is de verwachte
inteelttoename echter veel hoger dan waarde berekend op basis van effectieve
populatieomvang. Voor het voorspellen van de inteelttoename in een populatie onder
selectie moet rekening gehouden worden met overerving van selectievoordeel – betere
ouders hebben een grotere kans op goede nakomelingen en daarmee een grotere kans
om ouders te leveren voor de daaropvolgende generatie. Er zijn methoden beschikbaar
RDA 2010_02                Fokkerij & Voortplantingstechnieken                         43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>die rekening houden met overerving van selectievoordeel bij het voorspellen van
inteelttoename.
De toename van inteelt in een populatie onder selectie kan worden beperkt door
procedures die voorkomen dat teveel verwante dieren ouder worden van de volgende
generatie, bv door het stellen van een maximum voor het aantal volle broers en zussen
dat kan worden ingezet voor de fokkerij (pluimvee) of een maximum aantal inseminaties
bij gebruik van KI (paarden). Een meer geavanceerde procedure is bv. de toepassing van
genetische contributiemethoden. Deze methoden zijn erop gericht om de verwantschap
tussen de geselecteerde ouders en daarmee de verwachte inteelttoename bij hun
nakomelingen te beperken. Ze worden toegepast bij fokprogramma’s voor melkvee,
varkens en pluimvee.
A.7     Structuur van een populatie
De structuur van een populatie heeft een belangrijke invloed op het fokprogramma.
Verschillen in structuur verklaren voor een belangrijk deel de verschillen tussen de
fokprogramma’s die bij verschillende diersoorten worden toegepast. De volgende
elementen bepalen de structuur van de populatie:
    1. Zuivere lijn of kruising
    2. Gesloten of open populatie
    3. Registratiesysteem voor afstamming en prestaties
    4. Eigendom van fokdieren
    5. Biologische kenmerken van diersoort
    6. Toepassing van reproductietechnieken
Zuivere lijn of kruising.
Bij zuivere-lijn-fokkerij komen uitsluitend dieren die behoren tot één lijn (of ras) in
aanmerking als ouder voor de volgende generatie. In een kruisingspopulatie worden juist
ouders uit twee verschillende lijnen (of rassen) met elkaar gepaard voor het produceren
van de volgende generatie. In de meeste varkens- en pluimveefokprogramma’s wordt
systematisch gebruik gemaakt van kruisingen. Veelal worden de productiedieren
geproduceerd door het combineren van dieren uit drie verschillende lijnen (of rassen).
Kruising wordt toegepast om eigenschappen van verschillende rassen te combineren
(bijvoorbeeld een ras met goede vruchtbaarheidseigenschappen als moederlijn en een
ras met goede groei-eigenschappen als vaderlijn) en om kruisingseffecten (heterosis) te
benutten. De genetische verbetering bij varkens en pluimvee wordt gerealiseerd door
selectie in de verschillende zuivere lijnen. Kruisingsdieren komen niet in aanmerking voor
selectie als ouderdieren voor verbetering van de zuivere lijnen.
Kruising wordt in een aantal gevallen ook gebruikt voor het verbeteren of in het uiterste
geval het vervangen (“verdringingskruising”) van een populatie. Zo is bij melkvee aan
het eind van de vorige eeuw veelvuldig gebruik gemaakt van Holstein Friesian dieren uit
Noord-Amerika waardoor na verloop van een aantal jaren de melkveepopulatie nagenoeg
volledig bestond uit Holstein Friesian dieren terwijl de genen van oorspronkelijke Fries-
Hollandse (zwartbont) en Maas-Rijn-IJssel (roodbont) dieren nagenoeg volledig zijn
verdwenen.
Gesloten of open populatie
In een gesloten populatie worden uitsluitend dieren uit de populatie gebruikt als ouders
voor de volgende generatie. Dieren uit andere populaties worden uitgesloten als ouders.
In een open populatie kunnen ook dieren van hetzelfde ras uit andere populaties
(meestal in ander land) worden gebruikt als ouders. In een gesloten populatie wordt de
genetische verandering van een populatie volledig bepaald door het fokbeleid dat in die
populatie wordt gevoerd. In een open populatie is de genetische verandering mede – of
in een aantal gevallen zelfs volledig – afhankelijk van het fokbeleid wat in de andere
populatie (populatie van waaruit dieren worden gebruikt) bepaald.
Door het gebruiken van dieren van hetzelfde ras maar uit andere landen (populaties) kan
de inteelttoename in een populatie worden verminderd. Dit is gunstig voor de genetische
diversiteit in een populatie. Wanneer echter systematisch dieren uit andere populatie
worden gebruikt kunnen de genen die oorspronkelijk in de populatie aanwezig waren
RDA 2010_02                Fokkerij & Voortplantingstechnieken                          44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>volledig verdwijnen, zoals is gebeurd door het gebruik van Holstein dieren in de
Nederlandse melkveepopulatie.
Registratiesysteem voor afstamming en prestaties
Voor het schatten van fokwaarden is het essentieel om informatie over afstamming en
prestaties te registeren in een populatie. Daarnaast is afstamming van belang om de
mate van verwantschap tussen dieren en daarmee het risico op inteelt te beoordelen. Bij
landbouwhuisdieren worden uitsluitend dieren met een bekende afstamming gebruikt in
een fokprogramma. Informatie over prestaties van alle dieren met een bekende
afstamming kan worden gebruikt voor het schatten van de fokwaarden van dieren.
Echter, niet alle dieren met een bekende afstamming komen in aanmerking als ouder in
een fokprogramma. Zo wordt bijvoorbeeld bij pluimvee informatie die verzameld is aan
kruisingsdieren, gebruikt voor de fokwaardeschatting van dieren in een zuivere lijn. Deze
kruisingsdieren komen niet in aanmerking voor selectie als ouderdier in de zuivere lijn.
Eigendom van fokdieren
Een fokprogramma is gericht op het verbeteren van een populatie. Voor het realiseren
van de doelstellingen van het fokprogramma is medewerking van alle eigenaars van
dieren van belang. Het aantal eigenaars dat betrokken is bij een fokprogramma verschilt
enorm tussen diersoorten. Bij pluimvee zijn alle dieren van een zuivere lijn eigendom van
de fokkerijorganisatie. Bij melkvee en varkens is de fokkerijorganisatie eigenaar van de
stieren/beren terwijl de koeien/zeugen eigendom zijn van de veehouders.
Gezelschapsdieren zijn veelal eigendom van particulieren. De belangen van de
fokkerijorganisatie en eigenaars kunnen verschillen, hetgeen de uitvoering van een
fokprogramma kan bemoeilijken. Een eigenaar kan bijvoorbeeld meer geld verdienen
door meer dekkingen van een populaire hengst, terwijl een fokkerijorganisatie het aantal
dekkingen van een hengst wil maximeren om inteelt in de populatie te verminderen.
Biologische kenmerken
Het reproductievermogen van de dieren is van invloed op het fokprogramma. Hierbij is
het aantal nakomelingen dat per jaar geproduceerd kan worden van belang, evenals de
leeftijd waarop de dieren voor het eerst nakomelingen kunnen produceren. Het aantal
nakomelingen is van invloed op de geselecteerde fractie: wanneer het aantal toeneemt
zijn er minder dieren nodig voor het produceren van de volgende generatie. De
reproductieve leeftijd is van invloed op het generatie-interval.
Toepassing van reproductietechnieken
Door toepassing van reproductietechnieken kan het aantal nakomelingen van een dier
worden verhoogd. Daarmee wordt de kans dat een geselecteerd dier ook bijdraagt aan
de volgende generatie groter. Technieken die regelmatig worden toegepast zijn
kunstmatige inseminatie, embryotransplantatie en spermascheiding.
RDA 2010_02                Fokkerij & Voortplantingstechnieken                           45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>Bijlage B Fokkerij per sector/diersoort
Het is onmogelijk een volledige beschrijving te geven van de fokkerij in alle
dierhouderijsectoren. De productiedierhouderij is weliswaar goed geregistreerd in
Nederland, maar de fokkerij in deze sector speelt zich vooral op mondiaal niveau af –
vaak bij enkele multinationals, die niet allemaal even graag hun informatie delen. De
hobby- en gezelschapsdierenfokkerij kenmerken zich door een grote mate van
decentralisatie en een verre van volledige identificatie en registratie van de dieren
waarmee gefokt wordt. Voor de paardenhouderij geldt dit ook, zij het in mindere mate.
Voor een advies over de fokkerij in de diverse sectoren is het echter ook niet nodig om
alle aspecten uitputtend te inventariseren. De essentiële factoren, zoals uitgewerkt in
paragraaf IV.3 van deze zienswijze (en paragraaf A.5 van Bijlage A), zijn in onderstaande
quick scan per sector, en in elke sector naar belangrijkste diergroepen, uitgewerkt.
B.1      Landbouwhuisdieren
B.1.1 Melkrundvee
Het fokken van melkkoeien in Nederland gebeurt vooral op de melkveebedrijven. De
fokkerijorganisaties leveren sperma aan, de boer bepaalt zelf zijn fokdoel. Van alle
melkkoeien in Nederland zijn zeer veel gegevens bekend en in centrale databases
geregistreerd. Er zijn betrouwbare fokwaarden (van de stieren) voor productie-
exterieur- en gezondheidseigenschappen. Marker Assisted Selectie (MAS) is sterk in
opkomst.
a. Stamboek: aanwezig voor de verschillende rassen.
b. Afstammingsregistratie: alle runderen in Nederland worden geregistreerd.
    Afstammingsregistratie op basis van inseminatiegegevens.
c. Fokdoel: productie van goed kwaliteit melk tegen een lage kostprijs door gezonde
    dieren.
             i. Productie: ja
            ii. Voerefficiëntie: nee
           iii. Vruchtbaarheid: ja
           iv. Welzijn en gezondheid: ja
            v. Exterieur: ja
d. Welke informatie wordt in een populatie verzameld voor fokwaardeschatting. Hierbij
    gaat het niet om details over kenmerken maar aanvinken van groepen kenmerken
          i. Productie (melk): ja
         ii. Voerefficiëntie: nee
        iii. Vruchtbaarheid: ja
        iv. Welzijn en gezondheid: ja voor beperkt aantal kenmerken
         v. Exterieur: ja
        vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie): ja
e. Melkpopulaties kunnen gekenmerkt worden als open. Drie fokbedrijven in Nederland
    gevestigd die stieren selecteren en aanbieden aan veehouders. Deel van deze stieren
    is uit buitenland afkomstig (volledig of vader). Verder kunnen veehouders ook sperma
    (regelmatig) of embryo’s (zelden) uit buitenland betrekken (mits voldaan wordt aan
    veterinaire regelgeving). Twee fokkerijorganisaties die in Nederland gevestigd zijn
    spelen internationaal een belangrijke rol.
f. Inteelt: worden er maatregelen genomen om inteelt te beperken: ja, door de
    fokkerijorganisatie bij het selecteren van ouders voor volgende generatie stieren.
g. Reproductietechnieken: kunstmatige inseminatie wordt op grootste deel van koeien
    toegepast. Sinds kort wordt gebruik gemaakt van gesexed sperma.
    Embryotransplantatie wordt op beperkte schaal toegepast.
h. De Europese fokkerijorganisaties hebben een vrijwillige gedragscode voor
    productiedierfokkerijorganisaties (Code EFABAR)
i. In Europees verband staat de fokkerij van productiedieren onder toezicht van de EU
    en International Committee for Animal Recording (ICAR)
RDA 2010_02                  Fokkerij & Voortplantingstechnieken                        46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>B.1.2 Vleesrundvee
In Nederland worden vleeskoeien op zeer uiteenlopende wijzen gefokt. De situatie voor
de Belgische Wit-Blauwe en de Verbeterde Roodbonte zijn vergelijkbaar met die voor
melkvee (en het sperma wordt door dezelfde organisaties aangeleverd), zij het dat er
over de koeien veel minder gegevens bekend en (centraal) geregistreerd zijn. Binnen
deze stamboeken zijn er fokrichtingen voor (vlees)productie en voor exterieur
(dikbilfokkerij). De stamboeken van de andere vleesrassen zijn over het algemeen
gesloten. De moederstamboeken zijn over het algemeen van buitenlandse herkomst en
er vindt (beperkte) uitwisseling van genetisch materiaal met deze moederstamboeken
plaats. Deze vleesrassen worden in wisselende mate voor de vleesproductie en
hobbymatig gefokt.
a. Er zijn tien stamboeken aanwezig voor verschillende rassen (de grootste stamboeken
    zijn het Belgische Witblauwe en het Verbeterd Roodbonte).
b. Afstammingsregistratie: alle runderen in Nederland worden geregistreerd.
c. Fokdoel: economisch en esthetisch. Beschrijving van type kenmerken (aanvinken van
    categorieën).
       i. Productie: ja, zeer wisselend per stamboek
      ii. Voerefficiëntie: ja, zeer wisselend per stamboek
     iii. Vruchtbaarheid: ja, zeer wisselend per stamboek
     iv. Welzijn en gezondheid: ja, zeer wisselend per stamboek
      v. Exterieur: ja, zeer wisselend per stamboek
     vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie): ja, bij
          het Belgisch Wit- Blauwe
d. Welke informatie wordt in een populatie verzameld voor fokwaardeschatting. Hierbij
    gaat het niet om details over kenmerken maar aanvinken van groepen kenmerken
       i. Productie: ja, alleen bij Belgisch Wit- Blauwe en Verbeterd Roodbont
      ii. Voerefficiëntie ja, alleen bij Belgisch Wit- Blauwe en Verbeterd Roodbont
     iii. Vruchtbaarheid ja, alleen bij Belgisch Wit- Blauwe en Verbeterd Roodbont
     iv. Welzijn en gezondheid: ja, bij sommige rassen
      v. Exterieur: ja, in de meeste stamboeken
     vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie)
e. Open populatie: fokken vooral binnen de stamboeken. Stamboek is vaak van
    buitenlandse afkomst.
f. Fokkerij organisatie: voor Belgische Wit - Blauwe en Verbeterd Roodbont zijn
    fokkerijorganisaties en bedrijven met fokkerijgerelateerde technologieën op Europees
    niveau verenigd in het European Forum of Farm Animal Breeders (EFFAB).
g. Inteelt: wat is (gemiddeld?) de effectieve omvang van de populatie die wordt gebruikt
    voor fokkerij)? Worden er maatregelen genomen om inteelt te beperken? Ja, leden
    kunnen advies krijgen bij stierkeuze door Foktechnische Commissies; dit is geen
    verplichting.
h. Reproductietechnieken: bij Belgisch Wit- Blauwe en Verbeterd Roodbont kunstmatige
    inseminatie (meestal), embryotransplantatie (zelden), bij andere rassen vaak
    natuurlijke dekking.
i. Er is sprake van een code-of-conduct (transparant toetsingskader): De Europese
    fokkerijorganisaties hebben een vrijwillige gedragscode voor
    productiedierfokkerijorganisaties (Code EFABAR).
j. In Europees verband staat de fokkerij van productiedieren onder toezicht van de EU
    en International Committee for Animal Recording (ICAR).
RDA 2010_02                 Fokkerij & Voortplantingstechnieken                        47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>B.1.3 Varkens
De fokkerij van varkens vindt vooral plaats bovenin de productiekolom: in
(top)fokbedrijven die het fokprogramma in samenwerking (als fokkerijorganisatie of
stamboek) uitvoeren. De vermeerderaars kopen dieren van deze (top)fokkers in de vorm
van sperma en/of beren en (gekruiste) zeugen. Zij zijn vrij in de keuze van
fokkerijorganisatie of fokker. Vermeerderaars leveren wel vaak aan dezelfde
vleesvarkenshouders, maar hebben over het algemeen geen vaste contracten. Nagenoeg
100 procent van de zeugen wordt bevrucht middels KI.
a. Stamboek: zuivere foklijnen worden geregistreerd.
b. Afstammingsregistratie: wie is verantwoordelijk. Alle raszuivere en gekruiste
    fokvarkens in Nederland worden geregistreerd door de
    fokkerijorganisaties/stamboeken.
c. Fokdoel: vleesproductie in algemene zin, met zowel aandacht voor de verbetering van
    de (re)productiekenmerken van de zeug (moeder van het vleesvarken) als voor de
    (re)productie-eigenschappen van de beer (vader van het vleesvarken). In de
    zeugenlijnen ligt de nadruk op reproductie en in de berenlijnen op
    productiekenmerken. In beide gevallen ook aandacht voor gezondheid en welzijn.
        i. Productie: ja
       ii. Voerefficiëntie: ja
      iii. Vruchtbaarheid: ja
     iv. Welzijn en gezondheid: ja
       v. Exterieur: ja
     vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig): ja
d. Welke informatie wordt in een populatie verzameld voor fokwaardeschatting. Hierbij
    gaat het niet om details over kenmerken maar aanvinken van groepen kenmerken
        i. Productie: ja
       ii. Voerefficiëntie: ja
      iii. Vruchtbaarheid: ja
     iv. Welzijn en gezondheid: ja, in de vorm van sterfte, ziekte en uitval
       v. Exterieur: ja
     vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie): ja
e. Open/ Gesloten populatie? Internationale uitwisseling van genetisch materiaal.
f. Fokkerijorganisatie: deels in handen van commerciële organisaties en deels in handen
    van coöperaties/fokkersvereniging. De belangrijkste fokkerijorganisaties in Nederland
    zijn Topigs, PIC, Danbred en Hypor. Topigs en Hypor zijn Nederlandse
    fokkerijorganisaties. Topigs is een coöperatie en Hypor is onderdeel van een private
    onderneming. Beide zijn ook internationaal zeer actief. Zij werken met zuivere
    genetische lijnen van waaruit deels gekruiste vermeerderingszeugen worden gefokt.
g. Inteelt: Omdat populaties internationaal gekoppeld worden zijn deze groot en
    omvatten minimaal duizenden dieren. Binnen de gesloten populaties wordt de
    inteelttoename onder 1% gehouden
h. Reproductietechnieken: (vrijwel uitsluitend) kunstmatige inseminatie. Inzet van
    functionele genmutaties en genetische markers om de beoogde genetische
    vooruitgang sneller of effectiever te bereiken
i. Code-of-conduct (transparant toetsingskader): Er wordt gebruikt gemaakt van een
    Europese code-of-conduct (Code EFABAR): De Nederlandse fokkerijorganisaties
    hanteren deze vrijwillige gedragscode.
j. In Europees verband staat de fokkerij van productiedieren onder toezicht van de EU
    en International Committee for Animal Recording (ICAR).
RDA 2010_02                  Fokkerij & Voortplantingstechnieken                        48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>B.1.4 Legpluimvee
De fokkerij van legpluimvee vindt uitsluitend in de top van de productiekolom plaats, bij
drie wereldwijd opererende fokkerijorganisaties.
a. Fokkerij: wereldwijd 3 bedrijven.
b. Afstammingsregistratie: De fokorganisaties leggen de afstamming van alle zuivere lijn
    fokdieren vast
c. Fokdoel: consumptie eieren en eiproducten. Beschrijving van type kenmerken
    (aanvinken van categorieën, zie hier onder).
       i. Productie: ja
      ii. Voerefficiëntie: ja
     iii. Vruchtbaarheid: ja
     iv. Welzijn en gezondheid: ja, o.a. uitvalpercentage
      v. Exterieur: ja
     vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie): ja
d. Welke informatie wordt in een populatie verzameld voor fokwaardeschatting. Hierbij
    gaat het niet om details over kenmerken maar aanvinken van groepen kenmerken
       i. Productie: ja
      ii. Voerefficiëntie: ja
     iii. Vruchtbaarheid: ja
     iv. Welzijn en gezondheid: ja, o.a. uitvalpercentage.
      v. Exterieur: ja
     vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie): ja
e. Gesloten populatie op wereldschaal, internationale uitwisseling van genetisch
    materiaal (belangrijk: is er sprake van een fokpopulatie in NL).
f. Fokkerijorganisatie: wereldwijd 3 grote commerciële bedrijven.
g. Inteelt: per foklijn worden er duizenden dieren met bekende afstamming gehouden.
    Inteelt wordt doelgericht beperkt door beperkt gebruik van familieleden als ouder
    voor de volgende generatie
h. Reproductietechnieken: KI, wordt uitsluitend toegepast bij de fokdieren en niet in de
    vermeerdering.
i. De Europese fokkerijorganisaties hebben een vrijwillige gedragscode voor
    productiedierfokkerijorganisaties (Code EFABAR).
j. In Europees verband staat de fokkerij van productiedieren onder toezicht van het
    International Committee for Animal Recording (ICAR).
RDA 2010_02                 Fokkerij & Voortplantingstechnieken                        49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>B.1.5 Vleespluimvee
De fokkerij van vleespluimvee vindt uitsluitend in de top van de productiekolom plaats,
bij drie     wereldwijd opererende fokkerijorganisaties. Het          fokdoel voor de
vleeskuikenmoederdieren (hoge eierproductie) is genetisch negatief gecorreleerd met het
fokdoel voor de vleeskuikens (snelle groei).
a. Fokkerij: drie bedrijven wereldwijd.
b. Afstammingsregistratie: De fokorganisaties zelf leggen de afstammingen van alle
    zuivere lijn fokdieren vast
c. Fokdoel: vleespluimvee. Beschrijving van type kenmerken (aanvinken van
    categorieën, zie hieronder).
       i. Productie: ja
      ii. Voerefficiëntie: ja
     iii. Vruchtbaarheid: ja
     iv. Welzijn en gezondheid: ja, o.a. uitvalpercentage.
      v. Exterieur: ja
     vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie): ja
d. Welke informatie wordt in een populatie verzameld voor fokwaardeschatting. Hierbij
    gaat het niet om details over kenmerken maar aanvinken van groepen kenmerken
       i. Productie: ja
      ii. Voerefficiëntie: ja
     iii. Vruchtbaarheid: ja
     iv. Welzijn en gezondheid: ja, o.a. uitvalpercentage
      v. Exterieur: ja
     vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie): ja
e. Internationale uitwisseling van genetisch materiaal waaronder een fokpopulatie in
    Nederland.
f. Fokkerijorganisatie: wereldwijd zijn er 3 bedrijven die 90% van het materiaal leveren.
g. Inteelt: Per foklijn worden er duizenden dieren met bekende afstamming gehouden.
    Inteelt wordt doelgericht beperkt door beperkt gebruik van familieleden als ouder
    voor de volgende generatie.
h. Reproductietechnieken: kunstmatige inseminatie (bij een deel van de fokdieren).
i. De Europese fokkerijorganisaties hebben een vrijwillige gedragscode voor
    productiedierfokkerijorganisaties (Code EFABAR).
j. In Europees verband staat de fokkerij van productiedieren onder toezicht van de EU
    en International Committee for Animal Recording (ICAR).
RDA 2010_02                 Fokkerij & Voortplantingstechnieken                        50
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>B.1.6 Kalkoenen
De fokkerij van kalkoenen vindt uitsluitend in de top van de productiekolom plaats, bij
twee wereldwijd opererende fokkerijorganisaties. Het fokdoel voor de moederdieren
(hoge eierproductie) is genetisch negatief gecorreleerd met het fokdoel voor de
vleeskuikens (snelle groei). De moederdieren worden 100% per KI bevrucht, omdat
natuurlijke dekking door het formaat van de hanen niet meer mogelijk is.
a. Fokkerij: wereldwijd twee bedrijven
b. Afstammingsregistratie: De fokorganisaties zelf leggen de afstammingen van alle
    zuivere lijn fokdieren vast.
c. Fokdoel: welk doel wordt nagestreefd met fokkerij. Beschrijving van type kenmerken
    (aanvinken van categorieën, zie hier onder).
       i. Productie: ja
      ii. Voerefficiëntie: ja
     iii. Vruchtbaarheid: ja,
     iv. Welzijn en gezondheid: ja, o.a. uitvalspercentage
      v. Exterieur: ja
     vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie): ja
d. Welke informatie wordt in een populatie verzameld voor fokwaardeschatting. Hierbij
    gaat het niet om details over kenmerken maar aanvinken van groepen kenmerken
       i. Productie: ja
      ii. Voerefficiëntie: ja
     iii. Vruchtbaarheid: ja
     iv. Welzijn en gezondheid: ja, o.a. uitvalspercentage
      v. Exterieur: ja
     vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie)
e. Open/gesloten populatie: internationale uitwisseling van genetisch materiaal; geen
    fokpopulatie in Nederland; wereldwijde fokkerijbedrijven.
f. Fokkerijorganisatie: de fokkerij is in handen van twee bedrijven
g. Inteelt: Per foklijn worden er duizenden dieren met bekende afstamming gehouden.
    Inteelt wordt doelgericht beperkt door beperkt gebruik van familieleden als ouder
    voor de volgende generatie.
h. Reproductietechnieken: kunstmatige inseminatie 100% (enige mogelijkheid om
    hennen te bevruchten): het verschil in gewicht tussen de mannelijke en vrouwelijke
    dieren zou voor teveel verwondingen van de hennen zorgen bij natuurlijke dekking.
i. De Europese fokkerijorganisaties hebben een vrijwillige gedragscode voor
    productiedierfokkerijorganisaties (Code EFABAR).
j. In Europees verband staat de fokkerij van productiedieren onder toezicht van de EU
    en International Committee for Animal Recording (ICAR).
RDA 2010_02                 Fokkerij & Voortplantingstechnieken                       51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>B.1.7 Schapen en geiten
Het belangrijkste productiedoel voor geiten in Nederland is de melkgeitenhouderij.
Schapen worden in beperkte mate voor de melkproductie gehouden, en vooral voor de
vleesproductie. Het onderscheid tussen productie- en hobbydierhouderij is in de
schapensector diffuus. Voor de melkproductie wordt vrijwel uitsluitend de Saanengeit
gefokt. Fokkerij vindt plaats op de geitenbedrijven, vrijwel uitsluitend d.m.v. natuurlijke
dekking. Productie- en diergegevens worden door de NOG (Nederlandse Organisatie voor
de Geitenfokkerij) geregistreerd. Voor de melkschapenhouderij worden het Friese en het
Zeeuwse melkschaap gefokt. Er zijn open, gesloten en semi-gesloten stamboeken. Voor
de vleesproductie worden zuivere rassen zoals de Texelaar en de Zwartbles gefokt, maar
voor het overgrote deel gaat het om gebruikskruisingen. Het Texelaarstamboek is
gesloten en het fokdoel wordt centraal bepaald. Het omvat vooral het verbeteren van het
ras.
Schapen
a. Fokkerij: Stamboeken.
b. Afstammingsregistratie: wie is verantwoordelijk: stamboeken. Welk aandeel van
    populatie wordt geregistreerd: Alle geiten in NL worden geregistreerd.
c. Fokdoel: welk doel wordt nagestreefd met fokkerij. Beschrijving van type kenmerken
    (aanvinken van categorieën, zie hier onder).
       i. Productie: ja
      ii. Voerefficiëntie: nee
     iii. Vruchtbaarheid: ja
     iv. Welzijn en gezondheid: ja
      v. Exterieur: ja
     vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie)
d. Welke informatie wordt in een populatie verzameld voor fokwaardeschatting. Hierbij
    gaat het niet om details over kenmerken maar aanvinken van groepen kenmerken
       i. Productie: ja
      ii. Voerefficiëntie: nee
     iii. Vruchtbaarheid: ja
     iv. Welzijn en gezondheid: ja
      v. Exterieur: ja
     vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie)
e. Open populatie, internationale uitwisseling van genetisch materiaal (belangrijk: is er
    sprake van een fokpopulatie in NL).
f. Fokkerijorganisatie: is fokkerij in handen van particulieren (groep van fokkers)
    Inteelt: wat is (gemiddeld?) de effectieve omvang van de populatie die wordt gebruikt
    voor fokkerij). Worden er maatregelen genomen om inteelt te beperken.
g. Reproductietechnieken: 100% natuurlijke dekking.
h. De Europese fokkerijorganisaties hebben een vrijwillige gedragscode voor
    productiedierfokkerijorganisaties (Code EFABAR).
i. In Europees verband staat de fokkerij van productiedieren onder toezicht van de EU
    en International Committee for Animal Recording (ICAR).
RDA 2010_02                Fokkerij & Voortplantingstechnieken                           52
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>Geiten
a. Fokkerij: Rasverenigingen
b. Afstammingsregistratie: wie is verantwoordelijk: rasverenigingen. Alle geiten in
    Nederland worden geregistreerd.
c. Fokdoel: het in stand houden en verbeteren van de rasgebonden eigenschappen die
    kenmerkend zijn voor de dieren binnen de rasgroep. Beschrijving van type
    kenmerken (aanvinken van categorieën, zie hier onder).
     i. Productie: ja
    ii. Voerefficiëntie: nee
   iii. Vruchtbaarheid: ja
   iv. Welzijn en gezondheid: ja
    v. Exterieur: ja
   vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie)
d. Welke informatie wordt in een populatie verzameld voor fokwaardeschatting. Hierbij
    gaat het niet om details over kenmerken maar aanvinken van groepen kenmerken
     i. Productie: ja
    ii. Voerefficiëntie: nee
   iii. Vruchtbaarheid: ja
   iv. Welzijn en gezondheid: ja
    v. Exterieur: ja
   vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie)
e. Open populatie, internationale uitwisseling van genetisch materiaal (belangrijk: is er
    sprake van een fokpopulatie in NL).
f. Fokkerijorganisatie: fokkerij is in handen van particulieren (groep van fokkers)
    Inteelt: wat is (gemiddeld?) de effectieve omvang van de populatie die wordt gebruikt
    voor fokkerij). Worden er maatregelen genomen om inteelt te beperken.
g. Reproductietechnieken: 100% natuurlijke dekking.
h. De Europese fokkerijorganisaties hebben een vrijwillige gedragscode voor
    productiedierfokkerijorganisaties (Code EFABAR).
i. In Europees verband staat de fokkerij van productiedieren onder toezicht van de EU
    en International Committee for Animal Recording (ICAR).
RDA 2010_02                Fokkerij & Voortplantingstechnieken                          53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>B.2       Hobbydieren
B.2.1. Schapen
De hobbymatige schapenfokkerij heeft vooral het behoud van het ras en het fokken van
rastypische dieren ten doel. Veel (80%) van de hobbymatig gehouden schapen worden
niet gefokt, maar uitsluitend vermeerderd.
a. Stamboek: Er zijn stamboeken voor vrijwel alle rassen, ook de buitenlandse
    (Vereniging Speciale Schapenrassen en Fokkersvereniging Ouessantschapen hebben
    stamboekfunctie). Een belangrijk deel van de hobbymatige fokkers van rasschapen is
    aangesloten bij stamboeken met een gering aantal commerciële fokkers. Het Platform
    Schapen- en geitenhouders, waar 12 stamboeken aan deelnemen, heeft de Code voor
    goed houderschap schapen en geiten opgesteld.
b. Afstammingsregistratie: Hobbyhouder/fokker is primair verantwoordelijk voor
    afstammingsregistratie. Voor veel van de stamboeken geldt dat er al vele jaren een
    gedegen stamboekadministratie en individuele dierregistratie bestaat. Lammeren
    worden door een inspecteur beoordeeld alvorens ze in het stamboek worden
    opgenomen. Dankzij nieuwe software zijn verenigingen/stamboeken steeds beter in
    staat afstamming te registreren. Dit gebeurt volgens opgave van de houder.
    Sommige stamboeken voeren steekproefsgewijs DNA-onderzoek uit.
c. Fokdoel: behoud van ras en exterieurkenmerken. Beschrijving van type kenmerken
    (aanvinken van categorieën, zie hier onder).
        i. Productie: Wisselend, is afhankelijk van ras en standaard. Beperkt aantal
           hobbyfokkers doet mee aan het scanproject van het NSFO (spierdikte-
           vetbedekking en groei wordt gemeten) ter berekening van een "vleeslamindex".
       ii. Voerefficiëntie: Nee
      iii. Vruchtbaarheid: Ja
     iv. Welzijn en gezondheid: Ja
       v. Exterieur: Ja
     vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie) Ja, bij
           de Vereniging Speciale Schapenrassen worden bijvoorbeeld alle gebreken die
           door de inspecteurs worden geconstateerd worden gerapporteerd aan de
           Fokadviescommissie.
d. Welke informatie wordt in een populatie verzameld voor fokwaardeschatting. Hierbij
    gaat het niet om details over kenmerken maar aanvinken van groepen kenmerken.
        i. Productie: Wisselend, afhankelijk van ras en standaard
       ii. Voerefficiëntie: Nee
      iii. Vruchtbaarheid: Wisselend, afhankelijk van het ras
     iv. Welzijn en gezondheid: Wisselend, waar het gebeurt gaat het om relevante
           gezondheidsaspecten op basis van registratie en adviezen door
           fokadviescommissies
       v. Exterieur: Wisselend, soms betreft dit ook specifieke raseigenschappen, zoals
           b.v de kleur van de wol.
     vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie):
           wisselend, zie welzijn en gezondheid. Waar het gebeurt, betreft dit alleen die
           erfelijke gebreken die voor een ras relevant zijn.
e. Veelal gesloten populatie, internationale uitwisseling van genetisch materiaal. Er is
    meestal sprake van een (beperkte) fokpopulatie in Nederland. Vooral bij rassen uit
    het buitenland vindt import plaats voor genetische verbreding. Er zijn meerdere
    stamboeken die toezicht houden op de inteeltdepressie.
f. Fokkerijorganisatie: In handen van particulieren (groep van fokkers).
g. Inteelt: wat is (gemiddeld?) de effectieve omvang van de populatie die wordt gebruikt
    voor fokkerij? Varieert van tientallen tot honderden en voor enkele rassen duizenden
    dieren (bijv. rassen die worden ingezet als schaapskuddes). Worden er maatregelen
    genomen om inteelt te beperken: meerdere stamboeken hebben al jaren een beleid
    dat gericht is op de beperking van inteeltdepressie ondermeer door de
    inteeltcoëfficiënten te berekenen en te volgen.
h. Reproductietechnieken: welke technieken worden toegepast?
    Natuurlijke dekking: Meestal, KI: Zelden.
RDA 2010_02                 Fokkerij & Voortplantingstechnieken                           54
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>i.  Is er sprake van een code-of-conduct (transparant toetsingskader)? Code goed
    houderschap schapen en geiten van het Platform voor Kleinschalige Schapen en
    Geitenhouders. Vrijwel alle stamboeken/rasverenigingen hebben stamboek- of
    fokkerijreglementen en rasstandaarden.
j.  Welke organisatie is verantwoordelijk voor toezicht op fokkerij? PVE.
B.2.2 Geiten
De hobbymatige geitenfokkerij heeft vooral het behoud van het ras en het fokken van
rastypische dieren ten doel. Veel (80%) van de hobbymatig gehouden geiten worden niet
gefokt, maar uitsluitend vermeerderd.
a. Er zijn rasvereniging en er zijn diverse organisaties met een stamboekfunctie: de
    Nederlandse Organisatie voor de Geitenfokkerij (NOG) voor commerciële fokkers en
    hobbyfokkers, de Algemene Nederlandse Bond van Geitenhouders, overwegend voor
    hobbyfokkers, de Nederlandse Federatie van verenigingen van Dwerggeitenhouders
    (uitsluitend hobbyfokkers), de Landelijke Fokkersvereniging Nederlandse Landgeit
    (overwegend hobbyfokkers) en de Nederlandse Angorageiten Fokkersvereniging
    (uitsluitend hobbyfokkers).
b. Afstammingsregistratie: Houders/fokkers zijn verantwoordelijk.
c. Fokdoel: behoud van ras en exterieurkenmerken. Beschrijving van type kenmerken
    (aanvinken van categorieën, zie hier onder).
        i. Productie: Ja, bij NOG
       ii. Voerefficiëntie: Ja, bij NOG
      iii. Vruchtbaarheid: Ja, bij NOG
     iv. Welzijn en gezondheid: Ja, bij alle
       v. Exterieur: Ja, bij alle
     vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie). Op de
           geboortebewijzen van geiten in het NOG stamboek worden eventuele erfelijke
           gebreken vermeld. Mochten er afwijkingen zijn, dan worden deze ingebracht in
           het stamboekprogramma. Er wordt dus geregistreerd en bij de fokkers onder de
           aandacht gebracht. De NOG verbindt aan de registratie geen sancties. Ook de
           LFNL registreert erfelijke gebreken.
d. Welke informatie wordt in een populatie verzameld voor fokwaardeschatting. Hierbij
    gaat het niet om details over kenmerken maar aanvinken van groepen kenmerken.
        i. Productie: Ja, door de NOG. Door inspectie van volwassen dieren en de
           melkproductie controle wordt er een fokwaardeschatting voor de bokken en de
           geiten gegenereerd. In de commerciële houderij een zeer waardevol instrument
           voor de houders. In de hobbyfokkerij een instrument waar vooral de
           fokcommissies hun voordeel mee doen en een instrument voor de bepaling van
           het fokbeleid.
       ii. Voerefficiëntie: Nee
      iii. Vruchtbaarheid: Ja, zie boven
     iv. Welzijn en gezondheid: Ja, zie boven
       v. Exterieur: Ja, zie boven
     vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie):
           onbekend.
e. Open/gesloten populatie, internationale uitwisseling van genetisch materiaal: zeer
    beperkte internationale uitwisseling van genetisch materiaal (zowel door leden van de
    NOG als door leden van Fokkersvereniging Nederlandse Landgeit), er is een
    fokpopulatie in Nederland.
f. Fokkerijorganisatie: fokkerij is in handen van particulieren (groep van fokkers)
    Inteelt: wat is (gemiddeld?) de effectieve omvang van de populatie die wordt gebruikt
    voor fokkerij: Variërend van enkele honderden (landgeiten en dwerggeiten) tot
    enkele duizenden dieren (melkgeiten)
    Worden er maatregelen genomen om inteelt te beperken? Op beperkte schaal, bij de
    landgeiten wordt systematisch werk gemaakt van beperking inteelt.
g. Reproductietechnieken: welke technieken worden toegepast? Natuurlijke dekking, in
    een enkel geval KI.
RDA 2010_02                 Fokkerij & Voortplantingstechnieken                        55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>h. Is er sprake van een code-of-conduct (transparant toetsingskader)? Code goed
    houderschap schapen en geiten van het Platform voor Kleinschalige Schapen en
    Geitenhouders. Alle stamboeken hebben rasstandaarden en een fokreglement.
i. Welke organisatie is verantwoordelijk voor toezicht op fokkerij? Productschap
B.2.3 Runderen
In Nederland wordt op zeer gevarieerde wijzen vleesvee gefokt. Het onderscheid tussen
beroepsmatige (productiedier)houderij en hobbydierhouderij is diffuus. De situatie voor
de Belgische Wit-Blauwe en de Verbeterde Roodbonte zijn vergelijkbaar met die voor
melkvee (en het sperma wordt door dezelfde organisaties aangeleverd), zij het dat er
over de koeien veel minder gegevens bekend en (centraal) geregistreerd zijn. Binnen
deze stamboeken zijn er fokrichtingen voor (vlees)productie en voor exterieur
(dikbilfokkerij). De stamboeken van de andere vleesrassen zijn over het algemeen
gesloten. De moederstamboeken zijn veelal van buitenlandse herkomst en er vindt
(beperkte) uitwisseling van genetisch materiaal met deze moederstamboeken plaats.
Deze vleesrassen worden in wisselende mate voor de vleesproductie en hobbymatig
gefokt.
a. Stamboek: Hobbymatig gehouden rundvee staat veelal ingeschreven bij het
    Nederlands Rundvee Syndicaat, tegenwoordig CRV geheten. Daarnaast is er voor de
    Dexterkoeien (circa 200 koeien, 25 stieren) een aparte fokvereniging (Holland
    Dexter) en is er voor de Dahomey koeien (circa 200 dieren, verhouding koe-stier
    onbekend) een fokvereniging in oprichting.
Voor de kenmerken van alle vleesveestamboeken met uitzondering van het Dexterras,
zie productiedieren, vleesvee. De hieronder vermelde gegevens betreffen uitsluitend
Dexterkoeien.
b. Afstammingsregistratie: de houder is verantwoordelijk. Welk deel van de populatie
    wordt geregistreerd: Alleen van degenen die zich hebben aangesloten bij het
    stamboek.
c. Fokdoel: behoud van ras en exterieurkenmerken. Beschrijving van type kenmerken
    (aanvinken van categorieën, zie hier onder).
       i. Productie: Nee
      ii. Voerefficiëntie: Nee
     iii. Vruchtbaarheid: Nee
     iv. Welzijn en gezondheid: Ja
      v. Exterieur: Ja
     vi. (Registratie van) erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie)? Nee
d. Welke informatie wordt in een populatie verzameld voor fokwaardeschatting? Hierbij
    gaat het niet om details over kenmerken maar aanvinken van groepen kenmerken
       i. Productie: Nee
      ii. Voerefficiëntie: Nee
     iii. Vruchtbaarheid: Nee
     iv. Welzijn en gezondheid: Nee
      v. Exterieur: Nee
     vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie)? Nee
e. Gesloten populatie, internationale uitwisseling van genetisch materiaal: er is sprake
    van een fokpopulatie in NL, maar er vindt ook import plaats.
f. Fokkerijorganisatie: fokkerij is in handen van particulieren.
g. Inteelt: wat is (gemiddeld?) de effectieve omvang van de populatie die wordt gebruikt
    voor fokkerij? circa 200 koeien en 25 stieren. Worden er maatregelen genomen om
    inteelt te beperken? Ja
h. Reproductietechnieken: natuurlijke dekking en kunstmatige inseminatie.
i. Is er sprake van een code-of-conduct (transparant toetsingskader): Globaal
    toetsingskader: Codex ‘ Landbouwhuisdieren houden zonder winstoogmerk’. Voor de
    Dexterkoeien bestaat een rasstandaard.
j. Welke organisatie is verantwoordelijk voor toezicht op fokkerij. Productschap
RDA 2010_02                Fokkerij & Voortplantingstechnieken                          56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>B.2.4 Kippen
De hobbymatige kippenfokkerij heeft vooral het behoud van het ras en het fokken van
rastypische dieren ten doel. Veel (80%) van de hobbymatig gehouden kippen worden
niet gefokt, maar uitsluitend vermeerderd.
a. Rasvereniging: Er is een organisatie Kleindier Liefhebbers Nederland (KLN), een
    bundeling van rasverenigingen met in totaal circa 10.000 leden (konijnen en
    pluimvee). Bijna alle rassen zijn ondergebracht bij KLN. Deze vereniging heeft geen
    stamboekfunctie, is wel een organisatie van fokkers met keurmeesters, maar kan niet
    worden beschouwd als fokkerijorganisatie.
b. Afstammingsregistratie: Is een particuliere aangelegenheid. Welk aandeel van
    populatie wordt geregistreerd: Geen. Alleen fokverenigingen van bedreigde rassen
    registreren min of meer nauwkeurig aantallen ouderdieren en geslacht.
c. Fokdoel: behoud van ras en exterieurkenmerken. Er zijn voor elk ras rasstandaarden.
    Beschrijving van type kenmerken (aanvinken van categorieën, zie hier onder).
       i. Productie: Nee
      ii. Voerefficiëntie: Nee
     iii. Vruchtbaarheid: Nee
     iv. Welzijn en gezondheid: Ja, bij enkele rassen (bv. Hollands kuifhoen)
      v. Exterieur: Ja
     vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie): Nee
d. Welke informatie wordt in een populatie verzameld voor fokwaardeschatting. Hierbij
    gaat het niet om details over kenmerken maar aanvinken van groepen kenmerken
       i. Productie: Nee
      ii. Voerefficiëntie: Nee
     iii. Vruchtbaarheid: Nee
     iv. Welzijn en gezondheid: Nee
      v. Exterieur: Nee
     vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie): Nee
e. Open/gesloten populatie: er vindt zo nu en dan internationale uitwisseling van
    genetisch materiaal plaats. Is er sprake van een fokpopulatie in NL? Fokverenigingen
    van bedreigde rassen registreren min of meer nauwkeurig aantallen ouderdieren en
    geslacht.
f. Fokkerijorganisatie: Nee
g. Inteelt: wat is (gemiddeld?) de effectieve omvang van de populatie die wordt gebruikt
    voor fokkerij). Er wordt jaarlijks een paar honderdduizend kippen gefokt. Worden er
    maatregelen genomen om inteelt te beperken. Nee. Fokkers kunnen bewust gebruik
    maken van inteelt.
h. Reproductietechnieken: welke technieken worden toegepast? Natuurlijke dekking:
    meestal, KI: Zelden.
i. Is er sprake van een code-of-conduct (transparant toetsingskader)? Globaal
    toetsingskader: Codex ‘ Landbouwhuisdieren houden zonder winstoogmerk’. Van elk
    ras dat onder de KLN valt, bestaat een rasstandaard.
j. Welke organisatie is verantwoordelijk voor toezicht op fokkerij. Geen.
RDA 2010_02                Fokkerij & Voortplantingstechnieken                         57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>B.2.5 Varkens
De hobbymatige fokkerij heeft vooral het behoud van het ras en het fokken van
rastypische dieren ten doel. Veel (80%) van de hobbymatig gehouden varkens worden
niet gefokt, maar uitsluitend vermeerderd.
a. Stamboek: Kune Kune vereniging Nederland (KK) en vereniging Bonte Bentheimers
    (BB). Twee nieuwe organisaties met stamboekfunctie.
b. Afstammingsregistratie: wie is verantwoordelijk? Hier wordt aan gewerkt.
c. Welk aandeel van populatie wordt geregistreerd? Hier wordt aan gewerkt.
d. Fokdoel: behoud van ras en exterieurkenmerken of aanwas ten behoeve van
    kleinschalige consumptie. Beschrijving van type kenmerken (aanvinken van
    categorieën, zie hier onder).
       i. Productie: Ja, BB
      ii. Voerefficiëntie: Ja, BB
     iii. Vruchtbaarheid: Ja, BB en KK
     iv. Welzijn en gezondheid: Ja, BB en KK
      v. Exterieur: Ja, BB en KK
     vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie) in
          ontwikkeling? Onbekend.
       i. Welke informatie wordt in een populatie verzameld voor fokwaardeschatting?
          Wat betreft KK: Wordt aan gewerkt. Wat betreft BB: De populatie is nog te klein
          om een fokwaardeschatting te doen. Stamboek gaat wel een registratie van
          fokprestaties opzetten.
e. Open/gesloten populatie, internationale uitwisseling van genetisch materiaal. Er
    sprake van een beperkte fokpopulatie in NL. Er vindt wel import plaats.
f. Fokkerijorganisatie: fokkerij is in handen van particulieren (groep van fokkers)
g. Inteelt: wat is (gemiddeld?) de effectieve omvang van de populatie die wordt gebruikt
    voor fokkerij. Wat betreft BB: Er zijn 45 fokzeugen en 5 fokberen. Worden er
    maatregelen genomen om inteelt te beperken: BB en KK geen maatregelen, wel
    adviezen.
h. Reproductietechnieken: welke technieken worden toegepast? Regelmatig natuurlijke
    dekking en KI.
i. Is er sprake van een code-of-conduct (transparant toetsingskader)? Globaal
    toetsingskader: Codex ‘ Landbouwhuisdieren houden zonder winstoogmerk’. BB en KK
    hanteren een rasstandaard.
j. Welke organisatie is verantwoordelijk voor toezicht op fokkerij? Productschap
RDA 2010_02                Fokkerij & Voortplantingstechnieken                         58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>B.2.6 Ezels
a. Stamboek: Er is een Vereniging Het Nederlands Ezelstamboek. Buitenlandse rassen
   staan doorgaans bij het moederstamboek ingeschreven.
b. Afstammingsregistratie: Houder is verantwoordelijk. Opname in stamboek alleen
   mogelijk na keuring. Welk aandeel van populatie wordt geregistreerd? Circa 3200
   ezels.
c. Fokdoel: behoud van ras en exterieurkenmerken. Beschrijving van type kenmerken
   (aanvinken van categorieën, zie hier onder). Er is een beschrijving van het exterieur
   voor het keuren van ezels
       i. Productie (melk, vlees, eieren): Nee
      ii. Voerefficiëntie: Nee
     iii. Vruchtbaarheid Nee
    iv. Welzijn en gezondheid: Nee
      v. Exterieur: Nee
    vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie)? Nog
          niet.
d. Welke informatie wordt in een populatie verzameld voor fokwaardeschatting. Hierbij
   gaat het niet om details over kenmerken maar aanvinken van groepen kenmerken
       i. Productie (melk, vlees, eieren) Nee
      ii. Voerefficiëntie: Nee
     iii. Vruchtbaarheid: Nee
    iv. Welzijn en gezondheid: Ja
      v. Exterieur: Ja
    vi. (Registratie van)erfelijke gebreken? Nog niet
e. Open/gesloten populatie: Er is sprake van een fokpopulatie in NL en er vindt
   internationale uitwisseling van genetisch materiaal plaats.
f. Fokkerijorganisatie: Fokkerij is in handen van particulieren.
g. Inteelt: wat is (gemiddeld?) de effectieve omvang van de populatie die wordt gebruikt
   voor fokkerij: enkele tientallen. Worden er maatregelen genomen om inteelt te
   beperken: Nee.
h. Reproductietechnieken: Meestal natuurlijke dekking.
i. Is er sprake van een code-of-conduct (transparant toetsingskader) Globaal
   toetsingskader: Codex ‘ Landbouwhuisdieren houden zonder winstoogmerk’
j. Welke organisatie is verantwoordelijk voor toezicht op fokkerij? Productschap
B.2.7 Parkdieren
a. Stamboek/rasvereniging: Voor de parkdieren bestaat er een Vereniging van
   Parkdieren Liefhebbers, die uitsluitend dieren registreert. Deze vereniging heeft geen
   stamboekfunctie en kan ook niet worden beschouwd als een fokkerijorganisatie.
   Nederlandse alpaca’s kunnen worden opgenomen in een Duits stamboek (Alpaca
   Zucht Verband Deutschland). In oprichting is een Europees stamboek voor alpaca’s.
b. Afstammingsregistratie: Houder is verantwoordelijk. Welk aandeel van populatie
   wordt geregistreerd? Geen
c. Fokdoel: Niet van toepassing.
d. Welke informatie wordt in een populatie verzameld voor fokwaardeschatting: Niet van
   toepassing.
e. Open/gesloten populatie, internationale uitwisseling van genetisch materiaal
   (belangrijk: is er sprake van een fokpopulatie in NL). Bij de alpaca’s is sprake van een
   open populatie met internationale uitwisseling van genetisch materiaal.
f. Fokkerijorganisatie: Niet van toepassing.
g. Inteelt: wat is (gemiddeld?) de effectieve omvang van de populatie die wordt gebruikt
   voor fokkerij). Onbekend. Worden er maatregelen genomen om inteelt te beperken.
   Nee.
h. Reproductietechnieken: welke technieken worden toegepast? Meestal natuurlijke
   dekking.
i. Is er sprake van een code-of-conduct (transparant toetsingskader)? Globaal
   toetsingskader: Codex ‘ Landbouwhuisdieren houden zonder winstoogmerk’ en wat
   betreft de alpaca’s de reglementen van het Duitse stamboek.
j. Welke organisatie is verantwoordelijk voor toezicht op fokkerij? Niet van toepassing.
RDA 2010_02                Fokkerij & Voortplantingstechnieken                           59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>B.3       Gezelschapsdieren
B.3.1 Honden
De hondenfokkerij in Nederland is sterk gedecentraliseerd: elke fokker bepaald zijn eigen
fokbeleid. De rasstandaarden en de tentoonstellingsresultaten vormen de basis voor de
fokdoelen.      In   de    hondenrassen      die  gebruiksdoelen    kennen     (jachthonden,
verdedigingshonden, etc.) zien we vaak een tweedeling naar een gebruikstype en een
tentoonstellingstype. De rasstandaarden worden in het land van herkomst van het ras
vastgesteld.
De Raad van Beheer op Kynologisch gebied (RvB) en de Federatie van Rasverenigingen
Nederland (FRN) zijn twee koepelorganisaties. De RvB heeft al enkele malen geprobeerd
een centraal fokbeleid in te stellen, laatstelijk in maart 2010. De hondenrassen zijn op
wereldniveau strikt gesloten populaties. Er is een grote variatie tussen de rassen voor
wat betreft de (centrale) registratie van diergezondheidsgegevens. Naast de
rashondenfokkerij kent Nederland een tak productiefokkerij (zgn. broodfokkers). Hier is
vooral sprake van vermeerdering. Daarnaast vindt er ook op behoorlijke schaal zgn.
gelegenheidsfokkerij plaats, veelal buiten de rasverbanden.
a. Rasverenigingen: zie inleidende tekst
b. Afstammingsregistratie: wie is verantwoordelijk. In formele zin de uitgever van de
    stamboom (in Nederland de RvB)
c. Fokdoel: behouden en het verbeteren van het ras. Beschrijving van type kenmerken
    (aanvinken van categorieën, zie hier onder).
        i. Productie: Nee
       ii. Voerefficiëntie: Nee, geen fokdoel
      iii. Vruchtbaarheid: Nee, geen fokdoel
      iv. Welzijn en gezondheid: ja, bij sommige rassen
       v. Exterieur: Ja
      vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie)? Nog
           niet centraal en vrij toegankelijk.
d. Welke informatie wordt in een populatie verzameld voor fokwaardeschatting. Hierbij
    gaat het niet om details over kenmerken maar aanvinken van groepen kenmerken
        i. Productie: Nee, behalve bij beroepsmatige fokkers
       ii. Voerefficiëntie: Nee
      iii. Vruchtbaarheid: Ja, op basis van eerdere ervaring met het dier en dan vooral bij
           de ‘broodfokkerij’
      iv. Welzijn en gezondheid: Ja
       v. Exterieur: Ja
      vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie)?
           Individuele rasfokkers kennen dit soort gegevens uit de kring om hen heen en
           houden daar rekening mee.
e. Open/gesloten populatie, internationale uitwisseling van genetisch materiaal
    (belangrijk: is er sprake van een fokpopulatie in NL). (Ja. Er is sprake van een
    fokpopulatie in NL ofschoon soms bij rashonden internationale uitwisseling
    plaatsvindt).
f. Fokkerijorganisatie: beroepsmatige fokkers (handelaren) en hobbyfokkers. De laatste
    groep is, zolang het gaat over rashonden, goed traceerbaar. Over ‘toevalsnestjes’ bij
    particulieren – vaak geen rashonden – is niets bekend. De wereld van de
    beroepsmatige fokkers is zeer ondoorzichtig. Enkelen daarvan zeggen te zijn
    georganiseerd (overigens zonder een formele registratie of statuten van een
    vereniging te hebben) maar zijn zeer terughoudend over aantallen, omzetten en
    afkomst. Het vermoeden bestaat dat via het kanaal van de beroepsmatige
    hondenfokkers pups afkomstig uit Oost Europa in Nederland worden binnengebracht.
g. Inteelt: wat is (gemiddeld?) de effectieve omvang van de populatie die wordt gebruikt
    voor fokkerij. Zeer divers.
h. Worden er maatregelen genomen om inteelt te beperken: Nee.
i. Reproductietechnieken: welke technieken worden toegepast met aanduiding van
    frequentie (zelden, regelmatig, meestal). In de meeste gevallen is sprake van
    natuurlijke dekking, kunstmatige inseminatie vindt incidenteel plaats.
RDA 2010_02                 Fokkerij & Voortplantingstechnieken                           60
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>j. Is er geen sprake van een code-of-conduct (transparant toetsingskader)? Nee.
k. Welke organisatie is verantwoordelijk voor toezicht op fokkerij? Er is geen organisatie
    verantwoordelijk voor toezicht op fokkerij. Zodra een nest is aangemeld bij de RvB –
    lid van een rasvereniging of niet – wordt in verband met het verstrekken van een
    stamboom en de benodigde registratie, de fokker bezocht door een medewerker van
    de RvB. Voor niet-rashonden is er geen organisatie.
B.3.2 Katten
De kattenfokkerij in Nederland is sterk gedecentraliseerd: elke fokker bepaald zijn eigen
fokbeleid. De rasstandaarden en de tentoonstellingsresultaten vormen de basis voor de
fokdoelen. De rasstandaarden worden in het land van herkomst van het ras vastgesteld.
Overkoepelde organisaties zijn: de Fife (internationaal) en de Federatie Nederlandse
Kattenverenigingen (FNK) en Overleg Platform Catfancy. Er is geen centraal fokbeleid. De
kattenrassen zijn op wereldniveau gesloten populaties. Er is een grote variatie tussen de
rassen voor wat betreft de (centrale) registratie van diergezondheidsgegevens. Naast de
raskattenfokkerij vindt er op grote schaal zgn. gelegenheidsfokkerij plaats, veelal buiten
de rasverbanden.
a. Stamboek en rasverenigingen: 12 stamboekvoerende kattenverenigingen en 22
    rasverenigingen. Afstammingsregistratie: wie is verantwoordelijk? Welk aandeel van
    populatie wordt geregistreerd?. Er is geen centrale registratie zoals bij de RvB. De
    kattenwereld is zéér verdeeld.
b. Fokdoel: behouden en verbeteren van het ras. Beschrijving van type kenmerken
    (aanvinken van categorieën, zie hier onder).
        i. Productie: Nee
       ii. Voerefficiëntie: Nee
      iii. Vruchtbaarheid: Nee
      iv. Welzijn en gezondheid: Nee
       v. Exterieur: Ja
      vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie): ja, bij
           sommige rassen
c. Welke informatie wordt in een populatie verzameld voor fokwaardeschatting. Hierbij
    gaat het niet om details over kenmerken maar aanvinken van groepen kenmerken.
        i. Productie: Nee
       ii. Voerefficiëntie: Nee
      iii. Vruchtbaarheid: op basis van eerdere ervaring met het dier
      iv. Welzijn en gezondheid: Nee
       v. Exterieur: Nee
      vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie).
d. Open/gesloten populatie, internationale uitwisseling van genetisch materiaal
    (belangrijk: is er sprake van een fokpopulatie in NL). (Zie onder honden)
e. Fokkerijorganisatie: beroepsmatige fokkers (handelaren) en hobbyfokkers (in de
    kattenwereld is geen sprake van beroepsmatige – dus als hoofdinkomstenbron –
    fokkerij)
f. Inteelt: wat is (gemiddeld?) de effectieve omvang van de populatie die wordt gebruikt
    voor fokkerij). Zeer divers. Worden er maatregelen genomen om inteelt te beperken.
g. Reproductietechnieken: welke technieken worden toegepast met aanduiding van
    frequentie (zelden, regelmatig, meestal). Uitsluitend natuurlijke dekking
h. Is er sprake van een code-of-conduct (transparant toetsingskader) Nee
i. Welke organisatie is verantwoordelijk voor toezicht op fokkerij. Geen, er is niet een
    dergelijke organisatie.
RDA 2010_02                 Fokkerij & Voortplantingstechnieken                          61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>B.3.3 Knaagdieren en konijnen
a. Stamboeken/rasverenigingen: er zijn enkele algemene verenigingen en enkele
   rasverenigingen.
b. Afstammingsregistratie: wie is verantwoordelijk. Welk aandeel van populatie wordt
   geregistreerd. Door individuele houders op kleine schaal registratie waarbij niemand
   specifiek verantwoordelijk is. Onbekend over welk deel van de populatie dit gaat.
c. Fokdoel: behouden en verbeteren van het ras. Beschrijving van type kenmerken
   (aanvinken van categorieën, zie hier onder).
       i. Productie (melk, vlees, eieren). Nee
      ii. Voerefficiëntie; Nee
     iii. Vruchtbaarheid: Nee
     iv. Welzijn en gezondheid: Nee
      v. Exterieur: Ja
     vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie). Ja,
          beperkt, door een enkele fokker.
d. Welke informatie wordt in een populatie verzameld voor fokwaardeschatting. Hierbij
   gaat het niet om details over kenmerken maar aanvinken van groepen kenmerken
       i. Productie (melk, vlees, eieren). Ja, over de dieren zelf door een enkele fokker.
      ii. Voerefficiëntie: Nee
     iii. Vruchtbaarheid: Nee
     iv. Welzijn en gezondheid: Beperkt, door een enkele fokker
      v. Exterieur: Beperkt, door een enkele fokker
     vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie)
          (beperkt, door een enkele fokker)
e. Open/gesloten populatie, internationale uitwisseling van genetisch materiaal
   (belangrijk: is er sprake van een fokpopulatie in NL). Soms internationale
   uitwisseling. Veelal is er een NL fokpopulatie.
f. Fokkerijorganisatie: fokken vindt plaats binnen de Federatie voor Kleindierenteelt
   (FK), een samenwerkingsverbond van twee bonden (konijnen/ hoenders, sierduiven).
   Deze bonden voeren eigen beleid op het gebied van de fokkerij. Elke bond heeft een
   eigen standaardcommissie. Deze bepaalt wat er wel en niet in de standaards van de
   rassen moet worden opgenomen en welke nieuwe rassen en kleurslagen voor
   erkenning in aanmerking komen. De standaardcommissies werken onder
   verantwoordelijkheid van de bonden. Daarnaast worden er ook dieren gefokt door
   mensen die niet zijn aangesloten bij de Federatie voor Kleindierenteelt.
g. Inteelt: wat is (gemiddeld?) de effectieve omvang van de populatie die wordt gebruikt
   voor fokkerij). Worden er maatregelen genomen om inteelt te beperken. Over het
   begrip inteelt wordt door fokkers heel verschillend gedacht wat bepaald niet heeft
   geleid tot generieke maatregelen op dat vlak.
h. Reproductietechnieken: welke technieken worden toegepast met aanduiding van
   frequentie (zelden, regelmatig, meestal). Eigenlijk altijd reguliere dekking dus
   natuurlijke voortplanting.
i. Is er sprake van een code-of-conduct (transparant toetsingskader)? Nee
j. Welke organisatie is verantwoordelijk voor toezicht op fokkerij? Geen, er is niet een
   dergelijke organisatie.
RDA 2010_02                Fokkerij & Voortplantingstechnieken                            62
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>B.3.4 Vogels
a. Stamboeken/rasverenigingen: er zijn enkele verenigingen voor ras/soortengroepen.
   Aviornis International stelt kweekverslagen op, en fokt ondermeer wereldwijd
   bedreigde soorten.
b. Afstammingsregistratie: wie is verantwoordelijk. Welk aandeel van populatie wordt
   geregisteerd: Uitsluitend CITES-dieren.
c. Fokdoel: behouden en verbeteren van het ras. Beschrijving van type kenmerken
   (aanvinken van categorieën, zie hier onder).
       i. Productie: ja, eieren voor reproductie van het dier
      ii. Voerefficiëntie: Nee
     iii. Vruchtbaarheid: Nee
     iv. Welzijn en gezondheid: Nee
      v. Exterieur: Ja)
     vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie):
          Sporadisch door een individuele fokker.
d. Welke informatie wordt in een populatie verzameld voor fokwaardeschatting. Hierbij
   gaat het niet om details over kenmerken maar aanvinken van groepen kenmerken
       i. Productie (melk, vlees, eieren): Nee
      ii. Voerefficiëntie: Nee
     iii. Vruchtbaarheid: Nee
     iv. Welzijn en gezondheid: Nee
      v. Exterieur: Nee
     vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie): Nee.
e. Open/gesloten populatie, internationale uitwisseling van genetisch materiaal (soms)
   (belangrijk: is er sprake van een fokpopulatie in NL): Ja.
f. Fokkerijorganisatie: is fokkerij in handen van particulieren (groep van fokkers) of
   bedrijven (coöperatief of commercieel)? Er zijn nauwelijks – behalve van kromsnavels
   – beroepsmatige fokkers. De ‘bulk’ komt van de liefhebberij.
g. Inteelt: wat is (gemiddeld?) de effectieve omvang van de populatie die wordt gebruikt
   voor fokkerij). Worden er maatregelen genomen om inteelt te beperken. Buiten het
   wisselen van fokparen niet.
h. Reproductietechnieken: welke technieken worden toegepast met aanduiding van
   frequentie (zelden, regelmatig, meestal). Natuurlijke voortplanting.
i. Is er sprake van een code-of-conduct (transparant toetsingskader)?
j. Welke organisatie is verantwoordelijk voor toezicht op fokkerij? Geen, er is niet een
   dergelijke organisatie.
RDA 2010_02                Fokkerij & Voortplantingstechnieken                           63
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>B.3.5 Vissen
a. Stamboek/rasvereniging: Er zijn enkele verenigingen voor soortengroepen.
b. Afstammingsregistratie: wie is verantwoordelijk? Welk aandeel van populatie wordt
   geregisteerd? Er is geen registratie.
c. Fokdoel: behouden en verbeteren van de soort. Beschrijving van type kenmerken
   (aanvinken van categorieën, zie hier onder).
    vii. Productie (melk, vlees, eieren): Reproductie
   viii. Voerefficiëntie: Nee
     ix. Vruchtbaarheid: Nee
      x. Welzijn en gezondheid: Nee
     xi. Exterieur: Nee
    xii. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie)? Nee
d. Welke informatie wordt in een populatie verzameld voor fokwaardeschatting. Hierbij
   gaat het niet om details over kenmerken maar aanvinken van groepen kenmerken
    vii. Productie (melk, vlees, eieren): Nee
   viii. Voerefficiëntie: Nee
     ix. Vruchtbaarheid: Nee
      x. Welzijn en gezondheid: Nee
     xi. Exterieur: Nee
    xii. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie): Nee
e. Open/gesloten populatie, internationale uitwisseling van genetisch materiaal (soms)
   (belangrijk: is er sprake van een fokpopulatie in NL). Ja, maar import blijft
   noodzakelijk.
f. Fokkerijorganisatie: is fokkerij in handen van particulieren (groep van fokkers) of
   bedrijven (coöperatief of commercieel)? Er is een enkel professioneel bedrijf en
   daarnaast zijn er liefhebbers die kweken; de bulk komt uit import - lang niet altijd
   wildvang maar afkomstig van grote beroepskwekerijen in tropische gebieden.
g. Inteelt: wat is (gemiddeld?) de effectieve omvang van de populatie die wordt gebruikt
   voor fokkerij). Worden er maatregelen genomen om inteelt te beperken? Als het al
   voorkomt worden kweekstellen gewisseld.
h. Reproductietechnieken: welke technieken worden toegepast met aanduiding van
   frequentie (zelden, regelmatig, meestal). Natuurlijke voortplanting waarbij het
   nabootsen van de natuurlijke omstandigheden essentieel is.
i. Is er sprake van een code-of-conduct (transparant toetsingskader)? Nee.
j. Welke organisatie is verantwoordelijk voor toezicht op fokkerij? Geen, er is niet een
   dergelijke organisatie.
RDA 2010_02               Fokkerij & Voortplantingstechnieken                            64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>B.3.6 Reptielen en amfibieën
a. Stamboek/rasvereniging: Er zijn enkele verenigingen voor soortengroepen
b. Afstammingsregistratie: wie is verantwoordelijk? Welk aandeel van populatie wordt
   geregisteerd? Naast de registratie van CITES-dieren is er het EFS - stamboekregeling
   schildpaddenverenigingen – waar de afstammingsregistratie van een aantal soorten
   wordt bijgehouden.
c. Fokdoel: behouden en verbeteren van het ras. Beschrijving van type kenmerken
   (aanvinken van categorieën, zie hier onder).
       i. Productie (melk, vlees, eieren): Reproductie
      ii. Voerefficiëntie: nee
     iii. Vruchtbaarheid: nee
     iv. Welzijn en gezondheid: nee
      v. Exterieur: nee
     vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie) (nee)
d. Welke informatie wordt in een populatie verzameld voor fokwaardeschatting. Hierbij
   gaat het niet om details over kenmerken maar aanvinken van groepen kenmerken
       i. Productie (melk, vlees, eieren): Nee
      ii. Voerefficiëntie: Nee
     iii. Vruchtbaarheid: Nee
     iv. Welzijn en gezondheid: Nee
      v. Exterieur: Nee
     vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie); Nee
e. Open/gesloten populatie, internationale uitwisseling van genetisch materiaal (soms)
   (belangrijk: is er sprake van een fokpopulatie in NL)? Ja, maar import blijft
   noodzakelijk, zie ook bij tropische vissen.
f. Fokkerijorganisatie: is fokkerij in handen van particulieren (groep van fokkers) of
   bedrijven (coöperatief of commercieel)? Geen commerciële kwekerij, uitsluitend
   kweek door liefhebbers.
g. Inteelt: wat is (gemiddeld?) de effectieve omvang van de populatie die wordt gebruikt
   voor fokkerij). Worden er maatregelen genomen om inteelt te beperken. Het gaat om
   vele honderden soorten waarvan de populatieomvang onbekend is. In enkele gevallen
   parenwissel om inteelt te voorkomen.
h. Reproductietechnieken: welke technieken worden toegepast met aanduiding van
   frequentie (zelden, regelmatig, meestal). Natuurlijke voortplanting die soms met
   hulpmiddelen wordt geactiveerd.
i. Is er sprake van een code-of-conduct (transparant toetsingskader)?Nee
j. Welke organisatie is verantwoordelijk voor toezicht op fokkerij? Er is niet een
   dergelijke organisatie.
RDA 2010_02                Fokkerij & Voortplantingstechnieken                         65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>B.4       Paarden
Een overzicht van vier karakteristieke stamboeken
Naar schatting 75% van de paardenliefhebbers is aangesloten bij een organisatie
(fokkerij, sport, recreatie) in de paardenhouderij. Het merendeel van de paarden is
opgenomen in een stamboek. Er zijn hobbymatige en professionele fokkers. Vier
belangrijke organisaties opereren sectorbreed: de Sectorraad Paarden (SRP), de Koepel
Fokkerij en de Productschappen Vee, Vlees en Eieren (PVE) en het Nederlands Hippisch
Kennis Centrum (NHK). Het PVE is verantwoordelijk voor erkenning van en het toezicht
op de stamboeken.
We beschrijven vier belangrijke, karakteristieke stamboeken in Nederland. De KWPN-
paarden worden vooral gefokt en gebruikt voor de (top)sport en recreatie, Friese paarden
vooral voor het exterieur, Shetlandpony’s voor de hobby en voor sportief recreatief
gebruik. De IJslandse paarden worden gefokt voor hun exterieur en voor de sport.
B.4.1 Koninklijk Warmbloed Paardenstamboek Nederland (KWPN)
Het stamboek heeft 30.000 leden. Binnen het Koninklijk Warmbloed Paardenstamboek
Nederland (KWPN) kent men vier fokrichtingen: dressuurpaard, springpaard, tuigpaard
en het Gelders paard.
Het KWPN stelt het type paard leidend en de bloedvoering dienend. Dat betekent dat
nakomelingen van een KWPN-ouderdier en een niet-KWPN-ouderdier onder strenge
voorwaarden in het stamboek kunnen worden opgenomen. Er is dus sprake van een open
populatie, zij het onder voorwaarden.
Het KWPN selecteert streng op gezondheid, erfelijke gebreken, gewenst exterieur en
aanleg voor een bepaalde tak van sport. Het doel is topsportpaarden te fokken. Voor de
toelating als fokdier in het stamboek moeten medische keuringen (röntgenologisch en
klinisch) en prestatieonderzoeken worden doorstaan. Ook worden de nakomelingen
gekeurd, om zo de fokwaarde van de ouderdieren beter te kunnen bepalen. Excellente
fokdieren kunnen erepredicaten toegekend krijgen; de toelating van dieren wier
nakomelingen tegenvallen (of gebreken vertonen) kan worden opgeschort.
a. Stamboek:         overheidsregels    voor    stamboeken      via  het    Fokkerijbesluit.
    Afstammingsregistratie: wie is verantwoordelijk. Welk aandeel van populatie wordt
    geregistreerd? Het KWPN is verantwoordelijk voor het registreren van de paarden.
    Het is mogelijk om paarden met KWPN afstamming bij een ander stamboek te
    registreren. Vrijwel zeker zijn alle dieren geregistreerd. De keuze is aan de eigenaar
    om eventueel naar een ander stamboek te gaan en dus bij een andere populatie aan
    te sluiten.
b. Fokdoel: door specialisatie wordt steeds specifieker gefokt voor het gebruikersdoel.
    Door het stamboek worden fokkers gestimuleerd om zelf streng te selecteren. Het
    KWPN staat in de WBFSH-rankings al enkele jaren bovenaan. Deze ranking geeft voor
    dressuurpaarden en springpaarden aan welk stamboek het meest succes heeft in de
    topsport.
c. Beschrijving van type kenmerken (aanvinken van categorieën, zie hier onder).
        i. Productie: nee
       ii. Voerefficiëntie: nee
      iii. Vruchtbaarheid: ja, voor goedkeuring wordt de spermakwaliteit van hengsten
           getest.
      iv. Welzijn en gezondheid; ja, o.a. karakteronderzoek
       v. Exterieur: ja
      vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie)
           bijvoorbeeld straalbenen, OC en OCD in de toekomst
RDA 2010_02                 Fokkerij & Voortplantingstechnieken                          66
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>d. Welke informatie wordt in een populatie verzameld voor fokwaardeschatting. Hierbij
   gaat het niet om details over kenmerken maar aanvinken van groepen kenmerken
       i. Productie: nee
      ii. Voerefficiëntie: nee
     iii. Vruchtbaarheid: nee
     iv. Welzijn en gezondheid: ja
      v. Exterieur: ja
     vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie) Ja,
          melding op vrijwillige basis (incidentele zaken via geboortebericht). Wordt aan
          gewerkt. Afhankelijk van uitkomsten OC en OCD onderzoek komt er een
          fokwaarde. Er wordt wel degelijk geselecteerd op erfelijke gebreken.
    vii. Open populatie, onder strenge voorwaarden: in principe mogelijkheid voor
          uitselecteren erfelijke gebreken zonder gevaar op inteelt.
   viii. Fokkerijorganisatie: groot deel hobbymatig en in mindere mate bedrijfsmatig
e. Inteelt: wat is (gemiddeld?) de effectieve omvang van de populatie die wordt gebruikt
   voor fokkerij). Vooral in Tuigpaarden en in mindere mate bij Gelders Paard is sprake
   van inteelt en het berekenen van inteeltpercentages. Bij de tuigpaardenfokkerij wordt
   aan de fokkers bekend gemaakt wat het percentage van inteelt is bij een bepaald
   fokproduct. Hier wordt ook al jaren bij hengstenselectie gekeken naar het
   inteeltpercentage. Er worden jaarlijks ongeveer 12.000 veulens geregistreerd.
   Daarvan is 2% Gelders Paard en 8% tuigpaard.
f. Reproductietechnieken: welke technieken worden toegepast met aanduiding van
   frequentie (zelden, regelmatig, meestal). Grotendeels Ki en op zeer kleine schaal
   natuurlijke dekking.
g. Is er sprake van een code-of-conduct (transparant toetsingskader)? Ja,
   fokprogramma van het stamboek.
h. Welke organisatie is verantwoordelijk voor toezicht op fokkerij? PVE.
RDA 2010_02                Fokkerij & Voortplantingstechnieken                         67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>B.4.2 Koninklijke Vereniging het Friesch Paarden Stamboek (FPS)
De Koninklijke Vereniging Het Friesch Paarden Stamboek (FPS) telt ongeveer 15.000
leden in binnen- en buitenland. Het KFPS verzorgt wereldwijd de stamboekadministratie
en behartigt de belangen van het ras. Buiten Nederland zijn de leden georganiseerd in
eigen landelijke verenigingen, die nauwe banden onderhouden met het FPS. De
Nederlandse leden zijn 50% veelal aangesloten bij fokverenigingen.
a. Stamboek: overheidsregels voor stamboeken via het Fokkerijbesluit.
b. Afstammingsregistratie: wie is verantwoordelijk. Welk aandeel van populatie wordt
    geregistreerd: naar schatting 95%. KFPS is verantwoordelijk. Buitenlandse
    stamboeken (in Europa) zijn in eigen land erkend. Stamboekregistratie hebben zij
    weer gedelegeerd aan KFPS.
c. Fokdoel: selectiebeleid op vitaliteit, o.a. door medische keuring van fokdieren en
    stimuleringsbeleid d.m.v. merriepredicaten. Beschrijving van type kenmerken
    (aanvinken van categorieën, zie hier onder).
        i. Productie: nee
       ii. Voerefficiëntie: nee
      iii. Vruchtbaarheid: ja
      iv. Welzijn, gezondheid en vitaliteit: ja
       v. Exterieur: ja
      vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie), Ja. In
           hoeverre verplichte melding? Er is geen sprake van verplichte melding. Er is
           beleid opgezet om daarop te selecteren. Er wordt een DNA test ontwikkeld om
           erfelijke gebreken in de toekomst uit te kunnen selecteren.
d. Welke informatie wordt in een populatie verzameld voor fokwaardeschatting. Hierbij
    gaat het niet om details over kenmerken maar aanvinken van groepen kenmerken
        i. Productie: nee
       ii. Voerefficiëntie: nee
      iii. Vruchtbaarheid: nee
      iv. Welzijn en gezondheid: nee
       v. Exterieur: ja
      vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie): ja, in
           hoeverre verplicht?
     vii. Sport en karakter horen ook bij de fokwaardeschatting.
e. Gesloten populatie, internationale uitwisseling van genetisch materiaal (belangrijk: is
    er sprake van een fokpopulatie in NL). Wereldwijde populatie. Volledige uitwisseling
    van genetisch materiaal. Bijvoorbeeld uitwisseling van hengsten tussen verschillende
    landen. Hengsten 100, merries actief voor de fokkerij ingezet 12.000.
f. Fokkerijorganisatie: groot deel hobbymatig en in mindere mate bedrijfsmatig
g. Inteelt: wat is (gemiddeld?) de effectieve omvang van de populatie die wordt gebruikt
    voor fokkerij). Uitstekend inzicht in verwantschap en – daardoor – inteelt. De inteelt
    toename is ongeveer 1,5% per generatie. Situatie afgelopen decennia. Laatste 10
    jaar onder 1%, streven is 0.5 % per generatie. Worden er maatregelen genomen om
    inteelt te beperken? Ja, actief selecteren tegen ongewenste factoren t.g.v. inteelt en
    het limiteren van het aantal dekkingen Hierover wordt wel advies gegeven via de
    website. Er kan voor elke combinatie inteelt berekend worden. Gevolg is dat in de
    praktijk extreme combinaties niet worden toegepast maar het is niet verboden. Ook
    vind er onderzoek naar de erfelijke achtergronden om op basis van genetische
    markers DNA-tests te kunnen ontwikkelen.
h. Reproductietechnieken: welke technieken worden toegepast met aanduiding van
    frequentie (zelden, regelmatig, meestal): KI, sinds dit jaar niet meer.
i. Is er sprake van een code-of-conduct (transparant toetsingskader)? Niet van
    toepassing.
j. Welke organisatie is verantwoordelijk voor toezicht op fokkerij? PVE
RDA 2010_02                 Fokkerij & Voortplantingstechnieken                         68
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>B.4.3 Het Nederlandse Shetland Pony Stamboek (NSPS)
Het stamboek heeft 4300 leden.
a. Stamboek: overheidsregels voor stamboeken via het Fokkerijbesluit.
b. Afstammingsregistratie: Nederlandse Shetland Pony Stamboek (NSPS). Bijna het
   gehele aandeel van populatie wordt geregistreerd.
c. Fokdoel: verbeteren en behouden van het ras. Beschrijving van type kenmerken
   (aanvinken van categorieën, zie hier onder).
       i. Productie: nee
      ii. Voerefficiëntie: nee
     iii. Vruchtbaarheid: ja
     iv. Welzijn en gezondheid: ja
      v. Exterieur: ja
     vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie). Ja,
          met vrijwillige melding (bijvoorbeeld Kromme Poten).
d. Welke informatie wordt in een populatie verzameld voor fokwaardeschatting. Hierbij
   gaat het niet om details over kenmerken maar aanvinken van groepen kenmerken
       i. Productie: nee
      ii. Voerefficiëntie: nee
     iii. Vruchtbaarheid: nee
     iv. Welzijn en gezondheid: ja
      v. Exterieur: ja
     vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie). Ja
e. Gesloten populatie, internationale uitwisseling van genetisch materiaal (belangrijk: is
   er sprake van een fokpopulatie in NL). In andere Europese landen zijn ook
   Shetlandponystamboeken. Onderling wordt er samengewerkt.
f. Tussen 7500 en 8000 dekkingen. 4500 veulens geregistreerd binnen het Nederlandse
   stamboek. Weinig gebruik van buitenlandse hengsten 70 - 80
g. Fokkerijorganisatie: groot deel hobbymatig en in mindere mate bedrijfsmatig
h. Inteelt: wat is (gemiddeld?) de effectieve omvang van de populatie die wordt gebruikt
   voor fokkerij? Onbekend. Worden er maatregelen genomen om inteelt te beperken.
   Wordt aan gewerkt. Wel inteeltcoëfficiënt, nu sinds een jaar ter beschikking. Er wordt
   nu gewerkt aan een verdere uitwerking.
i. Reproductietechnieken: welke technieken worden toegepast met aanduiding van
   frequentie (zelden, regelmatig, meestal). Vrijwel uitsluitend natuurlijke dekking.
j. Is er sprake van een code-of-conduct (transparant toetsingskader): nee
i. Welke organisatie is verantwoordelijk voor toezicht op fokkerij? PVE
RDA 2010_02                Fokkerij & Voortplantingstechnieken                         69
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>B.4.4 Vereniging Nederlandse Stamboek voor IJslandse paarden (NSIJP)
Het stamboek heeft 1800 leden.
a. Stamboek: overheidsregels voor stamboeken via het Fokkerijbesluit.
b. Afstammingsregistratie: wie is verantwoordelijk. Welk aandeel van populatie wordt
   geregistreerd.In principe worden raszuivere paarden allemaal geregistreerd. Slechts
   een zeer klein percentage wordt niet bij NSIJP geregistreerd. Omdat het om
   raszuivere paarden gaat, kan een eigenaar van een IJslander nergens anders terecht.
   Stamboek: (afstammings)registratie o.b.v. DNA-onderzoek. In principe wordt op
   basis van dekbon en geboortebericht geregistreerd. Als er sprake is van twijfel over
   afstamming (of andere ontbrekende gegevens) dan wordt DNA onderzoek toegepast.
c. Fokdoel: selectiebeleid op vitaliteit, o.a. door medische keuring van fokdieren en
   stimuleringsbeleid d.m.v. merriepredicaten. Beschrijving van type kenmerken
   (aanvinken van categorieën, zie hier onder).
       i. Productie: nee
      ii. Voerefficiëntie: nee
     iii. Vruchtbaarheid: ja (sperma onderzoek)
     iv. Welzijn en gezondheid: ja
      v. Exterieur: ja
     vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie)?
          Voorkomen van spat wordt bij goedgekeurde hengsten geregistreerd.
d. Welke informatie wordt in een populatie verzameld voor fokwaardeschatting. Hierbij
   gaat het niet om details over kenmerken maar aanvinken van groepen kenmerken
       i. Productie: nee
      ii. Voerefficiëntie: nee
     iii. Vruchtbaarheid: ja?
     iv. Welzijn en gezondheid: ja
      v. Exterieur: ja
     vi. (Registratie van)erfelijke gebreken (enkelvoudig=als gevolg van mutatie)?
e. Gesloten populatie, wel internationale uitwisseling van genetisch materiaal, o.a. door
   import van dieren vanuit IJsland (belangrijk: is er sprake van een fokpopulatie in NL).
   De IJslandse basispopulatie is streng gesloten. Populatie goed bekend. Eigenaren
   melden paarden wel af, want er wordt gewerkt met statiegeld.
f. Fokkerijorganisatie: groot deel hobbymatig en in mindere mate bedrijfsmatig
g. Inteelt: wat is (gemiddeld?) de effectieve omvang van de populatie die wordt gebruikt
   voor fokkerij)? 250 - 275 merries en 40-45 in NL ter dekking staande hengsten,
   daarnaast nog veel buitenlandse hengsten.
h. Worden er maatregelen genomen om inteelt te beperken? Inteeltpercentages zijn
   wel bekend, maar vormen weinig probleem, dus neen, niet aan de orde
i. Reproductietechnieken: welke technieken worden toegepast met aanduiding van
   frequentie (zelden, regelmatig, meestal). Vrijwel uitsluitend natuurlijke dekking. KI is
   in het absolute beginstadium, minder dan 5 % met KI, de jaren voor 2010 hooguit 1
   %
j. Is er sprake van een code-of-conduct (transparant toetsingskader): nee
j. Welke organisatie is verantwoordelijk voor toezicht op fokkerij? PVE
RDA 2010_02                Fokkerij & Voortplantingstechnieken                          70
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>Bijlage C Wetgeving
C.1      Algemeen
Deze bijlage bevat een overzicht van de publiekrechtelijke wet- en regelgeving met
betrekking tot het fokken van dieren. Het gaat daarbij om Europese Richtlijnen en een
Europees Verdrag, om Nederlandse wetgeving en om het Nederlandse Fokkerijbesluit.
Gezien het diffuse en uiteenlopende karakter van de private organisatie van de
verschillende dierhouderijsectoren, is het onmogelijk een compleet en actueel overzicht
van de private regelingen te geven. De Raad heeft er daarom voor gekozen zich te
beperken tot een beschrijving van de publiekrechtelijke regelgeving.
C.1.1 Europese wetgeving
De Europese Gemeenschap heeft richtlijnen vastgesteld om de nationale voorschriften
met betrekking tot de raszuiverheid van dieren te harmoniseren. De richtlijnen zijn
bedoeld om onder meer nationale, om zoötechnische redenen ingegeven verboden,
beperkingen of belemmeringen ten aanzien de handel in fokdieren weg te nemen. Ook
vormen zij de basis voor verdere Europese regelgeving met betrekking tot de erkenning
van organisaties die stamboeken bijhouden, de methoden waarop het prestatieonderzoek
moet worden verricht en de criteria voor inschrijving in stamboeken.
C.1.2 Nationale wetgeving- fokkerijbesluit
In het op de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwwd) gebaseerde Fokkerijbesluit
wordt uitvoering gegeven aan de Europees gestelde richtlijnen. Dit houdt in dat de
richtlijnen zijn omgezet in nationale wetgeving. In het Fokkerijbesluit is opgenomen
welke instellingen erkend zijn om één of meer stamboeken of registers bij te houden.
Ook zijn de regels ter uitvoering van de methoden van het prestatieonderzoek en het
beoordelen van de genetische waarde hierin opgenomen. Het Fokkerijbesluit wordt
uitgevoerd door de Productschappen voor Vee, Vlees en Eieren (PVE).
Het Fokkerijbesluit vormt de wettelijke grond voor de erkenning van stamboeken. Het
PVE is in medebewind verantwoordelijk voor deze erkenning van en het toezicht op de
stamboeken voor landbouwhuisdieren (m.u.v. pluimvee) en de paarden. Na erkenning
houdt het PVE vervolgens toezicht op (de ontwikkelingen binnen) het stamboek. Jaarlijks
moeten stamboeken schriftelijk rapporteren dat ze voldoen aan de voorwaarden. Deze
voorwaarden worden vastgesteld door het ministerie van EL&I (voorheen LNV).
RDA 2010_02              Fokkerij & Voortplantingstechnieken                         71
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>C.2     Nationale regelgeving
C.2.1 G.W.W.D.
Het Fokkerijbesluit, behorende tot de Gezondheids-en welzijnswet voor dieren (Gwwd) is
van kracht. De grondslagen voor deze regeling zijn Artikelen 76, eerste lid, 108, 111 en
130, eerste lid uit de Gwwd:
    •   Art.76, lid 1: Onverminderd het bepaalde bij artikel 55 worden ter bevordering
        van de raszuiverheid of ter verbetering van de raskenmerken bij of krachtens
        algemene maatregel van bestuur regelen gesteld omtrent het fokken met dieren
        van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen veesoorten.
    •   Art.108, lid 1: Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur dan wel bij
        ministeriële regeling, ter uitvoering van deze wet gegeven, kan medewerking
        worden gevorderd van het bestuur van een bedrijfslichaam of een
        samenwerkingslichaam. Hierbij kunnen de, ingevolge het bepaalde bij of
        krachtens deze wet aan de Minister toekomende bevoegdheden tot het nemen van
        besluiten, waaronder het vaststellen van nadere regels, aan het bestuur van een
        bedrijfslichaam of samenwerkingslichaam worden overgedragen.
    •   Art.108, lid 2: Indien de in het eerste lid bedoelde medewerking bestaat in het
        stellen van nadere regelen bij verordening, behoeft zodanige verordening de
        goedkeuring van Onze Minister. Krachtens de verordening genomen besluiten
        behoeven, voor zover zulks bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur is
        bepaald, de goedkeuring van de daarbij aangewezen autoriteit.
    •   Art.111: Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering
        van krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische
        Gemeenschap vastgestelde verplichtingen inzake onderwerpen waarop deze wet
        van toepassing is, regelen worden gesteld waarbij kan worden afgeweken van
        bepalingen van deze wet.
    •   Art.130, lid 1: Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip dat
        voor de verschillende artikelen of onderdelen van artikelen verschillend kan
        worden vastgesteld.
    Artikelen of vergelijkbare tekst in de Nederlandse wetgeving die verwijzen naar het
    Fokkerijbesluit
    • Regeling handel levende dieren en levende producten, artikelen: 2.14 , 2.35 ,
        2.41 , 2.44 , 2.57 , 2.59
    • Regeling indicatieve vaststelling reikwijdte Dienstenwet, bijlage: Bijlage
    • Verordening fokken op terugdringing TSE-gevoeligheid bij schapen (PVV) 2008,
        artikel: 1
    • Verordening identificatie en registratie van paardachtigen (PVV) 2009, artikel: 1
    • Verordening Uitvoering Fokkerijbesluit 2001, artikelen: 1 , 16
RDA 2010_02               Fokkerij & Voortplantingstechnieken                           72
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>C.2.2 Wet Dieren
In het voorstel voor de Wet Dieren staan in Artikel 2.6 regels met betrekking tot het
fokken van dieren.
•  Art 2.6, lid1: Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
   voor de uitvoering van bindende onderdelen van EG-maatregelen over het fokken van
   en het voor de fok gebruiken van dieren behorende tot bij die maatregel aangewezen
   diersoorten of diercategorieën.
•  Art 2.6, lid 2: Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor het
   onderwerp, bedoeld in het eerste lid, regels worden gesteld voor bij deze maatregel
   aangewezen diersoorten of diercategorieën die betrekking hebben op onder meer:
       a. een verbod op het fokken of het voor de fok gebruiken van:
                i. dieren die beschikken over een bepaalde aandoening die, of een
                   uiterlijk kenmerk dat, de gezondheid of het welzijn van het dier of de
                   nakomelingen van het dier kan aantasten;
               ii. dieren die een gevaar kunnen opleveren voor de veiligheid van mens of
                   dier, en
              iii. andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen
                   dieren, diersoorten of diercategorieën;
       b. de methode van fokken, waaronder een verbod op bepaalde methoden van
           fokken;
       c. het voorafgaand aan het fokken door de fokker te verrichten of te doen
           verrichten onderzoek bij dieren waarmee wordt gefokt naar de aanwezigheid
           van aandoeningen die de gezondheid of het welzijn van de dieren of de
           nakomelingen van die dieren kunnen aantasten;
       d. hygiëne, het voorkomen van de verspreiding van dierziekten, zoönosen en
           ziekteverschijnselen, en het weren van ziekteverwekkers;
       e. het aantal nesten dat dieren gedurende een bepaalde periode krijgen,
       f. de bij te houden en over te leggen gegevens.
•  Art. 2.6, lid 3: Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor het
   onderwerp, bedoeld in het eerste lid, in het belang van de bevordering van de
   raszuiverheid of de verbetering van raskenmerken tevens regels worden gesteld voor
   bij deze maatregel aangewezen diersoorten of diercategorieën die betrekking hebben
   op onder meer:
       g. de organisaties die stamboeken of registers bijhouden;
       h. de eisen aan dieren, hun sperma, eicellen en embryo’s, onder meer voor
           inschrijving in een stamboek;
       i. het keuren van dieren;
       j. de methoden voor het onderzoek naar en beoordeling van de prestaties en de
           genetische waarde van dieren;
       k. het bewijs van inschrijving in een stamboek van dieren, en
       l. de voorwaarden voor toelating van fokdieren tot de voortplanting.
   De Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, 31-03-2008 (Kamerstuk 31 389 nr. 3)
   en de lijst van vragen en antwoorden, Tweede Kamer, 09-05-2008 (Kamerstuk 31
   389 nr. 5) geven de volgende toelichting:
   • Fokken wordt als een bijzonder gebruiksdoel ten aanzien van dieren gezien.
   • De bestaande regels zoals opgenomen in het Fokkerijbesluit en het Besluit
       voortplantingstechnieken bij dieren worden voortgezet en worden in
       uitvoeringsregels vastgelegd.
   • Gebruik van voortplantingstechnieken is wenselijk omdat daardoor bepaalde
       gezondheidsrisico’s die gepaard gaan met de natuurlijke dekking van een dier,
       kunnen worden voorkomen. Voortplantingstechnieken mogen slechts worden
       toegepast op een wijze dat bij het dier niet onnodig pijn, letsel, stress of ander
       ongerief wordt veroorzaakt. Dit geldt voor zowel landbouwhuisdieren als
       gezelschapsdieren.
RDA 2010_02                 Fokkerij & Voortplantingstechnieken                        73
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>     •    Naast het Honden- en kattenbesluit gelden er nu ook beperkingen ten aanzien van
          het fokken op het punt van het aantal nesten dat per moederdier per jaar is
          toegestaan en geldt er een fokverbod van pitbullachtige honden28. In de Nota
          dierenwelzijn is opgenomen dat de rashondensector de kans krijgt om een plan te
          laten zien waarin staat op welke wijze de problemen als gevolg van het eenzijdig
          fokkerijbeleid worden aangepakt. De Raad van Beheer diende in 2010 een plan in.
     •    Fokkerij kan een bijdrage leveren aan het oplossen van welzijns- en
          gezondheidsproblemen door invloed uit te oefenen op de populatie, de keuze van
          fokdoelen en de selectie van fokdieren.
     •    Naast     management,          voermaatregelen,        verrijking van de bestaande
          huisvestingssystemen en nieuwe stalontwerpen kan ook binnen de fokkerij naar
          alternatieven gezocht worden voor ingrepen bij dieren (het snavelkappen bij
          pluimvee en het branden van sporen en het knippen van de achterste tenen bij
          hanen, uitgevoerd om zaken als verenpikken, kannibalisme en ernstige
          beschadiging en verwonding te voorkomen.)
C.3       Europese regelgeving
C.3.1 Europese richtlijnen
•    richtlijn nr. 77/504/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juli
     1977 betreffende raszuivere fokrunderen (PbEG L 206);
•    richtlijn nr. 87/328/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 juni
     1987 betreffende de toelating van raszuivere fokrunderen tot de voortplanting (PbEG
     L 167);
•    richtlijn nr. 88/661/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19
     december 1988betreffende de zoötechnische normen die gelden voor fokvarkens
     (PbEG L 382);
•    richtlijn nr. 89/361/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 30 mei
     1989 betreffende raszuivere fokschapen en -geiten (PbEG L 153);
•    richtlijn nr. 90/118/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 5 maart
     1990 betreffende de toelating van raszuivere fokvarkens tot de voortplanting (PbEG L
     71);
•    richtlijn nr. 90/119/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 5 maart
     1990 betreffende de toelating van hybride fokvarkens tot de voortplanting (PbEG L
     71);
•    richtlijn 90/427/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni
     1990 tot vaststelling van zoötechnische en genealogische voorschriften voor het
     intracommunautaire handelsverkeer in paardachtigen (PbEG L 224);
•    richtlijn nr. 91/174/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25
     maart 1991 inzake zoötechnische en genealogische voorschriften voor de handel in
     rasdieren en tot wijziging van de richtlijnen 77/504/EEG en 90/425/EEG (PbEG L 85);
•     richtlijn nr. 94/28/EG van de Raad van de Europese Unie van 23 juni 1994 tot
      vaststelling van de beginselen inzake de zoötechnische en genealogische
      voorschriften voor de invoer uit derde landen van dieren, alsmede van sperma,
      eicellen en embryo's en tot wijziging van Richtlijn 77/504/EEG betreffende raszuivere
      fokrunderen (PbEG L 178);
28
   De Regeling Agressieve Dieren (RAD) is inmiddels komen te vervallen.
RDA 2010_02                    Fokkerij & Voortplantingstechnieken                        74
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>C.3.2 De Europese overeenkomst ter bescherming van kleine huisdieren
OP 15 oktober 1988 hebben een aantal Lidstaten van de Raad van Europa de
Overeenkomst ter bescherming van kleine huisdieren ondertekend. Nederland is pas
verbonden aan deze Europese overeenkomst indien deze nationaal is geratificeerd.
Daarvoor moet de Eerste en Tweede Kamer instemmen, wat nog niet gebeurd is. Minister
Verburg (LNV) heeft aangegeven het verdrag pas te willen ratificeren indien het kan
worden uitgevoerd, hetgeen onder de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren alleen
voor honden en katten (en dus niet volledig) mogelijk zou zijn. Onder de Wet Dieren zou
dat wel moeten kunnen.
In de Overeenkomst is m.b.t. het fokken het volgende opgenomen:
•   Art. 5: het fokken
    Ieder die een klein huisdier voor het fokken selecteert, is verantwoordelijk voor het
    rekening houden met de anatomische, fysiologische en gedragskenmerken die de
    gezondheid en het welzijn van de nakomelingen of het moederdier in gevaar kunnen
    brengen.
•   Art. 8: Handel, commercieel fokken en in pension hebben, dierenasiels
      1. Ieder die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze overeenkomst handelt in
          kleine huisdieren of deze commercieel fokt of in pension heeft, dan wel een
          dierenasiel beheert, dient binnen een door elke partij vast te stellen passende
          termijn zulks op te geven aan de bevoegde autoriteit.
          Ieder die voornemens is zich met één van deze activiteiten bezig te houden,
          dient dit voornemen op te geven aan de bevoegde autoriteit.
      2. In deze opgave dient te worden vermeld:
          a.    het soort kleine huisdieren dat hierbij is of wordt betrokken;
          b.    de verantwoordelijke persoon en zijn kennis;
          c.    een beschrijving van de gebouwen en voorzieningen die worden gebruikt of
                zullen worden gebruikt.
      3. De bovengenoemde activiteiten mogen slechts worden verricht:
          a. indien de verantwoordelijke persoon beschikt over de kennis en de
              vaardigheden die voor de activiteit zijn vereist, ofwel als resultaat van een
              beroepsopleiding, danwel van voldoende ervaring met kleine huisdieren, en
          b. indien de gebouwen en voorzieningen die voor de activiteiten worden
              gebruikt, voldoen aan de eisen die gelden voor het houden van dieren
              (verantwoordelijk voor gezondheid en welzijn van het kleine huisdier,
              rekening houden met de ethologische behoeften van het dier in
              overeenstemming met zijn soort en ras, vlgs artikel 4).
      4. De bevoegde autoriteit bepaalt op grond van de opgave ingevolge het eerste lid
          of er al dan niet wordt voldaan aan de in het derde lid gestelde voorwaarden.
          Indien niet in voldoende mate aan deze voorwaarden wordt voldaan, beveelt zij
          maatregelen aan en, indien noodzakelijk voor het welzijn van dieren, verbiedt zij
          het aanvangen met of het voortzetten van de activiteit.
      5. De bevoegde autoriteit controleert, in overeenstemming met de nationale
          wetgeving, of al dan niet aan de bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan.
RDA 2010_02                Fokkerij & Voortplantingstechnieken                           75
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>Colofon
De Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) is een raad van deskundigen die de
minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit adviseert over vraagstukken
betreffende dierenwelzijn en diergezondheid.
De Raad baseert zich daarbij op de meest recente wetenschappelijke, maatschappelijke
en ethische ontwikkelingen.
De RDA bestaat uit ca. veertig deskundigen die op persoonlijke titel, zonder last of
ruggespraak, zitting hebben in de Raad.
Elke zienswijze van de Raad wordt voorbereid door een Forum. Een Forum bestaat uit
raadsleden met voor het vraagstuk relevante expertise, eventueel aangevuld met
externe deskundigen. Het Forum legt een concept zienswijze ter beoordeling voor aan
alle raadsleden. Het Forum stelt vervolgens, met inachtneming van de reacties uit deze
Horizontale Toets en in overeenstemming met de voorzitter van de Raad, de zienswijze
vast. Een zienswijze van de RDA is – daarmee – nadrukkelijk een product van de gehele
Raad.
De Raad voor Dierenaangelegenheden wordt voorgezeten door prof. dr. H. Vaarkamp en
bestaat uit de volgende deskundigen:
De heer A. Achterkamp                             De heer prof. dr. F. van Knapen
De heer prof. dr.ir. J.A.M. van Arendonk*         De heer prof. dr. P.A. Koolmees
Mevrouw dr. H.M.G. van Beers-Schreurs             De heer ir. J. Lokhorst*
De heer dr. F.W.A. Brom                           De heer dr. C. van Maanen
De heer W.H.B.J. van Eijk                         Mevrouw prof. dr. F. Ohl
Mevrouw prof. mr. A.A. Freriks                    Mevrouw drs. P.I. Polman, MPH
De heer prof. dr. L.J. Hellebrekers               De heer ir. P. Poortinga
De heer prof. dr. ir. W.H. Hendriks               De heer ir. F.C. van der Schans
Mevrouw dr. S.A. Hertzberger                      Mevrouw dr. M.M. Sloet van
Mevrouw J.E. Hesterman*                           Oldruitenborgh - Oosterbaan
De heer A.J.M. van Hoof                           De heer prof. dr. F.J. van Sluijs
De heer dr. ing. H. Hopster*                      De heer prof. dr. J.A. Stegeman
De heer prof. dr. ir. R.B.M. Huirne               De heer ir. M.H.A. Steverink, MFM
De heer ir. M.J.B. Jansen                         De heer H.W.A. Swinkels
De heer prof. dr. ir. M.C.M. de Jong              Mevrouw drs. H.M. van Veen*
Mevrouw ir. M. de Jong-Timmerman                  De heer P.J. Vingerling
De heer J.Th. de Jongh*                           De heer prof. dr. C.M.J. van Woerkum
De heer drs. J. Kaandorp                          De heer W. Zwanenburg
De raadsleden die het Forum voor deze zienswijze vormden zijn in de lijst gemarkeerd
met een asterisk. Voor deze zienswijze maakte tevens de heer prof. dr. E. Schroten,
voorzitter van de Commissie Biotechnologie bij Dieren, deel uit van het Forum. Wij zijn
hem veel dank verschuldigd.
Meer informatie over de Raad voor Dierenaangelegenheden vindt u op onze website:
WWW.RDA.NL Daar kunt u ook alle eerder uitgebrachte adviezen downloaden. U kunt
zich tevens abonneren op onze nieuwsbrief.
Raad voor Dierenaangelegenheden
Postbus 20401
2500 EK ’s-Gravenhage
T: 070-378 5266
E: info@rda.nl
RDA 2010_02                Fokkerij & Voortplantingstechnieken                         76
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>